Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-26
ECLI:NL:PHR:2026:524
Strafrecht
8,140 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:524 text/xml public 2026-05-27T11:06:25 2026-05-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/04491 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:524 text/html public 2026-05-27T11:03:25 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:524 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/04491 Conclusie AG. Medeplegen opzettelijk teweegbrengen ontploffing (art. 157 Sr). Middel bevat klachten over oordeel hof dat kosten voor inhuur van beveiligingsmedewerker als ‘rechtstreekse schade’ kunnen worden aangemerkt. Middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04491 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 4 december 2024 (parketnr. 23-000577-24) het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024 (parketnr. 13-198783-23) bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. De verdachte is veroordeeld wegens " medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en gemeen gevaar voor goederen te duchten is ". Het hof heeft een gevangenisstraf voor de duur van 730 dagen, waarvan 388 dagen voorwaardelijk, opgelegd, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr en met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van drie benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en daarbij geoordeeld dat de verdachte, met zijn mededaders, hoofdelijk voor dat gehele bedrag aansprakelijk is. Het hof heeft drie schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Y. Finani en A. Boumanjal, advocaten in Utrecht, hebben een middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de beslissing om de vordering van de benadeelde partij Restaurant [benadeelde 1] tot vergoeding van beveiligingskosten van € 6994,00 toe te wijzen. De bewezenverklaring, de vordering van de benadeelde partij en het oordeel van het hof 3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “op 9 augustus 2023 te Amsterdam, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht aan restaurant [benadeelde 1] , gevestigd aan de [a-straat 1] . door een zwaar explosief voorwerp, aan de voorzijde van het pand te bevestigen en dit vervolgens aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en goederen in voornoemd pand en een of meer nabijgelegen panden (waaronder hotel [A] ) en goederen in die nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aldaar in en in de directe nabijheid van dat pand aanwezige personen (onder wie [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ), in elk geval levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was”. 4. De benadeelde partij Restaurant [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 november 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering als volgt toegelicht: “In eerste aanleg is een vordering ingediend van ruim € 31.000,00 waarvan door de rechtbank € 1.487,37 is toegewezen. Mijn cliënt is het daar niet mee eens en de benadeelde partij handhaaft zijn oorspronkelijke verzoek tot schadevergoeding met dien verstande dat deze thans wel wordt verminderd met € 5.000,00 aangezien de verzekering inmiddels de post herstelschade (f) volledig heeft vergoed. De post omzetderving (g) ziet op de winstderving die wordt aangetoond met overlegging van de kassabonnen waaruit de gerealiseerde omzet/winst van twee dagen blijkt. Het restaurant is als gevolg van de explosie twee dagen dicht geweest en kon daarna maar deels open omdat nog niet alles was hersteld. Op basis van de kassabonnen kan het hof een schatting maken van de winst die de benadeelde partij is misgelopen door de sluiting. We hebben deze schadepost ook getracht te verhalen op de verzekering maar die hebben vergoeding daarvan geweigerd. Ik verzoek het hof dan ook het bedrag van € 5.353,15 geheel toe te wijzen; Wat betreft de post beveiliging (c) voor een bedrag van € 6.994,00 het volgende. De gemeente stond meteen voor de deur met een voornemen tot sluiting omdat er een explosief was afgegaan. Om volledige sluiting van het restaurant te voorkomen eiste de gemeente een plan op basis waarvan herhaling in de toekomst kon worden voorkomen. Mijn cliënt heeft daarom een advocaat ingeschakeld die een beveiligingsplan heeft opgesteld dat onder meer bestond uit het plaatsen van camera’s en de inschakeling van twee beveiligers. Met dit plan is de gemeente akkoord gegaan. Daarbij was de beveiliging ook nodig voor herstel van het vertrouwen bij het personeel. ” 5. Daarop heeft de raadsman van de verdachte verweer gevoerd. Dit verweer houdt, voor zover relevant, in: “Ik refereer mij aan het oordeel van uw hof met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] . Dat ligt anders bij de benadeelde partij restaurant [benadeelde 1] . Ten aanzien van de posten beveiliging G-sec (c) en beveiliging personeel (d) meen ik dat onvoldoende is aangetoond dat deze kosten gemaakt zijn als gevolg van de door de gemeente noodzakelijk geachte maatregelen om sluiting van het bedrijf na de explosie te voorkomen.” 