Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-10
ECLI:NL:PHR:2026:74
Strafrecht
38,913 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:74 text/xml public 2026-05-26T15:11:32 2026-01-13 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/02246 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:801 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:74 text/html public 2026-03-12T10:30:43 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:74 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/02246 Conclusie AG. Fraudezaak. M1: strafmotivering; begrijpelijkheid oordeel hof dat sprake is van een grootschalige fraude die kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd. De AG geeft een overzicht van de rechtspraak op dit punt. Het is i.c. niet onbegrijpelijk dat het hof de grootschaligheid van de fraude in de strafoplegging heeft betrokken als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd en dat als oriëntatiepunt voor de hoogte van de op te leggen straf is uitgegaan van een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,-. M2: afwijzing voorw. gedaan getuigenverzoek. ’s Hofs oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd omdat niet is geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en waarin het belang of de noodzaak voor het horen van deze getuigen bestaat is niet onbegrijpelijk. Daarbij wijst de AG er nog op dat de Straatsburgse rechtspraak inzake het recht om getuigen te horen in relatie tot het tenlastegelegde feit niet zonder meer als geldend kan worden aangemerkt voor situaties waarin de verdediging getuigen wenst te horen enkel met het oog op de straftoemeting. Beide middelen falen: art. 81.1 RO. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/02243P. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02246 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 11 juni 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-002878-20) wegens “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. 1.2 Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nummer 24/02243P. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 In deze fraudezaak heeft het hof bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het door zijn uitzendbureau [A] B.V. opzettelijk valselijk opmaken of doen opmaken van haar bedrijfsadministratie, door daarin van de vijf in de tenlastelegging genoemde uit Oost-Europa afkomstige werknemers valse salarisspecificaties en kwitanties op te nemen. Deze werknemers ontvingen een uurtarief onder het minimumloon en het ten onrechte niet aan de werknemers uitbetaalde salaris is ten goede gekomen aan de verdachte. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een grootschalige fraude die kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd. Het tweede middel komt op tegen de afwijzende beslissing van het hof op een voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel bevat de klacht dat de strafoplegging onjuist is althans niet naar behoren is gemotiveerd. Belangrijkste processtukken en overige procesinformatie 3.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “ [A] B.V., in de periode van 1 januari 2014 tot en met 3 november 2016 in Nederland, meermalen, opzettelijk de (bedrijfs)administratie van [A] B.V. – zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of valselijk heeft doen opmaken, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, Immers heeft [A] B.V. telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in (dat deel van) die bedrijfsadministratie opgenomen en/of verwerkt althans doen of laten opnemen en/of verwerken salarisspecificaties en bij die salarisspecificaties gevoegde kwitanties, te weten: - de salarisspecificatie d.d. 31-01-2014 op naam van [naam 68] , en de hierbij gevoegde kwitantie (DOC-012-01), en - de salarisspecificatie d.d. 10-07-2015 op naam van [naam 30] ., en de hierbij gevoegde kwitantie (DOC-013-01), en - de salarisspecificatie d.d. 07-08-2015 op naam van [naam 69] (p. 227), en - de salarisspecificatie d.d. 25-12-2015 op naam van [naam 70] , en de hierbij gevoegde kwitantie (p. 264), en - de salarisspecificatie d.d. 09-09-2016 op naam van [naam 71] (DOC-005-01), waarbij – zakelijk weergegeven – : - op die salarisspecificaties telkens een loonbedrag gebaseerd op het wettelijk minimum uurloon was vermeld terwijl in werkelijkheid aan de desbetreffende werkne(e)m(st)ers/uitzendkrachten een lager loonbedrag (gebaseerd op een netto uurloon van E 6,50) werd betaald, en - op die kwitanties telkens na ondertekening hiervan door de werkne(e)m(st)ers/uitzendkrachten, een loonbedrag werd ingevuld dat hoger was dan het loonbedrag dat de desbetreffende werkne(e)m(st)ers/uitzendkrachten in werkelijkheid kregen uitbetaald, aan welke vorenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.” 3.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 251849, documentcode V-002-02 (pagina 26 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de verdachte: Ik ben de eigenaar van [A] B.V. Ik doe de administratie en interne boekhouding van mijn bedrijf. Ik heb twee adressen. Ik sta ingeschreven op de [a-straat 1] in [plaats] . Dat is tevens het vestigingsadres van [A] B.V. Ik woon daar ook. Het andere adres waar ik woon is de [b-straat 1] in [plaats] . Ik verblijf op beide adressen. 2. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 253073, documentcode V-002-01 (pagina 23 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de verdachte: De gewerkte uren van mijn werknemers, noteer ik in de computer. De lijsten die ik heb gemaakt, stuur ik naar [betrokkene 1] . de boekhouder. Aan de hand van mijn lijsten maakt [betrokkene 1] de Loonstroken. Het uitbetalen doe ik zelf. Vanaf 2014 tot eind 2015 werkte ik met kas en bank. In 2016 betaalde ik alles per bank. 3. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 68] en de hierbij gevoegde kwitantie (DOC-012-01) . […] 4. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 243737, documentcode G-001-01 (pagina 73 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de getuige [naam 68] : Ik ben in maart 2012 voor [verdachte] bij [A] B.V. gaan werken. Ik kreeg feitelijk € 6,50 per uur. Ik kreeg geen salarisspecificaties. Het loon werd contant betaald. Ik heb de jaaropgaven van 2014 en 2015 gekregen. Het loon dat hier op staat, klopt niet met het loon dat ik heb gekregen. 5. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 30] en de hierbij gevoegde kwitantie (DOC-013-01) . […] 6. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met documentcode G-002-01 (pagina 78 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de getuige [naam 30] : Ik heb van juni 2015 tot 20 december 2015 voor [A] B.V. gewerkt. Ik heb met [verdachte] een bedrag van € 6,50 netto per uur afgesproken. Ik kreeg mijn loon contant uitbetaald. Dat waren mijn gewerkte uren maal € 6.50. Ik moet hiervoor een blanco kwitantie ondertekenen. Ik moest zelf mijn naam opschrijven en vervolgens mijn handtekening. Er stond geen bedrag ingevuld. Ook geen datum. In september 2016 ben ik opnieuw bij [A] begonnen, onder dezelfde condities. Dus voor € 6,50 per uur. Ik kreeg de eerste 3 weken mijn salaris op de bank uitbetaald.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:74 text/xml public 2026-05-26T15:11:32 2026-01-13 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/02246 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:801 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:74 text/html public 2026-03-12T10:30:43 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:74 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/02246 Conclusie AG. Fraudezaak. M1: strafmotivering; begrijpelijkheid oordeel hof dat sprake is van een grootschalige fraude die kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd. De AG geeft een overzicht van de rechtspraak op dit punt. Het is i.c. niet onbegrijpelijk dat het hof de grootschaligheid van de fraude in de strafoplegging heeft betrokken als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd en dat als oriëntatiepunt voor de hoogte van de op te leggen straf is uitgegaan van een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,-. M2: afwijzing voorw. gedaan getuigenverzoek. ’s Hofs oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd omdat niet is geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en waarin het belang of de noodzaak voor het horen van deze getuigen bestaat is niet onbegrijpelijk. Daarbij wijst de AG er nog op dat de Straatsburgse rechtspraak inzake het recht om getuigen te horen in relatie tot het tenlastegelegde feit niet zonder meer als geldend kan worden aangemerkt voor situaties waarin de verdediging getuigen wenst te horen enkel met het oog op de straftoemeting. Beide middelen falen: art. 81.1 RO. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/02243P. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02246 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 11 juni 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-002878-20) wegens “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. 1.2 Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nummer 24/02243P. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 In deze fraudezaak heeft het hof bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het door zijn uitzendbureau [A] B.V. opzettelijk valselijk opmaken of doen opmaken van haar bedrijfsadministratie, door daarin van de vijf in de tenlastelegging genoemde uit Oost-Europa afkomstige werknemers valse salarisspecificaties en kwitanties op te nemen. Deze werknemers ontvingen een uurtarief onder het minimumloon en het ten onrechte niet aan de werknemers uitbetaalde salaris is ten goede gekomen aan de verdachte. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een grootschalige fraude die kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd. Het tweede middel komt op tegen de afwijzende beslissing van het hof op een voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel bevat de klacht dat de strafoplegging onjuist is althans niet naar behoren is gemotiveerd. Belangrijkste processtukken en overige procesinformatie 3.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “ [A] B.V., in de periode van 1 januari 2014 tot en met 3 november 2016 in Nederland, meermalen, opzettelijk de (bedrijfs)administratie van [A] B.V. – zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of valselijk heeft doen opmaken, zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, Immers heeft [A] B.V. telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in (dat deel van) die bedrijfsadministratie opgenomen en/of verwerkt althans doen of laten opnemen en/of verwerken salarisspecificaties en bij die salarisspecificaties gevoegde kwitanties, te weten: - de salarisspecificatie d.d. 31-01-2014 op naam van [naam 68] , en de hierbij gevoegde kwitantie (DOC-012-01), en - de salarisspecificatie d.d. 10-07-2015 op naam van [naam 30] ., en de hierbij gevoegde kwitantie (DOC-013-01), en - de salarisspecificatie d.d. 07-08-2015 op naam van [naam 69] (p. 227), en - de salarisspecificatie d.d. 25-12-2015 op naam van [naam 70] , en de hierbij gevoegde kwitantie (p. 264), en - de salarisspecificatie d.d. 09-09-2016 op naam van [naam 71] (DOC-005-01), waarbij – zakelijk weergegeven – : - op die salarisspecificaties telkens een loonbedrag gebaseerd op het wettelijk minimum uurloon was vermeld terwijl in werkelijkheid aan de desbetreffende werkne(e)m(st)ers/uitzendkrachten een lager loonbedrag (gebaseerd op een netto uurloon van E 6,50) werd betaald, en - op die kwitanties telkens na ondertekening hiervan door de werkne(e)m(st)ers/uitzendkrachten, een loonbedrag werd ingevuld dat hoger was dan het loonbedrag dat de desbetreffende werkne(e)m(st)ers/uitzendkrachten in werkelijkheid kregen uitbetaald, aan welke vorenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.” 3.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 251849, documentcode V-002-02 (pagina 26 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de verdachte: Ik ben de eigenaar van [A] B.V. Ik doe de administratie en interne boekhouding van mijn bedrijf. Ik heb twee adressen. Ik sta ingeschreven op de [a-straat 1] in [plaats] . Dat is tevens het vestigingsadres van [A] B.V. Ik woon daar ook. Het andere adres waar ik woon is de [b-straat 1] in [plaats] . Ik verblijf op beide adressen. 2. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 253073, documentcode V-002-01 (pagina 23 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de verdachte: De gewerkte uren van mijn werknemers, noteer ik in de computer. De lijsten die ik heb gemaakt, stuur ik naar [betrokkene 1] . de boekhouder. Aan de hand van mijn lijsten maakt [betrokkene 1] de Loonstroken. Het uitbetalen doe ik zelf. Vanaf 2014 tot eind 2015 werkte ik met kas en bank. In 2016 betaalde ik alles per bank. 3. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 68] en de hierbij gevoegde kwitantie (DOC-012-01) . […] 4. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 243737, documentcode G-001-01 (pagina 73 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de getuige [naam 68] : Ik ben in maart 2012 voor [verdachte] bij [A] B.V. gaan werken. Ik kreeg feitelijk € 6,50 per uur. Ik kreeg geen salarisspecificaties. Het loon werd contant betaald. Ik heb de jaaropgaven van 2014 en 2015 gekregen. Het loon dat hier op staat, klopt niet met het loon dat ik heb gekregen. 5. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 30] en de hierbij gevoegde kwitantie (DOC-013-01) . […] 6. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met documentcode G-002-01 (pagina 78 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de getuige [naam 30] : Ik heb van juni 2015 tot 20 december 2015 voor [A] B.V. gewerkt. Ik heb met [verdachte] een bedrag van € 6,50 netto per uur afgesproken. Ik kreeg mijn loon contant uitbetaald. Dat waren mijn gewerkte uren maal € 6.50. Ik moet hiervoor een blanco kwitantie ondertekenen. Ik moest zelf mijn naam opschrijven en vervolgens mijn handtekening. Er stond geen bedrag ingevuld. Ook geen datum. In september 2016 ben ik opnieuw bij [A] begonnen, onder dezelfde condities. Dus voor € 6,50 per uur. Ik kreeg de eerste 3 weken mijn salaris op de bank uitbetaald.
Volledig
Dat as meer dan de afgesproken € 6.50 per uur. Het verschil tussen de uitbetaling per bank en de netto loonafspraak moest ik terug betalen. 7. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 69] , gevoegd als bijlage 7 bij het rapport van bevindingen van de opsporingsambtenaren van de belastingdienst, (pagina 227 van de doorgenummerde bijlagen) . […] 8. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met kenmerk 421500507, documentcode DOC-001-01 (pagina 194 en 195 van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren van de Belastingdienst: Op 27 januari 2016 spraken wij [naam 69] . Hij verklaarde onder andere: Ik had een nettoloonafspraak. In het begin van € 5,00 en later van € 6,50 netto per uur. Ik moest op een blanco papiertje, waarop geen bedrag was ingevuld, mijn handtekening zetten. Op 8 februari 2016 spraken wij [naam 69] . Hij verklaarde onder andere: U toont mij een kwitantie. Dit is mijn handtekening hierop. Ik kreeg het blanco. Ik heb er mijn voor- en achternaam opgeschreven en een handtekening gezet. De rest is later ingevuld. De salarisspecificaties kloppen niet met de gewerkte uren en bedrag. Als bijlage 7 hij dit rapport van bevindingen is toegevoegd het tweede inlichtingen en verhooformulier en de getoonde schriftelijke bescheiden aan de getuige [naam 69] . 9. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 70] en de hierbij gevoegde kwitantie (pagina 264 van de doorgenummerde bijlagen) . […] 10. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met kenmerk 421500507, documentcode DOC-001-01 (pagina 196 van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren van de Belastingdienst: Op 15 juni 2016 spraken wij [naam 70] . Zij verklaarde onder andere: Ik verdiende vanaf januari 2015 € 6,50 per uur. Elke week werd het salaris contant uitbetaald. We kregen blanco stukjes papier en moesten op één kaartje bovenaan de naam en onderaan onze handtekening zetten. Het blaadje was verder blanco. Ik kreeg nooit loonstroken. Per 1 januari 2016 moet [verdachte] per bank betalen. Vanaf februari moesten wij elke week terug betalen. [verdachte] kwam het geld ophalen. U toont mij een loonstrook en kwitantie van week 52-2015. De naam en handtekening zijn van mij. Ik heb ze op een blanco formulier gezet. Het bedrag van € 655,94 heb ik nooit gekregen. 11. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 71] met documentcode DOC-005-01 (pagina 370 van de doorgenummerde bijlagen) . […] 12. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 249485, documentcode G-007-01 (pagina 95 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de getuige [naam 71] : Ik ben in april 2015 bij [verdachte] terecht gekomen. [verdachte] zei dat ik € 6,50 zou gaan verdienen. Ik kreeg dat geld contant. Ik moest dan een blanco formuliertje onderteken. Op dit formulier moest ik tweemaal mijn voor- en achternaam invullen. Verder was er geen bedrag ingevuld. Ik heb vanaf mei 2015 tot 15 augustus gewerkt bij [verdachte] . Sinds 22 april 2016 werk ik weer bij [verdachte] . Ik krijg mijn geld via de bank. Elke week moest ik geld terug betalen. Ik heb twee loonspecificaties geregen. Op die salarisspecificaties zag ik een hoger salaris dan wat ik daadwerkelijk kreeg. Dit hogere bedrag kreeg ik op mijn bankrekening gestort en het verschil met het nettoloon moest ik contant terugbetalen aan [verdachte] . U laat mij een salarisspecificatie van de periode 35 van 2016 zien, met nummer DOC-005-02. Ik zie hierop dat ik een netto loon heb van € 217,04. Ik heb dit bedrag per bank ontvangen en een deel daarvan terug betaald. U laat mij een aantal lijsten zien, met documentnummer BV.JZ.569.X.05. Ik ken soortgelijke lijsten. Daar staan het aantal gewerkte uren op, het aantal werkdagen, het loon en het bedrag dat ik terug moest betalen aan [verdachte] . [verdachte] liet deze lijsten ook aan mij zien wanneer ik geld terug moest betalen. 13. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 229430, documentcode Z-01 (pagina 10 en 11 van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren: Tijdens de doorzoeking in perceel [a-straat 1] in [plaats] is een computer in beslag genomen. In de bestanden van de computer is een aantal overzichtslijsten aangetroffen (DOC-007-01 en DOC-007-02) die betrekking hebben op de verantwoording van de uren van de werknemers en de inleners waar de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. In de personenauto, voorzien van [kenteken] , in gebruik bij [verdachte] werden overzichtslijsten aangetroffen met gegevens van werknemers, de gewerkte uren en een vermoedelijke berekening. Deze lijsten zijn voorzien van de documentnummers DOC-007-03 en DOC-007-04. Een soortgelijke overzichtslijst van week 37 van 2016 is aangetroffen in de woning van [verdachte] (DOC-007-05). 14. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 249258, documentcode AMB-006-01 (pagina 47 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren: Op de overzichtslijsten stonden - De naam van de opdrachtgever - De naam van de werknemer - Het bankrekeningnummer van de werknemer - De week en het jaar waar de informatie betrekking op heeft - De uren die per dag verantwoord worden In de administratie van [A] B.V. werden meerdere overzichten per werknemer aangetroffen. Deze overzichten waren per opdrachtgever opgemaakt. De werknemers werden per week bij verschillende opdrachtgevers verantwoord. Het totaal van de gewerkte uren bij de verschillende opdrachtgevers kwam overeen met het totaal aantal uren zoals weergegeven in overzichtslijsten. Op deze overzichtslijsten zijn echter één of meerdere kolommen toegevoegd. De gegevens van DOC-007-05 zijn geanalyseerd. Deze gegevens zijn weergegeven in DOC-006-04. Op de lijst staan de namen van 56 werknemers met de gewerkte uren, de vermoedelijke verloning in weken 35 tot en met 37 en vermoedelijk de bedragen die moeten worden terugbetaald. In de analyse zijn in de kolommen A tot en met E de gegevens weergegeven die voorkomen op de overzichtslijst. In de kolommen E en G staat de onderbouwing voor de berekening van de bedragen die vermoedelijk moet worden terugbetaald. • Kolom A Vermoedelijk nettoloon • Kolom B Bedrag conform bankbetaling en/of loonspecificatie • Kolom C Vermoedelijke terugbetaling • Kolom D Verantwoorde uren • Kolom E Toegevoegde tekst op de lijst • Kolom F Verschil tussen kolom A en kolom B • Kolom G Totaal bedrag van de kolommen E en F In deze berekening is het verschil tussen het bedrag in Kolom A en het bedrag op de loonspecificatie Kolom B vermeerdert met het bedrag dat is toegevoegd. Dit totaalbedrag komt overeen met de vermoedelijke terugbetaling in kolom G. In de kolommen H tot en met K is een onderbouwing weergegeven dat er vermoedelijk sprake is van een nettoloonafspraak. Hierbij is gebruik gemaakt van de informatie die door de getuigen verstrekt zijn met betrekking tot het nettoloon van € 6,50 per uur en de huurbedragen die variëren van € 62,50 tot € 65,00. • Kolom H Huurbedrag op basis van verklaringen getuigen • Kolom I Bedrag uit kolom A (vermoedelijk nettoloon) • Kolom J Berekend netto-uurloon • Kolom K Gegevens die verwerkt zijn op andere overzichtslijsten Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat niet alle werknemers woonruimte ter beschikking krijgen door tussenkomst van de [verdachte] . Bij deze personen wordt dan ook geen bedrag aan huur in rekening gebracht. In deze berekening is het bedrag in Kolom A verhoogd met het huurbedrag van € 62,50 of € 65,00 en vervolgens gedeeld door het aantal verantwoorde uren. In de meeste gevallen komt hierbij een bedrag naar voren van € 6,50 of € 7,00. De gegevens van DOC-007-02 zijn geanalyseerd. Deze gegevens zijn weergeven in DOC-006-03. In dit document staan de namen van 69 werknemers met de gewerkte uren en vermoedelijke verloning in week 39 van 2016 aangetroffen. In de analyse is in de eerste kolom de omschrijving aangegeven zoals deze voorkomt op de bankafschriften van [A] B.V. In de tweede kolom is de nationaliteit van de werknemer aangegeven, zoals deze is aangetroffen in de personeelsdossiers.
