Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 1999-10-10
ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3509
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht meervoudige kamer Uitspraak reg.nr: AWB 97/6192 inzake: Publex Stadsmeubilair B.V., gevestigd te Diemen, eiseres, tegen:het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder. I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT Besluit van verweerder van 17 april 1997, kenmerk: PR/RL/JH. II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluiten van 12 november 1996 heeft verweerder positief beschikt op de melding van het voornemen van Infra B.V. (hierna te noemen: NZH) tot het bouwen van twee abri's aan de Meander, nabij het busstation in de gemeente Amstelveen. Tegen dit besluit heeft eiseres (hierna te noemen: Publex) op 29 november 1996 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift gegrond verklaard voor zover de bezwaren betrekking hebben op de motivering van de primaire besluiten en zijn de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder de primaire besluiten, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd. Tegen het besluit op bezwaar heeft mr. P.W.L. Russell, advocaat te Amsterdam, namens Publex beroep ingesteld bij beroepschrift van 16 mei 1997. Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 20 augustus 1997 (met bijlagen), is verzocht het bestreden besluit te vernietigen, de gemeente Amstelveen te veroordelen in de kosten van het geding en, voor zover mogelijk met inachtneming van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de gemeente op te dragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van de uitspraak. Verweerder heeft op 18 augustus 1997 afschriften ingezonden van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Op 15 oktober 1997 heeft mr. J.M. Hebly, advocaat te Rotterdam, namens verweerder een verweerschrift ingediend, met het verzoek het beroep ongegrond te verklaren en Publex te veroordelen in de kosten. Bij schrijven van 19 mei 1998 heeft mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, zich als gemachtigde van NZH gesteld en desgevraagd meegedeeld dat NZH als partij aan het geding wenst deel te nemen. Desgevraagd zijn namens verweerder op 5 oktober 1998 aanvullende stukken ingezonden. Op 23 oktober 1998 zijn namens Publex nadere stukken ingezonden. Op 30 oktober 1998 zijn van verweerder afschriften ontvangen van het vigerende bestemmingsplan, het uitwerkingsplan, alsmede van de bouwtekeningen en van bijlage IV van de tussen Publex en verweerder gesloten overeenkomst van 22 augustus 1989. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank op 3 november 1998. Van de zijde van eiseres zijn verschenen J.C. Brouwer, directeur van Publex, en M. Leenen, concessiemanager bij Publex, bijgestaan door mr. Russell, voornoemd. Van de zijde van verweerder zijn verschenen H.J.H. Nijman en J. Westra, werkzaam als medewerker afdeling stedebouw respectievelijk projectmanager stafraad bij de gemeente Amstelveen, bijgestaan door mr. N.U.N. van den Heuvel-Kien, advocaat te Rotterdam. NZH heeft zich, zoals tevoren door mr. Koeman voornoemd was aangekondigd, ter zitting niet doen vertegenwoordigen. III. MOTIVERING Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Op 22 augustus 1989 is tussen de gemeente Amstelveen en Publex een overeenkomst gesloten, onder meer over door Publex te plaatsen abri's op het grondgebied van de gemeente Amstelveen. Nadat een eerdere melding wegens onvolledigheid door verweerder buiten behandeling was gesteld heeft verweerder op 2 september 1996 van NZH twee meldingen, als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet, ontvangen van het voornemen om twee Landmark-abri's te plaatsen aan de Meander, nabij het vervoerscentrum van de gemeente Amstelveen. De abri's zullen voorlopig worden gebruikt voor lijndiensten van NZH, maar in de toekomst deel gaan uitmaken van de Zuid-tangent, een nog aan te leggen en door NZH te exploiteren snelbuslijn. Publex heeft de gemeen Gronden van het beroep Publex heeft -kort samengevat- aangevoerd dat het bestreden besluit een aantasting met zich meebrengt van het door haar verkregen alleenrecht voor het plaatsen van abri's in de gemeente Amstelveen en dat de Zuid-tangent daarvan niet is uitgesloten. Ter zitting is van de zijde van Publex verklaard dat Publex bij het plaatsen van de abri's op de aan de orde zijnde locaties een commercieel belang heeft. De abri's bieden voor haar de mogelijkheid tot het maken van reclame. Voorts is aangevoerd dat het opnemen van een vrijstellingsbevoegdheid in het uitwerkingsplan in strijd is met het systeem van de WRO. Ook indien moet worden aangenomen dat de vrijstelling is verleend op grond van het bestemmingsplan is sprake van strijd met het systeem van de WRO, aangezien een objectieve begrenzing van de vrijstellingsbevoegdheid ontbreekt. Publex is tevens van mening dat een belangenafweging ontbreekt, althans dat geen sprake is geweest van een evenredige belangenafweging. Publex acht het bestreden besluit tevens ondeugdelijk gemotiveerd. Verweer Naar ter zitting is verklaard stelt verweerder zich op het standpunt dat de abri's vallen binnen de maten als vermeld in het Besluit meldingplichtige bouwwerken. Daarbij is ervan uitgegaan dat voor de breedte in het onderhavige geval moet worden uitgegaan van de kortste zijde van het bouwwerk. Voorts is van de zijde van verweerder bestreden dat de overeenkomst van 22 augustus 1988 voorziet in een alleenrecht van Publex voor het plaatsen van abri's. De overeenkomst ziet slechts op de exploitatie van reclamedoeleinden op abri's. De onderhavige abri's mogen geen reclame dragen. Projecten als de Zuid-tangent zijn van de overeenkomst uitgesloten. Voorts is de vrijstellingsbevoegdheid in het bestemmingsplan zelf geregeld en uitgewerkt en past de verleende vrijstelling naar het oordeel van verweerder volledig binnen de in het bestemmingsplan aangegeven kaders. Overwegingen In het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van Publex merkt de rechtbank het volgende op. Publex heeft gesteld dat zij door de primaire besluiten nadeel kan ondervinden, aangezien zij door haar in de gemeente Amstelveen geplaatste abri's kan exploiteren voor reclamedoeleinden. Zij heeft derhalve een commercieel belang bij plaatsing van de abri's. