Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-10
ECLI:NL:PHR:2026:80
Strafrecht
16,183 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:80 text/xml public 2026-03-13T16:07:32 2026-01-14 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/02891 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:80 text/html public 2026-03-13T16:07:08 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:80 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/02891 Conclusie AG. Profijtontneming, w.v.v. uit telen 144 hennepplanten (art. 3.B Ow). M1: klacht dat hof zonder motivering voor schatting w.v.v. gebruik heeft gemaakt van schriftelijk bescheid houdende verklaring persoon wiens identiteit niet blijkt. M2: klacht dat hof schatting w.v.v. ontoereikend heeft gemotiveerd, althans niet (voldoende) heeft gerespondeerd op UOS. M3: klacht dat verkorte arrest niet tijdig met bewijsmiddelen is aangevuld, art. 365a Sv. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep (art. 81 lid 1 RO). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02891 P Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de betrokkene 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 juli 2024 (parketnr. 23-000025-21) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 15.270,10 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van dat bedrag. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 305 dagen. 1.2 Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 24/02890. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. C. Crince Le Roy, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 In de strafzaak tegen de betrokkene is bij arrest van 25 juli 2024 (parketnr. 23-000005-21) bewezenverklaard dat de betrokkene 144 hennepplanten heeft geteeld en zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van elektriciteit door middel van verbreking. In de ontnemingszaak tegen de betrokkene heeft het hof geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene als pleger voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde. 2.2 Het eerste middel brengt naar voren dat het hof zonder motivering voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, althans dat het hof niet (voldoende) heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het derde middel houdt in dat het verkorte arrest niet tijdig met bewijsmiddelen is aangevuld. 2.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel bevat in essentie de klacht dat het hof zonder motivering voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. 3.2 In de strafzaak die verband houdt met deze ontnemingszaak is ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat: “1. hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] ) 144 hennepplanten 2. hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (uit een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [netwerkbeheerder] N.V., waarbij verdachte, die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” 3.3 Het hof heeft in het arrest in de ontnemingszaak het volgende overwogen over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel: “ Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel […] Standpunt verdediging De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat een oogst heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het niet de betrokkene is geweest die het voordeel heeft genoten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat een ander persoon gebruik maakte van de woning op het moment dat de hennepkwekerij werd geëxploiteerd. Het oordeel van het hof De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht). Dat de betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit het door hof gewezen arrest in de hoofdzaak van 25 juli 2024 en uit de in dat arrest opgenomen bewijsoverwegingen. Het is dan ook naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van tenminste één hennepoogst en dat de betrokkene, als pleger, diegene is geweest die het voordeel heeft genoten. Het hof ontleent hieraan het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormeld feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad. De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen. Het hof zal voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aansluiten bij de berekening zoals opgenomen in het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel hennepkwekerij (hierna: het Rapport), waarin wordt uitgegaan van één eerdere oogst waaruit opbrengst is genoten. Het Rapport is opgemaakt aan de hand van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken - voorheen het BOOM - van 1 juni 2016, waarin standaardberekeningen en normen met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen bij binnenteelt onder kunstlicht zijn vermeld (hierna: het FPA-rapport). Vaststelling opbrengst per oogst Gelet op de afdrukken op het grondzeil hebben in de kweekruimte 144 hennepplanten in potten gestaan. Volgens het Rapport is de gemiddelde opbrengst 28,2 gram hennep per plant. Opbrengst per oogst De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 144 planten x 28,2 gram = 4.060,80 gram. Financiële opbrengst De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het FPA-rapport bedraagt dit minimaal € 4,07 per gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt derhalve minimaal: 4.060,80 x € 4,07 = € 16.527,46 Kosten berekening Afschrijvingskosten: € 150,00 Hennepstekken: € 548,64 (€ 3,81 per stek/plant) Variabele kosten: € 558,72 (€ 3,88 per stek/plant) Totale kosten: € 1.257,36 De netto opbrengst bedraagt dan € 16.527,46 minus € 1.257,36 = € 15.270,10” 3.4 Hieruit volgt dat het hof de ontneming heeft gebaseerd op de bewezenverklaring – van naar ik begrijp: feit 1 – en heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene als pleger voordeel heeft genoten uit “dit bewezenverklaarde feit”. Het hof heeft de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel verder ontleend aan het volgende wettige bewijsmiddel, zoals opgenomen in de aanvulling verkort arrest: “ Een geschrift, zijnde een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 23 oktober 2019. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Vaststelling opbrengst per oogst In de kwekerij werden geen planten meer aangetroffen. Op de grond in de kweekruimte werden de afdrukken van 144 plantenpotten aangetroffen.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:80 text/xml public 2026-05-19T15:37:31 2026-01-14 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/02891 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:769 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:80 text/html public 2026-03-13T16:07:08 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:80 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/02891 Conclusie AG. Profijtontneming, w.v.v. uit telen 144 hennepplanten (art. 3.B Ow). M1: klacht dat hof zonder motivering voor schatting w.v.v. gebruik heeft gemaakt van schriftelijk bescheid houdende verklaring persoon wiens identiteit niet blijkt. M2: klacht dat hof schatting w.v.v. ontoereikend heeft gemotiveerd, althans niet (voldoende) heeft gerespondeerd op UOS. M3: klacht dat verkorte arrest niet tijdig met bewijsmiddelen is aangevuld, art. 365a Sv. