Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 1998-05-27
ECLI:NL:RBAMS:1998:AA3738
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer Uitspraak Reg.nrs. : AWB 96/5102, 96/5108, 96/5109, 97/732, 97/748 en 97/749, inzake: 1. Ahold Vastgoed B.V. en Albert Heijn B.V., gevestigd te Zaandam, hierna gezamenlijk: Ahold (reg.nrs. 96/5102, 96/5108, 96/5109 en 97/748), 2. Woningbouwvereniging De Dageraad, gevestigd te Amsterdam, hierna: De Dageraad (reg.nr. 97/732), 3. B en 28 anderen, allen wonende te Amsterdam, hierna: de omwonenden (reg.nr. 97/749), gezamenlijk eisers, tegen: het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord te Amsterdam, verweerder. 1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUITEN Besluit 1. fictieve weigering van verweerder om te beslissen op een door Ahold op 11 december 1995 ingediend bezwaarschrift gericht tegen een brief van verweerder aan Dirk van den Broek Supermarkten B.V. (hierna: Dirk van den Broek) van 20 november 1995 (96/5102); Besluit 2. fictieve weigering van verweerder om te beslissen op een door Ahold op 15 december 1995 ingediend bezwaarschrift gericht tegen een brief van verweerder aan Woningstichting Patrimonium (hierna: Patrimonium) van 23 maart 1995 (96/5108); Besluit 3. fictieve weigering van verweerder om te beslissen op een door Ahold op 18 januari 1996 ingediend bezwaarschrift gericht tegen een mogelijke fictieve bouwvergunningverlening aan Patrimonium naar aanleiding van een aanvraag van Patrimonium van 14 februari 1995 (96/5109); Besluit 4. besluit van verweerder van 17 december 1996 (97/732, 97/748 en 97/749). 2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 14 juli 1994 heeft verweerder aan Patrimonium bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouwencomplex op het terrein aan de [....] en het [....] met bestemming daarvan tot tien woningen met bijbehorende bergruimte en verhuurbare winkelruimten. Bij brief van 14 februari 1995 heeft Patrimonium verweerder verzocht deze bouwvergunning te wijzigen. Bij brief van 23 maart 1995 heeft de secretaris van het stadsdeel Amsterdam-Noord Patrimonium meegedeeld dat tegen de gevraagde wijziging in principe geen bezwaar bestaat. Bij brief van 20 november 1995 heeft een medewerker van de afdeling Bouwen en Wonen van het stadsdeel Amsterdam-Noord aan Dirk van den Broek meegedeeld dat voor het door Dirk van den Broek op 18 oktober 1995 ingediende bouwplan geen bouwvergunning is vereist. Namens Ahold heeft mr. C.A.T.M. van den Broek, werkzaam bij de afdeling juridische zaken van Ahold Vastgoed B.V., op 11 december 1995 een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemde brief van 20 november 1995. Bij brieven van 15 december 1995 en 18 januari 1996 heeft mr. Van den Broek voornoemd namens Ahold bezwaar gemaakt tegen voornoemde brief van 23 maart 1995, respectievelijk tegen de fictieve bouwvergunningverlening door verweerder aan Patrimonium naar aanleiding van bovengenoemd verzoek tot wijziging van 14 februari 1995. Bij de brief van 18 januari 1996 is verweerder namens Ahold eveneens verzocht door middel van bestuursdwang handhavend op te treden. Namens Ahold heeft mr. Van den Broek voornoemd bij brief van 29 mei 1996 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de fictieve weigeringen van verweerder (bestreden besluiten 1., 2. en 3.) om te beslissen op de door haar ingediende bezwaarschriften van 11 en 15 december 1995 en 18 januari 1996. Bij besluit van 21 mei 1996 heeft verweerder het verzoek van Ahold tot het toepassen van bestuursdwang afgewezen. Tegen dit besluit hebben mr. Van den Broek voornoemd namens Ahold, mr. G.C. Koelman, advocaat te Amsterdam, namens (de rechtsvoorgangster van) De Dageraad en mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, namens de omwonenden bij brieven van 2 juli 1996 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit 4. van 17 december 1996 heeft verweerder (onder meer) besloten: - de bezwaarschriften, ingediend