Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2015-05-22
ECLI:NL:RBAMS:2015:3034
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,610 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VERKORT VONNIS
Parketnummers: 13/669016-15 en 13/701567-14 (TUL)
Datum uitspraak: 22 mei 2015
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het [detentie adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 mei 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Refos, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G.A.M. Halfers, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat,
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,
hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro (lijn 51), door zijn geslachtsdeel (aan [persoon 1]) te tonen en/of zichzelf af te trekken (terwijl hij die [persoon 1] bleef aankijken).
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
hij op of omstreeks 13 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro (lijn 51), door zijn geslachtsdeel (gedeeltelijk) uit zijn broek te halen en/of zichzelf af te trekken (terwijl hij daarbij in de nabijheid van [persoon 2] stond en/of in de richting van die [persoon 2] keek).
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde wordt verdachte verweten dat hij zich op 13 januari 2015 te Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door in de metro in de nabijheid van [persoon 2] te masturberen. In het dossier bevindt zich de verklaring van [persoon 2]. Hoewel zij verdachte nadien op foto’s van het metrostation Kronenburg te Amstelveen heeft herkend, wordt haar verklaring niet voldoende ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Dat verdachte op 31 januari 2015 door een andere aangeefster in dezelfde metrolijn is gezien, terwijl hij zich op dezelfde wijze gedroeg, kan naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Volgens vaste jurisprudentie mag immers pas gebruik worden gemaakt van zogenaamd schakelbewijs, als uit het geheel van het bewijsmateriaal ter zake van een reeks van delicten een herkenbaar en gelijksoortig gedragspatroon kan worden vastgesteld. Van een voldoende onderscheidend gedragspatroon gedurende een reeks van delicten is evenwel geen sprake. Nu niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, dat inhoudt dat een verklaring van één getuige niet voldoende is om bewezen te achten dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.
4.2.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte,
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,
op 31 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro, lijn 51, door zijn geslachtsdeel aan [persoon 1] te tonen en/of zichzelf af te trekken, terwijl hij die [persoon 1] bleef aankijken.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
op 31 januari 2015 te Amstelveen als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte lang genoeg heeft vastgezeten.
8.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft als vreemdeling in Nederland verbleven, in strijd met een aan hem opgelegd inreisverbod. Verdachte heeft daarmee een beslissing van de Nederlandse overheid, op grond waarvan hij verplicht was Nederland te verlaten, genegeerd. Door zo te handelen heeft verdachte het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid doorkruist. Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door in het bijzijn van een ander te masturberen.
Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van
16 april 2015 eerder onherroepelijk voor schending van artikel 197 en 239 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld. De rechtbank acht daarom, mede gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.
8.4.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 3 april 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/701567-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 2 april 2014 van de politierechter in deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan de verdachte is betekend.
Hoewel is gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, is uit een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 april 2015 eveneens duidelijk geworden dat de tenuitvoerlegging van bovengenoemde gevangenisstraf reeds is toegewezen bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 5 januari 2015, welke beslissing op 20 januari 2015 onherroepelijk is geworden.
Dat betekent dat de rechtbank volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bv. ECLI:NL:HR:2003:AL6828) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering na voorwaardelijke veroordeling.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 197 en 239 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
Schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd.
Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering na voorwaardelijke veroordeling (vordering TUL) in de zaak met parketnummer 13/701567-14.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.M. Wieland, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en W.M. van den Bergh, rechters,
in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2015.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VERKORT VONNIS
Parketnummers: 13/669016-15 en 13/701567-14 (TUL)
Datum uitspraak: 22 mei 2015
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het [detentie adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 mei 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Refos, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G.A.M. Halfers, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat,
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,
hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro (lijn 51), door zijn geslachtsdeel (aan [persoon 1]) te tonen en/of zichzelf af te trekken (terwijl hij die [persoon 1] bleef aankijken).
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
hij op of omstreeks 13 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro (lijn 51), door zijn geslachtsdeel (gedeeltelijk) uit zijn broek te halen en/of zichzelf af te trekken (terwijl hij daarbij in de nabijheid van [persoon 2] stond en/of in de richting van die [persoon 2] keek).
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde wordt verdachte verweten dat hij zich op 13 januari 2015 te Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door in de metro in de nabijheid van [persoon 2] te masturberen. In het dossier bevindt zich de verklaring van [persoon 2]. Hoewel zij verdachte nadien op foto’s van het metrostation Kronenburg te Amstelveen heeft herkend, wordt haar verklaring niet voldoende ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Dat verdachte op 31 januari 2015 door een andere aangeefster in dezelfde metrolijn is gezien, terwijl hij zich op dezelfde wijze gedroeg, kan naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Volgens vaste jurisprudentie mag immers pas gebruik worden gemaakt van zogenaamd schakelbewijs, als uit het geheel van het bewijsmateriaal ter zake van een reeks van delicten een herkenbaar en gelijksoortig gedragspatroon kan worden vastgesteld. Van een voldoende onderscheidend gedragspatroon gedurende een reeks van delicten is evenwel geen sprake. Nu niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, dat inhoudt dat een verklaring van één getuige niet voldoende is om bewezen te achten dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.