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep (art. 81 lid 1 RO). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02891 P Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de betrokkene 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 juli 2024 (parketnr. 23-000025-21) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 15.270,10 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van dat bedrag. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 305 dagen. 1.2 Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 24/02890. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. C. Crince Le Roy, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 In de strafzaak tegen de betrokkene is bij arrest van 25 juli 2024 (parketnr. 23-000005-21) bewezenverklaard dat de betrokkene 144 hennepplanten heeft geteeld en zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van elektriciteit door middel van verbreking. In de ontnemingszaak tegen de betrokkene heeft het hof geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene als pleger voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde. 2.2 Het eerste middel brengt naar voren dat het hof zonder motivering voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, althans dat het hof niet (voldoende) heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het derde middel houdt in dat het verkorte arrest niet tijdig met bewijsmiddelen is aangevuld. 2.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel bevat in essentie de klacht dat het hof zonder motivering voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. 3.2 In de strafzaak die verband houdt met deze ontnemingszaak is ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat: “1. hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] ) 144 hennepplanten 2. hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (uit een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [netwerkbeheerder] N.V., waarbij verdachte, die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” 3.3 Het hof heeft in het arrest in de ontnemingszaak het volgende overwogen over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel: “ Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel […] Standpunt verdediging De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat een oogst heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het niet de betrokkene is geweest die het voordeel heeft genoten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat een ander persoon gebruik maakte van de woning op het moment dat de hennepkwekerij werd geëxploiteerd. Het oordeel van het hof De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht). Dat de betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit het door hof gewezen arrest in de hoofdzaak van 25 juli 2024 en uit de in dat arrest opgenomen bewijsoverwegingen. Het is dan ook naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van tenminste één hennepoogst en dat de betrokkene, als pleger, diegene is geweest die het voordeel heeft genoten. Het hof ontleent hieraan het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormeld feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad. De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen. Het hof zal voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aansluiten bij de berekening zoals opgenomen in het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel hennepkwekerij (hierna: het Rapport), waarin wordt uitgegaan van één eerdere oogst waaruit opbrengst is genoten. Het Rapport is opgemaakt aan de hand van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken - voorheen het BOOM - van 1 juni 2016, waarin standaardberekeningen en normen met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen bij binnenteelt onder kunstlicht zijn vermeld (hierna: het FPA-rapport). Vaststelling opbrengst per oogst Gelet op de afdrukken op het grondzeil hebben in de kweekruimte 144 hennepplanten in potten gestaan. Volgens het Rapport is de gemiddelde opbrengst 28,2 gram hennep per plant. Opbrengst per oogst De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt: 144 planten x 28,2 gram = 4.060,80 gram. Financiële opbrengst De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het FPA-rapport bedraagt dit minimaal € 4,07 per gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt derhalve minimaal: 4.060,80 x € 4,07 = € 16.527,46 Kosten berekening Afschrijvingskosten: € 150,00 Hennepstekken: € 548,64 (€ 3,81 per stek/plant) Variabele kosten: € 558,72 (€ 3,88 per stek/plant) Totale kosten: € 1.257,36 De netto opbrengst bedraagt dan € 16.527,46 minus € 1.257,36 = € 15.270,10” 3.4 Hieruit volgt dat het hof de ontneming heeft gebaseerd op de bewezenverklaring – van naar ik begrijp: feit 1 – en heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene als pleger voordeel heeft genoten uit “dit bewezenverklaarde feit”. Het hof heeft de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel verder ontleend aan het volgende wettige bewijsmiddel, zoals opgenomen in de aanvulling verkort arrest: “ Een geschrift, zijnde een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 23 oktober 2019. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Vaststelling opbrengst per oogst In de kwekerij werden geen planten meer aangetroffen. Op de grond in de kweekruimte werden de afdrukken van 144 plantenpotten aangetroffen.
Volledig
Het rapport van Functioneel Parket Afpakken stelt, dat wanneer het aantal planten per m2 niet bekend is, uitgegaan kan worden van 15 planten per m2 (het aantal planten per m2 van de uit het onderzoek gebleken gemiddelde bij een Nederlandse illegale hennepkwekerij) en de daarbij met een betrouwbaarheid van 95% behorende gemiddelde opbrengst van 28,2 gram hennep per plant. De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt in dit geval: 144 x 28,2 gram = 4.060,80 gram De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van Functioneel Parket Afpakken bedraagt dit minimaal € 4,07 per gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 4.060,80 gram x € 4,07 = € 16.527,46. Vaststelling eerdere oogst(en) In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van 1 gerealiseerde oogst. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst. De vermelde oogst is vastgesteld op basis van ingesteld onderzoek, waarbij de volgende aanwijzingen bleken. Kalkafzetting In de kweekruimte bevond zich kalkafzetting op het zeil op de plaatsen waar eerder de plantenpotten hebben gestaan. De hoogte van de kalkafzetting aan de onderzijde van de potten en op het zeil kon niet exact worden vastgesteld, omdat de plantenpotten reeds waren verwijderd. Stof op koolstoffilters De aangetroffen koolstoffilters waren in de kwekerij bevestigd middels spanbanden. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de kwekerij is opgetreden nadat de koolstoffilters in de kwekerij waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Door de sterke afzuiging van de afgewerkte lucht in de kwekerij, komen deze stofdeeltjes op het filterdoek terecht. Op het grondzeil werd in en rond de afdrukken kalkafzetting aangetroffen, wat er op duidt dat er sprake is geweest van een eerdere oogst. Overige aanwijzingen eerdere oogsten Door een anonieme getuige werd gezien dat in de huiskamer van de betreffende woning de toppen van hennepplanten werden afgeknipt. In de badkamer werden jerrycans aangetroffen waarin groeimiddel heeft gezeten ter bevordering van de groei van onder andere hennepplanten. Kostenberekening per oogst De afschrijvingskosten van gedane investeringen bedragen bij 144 planten in kweekruimte A per oogst €150,- Omdat er geen concrete aanwijzingen omtrent de variabele kosten zijn aangetroffen, wordt er voor de berekening voor de kosten van inkoop van de stek € 3,81 en voor de overige variabele kosten € 3,88 per plant als norm gehanteerd conform het Functioneel rapport Afpakken. Kosten berekening Afschrijvingskosten: € 150,00 Hennepstekken: € 548,64 (€ 3,81 per stek/plant) Variabele kosten: € 558,72 (€ 3,88 per stek/plant) Totale kosten: € 1.257,36 Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gesteld op: Bruto opbrengst 1 oogst X € 16.627,46 € 16.527,46 Totale kosten 1 oogst X € 1.257,36 € 1.257,36 -/- Wederrechtelijk verkregen voordeel € 15.270,10 ” 3.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 511e Sv zijn de bepalingen van de vierde afdeling van Titel VI van het tweede boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Art. 511e Sv is vanwege art. 511g Sv van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep. Tot deze vierde afdeling van Titel VI van het tweede boek behoort art. 360 Sv. Uit lid 1 en lid 4 van deze bepaling volgt dat de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid waarin een verklaring van een persoon in de zin van art. 344a lid 3 Sv wiens identiteit niet blijkt – en die niet is aangemerkt als bedreigde of afgeschermde getuige – is opgenomen op straffe van nietigheid nader moet motiveren. Voor de hoofdzaak in strafprocedures geldt dat aan de nadere motiveringsplicht van art. 360 lid 1 Sv wordt voldaan wanneer de rechter (i) vermeldt dat aan de eisen van art. 344a lid 3 Sv is voldaan en (ii) ervan blijk geeft de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring zelfstandig te hebben onderzocht. Art. 344a Sv is echter niet van overeenkomstige toepassing op de ontnemingsprocedure. Indien een anonieme verklaring in de ontnemingsprocedure als bewijsmiddel wordt gebruikt, moet desondanks zijn gewaarborgd dat aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate wordt tegemoetgekomen. Dat art. 360 lid 1 Sv in de ontnemingsprocedure van overeenkomstige toepassing is betekent dat de rechter die de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede baseert op een schriftelijk bescheid waarin de verklaring van een anoniem persoon is opgenomen in zijn uitspraak blijk moet geven te hebben onderzocht (i) of de anonieme verklaring betrouwbaar is en (ii) of aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate is tegemoetgekomen. 3.6 In de onderhavige zaak wordt geklaagd dat niet is voldaan aan het motiveringsvereiste van art. 360 lid 1 Sv. Aangevoerd wordt dat het hof voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik heeft gemaakt van een anonieme melding zonder dit te motiveren. De inhoud van de anonieme melding zou geen betrekking hebben op een omstandigheid die in het licht van de gehele bewijsvoering van zo ondergeschikte aard moet worden geacht dat het verzuim nader te motiveren niet afdoet aan de toereikendheid van de bewijsmotivering. Alleen uit de anonieme melding zou immers volgen dat sprake is geweest van een hennepoogst. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou daarmee in zeer grote mate op de inhoud van de anonieme melding leunen. 3.7 Het hof heeft in zijn arrest in de ontnemingszaak niet uitdrukkelijk gewezen op de anonieme melding. Wel heeft het hof voor het bewijs gebruik gemaakt van het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” van 23 oktober 2019 (hierna: het rapport). Dit rapport houdt onder meer in dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één gerealiseerde oogst vanwege “de volgende aanwijzingen” die bleken uit ingesteld onderzoek. Met “de volgende aanwijzingen” wordt blijkens de cursieve kopjes gedoeld op (i) “Kalkafzetting”, (ii) “Stof op koolstoffilters” en (iii) “Overige aanwijzingen eerdere oogsten”. Onder dit laatste kopje is vermeld: “Door een anonieme getuige werd gezien dat in de huiskamer van de betreffende woning de toppen van hennepplanten werden afgeknipt. In de badkamer werden jerrycans aangetroffen waarin groeimiddel heeft gezeten ter bevordering van de groei van onder andere hennepplanten.” Daarnaast heeft het hof in zijn arrest overwogen dat “uit het door hof gewezen arrest in de hoofdzaak van 25 juli 2024 en uit de in dat arrest opgenomen bewijsoverwegingen” blijkt dat de betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. In de hoofdzaak wordt door het hof in de bewijsoverwegingen aan de anonieme melding gerefereerd en is voor het bewijs gebruik gemaakt van twee processen-verbaal van de politie waarin informatie wordt weergegeven die een onbekend gebleven persoon door een melding aan de politie heeft verstrekt (bewijsmiddel 1 en 2 in de hoofdzaak). 3.8 Ik heb mij afgevraagd of het rapport vanwege de informatie onder het kopje “Overige aanwijzingen eerdere oogsten” moet worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a lid 3 Sv. Het betreft immers geen proces-verbaal waarin de verklaring van de anonieme persoon (of een deel van die verklaring) als zodanig is weergegeven.
Volledig
Het rapport van Functioneel Parket Afpakken stelt, dat wanneer het aantal planten per m2 niet bekend is, uitgegaan kan worden van 15 planten per m2 (het aantal planten per m2 van de uit het onderzoek gebleken gemiddelde bij een Nederlandse illegale hennepkwekerij) en de daarbij met een betrouwbaarheid van 95% behorende gemiddelde opbrengst van 28,2 gram hennep per plant. De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt in dit geval: 144 x 28,2 gram = 4.060,80 gram De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport van Functioneel Parket Afpakken bedraagt dit minimaal € 4,07 per gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 4.060,80 gram x € 4,07 = € 16.527,46. Vaststelling eerdere oogst(en) In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van 1 gerealiseerde oogst. Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst. De vermelde oogst is vastgesteld op basis van ingesteld onderzoek, waarbij de volgende aanwijzingen bleken. Kalkafzetting In de kweekruimte bevond zich kalkafzetting op het zeil op de plaatsen waar eerder de plantenpotten hebben gestaan. De hoogte van de kalkafzetting aan de onderzijde van de potten en op het zeil kon niet exact worden vastgesteld, omdat de plantenpotten reeds waren verwijderd. Stof op koolstoffilters De aangetroffen koolstoffilters waren in de kwekerij bevestigd middels spanbanden. