Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2016-05-17
ECLI:NL:RBAMS:2016:2934
Bestuursrecht
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/7463 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2016 in de zaak tussen [de vrouw] , te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. A.J.E.Schouten), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. Smit, mr. F. Veldstra, [betrokkene] en [betrokkene 1] ). Bij besluit van 25 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een persoonsgebonden budget (Pgb) toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Bij besluit van 15 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mr. P. Sloot en mr. T.L. Fernig-Rocour, leden, in aanwezigheid van mr. M. Kruit, griffier. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. 1.1. Eiseres ontving sinds 1 januari 2013 een Pgb voor hulp bij het huishouden voor 5 uur per week. Op 18 augustus 2015 heeft de MO-zaak, naar aanleiding van een gesprek met eiseres, een advies uitgebracht. In dit advies komt de MO-zaak tot de conclusie dat eiseres in aanmerking komt voor 3 uur en 10 minuten hulp bij het huishouden per week in de vorm van een Pgb. Dit is in het primaire besluit toegekend, voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 1 januari 2020. 1.2. In het bestreden besluit - waarin het primaire besluit is gehandhaafd - heeft verweerder onder meer overwogen dat de toegekende omvang en tijd voor huishoudelijke hulp is gebaseerd op nieuwe regelgeving, waardoor de omvang van het aantal uren nu anders is dan bij de eerdere indicaties. Met de aandoeningen van eiseres is evenwel rekening gehouden. 1.3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat van de door verweerder gegeven indicatie, ook met inachtneming van de nadere regelgeving van verweerder, onvoldoende concreet en bepaalbaar is wat de inhoud is van die indicatie. Daarmee is niet dan wel in onvoldoende mate vast te stellen of verweerder een maatwerkvoorziening heeft getroffen die zich kwalificeert als compensatie in de zin van de Wmo en die eiseres voldoende compenseert in de beperkingen in de zelfredzaamheid die zij ondervindt. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel uren per taak worden geïndiceerd en waarop dit is gebaseerd. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet heeft onderzocht of eiseres met de nieuwe (lagere) toekenning van uren ‘hetzelfde resultaat’ kan bereiken als voorheen, terwijl er geen wijzigingen in haar situatie hebben plaatsgevonden. 2.1. Op grond van artikel 2.3.1 van de Wmo draagt het college er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 2.2. In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo is onder meer bepaald dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening beslist ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid (…) die de cliënt ondervindt (…). De maatwerkwerkvoorziening levert (…) een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid (…). 2.3. In artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo is bepaald dat een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. 2.4. Op grond van artikel 4.8, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Verordening) kan een cliënt in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden ingeval: a. aantoonbare beperkingen bij het voeren van een huishouden, en b. problemen die zich voordoen bij gebruikelijke hulp en mantelzorg. 2.5. Onder 4.2, onder a, van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Nadere regels) is de volgende productbeschrijving gegeven voor een Pgb: In de Wmo 2015 is het persoonsgebonden budget (Pgb) een gelijkwaardig alternatief voor ondersteuning in natura. Een Amsterdammer die een geïndiceerde maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst, geeft dit gemotiveerd aan en hij stelt een zogenoemd Pgb-plan op, tenzij het een aanvraag voor een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel betreft. In die gevallen is geen Pgb-plan nodig, en toetst het college de aanvraag en de aanvrager enkel op doelmatigheid, bekwaamheid en motivatie. 1. Een persoonsgebonden budget kan worden verstrekt ten behoeve van een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Verordening. 2. Voor de aanvraag van een persoonsgebonden budget wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde formulier. 3. De motivatie en bekwaamheid van de aanvrager van een persoonsgebonden budget en de doelmatigheid van het zorginhoudelijke voorstel wordt getoetst aan de hand van een door de aanvrager ingevuld Pgb-plan als onderdeel van het gesprek als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Verordening. 4. Er is sprake van professionele hulp als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden en de persoon ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel. De toekenningsbeschikking van het college aan de budgethouder bevat naast de in artikel 2.6 van de Verordening genoemde informatie de mededeling dat de zorgovereenkomst door de Sociale Verzekeringsbank wordt doorgezonden aan de belastingdienst. Hulp bij het huishouden - Onderdeel van het Pgb-plan voor hulp bij het huishouden is het Afsprakenoverzicht. - Voor een schoon en leefbaar huis als beschreven in paragraaf 4.9 wordt 75 minuten per week gerekend. - Afhankelijk van de medische, sociale en woonsituatie kan meer of minder tijd worden toegekend. 2.6. Onder 4.9, onder a, van de Nadere regels is de productbeschrijving gegeven voor hulp bij het huishouden. Daarin staat - voor zover hier van belang -: Hulp bij het huishouden is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke activiteiten. De Gemeente Amsterdam onderscheidt drie te bereiken resultaten: een schoon en leefbaar huis, beschikken over boodschappen en maaltijden en thuis zorgen voor kinderen. Een schoon en leefbaar huis Iedereen moet gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, slaapkamer, keuken en sanitaire ruimten (1 badkamer, maximaal 2 toiletten) en een schone gang. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Concreet kan het gaan om het stofzuigen van bovengenoemde vertrekken, het schoonmaken van de badkamer, keuken en toilet, het dweilen van vloeren. Voor een een- of tweepersoonshuishouden is het uitgangspunt dat bovenstaande eens per twee weken wordt uitgevoerd. Aan de hand van de persoonlijke situatie wordt bepaald wat er daadwerkelijk gedaan moet worden. Als ook andere werkzaamheden zoals stoffen of de was moeten worden gedaan, is hier mogelijk extra inzet voor nodig; dit gebeurt alleen als de noodzaak daarvoor is vastgesteld. 3.1. Het beroep van eiseres ziet op de weigering van verweerder een Pgb aan eiseres toe te kennen voor meer dan 3 uur en 10 minuten aan hulp bij het huishouden per week. 3.2. De rechtbank stelt vast dat aan eiseres een Pgb is toegekend voor hulp bij het huishouden voor een ‘schoon en leefbaar huis’. Wat er voor nodig is om het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’ te bereiken is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Zo kan de mate waarin hulp bij het huishouden nodig is per geval verschillen, bijvoorbeeld omdat de ene cliënt meer beperkingen heeft dan de andere. Waar een cliënt recht op heeft verschilt per persoon. In de Nadere Regels zijn de schoon te maken vertrekken inzichtelijk gemaakt, maar is niet aangegeven om welke schoonmaakactiviteiten het zou moeten gaan. De rechtbank is van oordeel dat in de Nadere regels onvoldoende is genormeerd hoe het resultaat een ‘schoon en leefbaar huis’ kan worden bereikt.