Rechtspraak 1999-07-22
ECLI:NL:RBALM:1999:AA3584
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO President Registratienummer: 99/600 GEMWT H1 V UITSPRAAK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 AWB in het geschil tussen: A te B, verzoeker, gemachtigde: mr. F.J.M. Wolbers, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, en het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Almelo, verweerder. 1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft Het besluit van 9 juni 1999. 2. De feiten en het verloop van de procedure Verzoeker is sinds 1993 eigenaar van een woonboot, geheten "C", gelegen aan de D-kade (hierna: de boot). Verzoeker wil emigreren naar Brazilië. Deze emigratie is al volledig geregeld. Verzoeker heeft in Brazilië een huis gekocht en is getrouwd met een Braziliaanse vrouw. Voor de emigratie wil hij zijn boot verkopen. Rond 28 oktober 1998, toen verzoeker kopers voor de boot had gevonden, kreeg hij van verweerder te horen dat deze medewerking zou verlenen aan de verkoop van de boot. Toen verzoeker in het voorjaar van 1999 terugkwam naar Nederland om onder meer de verkoop van zijn boot te formaliseren, bleek dat de kopers waren afgehaakt. Bij brief van 11 mei 1999 is namens verzoeker aan verweerder verzocht om hem formeel een (overdraagbare) ontheffing te verlenen van het verbod om met zijn boot een ligplaats in te nemen aan de D-kade of om aan hem een (overdraagbare) ligplaatsvergunning te verlenen voor de ligplaatszone aan de Haven NZ. In dat verzoek heeft hij ook aangegeven dat hij bereid is om de boot aan verweerder te verkopen. Bij brief van 9 juni 1999 heeft mr. T.J. van Drooge, advocaat te Almelo, namens verweerder aan verzoeker meegedeeld dat verweerder bereid is om te verklaren dat nog éénmaal aan de nieuwe eigenaar een ontheffing zal worden verleend, maar dat bij doorverkoop door deze nieuwe eigenaar geen ontheffing meer zal worden verleend. Voor het overige wordt het verzoek afgewezen. Bij brief van 16 juni 1999 aan verweerders gemachtigde is namens verzoeker op de brief van 9 juni 1999 gereageerd. Verzoeker is het niet eens met het besluit van verweerder omdat er naar zijn verwachting geen kopers te vinden zijn voor een boot die door hen niet meer met ligplaats kan worden doorverkocht. Dat is immers kapitaalvernietiging en daartoe zal niemand bereid zijn. Verzoeker herhaalt zijn verzoek. Bij brief van 9 juli 1999 is namens verzoeker bezwaar gemaakt tegen de fictieve weigering op zijn verzoek van 11 mei 1999. De president leest dat bedoeld is bezwaar te maken tegen de fictieve weigering op dat verzoek te beslissen. Bij verzoekschrift van eveneens 9 juli 1999, ter griffie ingekomen op 13 juli 1999, is namens verzoeker aan de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de president in de woorden van verzoeker beoordeelt "of er termen zijn om bij wege van voorlopige voorziening aan verzoeker alsnog de gevraagde ontheffing of vergunning af te geven of dat deze geacht moet worden te zijn afgegeven per de datum van de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, dan wel verweerder te gelasten dat deze binnen een korte termijn alsnog op het verzoek beslist, met inachtneming van de voorlopige overwegingen van de president over de rechtmatigheid van de weigering". Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 20 juli 1999, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Wolbers, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. I.C. DunhofLampe, kantoorgenote van mr. Van Drooge, voornoemd, alsmede door de heren A. Schrijver, havenmeester, en J. Eshuis, ambtenaar, beiden werkzaam bij verweerders gemeente. 