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de kwekerij is opgetreden nadat de koolstoffilters in de kwekerij waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Door de sterke afzuiging van de afgewerkte lucht in de kwekerij, komen deze stofdeeltjes op het filterdoek terecht. Op het grondzeil werd in en rond de afdrukken kalkafzetting aangetroffen, wat er op duidt dat er sprake is geweest van een eerdere oogst. Overige aanwijzingen eerdere oogsten Door een anonieme getuige werd gezien dat in de huiskamer van de betreffende woning de toppen van hennepplanten werden afgeknipt. In de badkamer werden jerrycans aangetroffen waarin groeimiddel heeft gezeten ter bevordering van de groei van onder andere hennepplanten. Kostenberekening per oogst De afschrijvingskosten van gedane investeringen bedragen bij 144 planten in kweekruimte A per oogst €150,- Omdat er geen concrete aanwijzingen omtrent de variabele kosten zijn aangetroffen, wordt er voor de berekening voor de kosten van inkoop van de stek € 3,81 en voor de overige variabele kosten € 3,88 per plant als norm gehanteerd conform het Functioneel rapport Afpakken. Kosten berekening Afschrijvingskosten: € 150,00 Hennepstekken: € 548,64 (€ 3,81 per stek/plant) Variabele kosten: € 558,72 (€ 3,88 per stek/plant) Totale kosten: € 1.257,36 Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gesteld op: Bruto opbrengst 1 oogst X € 16.627,46 € 16.527,46 Totale kosten 1 oogst X € 1.257,36 € 1.257,36 -/- Wederrechtelijk verkregen voordeel € 15.270,10 ” 3.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 511e Sv zijn de bepalingen van de vierde afdeling van Titel VI van het tweede boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Art. 511e Sv is vanwege art. 511g Sv van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep. Tot deze vierde afdeling van Titel VI van het tweede boek behoort art. 360 Sv. Uit lid 1 en lid 4 van deze bepaling volgt dat de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid waarin een verklaring van een persoon in de zin van art. 344a lid 3 Sv wiens identiteit niet blijkt – en die niet is aangemerkt als bedreigde of afgeschermde getuige – is opgenomen op straffe van nietigheid nader moet motiveren. Voor de hoofdzaak in strafprocedures geldt dat aan de nadere motiveringsplicht van art. 360 lid 1 Sv wordt voldaan wanneer de rechter (i) vermeldt dat aan de eisen van art. 344a lid 3 Sv is voldaan en (ii) ervan blijk geeft de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring zelfstandig te hebben onderzocht. Art. 344a Sv is echter niet van overeenkomstige toepassing op de ontnemingsprocedure. Indien een anonieme verklaring in de ontnemingsprocedure als bewijsmiddel wordt gebruikt, moet desondanks zijn gewaarborgd dat aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate wordt tegemoetgekomen. Dat art. 360 lid 1 Sv in de ontnemingsprocedure van overeenkomstige toepassing is betekent dat de rechter die de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede baseert op een schriftelijk bescheid waarin de verklaring van een anoniem persoon is opgenomen in zijn uitspraak blijk moet geven te hebben onderzocht (i) of de anonieme verklaring betrouwbaar is en (ii) of aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate is tegemoetgekomen. 3.6 In de onderhavige zaak wordt geklaagd dat niet is voldaan aan het motiveringsvereiste van art. 360 lid 1 Sv. Aangevoerd wordt dat het hof voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik heeft gemaakt van een anonieme melding zonder dit te motiveren. De inhoud van de anonieme melding zou geen betrekking hebben op een omstandigheid die in het licht van de gehele bewijsvoering van zo ondergeschikte aard moet worden geacht dat het verzuim nader te motiveren niet afdoet aan de toereikendheid van de bewijsmotivering. Alleen uit de anonieme melding zou immers volgen dat sprake is geweest van een hennepoogst. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou daarmee in zeer grote mate op de inhoud van de anonieme melding leunen. 3.7 Het hof heeft in zijn arrest in de ontnemingszaak niet uitdrukkelijk gewezen op de anonieme melding. Wel heeft het hof voor het bewijs gebruik gemaakt van het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” van 23 oktober 2019 (hierna: het rapport). Dit rapport houdt onder meer in dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van één gerealiseerde oogst vanwege “de volgende aanwijzingen” die bleken uit ingesteld onderzoek. Met “de volgende aanwijzingen” wordt blijkens de cursieve kopjes gedoeld op (i) “Kalkafzetting”, (ii) “Stof op koolstoffilters” en (iii) “Overige aanwijzingen eerdere oogsten”. Onder dit laatste kopje is vermeld: “Door een anonieme getuige werd gezien dat in de huiskamer van de betreffende woning de toppen van hennepplanten werden afgeknipt. In de badkamer werden jerrycans aangetroffen waarin groeimiddel heeft gezeten ter bevordering van de groei van onder andere hennepplanten.” Daarnaast heeft het hof in zijn arrest overwogen dat “uit het door hof gewezen arrest in de hoofdzaak van 25 juli 2024 en uit de in dat arrest opgenomen bewijsoverwegingen” blijkt dat de betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. In de hoofdzaak wordt door het hof in de bewijsoverwegingen aan de anonieme melding gerefereerd en is voor het bewijs gebruik gemaakt van twee processen-verbaal van de politie waarin informatie wordt weergegeven die een onbekend gebleven persoon door een melding aan de politie heeft verstrekt (bewijsmiddel 1 en 2 in de hoofdzaak). 3.8 Ik heb mij afgevraagd of het rapport vanwege de informatie onder het kopje “Overige aanwijzingen eerdere oogsten” moet worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a lid 3 Sv. Het betreft immers geen proces-verbaal waarin de verklaring van de anonieme persoon (of een deel van die verklaring) als zodanig is weergegeven.
Volledig
