Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 1999-09-23
ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4707
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht meervoudige kamer Uitspraak reg.nr: 97/10681 inzake: A, wonende te B, en 176 anderen, eisers, tegen: de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder. I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT Besluit van verweerder van 30 juni 1997, kenmerk: JBZ/L 97.500382. II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij primair besluit van 20 februari 1997 heeft verweerder op grond van het gestelde in artikel 25f van de Luchtvaartwet (Lvw) aan de N.V. Luchthaven Schiphol ontheffing verleend tot overschrijding van de maximale toegestane geluidsbelasting buiten de vastgestelde geluidszones. Het bestreden besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 25 februari 1997 (Stcrt. 1997, 39). Bij uitspraak van 14 maart 1997 heeft de president van deze rechtbank uitspraak gedaan op twee verzoeken een voorlopige voorziening te treffen tegen het primaire besluit voornoemd, welke verzoeken zijn ingediend door twee belanghebbenden, niet zijnde eisers. De president heeft de verzoeken afgewezen (reg.nrs: 97/714 en 97/856). Tegen het primaire besluit is namens eisers op 7 april 1997 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft mr. F.H. Koers, advocaat te Amsterdam, bij beroepschrift van 8 augustus 1997 (met bijlagen) namens eisers beroep ingesteld en de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen. Bij brief van 7 november 1997 heeft mr. Koers voornoemd de gronden van beroep aangevoerd. Verweerder heeft op 6 november 1997 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en op 30 december 1997 een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 12 augustus 1999, alwaar eiser A in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Koers voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te 's-Gravenhage. Voorts waren ter terechtzitting aanwezig: A.B. Dolderman, mr. B. Oeloff en mr. E.A. Gielesen, allen werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. III. MOTIVERING Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Feiten In de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving (hierna te noemen: de Pkb Schiphol e.o.) heeft het kabinet gekozen voor versterking van de zogenaamde mainportfunctie van Schiphol, waarmee wordt bedoeld een luchthaven die functioneert als de thuisbasis en centrale luchthaven in Europa van ten minste één van de toekomstige dominerende luchtvaartmaatschappijen, en de verbetering van de kwaliteit van het leefmilieu in de omgeving van de luchthaven. Voorts heeft het kabinet uitgesproken dat de Kaagbaan in zuidwestelijke richting moet worden verlengd en dat die maatregel een positief effect heeft op het leefmilieu in de omgeving van de luchthaven. De Pkb Schiphol e.o. is in 1995 goedgekeurd door de Staten-Generaal. Verweerder heeft op 23 oktober 1996 het besluit genomen "Aanwijzing ex artikel 27 jo. artikel 24 Luchtvaartwet van het luchtvaartterrein Schiphol" (hierna te noemen: het aanwijzingsbesluit). Verweerder heeft in artikel 12, eerste lid, van het aanwijzingsbesluit bepaald dat voor een periode van acht jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de ter inzage legging, bedoeld in artikel 24b, derde lid, van de Lvw heeft plaatsgevonden, rond het luchtvaartterrein de volgende tijdelijke geluidszones gelden: "a. een geluidszone voor luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, van de Lvw met een grenswaarde van 35 Ke en met de geluidscontouren behorende bij de maximale waarden 40, 45, 55 en 65 Ke. Deze geluidszone is aangegeven op een topografische kaart opgenomen in bijlage E3, behorende bij dit besluit. Op deze kaart is tevens de geluidscontour met een waarde van 50 Ke aangegeven; b. een geluidszone voor structureel uitgevoerd n Voorts heeft verweerder overwogen dat ten gevolge van de werkzaamheden aan de Kaagbaan andere start- en landingsbanen intensiever gebruikt zullen worden, dat hierdoor zal worden afgeweken van het geluidspreferentieel baangebruik zoals is vastgelegd in het Gebruiksplan 1997 en dat gedurende het jaar 1997 de toegestane maximale grenswaarde van de geluidsbelasting buiten de vastgestelde geluidszones lokaal zal worden overschreden. De overschrijding van de maximale grenswaarde van de geluidsbelasting buiten de vastgestelde geluidszones blijft tot het uiterste minimum beperkt. De bescherming van de omwonenden blijft gewaarborgd doordat de overschrijding van de geluidsbelasting is begrensd door de maximaal toelaatbare geluidsbelasting in de relevante netwerkpunten, welke geluidsbelasting handhaafbaar is. Verweerder heeft in de Staatscourant van 25 februari 1997 mededeling gedaan van het verlenen van de ontheffing als bedoeld in artikel 25f van de Lvw. In de publicatie is vermeld: "Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het is gepubliceerd. Tegen dit besluit kunnen belanghebbenden, binnen 6 weken na de dag waarop dit besluit in werking is getreden een gemotiveerd bezwaarschrift indienen." Bij bezwaarschrift van 7 april 1997 heeft mr. Koers namens eisers (onder meer) aangevoerd dat voor de schade aan de belangen van de omwonenden geen enkele compensatie is geboden en verzocht om een passende schadevergoeding. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft bij het bestreden besluit ten aanzien van een aantal netwerkpunten, de weergegeven maximale geluidsbelasting gecorrigeerd en overwogen dat deze wijzigingen voornamelijk afrondingsfouten en verschrijvingen betreffen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid heeft verweerder overwogen dat op grond van het gestelde in de artikelen 3:41 jo. 