Volledig
Dat as meer dan de afgesproken € 6.50 per uur. Het verschil tussen de uitbetaling per bank en de netto loonafspraak moest ik terug betalen. 7. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 69] , gevoegd als bijlage 7 bij het rapport van bevindingen van de opsporingsambtenaren van de belastingdienst, (pagina 227 van de doorgenummerde bijlagen) . […] 8. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met kenmerk 421500507, documentcode DOC-001-01 (pagina 194 en 195 van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren van de Belastingdienst: Op 27 januari 2016 spraken wij [naam 69] . Hij verklaarde onder andere: Ik had een nettoloonafspraak. In het begin van € 5,00 en later van € 6,50 netto per uur. Ik moest op een blanco papiertje, waarop geen bedrag was ingevuld, mijn handtekening zetten. Op 8 februari 2016 spraken wij [naam 69] . Hij verklaarde onder andere: U toont mij een kwitantie. Dit is mijn handtekening hierop. Ik kreeg het blanco. Ik heb er mijn voor- en achternaam opgeschreven en een handtekening gezet. De rest is later ingevuld. De salarisspecificaties kloppen niet met de gewerkte uren en bedrag. Als bijlage 7 hij dit rapport van bevindingen is toegevoegd het tweede inlichtingen en verhooformulier en de getoonde schriftelijke bescheiden aan de getuige [naam 69] . 9. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 70] en de hierbij gevoegde kwitantie (pagina 264 van de doorgenummerde bijlagen) . […] 10. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met kenmerk 421500507, documentcode DOC-001-01 (pagina 196 van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren van de Belastingdienst: Op 15 juni 2016 spraken wij [naam 70] . Zij verklaarde onder andere: Ik verdiende vanaf januari 2015 € 6,50 per uur. Elke week werd het salaris contant uitbetaald. We kregen blanco stukjes papier en moesten op één kaartje bovenaan de naam en onderaan onze handtekening zetten. Het blaadje was verder blanco. Ik kreeg nooit loonstroken. Per 1 januari 2016 moet [verdachte] per bank betalen. Vanaf februari moesten wij elke week terug betalen. [verdachte] kwam het geld ophalen. U toont mij een loonstrook en kwitantie van week 52-2015. De naam en handtekening zijn van mij. Ik heb ze op een blanco formulier gezet. Het bedrag van € 655,94 heb ik nooit gekregen. 11. Een geschrift, inhoudende een salarisspecificatie op naam van [naam 71] met documentcode DOC-005-01 (pagina 370 van de doorgenummerde bijlagen) . […] 12. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 249485, documentcode G-007-01 (pagina 95 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als verklaring van de getuige [naam 71] : Ik ben in april 2015 bij [verdachte] terecht gekomen. [verdachte] zei dat ik € 6,50 zou gaan verdienen. Ik kreeg dat geld contant. Ik moest dan een blanco formuliertje onderteken. Op dit formulier moest ik tweemaal mijn voor- en achternaam invullen. Verder was er geen bedrag ingevuld. Ik heb vanaf mei 2015 tot 15 augustus gewerkt bij [verdachte] . Sinds 22 april 2016 werk ik weer bij [verdachte] . Ik krijg mijn geld via de bank. Elke week moest ik geld terug betalen. Ik heb twee loonspecificaties geregen. Op die salarisspecificaties zag ik een hoger salaris dan wat ik daadwerkelijk kreeg. Dit hogere bedrag kreeg ik op mijn bankrekening gestort en het verschil met het nettoloon moest ik contant terugbetalen aan [verdachte] . U laat mij een salarisspecificatie van de periode 35 van 2016 zien, met nummer DOC-005-02. Ik zie hierop dat ik een netto loon heb van € 217,04. Ik heb dit bedrag per bank ontvangen en een deel daarvan terug betaald. U laat mij een aantal lijsten zien, met documentnummer BV.JZ.569.X.05. Ik ken soortgelijke lijsten. Daar staan het aantal gewerkte uren op, het aantal werkdagen, het loon en het bedrag dat ik terug moest betalen aan [verdachte] . [verdachte] liet deze lijsten ook aan mij zien wanneer ik geld terug moest betalen. 13. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 229430, documentcode Z-01 (pagina 10 en 11 van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren: Tijdens de doorzoeking in perceel [a-straat 1] in [plaats] is een computer in beslag genomen. In de bestanden van de computer is een aantal overzichtslijsten aangetroffen (DOC-007-01 en DOC-007-02) die betrekking hebben op de verantwoording van de uren van de werknemers en de inleners waar de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. In de personenauto, voorzien van [kenteken] , in gebruik bij [verdachte] werden overzichtslijsten aangetroffen met gegevens van werknemers, de gewerkte uren en een vermoedelijke berekening. Deze lijsten zijn voorzien van de documentnummers DOC-007-03 en DOC-007-04. Een soortgelijke overzichtslijst van week 37 van 2016 is aangetroffen in de woning van [verdachte] (DOC-007-05). 14. Het proces-verbaal van Inspectie SZW met nummer 249258, documentcode AMB-006-01 (pagina 47 en verder van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren: Op de overzichtslijsten stonden - De naam van de opdrachtgever - De naam van de werknemer - Het bankrekeningnummer van de werknemer - De week en het jaar waar de informatie betrekking op heeft - De uren die per dag verantwoord worden In de administratie van [A] B.V. werden meerdere overzichten per werknemer aangetroffen. Deze overzichten waren per opdrachtgever opgemaakt. De werknemers werden per week bij verschillende opdrachtgevers verantwoord. Het totaal van de gewerkte uren bij de verschillende opdrachtgevers kwam overeen met het totaal aantal uren zoals weergegeven in overzichtslijsten. Op deze overzichtslijsten zijn echter één of meerdere kolommen toegevoegd. De gegevens van DOC-007-05 zijn geanalyseerd. Deze gegevens zijn weergegeven in DOC-006-04. Op de lijst staan de namen van 56 werknemers met de gewerkte uren, de vermoedelijke verloning in weken 35 tot en met 37 en vermoedelijk de bedragen die moeten worden terugbetaald. In de analyse zijn in de kolommen A tot en met E de gegevens weergegeven die voorkomen op de overzichtslijst. In de kolommen E en G staat de onderbouwing voor de berekening van de bedragen die vermoedelijk moet worden terugbetaald. • Kolom A Vermoedelijk nettoloon • Kolom B Bedrag conform bankbetaling en/of loonspecificatie • Kolom C Vermoedelijke terugbetaling • Kolom D Verantwoorde uren • Kolom E Toegevoegde tekst op de lijst • Kolom F Verschil tussen kolom A en kolom B • Kolom G Totaal bedrag van de kolommen E en F In deze berekening is het verschil tussen het bedrag in Kolom A en het bedrag op de loonspecificatie Kolom B vermeerdert met het bedrag dat is toegevoegd. Dit totaalbedrag komt overeen met de vermoedelijke terugbetaling in kolom G. In de kolommen H tot en met K is een onderbouwing weergegeven dat er vermoedelijk sprake is van een nettoloonafspraak. Hierbij is gebruik gemaakt van de informatie die door de getuigen verstrekt zijn met betrekking tot het nettoloon van € 6,50 per uur en de huurbedragen die variëren van € 62,50 tot € 65,00. • Kolom H Huurbedrag op basis van verklaringen getuigen • Kolom I Bedrag uit kolom A (vermoedelijk nettoloon) • Kolom J Berekend netto-uurloon • Kolom K Gegevens die verwerkt zijn op andere overzichtslijsten Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat niet alle werknemers woonruimte ter beschikking krijgen door tussenkomst van de [verdachte] . Bij deze personen wordt dan ook geen bedrag aan huur in rekening gebracht. In deze berekening is het bedrag in Kolom A verhoogd met het huurbedrag van € 62,50 of € 65,00 en vervolgens gedeeld door het aantal verantwoorde uren. In de meeste gevallen komt hierbij een bedrag naar voren van € 6,50 of € 7,00. De gegevens van DOC-007-02 zijn geanalyseerd. Deze gegevens zijn weergeven in DOC-006-03. In dit document staan de namen van 69 werknemers met de gewerkte uren en vermoedelijke verloning in week 39 van 2016 aangetroffen. In de analyse is in de eerste kolom de omschrijving aangegeven zoals deze voorkomt op de bankafschriften van [A] B.V. In de tweede kolom is de nationaliteit van de werknemer aangegeven, zoals deze is aangetroffen in de personeelsdossiers.
Volledig
In kolom A staat een bedrag. In kolom B staat het totaal aantal uren. Het bedrag in kolom A is gedeeld door het aantal uren in kolom B. Bij 67 werknemers is de uitkomst van deze berekening € 6,50. Dit komt overeen met de nettoloonafspraken waar de getuigen telkens over spreken. In het overzicht zijn in kolom D de gegevens verwerkt van de bankbetalingen en de loonspecificaties die betrekking hebben op week 39 van 2016. In kolom E is het verschil tussen de loonbedragen uit kolom 0 en kolom A weergegeven. Dit is vermoedelijk het bedrag dat door de werknemers moet worden terugbetaald aan [A] B.V. Hierbij is geen rekening gehouden met de kosten voor eventuele huisvesting. De gegevens van DOC-007-03 en DOC-007-04 zijn geanalyseerd. Deze gegevens zijn weergegeven in DOC-006-02. Op de lijsten staan de namen van werknemers met de gewerkte uren en vermoedelijke verloning in weken 36 tot en met 38 van 2016 aangetroffen. Op DOC-007-03 (weergegeven in DOC-006-01) waren nog drie andere kolommen zichtbaar die vermoedelijk betrekking hebben op geldbedragen. Deze bedragen hebben vermoedelijk betrekking op: • het nettolloon • de loonbetaling per bank of zoals weergegeven op de salarisspecificatie • het terug te betalen bedrag. Op DOC-007-04 was één kolom met een bedrag toegevoegd. Dit bedrag heeft vermoedelijk betrekking op het bedrag dat de werknemers moeten terugbetalen aan de werkgever. Bevindingen DOC-007-03: Kolom 1: de omschrijving zoals deze voorkomt op de bankafschriften van [A] B.V. Kolommen, A t/m C: de bedragen zoals aangetroffen op de overzichtslijst. Door de verbalisant is boven deze bedragen een omschrijving gegeven waar deze bedragen vermoedelijk betrekking op hebben. Kolom D: het aantal uren die eveneens voorkomen op de lijst. Bij het onderzoek naar de diverse bedragen op de lijst is tevens een onderzoek ingesteld naar de bankgegevens en de salarisspecificaties van de werknemers. Hierbij werd bevonden dat de bedragen in kolom B overeenkwamen met de bedragen op de bankrekening en de salarisspecificaties. Bij de berekening heb ik het aantal gewerkte uren zoals aangegeven op de lijst als uitgangspunt genomen. Kolom E: bedrag kolom A gedeeld door het aantal uren. De uitkomst varieerde tussen € 4,95 en € 7,00. In het merendeel van de gevallen was er sprake van € 6,00. Dit bedrag komt overeen met de bedragen waar de getuigen over verklaarden. Kolom F: Het verschil tussen de bedragen van kolom A en B. Vervolgens is het bedrag in kolom F in mindering gebracht op het bedrag in kolom C. Dit gaf in nagenoeg alle gevallen een bedrag van € 62,50. Dit bedrag komt overeen met het huurbedrag dat varieert van € 62,50 en € 65,00 waar de getuigen over verklaarden. Gelet op bovenstaande bestaat het vermoeden dat op de lijst DOC-007-03 de berekening staat voor de verloning van de werknemers waarbij naast het loon zoals weergegeven op de salarisspecificaties en dat betaald is via de bankrekening van de werknemers, tevens de nettoloonafspraken staan. Indien door de werknemers woonruimte gehuurd wordt van [A] B.V. worden deze bedragen tevens in de berekening meegenomen. Daarnaast staan de bedragen weergegeven die door de werknemers moeten worden terugbetaald aan [A] B.V. Het bedrag dat staat in kolom C moet vermoedelijk worden terugbetaald aan [A] B.V. Dit bedrag is opgebouwd uit het verschil tussen het loon conform de loonspecificaties en de nettoloonafspraken, vermeerdert met de eventuele kosten van de huisvesting. Bevindingen DOC-007-03 en DOC-007-04: Kolom 1: de omschrijving zoals deze voorkomt op de bankafschriften van [A] B.V. Kolom A: een geldbedrag dat vermoedelijk betrekking heeft op het bedrag dat teug betaald moet worden aan [A] B.V. Kolom B: het totaal aantal uren. Kolom C: de bankgegevens en de salarisspecificaties van de werknemers. Kolom D: het verschil tussen het bedrag dat per bank betaald is en het bedrag dat op de overzichtslijst staat. Kolom E: netto uurloon van € 6,50 of € 7,00. Kolom F: een berekening gemaakt van het nettoloon op basis van het aantal gewerkte uren vermenigvuldigd met het netto uurloon van € 6,50. In een aantal gevallen komen deze bedragen overeen met de bedragen zoals weergegeven op de overzichtslijst. In de gevallen waarin de bedragen niet overeenkomen met de bedragen op de overzichtslijst is een kolom G met huur toegevoegd. In deze kolom zijn de huurbedragen van één of twee weken opgenomen, uitgaande van de verklaring van de getuigen waarin gesproken wordt over een bedrag van € 62,50 per week. Kolom H: het bedrag van het nettoloon verminderd met het huurbedrag. Kolom 1: controleberekening gemaakt van het bedrag zoals weergegeven op de overzichtslijst vermeerdert met het berekende nettoloon en waarop de huur in mindering is gebracht. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat per bank aan de werknemer is overgemaakt. 15. Een geschrift, inhoudende een overzichtslijst bron: DOC-007-03, DOC-006-01 (pagina 371 en verder van de doorgenummerde bijlagen) . […] 16. Een geschrift, inhoudende een overzichtslijst bron: DOC-007-04, DOC-006-02 (pagina 374 en verder van de doorgenummerde bijlagen) . […] 17. Een geschrift, inhoudende een overzichtslijst bron: DOC-007-02, DOC-006-03 (pagina 376 en verder van de doorgenummerde bijlagen) . 18. Een geschrift, inhoudende een overzichtslijst bron: DOC-007-05, DOC-006-04 (pagina 379 en verder van de doorgenummerde bijlagen) . […] 19. Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 248956, (pagina 83), inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 1] : Ik ben sinds ongeveer 2002 actief voor [verdachte] . Ik doe sinds die tijd de administratie voor [A] BV. Ik doe voor [verdachte] de loonadministratie. Ik heb ook contact met de Belastingdienst als het gaat om Loonbelasting en Omzetbelasting. Ik doe deze werkzaamheden vanuit mijn onderneming [B] BV. [verdachte] is degene die zelfde administratie van [A] BV aanlevert. Ik krijg elke maand van hem, per mail, een overzicht van Excel kas, de bankmutaties en de omzetoverzichten. Elke week krijg ik een Excelbestand waarop de gewerkte uren, per persoon en per dag vermeld zijn. Op basis van dit bestand maak ik elke week de loonstroken. Op dit overzicht is te zien bij welke opdrachtgever het personeel deze uren gewerkt heeft. Deze uren zijn per dag weergegeven. De uitzendovereenkomsten maakt [verdachte] zelf en deze bergt hij op in de personeelsdossiers, die hij op zijn kantoor in de [a-straat 1] in [plaats] bewaart. Deze werkwijze, het mailen van gegevens, doen we al enkele jaren.” 3.4 Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in: “ Gevoerd verweer De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken in verband met onvoldoende bewijs. Daartoe is aangevoerd – kort gezegd – dat de getuigenverklaringen van de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers onbetrouwbaar zijn en er verder geen (betrouwbaar) steunbewijs is. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De genoemde getuigen zijn gehoord met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde kwitanties. Zij verklaren in grote lijnen eensluidend over de gang van zaken rondom het uitbetalen van hun salaris. In de kern luidt die verklaring dat er een netto loonafspraak is gemaakt met de verdachte, te weten € 6, 50 per gewerkt uur. Het salaris werd in de jaren 2014 en 2015 elke week contant betaald. Het salaris werd uitbetaald door de verdachte, diens zoon of – incidenteel – door de [medeverdachte] . Om het salaris daadwerkelijk te ontvangen moesten de getuigen op een blanco kwitantie hun naam noteren en deze kwitanties vervolgens ook ondertekenen. Op het moment dat de getuigen de kwitanties ondertekenden, waren er nog geen bedragen ingevuld. De getuigen hebben eensluidend verklaard dat zij de op de kwitanties – kennelijk later – genoteerde (hogere) bedragen niet hebben ontvangen. Het salaris dat zij ontvingen, betrof het netto-uurloon à € 6,50 maal het aantal gewerkte uren. Vanaf 2016 diende het salaris via de bank te worden overgemaakt.