3. Overwegingen Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de president van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijl Ingevolge artikel 24, lid 1 van de Havenverordening van de gemeente Almelo (hierna: de Havenverordening) is het verboden om woonschepen in de bij de gemeente of particulieren in beheer zijnde wateren te doen of laten verblijven, behoudens op daartoe door Burgemeester en Wethouders (hierna: B&W) bij openbare kennisgeving aan te wijzen plaatsen. De boot ligt aan de D-kade te Almelo in een gebied dat niet als woonschepenhaven is aangewezen. Ingevolge artikel 2, lid 2 van de Havenverordening kunnen B&W ontheffing verlenen van onder meer het bepaalde in artikel 24. Op grond van artikel 2 is voor de boot een dergelijke ontheffing voor een ligplaats aan de D-kade verleend. Verweerder voert sinds 1970 het beleid dat voor woonboten die ligplaats hebben aan de D-kade, voor zover doorschuiving naar de officiële ligplaatsen langs de Haven NZ niet mogelijk is, bij verkoop nog één keer een ligplaatsvergunning aan de nieuwe eigenaar wordt verleend, maar dat deze vergunning bij doorverkoop niet meer wordt verleend. Voormeld ("uitsterf")beleid is bekend gemaakt op 14 december 1970. Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, welke eruit bestaat dat hij wil emigreren naar Brazilië en dat zijn emigratiepapieren geen onbeperkte geldigheidsduur hebben maar binnen ongeveer twee maanden na 9 juli 1999 hun geldigheid zullen verliezen. De opbrengst van de boot wil hij voor andere doeleinden kunnen aanwenden in Brazilië en om in Nederland zijn schuldeisers te betalen. Zonder ontheffing of vergunning is de boot feitelijk onverkoopbaar. Verzoeker heeft gerechtvaardigd vertrouwd op verweerders toezegging uit 1993 dat de boot ter plekke mocht blijven liggen. Verweerder heeft geen belang bij weigering van de ontheffing of vergunning. Verweerder heeft nooit consequent de hand gehouden aan het ontheffingenbeleid. Verzoeker stelt dat hij in 1998 kopers voor de boot had gevonden die bereid waren om een zogeheten "uitsterfverklaring" te ondertekenen mits die in de prijs zou worden gecompenseerd. Dit was voor hem geen probleem. Toen hij in 1999 terugkwam bleek dat de kopers waren afgehaakt door mededelingen van verweerder, namelijk dat er geen bouwvergunning zou worden verleend voor een berging op de wal en dat geen pleziervaartuigje aan de boot mocht worden gelegd, terwijl verzoeker reeds beschikt over zo een bouwvergunning. Het belang van verzoeker om zijn boot met ontheffing of vergunning te kunnen verkopen, weegt zwaarder dan het belang van verweerder om te komen tot sanering van de D-kade, zeker nu het gaat om de voortzetting van een reeds lang bestaande situatie en niet om het bijplaatsen van een nieuwe boot. Aan de Haven NZ zijn nog vijf ligplaatsen vacant. Tot zover het standpunt van verzoeker. Verweerder stelt dat er slechts een voorziening kan worden getroffen indien er voldoende aanknopingspunten zijn om te oordelen dat het fictieve besluit gelijk dient te worden gesteld aan een uitdrukkelijk besluit tot weigering van de ontheffing of vergunning. In dit geval speelt dat niet omdat partijen met elkaar in gesprek zijn over een mogelijke oplossing van het geschil. Er kan geen definitieve voorziening worden getroffen. Het is niet redelijk om te ageren tegen de fictieve weigering omdat de aanvraag van 11 mei 1999 moet worden opgevat als een uitnodiging om te gaan onderhandelen. Verweerder heeft op 9 juni 1999 gereageerd. Verzoeker heeft op 16 juni 1999 een tegenvoorstel en een nieuw verzoek gedaan, waar opnieuw een beslistermijn voor geldt, die nog niet verstreken is. Verkoop van de boot zonder medewerking van verweerder is niet onmogelijk. Verweerder heeft geen misleidende informatie verstrekt aan de potentiële kopers. Op 12 november 1998 is aan hen informatie verstrekt over het uitsterfbeleid. Verweerder streeft wel degelijk het doel na met het oog waarop het beleid is vastgesteld, afwijkingen worden slechts bij hoge uitzondering toegelaten en uit coulance is verweerder bereid om aan verzoeker een é