Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-26
ECLI:NL:PHR:2026:514
Strafrecht
35,355 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:514 text/xml public 2026-05-28T15:15:56 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/01934 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:514 text/html public 2026-05-28T15:14:21 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:514 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/01934 Conclusie AG. Seksueel misbruik van minderjarige dochter in Dubai en [plaats]. 1. Rechtsmacht voor feiten die in Dubai zijn gepleegd. AG maakt algemene opmerkingen over extraterritoriale rechtsmacht voor zedenmisdrijven en de mogelijkheid van terugwerking van het ingezetenschap (art. 7 lid 3 Sr). 2. Bewijsmotivering. 3. Strafmotivering. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding RT en tot verwerping voor het overige. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01934 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 13 mei 2024 (parketnr. 20-001573-23) door het gerechtshof 'sHertogenbosch wegens: - onder 1 “ met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd ” (artikel 244 (oud) Sr jo artikel 248 lid 2 (oud) Sr); - onder 2 “ met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd ” (artikel 245 (oud) Sr jo artikel 248 lid 2 (oud) Sr) en - onder 3 “ met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd ” (artikel 247 (oud) Sr jo artikel 248 lid 2 (oud) Sr) veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar (nadat in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren was opgelegd), met aftrek van voorarrest. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Die gaan over rechtsmacht, een bewijskwestie en de strafmotivering. De zaak 3. De verdachte heeft bekend dat hij in de jaren 2015 tot en met eind 2018 in hun woning in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en van eind 2018 tot medio 2021 in hun woning in [plaats] meermalen seksuele gemeenschap heeft gehad met zijn toen minderjarige dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006. Beiden hebben uitsluitend de Filipijnse nationaliteit. Het eerste middel 4. Het eerste middel bevat klachten over het (impliciete) oordeel dat het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk is in de vervolging voor zover de ten laste gelegde feiten zich in Dubai zouden hebben voorgedaan. Het ziet in dat verband op de vraag of Nederland rechtsmacht had over dat deel van de feiten. De relevante delen van de processtukken 5. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: “ 1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te [plaats] en/of Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en/of [plaats] , met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of het kussen van die [slachtoffer] en/of het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] . ” 6. Uit de informatie SKDB-persoon van de verdachte van 27 maart 2023 blijkt dat de verdachte uitsluitend de Filipijnse nationaliteit bezit. Verder blijkt hieruit dat hij vanaf 3 januari 2019 stond ingeschreven op een BRP-adres in Nederland. Onder het kopje “ Verblijfsgegevens ” is als verblijfstitel opgenomen: “ Vw 2000 art. 8, onder a, vergunning regulier bepaalde tijd, arbeid vrij ”. Naast “ Datum einde geldigheid verblijfstitel ” staat vermeld: “ 14-12-2028 ”. De verklaring van de verdachte op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2024 houdt in: “ Ik heb een verblijfsvergunning voor Nederland. De verblijfsvergunning is onlangs verlengd voor een periode van 5 jaar voor het hele gezin. Ik heb de vergunning vanaf december 2023. ” 7. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging géén verweer gevoerd over het ontbreken van rechtsmacht. In het arrest heeft het hof onder het kopje “ Toepasselijke wettelijke voorschriften ” verwezen naar de artikelen 6 en 7 Sr. De toelichting op eerste middel 8. De steller van het middel voert aan dat de feiten zich tot 30 december 2018 in Dubai zouden hebben afgespeeld, terwijl de verdachte en het slachtoffer de Filipijnse nationaliteit hebben. Ten tijde van de feiten waren zij geen Nederlander of vreemdeling met een vaste- woon of verblijfplaats in Nederland (als bedoeld in artikel 86b Sr). Voor zover de feiten in Dubai zouden zijn begaan, had het hof het OM bij gebrek aan rechtsmacht niet-ontvankelijk moeten verklaren, althans had het hof ambtshalve moeten doen blijken van onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM, aangezien uit de stukken van het geding een ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het OM in de strafvervolging niet-ontvankelijk is. Het beoordelingskader I: de reikwijdte van het onderzoek in cassatie 9. Op grond van artikel 348 Sv moet de rechter op de grondslag van de tenlastelegging onderzoek doen naar de ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging. Ingeval hij het OM ontvankelijk acht, hoeft de rechter dit oordeel in zijn uitspraak niet te expliciteren en te motiveren. Dat is anders indien de verdediging een tot niet-ontvankelijkheid strekkend uitdrukkelijk voorgedragen verweer voert of het OM een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt waarvan het hof afwijkt. Bovendien is de rechter – ook zonder zo’n verweer of standpunt, en dus: ambtshalve – gehouden in zijn uitspraak blijk te geven van zijn onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM wanneer uit de processtukken “ een ernstig en rechtstreeks vermoeden ” rijst dat het OM in de strafvervolging niet-ontvankelijk is. 10.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:514 text/xml public 2026-05-28T15:15:56 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-26 24/01934 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:514 text/html public 2026-05-28T15:14:21 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:514 Parket bij de Hoge Raad , 26-05-2026 / 24/01934 Conclusie AG. Seksueel misbruik van minderjarige dochter in Dubai en [plaats]. 1. Rechtsmacht voor feiten die in Dubai zijn gepleegd. AG maakt algemene opmerkingen over extraterritoriale rechtsmacht voor zedenmisdrijven en de mogelijkheid van terugwerking van het ingezetenschap (art. 7 lid 3 Sr). 2. Bewijsmotivering. 3. Strafmotivering. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding RT en tot verwerping voor het overige. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01934 Zitting 26 mei 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 13 mei 2024 (parketnr. 20-001573-23) door het gerechtshof 'sHertogenbosch wegens: - onder 1 “ met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd ” (artikel 244 (oud) Sr jo artikel 248 lid 2 (oud) Sr); - onder 2 “ met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd ” (artikel 245 (oud) Sr jo artikel 248 lid 2 (oud) Sr) en - onder 3 “ met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd ” (artikel 247 (oud) Sr jo artikel 248 lid 2 (oud) Sr) veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar (nadat in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren was opgelegd), met aftrek van voorarrest. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Die gaan over rechtsmacht, een bewijskwestie en de strafmotivering. De zaak 3. De verdachte heeft bekend dat hij in de jaren 2015 tot en met eind 2018 in hun woning in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en van eind 2018 tot medio 2021 in hun woning in [plaats] meermalen seksuele gemeenschap heeft gehad met zijn toen minderjarige dochter [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006. Beiden hebben uitsluitend de Filipijnse nationaliteit. Het eerste middel 4. Het eerste middel bevat klachten over het (impliciete) oordeel dat het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk is in de vervolging voor zover de ten laste gelegde feiten zich in Dubai zouden hebben voorgedaan. Het ziet in dat verband op de vraag of Nederland rechtsmacht had over dat deel van de feiten. De relevante delen van de processtukken 5. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: “ 1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te [plaats] en/of Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en/of [plaats] , met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of het kussen van die [slachtoffer] en/of het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] . ” 6. Uit de informatie SKDB-persoon van de verdachte van 27 maart 2023 blijkt dat de verdachte uitsluitend de Filipijnse nationaliteit bezit. Verder blijkt hieruit dat hij vanaf 3 januari 2019 stond ingeschreven op een BRP-adres in Nederland. Onder het kopje “ Verblijfsgegevens ” is als verblijfstitel opgenomen: “ Vw 2000 art. 8, onder a, vergunning regulier bepaalde tijd, arbeid vrij ”. Naast “ Datum einde geldigheid verblijfstitel ” staat vermeld: “ 14-12-2028 ”. De verklaring van de verdachte op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2024 houdt in: “ Ik heb een verblijfsvergunning voor Nederland. De verblijfsvergunning is onlangs verlengd voor een periode van 5 jaar voor het hele gezin. Ik heb de vergunning vanaf december 2023. ” 7. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging géén verweer gevoerd over het ontbreken van rechtsmacht. In het arrest heeft het hof onder het kopje “ Toepasselijke wettelijke voorschriften ” verwezen naar de artikelen 6 en 7 Sr. De toelichting op eerste middel 8. De steller van het middel voert aan dat de feiten zich tot 30 december 2018 in Dubai zouden hebben afgespeeld, terwijl de verdachte en het slachtoffer de Filipijnse nationaliteit hebben. Ten tijde van de feiten waren zij geen Nederlander of vreemdeling met een vaste- woon of verblijfplaats in Nederland (als bedoeld in artikel 86b Sr). Voor zover de feiten in Dubai zouden zijn begaan, had het hof het OM bij gebrek aan rechtsmacht niet-ontvankelijk moeten verklaren, althans had het hof ambtshalve moeten doen blijken van onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM, aangezien uit de stukken van het geding een ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het OM in de strafvervolging niet-ontvankelijk is. Het beoordelingskader I: de reikwijdte van het onderzoek in cassatie 9. Op grond van artikel 348 Sv moet de rechter op de grondslag van de tenlastelegging onderzoek doen naar de ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging. Ingeval hij het OM ontvankelijk acht, hoeft de rechter dit oordeel in zijn uitspraak niet te expliciteren en te motiveren. Dat is anders indien de verdediging een tot niet-ontvankelijkheid strekkend uitdrukkelijk voorgedragen verweer voert of het OM een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt waarvan het hof afwijkt. Bovendien is de rechter – ook zonder zo’n verweer of standpunt, en dus: ambtshalve – gehouden in zijn uitspraak blijk te geven van zijn onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM wanneer uit de processtukken “ een ernstig en rechtstreeks vermoeden ” rijst dat het OM in de strafvervolging niet-ontvankelijk is. 10.