Nu de informatie die de anonieme getuige heeft verstrekt een zelfstandige bijdrage levert aan de motivering van de conclusie in het rapport dat sprake is geweest van een eerdere oogst en daarmee aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, meen ik dat het rapport desondanks kan worden beschouwd als een schriftelijk bescheid in de zin van art. 344a lid 3 Sv. Daarom meen ik dat het in art. 360 lid 1 Sv vervatte bijzondere motiveringsvoorschrift van toepassing is. Daarbij wijs ik erop dat het hof zich in de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook uitdrukkelijk beroept op de bewijsvoering door het hof in de hoofdzaak en dat die bewijsvoering berust op twee processen-verbaal van de politie waarin informatie wordt weergegeven betreffende de anonieme melding terwijl het hof in de hoofdzaak het gebruik van deze processen-verbaal niet nader heeft gemotiveerd. 3.9 Het hof heeft in strijd met art. 360 lid 1 Sv nagelaten het gebruik van het rapport nader te motiveren. Dit verzuim hoeft mijns inziens in dit geval niet tot cassatie te leiden vanwege een gebrek aan belang. Wanneer de door de onbekend gebleven persoon verstrekte informatie zou worden weggelaten uit het rapport is – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel namelijk ook toereikend gemotiveerd en is aan de verdedigingsrechten van de verdediging dus niet tekortgedaan. Ik licht dat toe. 3.10 Dat er in de woning in de ten laste gelegde periode hennep is geoogst blijkt behalve uit de anonieme melding ook uit de in het rapport beschreven omstandigheden dat (i) op de grond in de kweekruimte de afdrukken van 144 plantenpotten werden aangetroffen, terwijl op het zeil op de plaatsen waar eerder de plantenpotten hebben gestaan kalkafzetting waarneembaar was, wat erop duidt dat er sprake is geweest van een eerdere oogst en (ii) het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild, terwijl die vervuiling pas na langere tijd optreedt en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt en (iii) in de badkamer jerrycans werden aangetroffen waarin groeimiddel heeft gezeten ter bevordering van de groei van onder andere hennepplanten. Bovendien is in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat hij in de woning – kort gezegd – 144 hennepplanten heeft geteeld. Het hof was in de ontnemingszaak gebonden aan deze bewezenverklaring, zodat dit gegeven in de ontnemingszaak niet meer ter discussie kon staan. In samenhang met de vaststelling in het rapport dat in de woning geen hennepplanten zijn aangetroffen, kan hieruit eveneens worden afgeleid dat sprake is geweest van ten minste één oogst. 3.11 Het middel is tevergeefs voorgesteld. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel behelst in de kern de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd omdat niet (voldoende) uit de bewijsmiddelen blijkt dat één hennepoogst heeft plaatsgevonden, althans dat het hof niet (voldoende) heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat “de gevonden kalk- en stofresten niets zeggen over een eerdere oogst en […] [netwerkbeheerder] [heeft] geconcludeerd dat geen sprake was van kalk- en stofresten”. 4.2 In de toelichting op het middel wordt voor de inhoud van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt verwezen naar de randnummers 30 t/m 38 van de pleitnotities die de raadsman van de betrokkene volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2024 op die zitting heeft voorgedragen en overgelegd. Deze randnummers van de pleitnotities houden – met weglating van voetnoten – het volgende in: “ Standpunt m.b.t. ontneming 30. Gelet op hetgeen bepleit in de strafzaak onder feit I - dat cliënt dient te worden vrijgesproken - meent de verdediging dat de vordering tot ontneming afgewezen dient te worden. Verder kunnen we dus niet kunnen vaststellen in welke fase de kwekerij precies zat. Was het de fase van opbouwen? Heeft er daadwerkelijk hennep gestaan? Zaten we in de fase van oogsten? Vragen die we niet dan wel onvoldoende kunnen beantwoorden. Dat maakt dat we ook niet kunnen stellen dat er hennep in de woning is geweest en dus ook niet dat er één oogst is geweest. 31. Zoals aangegeven zien we geen enkel spoor van knipresten. Geen kruimeltje hennep is gevonden. Geen droogrekken. Geen schaartjes of andere attributen waarmee geknipt wordt, geen handschoenen etc. En dat terwijl gezegd wordt dat de knippers halsoverkop de woning verlieten. Met andere woorden ze laten alles achter. En in plaats van een kamer vol met bewijs, zien we een schone kamer. 32. Dat in het ontnemingsdossier staat dat Kalkafzetting op zeil en stof op koolstoffilters is geconstateerd (p. 7 ontnemingsdossier) staat haaks op wat [netwerkbeheerder] heeft genoteerd. In het (straf)dossier wordt bij koolstoffilters schoon aangevinkt (p. 11 dossier). De officier van justitie zegt in eerste aanleg dan afgaande op het proces verbaal van de terechtzitting dat hij geen idee heeft waarom het wordt ingevuld. Dat lijkt me niet zo ingewikkeld, omdat [netwerkbeheerder] meent dat het er schoon uit zag. Een andere verklaring is er niet. Ook wordt door [netwerkbeheerder] niet gemeld dat stof is aangetroffen. Kalkaanslag wordt ook nergens aangevinkt (p. 11 dossier). 33. In het ontnemingsdossier lezen we verder dat op de bodem van de kweektent afdrukken werden gevonden van 144 potten en dat de hennepplanten inclusief de potten waren verwijderd (p. 27 ontnemingsdossier). Dat is een veronderstelling van de verbalisant. We hebben geen concrete informatie of daadwerkelijk geknipt is, of dat de potten zijn weggehaald omdat aangeefster of wie dan ook een melding heeft gemaakt of dat potten om een andere reden zijn weggehaald. Als de personen die de kwekerij in stelling hebben gebracht onheil ruiken dan wordt het opgedoekt. We kunnen niet zeggen dat er hennepplantjes zijn gegroeid, welke dus volgroeid waren en vervolgens dus zijn geknipt. 34. [netwerkbeheerder] zegt dan in overleg met politieambtenaar te komen tot de conclusie dat er één eerdere oogst is geweest. Dus niet op basis van de eigen bevindingen van [netwerkbeheerder] . Alles was immers schoon volgens [netwerkbeheerder] . Geen idee wat [verbalisant] aan [netwerkbeheerder] verteld heeft (p. 11 strafdossier). 35. De foto’s van de woning zijn wat mij betreft niet leidend in deze. Ik zie er niets op terug. De foto’s in mijn dossier zijn van zeer slechte kwaliteit. Kort gezegd: daar volgt geen eerdere oogst uit en dus ook geen wederrechtelijk verkregen voordeel. 36. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft eerder geoordeeld dat op basis van gevonden kalkafzetting, stof en vervuiling op de apparatuur, niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat er een eerdere oogst is geweest. 37. Zie op dit punt nog een andere uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch uit waarin is geoordeeld dat visuele waarnemingen van een opsporingsambtenaar niet maken dat sprake is geweest van een eerdere oogst. In die zaak was sprake van kalkafzetting op het zeil en plantenpotten, het filterdoek van koolstoffilters was vervuild, stof op te kappen van armaturen van de assimilatielampen en op de ventilator, in de plantenpotten bevonden zich wortelresten en in de woning werden diverse lege kannen en flessen aangetroffen waarin groei- en messstoffen hebben gezeten. De gevonden voorwerpen en sporen hoeven dus niets te betekenen. 38. In onderhavige zaak hebben we niet meer dan wat stof en aanslag waar een verbalisant iets over heeft genoteerd waarbij tegelijkertijd door [netwerkbeheerder] wordt beweerd dat e.e.a. schoon is. Daarnaast kunnen de spullen ook tweedehands zijn. Het is veel te mager om te stellen dat één oogst heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande wil ik u vragen om de ontnemingsvordering af te wijzen.” 4.3 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.
