Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 1995-06-22
ECLI:NL:RBAMS:1995:ZF1694
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht meervoudige kamer Uitspraak reg.nr : AWB 94/5692/19 en AWB 94/5693/22 Inzake : Elsevier N.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres, tegen : 1. de Voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder; 2. de Commissie voor Fusieaangelegenheden, gevestigde te 's-Gravenhage, verweerder. I. AANDUIDING BESTREDEN BESLUITEN 1. Besluit van verweerder sub 1 van 13 juni 1994, nr. 94.14851. 2. Fictief besluit van verweerder sub 2. II. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij brief van 29 maart 1993 heeft dr.ir. Th. Quené, voorzitter van de Sociaal Economische Raad (SER), namens de SER c.q. namens de Commissie voor Fusieaangelegenheden (CFA) een namens eiseres door mr H.J.Breeman, advocaat te Rotterdam, gedaan verzoek om informatie afgewezen. Hiertegen heeft mr Breeman op 29 april 1994 namens eiseres een bezwaarschrift ingediend, gericht aan de SER en/of de CFA. Bij het besteden besluit 1. van 13 juni 1994 heeft de voorzitter van de SER de bezwaren van eiseres nietontvankelijk verklaard. Namens eiseres heeft mr Breeman, tegen dit besluit beroep ingesteld bij beroepschrift van 14 juli 1994, nader aangevuld met gronden bij brief van 28 september 1994 (met bijlagen). Bij brief van 20 september 1994 heeft de voorzitter van de SER een nader stuk toegezonden. Voorts heeft mr Breeman bij beroepschrift van dezelfde datum namens eiseres beroep ingesteld tegen de gestelde fictieve weigering van verweerder sub 2 om uiterlijk op 14 juni 1994 te beslissen op het ingediende bezwaarschrift. Bij brief van 26 januari 1995 heeft mr E.J. Dommering, advocaat te 's-Gravenhage, namens de SER een verweerschrift gedateerd 19 december 1994 ingediend. Bij brief van 8 februari 1995 heeft mr E.J. Daalder, advocaat te 'sGravenhage, zich ten aanzien van de onderhavige beroepen gesteld als gemachtigde van de SER en de CFA. Bij brief van 9 februari 1995 (met een bijlage) heeft mr Breeman gereageerd op het verweerschrift. Het geding is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 maart 1995, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door mr Breeman, voornoemd, alsmede [betrokkene] , werkzaam bij eiseres. Namens (de voorzitter van) de SER respectievelijk CFA zijn verschenen mr Daalder, voornoemd, alsmede [naam] , [functie] van de CFA. III. MOTIVERING De rechtbank heeft ter zitting medegedeeld de beide beroepen gevoegd te behandelen. De rechtbank zal evenwel om praktische redenen, met het oog op hetgeen hierna wordt overwogen, haar overwegingen allereerst toespitsen op het bestreden besluit 1. Feiten Bij brief van 11 maart 1994 heeft mr Breeman namens eiseres aan de SER/CFA verzocht (middels beantwoording van een vijftal vragen) informatie te verschaffen met betrekking tot een onderzoek van de CFA naar overtredingen van de Fusiegedragsregels 1975 (hierna te noemen: de Fusiecode) door Kluwer N.V. en Wolters Samsom Groep N.V. De gronden van het beroep Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld, dat de CFA is te beschouwen als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 eerste lid, a Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsmede artikel 1a Wet openbaarheid van bestuur (Wob), aangezien zij onder de verantwoordelijkheid van de SER werkt. Eiseres acht niet relevant of de CFA bij de uitvoering van haar werkzaamheden al dan niet openbaar gezag uitoefent. In ieder geval moet de CFA worden vereenzelvigd met de SER en is de SER te beschouwen als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, a Awb. In antwoord op het subsidiaire standpunt van verweerder heeft eiseres met een beroep op jurisprudentie gesteld, dat sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid als voornoemd. Voorts is eiseres van mening dat verweerder ten onrechte een beroep heeft gedaan op de hiervoor genoemde weigeringsgronden in de Wob. Verweer De voorzitter van de SER (verweerder sub 1.) heeft zich in het bestreden besluit 1. op