Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 1999-02-08
ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3415
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht afdeling voorlopige voorzieningen UITSPRAAK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT reg.nr.: AWB 98/10630 inzake: 1. Schiphol Werkgroep Amstelveen-Buitenveldert, 2. A te B, 3. Stichting Platform Leefmilieu Regio Schiphol te Spaarndam, verzoekers, tegen: de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder. 1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij schrijven van 28 oktober 1998 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het Gebruiksplan Schiphol 1999 (hierna: Gebruiksplan 1999) partieel vastgesteld en wel voor dat gedeelte van het voorspelde gebruik en bijbehorende maatregelen dat past binnen de in de vigerende Aanwijzing luchtvaartterrein Schiphol vastgestelde 35 Ke-etmaalzone en 26 LAeq-nachtzone en overige kaders. Tegen dit schrijven heeft mr. drs. S.H. van der Kluit, juridisch adviseur te Vijfhuizen, namens verzoekers op 4 december 1998 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 18 december 1998, ingekomen ter griffie op 22 december 1998, heeft mr. drs. Van der Kluit voornoemd zich namens verzoekers tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden. Het verzoek is op 22 januari 1999 ter zitting behandeld. Schiphol Werkgroep AmstelveenBuitenveldert en A hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Van der Kluit voornoemd. Namens Stichting Platform Leefmilieu Regio Schiphol is J.A.C. Borgdorff verschenen, bijgestaan door mr. drs. Van der Kluit, voornoemd. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder, advocaat te 's-Gravenhage. Namens N.V. Luchthaven Schiphol (hierna: Luchthaven Schiphol) is mr. Th.J. Douma, advocaat te Haarlem, verschenen. 2. MOTIVERING Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekers dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure. Feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten. Bij brief van 9 september 1998 heeft Luchthaven Schiphol het Gebruiksplan 1999 aan de Minister toegezonden, en hem verzocht het Gebruiksplan 1999 vast te stellen voorzover het verwachte gebruik van de Luchthaven Schiphol past binnen de geluidszones. Voorts heeft Luchthaven Schiphol de Minister verzocht een gedoogbesluit voor te bereiden teneinde de in het Gebruiksplan 1999 verwachte overschrijdingen van de 35 Ke-etmaalzone in de loop van het gebruiksplanjaar 1999 te gedogen. Bij brief van 28 oktober 1998 heeft de Minister Luchthaven Schiphol medegedeeld, 1. dat het Gebruiksplan 1999 partieel is vastgesteld en wel voor dat gedeelte van het voorspelde gebruik en bijbehorende maatregelen dat past binnen de in de vigerende aanwijzing vastgestelde 35 Ke-etmaalzone en 26 LAeq-nachtzone en overige kaders. 2. dat ze ervan uitgaat dat Luchthaven Schiphol alles doet wat binnen haar vermogen ligt om zone-overschrijdingen te voorkomen. Alleen als hieraan wordt voldaan is de Minister voornemens zo nodig de in het Gebruiksplan 1999 voorziene overschrijdingen van de vastgestelde 35 Ke-etmaalzone in 1999 te gedogen door middel van een gedoogbesluit, te nemen rondom het tijdstip waarop de overschrijdingen zich zullen voordoen. Dit gedoogbesluit wordt begrensd door het kabinetsvoornemen, zoals verwoord in de brieven van 16 februari en 6 maart 1998 aan de Tweede Kamer. 3. dat ze voornemens is de overschrijdingen van de 35 Ke-etmaalzone en de 26 LA Zo zal de exploitant zich niet op het aantal in het vastgestelde gebruiksplan opgenomen vliegbewegingen kunnen beroepen, wanneer uitvoering van al deze bewegingen met zich zou brengen dat de geluidszones worden overschreden. Datzelfde geldt voor het voorgestelde baangebruik. Luchthaven Schiphol Namens Luchthaven Schiphol is voor zover van belang voor de beoordeling van het onderhavige verzoek het navolgende aangevoerd. Met betrekking tot het karakter van het gebruiksplan is erop gewezen dat het gebruiksplan inhoudt een voorstel in de vorm van een verwachting ten aanzien van het gebruik van het luchtvaartterrein in een toekomstig gebruiksplanjaar. Het gebruiksplan kan maar betrekkelijk weinig met zekerheid aangeven hoe het luchtvaartterrein feitelijk zal worden gebruikt. Het gebruik van het luchtvaartterrein is sterk afhankelijk van de vraag welke banen benodigd zijn in verband met de weersomstandigheden, waarbij vooral de windrichting en de windkracht een rol spelen. Een en ander betekent dat weliswaar wordt verwacht dat zich in het onderhavige geval in 69 netwerkpunten van de 36 Ke-etmaalzone overschrijdingen kunnen voordoen, maar dat thans volstrekt niet vaststaat dat er daadwerkelijk overschrijdingen zullen plaatsvinden. De vaststelling van een gebruiksplan betekent dus niet meer dan de vaststelling van een prognose, waarvan onzeker is of die in de praktijk zal worden bewaarheid. Op basis van het gebruiksplan worden de slots verdeeld. Dit betekent evenwel niet dat de luchtvaartmaatschappijen daarmee een recht tot starten dan wel landen op de Luchthaven Schiphol verwerven. Ook de afgifte van slots betreft een prognose, waarvan in de praktijk zonder rechtsgevolgen kan worden afgeweken. Het gebruiksplan heeft derhalve slechts een indicatieve betekenis en geeft geen bindende regels. Bovendien worden de geluidszones niet aan de hand van het vastgestelde gebruiksplan gehandhaafd. De vaststelling van het gebruiksplan is derhalve niet gericht op rechtsgevolg en in die zin is er geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Overwegingen. Bij de beoordeling van de vraag of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen is mede aan de orde de vraag hoe de beslissing op bezwaar naar voorlopig oordeel van de president zal gaan luiden. In dit kader komt eerst de vraag aan de orde of het schrijven van de Minister van 28 oktober 1998 aan Luchthaven Schiphol als een besluit kan worden aangemerkt. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit, bezwaar te maken. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Onder een rechtshandeling wordt verstaan een handeling gericht op "externe" rechtsgevolgen. Daarvan is sprake als wordt beoogd een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te laten ontstaan of dat teniet te doen, dan wel om de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. Bepalend daarbij is of het rechtsgevolg beoogd is. Artikel 30b van de Luchtvaartwet luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "2.Het gebruiksplan bevat a. een voorstel voor de wijze waarop het luchtvaartterrein zal worden gebruikt, met inbegrip van de door de exploitant van het desbetreffende luchtvaartterrein tweemaal per jaar vast te stellen capaciteit; b. tenminste alle gegevens die volgens het in artikel 30a bedoelde handhavingsvoorschrift nodig zijn om de geluidsbelasting te bepalen die zal worden veroorzaakt door het in het gebruiksplan voorgestelde gebruik van het luchtvaartterrein; c. de maatregelen, die de exploitant in ieder geval dient te nemen om voor zover dat in zijn v