Volledig
In kolom A staat een bedrag. In kolom B staat het totaal aantal uren. Het bedrag in kolom A is gedeeld door het aantal uren in kolom B. Bij 67 werknemers is de uitkomst van deze berekening € 6,50. Dit komt overeen met de nettoloonafspraken waar de getuigen telkens over spreken. In het overzicht zijn in kolom D de gegevens verwerkt van de bankbetalingen en de loonspecificaties die betrekking hebben op week 39 van 2016. In kolom E is het verschil tussen de loonbedragen uit kolom 0 en kolom A weergegeven. Dit is vermoedelijk het bedrag dat door de werknemers moet worden terugbetaald aan [A] B.V. Hierbij is geen rekening gehouden met de kosten voor eventuele huisvesting. De gegevens van DOC-007-03 en DOC-007-04 zijn geanalyseerd. Deze gegevens zijn weergegeven in DOC-006-02. Op de lijsten staan de namen van werknemers met de gewerkte uren en vermoedelijke verloning in weken 36 tot en met 38 van 2016 aangetroffen. Op DOC-007-03 (weergegeven in DOC-006-01) waren nog drie andere kolommen zichtbaar die vermoedelijk betrekking hebben op geldbedragen. Deze bedragen hebben vermoedelijk betrekking op: • het nettolloon • de loonbetaling per bank of zoals weergegeven op de salarisspecificatie • het terug te betalen bedrag. Op DOC-007-04 was één kolom met een bedrag toegevoegd. Dit bedrag heeft vermoedelijk betrekking op het bedrag dat de werknemers moeten terugbetalen aan de werkgever. Bevindingen DOC-007-03: Kolom 1: de omschrijving zoals deze voorkomt op de bankafschriften van [A] B.V. Kolommen, A t/m C: de bedragen zoals aangetroffen op de overzichtslijst. Door de verbalisant is boven deze bedragen een omschrijving gegeven waar deze bedragen vermoedelijk betrekking op hebben. Kolom D: het aantal uren die eveneens voorkomen op de lijst. Bij het onderzoek naar de diverse bedragen op de lijst is tevens een onderzoek ingesteld naar de bankgegevens en de salarisspecificaties van de werknemers. Hierbij werd bevonden dat de bedragen in kolom B overeenkwamen met de bedragen op de bankrekening en de salarisspecificaties. Bij de berekening heb ik het aantal gewerkte uren zoals aangegeven op de lijst als uitgangspunt genomen. Kolom E: bedrag kolom A gedeeld door het aantal uren. De uitkomst varieerde tussen € 4,95 en € 7,00. In het merendeel van de gevallen was er sprake van € 6,00. Dit bedrag komt overeen met de bedragen waar de getuigen over verklaarden. Kolom F: Het verschil tussen de bedragen van kolom A en B. Vervolgens is het bedrag in kolom F in mindering gebracht op het bedrag in kolom C. Dit gaf in nagenoeg alle gevallen een bedrag van € 62,50. Dit bedrag komt overeen met het huurbedrag dat varieert van € 62,50 en € 65,00 waar de getuigen over verklaarden. Gelet op bovenstaande bestaat het vermoeden dat op de lijst DOC-007-03 de berekening staat voor de verloning van de werknemers waarbij naast het loon zoals weergegeven op de salarisspecificaties en dat betaald is via de bankrekening van de werknemers, tevens de nettoloonafspraken staan. Indien door de werknemers woonruimte gehuurd wordt van [A] B.V. worden deze bedragen tevens in de berekening meegenomen. Daarnaast staan de bedragen weergegeven die door de werknemers moeten worden terugbetaald aan [A] B.V. Het bedrag dat staat in kolom C moet vermoedelijk worden terugbetaald aan [A] B.V. Dit bedrag is opgebouwd uit het verschil tussen het loon conform de loonspecificaties en de nettoloonafspraken, vermeerdert met de eventuele kosten van de huisvesting. Bevindingen DOC-007-03 en DOC-007-04: Kolom 1: de omschrijving zoals deze voorkomt op de bankafschriften van [A] B.V. Kolom A: een geldbedrag dat vermoedelijk betrekking heeft op het bedrag dat teug betaald moet worden aan [A] B.V. Kolom B: het totaal aantal uren. Kolom C: de bankgegevens en de salarisspecificaties van de werknemers. Kolom D: het verschil tussen het bedrag dat per bank betaald is en het bedrag dat op de overzichtslijst staat. Kolom E: netto uurloon van € 6,50 of € 7,00. Kolom F: een berekening gemaakt van het nettoloon op basis van het aantal gewerkte uren vermenigvuldigd met het netto uurloon van € 6,50. In een aantal gevallen komen deze bedragen overeen met de bedragen zoals weergegeven op de overzichtslijst. In de gevallen waarin de bedragen niet overeenkomen met de bedragen op de overzichtslijst is een kolom G met huur toegevoegd. In deze kolom zijn de huurbedragen van één of twee weken opgenomen, uitgaande van de verklaring van de getuigen waarin gesproken wordt over een bedrag van € 62,50 per week. Kolom H: het bedrag van het nettoloon verminderd met het huurbedrag. Kolom 1: controleberekening gemaakt van het bedrag zoals weergegeven op de overzichtslijst vermeerdert met het berekende nettoloon en waarop de huur in mindering is gebracht. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat per bank aan de werknemer is overgemaakt. 15. Een geschrift, inhoudende een overzichtslijst bron: DOC-007-03, DOC-006-01 (pagina 371 en verder van de doorgenummerde bijlagen) . […] 16. Een geschrift, inhoudende een overzichtslijst bron: DOC-007-04, DOC-006-02 (pagina 374 en verder van de doorgenummerde bijlagen) . […] 17. Een geschrift, inhoudende een overzichtslijst bron: DOC-007-02, DOC-006-03 (pagina 376 en verder van de doorgenummerde bijlagen) . 18. Een geschrift, inhoudende een overzichtslijst bron: DOC-007-05, DOC-006-04 (pagina 379 en verder van de doorgenummerde bijlagen) . […] 19. Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 248956, (pagina 83), inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 1] : Ik ben sinds ongeveer 2002 actief voor [verdachte] . Ik doe sinds die tijd de administratie voor [A] BV. Ik doe voor [verdachte] de loonadministratie. Ik heb ook contact met de Belastingdienst als het gaat om Loonbelasting en Omzetbelasting. Ik doe deze werkzaamheden vanuit mijn onderneming [B] BV. [verdachte] is degene die zelfde administratie van [A] BV aanlevert. Ik krijg elke maand van hem, per mail, een overzicht van Excel kas, de bankmutaties en de omzetoverzichten. Elke week krijg ik een Excelbestand waarop de gewerkte uren, per persoon en per dag vermeld zijn. Op basis van dit bestand maak ik elke week de loonstroken. Op dit overzicht is te zien bij welke opdrachtgever het personeel deze uren gewerkt heeft. Deze uren zijn per dag weergegeven. De uitzendovereenkomsten maakt [verdachte] zelf en deze bergt hij op in de personeelsdossiers, die hij op zijn kantoor in de [a-straat 1] in [plaats] bewaart. Deze werkwijze, het mailen van gegevens, doen we al enkele jaren.” 3.4 Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in: “ Gevoerd verweer De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken in verband met onvoldoende bewijs. Daartoe is aangevoerd – kort gezegd – dat de getuigenverklaringen van de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers onbetrouwbaar zijn en er verder geen (betrouwbaar) steunbewijs is. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De genoemde getuigen zijn gehoord met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde kwitanties. Zij verklaren in grote lijnen eensluidend over de gang van zaken rondom het uitbetalen van hun salaris. In de kern luidt die verklaring dat er een netto loonafspraak is gemaakt met de verdachte, te weten € 6, 50 per gewerkt uur. Het salaris werd in de jaren 2014 en 2015 elke week contant betaald. Het salaris werd uitbetaald door de verdachte, diens zoon of – incidenteel – door de [medeverdachte] . Om het salaris daadwerkelijk te ontvangen moesten de getuigen op een blanco kwitantie hun naam noteren en deze kwitanties vervolgens ook ondertekenen. Op het moment dat de getuigen de kwitanties ondertekenden, waren er nog geen bedragen ingevuld. De getuigen hebben eensluidend verklaard dat zij de op de kwitanties – kennelijk later – genoteerde (hogere) bedragen niet hebben ontvangen. Het salaris dat zij ontvingen, betrof het netto-uurloon à € 6,50 maal het aantal gewerkte uren. Vanaf 2016 diende het salaris via de bank te worden overgemaakt.
Volledig
Het verschil tussen het bedrag dat zij per bank ontvingen, hetgeen overeen stemde met opgemaakte salarisspecificaties, en het bedrag dat op basis van de netto loonafspraak werd berekend, moesten de getuigen weer (contant) afstaan aan de verdachte. Het hof acht deze vijf verklaringen voldoende geloofwaardig en betrouwbaar en is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van onderlinge beïnvloeding van de getuigen. Het hof is dan ook van oordeel dat deze getuigenverklaringen tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Daarbij weegt niet alleen mee dat de verklaringen van de getuigen in de kern steun vinden in elkaar, maar ook dat ze in belangrijke mate steun vinden in de loonlijsten die zijn aangetroffen bij de verdachte waarop kolommen worden vermeld die betrekking hebben op een berekening van het verschil tussen het loon conform de salarisspecificaties en het loon op basis van de nettoloonafspraak. Daarnaast vinden de getuigenverklaringen steun in het verrichte onderzoek aan de kwitanties waaruit volgt dat op diverse kwitanties doordrukken van namen en handtekeningen van andere werknemers stonden dan waarvoor de kwitanties waren opgemaakt, doch geen doordrukken van de genoteerde geldbedragen. Dit duidt erop dat deze bedragen later pas zijn ingevuld. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat dit als (steun)bewijs kan worden gebezigd, nu dit onderzoek naar de kwitanties de door de verdachte gehanteerde werkwijze zoals verklaard door de getuigen bevestigt. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van dit onderzoek, doet hier niet aan af. De omstandigheid dat er andere werknemers op verzoek van de verdediging als getuige zijn gehoord die hebben verklaard dat zij wel het hogere bedrag aan salaris wel hebben ontvangen, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat ook de namen van deze getuigen zijn opgenomen in voornoemde bij de verdachte aangetroffen loonlijsten, en dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de afwijking van deze loonlijsten ten opzichte van de stukken die hij heeft aangeleverd bij de boekhouder van [A] BV. […] Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte schuldig is aan het feitelijk leiding geven aan het door zijn uitzendbureau [A] B.V. opzettelijk valselijk opmaken of doen opmaken van haar bedrijfsadministratie, door daarin van de vijf in de tenlastelegging genoemde personen valse salarisspecificaties en kwitanties op te nemen. Deze uit Oost-Europa afkomstige werknemers ontvingen een uurtarief onder het minimumloon. Zij verkeerden als arbeidsmigrant in een kwetsbare en afhankelijke positie. De verdachte heeft door zijn handelwijze hier gedurende een langere periode misbruik van gemaakt en heeft daarbij enkel oog gehad voor eigen financieel gewin. Het ten onrechte niet aan de werknemers uitbetaalde salaris is ten goede gekomen aan de verdachte. De verdachte heeft door het opnemen van valse stukken in de bedrijfsadministratie van [A] B.V. voorts schade toegebracht aan het vertrouwen dat het maatschappelijk verkeer in een dergelijke administratie, die bijvoorbeeld wordt gebruikt tegenover het UWV en de Belastingdienst, moet kunnen stellen. Het hof acht de in de bewezenverklaring genoemde fraude van die vijf werknemers voldoende representatief voor het merendeel van de uit het onderzoek naar voren komende valse salarisspecificaties en kwitanties zoals ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gesteld. De loonlijsten die zijn aangetroffen in de woning en auto van de verdachte en op de computer van [A] B.V. wijzen er immers op dat de verdachte in de periode 2014 tot en met 2016 structureel fraude heeft gepleegd ten aanzien van werknemers met Oost-Europese namen. Op deze lijsten zijn extra kolommen opgenomen die niet met de boekhouder zijn gecommuniceerd. Deze kennelijke schaduwadministratie is professioneel opgezet en laat de structurele en georganiseerde werkwijze van de verdachte zien, hetgeen heeft geleid tot een benadelingsbedrag van ruim € 258.000,-. Zowel uit het dossier als uit het verhandelde ter terechtzitting acht het hof, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, voldoende vast komen te staan dat er sprake is geweest van een grootschalige fraude en dat dit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om getuigen te horen, indien het hof bij de strafoplegging rekening houdt met andere dan in de tenlastelegging genoemde salarisspecificaties en kwitanties van die vijf werknemers. Het hof wijst dit verzoek af, nu de raadsman niet heeft geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en het verzoek daarmee onvoldoende is onderbouwd. Het hof neemt voorts in aanmerking de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgelegde oriëntatiepunten voor straftoemeting met betrekking tot fraudezaken. Bij een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,- geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 mei 2024 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk een passende en geboden reactie vormt. […]” 3.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2024 houdt, voor zover van belang, het volgende in (met weglating van voetnoten): “[…] De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de ontnemingszaak tegen na te noemen verdachte. De voorzitter doet de strafzaak tegen na te noemen verdachte uitroepen. […] De straf- en ontnemingszaak tegen de verdachte worden gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld. Voor zover hetgeen hieronder is weergegeven niet rechtstreeks betrekking heeft op beide zaken, is het een relaas van hetgeen in één van beide zaken is voorgevallen. […] De verdachte legt op vragen over de feiten een verklaring af, inhoudende: Ik heb aan alle werknemers het volledige bedrag aan salaris betaald. De voorzitter houdt mij voor dat de in de tenlastelegging genoemde werknemers hebben verklaard dat zij minder salaris hebben gekregen. Als dat zo zou zijn, waarom bleven ze dan toch voor mij werken? Ik weet niet waarom zij dit hebben verklaard. Er zijn ook werknemers die hebben verklaard dat ze wel het volledige bedrag aan salaris kregen. U houdt mij voor dat getuigen hebben verklaard dat zij later per bank werden betaald conform het bedrag op de salarisspecificatie en dat ze daarvan weer een deel contant moesten terugbetalen. Ik heb geen geld ontvangen. Ik heb iedereen altijd netjes betaald. Als je wordt benadeeld blijf je niet op die werkplek werken. Voor zover ik weet is er veel werk in Nederland te vinden, dus als ze wilden konden ze ergens anders gaan werken. De voorzitter houdt voor dat er loonlijsten zijn aangetroffen waarin een extra kolom is opgenomen waarin volgens de politie bedragen zijn opgenomen die het verschil betreffen tussen het minimumloon en het daadwerkelijk uitbetaalde, lagere salaris en dat deze kolom niet met de boekhouder is gecommuniceerd. Ik kan mij zoiets niet herinneren. Waaruit blijkt dat ze die in mijn auto hebben gevonden en dat deze administratie van mij is? Ik heb die lijsten niet gemaakt. Ik heb gewoon de daadwerkelijk gewerkte uren naar de boekhouder gestuurd. Ik geloof dat er ook maar documenten van 2 of 3 weken zijn aangetroffen.