6. Het hof heeft de vordering van Restaurant [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen en heeft voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “ Vordering van de benadeelde partij Restaurant [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 31.905,75 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.487,37. Daarnaast is een deel van de gevorderde proceskosten toegewezen, tot een bedrag van € 612,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering opnieuw toegelicht. (…) Oordeel hof Het hof overweegt als volgt. De schadeposten (a) (b) en (e) zijn door de benadeelde partij middels stukken onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Deze onderdelen van de vordering komen het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze voor toewijzing gereed liggen. Anders dan de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat ook de kosten voor het inhuren van een beveiligingsmedewerker van het bedrijf G-SEC security zoals gevorderd onder post (c) genoegzaam zijn onderbouwd. Uit de e-mail van [naam 1] van 16 augustus 2023 aan de eigenaar van het restaurant volgt naar het oordeel van het hof dat het inhuren van beveiliging onderdeel uitmaakte van de afspraken met de gemeente ter voorkoming van de sluiting van het pand. De kosten voor het inhuren van de beveiligingsmedewerker zijn onderbouwd met facturen. Het hof zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van de voornoemde schadeposten gehouden, zodat de vordering ten aanzien van de materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 8.481,36. Ten aanzien van de beveiligingskosten die zijn gemaakt door het inzetten van een personeelslid als beveiliger, zoals gevorderd onder post (d), is het hof van oordeel dat niet is duidelijk geworden wat de werkzaamheden van dit personeelslid hebben ingehouden en in hoeverre het inzetten van het betreffende personeelslid tot additionele (loon-)kosten heeft geleid. Het hof is dan ook van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van dit onderdeel van de vordering van de benadeelde partij, ook ingeval van schatting tot een deel van het gevorderde bedrag, nader onderzoek vergt, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:524 text/xml public 2026-05-27T11:06:25 2026-05-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/04491 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:524 text/html public 2026-05-27T11:03:25 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:524 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/04491 Conclusie AG. Medeplegen opzettelijk teweegbrengen ontploffing (art. 157 Sr). Middel bevat klachten over oordeel hof dat kosten voor inhuur van beveiligingsmedewerker als ‘rechtstreekse schade’ kunnen worden aangemerkt. Middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04491 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 4 december 2024 (parketnr. 23-000577-24) het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024 (parketnr. 13-198783-23) bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. De verdachte is veroordeeld wegens " medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en gemeen gevaar voor goederen te duchten is ". Het hof heeft een gevangenisstraf voor de duur van 730 dagen, waarvan 388 dagen voorwaardelijk, opgelegd, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr en met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van drie benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en daarbij geoordeeld dat de verdachte, met zijn mededaders, hoofdelijk voor dat gehele bedrag aansprakelijk is. Het hof heeft drie schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Y. Finani en A. Boumanjal, advocaten in Utrecht, hebben een middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de beslissing om de vordering van de benadeelde partij Restaurant [benadeelde 1] tot vergoeding van beveiligingskosten van € 6994,00 toe te wijzen. De bewezenverklaring, de vordering van de benadeelde partij en het oordeel van het hof 3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “op 9 augustus 2023 te Amsterdam, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht aan restaurant [benadeelde 1] , gevestigd aan de [a-straat 1] . door een zwaar explosief voorwerp, aan de voorzijde van het pand te bevestigen en dit vervolgens aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en goederen in voornoemd pand en een of meer nabijgelegen panden (waaronder hotel [A] ) en goederen in die nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aldaar in en in de directe nabijheid van dat pand aanwezige personen (onder wie [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ), in elk geval levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was”. 