Volledig
Bij gebreke van een ontvankelijkheidsverweer in feitelijke aanleg brengt het voorgaande mee dat in cassatie uitsluitend onderzoek kan worden gedaan naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het OM vanwege het ontbreken van rechtsmacht (i) indien uit de processtukken “ een ernstig en rechtstreeks vermoeden ” rijst dat het OM in de vervolging om die reden niet-ontvankelijk is en (ii) in cassatie wordt geklaagd over het verzuim van de feitenrechter om naar aanleiding van dit vermoeden ambtshalve onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM te verrichten. De bespreking van het eerste middel: inleiding op de discussie over de rechtsmacht 11. De toelichting op het middel bevat inderdaad de klacht dat het hof heeft verzuimd om naar de ontvankelijkheid van het OM ambtshalve onderzoek in te stellen op de grond dat uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het OM in de vervolging niet-ontvankelijk is. Uit het arrest – en met name uit de daarin opgenomen verwijzing naar de artikelen 6 en 7 Sr – valt evenwel op te maken dat het hof dit onderzoek wel degelijk heeft uitgevoerd. Het hof heeft de uitkomst van zijn onderzoek in het bestreden arrest echter niet (verder) geëxpliciteerd en gemotiveerd. De steller van het middel klaagt in dit verband over rechtsschending omdat de (enkele) verwijzing naar deze twee jurisdictiebepalingen volgens hem blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Deze twee bepalingen geven géén grondslag voor rechtsmacht ter zake van het ten laste gelegde voor zover dat in Dubai heeft plaatsgevonden, en andere bepalingen net zomin, aldus de steller van het middel. 12. Ter onderbouwing van zijn standpunt beroept de steller van het middel zich op het Grosskommentar van Van Elst in Tekst & Commentaar strafrecht bij de artikelen 2 tot en met 8c Sr . Van Elst hecht op zijn beurt aan een grammaticale en wetssystematische uitleg van de betreffende rechtsmachtsbepalingen, die ertoe leidt dat in een geval als de onderhavige geen rechtsmacht kan bestaan. Van Elst (en dus ook de steller van het middel) neemt hiermee een – ook in mijn opvatting – verdedigbare positie in. Daarop kom ik terug. 13. Niettemin zal ik hieronder op wetshistorische gronden betogen dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op zedenmisdrijven die door een vreemdeling buiten het grondgebied van Nederland zijn begaan ingeval de vreemdeling na het plegen van het feit in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats krijgt. Het hof heeft echter niet met zoveel woorden vastgesteld dat de verdachte inmiddels vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. Indien de Hoge Raad mij in mijn rechtsopvatting over de uitleg van de artikel 7 Sr volgt, faalt het middel niettemin om meer redenen. In dat geval berust het middel allereerst op een onjuiste rechtsopvatting. Uit de processtukken rijst dan niet zonder meer een ‘rechtstreeks en ernstig vermoeden’ dat het OM in de strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk is. Het middel faalt bovendien omdat de klacht over het ontbreken van rechtsmacht tardief is. In cassatie kan geen onderzoek worden gedaan naar de vraag (die in mijn rechtsopvatting relevant is) of en, zo ja, vanaf welk moment de verdachte ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. Het bevestigende, dan wel ontkennende antwoord op deze vraag betreft een zogeheten ‘rechtsfeit’ en daarop kan niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan. Ik zet mij thans aan een exposé over rechtsmacht. Het beoordelingskader II: extraterritoriale rechtsmacht voor zedenmisdrijven Overzicht van de mogelijk relevante wettelijke bepalingen 14. Artikel 5 Sr luidt met ingang van 1 juli 2014 als volgt: “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf tegen een Nederlander, (…), voor zover op dit feit naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. 2. Met een Nederlander wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft .” Artikel 6 Sr luidt met ingang van 1 juli 2014 als volgt: “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit voor zover een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot het vestigen van rechtsmacht over dat feit verplicht. 2. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden de feiten omschreven met betrekking tot welke de bij de maatregel aangewezen verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties tot de vestiging van rechtsmacht verplichten .” 15. Artikel 3 (oud) Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (hierna: het Besluit internationale verplichtingen) luidde – voor zover van toepassing – van 1 juli 2014 tot 1 juli 2024, met dien verstande dat artikel 3 lid 1 sub c en artikel 3 lid 5 (aanvankelijk genummerd als lid 4) pas op 1 januari 2016 zijn ingevoerd : “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt: (…) b. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f van de wet, indien het feit is begaan tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft welke Nederlander of vreemdeling de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt; c. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240 tot en met 240b, 242, 244 tot en met 246, 248a, 248d, 266, 273f, 284, 285, 285b, 285c, 296 en 300 tot en met 304 van de wet, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 33 tot en met 40 van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, indien het feit is begaan tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. (…) 5. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240 tot en met 240b, 242, 244 tot en met 246, 248a, 248d, 266, 273f, 284, 285, 285b, 285c, 296 en 300 tot en met 304 van de wet, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 33 tot en met 40 van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. (…) 7. In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan de vervolging ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen .” Artikel 7 Sr luidde van 1 juli 2014 tot 1 juli 2024 als volgt: “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. 2. De Nederlandse strafwet is voorts toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt: (…) c. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240b en 242 tot en met 250; (…) 3. Met een Nederlander wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, onder b tot en met e, gelijkgesteld de vreemdeling die na het plegen van het feit Nederlander wordt alsmede, voor de toepassing van het eerste en tweede lid, de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft .” Artikel 8c luidt met ingang van 1 juli 2014 als volgt: “ De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld, indien deze vreemdeling zich in Nederland bevindt en: a.
Volledig
Bij gebreke van een ontvankelijkheidsverweer in feitelijke aanleg brengt het voorgaande mee dat in cassatie uitsluitend onderzoek kan worden gedaan naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het OM vanwege het ontbreken van rechtsmacht (i) indien uit de processtukken “ een ernstig en rechtstreeks vermoeden ” rijst dat het OM in de vervolging om die reden niet-ontvankelijk is en (ii) in cassatie wordt geklaagd over het verzuim van de feitenrechter om naar aanleiding van dit vermoeden ambtshalve onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM te verrichten. De bespreking van het eerste middel: inleiding op de discussie over de rechtsmacht 11. De toelichting op het middel bevat inderdaad de klacht dat het hof heeft verzuimd om naar de ontvankelijkheid van het OM ambtshalve onderzoek in te stellen op de grond dat uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het OM in de vervolging niet-ontvankelijk is. Uit het arrest – en met name uit de daarin opgenomen verwijzing naar de artikelen 6 en 7 Sr – valt evenwel op te maken dat het hof dit onderzoek wel degelijk heeft uitgevoerd. Het hof heeft de uitkomst van zijn onderzoek in het bestreden arrest echter niet (verder) geëxpliciteerd en gemotiveerd. De steller van het middel klaagt in dit verband over rechtsschending omdat de (enkele) verwijzing naar deze twee jurisdictiebepalingen volgens hem blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Deze twee bepalingen geven géén grondslag voor rechtsmacht ter zake van het ten laste gelegde voor zover dat in Dubai heeft plaatsgevonden, en andere bepalingen net zomin, aldus de steller van het middel. 12. Ter onderbouwing van zijn standpunt beroept de steller van het middel zich op het Grosskommentar van Van Elst in Tekst & Commentaar strafrecht bij de artikelen 2 tot en met 8c Sr . Van Elst hecht op zijn beurt aan een grammaticale en wetssystematische uitleg van de betreffende rechtsmachtsbepalingen, die ertoe leidt dat in een geval als de onderhavige geen rechtsmacht kan bestaan. Van Elst (en dus ook de steller van het middel) neemt hiermee een – ook in mijn opvatting – verdedigbare positie in. Daarop kom ik terug. 13. Niettemin zal ik hieronder op wetshistorische gronden betogen dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op zedenmisdrijven die door een vreemdeling buiten het grondgebied van Nederland zijn begaan ingeval de vreemdeling na het plegen van het feit in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats krijgt. Het hof heeft echter niet met zoveel woorden vastgesteld dat de verdachte inmiddels vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. Indien de Hoge Raad mij in mijn rechtsopvatting over de uitleg van de artikel 7 Sr volgt, faalt het middel niettemin om meer redenen. In dat geval berust het middel allereerst op een onjuiste rechtsopvatting. Uit de processtukken rijst dan niet zonder meer een ‘rechtstreeks en ernstig vermoeden’ dat het OM in de strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk is. Het middel faalt bovendien omdat de klacht over het ontbreken van rechtsmacht tardief is. In cassatie kan geen onderzoek worden gedaan naar de vraag (die in mijn rechtsopvatting relevant is) of en, zo ja, vanaf welk moment de verdachte ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft. Het bevestigende, dan wel ontkennende antwoord op deze vraag betreft een zogeheten ‘rechtsfeit’ en daarop kan niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan. Ik zet mij thans aan een exposé over rechtsmacht. Het beoordelingskader II: extraterritoriale rechtsmacht voor zedenmisdrijven Overzicht van de mogelijk relevante wettelijke bepalingen 14. Artikel 5 Sr luidt met ingang van 1 juli 2014 als volgt: “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf tegen een Nederlander, (…), voor zover op dit feit naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. 