Volledig
Het verschil tussen het bedrag dat zij per bank ontvingen, hetgeen overeen stemde met opgemaakte salarisspecificaties, en het bedrag dat op basis van de netto loonafspraak werd berekend, moesten de getuigen weer (contant) afstaan aan de verdachte. Het hof acht deze vijf verklaringen voldoende geloofwaardig en betrouwbaar en is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van onderlinge beïnvloeding van de getuigen. Het hof is dan ook van oordeel dat deze getuigenverklaringen tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Daarbij weegt niet alleen mee dat de verklaringen van de getuigen in de kern steun vinden in elkaar, maar ook dat ze in belangrijke mate steun vinden in de loonlijsten die zijn aangetroffen bij de verdachte waarop kolommen worden vermeld die betrekking hebben op een berekening van het verschil tussen het loon conform de salarisspecificaties en het loon op basis van de nettoloonafspraak. Daarnaast vinden de getuigenverklaringen steun in het verrichte onderzoek aan de kwitanties waaruit volgt dat op diverse kwitanties doordrukken van namen en handtekeningen van andere werknemers stonden dan waarvoor de kwitanties waren opgemaakt, doch geen doordrukken van de genoteerde geldbedragen. Dit duidt erop dat deze bedragen later pas zijn ingevuld. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat dit als (steun)bewijs kan worden gebezigd, nu dit onderzoek naar de kwitanties de door de verdachte gehanteerde werkwijze zoals verklaard door de getuigen bevestigt. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van dit onderzoek, doet hier niet aan af. De omstandigheid dat er andere werknemers op verzoek van de verdediging als getuige zijn gehoord die hebben verklaard dat zij wel het hogere bedrag aan salaris wel hebben ontvangen, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat ook de namen van deze getuigen zijn opgenomen in voornoemde bij de verdachte aangetroffen loonlijsten, en dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de afwijking van deze loonlijsten ten opzichte van de stukken die hij heeft aangeleverd bij de boekhouder van [A] BV. […] Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte schuldig is aan het feitelijk leiding geven aan het door zijn uitzendbureau [A] B.V. opzettelijk valselijk opmaken of doen opmaken van haar bedrijfsadministratie, door daarin van de vijf in de tenlastelegging genoemde personen valse salarisspecificaties en kwitanties op te nemen. Deze uit Oost-Europa afkomstige werknemers ontvingen een uurtarief onder het minimumloon. Zij verkeerden als arbeidsmigrant in een kwetsbare en afhankelijke positie. De verdachte heeft door zijn handelwijze hier gedurende een langere periode misbruik van gemaakt en heeft daarbij enkel oog gehad voor eigen financieel gewin. Het ten onrechte niet aan de werknemers uitbetaalde salaris is ten goede gekomen aan de verdachte. De verdachte heeft door het opnemen van valse stukken in de bedrijfsadministratie van [A] B.V. voorts schade toegebracht aan het vertrouwen dat het maatschappelijk verkeer in een dergelijke administratie, die bijvoorbeeld wordt gebruikt tegenover het UWV en de Belastingdienst, moet kunnen stellen. Het hof acht de in de bewezenverklaring genoemde fraude van die vijf werknemers voldoende representatief voor het merendeel van de uit het onderzoek naar voren komende valse salarisspecificaties en kwitanties zoals ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gesteld. De loonlijsten die zijn aangetroffen in de woning en auto van de verdachte en op de computer van [A] B.V. wijzen er immers op dat de verdachte in de periode 2014 tot en met 2016 structureel fraude heeft gepleegd ten aanzien van werknemers met Oost-Europese namen. Op deze lijsten zijn extra kolommen opgenomen die niet met de boekhouder zijn gecommuniceerd. Deze kennelijke schaduwadministratie is professioneel opgezet en laat de structurele en georganiseerde werkwijze van de verdachte zien, hetgeen heeft geleid tot een benadelingsbedrag van ruim € 258.000,-. Zowel uit het dossier als uit het verhandelde ter terechtzitting acht het hof, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, voldoende vast komen te staan dat er sprake is geweest van een grootschalige fraude en dat dit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om getuigen te horen, indien het hof bij de strafoplegging rekening houdt met andere dan in de tenlastelegging genoemde salarisspecificaties en kwitanties van die vijf werknemers. Het hof wijst dit verzoek af, nu de raadsman niet heeft geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en het verzoek daarmee onvoldoende is onderbouwd. Het hof neemt voorts in aanmerking de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgelegde oriëntatiepunten voor straftoemeting met betrekking tot fraudezaken. Bij een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,- geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 mei 2024 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk een passende en geboden reactie vormt. […]” 3.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2024 houdt, voor zover van belang, het volgende in (met weglating van voetnoten): “[…] De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de ontnemingszaak tegen na te noemen verdachte. De voorzitter doet de strafzaak tegen na te noemen verdachte uitroepen. […] De straf- en ontnemingszaak tegen de verdachte worden gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld. Voor zover hetgeen hieronder is weergegeven niet rechtstreeks betrekking heeft op beide zaken, is het een relaas van hetgeen in één van beide zaken is voorgevallen. […] De verdachte legt op vragen over de feiten een verklaring af, inhoudende: Ik heb aan alle werknemers het volledige bedrag aan salaris betaald. De voorzitter houdt mij voor dat de in de tenlastelegging genoemde werknemers hebben verklaard dat zij minder salaris hebben gekregen. Als dat zo zou zijn, waarom bleven ze dan toch voor mij werken? Ik weet niet waarom zij dit hebben verklaard. Er zijn ook werknemers die hebben verklaard dat ze wel het volledige bedrag aan salaris kregen. U houdt mij voor dat getuigen hebben verklaard dat zij later per bank werden betaald conform het bedrag op de salarisspecificatie en dat ze daarvan weer een deel contant moesten terugbetalen. Ik heb geen geld ontvangen. Ik heb iedereen altijd netjes betaald. Als je wordt benadeeld blijf je niet op die werkplek werken. Voor zover ik weet is er veel werk in Nederland te vinden, dus als ze wilden konden ze ergens anders gaan werken. De voorzitter houdt voor dat er loonlijsten zijn aangetroffen waarin een extra kolom is opgenomen waarin volgens de politie bedragen zijn opgenomen die het verschil betreffen tussen het minimumloon en het daadwerkelijk uitbetaalde, lagere salaris en dat deze kolom niet met de boekhouder is gecommuniceerd. Ik kan mij zoiets niet herinneren. Waaruit blijkt dat ze die in mijn auto hebben gevonden en dat deze administratie van mij is? Ik heb die lijsten niet gemaakt. Ik heb gewoon de daadwerkelijk gewerkte uren naar de boekhouder gestuurd. Ik geloof dat er ook maar documenten van 2 of 3 weken zijn aangetroffen.
Volledig
Waar is de rest dan gebleven? De voorzitter houdt mij voor dat er onderzoek is gedaan naar de kwitanties, op basis waarvan volgens de politie geconcludeerd kan worden dat de kwitanties werden ondertekend zonder dat er bedragen op stonden vermeld en dat getuigen hier ook over hebben verklaard. De werknemers kregen bij de uitbetaling een salarisspecificatie, dus daarop konden ze zien wat ze moesten krijgen. Het is nooit voorgekomen dat een werknemer zei dat hij/zij te weinig betaald kreeg. Het klopt niet dat [medeverdachte] werd aangestuurd om het te veel giraal uitbetaalde salaris terug te halen bij de werknemers. Het terughalen van salaris gebeurde absoluut niet. Ik heb dat niet gedaan. De jongste raadsheer houdt mij voor dat de politie denkt dat niet alleen de 5 in de tenlastelegging genoemde werknemers te weinig salaris ontvingen, maar dat dit bij veel meer werknemers gebeurde en dat de politie dit heeft afgeleid uit de aangetroffen lijsten. Dat klopt niet. Ik heb iedereen netjes uitbetaald. Ik heb een paar keer geld voorgeschoten voor werknemers voor hun kosten voor eten en de bus. Dat ging niet om grote bedragen. Nadat zij salaris hadden ontvangen, betaalden deze mensen het verschuldigde geld terug. Dat was niet opgenomen op de salarisspecificatie, omdat ik dat privé had voorgeschoten. Dit is in een jaar maximaal bij 10 tot 12 mensen gebeurd. Mijn raadsman vraagt of dit te maken had met de kosten voor huisvesting. Bij één opdrachtgever betaalde ik de huur van de werknemers aan die opdrachtgever. Het klopt dat dat [betrokkene 2] was. De bedragen over de huisvesting komen niet terug in de bedrijfsadministratie en dat geld werd niet opgehaald bij de werknemers door [medeverdachte] . De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in de procesdossiers gevoegde pleitnota’s. […] De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek: Het zwaartepunt van het onderzoek is gelegen in de op de computer en in de auto van de verdachte aangetroffen loonlijsten. De bevindingen hieruit vinden bevestiging in de inhoud van de getuigenverklaringen en het onderzoek naar de kwitanties. De verdachte heeft geen alternatief scenario gegeven. Dat geldt voor zowel de straf- als de ontnemingszaak. […] De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek: Ik persisteer bij hetgeen ik heb aangevoerd in de strafzaak. […]” 3.6 De door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2024 overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in: “De voormalige raadsvrouwe van cliënt [verdachte] , mijn voormalig kantoorgenote, mr. [betrokkene 3] heeft reeds een pleitnotitie vervaardigd i.v.m. de zitting bij uw Hof van 31 oktober 2023. Op die zitting bleek geen tolk beschikbaar dan wel opgeroepen te zijn. De verdediging zal deze pleitnotities aan deze pleitnota hangen en deze met uw toestemming verkort voorhouden. Met het voorhouden van deze pleitnotities, wijs ik uw Hof nog op het navolgende, met een verwijzing naar de artikelen 348 en 350 Sv. Het OM heeft ervoor gekozen om een beperkt aantal feiten ten laste te leggen, te weten valsheid in geschrifte bij een vijftal werknemers. Deze feiten zijn door de rechtbank bewezen verklaard. De hierop volgende straf moet gerelateerd zijn aan deze bewezenverklaarde feiten. De straf mag afwijken van de LOVS-richtlijnen (immers geen recht in de zin van art. 79 RO) en de rechter mag rekening houden met meer omstandigheden, dan het bewezen verklaarde feit. Ook mag een straf gebaseerd worden op strafbare feiten, die niet ten laste zijn gelegd, maar alleen indien de verdachte deze strafbare feiten heeft bekend. In deze zaak is echter geen sprake van ad- info gevoegde feiten welke de verdachte, in casu cliënt, heeft bekend. In de visie van de verdediging dient de rechter een straf op te leggen die gebaseerd is op de bewezen verklaarde feiten en niet bijvoorbeeld kijkend naar het benadelingsbedrag zoals dat in casu door het SZW is berekend (in de vorm van wederrechtelijk genoten voordeel). Het OM heeft in eerste aanleg 9 maanden gevangenisstraf geëist tegen cliënt en betoogd dat er naast de fraude ook sprake zou zijn van uitbuiting, (zie pagina 6 van het requisitoir in eerste aanleg.). Edelgrootachtbare Voorzitter, arbeidsuitbuiting is niet ten laste gelegd. Ik val nu terug op de zogenaamde grondslagleer. Indien het OM meent dat sprake is van uitbuiting (art. 273F Sr), dan had het OM dit ook aan cliënt ten laste kunnen leggen. Dit is niet gebeurd. Een andere pijler in het requisitoir in eerste aanleg is geweest het benadelingsbedrag. Verwezen wordt naar pagina 7 van het requisitoir in eerste aanleg en wel de vijf de salarisspecificaties van de 5 ten laste gelegde feiten. De rest lijkt aanvullend erbij betrokken te worden. In de visie van de verdediging had de rechtbank op basis van de tenlastelegging een straf moeten opleggen aan cliënt [verdachte] en niet de door de officier van justitie aangehaalde punten moeten volgen. Ter vergelijking een zaak uit Groningen waarbij aan een cliënt in beginsel in de voorlopige tenlastelegging 5 inbraken werden verweten. Daarna heeft een 314a wijziging de officier van justitie in totaal circa 40 inbraken ten laste gelegd. Indien de officier van justitie de tenlastelegging had beperkt tot 5 inbraken meent de verdediging dat hierop ook de straf toegemeten zou moeten worden. Derhalve ook in de zaak van cliënt [verdachte] . Art 350 Sv stelt dat op de grondslag der tenlasteleggingen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting een straf of maatregel kan worden opgelegd. De grondslag der tenlastelegging is in de zaak van [verdachte] in de visie van de verdediging de bewezen verklaarde fraude in een vijftal gevallen en niet een bewezenverklaring van tientallen gevallen van fraude, laat staan uitbuiting, weshalve de rechtbank zich een zeer ruim jasje inzake de straftoemeting heeft aangemeten.” 3.7 De door de toenmalige raadsvrouw van de verdachte vervaardigde pleitnotities – ten aanzien waarvan het hof klaarblijkelijk heeft ingestemd met het voorhouden door de raadsman van de verdachte van de verkorte inhoud daarvan (zie onder 3.4) – houden onder meer het volgende in: “[…] 20. De rechtbank heeft steun gezocht in overige bewijsmiddelen maar ook hier kan cliënt zich niet in vinden. 21. Cliënt heeft de aangetroffen loonlijsten (met extra kolommen) niet herkend. Hij ontkent dat deze lijsten van hem zijn. Ook de boekhouder heeft verklaard dat hij de lijsten slechts zonder de extra kolommen van cliënt ontving. Indien de lijsten al van cliënt waren dan wordt in de processen verbaal gesproken over “ vermoedelijke terugbetalingen” en berekeningen van het “ vermoedelijke netto loon”. Mochten de getallen al betrekking hebben op terugbetalingen en berekeningen van het netto loon dan is niet vastgesteld dat hier ook opvolging aan is gegeven en de bedragen daadwerkelijk zijn geïnd. Bovendien zien de lijsten alleen op een aantal weken in de periode van september 2016. 22. Het onderzoek naar de doordrukken van de kwitanties wordt door de verdediging volledig in twijfel getrokken nu het slechts een summier proces-verbaal is opgemaakt waaruit geen verantwoording van de onderzoeksmethode en resultaten blijkt. 23. Er worden slechts 4 kwitanties genoemd waarop de doordruk van de naam en handtekening van een andere werknemer staat. Niet staat vermeld hoeveel kwitanties het gehele onderzoek betreft en wat dus de verhouding is. Er staat slechts: “Op pagina 8 van het proces-verbaal wordt onder punt 13.4 het onderzoek aan een aantal kwitanties beschreven. Op diverse kwitanties zag ik doordrukken van namen en handtekeningen van andere werknemers dan waarvoor de kwitantie was opgemaakt. Dit duidt erop dat de naam en de handtekening op de kwitantie werd gezet terwijl de betreffende kwitantie nog in het kwitantieboekje zat. Ik zag dit onder andere op: (...)[de 4 kwitanties opgesomd]”. 24. Het voorgaande roept veel vragen op.
Volledig
Waar is de rest dan gebleven? De voorzitter houdt mij voor dat er onderzoek is gedaan naar de kwitanties, op basis waarvan volgens de politie geconcludeerd kan worden dat de kwitanties werden ondertekend zonder dat er bedragen op stonden vermeld en dat getuigen hier ook over hebben verklaard. De werknemers kregen bij de uitbetaling een salarisspecificatie, dus daarop konden ze zien wat ze moesten krijgen. Het is nooit voorgekomen dat een werknemer zei dat hij/zij te weinig betaald kreeg. Het klopt niet dat [medeverdachte] werd aangestuurd om het te veel giraal uitbetaalde salaris terug te halen bij de werknemers. Het terughalen van salaris gebeurde absoluut niet. Ik heb dat niet gedaan. De jongste raadsheer houdt mij voor dat de politie denkt dat niet alleen de 5 in de tenlastelegging genoemde werknemers te weinig salaris ontvingen, maar dat dit bij veel meer werknemers gebeurde en dat de politie dit heeft afgeleid uit de aangetroffen lijsten. Dat klopt niet. Ik heb iedereen netjes uitbetaald. Ik heb een paar keer geld voorgeschoten voor werknemers voor hun kosten voor eten en de bus. Dat ging niet om grote bedragen. Nadat zij salaris hadden ontvangen, betaalden deze mensen het verschuldigde geld terug. Dat was niet opgenomen op de salarisspecificatie, omdat ik dat privé had voorgeschoten. Dit is in een jaar maximaal bij 10 tot 12 mensen gebeurd. Mijn raadsman vraagt of dit te maken had met de kosten voor huisvesting. Bij één opdrachtgever betaalde ik de huur van de werknemers aan die opdrachtgever. Het klopt dat dat [betrokkene 2] was. De bedragen over de huisvesting komen niet terug in de bedrijfsadministratie en dat geld werd niet opgehaald bij de werknemers door [medeverdachte] . De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in de procesdossiers gevoegde pleitnota’s. […] De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek: Het zwaartepunt van het onderzoek is gelegen in de op de computer en in de auto van de verdachte aangetroffen loonlijsten. De bevindingen hieruit vinden bevestiging in de inhoud van de getuigenverklaringen en het onderzoek naar de kwitanties. De verdachte heeft geen alternatief scenario gegeven. Dat geldt voor zowel de straf- als de ontnemingszaak. […] De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek: Ik persisteer bij hetgeen ik heb aangevoerd in de strafzaak. […]” 3.6 De door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2024 overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in: “De voormalige raadsvrouwe van cliënt [verdachte] , mijn voormalig kantoorgenote, mr. [betrokkene 3] heeft reeds een pleitnotitie vervaardigd i.v.m. de zitting bij uw Hof van 31 oktober 2023. Op die zitting bleek geen tolk beschikbaar dan wel opgeroepen te zijn. De verdediging zal deze pleitnotities aan deze pleitnota hangen en deze met uw toestemming verkort voorhouden. Met het voorhouden van deze pleitnotities, wijs ik uw Hof nog op het navolgende, met een verwijzing naar de artikelen 348 en 350 Sv. Het OM heeft ervoor gekozen om een beperkt aantal feiten ten laste te leggen, te weten valsheid in geschrifte bij een vijftal werknemers. Deze feiten zijn door de rechtbank bewezen verklaard. De hierop volgende straf moet gerelateerd zijn aan deze bewezenverklaarde feiten. De straf mag afwijken van de LOVS-richtlijnen (immers geen recht in de zin van art. 79 RO) en de rechter mag rekening houden met meer omstandigheden, dan het bewezen verklaarde feit. Ook mag een straf gebaseerd worden op strafbare feiten, die niet ten laste zijn gelegd, maar alleen indien de verdachte deze strafbare feiten heeft bekend. In deze zaak is echter geen sprake van ad- info gevoegde feiten welke de verdachte, in casu cliënt, heeft bekend. In de visie van de verdediging dient de rechter een straf op te leggen die gebaseerd is op de bewezen verklaarde feiten en niet bijvoorbeeld kijkend naar het benadelingsbedrag zoals dat in casu door het SZW is berekend (in de vorm van wederrechtelijk genoten voordeel). Het OM heeft in eerste aanleg 9 maanden gevangenisstraf geëist tegen cliënt en betoogd dat er naast de fraude ook sprake zou zijn van uitbuiting, (zie pagina 6 van het requisitoir in eerste aanleg.). Edelgrootachtbare Voorzitter, arbeidsuitbuiting is niet ten laste gelegd. Ik val nu terug op de zogenaamde grondslagleer. Indien het OM meent dat sprake is van uitbuiting (art. 273F Sr), dan had het OM dit ook aan cliënt ten laste kunnen leggen. Dit is niet gebeurd. Een andere pijler in het requisitoir in eerste aanleg is geweest het benadelingsbedrag. Verwezen wordt naar pagina 7 van het requisitoir in eerste aanleg en wel de vijf de salarisspecificaties van de 5 ten laste gelegde feiten. De rest lijkt aanvullend erbij betrokken te worden. In de visie van de verdediging had de rechtbank op basis van de tenlastelegging een straf moeten opleggen aan cliënt [verdachte] en niet de door de officier van justitie aangehaalde punten moeten volgen. Ter vergelijking een zaak uit Groningen waarbij aan een cliënt in beginsel in de voorlopige tenlastelegging 5 inbraken werden verweten. Daarna heeft een 314a wijziging de officier van justitie in totaal circa 40 inbraken ten laste gelegd. Indien de officier van justitie de tenlastelegging had beperkt tot 5 inbraken meent de verdediging dat hierop ook de straf toegemeten zou moeten worden. Derhalve ook in de zaak van cliënt [verdachte] . Art 350 Sv stelt dat op de grondslag der tenlasteleggingen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting een straf of maatregel kan worden opgelegd. De grondslag der tenlastelegging is in de zaak van [verdachte] in de visie van de verdediging de bewezen verklaarde fraude in een vijftal gevallen en niet een bewezenverklaring van tientallen gevallen van fraude, laat staan uitbuiting, weshalve de rechtbank zich een zeer ruim jasje inzake de straftoemeting heeft aangemeten.” 3.7 De door de toenmalige raadsvrouw van de verdachte vervaardigde pleitnotities – ten aanzien waarvan het hof klaarblijkelijk heeft ingestemd met het voorhouden door de raadsman van de verdachte van de verkorte inhoud daarvan (zie onder 3.4) – houden onder meer het volgende in: “[…] 20. De rechtbank heeft steun gezocht in overige bewijsmiddelen maar ook hier kan cliënt zich niet in vinden. 21. Cliënt heeft de aangetroffen loonlijsten (met extra kolommen) niet herkend. Hij ontkent dat deze lijsten van hem zijn. Ook de boekhouder heeft verklaard dat hij de lijsten slechts zonder de extra kolommen van cliënt ontving. Indien de lijsten al van cliënt waren dan wordt in de processen verbaal gesproken over “ vermoedelijke terugbetalingen” en berekeningen van het “ vermoedelijke netto loon”. Mochten de getallen al betrekking hebben op terugbetalingen en berekeningen van het netto loon dan is niet vastgesteld dat hier ook opvolging aan is gegeven en de bedragen daadwerkelijk zijn geïnd. Bovendien zien de lijsten alleen op een aantal weken in de periode van september 2016. 22. Het onderzoek naar de doordrukken van de kwitanties wordt door de verdediging volledig in twijfel getrokken nu het slechts een summier proces-verbaal is opgemaakt waaruit geen verantwoording van de onderzoeksmethode en resultaten blijkt. 23. Er worden slechts 4 kwitanties genoemd waarop de doordruk van de naam en handtekening van een andere werknemer staat. Niet staat vermeld hoeveel kwitanties het gehele onderzoek betreft en wat dus de verhouding is. Er staat slechts: “Op pagina 8 van het proces-verbaal wordt onder punt 13.4 het onderzoek aan een aantal kwitanties beschreven. Op diverse kwitanties zag ik doordrukken van namen en handtekeningen van andere werknemers dan waarvoor de kwitantie was opgemaakt. Dit duidt erop dat de naam en de handtekening op de kwitantie werd gezet terwijl de betreffende kwitantie nog in het kwitantieboekje zat. Ik zag dit onder andere op: (...)[de 4 kwitanties opgesomd]”. 24. Het voorgaande roept veel vragen op.
