Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 1999-11-24
ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4285
Uitspraak ex art. 8:84 Awb VV toewijzing (verzoekster) Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht afdeling voorlopige voorzieningen UITSPRAAK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT reg.nr. : AWB 99/10279 AW inzake : A, wonende te B, verzoekster tegen : het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel V van de gemeente Amsterdam, verweerder. 1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUITEN a besluit van verweerder van 23 juli 1999, nummer: 995086; b besluit van verweerder van 3 september 1999, nummer: 995936; c besluit van verweerder van 4 oktober 1999, nummer: 996623. 2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij het bestreden besluit sub a heeft verweerder verzoekster een waarschuwing gegeven voor een gepasseerd incident met een leerling op 9 april 1999. Verder is in dat besluit meegedeeld dat de klachten omtrent het functioneren van verzoekster in de organisatie van de X-school en de, door de schooldirectie als zodanige beleefde, verstoorde werkrelatie, aanleiding zijn om verzoekster op grond van artikel 5, bijlage 1, onder 1b van de Raamovereenkomst Primair Onderwijs 1998-2000 (hierna: de Raamovereenkomst), met ingang van 1 augustus 1999 te verplaatsen naar een andere openbare basisschool, en wel in beginsel de Y-school in het Stadsdeel W. Tenslotte is in dit besluit aangegeven dat, mocht de verplaatsing naar de Y-school niet doorgaan en ook elders geen passende functie kan worden gevonden, verzoekster bij wijze van ordemaatregel met ingang van 6 september 1999 de toegang tot de X-school zal worden ontzegd. Tegen dit besluit heeft mr. H. Neuteboom van DAS Rechtsbijstand te Amsterdam namens verzoekster op 3 augustus 1999 een bezwaarschrift ingediend Bij het bestreden besluit sub b heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat zij met ingang van 6 september 1999 tot 6 december 1999 op grond van artikel II B3, eerste lid, onder a van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) is geschorst. In dat besluit is verder aangegeven dat zij alleen met toestemming van verweerder toegang tot de X-school heeft. Tegen dit besluit heeft mr. Neuteboom voornoemd namens verzoekster op 6 september 1999 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit sub c heeft verweerder verzoekster op grond van artikel II-C2, eerste lid, onder a Rpbo een schriftelijke berisping gegeven omdat verzoekster het gestelde in het bestreden besluit sub b heeft overtreden en de uitvoering van het bestreden besluit sub a heeft gefrustreerd. Voorts is verzoekster meegedeeld dat zij op grond van artikel 5, bijlage 1, onder 1b van de Raamovereenkomst met ingang van 1 november 1999 onder een aantal voorwaarden wordt verplaatst naar de onder verweerder ressorterende openbare basisscholen Z of V. Tenslotte is verzoekster meegedeeld dat de bij het bestreden besluit sub b opgelegde schorsing met ingang van 1 november 1999 wordt opgeheven en dat zij alleen met toestemming van verweerder toegang tot de X-school heeft. Tegen dit besluit heeft mr. G.H.S. van Driem, advocaat te Amsterdam, namens verzoekster op 26 oktober 1999 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 13 oktober 1999 heeft mr. G.H.S. van Driem, advocaat te Amsterdam, zich namens verzoekster tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden. Het verzoek is op 16 november 1999 ter zitting behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.H.S. van Driem voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A.M. Jekel, E. de Ru en P.H. Lambregts, allen werkzaam bij het Stadsdeel V. Voorts is aan de zijde van verweerder verschenen P en Q, respectievelijk directeur en adjunct-directeur van openbare basisschool X te B. 3. MOTIVERING Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit sub a genomen. Met betrekking tot de verplaatsing van