Rechtspraak
Rechtbank Alkmaar
2000-12-11
ECLI:NL:RBALK:2000:AA9913
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,514 tokens
Inleiding
Arrondissementsrechtbank Alkmaar
Sector Bestuursrecht
President
UITSPRAAK
op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht.
Reg.nr: 00/1736 WRO19
Inzake: A en anderen, allen te B, verzoekers,
tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit.
Het besluit van verweerder van 17 oktober 2000.
2. Zitting.
Datum: 7 december 2000.
Verzoekers zijn, daartoe ambtshalve opgeroepen, vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn.
Verweerder is, daartoe ook ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde R.J. Boekel, ambtenaar van de gemeente.
Verder is als partij verschenen de vergunninghouder, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, vertegenwoordigd door B. Lucas.
Feiten
Bij besluit van 17 oktober 2000, verzonden op 26 oktober 2000, heeft verweerder aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het realiseren en hebben van een asielzoekerscentrum en de benodigde werken, waaronder een ontsluitingsweg, op een perceel grond in het plan "Schepenwijk".
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 7 november 2000 bezwaar gemaakt.
Ook hebben zij de president verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brieven van 13 en 30 november 2000 hebben verzoekers nog stukken ingediend.
Bij brief van 24 november 2000 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
4. Bewijsmiddelen.
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
Motivering
5.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Beoordeling
5.2. Verzoekers hebben bezwaren tegen de vestiging van een asielzoekerscentrum in hun buurt. In hun verzoekschrift voeren zij naast hun andere bezwaren met name aan dat ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 17 van de WRO en dat op onjuiste wijze toepassing is gegeven aan artikel 45 van de Woningwet.
5.3. Vast staat dat de vestiging van een asielzoekerscentrum in het betrokken gebied in strijd is met het bestemmingsplan. Het verlenen van vrijstelling was dus nodig om de bouw en het gebruik daarvan mogelijk te maken.
5.3.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.
5.3.2. Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.
5.3.3. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 17 van de WRO wordt toegepast een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden.
Ingevolge het vierde lid van dit artikel is deze termijn gelijk aan die, waarvoor de vrijstelling, bedoeld in artikel 17 van de WRO, is verleend.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan deze termijn worden verlengd, met dien verstande dat deze slechts kan worden verlengd, indien de termijn, bedoeld in artikel 17 van de WRO, is verlengd.
Ingevolge het zevende lid van dit artikel is na het verstrijken van deze termijn artikel 17, vierde tot en met zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van toepassing.
5.3.4. Ingevolge artikel 17, vierde lid, van de WRO is degeen aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn verplicht de met het bestemmingsplan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.
5.3.5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dienen concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn om aan te kunnen nemen dat een bepaalde afwijking van het bestemmingsplan niet langer dan vijf jaren zal voortduren.
5.4. Verzoekers hebben onderzoek verricht naar de vestiging van asielzoekerscentra in andere gemeenten en de toepassing van artikel 17 van de WRO daarbij. Zij hebben gegevens verkregen over de vestiging van eenenvijftig centra. In zesentwintig gevallen daarvan is gebruik gemaakt van artikel 17 van de WRO. In elf van die zesentwintig gevallen is na het verstrijken van de termijn de situatie blijven bestaan zonder dat een en ander planologisch is geregeld. Deze gegevens rechtvaardigen volgens verzoekers de conclusie dat de opvang van asielzoekers geen tijdelijke aangelegenheid is. Ook blijkt volgens verzoekers dat de gebouwen die worden gebruikt voor de opvang geschikt zijn voor gebruik langer dan vijf jaren.
5.4.1. De president overweegt dat niet in geding is dat de behoefte aan opvangplaatsen voor asielzoekers niet tijdelijk is. Aangenomen mag worden dat deze behoefte over vijf jaren nog zal bestaan. Voor de toepassing van artikel 17 van de WRO is echter niet vereist dat sprake is van een tijdelijke behoefte. Daarvoor moet aannemelijk worden gemaakt dat dit asielzoekerscentrum niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven.