Volledig
Hoeveel kwitanties zijn erin totaal onderzocht? Wat wordt bedoeld met een aantal’? Wat wordt bedoeld met ‘diverse’? Wat is de verhouding geweest? Waren de bedragen bij de andere kwitanties ook doorgedrukt? Waren de namen bij de andere kwitanties ook doorgedrukt? Of was er niets doorgedrukt? Etc. 25. Het doordrukken hangt er maar net vanaf hoe hard je met de pen drukt, misschien is dit bij de namen van de 4 genoemde kwitanties net wat harder geweest. Nu dit allemaal onduidelijk is kan ook hier geen steun voor het bewijs in gevonden worden. 26. Verzocht wordt dan ook om cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde in verband met onvoldoende bewijs. 27. Mocht u hierin niet meegaan dan meent de verdediging dat bij het bepalen van de strafmaat slechts uitgegaan kan worden van de vervalsing van de boekhouding door de vervalsing van de 5 documenten die in de tenlastelegging zijn opgenomen. Immers, indien u de verklaringen van de getuigen [naam 68] , [naam 30] , [naam 69] , [naam 70] en [naam 71] betrouwbaar acht dan geldt dat hun belastende verklaringen slechts zien op hun eigen salarisspecificaties en kwitanties. Zij kunnen niets concreets zeggen over andere gevallen. 28. Sterker nog, voor de andere gevallen geldt dat daarvoor ontlastend bewijs is. Hiervoor zijn de verklaringen van de getuigen [naam 62] , [naam 32] , [naam 1] , [naam 72] , [naam 73] en [naam 23] besproken. Uit deze verklaringen blijkt dat hun salarisspecificaties en kwitanties niet vals zijn. Zij hebben geen geld hoeven terugbetalen en uitbetaald gekregen wat zij hoorden te verdienen. 29. Dit heeft gevolgen voor de strafmaat. 30. Het benadelingsbedrag passend bij de specificaties in de tenlastelegging is 4067,77 euro. 31. Dit valt in de eerste kolom van de LOVS richtlijnen. 32. De rechtbank heeft een straf opgelegd die bij kolom 4 of 5 past (9 maanden maar 12 maanden als de redelijke termijn niet was overschreden). 33. Het lijkt er derhalve op dat het bedrag conform de berekening van het Openbaar Ministerie omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt is genomen voor het benadelingsbedrag. Dit betreft een bedrag van 259.474,23 euro. Gelet op het voorgaande is dit onterecht. De straf zoals deze door de rechtbank is opgelegd is niet passend. […]” 3.8 In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof bij zijn oordeel dat sprake is geweest van een grootschalige fraude die kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Volgens de steller van het middel heeft het hof door te overwegen dat “[z]owel uit het dossier als uit het verhandelde ter terechtzitting” “voldoende vast [is] komen te staan” dat sprake is geweest van een grootschalige fraude miskend dat is vereist dat het grootschalige karakter “op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk moet zijn geworden”. Ook zou het hof zijn oordeel onjuist en/of ontoereikend hebben gemotiveerd. Daarbij wordt opgemerkt dat de genoemde structurele fraude betreffende werknemers met Oost-Europese namen én het feitelijk leiding geven daaraan op de terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aan de orde is gesteld, zodat de verdachte onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zich over die niet ten laste gelegde feiten uit te laten. Volgens de steller van het middel is de enkele opmerking van de jongste raadsheer dat de politie denkt dat veel meer dan de vijf in de tenlastegelegde genoemde personen te weinig salaris ontvingen omdat de politie dat heeft afgeleid uit de aangetroffen lijsten daartoe onvoldoende. Daarbij komt dat het verzoek van de raadsman tot het horen van de (overige) werknemers ten aanzien van wie de structurele fraude zou hebben plaatsgevonden op onbegrijpelijke gronden is afgewezen (middel 2), zodat de verdachte voor wat betreft de delicten die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen niet voldoende in staat is gesteld om zijn verdedigingsrechten te effectueren. Ook zou de hoogte van het benadelingsbedrag (ruim € 258.000,-) niet tijdens de terechtzitting in hoger beroep door het hof aan de orde zijn gesteld en kan de hoogte evenmin uit de bewijsvoering worden afgeleid, terwijl de hoogte van het benadelingsbedrag een cruciale rol zou spelen in de hoogte van de opgelegde straf. De strafmotivering zou daarom onjuist zijn dan wel onvoldoende zijn onderbouwd. Jurisprudentie overzicht 3.9 Vooropgesteld moet worden dat het de rechter onder omstandigheden vrij staat om bij de strafoplegging rekening te houden met niet tenlastegelegde feiten. Dat kan – naast de in HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586 genoemde gevallen – bijvoorbeeld aan de orde zijn in zaken waarin het in het bijzonder gaat om verdenking van grootschalige fiscale fraude. In zulke zaken kan dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter moet op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk zijn geworden. Uit de overwegingen van de rechter moet dan bovendien volgen dat op die grond rekening is gehouden met niet tenlastegelegde feiten. 3.10 Allereerst wijs ik op twee zaken waarin het oordeel van het hof over het grootschalige karakter van het delict in cassatie geen stand hield. 3.11 In HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:260, NJ 2021/401 m.nt. Klip werd in cassatie geklaagd over het door het hof bij de strafoplegging rekening houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan de verdachte waren ten laste gelegd. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de ten laste gelegde periode (5 januari 2013 t/m 28 juni 2016) feitelijk leiding had gegeven aan het door de rechtspersoon Stichting Christen Unie opzettelijk indienen van vijf onjuiste aangiften omzetbelasting. Bij de strafoplegging had het hof betrokkenen dat in de bewezenverklaarde periode (5 januari 2013 t/m 28 juni 2016) door genoemde Stichting tweeëntwintig onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan met een daarmee samenhangend nadeel van € 147.968,-. Ook betrok het hof daarbij dat voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode – in de periode van 2005 t/m 2010 – door de Stichting ingediende onjuiste aangiften tot een nadeel van € 109.880,- hadden geleid. Volgens het hof kon het niet anders zijn dan dat naast de tweeëntwintig onjuiste aangiften omzetbelasting die in de bewezenverklaarde periode ten name van de Stichting zijn ingediend, door die rechtspersoon ook tweeëntwintig aangiften in de periode 2005 t/m 2010 onjuist zijn ingediend. Het hof had vastgesteld dat de verdachte ten aanzien van de in laatstgenoemde periode ingediende aangiften omzetbelasting in het vooronderzoek door de FIOD met deze aangiften was geconfronteerd. De Hoge Raad vond het kennelijke oordeel van het hof dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde door de Stichting gedane aangiften omzetbelasting kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de vijf in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt, niet toereikend gemotiveerd. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat aannemelijk is geworden dat de niet tenlastegelegde door de Stichting gedane aangiften omzetbelasting (opzettelijk) onjuist waren gedaan en evenmin dat de verdachte aan het (opzettelijk) doen van die aangiften feitelijk leiding had gegeven. ’s Hofs oordeel dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaarde genoemde belastingaangiften een voor de straftoemeting relevante omstandigheid zijn was daarom niet begrijpelijk. 3.12 Ook in HR 20 mei 2025, ECLI:NLHR:2025:779 kon het kennelijke oordeel van het hof geen stand houden in cassatie.
Volledig
Hoeveel kwitanties zijn erin totaal onderzocht? Wat wordt bedoeld met een aantal’? Wat wordt bedoeld met ‘diverse’? Wat is de verhouding geweest? Waren de bedragen bij de andere kwitanties ook doorgedrukt? Waren de namen bij de andere kwitanties ook doorgedrukt? Of was er niets doorgedrukt? Etc. 25. Het doordrukken hangt er maar net vanaf hoe hard je met de pen drukt, misschien is dit bij de namen van de 4 genoemde kwitanties net wat harder geweest. Nu dit allemaal onduidelijk is kan ook hier geen steun voor het bewijs in gevonden worden. 26. Verzocht wordt dan ook om cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde in verband met onvoldoende bewijs. 27. Mocht u hierin niet meegaan dan meent de verdediging dat bij het bepalen van de strafmaat slechts uitgegaan kan worden van de vervalsing van de boekhouding door de vervalsing van de 5 documenten die in de tenlastelegging zijn opgenomen. Immers, indien u de verklaringen van de getuigen [naam 68] , [naam 30] , [naam 69] , [naam 70] en [naam 71] betrouwbaar acht dan geldt dat hun belastende verklaringen slechts zien op hun eigen salarisspecificaties en kwitanties. Zij kunnen niets concreets zeggen over andere gevallen. 28. Sterker nog, voor de andere gevallen geldt dat daarvoor ontlastend bewijs is. Hiervoor zijn de verklaringen van de getuigen [naam 62] , [naam 32] , [naam 1] , [naam 72] , [naam 73] en [naam 23] besproken. Uit deze verklaringen blijkt dat hun salarisspecificaties en kwitanties niet vals zijn. Zij hebben geen geld hoeven terugbetalen en uitbetaald gekregen wat zij hoorden te verdienen. 29. Dit heeft gevolgen voor de strafmaat. 30. Het benadelingsbedrag passend bij de specificaties in de tenlastelegging is 4067,77 euro. 31. Dit valt in de eerste kolom van de LOVS richtlijnen. 32. De rechtbank heeft een straf opgelegd die bij kolom 4 of 5 past (9 maanden maar 12 maanden als de redelijke termijn niet was overschreden). 33. Het lijkt er derhalve op dat het bedrag conform de berekening van het Openbaar Ministerie omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt is genomen voor het benadelingsbedrag. Dit betreft een bedrag van 259.474,23 euro. Gelet op het voorgaande is dit onterecht. De straf zoals deze door de rechtbank is opgelegd is niet passend. […]” 3.8 In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof bij zijn oordeel dat sprake is geweest van een grootschalige fraude die kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Volgens de steller van het middel heeft het hof door te overwegen dat “[z]owel uit het dossier als uit het verhandelde ter terechtzitting” “voldoende vast [is] komen te staan” dat sprake is geweest van een grootschalige fraude miskend dat is vereist dat het grootschalige karakter “op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk moet zijn geworden”. Ook zou het hof zijn oordeel onjuist en/of ontoereikend hebben gemotiveerd. Daarbij wordt opgemerkt dat de genoemde structurele fraude betreffende werknemers met Oost-Europese namen én het feitelijk leiding geven daaraan op de terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aan de orde is gesteld, zodat de verdachte onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zich over die niet ten laste gelegde feiten uit te laten. Volgens de steller van het middel is de enkele opmerking van de jongste raadsheer dat de politie denkt dat veel meer dan de vijf in de tenlastegelegde genoemde personen te weinig salaris ontvingen omdat de politie dat heeft afgeleid uit de aangetroffen lijsten daartoe onvoldoende. Daarbij komt dat het verzoek van de raadsman tot het horen van de (overige) werknemers ten aanzien van wie de structurele fraude zou hebben plaatsgevonden op onbegrijpelijke gronden is afgewezen (middel 2), zodat de verdachte voor wat betreft de delicten die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen niet voldoende in staat is gesteld om zijn verdedigingsrechten te effectueren. Ook zou de hoogte van het benadelingsbedrag (ruim € 258.000,-) niet tijdens de terechtzitting in hoger beroep door het hof aan de orde zijn gesteld en kan de hoogte evenmin uit de bewijsvoering worden afgeleid, terwijl de hoogte van het benadelingsbedrag een cruciale rol zou spelen in de hoogte van de opgelegde straf. De strafmotivering zou daarom onjuist zijn dan wel onvoldoende zijn onderbouwd. Jurisprudentie overzicht 3.9 Vooropgesteld moet worden dat het de rechter onder omstandigheden vrij staat om bij de strafoplegging rekening te houden met niet tenlastegelegde feiten. Dat kan – naast de in HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586 genoemde gevallen – bijvoorbeeld aan de orde zijn in zaken waarin het in het bijzonder gaat om verdenking van grootschalige fiscale fraude. In zulke zaken kan dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter moet op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk zijn geworden. Uit de overwegingen van de rechter moet dan bovendien volgen dat op die grond rekening is gehouden met niet tenlastegelegde feiten. 3.10 Allereerst wijs ik op twee zaken waarin het oordeel van het hof over het grootschalige karakter van het delict in cassatie geen stand hield. 3.11 In HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:260, NJ 2021/401 m.nt. Klip werd in cassatie geklaagd over het door het hof bij de strafoplegging rekening houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan de verdachte waren ten laste gelegd. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de ten laste gelegde periode (5 januari 2013 t/m 28 juni 2016) feitelijk leiding had gegeven aan het door de rechtspersoon Stichting Christen Unie opzettelijk indienen van vijf onjuiste aangiften omzetbelasting. Bij de strafoplegging had het hof betrokkenen dat in de bewezenverklaarde periode (5 januari 2013 t/m 28 juni 2016) door genoemde Stichting tweeëntwintig onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan met een daarmee samenhangend nadeel van € 147.968,-. Ook betrok het hof daarbij dat voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode – in de periode van 2005 t/m 2010 – door de Stichting ingediende onjuiste aangiften tot een nadeel van € 109.880,- hadden geleid. Volgens het hof kon het niet anders zijn dan dat naast de tweeëntwintig onjuiste aangiften omzetbelasting die in de bewezenverklaarde periode ten name van de Stichting zijn ingediend, door die rechtspersoon ook tweeëntwintig aangiften in de periode 2005 t/m 2010 onjuist zijn ingediend. Het hof had vastgesteld dat de verdachte ten aanzien van de in laatstgenoemde periode ingediende aangiften omzetbelasting in het vooronderzoek door de FIOD met deze aangiften was geconfronteerd. De Hoge Raad vond het kennelijke oordeel van het hof dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde door de Stichting gedane aangiften omzetbelasting kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de vijf in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt, niet toereikend gemotiveerd. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat aannemelijk is geworden dat de niet tenlastegelegde door de Stichting gedane aangiften omzetbelasting (opzettelijk) onjuist waren gedaan en evenmin dat de verdachte aan het (opzettelijk) doen van die aangiften feitelijk leiding had gegeven. ’s Hofs oordeel dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaarde genoemde belastingaangiften een voor de straftoemeting relevante omstandigheid zijn was daarom niet begrijpelijk. 3.12 Ook in HR 20 mei 2025, ECLI:NLHR:2025:779 kon het kennelijke oordeel van het hof geen stand houden in cassatie.