namens De Dageraad, Ahold en de omwonenden voor zover gericht tegen het besluit van 21 mei 1996 ongegrond te verklaren voor zover de bezwaren ten doel hebben dat t Op 18 oktober 1995 heeft Dirk van den Broek, huurder van de winkelruimte, bij verweerder een bouwvergunning aangevraagd voor het inrichten van de winkelruimte. Bij brief van 20 november 1995 heeft een medewerker van de afdeling Bouwen en Wonen Noord van het stadsdeel Amsterdam-Noord Dirk van den Broek meegedeeld dat uit het ingezonden bouwplan blijkt dat het gaat om het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan het bouwwerk en geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt, zodat op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist. Op 22 november 1995 heeft Dirk van den Broek een supermarkt in de onderhavige winkelruimte geopend. Bij brief van 11 december 1995 is namens Ahold bezwaar gemaakt tegen voornoemde brief van 20 november 1995. Bij brief van 15 december 1995 is namens Ahold aan verweerder meegedeeld dat Ahold op 12 december 1995 werd geïnformeerd over de aanvraag van de gewijzigde bouwvergunning van Patrimonium (van 14 februari 1995). Daarbij is aangegeven dat Ahold bezwaar maakt tegen de goedkeuring van dit wijzigingsvoorstel. Bij brief van 18 januari 1996 is namens Ahold aan verweerder meegedeeld dat Ahold bezwaar maakt tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning naar aanleiding van de aanvraag van Patrimonium van 14 februari 1995, zoals verwoord in de bovengenoemde brief van 23 maart 1995. Voorts heeft Ahold in die brief verweerder verzocht middels een handhavingsbesluit op te treden wegens strijd met het bestemmingsplan. Namens Ahold heeft mr. Van den Broek voornoemd bij brief van 29 mei 1996 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de fictieve weigeringen van verweerder om te beslissen op de genoemde bezwaarschriften van 11 en 15 december 1995 en 18 januari 1996. Bij besluit van 21 mei 1996 heeft verweerder geweigerd Dirk van den Broek bestuursdwang aan te zeggen teneinde te bewerkstelligen dat de oppervlakte van de onderhavige supermarkt zal worden teruggebracht tot 600 m2. Tegen dit besluit hebben eisers op 2 juli 1996 bezwaarschriften ingediend. De daarin vervatte bezwaren luidden (samengevat) dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt bij de beantwoording van de vraag of er al dan niet handhavend tegen Dirk van den Broek diende te worden opgetreden. Naar aanleiding van de bezwaarschriften en een op 3 september 1996 gehouden hoorzitting, heeft de commissie beroep- en bezwaarschriften op 3 december 1996 schriftelijk advies aan verweerder uitgebracht. In dit advies is overwogen dat het verzoek van Patrimonium van 14 februari 1995 had moeten worden opgevat als een verzoek tot wijziging van de bouwvergunning van 14 juli 1994. De daarop volgende brief van 23 maart 1995 moet worden beschouwd als een besluit, zij het dat dit onbevoegd is genomen. De aanvraag van 14 februari 1995 moet dan ook alsnog volledig in behandeling worden genomen door verweerder. De meergenoemde brief van 20 november 1995 dient eveneens beschouwd te worden als een besluit op de door Dirk van den Broek op 18 oktober 1995 ingediende aanvraag. Ook dit besluit is onbevoegd genomen en dient derhalve alsnog in behandeling te worden genomen door verweerder. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de weigering om bestuursdwang aan te zeggen te voorbarig is geweest. Alvorens over een bestuurlijke maatregel te beslissen had verweerder moeten nagaan hoe de relevante feiten precies liggen en welke belangen betrokken zijn. Daarnaast is niet onderzocht of de huidige, met het bestemmingsplan strijdige, situatie kan worden gelegaliseerd. Verder dient te worden onderzocht of de aanschrijving aan Dirk van den Broek of aan Patrimonium, dan wel aan beide moet zijn gericht. Pas indien duidelijk is dat geen mogelijkheid bestaat tot legalisatie zal verweerder een besluit dienen te nemen over het