het standpunt gesteld dat de bezwaren van eiseres tegen de brief van 29 maart 1994 nietontva De rechtbank stelt vast dat de SER (een orgaan van) een rechtspersoon is die krachtens publiekrecht is ingesteld. Derhalve moet hij worden beschouwd als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, Awb. De rechtbank overweegt voorts dat in de Awb noch in de toelichting daarop aanknopingspunten zijn te vinden voor de stelling dat bij de beantwoording van de vraag of van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, Awb sprake is, onderscheid zou moeten worden gemaakt naar gelang de aard van de juridische dan wel feitelijke activiteiten van het betrokken orgaan. De rechtbank overweegt dat juist kenmerkend is voor een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, dat het zijn karakter van bestuursorgaan niet verliest, bij de uitoefening van privaatrechtelijke of feitelijke handelingen. Dit in tegenstelling tot een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, aanhef en onder b, Awb. Opgemerkt wordt dat, voorzover het betoog van verweerder hiertoe zou strekken, een beroep op de wetsgeschiedenis van artikel 1a van de Wob in ieder geval niet voldoet om betogen dat de SER voor een deel van zijn activiteiten niet als een bestuursorgaan op grond van de Awb is aan te merken. De Wob geeft immers geen zelfstandige van de Awb afwijkende definiëring van de term "bestuursorgaan". De door eiseres gevraagde informatie heeft de voorzitter van de SER "namens de SER c.q. namens zijn Commissie voor Fusieaangelegenheden" bij brief van 29 maart 1994 geweigerd. De rechtbank stelt vast dat deze brief moet worden gekwalificeerd als een door een bestuursorgaan genomen besluit in de zin van de Awb, waartegen eiseres tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend. De beslissing op het bezwaarschrift van 13 juni 1994 (bestreden besluit 1.) is genomen door de voorzitter van de SER. De rechtbank beschouwt ook dit besluit als te zijn genomen namens de SER. Nu dit besluit op bezwaarschrift is genomen is het ook op deze grond aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb, waartegen beroep kon worden ingediend. Nu het beroep tijdig is ingediend, moet eiseres in haar beroep tegen dit besluit ontvankelijk worden geacht. Nu verweerder zich, naar uit het hiervoor overwogene volgt, ten onrechte primair op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk moest worden verklaard, komt het bestreden besluit van 13 juni 1994 in aanmerking om te worden vernietigd. Voor het overige overweegt de rechtbank met betrekking tot dit besluit als volgt. Vast moet worden gesteld dat de Wob van toepassing is verklaard op een aantal bestuursorganen. Voor de bestuursorganen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, waaronder de SER als het zogenoemde toporgaan van de pbo, is dit uitdrukkelijk bepaald in artikel 1a, aanhef en onder b, en c Wbo. Voor wat betreft de activiteiten van de CFA en de beantwoording van de vraag of deze zijn te rekenen tot die aangelegenheden waarop de Wob ziet, overweegt de rechtbank voorts het volgende. De taak van de SER is, afgezien van de adviestaak van dit orgaan die is gedefinieerd in de artikelen 41 e.v. Wbo, omschreven in artikel 2 Wbo, hiervoor weergegeven. Op 25 juni 1971 heeft de SER een besluit vastgesteld, houdende gedragsregels in acht te nemen bij het voorbereiden en uitbrengen van een openbaar bod op aandelen en het voorbereiden en tot stand brengen van een fusie of een overneming van een onderneming, genaamd Fusiegedragsregels (de Fusiecode), zoals nadien gewijzigd. Blijkens de aanhef van de Fusiecode is deze vastgesteld in het kader van de taak van de SER vermeld in artikel 2 Wbo. Op grond van de Fusiecode heeft de CFA tot taak de nakoming te bevorderen van de in de code neergelegde gedragsregels (artikel 24 Fusiecode). Daargelaten of de CFA is te beschouwen als een commissie als bedoeld in artikel 19 Wbo, is de rechtbank van oordeel dat op grond van het vorenstaande de werkzaamheden van de CFA niet los kunnen worden gezien van de behartiging va