Rechtspraak 1999-07-01
ECLI:NL:RBALK:1999:AA3757
Arrondissementsrechtbank Alkmaar Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer UITSPRAAK op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht. Reg.nr: ZW 98/21 Inzake: A, wonende te B, eiser, tegen: het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit. Besluit van verweerder d.d. 25 november 1997. 2. Zitting. Datum: 26 november 1998. Eiser is niet verschenen. Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde drs. J.P.A. Loogman, werkzaam bij Gak Nederland bv te Alkmaar. 3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt. Eiser, werkzaam via Uitzendorganisatie X BV, is op 30 juni 1997 door zijn werkgever bij verweerder arbeidsongeschikt gemeld. Eiser heeft zijn werkzaamheden op 15 september 1997 hervat. De werkgever heeft op 22 september 1997 een hersteldmelding aan verweerder gezonden. Bij besluit van 6 oktober 1997 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij de mededelingsverplichting heeft overtreden, doordat hij zich niet tijdig hersteld gemeld heeft. Aan hem is een boete opgelegd van f 300,--. Eiser heeft op 17 oktober 1997 een bezwaarschrift tegen dit besluit ingediend. Hierin heeft hij aangevoerd dat hij zich op tijd hersteld heeft gemeld bij zijn werkgever. Hij was niet op de hoogte van de verplichting om aan verweerder door te geven dat hij hersteld was. Voorts heeft hij aangegeven dat hij door de eventuele late melding verweerder niet heeft benadeeld. Bij besluit van 25 november 1997 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Eiser heeft op 22 december 1997 beroep tegen dit besluit ingesteld. Daarin heeft hij, in aanvulling op hetgeen reeds in zijn bezwaarschrift naar voren is gebracht, aangegeven dat zijns inziens een maatregel wegens overtreding van artikel 38a lid 3 van de Ziektewet had moeten worden opgelegd, in plaats van een boete wegens schending van de mededelingsverplichting. Verweerder heeft bij schrijven van 26 januari 1998 een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het beroep ter zitting behandeld. 4. Bewijsmiddelen. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting. 5. Motivering. In artikel 49 van de Ziektewet (verder te noemen: ZW) is het volgende bepaald. De verzekerde is verplicht aan de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht, op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van een door hem aangevraagde of aan hem toegekende ziekengelduitkering. In artikel 38a ZW (zoals dit luidde ten tijde hier van belang) is het volgende bepaald: 1. De verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden aan zijn werkgever, of, indien de verzekerde geen werkgever heeft als bedoeld in paragraaf 3 van deze wet, aan de bedrijfsvereniging die met de uitvoering is belast. 2. De werkgever meldt, na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde melding, aan de bedrijfsvereniging zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de derde dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop die verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. 3. Indien de verzekerde, na een ziekmelding als bedoeld in het eerste of het tweede lid, weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, meldt hij aan de bedrijfsvereniging zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die geschiktheid, de eerste dag waarop hij weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de ZW weigert het Landelijk instituut sociale verzekeringen het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of