4. De benadeelde partij Restaurant [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 november 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij de vordering als volgt toegelicht: “In eerste aanleg is een vordering ingediend van ruim € 31.000,00 waarvan door de rechtbank € 1.487,37 is toegewezen. Mijn cliënt is het daar niet mee eens en de benadeelde partij handhaaft zijn oorspronkelijke verzoek tot schadevergoeding met dien verstande dat deze thans wel wordt verminderd met € 5.000,00 aangezien de verzekering inmiddels de post herstelschade (f) volledig heeft vergoed. De post omzetderving (g) ziet op de winstderving die wordt aangetoond met overlegging van de kassabonnen waaruit de gerealiseerde omzet/winst van twee dagen blijkt. Het restaurant is als gevolg van de explosie twee dagen dicht geweest en kon daarna maar deels open omdat nog niet alles was hersteld. Op basis van de kassabonnen kan het hof een schatting maken van de winst die de benadeelde partij is misgelopen door de sluiting. We hebben deze schadepost ook getracht te verhalen op de verzekering maar die hebben vergoeding daarvan geweigerd. Ik verzoek het hof dan ook het bedrag van € 5.353,15 geheel toe te wijzen; Wat betreft de post beveiliging (c) voor een bedrag van € 6.994,00 het volgende. De gemeente stond meteen voor de deur met een voornemen tot sluiting omdat er een explosief was afgegaan. Om volledige sluiting van het restaurant te voorkomen eiste de gemeente een plan op basis waarvan herhaling in de toekomst kon worden voorkomen. Mijn cliënt heeft daarom een advocaat ingeschakeld die een beveiligingsplan heeft opgesteld dat onder meer bestond uit het plaatsen van camera’s en de inschakeling van twee beveiligers. Met dit plan is de gemeente akkoord gegaan. Daarbij was de beveiliging ook nodig voor herstel van het vertrouwen bij het personeel. ” 5. Daarop heeft de raadsman van de verdachte verweer gevoerd. Dit verweer houdt, voor zover relevant, in: “Ik refereer mij aan het oordeel van uw hof met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] . Dat ligt anders bij de benadeelde partij restaurant [benadeelde 1] . Ten aanzien van de posten beveiliging G-sec (c) en beveiliging personeel (d) meen ik dat onvoldoende is aangetoond dat deze kosten gemaakt zijn als gevolg van de door de gemeente noodzakelijk geachte maatregelen om sluiting van het bedrijf na de explosie te voorkomen.” 6. Het hof heeft de vordering van Restaurant [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen en heeft voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “ Vordering van de benadeelde partij Restaurant [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 31.905,75 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.487,37. Daarnaast is een deel van de gevorderde proceskosten toegewezen, tot een bedrag van € 612,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering opnieuw toegelicht. (…) Oordeel hof Het hof overweegt als volgt. De schadeposten (a) (b) en (e) zijn door de benadeelde partij middels stukken onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Deze onderdelen van de vordering komen het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze voor toewijzing gereed liggen. Anders dan de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat ook de kosten voor het inhuren van een beveiligingsmedewerker van het bedrijf G-SEC security zoals gevorderd onder post (c) genoegzaam zijn onderbouwd. Uit de e-mail van [naam 1] van 16 augustus 2023 aan de eigenaar van het restaurant volgt naar het oordeel van het hof dat het inhuren van beveiliging onderdeel uitmaakte van de afspraken met de gemeente ter voorkoming van de sluiting van het pand. De kosten voor het inhuren van de beveiligingsmedewerker zijn onderbouwd met facturen. Het hof zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van de voornoemde schadeposten gehouden, zodat de vordering ten aanzien van de materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 8.481,36. Ten aanzien van de beveiligingskosten die zijn gemaakt door het inzetten van een personeelslid als beveiliger, zoals gevorderd onder post (d), is het hof van oordeel dat niet is duidelijk geworden wat de werkzaamheden van dit personeelslid hebben ingehouden en in hoeverre het inzetten van het betreffende personeelslid tot additionele (loon-)kosten heeft geleid. Het hof is dan ook van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van dit onderdeel van de vordering van de benadeelde partij, ook ingeval van schatting tot een deel van het gevorderde bedrag, nader onderzoek vergt, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.