4.2.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte,
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,
op 31 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro, lijn 51, door zijn geslachtsdeel aan [persoon 1] te tonen en/of zichzelf af te trekken, terwijl hij die [persoon 1] bleef aankijken.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
op 31 januari 2015 te Amstelveen als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte lang genoeg heeft vastgezeten.
8.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft als vreemdeling in Nederland verbleven, in strijd met een aan hem opgelegd inreisverbod. Verdachte heeft daarmee een beslissing van de Nederlandse overheid, op grond waarvan hij verplicht was Nederland te verlaten, genegeerd. Door zo te handelen heeft verdachte het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid doorkruist. Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door in het bijzijn van een ander te masturberen.
Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van
16 april 2015 eerder onherroepelijk voor schending van artikel 197 en 239 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld. De rechtbank acht daarom, mede gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.
8.4.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 3 april 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/701567-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 2 april 2014 van de politierechter in deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan de verdachte is betekend.
Hoewel is gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, is uit een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 april 2015 eveneens duidelijk geworden dat de tenuitvoerlegging van bovengenoemde gevangenisstraf reeds is toegewezen bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 5 januari 2015, welke beslissing op 20 januari 2015 onherroepelijk is geworden.
Dat betekent dat de rechtbank volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bv. ECLI:NL:HR:2003:AL6828) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering na voorwaardelijke veroordeling.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 197 en 239 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
Schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd.
Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering na voorwaardelijke veroordeling (vordering TUL) in de zaak met parketnummer 13/701567-14.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.M. Wieland, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en W.M. van den Bergh, rechters,
in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2015.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VERKORT VONNIS
Parketnummers: 13/669016-15 en 13/701567-14 (TUL)
Datum uitspraak: 22 mei 2015
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het [detentie adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 mei 2015.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Refos, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G.A.M. Halfers, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat,
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,
hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro (lijn 51), door zijn geslachtsdeel (aan [persoon 1]) te tonen en/of zichzelf af te trekken (terwijl hij die [persoon 1] bleef aankijken).
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
hij op of omstreeks 13 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro (lijn 51), door zijn geslachtsdeel (gedeeltelijk) uit zijn broek te halen en/of zichzelf af te trekken (terwijl hij daarbij in de nabijheid van [persoon 2] stond en/of in de richting van die [persoon 2] keek).
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde wordt verdachte verweten dat hij zich op 13 januari 2015 te Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door in de metro in de nabijheid van [persoon 2] te masturberen. In het dossier bevindt zich de verklaring van [persoon 2]. Hoewel zij verdachte nadien op foto’s van het metrostation Kronenburg te Amstelveen heeft herkend, wordt haar verklaring niet voldoende ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Dat verdachte op 31 januari 2015 door een andere aangeefster in dezelfde metrolijn is gezien, terwijl hij zich op dezelfde wijze gedroeg, kan naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Volgens vaste jurisprudentie mag immers pas gebruik worden gemaakt van zogenaamd schakelbewijs, als uit het geheel van het bewijsmateriaal ter zake van een reeks van delicten een herkenbaar en gelijksoortig gedragspatroon kan worden vastgesteld. Van een voldoende onderscheidend gedragspatroon gedurende een reeks van delicten is evenwel geen sprake. Nu niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, dat inhoudt dat een verklaring van één getuige niet voldoende is om bewezen te achten dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.
4.2.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte,
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,
op 31 januari 2015 te Amstelveen de eerbaarheid heeft geschonden op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de metro, lijn 51, door zijn geslachtsdeel aan [persoon 1] te tonen en/of zichzelf af te trekken, terwijl hij die [persoon 1] bleef aankijken.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
op 31 januari 2015 te Amstelveen als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte lang genoeg heeft vastgezeten.
8.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft als vreemdeling in Nederland verbleven, in strijd met een aan hem opgelegd inreisverbod. Verdachte heeft daarmee een beslissing van de Nederlandse overheid, op grond waarvan hij verplicht was Nederland te verlaten, genegeerd. Door zo te handelen heeft verdachte het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid doorkruist. Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door in het bijzijn van een ander te masturberen.
Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van
16 april 2015 eerder onherroepelijk voor schending van artikel 197 en 239 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld. De rechtbank acht daarom, mede gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.
8.4.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 3 april 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/701567-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 2 april 2014 van de politierechter in deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan de verdachte is betekend.
Hoewel is gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, is uit een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 april 2015 eveneens duidelijk geworden dat de tenuitvoerlegging van bovengenoemde gevangenisstraf reeds is toegewezen bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 5 januari 2015, welke beslissing op 20 januari 2015 onherroepelijk is geworden.
Dat betekent dat de rechtbank volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bv. ECLI:NL:HR:2003:AL6828) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering na voorwaardelijke veroordeling.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 197 en 239 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
Schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd.
Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering na voorwaardelijke veroordeling (vordering TUL) in de zaak met parketnummer 13/701567-14.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.M. Wieland, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en W.M. van den Bergh, rechters,
in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2015.