verzoekster naar een andere openbare basisschool is door verweerder aangegeven dat de afweging is gemaakt dat het op dat moment niet mogelijk was om verzoekster naar een andere openbare basisschool in het Stadsdeel V te verplaatsen, zonder daarmee ook een andere leerkracht onvrijwillig te verplaatsen, en de beoogde functie aan de Y-school nadrukkelijk als een passende functie kan worden gekwalificeerd. Op enig moment is bij verweerder bekend geworden dat de verplaatsing van verzoekster naar de Y-school niet gerealiseerd kon worden worden. In verband hiermee heeft verweerder het bestreden besluit sub b genomen. Uit nadien bekend geworden informatie is het verweerder gebleken dat verzoekster zich in de periode van 6 tot en met 23 september 1999 meerdere keren zodanig heeft gedragen dat zij gepoogd heeft om contact te leggen met aanwezigen op X-school, zonder dat zij verweerder daarvoor om toestemming had verzocht. Van de directeur van de Y-school heeft verweerder verder bericht ontvangen dat verzoekster geen aanstelling op die school is gegeven in verband met de negatieve houding van verzoekster tijdens het sollicitatiegesprek. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit sub c genomen. Standpunten van partijen Verzoekster kan zich met deze besluiten niet verenigen en heeft, samengevat, aangevoerd dat door de directie tot 9 april 1999 nimmer aanmerkingen zijn gemaakt op haar werkzaamheden, terwijl evenmin is gezegd dat zij niet binnen het schoolteam zou passen. Het incident op 9 april 1999 betrof een jongetje van circa zeven jaar die zij met enige fysieke aandrang de klas heeft uitgezet en waarbij - naar achteraf bleek - het velletje van zijn hals tussen de ritssluiting van zijn trui was gekomen. Dit incident is door de schooldirecteur en de adjunct-directeur enorm opgeblazen, waarbij deze zich tegenover haar hebben geuit alsof de ouders van de betreffende leerling aangifte van mishandeling bij de politie hadden gedaan. De directeur heeft zich naar verzoeksters opvatting bij dit incident op generlei wijze willen inleven in haar positie als leerkracht die te maken had met een onwillig, agressief kind; het voorval kwam kennelijk goed uit en is gebruikt als "een stok om de hond mee te slaan". Overigens is het nimmer tot een aangifte bij de politie gekomen en is het gebleven bij een melding. Vanaf 13 april 1999 is zij door de schooldirectie ziek gemeld en is zij niet meer tot haar werkzaamheden toegelaten. Verweerder heeft haar diverse andere zaken verweten, welke echter allen sterk zijn aangezet en uit zijn verband zijn gerukt. Naar de mening van verzoekster is er geen enkele noodzaak om haar bij wijze van disciplinaire maatregel te schorsen dan wel haar over te plaatsen naar een andere basisschool. Evenmin is er een noodzaak haar te berispen. Zij heeft geen plichtsverzuim gepleegd dat een dergelijke maatregel zou kunnen rechtvaardigen. Verzoekster vordert thans als voorlopige voorziening dat zij met ingang van 1 december 1999 weer wordt toegelaten tot haar werkzaamheden als vaste leerkracht voor groep 3 aan de openbare basisschool X. In dat verband heeft verzoekster er op gewezen dat zij een sterke band heeft met kinderen en ouders uit haar groep. Daarnaast woont zij nabij de school en is het voor haar, nu haar niets te verwijten valt, kwetsend de kinderen naar school te zien gaan terwijl zij niet aan haar arbeid kan deelnemen. Bovendien heeft zij specialistische ervaring opgedaan met het lesgeven aan allochtone kinderen, waar circa 98 % van haar groep uit bestaat. Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat de wijze waarop verzoekster met het incident op 9 april 1999 is omgegaan, zowel richting leerlingen als naar de ouders en de schoolleiding, niet voldoet aan hetgeen van een leerkracht mag worden verwacht. Er is geen sprake van dat dit incident is opgeblazen. Verzoekster functioneerde reeds langere tijd niet De omstandigheid dat burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam zich aan de Raamovereenkomst hebben gecommitteerd en het Stadsdeel V daaraan, uit hoofde van de Verordening op de stadsdelen, dus ook is gebonden, maakt zulks niet anders. Dat tussen werkgevers- en werknemersorganisaties op 25 juni 1999 een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de CAO Primair Onderwijs/Raamovereenkomst Primair Onderwijs 1998-2000 is in dit verband evenmin relevant. Blijkens artikel 3, tweede lid, van de overige voorwaarden behorend bij de akte van benoeming voor personeel in het bijzonder onderwijs zijn op de benoeming van deze laatsgenoemde categorie onderwijspersoneel de bepalingen van de Raamovereenkomst mede van toepassing. Van een vergelijkbare bepaling voor onderwijsambtenaren in dienst van verweerder is in de rechtspositieregeling van het Stadsdeel V niet gebleken. De president wil evenwel niet uitsluiten dat het verweerder uit hoofde van het Rpbo - een algemene maatregel van bestuur, die op onderdelen geldt voor personeel in het openbaar primair onderwijs - is toegestaan de hier aan de orde zijnde regels uit de Raamovereenkomst als (eigen) beleidsregels te hanteren. Bedoelde regels zijn namelijk mede het gevolg van de invoering van de verplichte bestuursaanstelling in het primair onderwijs. Invoering van de verplichte bestuursaanstelling heeft onder meer wijziging van het Rpbo (Besluit van 18 juli 1995, Stb. 366) noodzakelijk gemaakt. In de begripsbepalingen (onder andere artikel I-A2) van het Rpbo is neergelegd dat onderwijspersoneel voortaan geen aanstelling aan een bepaalde school meer heeft, doch een aanstelling bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen. Wil een bevoegd gezag van onderwijsinstellingen deze in het Rpbo opgenomen verplichting operationeel maken, dan zal het ter zake nadere uitvoeringsregels moeten stellen; niet mag worden uitgesloten dat beleidsregels hierbij een legitiem hulpmiddel kunnen zijn. Ook de nota van toelichting bij het Besluit van 18 juli 1995 lijkt op deze mogelijkheid te wijzen: “De bestuursaanstelling als verplichting is ingevoerd omdat die bestuursbenoeming besturen een effectief instrument aanreikt om de kans op verlies aan werk van hun werknemers te verminderen. Reeds bij de behandeling van het wetsvoorstel tot invoering van o.a. de (vrijwillige) mogelijkheid van de bestuursaanstelling zijn verder nog als voordelen genoemd: een meer flexibel personeelsbeleid, de vergrote mogelijkheid van jobrotation, de verminderde fricties in het personeelsbestand, een vermindering van versnipperde benoemingen en eenvoudiger fusieprocedures. Ook zal de bestuursaanstelling goede diensten kunnen bewijzen om ongeschiktheidsontslagen te voorkomen en ontslagen wegens "incompatibilité d'humeur". Daar komt nog bij dat ook (de eerdere invoering van) het formatiebudgetsysteem werkgevers in het primair onderwijs noopt tot het in overleg met centrales van overheids- en onderwijspersoneel, medezeggenschapsraad en/of decentraal georganiseerd overleg vaststellen van arbeidsvoorwaardenbeleid. Gelet op het vorenstaande wordt er voorshands vanuit gegaan dat verweerder over een adequate juridische grondslag beschikt voor het in geding zijnde besluit tot overplaatsing. Ter zake van dit besluit overweegt de president voorts het volgende. Allereerst wordt geoordeeld dat de in de Raamovereenkomst vervatte mogelijkheid tot overplaatsing van een leerkracht ingeval van een conflictsituatie teneinde weer tot een werkbare situatie te komen, uit een oogpunt van onderwijsbelang en het belang van de betrokken school, niet onredelijk voorkomt. In zoverre is verweerder dan ook gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Gelet op de formulering van het bepaalde in artikel 5, bijlage I, onder 1.b van de Raamovereenkomst is het besluit tot overplaatsing van leerkracht een bevoegdheid van het bevoegd gezag. Dit heeft tot gevolg dat de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik is gemaakt door de rechter slechts te