2. Met een Nederlander wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft .” Artikel 6 Sr luidt met ingang van 1 juli 2014 als volgt: “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit voor zover een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot het vestigen van rechtsmacht over dat feit verplicht. 2. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden de feiten omschreven met betrekking tot welke de bij de maatregel aangewezen verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties tot de vestiging van rechtsmacht verplichten .” 15. Artikel 3 (oud) Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (hierna: het Besluit internationale verplichtingen) luidde – voor zover van toepassing – van 1 juli 2014 tot 1 juli 2024, met dien verstande dat artikel 3 lid 1 sub c en artikel 3 lid 5 (aanvankelijk genummerd als lid 4) pas op 1 januari 2016 zijn ingevoerd : “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt: (…) b. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f van de wet, indien het feit is begaan tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft welke Nederlander of vreemdeling de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt; c. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240 tot en met 240b, 242, 244 tot en met 246, 248a, 248d, 266, 273f, 284, 285, 285b, 285c, 296 en 300 tot en met 304 van de wet, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 33 tot en met 40 van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, indien het feit is begaan tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. (…) 5. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240 tot en met 240b, 242, 244 tot en met 246, 248a, 248d, 266, 273f, 284, 285, 285b, 285c, 296 en 300 tot en met 304 van de wet, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 33 tot en met 40 van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. (…) 7. In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan de vervolging ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen .” Artikel 7 Sr luidde van 1 juli 2014 tot 1 juli 2024 als volgt: “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. 2. De Nederlandse strafwet is voorts toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt: (…) c. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240b en 242 tot en met 250; (…) 3. Met een Nederlander wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, onder b tot en met e, gelijkgesteld de vreemdeling die na het plegen van het feit Nederlander wordt alsmede, voor de toepassing van het eerste en tweede lid, de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft .” Artikel 8c luidt met ingang van 1 juli 2014 als volgt: “ De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld, indien deze vreemdeling zich in Nederland bevindt en: a.
Volledig
uitlevering ter zake van dit misdrijf is geweigerd op een grond die niet tevens inhoudt dat naar Nederlands recht geen vervolging kan plaatshebben, of b. uitlevering ter zake van dit misdrijf wegens het ontbreken van een verdragsrelatie niet mogelijk is, voor zover op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. ” Artikel 86b Sr luidt (sedert 1 juli 2014 ongewijzigd) als volgt: “ Voor de toepassing van Titel I van dit Boek wordt onder het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verstaan het rechtmatig verblijven in Nederland gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer. ” Artikel 5a (oud) Sr luidde als volgt (in de kern golden de hier weergegeven onderdelen van 1 oktober 2002 tot 1 juli 2014): “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b en 242 tot en met 250a, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een minderjarige. 2.De vervolging kan ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen. ” Rechtsmacht algemeen 16. Artikelen 2 tot en met 8c Sr regelen (voor het commune strafrecht) onder welke condities de Nederlandse strafwet van toepassing is. Waar titel VIII van het Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het “ verval van het recht tot strafvordering ”, een aantal gronden voor uitsluiting van vervolgbaarheid opsomt, zijn de rechtsmachtsbepalingen positief, d.w.z. rechtsmacht vestigend , geformuleerd. Rechtsmacht is een noodzakelijke voorwaarde voor vervolgbaarheid. Extraterritoriale rechtsmacht 17. De wetgever sleutelde voor het laatst ingrijpend aan de rechtsmachtsregeling met de invoering van de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken, in werking getreden op 1 juli 2014. De wetgever voorzag toen in uitbreidingen van de extraterritoriale rechtsmacht en hanteerde als primair richtsnoer dat rechtsmacht wordt gevestigd op basis van de band van de staat met het strafbare feit en/of de ernst van het feit. Dat vindt tegenwoordig uitdrukking in de artikelen 3 tot en met 8c Sr, waarin verschillende aanknopingspunten voor extraterritoriale rechtsmacht zijn opgenomen. 18. In artikel 5 Sr is sindsdien geregeld dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op misdrijven die worden bedreigd met minstens acht jaar gevangenisstraf en die in het buitenland (door wie dan ook) zijn begaan tegen Nederlanders, althans voor zover het feit strafbaar is in het land waar het is begaan. Artikel 6 Sr regelt in samenhang met het Besluit internationale verplichtingen dat Nederland – in veel gevallen: universele – rechtsmacht heeft over in dat besluit aangewezen feiten ingeval de staat verdragsrechtelijk verplicht is die rechtsmacht te vestigen. Artikel 7 lid 1 Sr verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op misdrijven die in het buitenland door Nederlanders (tegen wie dan ook) zijn begaan, voor zover het feit strafbaar is in het land waar het is begaan. Lid 2 van artikel 7 dicteert dat de Nederlandse strafwet onder meer van toepassing is op de onder c vermelde zedenmisdrijven begaan door Nederlanders in het buitenland, zonder dat de aanvullende eis van dubbele strafbaarheid wordt gesteld. 19. Voor de toepassing van artikel 5 en 7 Sr wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, oftewel: een ingezetene. Deze gelijkstelling is voor wat betreft artikel 6 Sr telkens ook terug te vinden in de afzonderlijke bepalingen van het Besluit internationale verplichtingen, namelijk wanneer de rechtsmacht wordt gebaseerd op het beginsel van actieve of passieve personaliteit. Voor de toepassing van alle rechtsmachtbepalingen definieert artikel 86b Sr sedert 1 juli 2014 dat een vreemdeling ‘een vaste woon- of verblijfplaats heeft’ wanneer hij gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer rechtmatig in Nederland verblijft. Zo’n vreemdeling is pas dan voor deze gelijkstelling voldoende in Nederland ‘geworteld’. Het moment van toetsing bij de vraag of een vreemdeling als ingezetene kan worden aangemerkt 20. Voor de beoordeling van de extraterritoriale rechtsmacht in deze zaak is beslissend op welk moment de voorwaarde van artikel 86b Sr, te weten de eis dat de vreemdeling ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft, moet zijn vervuld. De tekst van de rechtsmachtbepalingen zijn in de tegenwoordige tijd geformuleerd. Het gaat hierin immers steeds om een persoon die Nederlander is of een vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft . Dit wijst erop dat de situatie ten tijde van het feit leidend is. Ook uit bepalingen als artikel 7 lid 3 Sr en artikel 3 lid 7 van het Besluit internationale verplichtingen zou a contrario kunnen worden afgeleid dat buiten de daarin geregelde gevallen niet ter zake doet dat de vreemdeling ná het plegen van het feit Nederlander is geworden dan wel hier te lande vaste woon- of verblijfplaats heeft gekregen. De wetsgeschiedenis wijst volgens mij echter in een andere richting. 21. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet herziening regels extraterritoriale rechtsmacht op 1 juli 2014 bepaalde artikel 5a (oud) Sr onder welke condities Nederland extraterritoriale jurisdictie toekwam over feiten die waren gepleegd door een ingezeten vreemdeling (het actieve personaliteitsbeginsel). Dit artikel werd ingevoerd op 1 oktober 2002. Lid 1 daarvan had toen nog uitsluitend betrekking op zedenmisdrijven, met inbegrip van de misdrijven omschreven in de artikelen 244, 245 en 247 (telkens: oud) Sr, indien en voor zover gepleegd tegen minderjarigen. Van meet af aan regelde lid 2 van artikel 5a Sr dat Nederland eveneens rechtsmacht toekwam ingeval de vreemdeling pas ná het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kreeg. De eis van ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland werd toen nog niet gesteld. Bij latere wetswijzigingen werd de actieradius van de extraterritoriale rechtsmacht van artikel 5a lid 1 Sr verruimd tot verscheidene andere delicten en hield de reikwijdte van de aanvankelijk in lid 2 verankerde ‘terugwerking van het ingezetenschap’ daarmee vanzelf gelijke tred, zulks met uitzondering van bigamie. Kortom, tot 1 juli 2014 stelde de wet buiten twijfel dat een vreemdeling met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kon worden vervolgd en berecht voor zedenmisdrijven die hij in het buitenland tegen een minderjarige had begaan, zonder de aanvullende voorwaarde dat het feit strafbaar is in het land waar het was begaan. Dit gold ook – en dat is de crux – indien de vreemdeling pas ná het begaan van het misdrijf een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kreeg. 22. Toen kwam het voorstel tot de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken, die op 1 juli 2014 in werking zou treden. De Raad van State signaleerde in zijn advies op het wetsvoorstel onduidelijkheid over de verhouding van het criterium van het voorgestelde artikel 86b Sr tot de op dat moment nog geldende regelgeving. Het advies hield in dat “ in de toelichting [dient] te worden ingegaan op het feit dat in het voorgestelde artikel 86b Sr niet wordt bepaald of aan het criterium van het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats moet zijn voldaan op het moment waarop het feit is begaan, of dat voldoende is dat daaraan is voldaan op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan, zoals de bestaande artikelen 5, tweede lid, en 5a, vierde lid, Sr ten aanzien van het actieve personaliteitsbeginsel bepalen . ” 23. In het nader rapport schreef de minister dat “ overeenkomstig het advies van de Afdeling in de memorie van toelichting [wordt] aangegeven dat aan het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats moet zijn voldaan op het moment waarop wordt beslist om tot vervolging over te gaan.