wel of niet uitoefenen van bestuursdwang. Ten slotte is geadviseerd om in de tussenliggende periode afdoende maatregelen te treffen om de overlast tot een aanvaardbaar niveau teru Ingevolge artikel 6:12, tweede lid Awb kan een beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Het derde lid van dit artikel bepaalt voorts dat het beroep niet- ontvankelijk wordt verklaard indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Ahold heeft drie bezwaarschriften ingediend: 1. op 11 december 1995, gericht tegen de brief van 20 november 1995; 2. op 15 december 1995, gericht tegen de (impliciete) goedkeuring van de aanvraag van Patrimonium van 14 februari 1995 tot wijziging van de verleende bouwvergunning; 3. op 18 januari 1997, gericht tegen de goedkeuring van voornoemd wijzigingsvoorstel van Patrimonium, als verwoord in de brief van 23 maart 1995. Ahold heeft op 29 mei 1996 tegen het uitblijven van beslissingen op de drie bezwaarschriften beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank constateert dat ten tijde van het indienen van de beroepschriften door Ahold, op 29 mei 1996, de in artikel 7:10 Awb genoemde beslistermijnen voor verweerder waren verstreken, zodat reeds om die reden sprake is van het niet tijdig nemen van besluiten als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b. Awb. Niet gezegd kan worden dat Ahold de beroepschriften onredelijk laat heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat verweerder in bestreden besluit 4. een beslissing heeft genomen ten aanzien van de ingediende bezwaren tegen de verleende toestemming om te (ver)bouwen. Om die reden dient de vraag te worden beantwoord of Ahold nog belang heeft bij vernietiging van besluiten 1., 2. en 3.. Gelet op het hierna overwogene ten aanzien van besluit 4. is de rechtbank van oordeel dat die vraag, gezien de jurisprudentie van de ABRS ter zake, ontkennend dient te worden beantwoord. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de beroepen van Ahold tegen de bestreden besluiten 1., 2. en 3. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De rechtbank acht ten aanzien van de onderhavige beroepen van Ahold geen termen aanwezig om toepassing te geven aan de artikelen 8:74 en 8:75 Awb. Ten aanzien van het bestreden besluit 4.: De rechtbank is van oordeel dat in besluit 4. zowel is beslist op de bezwaarschriften tegen de verleende toestemming tot (ver)bouwen als op de bezwaarschriften tegen de geweigerde bestuursdwang. Artikel 7:11 Awb luidt: 1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. 2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. De strekking van het bestreden besluit 4. is dat de aanvraag van Patrimonium van 14 februari 1995 tot wijziging van de op 14 juli 1994 verleende bouwvergunning en de bouwvergunningaanvraag van Dirk van den Broek van 18 oktober 1995 alsnog in behandeling te nemen en derhalve het verzoek om toepassing van bestuursdwang op te schorten tot op die aanvragen is beslist. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat dit besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:11 Awb is genomen. Zoals ook de ABRS bij uitspraak van 6 juni 1995 (AB 1995, 416) heeft geoordeeld, vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftenprocedure voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, dit orgaan niet kan volstaan met (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaarschrift. In dat geval dient, behoudens het zich hier niet voordoende geval waarin enkele herroeping van dat besluit voldoende is, voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats te worden gesteld. Het opschorten van het nemen van een nieuw besluit met betrekking tot de aanvragen om bouwvergunningen en omtrent het al dan niet toepassen van bestuursdwang kan niet als een nieuw besluit worden aangemerkt. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit 4. reeds wegens strijd met artikel 7:11 Awb geen stand kan houden. Verweerder zal opnieuw op de inged