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bezwaartermijn is aangevangen op 21 februari 1997 en op 4 april 1994 is afgelopen. Het bezwaarschrift van 7 april 1997 is op 9 april 1997 op het ministerie ontvangen en derhalve te laat ingediend. De bezwaartermijn zoals vermeld in de publicatie in de Staatscourant 1997, 39 liep van 26 februari 1997 tot 9 april 1997. Verweerder heeft overwogen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest en heeft hen ontvangen in hun bezwaren. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding heeft verweerder overwogen dat voorafgaand aan het verlenen van de ontheffing ex artikel 25f van de Lvw is geïnventariseerd of het betrokken besluit mogelijk tot schade bij de omwonenden kon leiden en dat is geconcludeerd dat dit niet het geval zou zijn. Verweerder heeft overwogen dat degene die van mening is dat er schade is, dat schade wordt geleden, dan wel nog zal worden geleden, bij hem schriftelijk een gemotiveerde claim kan indienen. Verweerder heeft aangegeven dat bezwaren expliciet gericht op het claimen van schadevergoeding niet in het kader van de onderhavige bezwaarschriftprocedure worden behandeld. In de Staatscourant 1997, 130 is mededeling gedaan van de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure en is de beroepsclausule vermeld. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding is in de publicatie vermeld: "Voorts worden belanghebbenden, op grond van artikel 3:4 van de Awb, in de gelegenheid gesteld om een schadeclaim in te dienen, indien zij van mening zijn dat zij ten gevolge van het bestreden besluit schade hebben geleden." De gronden van het beroep Namens eisers is in beroep aangevoerd dat zij schade hebben geleden ten gevolge van het ontheffingsbesluit en dat deze schade als onevenredig zwaar moet worden gekwalificeerd. Eisers hebben als gevolg van het ontheffingsbesluit meer hinder (door lawaai, stank en vervuiling) ondervonden dan op basis van het gebruik van de luchthaven Schiphol in overeenstemming met het aanwijzingsbesluit zou zijn ondervonde De rechtbank overweegt dat daarmee geen einde kwam aan de verwarring omtrent de bezwaartermijn, nu het (voorlopig) oordeel werd gegeven in het kader van een voorlopige voorziening-procedure, waarbij eisers geen partij waren. Ten slotte hecht de rechtbank belang aan het feit dat eisers wel tijdig bezwaar hebben gemaakt indien wordt uitgegaan van de - niet van toepassing zijnde - bezwaartermijn die volgt uit de publicatie in de Staatscourant van 25 februari 1997. Op grond van voornoemde omstandigheden en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 17 maart 1998 (Gemeentestem 7088, 5) is de rechtbank, met verweerder, van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Overwegingen ten gronde In geschil is of verweerder op goede gronden bij het bestreden besluit heeft afgezien van het toekennen van een schadevergoeding en geen nadeelcompensatieregeling heeft opgenomen. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Lvw worden bij algemene maatregel van bestuur voor bij die maatregel aan te wijzen luchtvaartterreinen uniforme grenswaarden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidsbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Ingevolge het vierde lid van voormeld artikel is de grenswaarde voor structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer in de nachtelijke periode LAeq 26 dB(A), welke nachtelijke periode bij de aanwijzing krachtens artikel 24 wordt vastgesteld en een periode van zeven aaneengesloten uren tussen 23.00 en 07.00 uur plaatselijke tijd beslaat. Artikel 25a van de Lvw bepaalt dat voor iedere grenswaarde die krachtens artikel 25, eerste en vierde lid, ten aanzien van een luchtvaartterrein wordt vastgesteld, bij de aanwijzing van dat luchtvaartterrein een geluidszone rond dat terrein wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen de grenswaarde niet mag overschrijden. Artikel 25f van de Lvw bepaalt dat indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan of banen, van een ongeval of van een ander bijzonder voorval sprake is van langdurige afwijking van voorgeschreven gebruik van het luchtvaartterrein, waardoor de geluidszone voor de grenswaarde bedoeld in artikel 25, eerste lid, of artikel 25, vierde lid, eenmalig overschreden zal worden, door de Minister van Verkeer en Waterstaat ontheffing kan worden verleend van het verbod in artikel 25a. Bij het primaire besluit van 20 februari 1997 heeft verweerder aan de N.V. Luchthaven Schiphol, op grond van artikel 25f van de Lvw, eenmalig ontheffing verleend van het gestelde in artikel 25a van de Lvw, tot overschrijding van de maximale toegestane geluidsbelasting buiten de vastgestelde geluidszones. In verband met de grief dat verweerder heeft nagelaten bij het bestreden besluit een schadevergoeding toe te kennen overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft in het kader van de voorbereiding van het primaire besluit van 20 februari 1997 onderzoek gedaan naar de gevolgen van de ontheffing voor de categorieën van bewoners die wonen in de zone waarop de ontheffing ziet. Verweerder heeft in het kader van dat onderzoek vastgesteld dat de nadelige gevolgen niet onaanvaardbaar zijn en in ieder geval niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen (milieu-)doelen. Verweerder heeft op grond daarvan geen reden gezien om op voorhand tot schadevergoeding over te gaan. Bij het primaire besluit van 20 februari 1997 heeft verweerder een bijlage gevoegd waaruit blijkt dat ten gevolge van de ontheffing voor 63 punten van de 235 standaardcontrolepunten rondom luchthaven Schiphol een hogere geluidswaarde geldt. Daarvan hebben 52 overschrijdingen een waarde van minder dan 2 Ke, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank, in aanmerking genomen de aard van de werkzaamheden aan de Kaagbaan, niet als onredelijk bezwarend kan worden aangemerkt. Voorts is uitdrukkelijk gekozen om gedurende een periode van 14 weken de gecombineerde werkzaamheden aan de Kaagbaan uit te voer