Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2010-12-21
ECLI:NL:RBAMS:2010:6820
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,656 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB09/5015 AW
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde mr. A. Lange,
en
De stadsdeelraad van het stadsdeel Bos en Lommer van de gemeente Amsterdam, thans de stadsdeelraad van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde mr. T.A. Meijer.
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van
1 juni 2009 ontslagen primair wegens ongeschiktheid en subsidiair omdat het belang van de gemeente dringend eist dat hij zijn functie op een andere wijze vervult.
Bij besluit van 24 september 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2010.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, [gemachtigde verweerder1], en [gemachtigde verweerder2].
Overwegingen
1.
In artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat mandaat tot het beslissen op onder meer een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.
2.
In artikel 3 van het Besluit Rechtspositie Griffie van de Stadsdeelraad Bos en Lommer van 8 oktober 2003 is bepaald dat aan het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid wordt gedelegeerd tot het uitvoeren van de rechtspositie van de gemeente Amsterdam en de daaraan verbonden regelingen ten behoeve van de Griffier en de Griffiemedewerker met uitzondering van onder meer het nemen van besluiten over aanstelling, overplaatsing, schorsing of ontslag van de Griffier en de Griffiemedewerkers.
In artikel 4 van genoemd besluit is bepaald dat aan de Griffier de bevoegdheid gemandateerd wordt tot het nemen van beslissingen op grond van de onder 3 genoemde uitzonderingen voor de Griffiemedewerkers.
Ingevolge artikel 5 van datzelfde besluit wordt aan de voorzitter van het Presidium de bevoegdheid gemandateerd tot het nemen van beslissingen op grond van de onder 3 genoemde uitzonderingen, met dien verstande dat beslissingen tot aanstelling, ontslag of het opleggen van disciplinaire straffen wordt gemandateerd aan het Presidium als geheel.
3.
Met eiser is de rechtbank van oordeel dat uit de artikelen 4 en 5 van meergenoemd besluit niet duidelijk volgt wat het onderscheid is tussen de bevoegdheid van de Griffier en de bevoegdheid van het Presidium ten aanzien van beslissingen tot ontslag. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit, gelet op de bewoordingen van artikel 4, echter niet mee dat moet worden geconcludeerd dat de Griffier niet bevoegd is tot het nemen van beslissingen tot ontslag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Griffier in het onderhavige geval bevoegd was tot het nemen van het primaire besluit.
4.
Het primaire besluit van 23 maart 2009 is genomen door “de Stadsdeelraad, voor deze het Dagelijks Bestuur, namens deze de Griffier [naam griffier1]”. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd, in die zin dat dat besluit namens de Stadsdeelraad, in mandaat ondertekend door de Griffier [naam griffier1], is genomen. Het bestreden besluit is eveneens namens de Stadsdeelraad, in mandaat ondertekend door de Griffier [naam griffier1], genomen.
5.
Hiermee heeft zich naar het oordeel van de rechtbank een situatie voorgedaan die strijdig is met het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Het bestreden besluit is daarom onbevoegdelijk genomen. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.
6.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven. Verweerder heeft immers geen bekrachtigingsbesluit genomen waarin een bevoegd bestuursorgaan het bestreden besluit voor zijn rekening heeft genomen. De rechtbank zal verweerder niet alsnog in de gelegenheid stellen om een bekrachtigingsbesluit te nemen. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat de arbeidsverhouding tussen eiser en verweerder ernstig verstoord is geraakt door een arbeidsconflict tussen eiser en [naam griffier1], die eisers direct leidinggevende was. Nu [naam griffier1] alle functionerings- en beoordelingsgesprekken met eiser heeft gevoerd en ook de beslissing tot ontslag heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat van verweerders zijde in het kader van een volledige heroverweging objectief dient te worden bezien of het primaire besluit stand kan houden.
7.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht van € 150,- aan eiser terugbetaalt. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken en die worden begroot op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- (honderdvijftig euro) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,- (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier.
Dictum
de griffier
de rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Afschrift verzonden op:
D: C
SB