Volledig
Dat oordeel hield in dat op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk is geworden dat sprake was van een grootschalig karakter van het bewezenverklaarde delict, in die zin dat dit delict veel meer gevallen van fiscale fraude omvat dan de in de bewezenverklaring specifiek vermelde gevallen, en dat dit grootschalige karakter een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreft. In deze zaak was bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 2 november 2011 t/m 12 maart 2014 aangiften inkomstenbelasting heeft ingediend en daarbij in strijd met de waarheid te hoge en/of gefingeerde aftrekposten heeft opgegeven, waarbij in de bewezenverklaring specifiek zestien (namens zes belastingplichtigen) ingediende aangiften werden vermeld. Bij de strafoplegging van de verdachte had het hof betrokken dat uit het dossier en het verhandelde op de terechtzitting volgde dat de fraude veel omvangrijker was dan in relatie tot die in de bewezenverklaarde specifiek vermelde belastingaangiften is gebleken. Daarbij overwoog het hof dat uit cijfers van de Belastingdienst was gebleken dat ruim driehonderd door de verdachte ingediende belastingaangiften opnieuw zijn beoordeeld en dat naar aanleiding daarvan navorderingsaanslagen zijn opgelegd, en dat in bijna tachtig procent van de door de verdachte ingediende belastingaangiften zorgkosten zijn geclaimd. Volgens het hof was sprake van een duidelijk patroon van op zeer grote schaal valselijk ingevulde aftrekposten en daarom is bij de strafoplegging uitgegaan van een fors nadeelbedrag. Als gezegd liet de Hoge Raad dit oordeel niet in stand. Daarbij was van belang dat volgens de Hoge Raad uit het proces-verbaal van de terechtzitting slechts blijkt dat is volstaan met het voorhouden van een samenvatting van de stukken maar niet dat de verdachte is bevraagd over andere dan de in de tenlastelegging specifiek vermelde belastingaangiften, terwijl de raadsvrouw van de verdachte uitdrukkelijk heeft betwist dat bij die andere belastingaangiften sprake is geweest van valselijk opgemaakte aangiften. Ook houden de vaststellingen van het hof niet meer in dan dat “ruim 300 door de verdachte verzorgde aangiften opnieuw zijn beoordeeld naar aanleiding waarvan navorderingsaanslagen zijn opgelegd” en dat in “bijna 80 % van de door de verdachte verzorgde aangiften zorgkosten zijn geclaimd”, waarbij het hof niet nader heeft uiteengezet of en, zo ja, in welke omvang hierbij – evenals bij de in de bewezenverklaring specifiek vermelde aangiften – sprake was van het door de verdachte opzettelijk opgeven van te hoge of gefingeerde aftrekposten. Dat in de bewezenverklaring door de passage “waaronder (onder meer)” ook niet specifiek vermelde gevallen zijn begrepen, maakt dit volgens de Hoge Raad niet anders. 3.13 Anders lag het in de volgende gevallen. Onder 3.15 t/m 3.18 bespreek ik diverse zaken met door de Hoge Raad uitgeschreven verwerpingen en onder 3.19 geef ik kort de kenmerkende factoren weer van zaken waarin de Hoge Raad het middel afdeed met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 3.14 Allereerst noem ik HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400 m.nt. Klip. In deze zaak ging het om door de verdachte feitelijk leiding geven aan het medeplegen van door een rechtspersoon opzettelijk indienen van negen onjuiste aangiften met een daarmee samenhangend nadeel van ruim € 150.000,-. De vaststellingen door het hof hielden in dat het ging om repeterende, maandelijkse aangiften omzetbelasting die de verdachte door zijn boekhouder liet opmaken, en dat van in het totaal 32 belastingaangiften negen representatieve belastingaangiften in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn vermeld. Verder had het hof vastgesteld dat ook de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften deel uit maken van het dossier en tijdens het voorbereidend onderzoek aan de verdachte zijn voorgehouden. Volgens het hof had het in deze zaak “in volle omvang ten laste leggen van alle 32 aangiften geen toegevoegde waarde”. Daarbij wees het hof op “het repeterend op identieke wijze feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting”. Naast de negen bewezenverklaarde onjuiste belastingaangiften heeft het hof ook de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften bij de strafoplegging betrokken en is het hof bij de strafmaat uitgegaan van 32 onjuiste belastingaangiften met een fiscaal nadeel van ruim € 400.000. Daarbij overwoog het hof dat met het betrekken van deze 32 belastingaangiften in de strafmaat ervan mag worden uitgegaan dat geen vervolging meer zal plaatsvinden ten aanzien van de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften en voorts dat het niet aannemelijk is (geworden) dat de verdachte op deze wijze in zijn verdediging wordt geschaad. Ook heeft het hof vastgesteld dat voor de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften niet is betwist dat deze aangiften onjuist waren en heeft het hof bovendien, voor zover de verdachte heeft betwist dat hij de 23 niet in de tenlastelegging genoemde onjuiste aangiften heeft laten indienen, deze betwisting “volstrekt ongeloofwaardig” geacht. Volgens het hof is gebleken van een structureel patroon met een omvangrijk karakter (over nagenoeg vier jaar, het merendeel van de in te dienen belastingaangiften). Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte heeft erkend dat hij – kort samengevat – het ene gat met het andere vulde om zijn bedrijf gaande te houden en dat daarom de aangiftes omzetbelasting valselijk te laag werden gehouden teneinde voldoende cashflow beschikbaar te hebben. Het kennelijk oordeel van het hof dat de 23 aangiften waarop de bewezenverklaring geen betrekking had als omstandigheden kunnen worden beschouwd waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook in het licht van hetgeen de verdachte over die aangiften had aangevoerd niet onbegrijpelijk. 3.15 Ook in HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1900, NJ 2023/34 was het cassatiemiddel over het ten onrechte bij de strafoplegging rekening houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd tevergeefs voorgesteld. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de in de tenlastelegging genoemde periode opzettelijk twee onjuiste aangiften had ingediend. Verder had het hof overwogen dat het grootschalige karakter van het handelen van de verdachte op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk is geworden en waren bij de strafoplegging door het hof naast de twee in de bewezenverklaring opgenomen aangiften ook andere zich in het dossier bevindende aangiften over de periode van (een gedeelte van) 2009 t/m oktober 2013 betrokken. Daarbij is uitgegaan van een totaal fiscaal nadeel van € 804.785. Volgens het hof konden de aangiften omzetbelasting die niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn genoemd, worden beschouwd als omstandigheden waaronder de twee in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en blijkt daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten. Dit oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking de vaststelling door het hof dat de twee in de bewezenverklaring betrokken aangiften “een selectie” zijn van de andere in de strafoplegging betrokken aangiften en “de modus operandi” bij het doen van de onjuiste aangiften telkens dezelfde was. Ook merkte de Hoge Raad op dat het hof had vastgesteld dat de verdachte in het vooronderzoek over alle aangiften is gehoord en op de terechtzitting in hoger beroep alle zich in het procesdossier bevindende aangiften aan de verdachte zijn voorgehouden, en de verdachte over het opzettelijk onjuist indienen van al die aangiften in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen. Van belang was ook dat de overwegingen van het hof over de strafbare betrokkenheid van de verdachte klaarblijkelijk ook zagen op haar betrokkenheid bij de aangiften die niet in de tenlastelegging waren opgenomen.
Volledig
Dat oordeel hield in dat op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk is geworden dat sprake was van een grootschalig karakter van het bewezenverklaarde delict, in die zin dat dit delict veel meer gevallen van fiscale fraude omvat dan de in de bewezenverklaring specifiek vermelde gevallen, en dat dit grootschalige karakter een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreft. In deze zaak was bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 2 november 2011 t/m 12 maart 2014 aangiften inkomstenbelasting heeft ingediend en daarbij in strijd met de waarheid te hoge en/of gefingeerde aftrekposten heeft opgegeven, waarbij in de bewezenverklaring specifiek zestien (namens zes belastingplichtigen) ingediende aangiften werden vermeld. Bij de strafoplegging van de verdachte had het hof betrokken dat uit het dossier en het verhandelde op de terechtzitting volgde dat de fraude veel omvangrijker was dan in relatie tot die in de bewezenverklaarde specifiek vermelde belastingaangiften is gebleken. Daarbij overwoog het hof dat uit cijfers van de Belastingdienst was gebleken dat ruim driehonderd door de verdachte ingediende belastingaangiften opnieuw zijn beoordeeld en dat naar aanleiding daarvan navorderingsaanslagen zijn opgelegd, en dat in bijna tachtig procent van de door de verdachte ingediende belastingaangiften zorgkosten zijn geclaimd. Volgens het hof was sprake van een duidelijk patroon van op zeer grote schaal valselijk ingevulde aftrekposten en daarom is bij de strafoplegging uitgegaan van een fors nadeelbedrag. Als gezegd liet de Hoge Raad dit oordeel niet in stand. Daarbij was van belang dat volgens de Hoge Raad uit het proces-verbaal van de terechtzitting slechts blijkt dat is volstaan met het voorhouden van een samenvatting van de stukken maar niet dat de verdachte is bevraagd over andere dan de in de tenlastelegging specifiek vermelde belastingaangiften, terwijl de raadsvrouw van de verdachte uitdrukkelijk heeft betwist dat bij die andere belastingaangiften sprake is geweest van valselijk opgemaakte aangiften. Ook houden de vaststellingen van het hof niet meer in dan dat “ruim 300 door de verdachte verzorgde aangiften opnieuw zijn beoordeeld naar aanleiding waarvan navorderingsaanslagen zijn opgelegd” en dat in “bijna 80 % van de door de verdachte verzorgde aangiften zorgkosten zijn geclaimd”, waarbij het hof niet nader heeft uiteengezet of en, zo ja, in welke omvang hierbij – evenals bij de in de bewezenverklaring specifiek vermelde aangiften – sprake was van het door de verdachte opzettelijk opgeven van te hoge of gefingeerde aftrekposten. Dat in de bewezenverklaring door de passage “waaronder (onder meer)” ook niet specifiek vermelde gevallen zijn begrepen, maakt dit volgens de Hoge Raad niet anders. 3.13 Anders lag het in de volgende gevallen. Onder 3.15 t/m 3.18 bespreek ik diverse zaken met door de Hoge Raad uitgeschreven verwerpingen en onder 3.19 geef ik kort de kenmerkende factoren weer van zaken waarin de Hoge Raad het middel afdeed met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 3.14 Allereerst noem ik HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400 m.nt. Klip. In deze zaak ging het om door de verdachte feitelijk leiding geven aan het medeplegen van door een rechtspersoon opzettelijk indienen van negen onjuiste aangiften met een daarmee samenhangend nadeel van ruim € 150.000,-. De vaststellingen door het hof hielden in dat het ging om repeterende, maandelijkse aangiften omzetbelasting die de verdachte door zijn boekhouder liet opmaken, en dat van in het totaal 32 belastingaangiften negen representatieve belastingaangiften in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn vermeld. Verder had het hof vastgesteld dat ook de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften deel uit maken van het dossier en tijdens het voorbereidend onderzoek aan de verdachte zijn voorgehouden. Volgens het hof had het in deze zaak “in volle omvang ten laste leggen van alle 32 aangiften geen toegevoegde waarde”. Daarbij wees het hof op “het repeterend op identieke wijze feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting”. Naast de negen bewezenverklaarde onjuiste belastingaangiften heeft het hof ook de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften bij de strafoplegging betrokken en is het hof bij de strafmaat uitgegaan van 32 onjuiste belastingaangiften met een fiscaal nadeel van ruim € 400.000. Daarbij overwoog het hof dat met het betrekken van deze 32 belastingaangiften in de strafmaat ervan mag worden uitgegaan dat geen vervolging meer zal plaatsvinden ten aanzien van de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften en voorts dat het niet aannemelijk is (geworden) dat de verdachte op deze wijze in zijn verdediging wordt geschaad. Ook heeft het hof vastgesteld dat voor de 23 niet in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften niet is betwist dat deze aangiften onjuist waren en heeft het hof bovendien, voor zover de verdachte heeft betwist dat hij de 23 niet in de tenlastelegging genoemde onjuiste aangiften heeft laten indienen, deze betwisting “volstrekt ongeloofwaardig” geacht. Volgens het hof is gebleken van een structureel patroon met een omvangrijk karakter (over nagenoeg vier jaar, het merendeel van de in te dienen belastingaangiften). Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte heeft erkend dat hij – kort samengevat – het ene gat met het andere vulde om zijn bedrijf gaande te houden en dat daarom de aangiftes omzetbelasting valselijk te laag werden gehouden teneinde voldoende cashflow beschikbaar te hebben. Het kennelijk oordeel van het hof dat de 23 aangiften waarop de bewezenverklaring geen betrekking had als omstandigheden kunnen worden beschouwd waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook in het licht van hetgeen de verdachte over die aangiften had aangevoerd niet onbegrijpelijk. 3.15 Ook in HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1900, NJ 2023/34 was het cassatiemiddel over het ten onrechte bij de strafoplegging rekening houden met onjuiste belastingaangiften die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd tevergeefs voorgesteld. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de in de tenlastelegging genoemde periode opzettelijk twee onjuiste aangiften had ingediend. Verder had het hof overwogen dat het grootschalige karakter van het handelen van de verdachte op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk is geworden en waren bij de strafoplegging door het hof naast de twee in de bewezenverklaring opgenomen aangiften ook andere zich in het dossier bevindende aangiften over de periode van (een gedeelte van) 2009 t/m oktober 2013 betrokken. Daarbij is uitgegaan van een totaal fiscaal nadeel van € 804.785. Volgens het hof konden de aangiften omzetbelasting die niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn genoemd, worden beschouwd als omstandigheden waaronder de twee in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en blijkt daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten. Dit oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking de vaststelling door het hof dat de twee in de bewezenverklaring betrokken aangiften “een selectie” zijn van de andere in de strafoplegging betrokken aangiften en “de modus operandi” bij het doen van de onjuiste aangiften telkens dezelfde was. Ook merkte de Hoge Raad op dat het hof had vastgesteld dat de verdachte in het vooronderzoek over alle aangiften is gehoord en op de terechtzitting in hoger beroep alle zich in het procesdossier bevindende aangiften aan de verdachte zijn voorgehouden, en de verdachte over het opzettelijk onjuist indienen van al die aangiften in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen. Van belang was ook dat de overwegingen van het hof over de strafbare betrokkenheid van de verdachte klaarblijkelijk ook zagen op haar betrokkenheid bij de aangiften die niet in de tenlastelegging waren opgenomen.
