Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2015-04-16
ECLI:NL:RBAMS:2015:2496
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,576 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 15/1678, AMS 15/1810, AMS 15/1624, AMS 15/1670, AMS 15/1675, AMS 15/1812, AMS 15/1631, AMS 15/1635, AMS 15/1649, AMS 15/1673, AMS 15/1671, AMS 15/1647, AMS 15/1679, AMS 15/1819 en AMS 15/1880
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2015 in de zaken tussen
de heer [naam 1] (eiser 1), [naam 2] (eiser 2), [naam 3] (eiser 3), [naam 4] (eiser 4), de heer [naam 5] (eiser 5), [naam 6] (eiser 6), de heer [naam 7] (eiser 7), [naam 8] (eiser 8), [naam 9] (eiser 9), [naam 10] (eiser 10), de heer [naam 11] (eiser 11), de heer [naam 12] (eiser 12), [naam 13] (eiser 13), de heer Mengistu (eiser 14) en [naam 15] (eiser 15), allen te Amsterdam, hierna: eisers
gemachtigden: mr. W.G. Fischer (eisers 1 en 2), mr. J. Klaas (eisers 3 t/m 6), mr. J. Sprakel (eisers 7 t/m 10), mr. S. Çakici-Reinders (eiser 11), mr. J.H. Kruseman (eisers 12 t/m 14) en mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld (eiser 15)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen.
De rechtbank heeft de zaken gevoegd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.
Overwegingen
1.1
Eisers hebben een melding gedaan bij verweerder en daarbij vermeld dat het ook een aanvraag betreft. Zij hebben verweerder verzocht met spoed een tijdelijke maatwerkvoorziening te treffen omdat zij dringend opvang en hulp nodig hebben. Daarbij hebben zij verweerder verzocht binnen twee weken een beslissing te nemen.
1.2
Twee weken na de indiening van hun brieven hebben eisers verweerder in gebreke gesteld omdat verweerder niet heeft beslist op hun verzoeken om een tijdelijke maatwerkvoorziening. Vervolgens hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank omdat verweerder ook na de ingebrekestelling niet heeft beslist.
2.1
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
2.2
Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
2.3
Op grond van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 voert, indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
Op grond van het negende lid van dit artikel kan een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
2.4
Op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 beslist het college in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt.
3.1
Vast staat dat verweerder niet heeft beslist om ten aanzien van eisers een tijdelijke maatwerkvoorziening te treffen. Verweerder heeft aangevoerd dat het uitblijven van een beslissing op het verzoek om onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, moet worden beschouwd als een fictieve beslissing, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Verweerder verwijst in dat verband naar de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013-2014, 33841, nr. 3, p. 147).
3.2
In de Memorie van Toelichting staat het volgende vermeld:
Het niet tijdig – d.w.z. niet onverwijld – nemen van een beslissing tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening is een fictieve weigering, waartegen de belanghebbende op grond van de Awb bezwaar (al dan niet gepaard gaande met een verzoek om een voorlopige voorziening) en beroep kan aantekenen.
3.3
De rechtbank stelt vast dat in de Wmo 2015 geen bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot het opkomen tegen deze zogenoemde fictieve weigering. Dat betekent dat de Awb onverkort van toepassing is. De Awb voorziet niet in een fictieve weigering als bedoeld in de Memorie van Toelichting. Op grond van artikel 6:12 van de Awb kan wel worden opgekomen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Uit dit artikel volgt dat daartegen direct beroep openstaat, mits het bestuursorgaan in gebreke is gesteld. Aan die voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal dan ook beoordelen of sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit tot het treffen van een tijdelijke maatwerkvoorziening.
4.1
Naar het oordeel van de rechtbank dient de verzoeker van een tijdelijke maatwerkvoorziening, bij zijn melding te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisend geval. Eisers hebben ter toelichting van hun verzoek aangevoerd dat zij onder onmenselijke omstandigheden verblijven in een garage in [woonwijk], de zogenaamde vluchtgarage. Gelet op hun gecompliceerde verblijfsrechtelijke procedures hebben zij rust nodig en ook ruimte om met hun hulpverleners te overleggen. Zij verzoeken daarom om een eigen kamer. Een aantal eisers heeft er verder op gewezen dat de crisisopvang geen geschikt alternatief is. Omdat zij overdag niet in de crisisopvang terecht kunnen, willen zij, zo begrijpt de rechtbank, dan in de vluchtgarage verblijven. De afstand tussen vluchtgarage en crisisopvang is volgens eisers echter zodanig groot, dat deze niet lopend te overbruggen is. Daarnaast hebben zij gewezen op hun medische situatie.
4.2
Eisers verblijven allen niet rechtmatig in Nederland. De rechtbank stelt vast dat eisers gebruik kunnen maken van een voorziening, te weten de crisisopvang. Dit is een zogenaamde bed, bad en brood voorziening. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat hun situatie zo nijpend is, dat de uitkomst van de procedure bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 niet kan worden afgewacht. Het betoog dat zij zich in een lastige verblijfsrechtelijke procedure bevinden en ruimte moeten hebben om met hulpverleners te kunnen praten, is daartoe onvoldoende. Het enkele feit dat de crisisopvang overdag niet open is, is daartoe eveneens onvoldoende. De rechtbank verwijst in dat verband naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4259) in het kader van de Wmo 2007. De voorzieningenrechter heeft daarbij een voorlopige voorziening getroffen die ertoe strekt dat aan een uitgeprocedeerde asielzoeker opvang werd geboden, met uitsluitend nachtopvang. Eisers hebben verder onvoldoende onderbouwd dat de crisisopvang voor hen geen geschikte opvang is om de uitkomst van de procedure op hun melding af te wachten. Zij hebben weliswaar gewezen op medische klachten die zij hebben, maar hebben geen of geen recente informatie overgelegd om deze klachten te onderbouwen. Eisers hebben tot slot verwezen naar hun eerdere Wmo-procedures. Nu deze dateren van voor het instellen van de crisisopvang, is de enkele verwijzing naar deze procedure evenmin een voldoende onderbouwing van de spoedeisendheid.
4.3
Uit overweging 4.2 volgt dat er ten aanzien van geen van de eisers sprake is van een spoedeisend geval. Daarom is verweerder niet gehouden om onverwijld te beslissen op de verzoeken van eisers om een tijdelijke maatwerkvoorziening. Daarmee geldt voor eisers de procedure genoemd in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Ten tijde van de ingebrekestelling was de termijn voor het uitvoeren van het onderzoek nog niet verstreken. Eisers konden daarom gelet op artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 nog geen aanvraag doen. Nu geen sprake kan zijn van een aanvraag, is evenmin sprake van het niet tijdig nemen van besluiten. De ingebrekestellingen zijn prematuur.
4.4
Gezien het vorenstaande en gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb zijn de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van M.M.J. Mooijer, griffier.
Dictum
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.