Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 1999-08-04
ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3760
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht meervoudige kamer Uitspraak reg.nr : AKW 99/13/109 Inzake : A, geboren op […] 1956, wonende te B, eiser, tegen : het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen, verweerder. 1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT Besluit van verweerder van 17 december 1998, nr. 144.611.589. ROBB.nr. 22086. 2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 30 september 1998 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 1998 geen recht meer heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) omdat hij niet langer als verzekerde ingevolge die wet kan worden aangemerkt. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 30 september 1998 ongegrond verklaard. Eiser heeft op 29 december 1998 beroep ingesteld en op daartoe aangevoerde gronden verzocht het bestreden besluit te vernietigen. Verweerder heeft op 8 april 1999 afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden en een verweerschrift ingediend. Bij brief van 14 juni 1999 heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend. De zaak is, gevoegd met zes vergelijkbare zaken, behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 23 juni 1999 in een meervoudige kamer. Eiser is daar in persoon verschenen en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.A.H. van Dalen - van Bekkum, mr. I. van der Helm en C.J. Siemerink, allen werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). 3. MOTIVERING De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Daarbij gaat zij uit van de navolgende, uit de gedingstukken blijkende en tussen partijen niet in geschil zijnde feiten. Eiser heeft, evenals zijn echtgenote, de Surinaamse nationaliteit. Verweerder heeft zijn besluit van 30 september 1997 gebaseerd op de overweging dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus niet verzekerd is voor de AKW vanaf 1 juli 1998. Eiser heeft op 1 oktober 1998 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat hij ingezetene is van Nederland en uit dien hoofde verzekerd is. Het middelpunt van zijn maatschappelijk leven bevindt zich in Nederland en vanaf 1993 heeft hij een sterke economische band met Nederland opgebouwd. Op 2 december 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, bij welke gelegenheid eiser heeft medegedeeld dat zijn echtgenote evenals hij geen verblijfsvergunning heeft, dat zijn kinderen schoolgaand zijn, dat hij een voorlopige voorziening heeft gevraagd hangende bezwaar tegen de afwijzende beslissing op zijn verzoek om afgifte van een verblijfsver- gunning, en dat hij een bijstandsuitkering ontvangt. Verweerder heeft vervolgens het thans bestreden besluit genomen en daarin overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, tweede lid, van de AKW omdat hij niet in Nederland rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) en evenmin voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 9a en 9b van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164), omdat eiser nimmer in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning en ook geen arbeid verricht in loondienst in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen. Verweerder heeft voorts overwogen dat de AKW buiten de materiële werkingssfeer van het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (EVSMB) valt. Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar het vonnis van de president van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober 1998, aangevoerd dat hij recht heeft op uitkering, omdat hij in Nederland mag blijven in afwachting van de beslissing op zijn verzoek om een verblijfsvergunning. Verweerder heeft in zijn verweerschrift onder meer medegedeeld dat het vonnis van de president van de rechtbank te 's-Gravenhage betrekking heeft op het EVSMB, uit welk verdrag een ruimer recht op bijstand voortvloeit voor vreemdelingen die een procedure hebben lopen in Nederland en op grond daarvan niet kunnen De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, blijft verzekerd op grond van de volksverzekeringen indien hij uit hoofde van het verrichten van arbeid als bedoeld in het eerste lid, recht heeft op betaling van loon als bedoeld in artikel 629, van Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek, of recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Algemene Arbeidsongeschikt- heidswet, alsmede indien de arbeid, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk is onderbroken als gevolg van betaald verlof, staking of uitsluiting." Aldus wordt in artikel 1b Vw een limitatieve opsomming gegeven van gevallen waarin van een vreemdeling kan worden gezegd dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens artikel 6, tweede lid, AKW, is van de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen alleen de vreemdeling als bedoeld in artikel 1b, sub 1 Vw rechtstreeks verzekerd. De categorieën van rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, genoemd sub 2 tot en met 5 van artikel 1b Vw, zijn, ingevolge KB 164, alleen onder nadere voorwaarden verzekerd. Aldus is een wettelijk systeem in het leven geroepen, waarin sommige categorieën vreemdelingen weliswaar rechtmatig in Nederland verblijf genieten (als bedoeld in artikel 1b Vw), doch nochtans niet verzekerd zijn ingevolge de AKW. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat er vanuit, dat eiser ingevolge dit samenstel van Nederlandse nationale formele en materiële rechtsregels op de in dit geding relevante peildatum 1 juli 1998, niet verzekerd is ingevolge de AKW, aangezien hij in afwachting was van een beslissing op zijn eerste aanvraag om een vergunning tot verblijf, welke beslissing hij in Nederland mocht afwachten. De rechtmatigheid van zijn verblijf in Nederland was daarmee gebaseerd op artikel 1b, aanhef en onder 3 Vw, terwijl aan de voorwaarden van KB 164 niet was voldaan. Eisers zaak is ter zitting gevoegd behandeld met zes andere zaken die betrekking hebben op de gevolgen van de Koppelingswet. In vrijwel al die zaken is een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burger rechten en politieke rechten (IVBPR), Trb 1969, 99. Ondanks het feit dat eiser zich niet expliciet heeft beroepen op die bepaling, acht de rechtbank het aangewezen ook in deze zaak te toetsen of de hierboven weergegeven bepalingen strijdig moeten worden geacht met het bepaalde in artikel 26 IVBPR. Genoemde bepaling luidt als volgt: "Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status." Aangevoerd is onder meer dat door de Koppelingswet direct onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt. Van de zijde van verweerder is dat bestreden. Volgens verweerder is er sprake van een onderscheid naar verblijfsstatus. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel, dat het hierboven weergegeven samenstel van bepalingen een direct onderscheid naar nationaliteit in het leven roept. Immers, door deze bepalingen kunnen uitsluitend vreemdelingen, dat wil zeggen niet-Nederlanders, worden getroffen. Niet-Nederlanders kunnen weliswaar ook verzekerd zijn voor de AKW, maar aan hen worden extra voorwaarden gesteld voor die verzekering. Onder directe discriminatie dient te worden verstaan het maken van openlijk onderscheid door verwijzing naar ras, geslacht, geloof, nationaliteit, etc., of onverbrekelijk daaraan verbonden kenmerken. Nu de voorwaarde van rechtmatig verblijf onverbrekelijk is verbonden aan het niet hebben van de Nederlandse nationaliteit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat er in de hier aan de orde z