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat Publex een belang heeft dat voldoende rechtstreeks bij de primaire besluiten is betrokken om haar als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te merken. Of de abri's op de in de geding zijnde locaties al of niet van de overeenkomst van 22 augustus 1989 zijn uitgesloten kan hier naar het oordeel van de rechtbank buiten bespreking blijven. Met betrekking tot het bestreden besluit wordt overwogen als volgt. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Woningwet is, in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven bouwwerken, mits: a. het voornemen tot het bouwen van een dergelijk bouwwerk schriftelijk, overeenkomstig de in de bouwverordening gegeven voorschriften, bij burgemeester en wethouders is gemeld en b. voor zover het derde of vierde lid niet van toepassing is, burgemeester en wethouders binnen vijf weken na de dag waarop zij de melding hebben ontvangen schriftelijk aan de melder hebben medegedeeld dat het gemelde bouwwerk een bouwwerk is als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur en dat, voor zover van toepassing, dat bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, dan wel die mededeling ingevolge het zesde lid van rechtswege is gedaan. De ter uitvoering van dit artikellid vastgestelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit meldingplichtige bouwwerken (Stb. 1992, 196; hierna te noemen: het Bmb). In artikel 42, derde lid, van de wet is bepaald dat burgemeester en wethouders, ingeval zij van oordeel zijn dat het ee Ingevolge artikel 42 Woningwet juncto artikel 2, aanhef en onder d, Bmb is geen bouwvergunning nodig voor een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, het openbaar vervoer of het wegverkeer met dien verstande dat: - de bruto-inhoud niet meer is dan 50 m3 - de breedte niet meer is dan 3 m en - de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer is dan 2,7 m. De in geding zijnde abri's zijn van een dak en aan drie zijden van glazen wanden voorzien. De abri's hebben een hoogte van circa 2,5 m, en hebben een oppervlaktemaat van circa 0,8 m bij 12 m. De vraag rijst of de breedte van de abri's niet meer dan 3 meter bedraagt als bedoeld in artikel 2, onder d, van het Bmb. In de toelichting op die bepaling wordt het begrip niet nader uitgewerkt. In het spraakgebruik duidt men met de breedte de afstand aan, zich uitstrekkend van rechts naar links van de toeschouwer, terwijl diepte de afstand tussen voor- en achterzijde betreft, eveneens gezien vanuit de toeschouwer. Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval reden om aan te nemen dat de maat in het horizontale vlak van de zijde, die parallel loopt aan de openbare weg, als de breedte van de bouwwerken moet worden gezien. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de regeling van artikel 42 Woningwet is bedoeld om bouwwerken van geringe omvang en betekenis van de vergunningplicht uit te zonderen. Indien zou moeten worden aangenomen dat in het onderhavige geval de kortste zijde als de breedte moet worden aangemerkt zou, de overige in het Bmb gegeven maatvoering in aanmerking nemend, een abri kunnen worden opgericht met een hoogte van 2,5 m en een oppervlaktemaat van 0,8 m bij circa 25 m. Dat een bouwwerk met een dergelijke omvang zonder bouwvergunning zou mogen worden opgericht kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Vorenstaande overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat de onderhavige abri's bouwvergunningplichtige bouwwerken zijn, zodat artikel 42 Woningwet niet van toepassing is. Verweerder had derhalve in het bestreden besluit de fictieve akkoordverklaringen moeten herroepen. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd omdat de motivering het bestreden besluit niet kan dragen. Aan een bespreking van hetgeen overigens nog in beroep is aangevoerd komt de rechtbank derhalve niet toe. De rechtbank zal voorts doen hetgeen verweerder zou behoren te doen en het besluit van 17 april 1997 vernietigen. Verder is er in dit geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank zal hiertoe de fictieve akkoordverklaringen herroepen en alsnog de in artikel 42, zesde lid, van de Woningwet bedoelde mededeling doen dat, nu de bouwplannen geen bouwwerken betreffen als bedoeld in het Bmb, hiervoor een bouwvergunning is vereist. De rechtbank merkt hierbij op dat, indien NZH een bouwvergunning wenst te verkrijgen, een daartoe strekkende aanvraag zal moeten worden ingediend, aangezien de meldingen niet als bouwaanvragen kunnen worden aangemerkt. Voorts geeft de rechtbank verweerder in overweging om in zijn beslissing op een eventuele bouwaanvraag te motiveren op welke gronden hij tot het oordeel is gekomen dat de bouwplannen met het vigerende bestemmingsplan en/of het uitwerkingsplan in strijd zijn, nu uit de thans voorhanden stukken noch het verhandelde ter zitting daaromtrent een eenduidig antwoord is af te leiden. De rechtbank zal, gelet op voorgaande overwegingen, toepassing geven aan het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die Publex in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft moeten maken, zijnde de kosten van rechtsbijstand (2 punten voor het (aanvullend) beroepschrift en het ver