Volledig
uitlevering ter zake van dit misdrijf is geweigerd op een grond die niet tevens inhoudt dat naar Nederlands recht geen vervolging kan plaatshebben, of b. uitlevering ter zake van dit misdrijf wegens het ontbreken van een verdragsrelatie niet mogelijk is, voor zover op het feit door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. ” Artikel 86b Sr luidt (sedert 1 juli 2014 ongewijzigd) als volgt: “ Voor de toepassing van Titel I van dit Boek wordt onder het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verstaan het rechtmatig verblijven in Nederland gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer. ” Artikel 5a (oud) Sr luidde als volgt (in de kern golden de hier weergegeven onderdelen van 1 oktober 2002 tot 1 juli 2014): “ 1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b en 242 tot en met 250a, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een minderjarige. 2.De vervolging kan ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen. ” Rechtsmacht algemeen 16. Artikelen 2 tot en met 8c Sr regelen (voor het commune strafrecht) onder welke condities de Nederlandse strafwet van toepassing is. Waar titel VIII van het Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het “ verval van het recht tot strafvordering ”, een aantal gronden voor uitsluiting van vervolgbaarheid opsomt, zijn de rechtsmachtsbepalingen positief, d.w.z. rechtsmacht vestigend , geformuleerd. Rechtsmacht is een noodzakelijke voorwaarde voor vervolgbaarheid. Extraterritoriale rechtsmacht 17. De wetgever sleutelde voor het laatst ingrijpend aan de rechtsmachtsregeling met de invoering van de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken, in werking getreden op 1 juli 2014. De wetgever voorzag toen in uitbreidingen van de extraterritoriale rechtsmacht en hanteerde als primair richtsnoer dat rechtsmacht wordt gevestigd op basis van de band van de staat met het strafbare feit en/of de ernst van het feit. Dat vindt tegenwoordig uitdrukking in de artikelen 3 tot en met 8c Sr, waarin verschillende aanknopingspunten voor extraterritoriale rechtsmacht zijn opgenomen. 18. In artikel 5 Sr is sindsdien geregeld dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op misdrijven die worden bedreigd met minstens acht jaar gevangenisstraf en die in het buitenland (door wie dan ook) zijn begaan tegen Nederlanders, althans voor zover het feit strafbaar is in het land waar het is begaan. Artikel 6 Sr regelt in samenhang met het Besluit internationale verplichtingen dat Nederland – in veel gevallen: universele – rechtsmacht heeft over in dat besluit aangewezen feiten ingeval de staat verdragsrechtelijk verplicht is die rechtsmacht te vestigen. Artikel 7 lid 1 Sr verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op misdrijven die in het buitenland door Nederlanders (tegen wie dan ook) zijn begaan, voor zover het feit strafbaar is in het land waar het is begaan. Lid 2 van artikel 7 dicteert dat de Nederlandse strafwet onder meer van toepassing is op de onder c vermelde zedenmisdrijven begaan door Nederlanders in het buitenland, zonder dat de aanvullende eis van dubbele strafbaarheid wordt gesteld. 19. Voor de toepassing van artikel 5 en 7 Sr wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, oftewel: een ingezetene. Deze gelijkstelling is voor wat betreft artikel 6 Sr telkens ook terug te vinden in de afzonderlijke bepalingen van het Besluit internationale verplichtingen, namelijk wanneer de rechtsmacht wordt gebaseerd op het beginsel van actieve of passieve personaliteit. Voor de toepassing van alle rechtsmachtbepalingen definieert artikel 86b Sr sedert 1 juli 2014 dat een vreemdeling ‘een vaste woon- of verblijfplaats heeft’ wanneer hij gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer rechtmatig in Nederland verblijft. Zo’n vreemdeling is pas dan voor deze gelijkstelling voldoende in Nederland ‘geworteld’. Het moment van toetsing bij de vraag of een vreemdeling als ingezetene kan worden aangemerkt 20. Voor de beoordeling van de extraterritoriale rechtsmacht in deze zaak is beslissend op welk moment de voorwaarde van artikel 86b Sr, te weten de eis dat de vreemdeling ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft, moet zijn vervuld. De tekst van de rechtsmachtbepalingen zijn in de tegenwoordige tijd geformuleerd. Het gaat hierin immers steeds om een persoon die Nederlander is of een vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft . Dit wijst erop dat de situatie ten tijde van het feit leidend is. Ook uit bepalingen als artikel 7 lid 3 Sr en artikel 3 lid 7 van het Besluit internationale verplichtingen zou a contrario kunnen worden afgeleid dat buiten de daarin geregelde gevallen niet ter zake doet dat de vreemdeling ná het plegen van het feit Nederlander is geworden dan wel hier te lande vaste woon- of verblijfplaats heeft gekregen. De wetsgeschiedenis wijst volgens mij echter in een andere richting. 21. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet herziening regels extraterritoriale rechtsmacht op 1 juli 2014 bepaalde artikel 5a (oud) Sr onder welke condities Nederland extraterritoriale jurisdictie toekwam over feiten die waren gepleegd door een ingezeten vreemdeling (het actieve personaliteitsbeginsel). Dit artikel werd ingevoerd op 1 oktober 2002. Lid 1 daarvan had toen nog uitsluitend betrekking op zedenmisdrijven, met inbegrip van de misdrijven omschreven in de artikelen 244, 245 en 247 (telkens: oud) Sr, indien en voor zover gepleegd tegen minderjarigen. Van meet af aan regelde lid 2 van artikel 5a Sr dat Nederland eveneens rechtsmacht toekwam ingeval de vreemdeling pas ná het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kreeg. De eis van ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland werd toen nog niet gesteld. Bij latere wetswijzigingen werd de actieradius van de extraterritoriale rechtsmacht van artikel 5a lid 1 Sr verruimd tot verscheidene andere delicten en hield de reikwijdte van de aanvankelijk in lid 2 verankerde ‘terugwerking van het ingezetenschap’ daarmee vanzelf gelijke tred, zulks met uitzondering van bigamie. Kortom, tot 1 juli 2014 stelde de wet buiten twijfel dat een vreemdeling met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kon worden vervolgd en berecht voor zedenmisdrijven die hij in het buitenland tegen een minderjarige had begaan, zonder de aanvullende voorwaarde dat het feit strafbaar is in het land waar het was begaan. Dit gold ook – en dat is de crux – indien de vreemdeling pas ná het begaan van het misdrijf een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kreeg. 22. Toen kwam het voorstel tot de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken, die op 1 juli 2014 in werking zou treden. De Raad van State signaleerde in zijn advies op het wetsvoorstel onduidelijkheid over de verhouding van het criterium van het voorgestelde artikel 86b Sr tot de op dat moment nog geldende regelgeving. Het advies hield in dat “ in de toelichting [dient] te worden ingegaan op het feit dat in het voorgestelde artikel 86b Sr niet wordt bepaald of aan het criterium van het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats moet zijn voldaan op het moment waarop het feit is begaan, of dat voldoende is dat daaraan is voldaan op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan, zoals de bestaande artikelen 5, tweede lid, en 5a, vierde lid, Sr ten aanzien van het actieve personaliteitsbeginsel bepalen . ” 23. In het nader rapport schreef de minister dat “ overeenkomstig het advies van de Afdeling in de memorie van toelichting [wordt] aangegeven dat aan het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats moet zijn voldaan op het moment waarop wordt beslist om tot vervolging over te gaan.
