Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2015-08-24
ECLI:NL:RBAMS:2015:5405
Bestuursrecht
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 15/4521 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2015 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. M.M. Tjen A Kwoei). Bij besluit van 25 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet (Pw) toegepast op verzoekers bijstandsuitkering. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Partijen zijn overeengekomen dat het bestreden besluit op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in aanmerking komt voor rechtstreeks beroep. Vervolgens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek strekt ertoe dat de bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande, die verzoeker tot 1 juli 2015 ontving, wordt voortgezet. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; schorst het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdentachtig euro) draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 (zegge: vijfenveertig euro) aan verzoeker te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2015. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Coll: RT Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. 1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Verzoeker verblijft in Nederland op basis van een verblijfsvergunning op medische gronden. Verzoeker heeft een relatie met mevrouw [naam partner] (hierna: [naam partner] ) waaruit op 26 augustus 2014 een kind is geboren dat verzoeker heeft erkend. [naam partner] en het kind hebben geen rechtmatig verblijf in Nederland. Sinds 29 augustus 2014 hebben [naam partner] en het kind zich bij verzoeker ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] . Omdat [naam partner] gelet op haar verblijfsstatus geen recht op bijstand heeft, ontving verzoeker tot 1 juli 2015 bijstand naar de norm van een alleenstaande met 20% woontoeslag. 3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekers uitkering met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd door toepassing te geven aan de in artikel 22a, eerste lid, van de Pw vermelde kostendelersnorm omdat [naam partner] mede hoofdverblijf heeft in de woning van verzoeker op het uitkeringsadres. Verweerder stelt zich op het standpunt dat [naam partner] in de kostendelersnorm moet worden betrokken. Dit betekent dat verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2015 op 50 procent van het Wettelijk Minimumloon wordt vastgesteld. Dat is volgens de bijlage bij het bestreden besluit een bedrag van € 686,31 per maand. 4. Verzoeker voert aan dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de kostendelersnorm. Kort samengevat is verzoeker van oordeel dat de wetgever niet heeft voorzien in een situatie waarin een bijstandsgerechtigde een huishouden deelt met iemand die vanwege het ontbreken van een rechtmatig verblijf geen mogelijkheid heeft om zelf in een inkomen te voorzien. 5.1 In artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet is het volgende bepaald: Indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende: Hierbij staat: • A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; en • B voor de rekennorm. Op grond van het derde lid, onder a, van dit artikel, voor zover hier van belang, is het eerste lid niet van toepassing op de belanghebbende die gehuwd is en alleen met zijn echtgenote in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, tenzij die echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft. 5.2 Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Participatiewet worden in deze wet als gehuwden mede aangemerkt, de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. 5.3 Artikel 24 van de Participatiewet bepaalt dat indien één van de gehuwden geen recht heeft op algemene bijstand, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk is aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 6.1 De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verder toegelicht dat het in de Koppelingswet neergelegde koppelingsbeginsel ertoe strekt het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen, te koppelen aan rechtmatig verblijf in Nederland. Het is niet de bedoeling dat door bijstandsverlening aan degene die wel recht heeft op bijstand, indirect bijstand wordt verleend aan de niet rechthebbende partner. Het koppelingsbeginsel brengt met zich dat ook in acute noodsituaties bijstandsverlening aan vreemdelingen is uitgesloten. 6.2 Verzoeker stelt daar ter zitting tegenover dat met het toepassen van de kostendelersnorm inbreuk wordt gemaakt op zijn privé- en gezinsleven en dat ten onrechte een onderscheid, zoals bedoeld in artikel 14 van het Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt gemaakt. Volgens verzoeker wordt hij in feite voor de keuze gesteld om hetzij het gezinsleven te beëindigen, hetzij in grote financiële problemen te komen. Volgens verzoeker kan hij, na toepassing van de kostendelersnorm, van zijn uitkering niet eens zijn huur betalen. Daarnaast komt verzoeker, behalve voor kinderbijslag, niet in aanmerking voor toeslagen van de Belastingdienst, zoals een kindgebonden toeslag en zorgtoeslag, omdat [naam partner] als toeslagpartner geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Het risico bestaat volgens verzoeker dat zijn woning wordt ontruimd en hij met [naam partner] en hun zeer jonge kind, die voeding, kleding en onderdak nodig heeft, op straat komt te staan. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 1 van het eerste Protocol in combinatie met artikel 14 en artikel 8 van het EVRM, de artikelen 3, eerste lid, en 27 van het internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), de artikelen 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees sociaal handvest (ESH), aldus verzoeker. 7.1 De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 26 van het IVBPR, artikel 14 van het EVRM en artikel 1, eerste lid, van Protocol nr. 12 bij het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, maar slechts die behandeling die als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de rechten van de mens (EHRM), dient een ongerechtvaardigd onderscheid te worden aangenomen, indien voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Dit doet zich voor, indien dat onderscheid geen legitiem doel dient of er geen redelijke, proportionele verhouding is tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt beoogd te realiseren (Konstantin Markin tegen Rusland, arrest van 22 maart 2012, nr. 30078/06, § 125, en Biao tegen Denemarken, arrest van 25 maart 2014, nr. 38590/10, § 92 (www.echr.coe.int)). 7.2 Onder 1.4 van de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten (Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten) over artikel 24 van de Participatiewet wordt opgemerkt dat indien sprake is van een situatie dat één van de gehuwden geen recht heeft op algemene bijstand, de partner zonder recht op bijstand wel meetelt voor het aantal personen dat hoofdverblijf heeft in dezelfde woning en voor de desbetreffende normhoogte van de kostendelersnorm. (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, p. 8). Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat het de bedoeling van de wetgever is geweest geen onderscheid te hebben willen maken tussen partners van bijstandsgerechtigden die om welke (uiteenlopende) redenen dan ook geen recht op bijstand hebben. Zie hiervoor ook de Nota van wijziging, waarin het derde lid, onder a, aan artikel 22a van de Pw is toegevoegd. (Kamerstukken II 2013/14, 33 988, nr. 6, p. 14) Hieronder valt ook de omstandigheid dat de partner van verzoeker geen recht op bijstand heeft wegens het ontbreken van een geldige verblijftitel.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 16 — Europees Sociaal Handvest (herzien) - BWBV0001800
- Artikel 12 — Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten - BWBV0001016
- Artikel 17 — Europees Sociaal Handvest (herzien) - BWBV0001800
- Artikel 11 — Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten - BWBV0001016
- Artikel 13 — Europees Sociaal Handvest (herzien) - BWBV0001800
- Artikel 27 — Verdrag inzake de rechten van het kind - BWBV0002508
- Artikel 24 — Participatieplaatsen