Volledig
3.16 Hetzelfde lot deelde het middel in HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:124, NJ 2023/170 m.nt. Keijzer. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in totaal 25 aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting van de vijf in de bewezenverklaring genoemde cliënten valselijk had opgemaakt of vervalst. Ook had het hof vastgesteld dat de verdachte ten behoeve van een “groot aantal” van zijn cliënten onjuiste aangiften inkomstenbelasting had gedaan. Verder had het hof overwogen dat er betreffende de kostenposten die als aftrekbaar zijn aangemerkt en de specifieke steeds terugkerende bedragen die zijn opgevoerd, sprake was van opmerkelijke overeenkomsten tussen de 25 in de bewezenverklaring genoemde aangiften en die van andere klanten van de verdachte, en dat de stelselmatige en systematische handelwijze van de verdachte bij het valselijk opmaken van de in de bewezenverklaring genoemde aangiften ook gold voor het invullen van aangiften voor een aanzienlijk deel van de klanten van de verdachte die niet in de bewezenverklaring zijn genoemd. In zijn overwegingen heeft het hof betrokken dat de verdachte heeft bevestigd dat de vijf in de bewezenverklaring genoemde klanten “doorsnee klanten” betroffen en geoordeeld dat de in de tenlastelegging genoemde cliënten voldoende representatief zijn voor het merendeel van de – in totaal 4546 – aangiften die als afwijkend uit de ‘blauwdruk’ naar voren kwamen. Volgens de Hoge Raad kon het hof op grond hiervan oordelen dat uit het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van grootschalige fraude en getuigde het kennelijke oordeel van het hof dat dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreft niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het ook niet onbegrijpelijk. 3.17 Ook valt nog te wijzen op HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1090. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de in de tenlastelegging genoemde periode (27 april 2012 t/m 30 januari 2015) opzettelijk vijf onjuiste aangiften omzetbelasting heeft laten indienen en feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersonen opzettelijk indienen van negen onjuiste aangiften omzetbelasting en dertien onjuiste aangiften voor de loonheffing. Naast de 27 in de bewezenverklaring opgenomen aangiften had het hof bij de strafoplegging ook andere zich in het dossier bevindende aangiften omzetbelasting over de ten laste gelegde periode betrokken, waarbij het hof is uitgegaan van een totaal fiscaal nadeel van € 2.225.240,-. Volgens de Hoge Raad getuigde het in de strafmotivering besloten liggende oordeel van het hof dat de aangiften omzetbelasting die niet in de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn genoemd kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de 27 in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en waaruit het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het ook niet onbegrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking de vaststelling van het hof dat de 27 in de bewezenverklaring betrokken aangiften “een selectie” zijn van de andere in de strafoplegging betrokken aangiften en de “modus operandi” bij het doen van de onjuiste aangiften telkens dezelfde was. Verder had het hof onder meer vastgesteld dat op de terechtzitting in hoger beroep “alle aangiften in de tenlastegelegde periode” (en dus ook de niet tenlastegelegde aangiften) aan de verdachte zijn voorgehouden, en de verdachte over het opzettelijk onjuist indienen van “al die aangiften” in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen. Deze vaststelling was volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk gelet op het in het arrest weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting. In dit proces-verbaal was onder meer opgenomen: “U, voorzitter, houdt mij voor dat op pagina 151 en volgende van het FIOD-dossier is vermeld dat het om meer onjuiste aangiften omzetbelasting gaat dan in de tenlastelegging is vermeld, waarbij de modus operandi hetzelfde was. U houdt voor de door de FIOD daar genoemde onjuiste aangiften over de jaren 2012 tot en met 2014 en dat het in totaal gaat om onjuiste aangiften omzetbelasting ter hoogte van € 1.741.846 en onjuiste aangiften loonheffing ter hoogte van € 483.394. U, voorzitter, vraagt mij of het klopt dat Hofman Accountants was betrokken bij de aangiftes voor de vennootschappen. Ja, dat klopt.” 3.18 Uit de zaken waarin de Hoge Raad het middel afdeed met toepassing van art. 81 RO komt een soortgelijk beeld naar voren, in die zin dat: - alle in het dossier aanwezige vermeend onjuist en onvolledig ingediende aangiften omzetbelasting én het nadeel dat daaruit zou zijn ontstaan aan de verdachte waren voorgehouden, er door de verdachte en haar raadslieden niet was aangevoerd dat die aangiften omzetbelasting niet onjuist of onvolledig waren, terwijl het hof het verweer over de (strafrechtelijke) betrokkenheid van de verdachte bij het indienen van alle aangiften omzetbelasting in het bestreden arrest gemotiveerd had verworpen door o.a. te wijzen op dezelfde modus operandi; - er op de terechtzitting door het openbaar ministerie was gewezen op een document waarin alle participanten (aan het piramidespel) en hun inleg worden genoemd, en de verdediging daarop bij gelegenheid van pleidooi had gereageerd, terwijl ook overigens uit de bewijsvoering onmiskenbaar kon worden afgeleid dat het totale schadebedrag veel groter moet zijn dan de in de bewezenverklaring genoemde bedragen; - door het hof – in de zaak die het vervolg is van de onder 3.11 genoemde zaak – was vastgesteld dat sprake was van een vrijwel identiek fraudepatroon en bij herhaling dezelfde ronde bedragen in de aangiften terugkeren, terwijl identieke jaarlijks terugkerende bedragen aan omzet- en voorbelasting volgens de Belastingdienst in de praktijk vrijwel onmogelijk zijn en op de terechtzitting aandacht was besteed aan de vraag of de verdachte aan het doen van de niet ten laste gelegde aangiften feitelijk leiding heeft gegeven; - door de voorzitter van het hof de situatie van één concrete betrokkene als zijnde representatief voor de belastingaangiften die in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn vermeld op de zitting was besproken en de opmerking van de voorzitter dat er meer voorbeelden te noemen zijn steun vond in het dossier. Terug naar de onderhavige zaak 3.19 Het hof heeft geoordeeld dat “de in de bewezenverklaring genoemde fraude van die vijf werknemers voldoende representatief is voor het merendeel van de uit het onderzoek naar voren komende valse salarisspecificaties en kwitanties zoals ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde gesteld”. Daarbij noemt het hof de in de woning en auto van de verdachte en op de computer van [A] B.V. aangetroffen loonlijsten die er volgens het hof op wijzen dat de verdachte in de periode 2014 t/m 2016 structureel fraude heeft gepleegd ten aanzien van werknemers met Oost-Europese namen en dat op deze lijsten extra kolommen zijn opgenomen die niet met de boekhouder zijn gecommuniceerd. Volgens het hof is kennelijk sprake van een professioneel opgezette schaduwadministratie waaruit blijkt van een structurele en georganiseerde werkwijze door de verdachte die heeft geleid tot een benadelingsbedrag van ruim € 258.000,-. Het hof overweegt dat zowel uit het dossier als het verhandelde ter terechtzitting, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, voldoende is vast komen te staan dat sprake is geweest van een grootschalige fraude en dat dit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd.
Volledig
3.16 Hetzelfde lot deelde het middel in HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:124, NJ 2023/170 m.nt. Keijzer. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in totaal 25 aangiften inkomensheffing/inkomstenbelasting van de vijf in de bewezenverklaring genoemde cliënten valselijk had opgemaakt of vervalst. Ook had het hof vastgesteld dat de verdachte ten behoeve van een “groot aantal” van zijn cliënten onjuiste aangiften inkomstenbelasting had gedaan. Verder had het hof overwogen dat er betreffende de kostenposten die als aftrekbaar zijn aangemerkt en de specifieke steeds terugkerende bedragen die zijn opgevoerd, sprake was van opmerkelijke overeenkomsten tussen de 25 in de bewezenverklaring genoemde aangiften en die van andere klanten van de verdachte, en dat de stelselmatige en systematische handelwijze van de verdachte bij het valselijk opmaken van de in de bewezenverklaring genoemde aangiften ook gold voor het invullen van aangiften voor een aanzienlijk deel van de klanten van de verdachte die niet in de bewezenverklaring zijn genoemd. In zijn overwegingen heeft het hof betrokken dat de verdachte heeft bevestigd dat de vijf in de bewezenverklaring genoemde klanten “doorsnee klanten” betroffen en geoordeeld dat de in de tenlastelegging genoemde cliënten voldoende representatief zijn voor het merendeel van de – in totaal 4546 – aangiften die als afwijkend uit de ‘blauwdruk’ naar voren kwamen. Volgens de Hoge Raad kon het hof op grond hiervan oordelen dat uit het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van grootschalige fraude en getuigde het kennelijke oordeel van het hof dat dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreft niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het ook niet onbegrijpelijk. 3.17 Ook valt nog te wijzen op HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1090. In deze zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de in de tenlastelegging genoemde periode (27 april 2012 t/m 30 januari 2015) opzettelijk vijf onjuiste aangiften omzetbelasting heeft laten indienen en feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersonen opzettelijk indienen van negen onjuiste aangiften omzetbelasting en dertien onjuiste aangiften voor de loonheffing. Naast de 27 in de bewezenverklaring opgenomen aangiften had het hof bij de strafoplegging ook andere zich in het dossier bevindende aangiften omzetbelasting over de ten laste gelegde periode betrokken, waarbij het hof is uitgegaan van een totaal fiscaal nadeel van € 2.225.240,-. Volgens de Hoge Raad getuigde het in de strafmotivering besloten liggende oordeel van het hof dat de aangiften omzetbelasting die niet in de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn genoemd kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de 27 in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en waaruit het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het ook niet onbegrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking de vaststelling van het hof dat de 27 in de bewezenverklaring betrokken aangiften “een selectie” zijn van de andere in de strafoplegging betrokken aangiften en de “modus operandi” bij het doen van de onjuiste aangiften telkens dezelfde was. Verder had het hof onder meer vastgesteld dat op de terechtzitting in hoger beroep “alle aangiften in de tenlastegelegde periode” (en dus ook de niet tenlastegelegde aangiften) aan de verdachte zijn voorgehouden, en de verdachte over het opzettelijk onjuist indienen van “al die aangiften” in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen. Deze vaststelling was volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk gelet op het in het arrest weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting. In dit proces-verbaal was onder meer opgenomen: “U, voorzitter, houdt mij voor dat op pagina 151 en volgende van het FIOD-dossier is vermeld dat het om meer onjuiste aangiften omzetbelasting gaat dan in de tenlastelegging is vermeld, waarbij de modus operandi hetzelfde was. U houdt voor de door de FIOD daar genoemde onjuiste aangiften over de jaren 2012 tot en met 2014 en dat het in totaal gaat om onjuiste aangiften omzetbelasting ter hoogte van € 1.741.846 en onjuiste aangiften loonheffing ter hoogte van € 483.394. U, voorzitter, vraagt mij of het klopt dat Hofman Accountants was betrokken bij de aangiftes voor de vennootschappen. Ja, dat klopt.” 3.18 Uit de zaken waarin de Hoge Raad het middel afdeed met toepassing van art. 81 RO komt een soortgelijk beeld naar voren, in die zin dat: - alle in het dossier aanwezige vermeend onjuist en onvolledig ingediende aangiften omzetbelasting én het nadeel dat daaruit zou zijn ontstaan aan de verdachte waren voorgehouden, er door de verdachte en haar raadslieden niet was aangevoerd dat die aangiften omzetbelasting niet onjuist of onvolledig waren, terwijl het hof het verweer over de (strafrechtelijke) betrokkenheid van de verdachte bij het indienen van alle aangiften omzetbelasting in het bestreden arrest gemotiveerd had verworpen door o.a. te wijzen op dezelfde modus operandi; - er op de terechtzitting door het openbaar ministerie was gewezen op een document waarin alle participanten (aan het piramidespel) en hun inleg worden genoemd, en de verdediging daarop bij gelegenheid van pleidooi had gereageerd, terwijl ook overigens uit de bewijsvoering onmiskenbaar kon worden afgeleid dat het totale schadebedrag veel groter moet zijn dan de in de bewezenverklaring genoemde bedragen; - door het hof – in de zaak die het vervolg is van de onder 3.11 genoemde zaak – was vastgesteld dat sprake was van een vrijwel identiek fraudepatroon en bij herhaling dezelfde ronde bedragen in de aangiften terugkeren, terwijl identieke jaarlijks terugkerende bedragen aan omzet- en voorbelasting volgens de Belastingdienst in de praktijk vrijwel onmogelijk zijn en op de terechtzitting aandacht was besteed aan de vraag of de verdachte aan het doen van de niet ten laste gelegde aangiften feitelijk leiding heeft gegeven; - door de voorzitter van het hof de situatie van één concrete betrokkene als zijnde representatief voor de belastingaangiften die in de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn vermeld op de zitting was besproken en de opmerking van de voorzitter dat er meer voorbeelden te noemen zijn steun vond in het dossier. Terug naar de onderhavige zaak 3.19 Het hof heeft geoordeeld dat “de in de bewezenverklaring genoemde fraude van die vijf werknemers voldoende representatief is voor het merendeel van de uit het onderzoek naar voren komende valse salarisspecificaties en kwitanties zoals ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde gesteld”. Daarbij noemt het hof de in de woning en auto van de verdachte en op de computer van [A] B.V. aangetroffen loonlijsten die er volgens het hof op wijzen dat de verdachte in de periode 2014 t/m 2016 structureel fraude heeft gepleegd ten aanzien van werknemers met Oost-Europese namen en dat op deze lijsten extra kolommen zijn opgenomen die niet met de boekhouder zijn gecommuniceerd. Volgens het hof is kennelijk sprake van een professioneel opgezette schaduwadministratie waaruit blijkt van een structurele en georganiseerde werkwijze door de verdachte die heeft geleid tot een benadelingsbedrag van ruim € 258.000,-. Het hof overweegt dat zowel uit het dossier als het verhandelde ter terechtzitting, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, voldoende is vast komen te staan dat sprake is geweest van een grootschalige fraude en dat dit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd.
Volledig
3.20 Uit het onder 3.5 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2024 – dat betrekking heeft op de straf- en de ontnemingszaak – blijkt dat de voorzitter van het hof op de zitting melding heeft gemaakt van de onder 3.19 genoemde loonlijsten, in die zin dat de voorzitter aan de verdachte heeft voorgehouden dat er loonlijsten zijn aangetroffen waarin een extra kolom is opgenomen waarin volgens de politie bedragen zijn opgenomen die het verschil betreffen tussen het minimumloon en het daadwerkelijk uitbetaalde lagere salaris en dat deze kolom niet met de boekhouder is gecommuniceerd. Ook heeft de jongste raadsheer aan de verdachte voorgehouden dat de politie denkt dat niet alleen de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers te weinig salaris ontvingen, maar dat dit bij veel meer werknemers gebeurde en dat de politie dit heeft afgeleid uit de aangetroffen lijsten. Ook de advocaat-generaal bij het hof wijst in zijn repliek op de in de computer en in de auto van de verdachte aangetroffen loonlijsten, waarin het zwaartepunt van het onderzoek zou zijn gelegen. Volgens de advocaat-generaal vinden de bevindingen uit die loonlijsten bevestiging in de inhoud van de getuigenverklaringen en het onderzoek naar de kwitanties en heeft de verdachte in de straf- en ontnemingszaak geen alternatief scenario gegeven. Uit genoemd proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de verdachte op de door de voorzitter en jongste raadsheer van het hof voorgehouden bevindingen heeft kunnen reageren. De verdachte ontkent dat hij genoemde lijsten heeft gemaakt en geeft aan dat hij iedereen netjes heeft uitbetaald. Verder blijkt uit de onder 3.6 en 3.7 weergegeven pleitnota’s dat door de verdediging het standpunt is ingenomen dat – kort gezegd – de verdachte moet worden vrijgesproken omdat er onvoldoende bewijs zou zijn, en subsidiair is bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat slechts uitgegaan kan worden van de vervalsing van de boekhouding door de vervalsing van de vijf documenten die in de tenlastelegging zijn opgenomen – hetgeen een totaal benadelingsbedrag van € 4067,77 oplevert – en dat niet van het door het openbaar ministerie berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 259.474,23 moet worden uitgegaan. De door de advocaat-generaal bij het hof op de terechtzitting overgelegde vordering in de ontnemingszaak strekt ertoe de betalingsverplichting op een bedrag van € 258.710,95 vast te stellen. 3.21 Uit het voorgaande blijkt dat op de terechtzitting in hoger beroep de stukken zijn voorgehouden die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat sprake is van grootschalige fraude en ook dat de verdachte daar een verklaring over heeft afgelegd. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting dat het benadelingsbedrag van ruim € 258.000 (“€ 258.710,95”) op de zitting ter sprake is gekomen en de raadsman van de verdachte zich in zijn pleidooi ook over dit benadelingsbedrag heeft uitgelaten. Verder blijkt dat het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging – kort gezegd inhoudende dat de door de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn en (betrouwbaar) steunbewijs ontbreekt – in het bestreden arrest gemotiveerd heeft verworpen en dat het hof in de bewijsvoering naast de genoemde getuigenverklaringen (bewijsmiddel 4, 6, 8, 10 en 12) en de op hen betrekking hebbende salarisspecificaties en kwitanties (bewijsmiddel 3, 5, 7, 9 en 11) ook de (bevindingen van de politie over de) op de terechtzitting voorgehouden overzichtslijsten voor het bewijs heeft gebezigd (bewijsmiddel 13 t/m 18). Verder heeft het hof een tweetal verklaringen van de verdachte voor het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 1 en 2) waaruit – kort gezegd – blijkt dat de verdachte als eigenaar van [A] B.V. de administratie en interne boekhouding van zijn bedrijf doet, dat hij de gewerkte uren van zijn werknemers in de computer noteert, dat hij de lijsten die hij heeft gemaakt naar boekhouder [betrokkene 1] stuurt aan de hand waarvan [betrokkene 1] de loonstroken maakt en dat de verdachte zelf de uitbetaling verzorgt. Ook is de verklaring van [betrokkene 1] opgenomen (bewijsmiddel 19) die daarover hetzelfde verklaart. Daarbij merk ik nog op dat uit de inhoud van bewijsmiddel 12 (“ [verdachte] liet deze lijsten ook aan mij zien wanneer ik geld terug moest betalen”), gelet op de beschrijving van de lijsten die getuige [naam 71] geeft, lijkt te kunnen worden afgeleid dat de verdachte – anders dan hij op de terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard – wel degelijk wist van het bestaan van de kennelijke schaduwadministratie. 3.22 Verder heeft het hof – anders dan het geval is in de onder 3.11-3.18 besproken zaken – het grootschalige karakter van het delict niet alleen op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geacht, maar heeft het hof het grootschalige karakter van het delict daadwerkelijk (conform het standpunt van de advocaat-generaal bij het hof) op grond van het dossier vastgesteld. Voorts heeft het hof in de op de terechtzitting in hoger beroep gelijktijdig behandelde ontnemingszaak het benadelingsbedrag op een bedrag van € 258.710,95 vastgesteld en een betalingsverplichting opgelegd van € 242.460,95. 3.23 Tegen deze achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof de grootschaligheid van de fraude in de strafoplegging heeft betrokken als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd en dat als oriëntatiepunt voor de hoogte van de op te leggen straf is uitgegaan van een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,-. 3.24 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel richt zich tegen de afwijzende beslissing van het hof op een voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. 4.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 mei 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in de procesdossiers gevoegde pleitnota's. Daarop aanvullend deelt hij mede: - Pleitnota strafzaak: Ik doe een voorwaardelijk verzoek. Als het hof van oordeel is dat bij de straftoemeting ook rekening wordt gehouden met andere werknemers dan de vijf in de tenlastelegging genoemde personen, dan verzoek om de mensen die het hof zal noemen in het arrest als getuige te horen. […] Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman in de strafzaak voldoet niet aan de eisen die het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. De verdediging heeft geen concrete gegevens van de getuigen opgegeven, zoals namen, hun adres en het belang danwel de noodzaak voor het horen van deze getuigen. Voor zover de getuigen voldoende concreet zijn opgegeven, geldt dat het niet noodzakelijk is om deze getuigen te horen. Er is geen sprake van zogenoemde ‘Keskin’-getuigen. Het gaat enkel over de beoordeling van de hoogte van het nadeel dat van belang is voor de strafmaat. Ook daarom dient het voorwaardelijk verzoek te worden afgewezen.” 4.3 De onder 3.4 weergegeven strafmotivering houdt onder meer het volgende in: “Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om getuigen te horen, indien het hof bij de strafoplegging rekening houdt met andere dan in de tenlastelegging genoemde salarisspecificaties en kwitanties van die vijf werknemers. Het hof wijst dit verzoek af, nu de raadsman niet heeft geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en het verzoek daarmee onvoldoende is onderbouwd.” 4.4 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat het verzoek wordt afgewezen omdat “de raadsman niet heeft geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en het verzoek daarmee onvoldoende is onderbouwd” onbegrijpelijk is, omdat in de voor het bewijs gebezigde overzichtslijsten (bewijsmiddelen 15 t/m 18 in combinatie met bewijsmiddel 13 en 14) naast de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers ook alle andere werknemers (met Oost-Europese namen) worden genoemd.