Volledig
” De (definitieve) memorie van toelichting hield dan ook in: “ Bepalend is of betrokkene op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan aan de voorwaarden van artikel 86b Sr voldoet .” Slotsom over de terugwerking van het ingezetenschap 24. Uit deze passages uit de wetsgeschiedenis kan worden begrepen dat de minister met het wetsvoorstel de continuïteit beoogde van een regel die tot dan toe in artikel 5a lid 2 (oud) Sr was opgenomen. Immers, indien bepalend is of de vreemdeling op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan aan de voorwaarden van artikel 86b Sr voldoet, bestaat extraterritoriale rechtsmacht ook indien de dader een vreemdeling betreft die ná het begaan van een in artikel 5a (oud) Sr bedoeld feit in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen. Een tegengestelde opvatting zou ook slecht passen bij de verruimende strekking van de wetswijziging, die in de wetsgeschiedenis herhaaldelijk wordt benadrukt. 25. Mijns inziens betekent dit dat thans artikel 7 lid 3 Sr dienovereenkomstig moet worden verstaan. Met een Nederlander wordt dan voor de toepassing van artikel 7 lid 1 en lid 2, onder b tot en met e, Sr gelijkgesteld de vreemdeling die eerst ná het plegen van het feit Nederlander wordt dan wel een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen . Ik geef prioriteit aan deze op de wetsgeschiedenis gebaseerde uitleg van artikel 7 lid 3 Sr boven een grammaticale en wetssystematische uitleg, omdat deze beter strookt met de ratio van de gelijkstelling van de ingezeten vreemdeling met een Nederlander. De bespreking van het eerste middel 26. In deze zaak is ten overstaan van het hof geen verweer gevoerd op het punt van rechtsmacht. Het hof heeft bij de beraadslaging over de vragen van artikel 348 Sv kennelijk geoordeeld dat Nederland rechtsmacht heeft, daartoe in het bestreden arrest verwezen naar de artikelen 6 en 7 Sr, en het OM ontvankelijk geacht. De rechtsklacht dat uit deze twee bepalingen geen rechtsmacht kan worden afgeleid voor zover de ten laste gelegde feiten in Dubai zouden zijn begaan, faalt omdat alleen al ‘s hofs verwijzing naar artikel 7 Sr m.i. geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Ook de klacht dat uit de stukken van het geding een ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het OM in de vervolging niet-ontvankelijk is, gaat niet op. Een beoordeling van de gegrondheid van dit vermoeden zou een onderzoek van feitelijke aard vergen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. 27. Het eerste middel faalt. Het tweede middel 28. Dit middel gaat over de bewijsmotivering. De steller van het middel klaagt dat de bewijsmiddelen (i) ontoereikend en (ii) innerlijk tegenstrijdig zijn. De bewezenverklaring en bewijsmotivering 29. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder meer bewezen verklaard dat: “ 1. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te [plaats] en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; ” 30. De bewezenverklaring steunt op, onder andere, deze bewijsmiddelen (onderstrepingen door mij, D.A.): “ 1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Informatie over het gesprek: Informatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedatum] 2006 te Dubai in Verenigde Arabische Emiraten, nationaliteit Filipijnse, [a-straat 1] , [plaats] . Datum gesprek: 22 juni 2021 Woonsituatie: [slachtoffer] woont samen met haar vader, moeder en broer, [betrokkene 1] , in de [a-straat 1] te [plaats] . Zij zijn ongeveer 3 jaar geleden vanuit Dubai naar Nederland verhuisd. Wat is er gebeurd: [slachtoffer] is vanaf haar 9e jaar regelmatig verkracht door haar vader. Dit is begonnen in Dubai en is frequent doorgegaan ook toen zij in Nederland kwam wonen. De verkrachting bestond uit het vaginaal penetreren. Hij gebruikte geen condooms. Tevens moest zij hem regelmatig aftrekken. Hij pakte dan haar hand met kracht vast en legde haar hand op zijn geslachtsdeel. In Dubai vonden de seksuele handelingen plaats in een kamer waar het hele gezin bij elkaar sliep. In Nederland hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden op de slaapkamer van [slachtoffer] . [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen. 2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2021 (p. 10-14), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] : O: opmerking verbalisant V: vraag verbalisant A: antwoord aangeefster Aangeefster deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , [a-straat 1] , [plaats] . O: Wij hebben begrepen dat het gezin al 3 jaar in [plaats] woont. V: Klopt dat? A: Ja, de kinderen zijn geboren en getogen in Dubai. V: Wat kun jij vertellen over het seksuele misbruik? A: [slachtoffer] vertelde dat ze vanaf haar negende (9) tot haar veertiende (14) seksueel werd misbruikt door haar vader. Zij gaf aan dat zij tot haar elfde (11) werd verkracht. Tot haar elfde (11) bestond het seksueel misbruik onder andere uit verkrachten. Na haar elfde (11) is het verkrachten gestopt en bleef vader aan haar zitten. Dit bestond uit kussen en voelen aan haar vagina en borsten. [slachtoffer] gaf tijdens het gesprek aan dat hij een dag voor de melding voor het laatst aan haar had gezeten. O: Toen [slachtoffer] het vertelde, hoe was haar gemoedstoestand toen? A: Ik zag een meisje dat erg timide en ingedoken op een stoel zat. De hoofdemotie kwam op mij over als opluchting. 3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 juli 2021 (p. 16-20), voor zover inhoudende: V: vraag verbalisant A: antwoord getuige V: [slachtoffer] , tegen wie doe je aangifte? A: Tegen mijn vader, [verdachte] . Hij is mijn biologische vader ( het hof begrijpt: de verdachte ). V: Wanneer heeft het feit plaats gevonden? A: Ongeveer 6 jaar geleden is het begonnen, in 2015 tot 21 juni 2021. V: Ok, [slachtoffer] kan jij ons eens alles vertellen wat er is gebeurd? A: Het is ongeveer 6 jaar geleden begonnen in Dubai, in het appartement waar ik toen woonde. Ik was toen 9 jaar. We sliepen in die tijd allemaal in dezelfde kamer en het gebeurde ook in die kamer. Mijn moeder en broer waren aan het slapen. Mijn vader liep naar mijn bed. Toen begon hij mij aan te raken en mijn pyjama uit te trekken. Ik wilde me verzetten, maar ik heb niet echt geprobeerd om hem te stoppen. Ik was slaperig en wilde hem niet boos maken. Ik wilde ook geen weerstand bieden omdat ik bang was dat hij me iets aan zou doen. Toen heeft hij mijn pyjamabroek uitgetrokken en hij zijn short, en toen heeft hij zijn penis in mijn vagina gedaan. Hij heeft me toen verkracht. Daarna heeft hij het nog vaak gedaan. Ik denk niet elke nacht, maar wel heel vaak. V: Zijn er ook nog andere dingen gebeurd? A: Ja, hij pakte me vast aan mijn borsten om mijn middel of kont en dan begon hij tegen mij aan te schuren.