Dat dit centrum langer dan vijf jaren in stand zal blijven maken verzoekers niet aannemelijk met de resultaten van hun onderzoek. Daargelaten wat er uit dat onderzoek moet worden geconcludeerd, bij geen van de onderzochte gevallen was verweerder betrokken. Op het handelen van een aantal andere bestuursorganen kan niet de verwachting worden gebaseerd dat ook verweerder het voortbestaan van dit asielzoekerscentrum na de termijn van vijf jaren zal gedogen. Overigens blijkt uit het onderzoek van verzoekers onvoldoende of verder sprake is van gelijke omstandigheden.
5.4.2. De vergunninghouder heeft bevestigd dat de te plaatsen prefab-woningen langer dan vijf jaren meegaan. Na afloop van de instandhoudingstermijn worden zij op een andere locatie weer gebruikt.
De president ziet hierin geen reden om aan te nemen dat dit asielzoekerscentrum langer dan vijf jaren in stand zal worden gehouden.
5.5. Met betrekking tot de vraag of op grond van concrete, objectieve gegevens kan worden aangenomen dat dit asielzoekerscentrum niet langer dan vijf jaren in stand zal worden gehouden, overweegt de president het volgende.
5.5.1. De gronden waarop het asielzoekerscentrum is voorzien hebben ingevolge het bestemmingsplan "Schepenwijk" de bestemming "Agrarische doeleinden". Op de gronden met deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Blijkens de toelichting op deze bestemming is voor dit laatste gekozen om verdere woningbouw die hier op de lange termijn is gepland, niet te verhinderen.
Ook in het bestreden besluit vermeldt verweerder dat het terrein waar het asielzoekerscentrum wordt gevestigd in de toekomst aangewezen zal worden voor woningbouwdoeleinden. Die woningbouw kan echter pas op zijn vroegst na 2005 worden verwezenlijkt, aldus verweerder.
5.5.2. Verweerder heeft betoogd dat ingevolge artikel 17 van de WRO en artikel 45 van de Woningwet het asielzoekerscentrum na vijf jaren moet worden opgeheven. Dit is volgens verweerder ook gegarandeerd in de bestuursovereenkomst die hij heeft gesloten met de vergunninghouder. Deze overeenkomst was op het moment dat het bestreden besluit werd genomen nog niet maar inmiddels wel door beide partijen ondertekend.
5.5.3. Naar het oordeel van de president zou met een bestuursovereenkomst waarin een maximale instandhoudingstermijn is opgenomen die overeenstemt met het bepaalde in artikel 45 van de Woningwet in samenhang met artikel 17 van de WRO en met de ook uit andere stukken blijkende intentie om op de betrokken gronden op termijn een verdere uitbreiding van de Schepenwijk te realiseren, voldoende aannemelijk zijn dat de beoogde afwijking van het bestemmingsplan slechts een periode van vijf jaren betreft.
Het bepaalde in de bestuursovereenkomst is naar het oordeel van de president echter in strijd met artikel 45, vierde lid, van de Woningwet. Als gevolg daarvan moet de onder 5.5.
Dictum
De president van de rechtbank,
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot en met zes weken na de verzending van de beslissing op het bezwaarschrift;
- gelast dat de gemeente Medemblik aan verzoekers het voor de behandeling van hun verzoek betaalde griffierecht van ¦ 225,00 vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door verzoekers voor de behandeling van hun verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van ¦ 1420,00;
- wijst de gemeente Medemblik aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de betaling van ¦ 1420,00 dient te worden gedaan aan verzoekers.
Aldus gewezen door mr. M. Zijp, als president, in tegenwoordigheid van mr. M. Kraefft, als griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2000 door voornoemde president, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De president,
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.