Volledig
3.20 Uit het onder 3.5 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2024 – dat betrekking heeft op de straf- en de ontnemingszaak – blijkt dat de voorzitter van het hof op de zitting melding heeft gemaakt van de onder 3.19 genoemde loonlijsten, in die zin dat de voorzitter aan de verdachte heeft voorgehouden dat er loonlijsten zijn aangetroffen waarin een extra kolom is opgenomen waarin volgens de politie bedragen zijn opgenomen die het verschil betreffen tussen het minimumloon en het daadwerkelijk uitbetaalde lagere salaris en dat deze kolom niet met de boekhouder is gecommuniceerd. Ook heeft de jongste raadsheer aan de verdachte voorgehouden dat de politie denkt dat niet alleen de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers te weinig salaris ontvingen, maar dat dit bij veel meer werknemers gebeurde en dat de politie dit heeft afgeleid uit de aangetroffen lijsten. Ook de advocaat-generaal bij het hof wijst in zijn repliek op de in de computer en in de auto van de verdachte aangetroffen loonlijsten, waarin het zwaartepunt van het onderzoek zou zijn gelegen. Volgens de advocaat-generaal vinden de bevindingen uit die loonlijsten bevestiging in de inhoud van de getuigenverklaringen en het onderzoek naar de kwitanties en heeft de verdachte in de straf- en ontnemingszaak geen alternatief scenario gegeven. Uit genoemd proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de verdachte op de door de voorzitter en jongste raadsheer van het hof voorgehouden bevindingen heeft kunnen reageren. De verdachte ontkent dat hij genoemde lijsten heeft gemaakt en geeft aan dat hij iedereen netjes heeft uitbetaald. Verder blijkt uit de onder 3.6 en 3.7 weergegeven pleitnota’s dat door de verdediging het standpunt is ingenomen dat – kort gezegd – de verdachte moet worden vrijgesproken omdat er onvoldoende bewijs zou zijn, en subsidiair is bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat slechts uitgegaan kan worden van de vervalsing van de boekhouding door de vervalsing van de vijf documenten die in de tenlastelegging zijn opgenomen – hetgeen een totaal benadelingsbedrag van € 4067,77 oplevert – en dat niet van het door het openbaar ministerie berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 259.474,23 moet worden uitgegaan. De door de advocaat-generaal bij het hof op de terechtzitting overgelegde vordering in de ontnemingszaak strekt ertoe de betalingsverplichting op een bedrag van € 258.710,95 vast te stellen. 3.21 Uit het voorgaande blijkt dat op de terechtzitting in hoger beroep de stukken zijn voorgehouden die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat sprake is van grootschalige fraude en ook dat de verdachte daar een verklaring over heeft afgelegd. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting dat het benadelingsbedrag van ruim € 258.000 (“€ 258.710,95”) op de zitting ter sprake is gekomen en de raadsman van de verdachte zich in zijn pleidooi ook over dit benadelingsbedrag heeft uitgelaten. Verder blijkt dat het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging – kort gezegd inhoudende dat de door de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn en (betrouwbaar) steunbewijs ontbreekt – in het bestreden arrest gemotiveerd heeft verworpen en dat het hof in de bewijsvoering naast de genoemde getuigenverklaringen (bewijsmiddel 4, 6, 8, 10 en 12) en de op hen betrekking hebbende salarisspecificaties en kwitanties (bewijsmiddel 3, 5, 7, 9 en 11) ook de (bevindingen van de politie over de) op de terechtzitting voorgehouden overzichtslijsten voor het bewijs heeft gebezigd (bewijsmiddel 13 t/m 18). Verder heeft het hof een tweetal verklaringen van de verdachte voor het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 1 en 2) waaruit – kort gezegd – blijkt dat de verdachte als eigenaar van [A] B.V. de administratie en interne boekhouding van zijn bedrijf doet, dat hij de gewerkte uren van zijn werknemers in de computer noteert, dat hij de lijsten die hij heeft gemaakt naar boekhouder [betrokkene 1] stuurt aan de hand waarvan [betrokkene 1] de loonstroken maakt en dat de verdachte zelf de uitbetaling verzorgt. Ook is de verklaring van [betrokkene 1] opgenomen (bewijsmiddel 19) die daarover hetzelfde verklaart. Daarbij merk ik nog op dat uit de inhoud van bewijsmiddel 12 (“ [verdachte] liet deze lijsten ook aan mij zien wanneer ik geld terug moest betalen”), gelet op de beschrijving van de lijsten die getuige [naam 71] geeft, lijkt te kunnen worden afgeleid dat de verdachte – anders dan hij op de terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard – wel degelijk wist van het bestaan van de kennelijke schaduwadministratie. 3.22 Verder heeft het hof – anders dan het geval is in de onder 3.11-3.18 besproken zaken – het grootschalige karakter van het delict niet alleen op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geacht, maar heeft het hof het grootschalige karakter van het delict daadwerkelijk (conform het standpunt van de advocaat-generaal bij het hof) op grond van het dossier vastgesteld. Voorts heeft het hof in de op de terechtzitting in hoger beroep gelijktijdig behandelde ontnemingszaak het benadelingsbedrag op een bedrag van € 258.710,95 vastgesteld en een betalingsverplichting opgelegd van € 242.460,95. 3.23 Tegen deze achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof de grootschaligheid van de fraude in de strafoplegging heeft betrokken als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd en dat als oriëntatiepunt voor de hoogte van de op te leggen straf is uitgegaan van een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,-. 3.24 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel richt zich tegen de afwijzende beslissing van het hof op een voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. 4.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 mei 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in de procesdossiers gevoegde pleitnota's. Daarop aanvullend deelt hij mede: - Pleitnota strafzaak: Ik doe een voorwaardelijk verzoek. Als het hof van oordeel is dat bij de straftoemeting ook rekening wordt gehouden met andere werknemers dan de vijf in de tenlastelegging genoemde personen, dan verzoek om de mensen die het hof zal noemen in het arrest als getuige te horen. […] Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman in de strafzaak voldoet niet aan de eisen die het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. De verdediging heeft geen concrete gegevens van de getuigen opgegeven, zoals namen, hun adres en het belang danwel de noodzaak voor het horen van deze getuigen. Voor zover de getuigen voldoende concreet zijn opgegeven, geldt dat het niet noodzakelijk is om deze getuigen te horen. Er is geen sprake van zogenoemde ‘Keskin’-getuigen. Het gaat enkel over de beoordeling van de hoogte van het nadeel dat van belang is voor de strafmaat. Ook daarom dient het voorwaardelijk verzoek te worden afgewezen.” 4.3 De onder 3.4 weergegeven strafmotivering houdt onder meer het volgende in: “Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om getuigen te horen, indien het hof bij de strafoplegging rekening houdt met andere dan in de tenlastelegging genoemde salarisspecificaties en kwitanties van die vijf werknemers. Het hof wijst dit verzoek af, nu de raadsman niet heeft geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en het verzoek daarmee onvoldoende is onderbouwd.” 4.4 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat het verzoek wordt afgewezen omdat “de raadsman niet heeft geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en het verzoek daarmee onvoldoende is onderbouwd” onbegrijpelijk is, omdat in de voor het bewijs gebezigde overzichtslijsten (bewijsmiddelen 15 t/m 18 in combinatie met bewijsmiddel 13 en 14) naast de vijf in de tenlastelegging genoemde werknemers ook alle andere werknemers (met Oost-Europese namen) worden genoemd.
Volledig
Volgens de steller van het middel heeft de verdachte ook belang bij de klacht, omdat – als de zaak zou worden gecasseerd – bij een hernieuwde beoordeling van het verzoek door het hof het verzoek zou moeten worden toegewezen, gelet op HvJ EU 13 juni 2019, zaak C-646/17, ECLI:EU:C:2019:489, par. 53 en 55 (Gianluca Moro) en EHRM 24 juni 2021, no. 53587/17 (Dododja v. Croatia). 4.5 Door de raadsman van de verdachte is blijkens het onder 4.2 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan om in het geval het hof bij de straftoemeting ook rekening houdt met andere werknemers dan de vijf in de tenlastelegging genoemde personen “de mensen die het hof zal noemen in het arrest” als getuige te horen. Uit de onder 3.3 genoemde overzichtslijsten (bewijsmiddel 15 t/m 18) blijkt dat aan de aan het verzoek gestelde voorwaarde is voldaan, nu deze lijsten naast de in de bewezenverklaring genoemde vijf werknemers ook de namen van andere (Oost-Europese) werknemers inhouden. In aanmerking genomen het grote aantal namen dat op die lijsten is vermeld en erop gelet dat de verdediging in de tenlastelegging genoemde getuigen heeft kunnen horen terwijl die soortgelijke verklaringen hebben afgelegd als andere getuigen op de lijst, is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd omdat niet is geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en waarin het belang of de noodzaak voor het horen van deze getuigen bestaat. 4.6 Daarbij merk ik nog op dat de door de steller van het middel aangehaalde rechtspraak geen betrekking heeft op het horen van getuigen in het kader van louter de strafoplegging, zodat hieraan geen argument voor een ander oordeel valt te ontlenen. Kort gezegd handelt het in HvJ EU 13 juni 2019, zaak C-646/17, ECLI:EU:C:2019:489, par. 53 en 55 (Gianluca Moro) om het recht om te worden geïnformeerd over de aard en de reden van de beschuldiging in het licht van het recht van de verdachte om zijn verdediging voor te bereiden. In EHRM 24 juni 2021, no. 53587/17 (Dododja v. Croatia) gaat het om het recht om een belastende getuige te horen met het oog op de reikwijdte van de mogelijke bewezenverklaring en de strafoplegging in het verlengde daarvan. Uit dat arrest blijkt niet dat de verdediging getuigen aan wier verklaring louter in relatie tot de strafoplegging mogelijk betekenis toekomt, moet kunnen horen zonder die getuigen specifiek aan te duiden en zonder te onderbouwen waarom het horen van die getuigen van belang zou kunnen zijn. Hierbij verdient opmerking dat het EHRM weliswaar erkent dat “as a matter of fairness, the sentence imposed should reflect the offence which the defendant actually committed”, maar dat “the issues concerning appropriate sentencing normally fall outside the scope of the Convention”. Dit betekent dat de Straatsburgse rechtspraak inzake het recht om getuigen te horen in relatie tot het tenlastegelegde feit niet zonder meer als geldend kan worden aangemerkt voor situaties waarin de verdediging getuigen wenst te horen enkel met het oog op de straftoemeting. 4.7 Ook het tweede middel strandt. 5 Afronding 5.1 Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 5.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In verband met de leesbaarheid van de ingescande overzichtslijsten is alleen de overzichtslijst onder 17 opgenomen. Zie bijv. HR 25 november 2015, ECLI:NL:HR:2025:1785. In dit arrest overwoog de Hoge Raad verder nog dat het de rechter niet vrij staat om in verband met de grootschaligheid van de betreffende fiscale fraude bij de strafoplegging rekening te houden met feiten die wel aan de verdachte zijn tenlastegelegd maar die niet tot een veroordeling hebben geleid. Vgl. HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400 m.nt. Klip, r.o. 2.3.2. Vgl. HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1452, r.o. 2.4. Conclusie A-G Paridaens voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1900, NJ 2023/34, randr. 16 t/m 29. Conclusie A-G Paridaens voor HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:735, randr. 174 t/m 178 en voor HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:736, randr. 166 t/m 169. Conclusie A-G Spronken voor HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1628, randnr. 4.9 t/m 4.15. Zie mijn conclusie voorafgaand aan HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1785, randnr. 8.9 t/m 8.14. Een blik achter de papieren muur bevestigt deze lezing. Het proces-verbaal van relaas 229430 (dossierpagina 004-019) houdt op p. 016 over de verklaring van [naam 71] (G-007-01) immers in dat aan de getuige de lijst DOC-007-03F is getoond (“Ik herken de lijst die u toont (DOC-007-03F). Soortgelijke lijsten liet [verdachte] aan mij zien wanneer ik geld aan hem moest terug betalen.”). De lijst met dit nummer betreft blijkens de inhoudsopgave van het dossier een in de auto van de verdachte aangetroffen lijst (dossierpagina 401 t/m 408). Uit de samenhangende ontnemingszaak blijkt dat de advocaat-generaal bij het hof heeft gevorderd dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op een bedrag van € 258.710,95. Uit het bestreden arrest in die zaak blijkt dat het hof bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het bedrag van € 259.474,23 een bedrag van € 763,28 wegens dubbeltellingen in mindering heeft gebracht (hetgeen neerkomt op € 258.710,95) en aan de betrokkene, na matiging van de betalingsverplichting in verband met de redelijke termijn, een betalingsverplichting heeft opgelegd van € 242.460,95.
Volledig
Volgens de steller van het middel heeft de verdachte ook belang bij de klacht, omdat – als de zaak zou worden gecasseerd – bij een hernieuwde beoordeling van het verzoek door het hof het verzoek zou moeten worden toegewezen, gelet op HvJ EU 13 juni 2019, zaak C-646/17, ECLI:EU:C:2019:489, par. 53 en 55 (Gianluca Moro) en EHRM 24 juni 2021, no. 53587/17 (Dododja v. Croatia). 4.5 Door de raadsman van de verdachte is blijkens het onder 4.2 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan om in het geval het hof bij de straftoemeting ook rekening houdt met andere werknemers dan de vijf in de tenlastelegging genoemde personen “de mensen die het hof zal noemen in het arrest” als getuige te horen. Uit de onder 3.3 genoemde overzichtslijsten (bewijsmiddel 15 t/m 18) blijkt dat aan de aan het verzoek gestelde voorwaarde is voldaan, nu deze lijsten naast de in de bewezenverklaring genoemde vijf werknemers ook de namen van andere (Oost-Europese) werknemers inhouden. In aanmerking genomen het grote aantal namen dat op die lijsten is vermeld en erop gelet dat de verdediging in de tenlastelegging genoemde getuigen heeft kunnen horen terwijl die soortgelijke verklaringen hebben afgelegd als andere getuigen op de lijst, is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd omdat niet is geconcretiseerd welke getuigen de verdediging wenst te horen en waarin het belang of de noodzaak voor het horen van deze getuigen bestaat. 4.6 Daarbij merk ik nog op dat de door de steller van het middel aangehaalde rechtspraak geen betrekking heeft op het horen van getuigen in het kader van louter de strafoplegging, zodat hieraan geen argument voor een ander oordeel valt te ontlenen. Kort gezegd handelt het in HvJ EU 13 juni 2019, zaak C-646/17, ECLI:EU:C:2019:489, par. 53 en 55 (Gianluca Moro) om het recht om te worden geïnformeerd over de aard en de reden van de beschuldiging in het licht van het recht van de verdachte om zijn verdediging voor te bereiden. In EHRM 24 juni 2021, no. 53587/17 (Dododja v. Croatia) gaat het om het recht om een belastende getuige te horen met het oog op de reikwijdte van de mogelijke bewezenverklaring en de strafoplegging in het verlengde daarvan. Uit dat arrest blijkt niet dat de verdediging getuigen aan wier verklaring louter in relatie tot de strafoplegging mogelijk betekenis toekomt, moet kunnen horen zonder die getuigen specifiek aan te duiden en zonder te onderbouwen waarom het horen van die getuigen van belang zou kunnen zijn. Hierbij verdient opmerking dat het EHRM weliswaar erkent dat “as a matter of fairness, the sentence imposed should reflect the offence which the defendant actually committed”, maar dat “the issues concerning appropriate sentencing normally fall outside the scope of the Convention”. Dit betekent dat de Straatsburgse rechtspraak inzake het recht om getuigen te horen in relatie tot het tenlastegelegde feit niet zonder meer als geldend kan worden aangemerkt voor situaties waarin de verdediging getuigen wenst te horen enkel met het oog op de straftoemeting. 4.7 Ook het tweede middel strandt. 5 Afronding 5.1 Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 5.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In verband met de leesbaarheid van de ingescande overzichtslijsten is alleen de overzichtslijst onder 17 opgenomen. Zie bijv. HR 25 november 2015, ECLI:NL:HR:2025:1785. In dit arrest overwoog de Hoge Raad verder nog dat het de rechter niet vrij staat om in verband met de grootschaligheid van de betreffende fiscale fraude bij de strafoplegging rekening te houden met feiten die wel aan de verdachte zijn tenlastegelegd maar die niet tot een veroordeling hebben geleid. Vgl. HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400 m.nt. Klip, r.o. 2.3.2. Vgl. HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1452, r.o. 2.4. Conclusie A-G Paridaens voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1900, NJ 2023/34, randr. 16 t/m 29. Conclusie A-G Paridaens voor HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:735, randr. 174 t/m 178 en voor HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:736, randr. 166 t/m 169. Conclusie A-G Spronken voor HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1628, randnr. 4.9 t/m 4.15. Zie mijn conclusie voorafgaand aan HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1785, randnr. 8.9 t/m 8.14. Een blik achter de papieren muur bevestigt deze lezing. Het proces-verbaal van relaas 229430 (dossierpagina 004-019) houdt op p. 016 over de verklaring van [naam 71] (G-007-01) immers in dat aan de getuige de lijst DOC-007-03F is getoond (“Ik herken de lijst die u toont (DOC-007-03F). Soortgelijke lijsten liet [verdachte] aan mij zien wanneer ik geld aan hem moest terug betalen.”). De lijst met dit nummer betreft blijkens de inhoudsopgave van het dossier een in de auto van de verdachte aangetroffen lijst (dossierpagina 401 t/m 408). Uit de samenhangende ontnemingszaak blijkt dat de advocaat-generaal bij het hof heeft gevorderd dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op een bedrag van € 258.710,95. Uit het bestreden arrest in die zaak blijkt dat het hof bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het bedrag van € 259.474,23 een bedrag van € 763,28 wegens dubbeltellingen in mindering heeft gebracht (hetgeen neerkomt op € 258.710,95) en aan de betrokkene, na matiging van de betalingsverplichting in verband met de redelijke termijn, een betalingsverplichting heeft opgelegd van € 242.460,95.