Volledig
Nu de informatie die de anonieme getuige heeft verstrekt een zelfstandige bijdrage levert aan de motivering van de conclusie in het rapport dat sprake is geweest van een eerdere oogst en daarmee aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, meen ik dat het rapport desondanks kan worden beschouwd als een schriftelijk bescheid in de zin van art. 344a lid 3 Sv. Daarom meen ik dat het in art. 360 lid 1 Sv vervatte bijzondere motiveringsvoorschrift van toepassing is. Daarbij wijs ik erop dat het hof zich in de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook uitdrukkelijk beroept op de bewijsvoering door het hof in de hoofdzaak en dat die bewijsvoering berust op twee processen-verbaal van de politie waarin informatie wordt weergegeven betreffende de anonieme melding terwijl het hof in de hoofdzaak het gebruik van deze processen-verbaal niet nader heeft gemotiveerd. 3.9 Het hof heeft in strijd met art. 360 lid 1 Sv nagelaten het gebruik van het rapport nader te motiveren. Dit verzuim hoeft mijns inziens in dit geval niet tot cassatie te leiden vanwege een gebrek aan belang. Wanneer de door de onbekend gebleven persoon verstrekte informatie zou worden weggelaten uit het rapport is – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel namelijk ook toereikend gemotiveerd en is aan de verdedigingsrechten van de verdediging dus niet tekortgedaan. Ik licht dat toe. 3.10 Dat er in de woning in de ten laste gelegde periode hennep is geoogst blijkt behalve uit de anonieme melding ook uit de in het rapport beschreven omstandigheden dat (i) op de grond in de kweekruimte de afdrukken van 144 plantenpotten werden aangetroffen, terwijl op het zeil op de plaatsen waar eerder de plantenpotten hebben gestaan kalkafzetting waarneembaar was, wat erop duidt dat er sprake is geweest van een eerdere oogst en (ii) het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild, terwijl die vervuiling pas na langere tijd optreedt en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt en (iii) in de badkamer jerrycans werden aangetroffen waarin groeimiddel heeft gezeten ter bevordering van de groei van onder andere hennepplanten. Bovendien is in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat hij in de woning – kort gezegd – 144 hennepplanten heeft geteeld. Het hof was in de ontnemingszaak gebonden aan deze bewezenverklaring, zodat dit gegeven in de ontnemingszaak niet meer ter discussie kon staan. In samenhang met de vaststelling in het rapport dat in de woning geen hennepplanten zijn aangetroffen, kan hieruit eveneens worden afgeleid dat sprake is geweest van ten minste één oogst. 3.11 Het middel is tevergeefs voorgesteld. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel behelst in de kern de klacht dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd omdat niet (voldoende) uit de bewijsmiddelen blijkt dat één hennepoogst heeft plaatsgevonden, althans dat het hof niet (voldoende) heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat “de gevonden kalk- en stofresten niets zeggen over een eerdere oogst en […] [netwerkbeheerder] [heeft] geconcludeerd dat geen sprake was van kalk- en stofresten”. 4.2 In de toelichting op het middel wordt voor de inhoud van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt verwezen naar de randnummers 30 t/m 38 van de pleitnotities die de raadsman van de betrokkene volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2024 op die zitting heeft voorgedragen en overgelegd. Deze randnummers van de pleitnotities houden – met weglating van voetnoten – het volgende in: “ Standpunt m.b.t. ontneming 30. Gelet op hetgeen bepleit in de strafzaak onder feit I - dat cliënt dient te worden vrijgesproken - meent de verdediging dat de vordering tot ontneming afgewezen dient te worden. Verder kunnen we dus niet kunnen vaststellen in welke fase de kwekerij precies zat. Was het de fase van opbouwen? Heeft er daadwerkelijk hennep gestaan? Zaten we in de fase van oogsten? Vragen die we niet dan wel onvoldoende kunnen beantwoorden. Dat maakt dat we ook niet kunnen stellen dat er hennep in de woning is geweest en dus ook niet dat er één oogst is geweest. 31. Zoals aangegeven zien we geen enkel spoor van knipresten. Geen kruimeltje hennep is gevonden. Geen droogrekken. Geen schaartjes of andere attributen waarmee geknipt wordt, geen handschoenen etc. En dat terwijl gezegd wordt dat de knippers halsoverkop de woning verlieten. Met andere woorden ze laten alles achter. En in plaats van een kamer vol met bewijs, zien we een schone kamer. 32. Dat in het ontnemingsdossier staat dat Kalkafzetting op zeil en stof op koolstoffilters is geconstateerd (p. 7 ontnemingsdossier) staat haaks op wat [netwerkbeheerder] heeft genoteerd. In het (straf)dossier wordt bij koolstoffilters schoon aangevinkt (p. 11 dossier). De officier van justitie zegt in eerste aanleg dan afgaande op het proces verbaal van de terechtzitting dat hij geen idee heeft waarom het wordt ingevuld. Dat lijkt me niet zo ingewikkeld, omdat [netwerkbeheerder] meent dat het er schoon uit zag. Een andere verklaring is er niet. Ook wordt door [netwerkbeheerder] niet gemeld dat stof is aangetroffen. Kalkaanslag wordt ook nergens aangevinkt (p. 11 dossier). 33. In het ontnemingsdossier lezen we verder dat op de bodem van de kweektent afdrukken werden gevonden van 144 potten en dat de hennepplanten inclusief de potten waren verwijderd (p. 27 ontnemingsdossier). Dat is een veronderstelling van de verbalisant. We hebben geen concrete informatie of daadwerkelijk geknipt is, of dat de potten zijn weggehaald omdat aangeefster of wie dan ook een melding heeft gemaakt of dat potten om een andere reden zijn weggehaald. Als de personen die de kwekerij in stelling hebben gebracht onheil ruiken dan wordt het opgedoekt. We kunnen niet zeggen dat er hennepplantjes zijn gegroeid, welke dus volgroeid waren en vervolgens dus zijn geknipt. 34. [netwerkbeheerder] zegt dan in overleg met politieambtenaar te komen tot de conclusie dat er één eerdere oogst is geweest. Dus niet op basis van de eigen bevindingen van [netwerkbeheerder] . Alles was immers schoon volgens [netwerkbeheerder] . Geen idee wat [verbalisant] aan [netwerkbeheerder] verteld heeft (p. 11 strafdossier). 35. De foto’s van de woning zijn wat mij betreft niet leidend in deze. Ik zie er niets op terug. De foto’s in mijn dossier zijn van zeer slechte kwaliteit. Kort gezegd: daar volgt geen eerdere oogst uit en dus ook geen wederrechtelijk verkregen voordeel. 36. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft eerder geoordeeld dat op basis van gevonden kalkafzetting, stof en vervuiling op de apparatuur, niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat er een eerdere oogst is geweest. 37. Zie op dit punt nog een andere uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch uit waarin is geoordeeld dat visuele waarnemingen van een opsporingsambtenaar niet maken dat sprake is geweest van een eerdere oogst. In die zaak was sprake van kalkafzetting op het zeil en plantenpotten, het filterdoek van koolstoffilters was vervuild, stof op te kappen van armaturen van de assimilatielampen en op de ventilator, in de plantenpotten bevonden zich wortelresten en in de woning werden diverse lege kannen en flessen aangetroffen waarin groei- en messstoffen hebben gezeten. De gevonden voorwerpen en sporen hoeven dus niets te betekenen. 38. In onderhavige zaak hebben we niet meer dan wat stof en aanslag waar een verbalisant iets over heeft genoteerd waarbij tegelijkertijd door [netwerkbeheerder] wordt beweerd dat e.e.a. schoon is. Daarnaast kunnen de spullen ook tweedehands zijn. Het is veel te mager om te stellen dat één oogst heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande wil ik u vragen om de ontnemingsvordering af te wijzen.” 4.3 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.