Volledig
” De (definitieve) memorie van toelichting hield dan ook in: “ Bepalend is of betrokkene op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan aan de voorwaarden van artikel 86b Sr voldoet .” Slotsom over de terugwerking van het ingezetenschap 24. Uit deze passages uit de wetsgeschiedenis kan worden begrepen dat de minister met het wetsvoorstel de continuïteit beoogde van een regel die tot dan toe in artikel 5a lid 2 (oud) Sr was opgenomen. Immers, indien bepalend is of de vreemdeling op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan aan de voorwaarden van artikel 86b Sr voldoet, bestaat extraterritoriale rechtsmacht ook indien de dader een vreemdeling betreft die ná het begaan van een in artikel 5a (oud) Sr bedoeld feit in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen. Een tegengestelde opvatting zou ook slecht passen bij de verruimende strekking van de wetswijziging, die in de wetsgeschiedenis herhaaldelijk wordt benadrukt. 25. Mijns inziens betekent dit dat thans artikel 7 lid 3 Sr dienovereenkomstig moet worden verstaan. Met een Nederlander wordt dan voor de toepassing van artikel 7 lid 1 en lid 2, onder b tot en met e, Sr gelijkgesteld de vreemdeling die eerst ná het plegen van het feit Nederlander wordt dan wel een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen . Ik geef prioriteit aan deze op de wetsgeschiedenis gebaseerde uitleg van artikel 7 lid 3 Sr boven een grammaticale en wetssystematische uitleg, omdat deze beter strookt met de ratio van de gelijkstelling van de ingezeten vreemdeling met een Nederlander. De bespreking van het eerste middel 26. In deze zaak is ten overstaan van het hof geen verweer gevoerd op het punt van rechtsmacht. Het hof heeft bij de beraadslaging over de vragen van artikel 348 Sv kennelijk geoordeeld dat Nederland rechtsmacht heeft, daartoe in het bestreden arrest verwezen naar de artikelen 6 en 7 Sr, en het OM ontvankelijk geacht. De rechtsklacht dat uit deze twee bepalingen geen rechtsmacht kan worden afgeleid voor zover de ten laste gelegde feiten in Dubai zouden zijn begaan, faalt omdat alleen al ‘s hofs verwijzing naar artikel 7 Sr m.i. geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Ook de klacht dat uit de stukken van het geding een ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het OM in de vervolging niet-ontvankelijk is, gaat niet op. Een beoordeling van de gegrondheid van dit vermoeden zou een onderzoek van feitelijke aard vergen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. 27. Het eerste middel faalt. Het tweede middel 28. Dit middel gaat over de bewijsmotivering. De steller van het middel klaagt dat de bewijsmiddelen (i) ontoereikend en (ii) innerlijk tegenstrijdig zijn. De bewezenverklaring en bewijsmotivering 29. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder meer bewezen verklaard dat: “ 1. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te [plaats] en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; ” 30. De bewezenverklaring steunt op, onder andere, deze bewijsmiddelen (onderstrepingen door mij, D.A.): “ 1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Informatie over het gesprek: Informatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedatum] 2006 te Dubai in Verenigde Arabische Emiraten, nationaliteit Filipijnse, [a-straat 1] , [plaats] . Datum gesprek: 22 juni 2021 Woonsituatie: [slachtoffer] woont samen met haar vader, moeder en broer, [betrokkene 1] , in de [a-straat 1] te [plaats] . Zij zijn ongeveer 3 jaar geleden vanuit Dubai naar Nederland verhuisd. Wat is er gebeurd: [slachtoffer] is vanaf haar 9e jaar regelmatig verkracht door haar vader. Dit is begonnen in Dubai en is frequent doorgegaan ook toen zij in Nederland kwam wonen. De verkrachting bestond uit het vaginaal penetreren. Hij gebruikte geen condooms. Tevens moest zij hem regelmatig aftrekken. Hij pakte dan haar hand met kracht vast en legde haar hand op zijn geslachtsdeel. In Dubai vonden de seksuele handelingen plaats in een kamer waar het hele gezin bij elkaar sliep. In Nederland hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden op de slaapkamer van [slachtoffer] . [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen. 2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2021 (p. 10-14), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] : O: opmerking verbalisant V: vraag verbalisant A: antwoord aangeefster Aangeefster deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , [a-straat 1] , [plaats] . O: Wij hebben begrepen dat het gezin al 3 jaar in [plaats] woont. V: Klopt dat? A: Ja, de kinderen zijn geboren en getogen in Dubai. V: Wat kun jij vertellen over het seksuele misbruik? A: [slachtoffer] vertelde dat ze vanaf haar negende (9) tot haar veertiende (14) seksueel werd misbruikt door haar vader. Zij gaf aan dat zij tot haar elfde (11) werd verkracht. Tot haar elfde (11) bestond het seksueel misbruik onder andere uit verkrachten. Na haar elfde (11) is het verkrachten gestopt en bleef vader aan haar zitten. Dit bestond uit kussen en voelen aan haar vagina en borsten. [slachtoffer] gaf tijdens het gesprek aan dat hij een dag voor de melding voor het laatst aan haar had gezeten. O: Toen [slachtoffer] het vertelde, hoe was haar gemoedstoestand toen? A: Ik zag een meisje dat erg timide en ingedoken op een stoel zat. De hoofdemotie kwam op mij over als opluchting. 3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 juli 2021 (p. 16-20), voor zover inhoudende: V: vraag verbalisant A: antwoord getuige V: [slachtoffer] , tegen wie doe je aangifte? A: Tegen mijn vader, [verdachte] . Hij is mijn biologische vader ( het hof begrijpt: de verdachte ). V: Wanneer heeft het feit plaats gevonden? A: Ongeveer 6 jaar geleden is het begonnen, in 2015 tot 21 juni 2021. V: Ok, [slachtoffer] kan jij ons eens alles vertellen wat er is gebeurd? A: Het is ongeveer 6 jaar geleden begonnen in Dubai, in het appartement waar ik toen woonde. Ik was toen 9 jaar. We sliepen in die tijd allemaal in dezelfde kamer en het gebeurde ook in die kamer. Mijn moeder en broer waren aan het slapen. Mijn vader liep naar mijn bed. Toen begon hij mij aan te raken en mijn pyjama uit te trekken. Ik wilde me verzetten, maar ik heb niet echt geprobeerd om hem te stoppen. Ik was slaperig en wilde hem niet boos maken. Ik wilde ook geen weerstand bieden omdat ik bang was dat hij me iets aan zou doen. Toen heeft hij mijn pyjamabroek uitgetrokken en hij zijn short, en toen heeft hij zijn penis in mijn vagina gedaan. Hij heeft me toen verkracht. Daarna heeft hij het nog vaak gedaan. Ik denk niet elke nacht, maar wel heel vaak. V: Zijn er ook nog andere dingen gebeurd? A: Ja, hij pakte me vast aan mijn borsten om mijn middel of kont en dan begon hij tegen mij aan te schuren.
Volledig
V: Zijn er nog andere seksuele handelingen gebeurd? A: Hij probeerde mijn borsten aan te raken, hij probeerde ook mijn borsten met zijn mond aan te raken en dan beet hij daar heel hard in. Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit. Als hij daar beneden greep trok hij ook heel hard aan mijn schaamlippen dat ze eruit werden getrokken. Mijn schaamlippen kwamen daardoor naar buiten en dit heeft lang zo gezeten. Nu de laatste tijd is dit aan het genezen. Het was erg pijnlijk. Hij liet mij hem ook aftrekken. Hij pakte mij bij mijn polsen met twee handen, waardoor ik mijzelf niet kon lostrekken. Dit gebeurde vaak, hij deed dit altijd voordat hij me verkrachtte. Hij zat eerst met zijn mond aan mijn borsten, daarna pakte hij mijn hand om hem af te trekken en daarna verkrachtte hij mij. V: Alle keren dat je verkracht bent, wat is het hetgeen je het meest geraakt heeft? A: Er zijn twee ernstige keren geweest. Een keer dat hij heel hard aan mijn schaamhaar trok. Hij trok mijn knie opzij en begon heel hard tegen mijn clitoris te wrijven. De tweede vreselijkste keer was dat hij zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen. Ik weet niet of het hem echt gelukt is om naar binnen te brengen, maar ik weet wel dat het heel veel pijn deed. Ik heb nog nooit zoveel pijn gehad. V: En dit heeft allemaal plaatsgevonden in Dubai? A: Het ergste in Dubai, maar hier is hij ermee doorgegaan. Mij seksueel misbruiken, verkrachten. V: Kun je me vertellen over de ergste keer in Nederland? A: Hier zijn er ook twee slechtste momenten geweest. De ene keer niet echt fysiek maar meer emotioneel. In de [b-straat] . Mijn broer en ik hadden een kamer en mijn ouders hadden een kamer. Op een nacht kwam mijn vader naar mijn kamer. Mijn broer was in slaap gevallen. Mijn vader heeft mij verkracht vlak bij mijn broer. De tweede meest vreselijke keer was dat hij in mij klaar kwam. Vaak deed hij dit buiten mijn lichaam en moest ik het van hem schoonmaken. Die keer kwam hij in mij klaar. Ik was bang dat ik zwanger zou raken. V: Wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd? A: De laatste keer was dat hij me verkrachtte. Dat was vorig jaar. Toen is hij ook in mij klaargekomen. De laatste keer dat hij me seksueel heeft aangeraakt was de dag voordat ik erover ben gaan vertellen wat hij deed. 4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 35-42), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte V: Wanneer zijn jullie verhuisd naar Nederland? A: Op 30 december 2018. 5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 45-54), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte V: Je weet al langere tijd dat er aangifte tegen je is gedaan door een medewerkster van Veilig Thuis in verband met seksueel misbruik dat door jou gepleegd zou zijn met je dochter [slachtoffer] . Wat vind je van deze beschuldiging? A: Ik heb geen tegenwerpingen. V: Wat gebeurde er de eerste keer? A: Ze was natuurlijk jong, een kind. Ik raakte haar ‘private parts’ aan. V: Wat bedoel je met de ‘private parts’? A: Haar vagina. Ik had toen ook seks met haar. V: Waar en wanneer gebeurde dit? A: Ik weet dat het gebeurde als we in het huis waren, ik bedoel in het huis in Dubai. Het was op haar bed. V: Hoe ging het met het aanraken van [slachtoffer] ( het hof begrijpt hierna telkens: [slachtoffer] )? A: Ik begon eerst met haar borst te strelen. V: Had dit aanraken een seksuele lading voor jou? A: Ja. V: Wanneer ging je dan verder en raakte je de vagina van [slachtoffer] aan? A: Het gebeurde gewoon. Het stapelde zich maar op. Het gebeurde een tweede, een derde keer. Het leek al een gewoonte te worden. Ik bleef het doen. Toen gebeurde het weer. In 2016. V: Op welke momenten gebeurde het? A: We sliepen met het hele gezin in dezelfde kamer. Het gebeurde ook wel daar. Iedereen sliep dan. Ook mijn vrouw sliep en dan lukte het mij om het toch te doen met [slachtoffer] . Ik stapte dan bij [slachtoffer] in bed. Ik had dan geslachtsgemeenschap met mijn dochter. Penetratie. Met mijn penis in haar vagina. Ik deed het dan langs de achterkant. Het bleef zich maar herhalen. Toen we in Nederland kwamen zei ik tegen mezelf dat het niet meer mocht gebeuren. Maar de drang blies in mijn oren. V: Wanneer had je voor het laatst geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] ? A: In 2020 in Nederland. V: [slachtoffer] verklaarde ook dat zij je moest aftrekken en dat je daarbij haar handen pakte en naar je penis bracht. A: ja dat klopt, dat is gebeurd. V: [slachtoffer] heeft zich een keer verdedigd door tegen je aan te stompen. Je tegen haar zei dat ze dat goed deed, maar dat je haar daarna wel weer verkrachtte. Wat kun je daar over zeggen? A: Ik kon mezelf niet meer in de hand houden. Wat ze vertelde is waar, ik deed dat. V: [slachtoffer] verklaarde dat het seksueel handelen doorging, ook na de verhuizing naar Nederland. Toen sliepen [slachtoffer] en [betrokkene 1] (het hof begrijpt: de broer van [slachtoffer] ) op dezelfde kamer. Dat je haar hebt verkracht waar haar broer vlakbij lag. Reageer hier eens op. A: In het nieuwe huis in Nederland is er één keer een situatie geweest waarbij dit gebeurd is. [betrokkene 1] was inderdaad in dezelfde kamer toen ik geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] had. V: De laatste periode penetreerde je [slachtoffer] niet meer, maar bleef je haar wel betasten. De laatste keef was zelfs op de dag voor ze het meldde bij de zorg coördinator van school, melding 22 juni 2021. A: Ja dat klopt, ik heb dat gedaan. (…) 7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 17 mei 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: Het is gebeurd in Dubai en later in Nederland. Ik beken dat ik met mijn penis in haar vagina ben binnengedrongen. Het klopt dat er penetratie heeft plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2020. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik haar vagina heb betast. Ik heb met mijn mond en mijn handen haar borst betast en ik heb haar gekust. U vraagt mij of ze ook mijn penis heeft moeten betasten. Dat is gebeurd ja. 8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2024, voor zover inhoudende: Het klopt dat ik tot en met 10 april 2018 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heb gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd/gebracht. Het klopt dat ik in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te [plaats] en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd/gebracht. Het klopt dat ik tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en [plaats] , met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] , het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van mijn penis door die [slachtoffer] . Ik weet nu wat de schaamlippen zijn. Ik heb mijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] geduwd. Het klopt dat [slachtoffer] ook [slachtoffer] werd genoemd. ” De toelichting op het tweede middel 31.
