Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 1999-07-29
ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4541
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht afdeling voorlopige voorzieningen UITSPRAAK ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 8:84 EN 8:86 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT reg.nrs. : AWB 99/5642 WET AWB 99/5752 WET inzake : Chrysler Jeep Amstel B.V., gevestigd te Duivendrecht, verzoekster, tegen : de Algemeen Directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), verweerder. 1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT Besluit van verweerder van 14 juni 1999, verzonden op 17 juni 1999, kenmerk VIZ 99/4110. 2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerder heeft bij besluit van 16 april 1999 aan verzoekster meegedeeld dat op grond van het bepaalde in artikel 9, achtste lid, en 11, tweede lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad, artikel 27, achtste lid onder b, en 44, derde lid, van het Kentekenreglement en artikel 65, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 de erkenning bedrijfsvoorraad tijdelijk is ingetrokken voor een periode van zes weken. Daartegen heeft J. Walkotte, directeur van verzoekster, op 20 en 23 april 1999 bezwaarschriften ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond verklaard en het besluit in primo gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft Walkotte voornoemd namens verzoekster op 17 juni 1999 beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij brief van 17 juni 1999 heeft Walkotte voornoemd zich namens verzoekster tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden. Het verzoek is op 22 juli 1999 ter zitting behandeld. Verzoekster is verschenen bij Walkotte voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Pasman, hoofd juridische en bestuurlijke zaken van de RDW. 3. MOTIVERING Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de president bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De president is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel. Feiten Verzoekster is dealer van de automerken Chrysler, Jeep en Dodge en houdt zich in die hoedanigheid bezig met inkoop en verkoop van nieuwe en gebruikte auto's, alsmede met onderhoud en reparaties. Op 4 december 1998 heeft een controle-ambtenaar van het Centraal bureau motorrijtuigenbelasting, controle-unit Amsterdam, een rapport opgemaakt inzake een bedrijfsvoorraadcontrole bij verzoekster op 10 november 1998 (fysieke opname) en 3 december 1998 (administratieve controle). Uit dit rapport blijkt dat een voertuig dat is aangemeld als bedrijfsvoorraad niet aanwezig was en dat een aangemeld voertuig op de openbare weg geparkeerd stond zonder te zijn voorzien van een handelaarskenteken. Naar aanleiding van dit rapport heeft verzoekster bij brief van 29 december 1998 een waarschuwing gekregen dat indien opnieuw een overtreding van de voorschriften wordt geconstateerd de erkenning bedrijfsvoorraad tijdelijk of definitief kan worden ingetrokken of geschorst. Ve Verzoekster heeft al eerder een waarschuwing gekregen wegens overtreding van de regels. Het is gebruikelijk om binnen het sanctiesys teem bij herhaalde (zware) overtredingen een tijdelijke intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad op te leggen. Het gegeven dat sinds 16 maart 1999 geen overtredingen meer in het bedrijf van verzoekster zijn geconstateerd, is verdisconteerd in het feit dat niet de maximale sanctieduur van twaalf weken is opgelegd. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld niet bevoegd te zijn tot het opleggen van een boete. Overwegingen In artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is bepaald: De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen. In artikel 64, eerste lid, van de WVW 1994 is bepaald: De Dienst Wegverkeer houdt toezicht op de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen. Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de bedrijfsvoorraad van degene aan wie de erkenning is verleend en van de ter zake van die bedrijfs voorraad door deze gevoerde administratie. Degene aan wie de erkenning is verleend, is verplicht aan voor het houden van het toezicht noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen. Aan verzoekster is een erkenning verleend als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de WVW 1994. In verzoeksters bedrijf heeft op 16 maart 1999 een controle als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de WVW 1994 plaatsgevonden. In artikel 65, tweede lid onder c, van de WVW 1994 is bepaald: De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit een sanctie opgelegd wegens overtreding door verzoekster van de volgende wettelijke bepalingen. In artikel 27, achtste lid onder b, van het Kentekenreglement is bepaald: In afwijking van het derde en vijfde lid, is een erkend bedrijf, indien dit gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, verplicht het vrijwaringsbewijs en het bedrijfsvoorraad deel II met de middels datacommunicatie ter beschikking gestelde gegevens die verband houden met de opname in bedrijfsvoorraad in te vullen. In de Regeling van 13 december 1994 (stcrt. 248, van de Minister van Verkeer en Waterstaat, nr. RV 188171 Hoofddirectie van de Waterstaat, laatstelijk gewijzigd bij regeling van 3 december 1996, nr. HW/RV 96 835, strcrt. 244; hierna: de Regeling erkenning bedrijfs voorraad) zijn nadere regels betreffende de erkenning bedrijfsvoorraad opgenomen. In artikel 9, achtste lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad is bepaald: Het erkende bedrijf draagt er zorg voor dat van voertuigen waarvoor nog geen kentekenbewijs of een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, alsmede van voertuigen die in de bedrijfsvoorraad van het erkende bedrijf zijn opgenomen, geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg zonder dat zij zijn voorzien van een aan het bedrijf opgegeven handelaarskenteken. In artikel 11, tweede lid laatste volzin, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad is bepaald: Tevens dient het erkende bedrijf op verzoek van bedoelde ambtenaren de aanwezige kentekenbewijzen en voertuigen te tonen. In het verslag dat van de controle op 16 maart 1999 is opgemaakt, zijn genoemde feiten en overtredingen geconstateerd. Verzoekster ontkent niet dat deze feiten hebben plaatsgevonden en dat daarmee de geldende wettelijke voorschriften zijn overtreden. Nu vaststaat dat verzoekster heeft gehandeld in strijd met enkele uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen was verweerder op grond van artikel 65, tweede lid, onder c, van de WVW 1994 bevoegd een sanctie op te leggen. Bij het bestreden besluit heeft verwee