Volledig
Wanneer het hof afwijkt van een door de betrokkene ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet de rechter op grond van art. 511e lid 1 Sv en art. 511g lid 2 Sv jo. 415 lid 1 Sv jo. art. 359 lid 2 tweede volzin Sv in zijn uitspraak in het bijzonder de redenen opgeven die daartoe hebben geleid. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is pas sprake wanneer het standpunt duidelijk, door argumenten onderbouwd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De in dat geval vereiste nadere motivering door de rechter kan ook besloten liggen in de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen of in een aanvullende bewijsoverweging. 4.4 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan ingevolge art. 511f Sv alleen worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Aangezien art. 359 lid 3 Sv op grond van art. 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en art. 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) van overeenkomstige toepassing is op de uitspraak op een ontnemingsvordering, moet die uitspraak met voldoende nauwkeurigheid de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten. 4.5 Het staat de ontnemingsrechter vrij om gegevens te ontlenen aan de bewezenverklaring die is opgenomen in de uitspraak in de strafzaak. De bewijsmiddelen die betrekking hebben op de bewezenverklaring hoeven dan niet ook nog in de uitspraak in de ontnemingszaak te worden opgenomen, behalve als dat in het concrete geval noodzakelijk is voor de begrijpelijkheid van de schatting van het wederrechtelijk voordeel of als met het opnemen van die bewijsmiddelen de redenen kunnen worden opgegeven die in het bijzonder hebben geleid tot het afwijken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het voordeel. 4.6 Zoals onder 3.10 al kort naar voren kwam, is de ontnemingsrechter gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. De ontnemingsrechter mag wel een zelfstandig oordeel vormen over alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel kan worden geschat. Onder het oordeel van de rechter in de hoofdzaak waaraan de ontnemingsrechter gebonden is valt de bewezenverklaring. De veroordeling kan dus in de ontnemingszaak niet meer worden betwist. 4.7 In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat de raadsman van de betrokkene zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat een oogst heeft plaatsgevonden. Gelet op hetgeen namens de betrokkene in bovenstaande randnummers van de pleitnotities naar voren is gebracht, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof het verweer dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat een oogst heeft plaatsgevonden kennelijk heeft aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Wat de verdediging in die randnummers van de pleitnotities heeft aangevoerd over kalkafdrukken, stof op de koolstoffilters en de bevindingen van [netwerkbeheerder] kan in mijn optiek echter niet als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden beschouwd. Hetgeen hierover is aangevoerd vormt slechts een deel van de onderbouwing van het standpunt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat een oogst heeft plaatsgevonden. De motiveringsplicht die geldt bij niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat niet zo ver dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. De vraag of voormeld deel van de onderbouwing van het uitdrukkelijk standpunt als zodanig detail zou kunnen worden beschouwd, kan vanwege het navolgende buiten bespreking blijven hier. 4.8 Het hof is van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt omtrent het plaatsvinden van de oogst afgeweken door te oordelen dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van tenminste één hennepoogst. Uit het bestreden ontnemingsarrest blijkt dat het hof tot dit oordeel is gekomen op basis van de bewezenverklaring in de hoofdzaak en de in dat arrest opgenomen bewijsoverwegingen en daarnaast op grond van het rapport. In de strafzaak is ten laste van de betrokkene onder andere bewezenverklaard dat hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 in [plaats] opzettelijk 144 hennepplanten heeft geteeld. Zoals onder 4.6 is gebleken, kon in de ontnemingszaak dus niet meer ter discussie worden gesteld dat de betrokkene in de woning 144 hennepplanten heeft geteeld. Dit gegeven in samenhang met de uit het rapport blijkende omstandigheid dat in de kweekruimte in de woning geen planten meer werden aangetroffen, biedt mijns inziens een toereikende motivering van het oordeel dat sprake is geweest van ten minste één hennepoogst. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de verwerping van het uitdrukkelijke standpunt – inclusief de onderbouwing daarvan – is hiermee voldoende gemotiveerd. 4.9 Het middel faalt. 5 Het derde middel 5.1 Het middel bevat de klacht dat het verkorte arrest niet tijdig met bewijsmiddelen is aangevuld. 5.2 Op grond van art. 365a lid 3 Sv, dat in verband met art. 415 Sv ook van toepassing is op het geding in hoger beroep en ingevolge art. 511e Sv ook geldt voor de behandeling van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, moet een verkorte uitspraak waartegen een gewoon rechtsmiddel is aangewend worden aangevuld met bewijsmiddelen binnen vier maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel en binnen drie maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel wanneer de verdachte zich alsdan ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt. 5.3 In de onderhavige zaak is het cassatieberoep ingesteld op 26 juli 2024. De aanvulling van het verkorte arrest is ondertekend op 20 maart 2025. Daarmee is de in art. 365a lid 3 Sv genoemde termijn van vier maanden met bijna vier maanden overschreden. De wetgever heeft er bewust voor gekozen geen sanctie te stellen op de niet-nakoming van het bepaalde in art. 365a lid 3 Sv. Het niet tijdig aanvullen van het verkorte vonnis heeft daarom geen nietigheid van het bestreden arrest of de opgemaakte aanvulling tot gevolg. Tot cassatie hoeft dit dus niet te leiden. 5.4 Het middel faalt. 6 Afronding 6.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 6.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Dit artikel geldt ook in hoger beroep ingevolge art. 415 lid 1 Sv. Deze eisen houden in dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steun moet vinden in andersoortig bewijsmateriaal (art. 344a lid 3 aanhef en onder a Sv) en dat niet door of namens de verdachte op enig moment in het geding de wens te kennen moet zijn gegeven om deze persoon te (doen) ondervragen (art. 344a lid 3 aanhef en onder b Sv). HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526, r.o. 3.2.2 en o.a. HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1007, NJ 2020/285 m.nt. Kooijmans, r.o. 2.3.1. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6002, NJ 2012/412 m.nt. Borgers, r.o. 2.7, HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2637, r.o. 2.4, HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:164, r.o. 2.4 en HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:166, r.o. 2.4. Vgl. a contrario HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3559, r.o. 2.3. Ter informatie merk ik op dat ook het in de hoofdzaak voorgestelde eerste middel, kort gezegd inhoudende dat dat het hof zonder motivering voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de anonieme melding, moet stranden (zie mijn conclusie in de hoofdzaak, randnrs. 3.7 t/m 3.11). Vgl. concl. A-G Bleichrodt voor HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1078 (81 RO), randnr. 9 en m.b.t. strafzaken HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:244, r.o. 2.4 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1453, r.o. 2.4. HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8741, r.o. 3.3.