Volledig
V: Zijn er nog andere seksuele handelingen gebeurd? A: Hij probeerde mijn borsten aan te raken, hij probeerde ook mijn borsten met zijn mond aan te raken en dan beet hij daar heel hard in. Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit. Als hij daar beneden greep trok hij ook heel hard aan mijn schaamlippen dat ze eruit werden getrokken. Mijn schaamlippen kwamen daardoor naar buiten en dit heeft lang zo gezeten. Nu de laatste tijd is dit aan het genezen. Het was erg pijnlijk. Hij liet mij hem ook aftrekken. Hij pakte mij bij mijn polsen met twee handen, waardoor ik mijzelf niet kon lostrekken. Dit gebeurde vaak, hij deed dit altijd voordat hij me verkrachtte. Hij zat eerst met zijn mond aan mijn borsten, daarna pakte hij mijn hand om hem af te trekken en daarna verkrachtte hij mij. V: Alle keren dat je verkracht bent, wat is het hetgeen je het meest geraakt heeft? A: Er zijn twee ernstige keren geweest. Een keer dat hij heel hard aan mijn schaamhaar trok. Hij trok mijn knie opzij en begon heel hard tegen mijn clitoris te wrijven. De tweede vreselijkste keer was dat hij zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen. Ik weet niet of het hem echt gelukt is om naar binnen te brengen, maar ik weet wel dat het heel veel pijn deed. Ik heb nog nooit zoveel pijn gehad. V: En dit heeft allemaal plaatsgevonden in Dubai? A: Het ergste in Dubai, maar hier is hij ermee doorgegaan. Mij seksueel misbruiken, verkrachten. V: Kun je me vertellen over de ergste keer in Nederland? A: Hier zijn er ook twee slechtste momenten geweest. De ene keer niet echt fysiek maar meer emotioneel. In de [b-straat] . Mijn broer en ik hadden een kamer en mijn ouders hadden een kamer. Op een nacht kwam mijn vader naar mijn kamer. Mijn broer was in slaap gevallen. Mijn vader heeft mij verkracht vlak bij mijn broer. De tweede meest vreselijke keer was dat hij in mij klaar kwam. Vaak deed hij dit buiten mijn lichaam en moest ik het van hem schoonmaken. Die keer kwam hij in mij klaar. Ik was bang dat ik zwanger zou raken. V: Wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd? A: De laatste keer was dat hij me verkrachtte. Dat was vorig jaar. Toen is hij ook in mij klaargekomen. De laatste keer dat hij me seksueel heeft aangeraakt was de dag voordat ik erover ben gaan vertellen wat hij deed. 4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 35-42), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte V: Wanneer zijn jullie verhuisd naar Nederland? A: Op 30 december 2018. 5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 45-54), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte V: Je weet al langere tijd dat er aangifte tegen je is gedaan door een medewerkster van Veilig Thuis in verband met seksueel misbruik dat door jou gepleegd zou zijn met je dochter [slachtoffer] . Wat vind je van deze beschuldiging? A: Ik heb geen tegenwerpingen. V: Wat gebeurde er de eerste keer? A: Ze was natuurlijk jong, een kind. Ik raakte haar ‘private parts’ aan. V: Wat bedoel je met de ‘private parts’? A: Haar vagina. Ik had toen ook seks met haar. V: Waar en wanneer gebeurde dit? A: Ik weet dat het gebeurde als we in het huis waren, ik bedoel in het huis in Dubai. Het was op haar bed. V: Hoe ging het met het aanraken van [slachtoffer] ( het hof begrijpt hierna telkens: [slachtoffer] )? A: Ik begon eerst met haar borst te strelen. V: Had dit aanraken een seksuele lading voor jou? A: Ja. V: Wanneer ging je dan verder en raakte je de vagina van [slachtoffer] aan? A: Het gebeurde gewoon. Het stapelde zich maar op. Het gebeurde een tweede, een derde keer. Het leek al een gewoonte te worden. Ik bleef het doen. Toen gebeurde het weer. In 2016. V: Op welke momenten gebeurde het? A: We sliepen met het hele gezin in dezelfde kamer. Het gebeurde ook wel daar. Iedereen sliep dan. Ook mijn vrouw sliep en dan lukte het mij om het toch te doen met [slachtoffer] . Ik stapte dan bij [slachtoffer] in bed. Ik had dan geslachtsgemeenschap met mijn dochter. Penetratie. Met mijn penis in haar vagina. Ik deed het dan langs de achterkant. Het bleef zich maar herhalen. Toen we in Nederland kwamen zei ik tegen mezelf dat het niet meer mocht gebeuren. Maar de drang blies in mijn oren. V: Wanneer had je voor het laatst geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] ? A: In 2020 in Nederland. V: [slachtoffer] verklaarde ook dat zij je moest aftrekken en dat je daarbij haar handen pakte en naar je penis bracht. A: ja dat klopt, dat is gebeurd. V: [slachtoffer] heeft zich een keer verdedigd door tegen je aan te stompen. Je tegen haar zei dat ze dat goed deed, maar dat je haar daarna wel weer verkrachtte. Wat kun je daar over zeggen? A: Ik kon mezelf niet meer in de hand houden. Wat ze vertelde is waar, ik deed dat. V: [slachtoffer] verklaarde dat het seksueel handelen doorging, ook na de verhuizing naar Nederland. Toen sliepen [slachtoffer] en [betrokkene 1] (het hof begrijpt: de broer van [slachtoffer] ) op dezelfde kamer. Dat je haar hebt verkracht waar haar broer vlakbij lag. Reageer hier eens op. A: In het nieuwe huis in Nederland is er één keer een situatie geweest waarbij dit gebeurd is. [betrokkene 1] was inderdaad in dezelfde kamer toen ik geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] had. V: De laatste periode penetreerde je [slachtoffer] niet meer, maar bleef je haar wel betasten. De laatste keef was zelfs op de dag voor ze het meldde bij de zorg coördinator van school, melding 22 juni 2021. A: Ja dat klopt, ik heb dat gedaan. (…) 7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 17 mei 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: Het is gebeurd in Dubai en later in Nederland. Ik beken dat ik met mijn penis in haar vagina ben binnengedrongen. Het klopt dat er penetratie heeft plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2020. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik haar vagina heb betast. Ik heb met mijn mond en mijn handen haar borst betast en ik heb haar gekust. U vraagt mij of ze ook mijn penis heeft moeten betasten. Dat is gebeurd ja. 8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2024, voor zover inhoudende: Het klopt dat ik tot en met 10 april 2018 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heb gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd/gebracht. Het klopt dat ik in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te [plaats] en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd/gebracht. Het klopt dat ik tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en [plaats] , met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] , het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van mijn penis door die [slachtoffer] . Ik weet nu wat de schaamlippen zijn. Ik heb mijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] geduwd. Het klopt dat [slachtoffer] ook [slachtoffer] werd genoemd. ” De toelichting op het tweede middel 31.