Volledig
De benadeelde partij kan daarom in zoverre in de vordering niet worden ontvangen. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Tot slot is het hof van oordeel dat ook de gevorderde schadepost (g) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu door of namens de benadeelde partij geen nader inzicht is verschaft over het verschil tussen de gevorderde omzet en de in hoger beroep gestelde winstderving en ook deze schadepost zich niet voor een rechtens verantwoorde schatting leent .” De klachten van het middel 7. Het middel bevat twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door de gevorderde kosten van de inhuur van een beveiligingsmedewerker als bedoeld in schadepost (c) als rechtstreekse schade aan te merken. De tweede deelklacht houdt in dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. Aan de beide klachten van het middel ligt ten grondslag dat alleen de kosten die onvermijdelijk en noodzakelijk zijn als rechtstreekse schade voor vergoeding in aanmerking komen, terwijl de onvermijdelijkheid en noodzakelijkheid in de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en in de motivering van de beslissing van het hof onvoldoende zijn onderbouwd. Het juridisch kader: rechtstreekse schade 8. De benadeelde partij kan in het strafproces een vergoeding vorderen voor de schade die zij rechtstreeks door het strafbare feit heeft geleden, zo bepaalt artikel 51f lid 1 Sv. Dat houdt in dat er voldoende verband dient te bestaan tussen de geleden schade en het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Voor de beoordeling daarvan zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. 9. Het vereiste van ‘voldoende verband’ mag niet te strikt worden uitgelegd. Zo wordt bijvoorbeeld niet vereist dat de benadeelde partij moet zijn getroffen in een door de overtreden strafbepaling beschermd belang. De omvang van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt, wordt wettelijk genormeerd door de civiele causaliteitseis van artikel 6:98 BW. De benadeelde partij kan de schade vorderen die zij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte heeft geleden en voor zover die schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Die toerekening geschiedt naar redelijkheid, waarbij betekenis toekomt aan factoren als de aard van de schade en de mate van voorzienbaarheid. 10. Voor de vergoeding van vermogensschade geldt als uitgangspunt dat de concreet geleden schade wordt vergoed. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW komen tevens voor vergoeding in aanmerking de ‘redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht’. De redelijkheidstoets brengt o.m. mee dat de getroffen maatregelen ter voorkoming of beperking van de schade, in het licht van alle omstandigheden, verantwoord dienen te zijn. “ Gedacht kan worden aan aspecten als: was er voldoende dreiging van een dergelijke gebeurtenis; was er een redelijke verhouding tussen de omvang van de te verwachten kosten van de maatregelen en de hoogte van de als gevolg van de gebeurtenis te verwachten schade; hoe groot was het risico dat kosten en/of schade (veel) hoger zouden uitvallen dan verwacht? ”, aldus Lindenbergh. Niet is vereist dat de schade door de maatregelen daadwerkelijk is voorkomen of beperkt. De bespreking van het middel 11. Ter zitting heeft de verdediging aangevoerd dat de noodzakelijkheid van de getroffen maatregel, te weten het inhuren van een beveiligingsmedewerker voor een bedrag van € 6994,00, onvoldoende is onderbouwd, zodat de vordering ten aanzien van schadepost (c) moet worden afgewezen. Het hof heeft geoordeeld dat de vordering wordt toegewezen en daarbij in aanmerking genomen dat uit een e-mailbericht aan de eigenaar van restaurant [benadeelde 1] kan worden afgeleid dat de ingehuurde beveiliging onderdeel uitmaakte van afspraken met de gemeente ter voorkoming van de sluiting van het pand en dat de gemaakte kosten bovendien zijn onderbouwd met facturen. 12. Deze toewijzing getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De beveiligingskosten kunnen m.i. worden beschouwd als de in artikel 6:96 lid 2 sub a BW bedoelde kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht. De kosten komen mij bovendien, in het licht van de omstandigheden van het geval, redelijk voor. Het is immers voorzienbaar dat de gemeente naar aanleiding van de opzettelijk teweeggebrachte explosie tot de sluiting van het pand kon overgaan. Aangezien de sluiting van het restaurant onvermijdelijk zou leiden tot inkomstenverlies, is het begrijpelijk dat de eigenaar de nodige maatregelen heeft getroffen om sluiting te voorkomen. Toepassing van de civiele causaliteitsleer brengt mee dat de toerekening van deze schade aan de verdachte wordt gerechtvaardigd door de aard en de voorzienbaarheid van de schade. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, behoefde voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij niet te worden verlangd dat zij aantoont dat de gemaakte kosten ‘noodzakelijk en onvermijdelijk’ waren om de sluiting van het pand te voorkomen. Daarmee uitgaande van een te strikt criterium, miskennen de stellers van het middel dat kosten ter voorkoming van de schade (niets méér dan) verantwoord dienen te zijn en dat de daadwerkelijke voorkoming of beperking van de schade door de getroffen maatregelen niet als eis wordt gesteld. De eerste deelklacht faalt derhalve. 13. Dat brengt mij meer specifiek bij de motivering van ’s hofs beslissing om de vordering toe te wijzen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de eisen aan de motivering als bedoeld in artikel 361 lid 4 Sv afhankelijk zijn van de wijze waarop de vordering door de benadeelde partij is onderbouwd en het verweer dat daartegen is gevoerd. Ter terechtzitting heeft de verdediging de noodzakelijkheid van de beveiligingskosten betwist. Het hof heeft echter moeten beoordelen of er tussen de redelijke kosten van de getroffen beveiligingsmaatregelen en het bewezen verklaarde feit voldoende verband bestaat. Reeds omdat het verweer van de verdediging uitgaat van een te strikt criterium voor de toepassing van artikel 51f lid 1 Sv, heeft het hof kunnen volstaan met de motivering dat de geleden schade wordt ondersteund door (i) de facturen en (ii) het e-mailbericht waaruit blijkt dat de beveiligingskosten zijn gemaakt vanwege afspraken met de gemeente ter voorkoming van de sluiting van het pand. In die overwegingen ligt als oordeel van het hof besloten dat de benadeelde partij niet tot een nadere onderbouwing van haar vordering was gehouden en de rechtstreekse schade op grond van de overgelegde dossierstukken aan de verdachte kan worden toegerekend. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Dat betekent dat ook de tweede deelklacht faalt. Slotsom 14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In de schriftuur is voor de volledigheid opgemerkt dat het middel ook is gericht tegen de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel, nu deze niet in stand kan blijven als het middel slaagt. Zie artikel 361 lid 2 Sv inzake de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga. Ik verwijs naar de conclusie van A-G Hofstee, ECLI:NL:PHR:2018:998, voor een overzicht van de rechtspraak van de Hoge Raad hierover. HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533 (kosten van inschrijving voor een nieuwe woning “ om uit de buurt van de verdachte te komen ”), en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.3. De uit art.
Volledig
De benadeelde partij kan daarom in zoverre in de vordering niet worden ontvangen. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Tot slot is het hof van oordeel dat ook de gevorderde schadepost (g) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu door of namens de benadeelde partij geen nader inzicht is verschaft over het verschil tussen de gevorderde omzet en de in hoger beroep gestelde winstderving en ook deze schadepost zich niet voor een rechtens verantwoorde schatting leent .” De klachten van het middel 7. Het middel bevat twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door de gevorderde kosten van de inhuur van een beveiligingsmedewerker als bedoeld in schadepost (c) als rechtstreekse schade aan te merken. De tweede deelklacht houdt in dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. Aan de beide klachten van het middel ligt ten grondslag dat alleen de kosten die onvermijdelijk en noodzakelijk zijn als rechtstreekse schade voor vergoeding in aanmerking komen, terwijl de onvermijdelijkheid en noodzakelijkheid in de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en in de motivering van de beslissing van het hof onvoldoende zijn onderbouwd. Het juridisch kader: rechtstreekse schade 8. De benadeelde partij kan in het strafproces een vergoeding vorderen voor de schade die zij rechtstreeks door het strafbare feit heeft geleden, zo bepaalt artikel 51f lid 1 Sv. Dat houdt in dat er voldoende verband dient te bestaan tussen de geleden schade en het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Voor de beoordeling daarvan zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. 9. Het vereiste van ‘voldoende verband’ mag niet te strikt worden uitgelegd. Zo wordt bijvoorbeeld niet vereist dat de benadeelde partij moet zijn getroffen in een door de overtreden strafbepaling beschermd belang. De omvang van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt, wordt wettelijk genormeerd door de civiele causaliteitseis van artikel 6:98 BW. De benadeelde partij kan de schade vorderen die zij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte heeft geleden en voor zover die schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Die toerekening geschiedt naar redelijkheid, waarbij betekenis toekomt aan factoren als de aard van de schade en de mate van voorzienbaarheid. 10. Voor de vergoeding van vermogensschade geldt als uitgangspunt dat de concreet geleden schade wordt vergoed. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW komen tevens voor vergoeding in aanmerking de ‘redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht’. De redelijkheidstoets brengt o.m. mee dat de getroffen maatregelen ter voorkoming of beperking van de schade, in het licht van alle omstandigheden, verantwoord dienen te zijn. “ Gedacht kan worden aan aspecten als: was er voldoende dreiging van een dergelijke gebeurtenis; was er een redelijke verhouding tussen de omvang van de te verwachten kosten van de maatregelen en de hoogte van de als gevolg van de gebeurtenis te verwachten schade; hoe groot was het risico dat kosten en/of schade (veel) hoger zouden uitvallen dan verwacht? ”, aldus Lindenbergh. Niet is vereist dat de schade door de maatregelen daadwerkelijk is voorkomen of beperkt. De bespreking van het middel 11. Ter zitting heeft de verdediging aangevoerd dat de noodzakelijkheid van de getroffen maatregel, te weten het inhuren van een beveiligingsmedewerker voor een bedrag van € 6994,00, onvoldoende is onderbouwd, zodat de vordering ten aanzien van schadepost (c) moet worden afgewezen. Het hof heeft geoordeeld dat de vordering wordt toegewezen en daarbij in aanmerking genomen dat uit een e-mailbericht aan de eigenaar van restaurant [benadeelde 1] kan worden afgeleid dat de ingehuurde beveiliging onderdeel uitmaakte van afspraken met de gemeente ter voorkoming van de sluiting van het pand en dat de gemaakte kosten bovendien zijn onderbouwd met facturen. 12. Deze toewijzing getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De beveiligingskosten kunnen m.i. worden beschouwd als de in artikel 6:96 lid 2 sub a BW bedoelde kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht. De kosten komen mij bovendien, in het licht van de omstandigheden van het geval, redelijk voor. Het is immers voorzienbaar dat de gemeente naar aanleiding van de opzettelijk teweeggebrachte explosie tot de sluiting van het pand kon overgaan. Aangezien de sluiting van het restaurant onvermijdelijk zou leiden tot inkomstenverlies, is het begrijpelijk dat de eigenaar de nodige maatregelen heeft getroffen om sluiting te voorkomen. Toepassing van de civiele causaliteitsleer brengt mee dat de toerekening van deze schade aan de verdachte wordt gerechtvaardigd door de aard en de voorzienbaarheid van de schade. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, behoefde voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij niet te worden verlangd dat zij aantoont dat de gemaakte kosten ‘noodzakelijk en onvermijdelijk’ waren om de sluiting van het pand te voorkomen. Daarmee uitgaande van een te strikt criterium, miskennen de stellers van het middel dat kosten ter voorkoming van de schade (niets méér dan) verantwoord dienen te zijn en dat de daadwerkelijke voorkoming of beperking van de schade door de getroffen maatregelen niet als eis wordt gesteld. De eerste deelklacht faalt derhalve. 13. Dat brengt mij meer specifiek bij de motivering van ’s hofs beslissing om de vordering toe te wijzen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de eisen aan de motivering als bedoeld in artikel 361 lid 4 Sv afhankelijk zijn van de wijze waarop de vordering door de benadeelde partij is onderbouwd en het verweer dat daartegen is gevoerd. Ter terechtzitting heeft de verdediging de noodzakelijkheid van de beveiligingskosten betwist. Het hof heeft echter moeten beoordelen of er tussen de redelijke kosten van de getroffen beveiligingsmaatregelen en het bewezen verklaarde feit voldoende verband bestaat. Reeds omdat het verweer van de verdediging uitgaat van een te strikt criterium voor de toepassing van artikel 51f lid 1 Sv, heeft het hof kunnen volstaan met de motivering dat de geleden schade wordt ondersteund door (i) de facturen en (ii) het e-mailbericht waaruit blijkt dat de beveiligingskosten zijn gemaakt vanwege afspraken met de gemeente ter voorkoming van de sluiting van het pand. In die overwegingen ligt als oordeel van het hof besloten dat de benadeelde partij niet tot een nadere onderbouwing van haar vordering was gehouden en de rechtstreekse schade op grond van de overgelegde dossierstukken aan de verdachte kan worden toegerekend. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Dat betekent dat ook de tweede deelklacht faalt. Slotsom 14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In de schriftuur is voor de volledigheid opgemerkt dat het middel ook is gericht tegen de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel, nu deze niet in stand kan blijven als het middel slaagt. Zie artikel 361 lid 2 Sv inzake de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga. Ik verwijs naar de conclusie van A-G Hofstee, ECLI:NL:PHR:2018:998, voor een overzicht van de rechtspraak van de Hoge Raad hierover. HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533 (kosten van inschrijving voor een nieuwe woning “ om uit de buurt van de verdachte te komen ”), en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.3. De uit art.