Volledig
Wanneer het hof afwijkt van een door de betrokkene ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet de rechter op grond van art. 511e lid 1 Sv en art. 511g lid 2 Sv jo. 415 lid 1 Sv jo. art. 359 lid 2 tweede volzin Sv in zijn uitspraak in het bijzonder de redenen opgeven die daartoe hebben geleid. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is pas sprake wanneer het standpunt duidelijk, door argumenten onderbouwd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De in dat geval vereiste nadere motivering door de rechter kan ook besloten liggen in de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen of in een aanvullende bewijsoverweging. 4.4 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan ingevolge art. 511f Sv alleen worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Aangezien art. 359 lid 3 Sv op grond van art. 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en art. 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) van overeenkomstige toepassing is op de uitspraak op een ontnemingsvordering, moet die uitspraak met voldoende nauwkeurigheid de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten. 4.5 Het staat de ontnemingsrechter vrij om gegevens te ontlenen aan de bewezenverklaring die is opgenomen in de uitspraak in de strafzaak. De bewijsmiddelen die betrekking hebben op de bewezenverklaring hoeven dan niet ook nog in de uitspraak in de ontnemingszaak te worden opgenomen, behalve als dat in het concrete geval noodzakelijk is voor de begrijpelijkheid van de schatting van het wederrechtelijk voordeel of als met het opnemen van die bewijsmiddelen de redenen kunnen worden opgegeven die in het bijzonder hebben geleid tot het afwijken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het voordeel. 4.6 Zoals onder 3.10 al kort naar voren kwam, is de ontnemingsrechter gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. De ontnemingsrechter mag wel een zelfstandig oordeel vormen over alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel kan worden geschat. Onder het oordeel van de rechter in de hoofdzaak waaraan de ontnemingsrechter gebonden is valt de bewezenverklaring. De veroordeling kan dus in de ontnemingszaak niet meer worden betwist. 4.7 In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat de raadsman van de betrokkene zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat een oogst heeft plaatsgevonden. Gelet op hetgeen namens de betrokkene in bovenstaande randnummers van de pleitnotities naar voren is gebracht, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof het verweer dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat een oogst heeft plaatsgevonden kennelijk heeft aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Wat de verdediging in die randnummers van de pleitnotities heeft aangevoerd over kalkafdrukken, stof op de koolstoffilters en de bevindingen van [netwerkbeheerder] kan in mijn optiek echter niet als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden beschouwd. Hetgeen hierover is aangevoerd vormt slechts een deel van de onderbouwing van het standpunt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat een oogst heeft plaatsgevonden. De motiveringsplicht die geldt bij niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat niet zo ver dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. De vraag of voormeld deel van de onderbouwing van het uitdrukkelijk standpunt als zodanig detail zou kunnen worden beschouwd, kan vanwege het navolgende buiten bespreking blijven hier. 4.8 Het hof is van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt omtrent het plaatsvinden van de oogst afgeweken door te oordelen dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van tenminste één hennepoogst. Uit het bestreden ontnemingsarrest blijkt dat het hof tot dit oordeel is gekomen op basis van de bewezenverklaring in de hoofdzaak en de in dat arrest opgenomen bewijsoverwegingen en daarnaast op grond van het rapport. In de strafzaak is ten laste van de betrokkene onder andere bewezenverklaard dat hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 28 oktober 2018 in [plaats] opzettelijk 144 hennepplanten heeft geteeld. Zoals onder 4.6 is gebleken, kon in de ontnemingszaak dus niet meer ter discussie worden gesteld dat de betrokkene in de woning 144 hennepplanten heeft geteeld. Dit gegeven in samenhang met de uit het rapport blijkende omstandigheid dat in de kweekruimte in de woning geen planten meer werden aangetroffen, biedt mijns inziens een toereikende motivering van het oordeel dat sprake is geweest van ten minste één hennepoogst. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de verwerping van het uitdrukkelijke standpunt – inclusief de onderbouwing daarvan – is hiermee voldoende gemotiveerd. 4.9 Het middel faalt. 5 Het derde middel 5.1 Het middel bevat de klacht dat het verkorte arrest niet tijdig met bewijsmiddelen is aangevuld. 5.2 Op grond van art. 365a lid 3 Sv, dat in verband met art. 415 Sv ook van toepassing is op het geding in hoger beroep en ingevolge art. 511e Sv ook geldt voor de behandeling van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, moet een verkorte uitspraak waartegen een gewoon rechtsmiddel is aangewend worden aangevuld met bewijsmiddelen binnen vier maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel en binnen drie maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel wanneer de verdachte zich alsdan ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt. 5.3 In de onderhavige zaak is het cassatieberoep ingesteld op 26 juli 2024. De aanvulling van het verkorte arrest is ondertekend op 20 maart 2025. Daarmee is de in art. 365a lid 3 Sv genoemde termijn van vier maanden met bijna vier maanden overschreden. De wetgever heeft er bewust voor gekozen geen sanctie te stellen op de niet-nakoming van het bepaalde in art. 365a lid 3 Sv. Het niet tijdig aanvullen van het verkorte vonnis heeft daarom geen nietigheid van het bestreden arrest of de opgemaakte aanvulling tot gevolg. Tot cassatie hoeft dit dus niet te leiden. 5.4 Het middel faalt. 6 Afronding 6.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 6.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Dit artikel geldt ook in hoger beroep ingevolge art. 415 lid 1 Sv. Deze eisen houden in dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steun moet vinden in andersoortig bewijsmateriaal (art. 344a lid 3 aanhef en onder a Sv) en dat niet door of namens de verdachte op enig moment in het geding de wens te kennen moet zijn gegeven om deze persoon te (doen) ondervragen (art. 344a lid 3 aanhef en onder b Sv). HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526, r.o. 3.2.2 en o.a. HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1007, NJ 2020/285 m.nt. Kooijmans, r.o. 2.3.1. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6002, NJ 2012/412 m.nt. Borgers, r.o. 2.7, HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2637, r.o. 2.4, HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:164, r.o. 2.4 en HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:166, r.o. 2.4. Vgl. a contrario HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3559, r.o. 2.3. Ter informatie merk ik op dat ook het in de hoofdzaak voorgestelde eerste middel, kort gezegd inhoudende dat dat het hof zonder motivering voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de anonieme melding, moet stranden (zie mijn conclusie in de hoofdzaak, randnrs. 3.7 t/m 3.11). Vgl. concl. A-G Bleichrodt voor HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1078 (81 RO), randnr. 9 en m.b.t. strafzaken HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:244, r.o. 2.4 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1453, r.o. 2.4. HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8741, r.o. 3.3.