Volledig
In de toelichting wordt ten eerste aangevoerd dat de bewijsmiddelen ontoereikend zijn voor zover in de bewezenverklaring onder 1 en 2 is opgenomen dat de verdachte: “ zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] [heeft] geduwd ”. Ten tweede behelst het middel de klacht dat uit verschillende bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het slachtoffer, geboren op [geboortedatum] 2006, voor het laatst in 2020 vaginaal zou hebben gepenetreerd, terwijl bewijsmiddel 2 inhoudt dat het slachtoffer op haar elfde voor het laatst door de verdachte is verkracht. Dat is tegenstrijdig aan elkaar, terwijl bewijsmiddel 2 zich bovendien niet verdraagt met de bewezenverklaring van feit 2, dat ziet op seksueel binnendringen ('verkrachten') vanaf het twaalfde levensjaar. De bespreking van het tweede middel 32. Het eerste deel van het middel faalt, omdat het hof uit de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte heeft kunnen afleiden dat de verdachte in de onder 1 en 2 bewezen verklaarde periodes “ zijn vingers tussen de schaamlippen ” van het slachtoffer heeft geduwd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in dat verband geoordeeld dat de bekentenis van de verdachte van dit deel van de tenlastelegging betrekking had op (momenten in) de gehele bewezen verklaarde periode. Als de klacht wel terecht zou zijn voorgesteld, zou deze overigens falen bij gebrek aan belang. Immers, als dit deel uit de bewezenverklaringen zou wegvallen, zou dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde niet wezenlijk aantasten. 33. Ook het tweede deel van het middel faalt. Het onderdeel van bewijsmiddel 2 dat in het middel wordt uitgelicht is duidelijk bij vergissing in de bewijsmiddelen opgenomen. De door mij onderstreepte delen van het bewijs laten er geen twijfel over bestaan dat het seksueel binnendringen ook in Nederland, na het twaalfde levensjaar van het slachtoffer, heeft plaatsgevonden en dat het hof dit heeft willen vaststellen. De Hoge Raad kan bewijsmiddel 2 verbeterd lezen, dan wel de klacht laten falen bij gebrek aan belang. 34. Het middel faalt in al zijn onderdelen. Het derde middel 35. Dit middel ziet op de strafmotivering. Geklaagd wordt dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, althans in dat kader een verweer over de strafmaat heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen. De strafmotivering 36. Het arrest bevat de volgende overwegingen: “ Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging - op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota - naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd - te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden. Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op: - de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, - de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en - de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting haar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een zeer lange periode, een periode van ruim zes jaren, met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De seksuele handelingen bestonden onder andere uit vaginale penetratie met zijn penis, het betasten van de borst(en) van [slachtoffer] , het trekken aan haar schaamlippen en het laten betasten van verdachtes penis door [slachtoffer] . De handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was, onder meer in de door het hele gezin gedeelde slaapkamer in Dubai. [slachtoffer] kon zich zelfs in haar eigen bed niet veilig voelen. In sommige gevallen waren de moeder en/of de broer van [slachtoffer] tijdens het misbruik in dezelfde kamer aanwezig. De verdachte heeft met zijn handelen op een buitengewoon ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij daarbij grovelijk het vertrouwen geschonden dat zij in hem als vader mocht stellen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bang was voor haar vader. Zij heeft bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte haar en haar broer regelmatig sloeg, onder meer met een riem. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte naar Voren gebracht dat dit onderdeel uitmaakte van de opvoeding en de Filipijnse cultuur. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, kon dit geweld voor [slachtoffer] echter niet los worden gekoppeld van het seksueel misbruik, zodat er ook op deze wijze sprake is geweest van forse dwang. Het gaat bovendien om jarenlang misbruik. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn dochter, een klein meisje dat weerloos was ten overstaan van haar volwassen vader op de bewezenverklaarde wijze jarenlang en onder grote druk seksueel heeft misbruikt. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en voor de gevolgen van zijn handelen voor zijn eigen dochter. Hij heeft slechts zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld. Bovendien is het misbruik pas aan het licht gekomen doordat [slachtoffer] zelf op school over het misbruik heeft verteld. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten langdurig, mogelijk hun hele verdere leven, nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de gedingstukken blijkt dat dat ook bij [slachtoffer] het geval is. Verdachtes handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer] , maar eveneens op het gezin. De verdachte heeft niet alleen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem mocht stellen geschonden, maar eveneens het vertrouwen dat de andere gezinsleden in hem als vader en partner mochten hebben. Persoon van de verdachte Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is gekomen. In zijn justitieel verleden is daarmee geen strafverzwarende omstandigheid gelegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 17 april 2023. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als laag-gemiddeld. De heimelijkheid van het delict, het ontbreken van een sociaal netwerk dat de verdachte kan steunen en het feit dat hij zijn seksualiteit onderdrukt, vindt de reclassering aandachtspunten en risico’s.
Volledig
In de toelichting wordt ten eerste aangevoerd dat de bewijsmiddelen ontoereikend zijn voor zover in de bewezenverklaring onder 1 en 2 is opgenomen dat de verdachte: “ zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] [heeft] geduwd ”. Ten tweede behelst het middel de klacht dat uit verschillende bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het slachtoffer, geboren op [geboortedatum] 2006, voor het laatst in 2020 vaginaal zou hebben gepenetreerd, terwijl bewijsmiddel 2 inhoudt dat het slachtoffer op haar elfde voor het laatst door de verdachte is verkracht. Dat is tegenstrijdig aan elkaar, terwijl bewijsmiddel 2 zich bovendien niet verdraagt met de bewezenverklaring van feit 2, dat ziet op seksueel binnendringen ('verkrachten') vanaf het twaalfde levensjaar. De bespreking van het tweede middel 32. Het eerste deel van het middel faalt, omdat het hof uit de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte heeft kunnen afleiden dat de verdachte in de onder 1 en 2 bewezen verklaarde periodes “ zijn vingers tussen de schaamlippen ” van het slachtoffer heeft geduwd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in dat verband geoordeeld dat de bekentenis van de verdachte van dit deel van de tenlastelegging betrekking had op (momenten in) de gehele bewezen verklaarde periode. Als de klacht wel terecht zou zijn voorgesteld, zou deze overigens falen bij gebrek aan belang. Immers, als dit deel uit de bewezenverklaringen zou wegvallen, zou dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde niet wezenlijk aantasten. 33. Ook het tweede deel van het middel faalt. Het onderdeel van bewijsmiddel 2 dat in het middel wordt uitgelicht is duidelijk bij vergissing in de bewijsmiddelen opgenomen. De door mij onderstreepte delen van het bewijs laten er geen twijfel over bestaan dat het seksueel binnendringen ook in Nederland, na het twaalfde levensjaar van het slachtoffer, heeft plaatsgevonden en dat het hof dit heeft willen vaststellen. De Hoge Raad kan bewijsmiddel 2 verbeterd lezen, dan wel de klacht laten falen bij gebrek aan belang. 34. Het middel faalt in al zijn onderdelen. Het derde middel 35. Dit middel ziet op de strafmotivering. Geklaagd wordt dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, althans in dat kader een verweer over de strafmaat heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen. De strafmotivering 36. Het arrest bevat de volgende overwegingen: “ Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging - op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota - naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd - te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden. Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op: - de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, - de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en - de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting haar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een zeer lange periode, een periode van ruim zes jaren, met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De seksuele handelingen bestonden onder andere uit vaginale penetratie met zijn penis, het betasten van de borst(en) van [slachtoffer] , het trekken aan haar schaamlippen en het laten betasten van verdachtes penis door [slachtoffer] . De handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was, onder meer in de door het hele gezin gedeelde slaapkamer in Dubai. [slachtoffer] kon zich zelfs in haar eigen bed niet veilig voelen. In sommige gevallen waren de moeder en/of de broer van [slachtoffer] tijdens het misbruik in dezelfde kamer aanwezig. De verdachte heeft met zijn handelen op een buitengewoon ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij daarbij grovelijk het vertrouwen geschonden dat zij in hem als vader mocht stellen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bang was voor haar vader. Zij heeft bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte haar en haar broer regelmatig sloeg, onder meer met een riem. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte naar Voren gebracht dat dit onderdeel uitmaakte van de opvoeding en de Filipijnse cultuur. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, kon dit geweld voor [slachtoffer] echter niet los worden gekoppeld van het seksueel misbruik, zodat er ook op deze wijze sprake is geweest van forse dwang. Het gaat bovendien om jarenlang misbruik. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn dochter, een klein meisje dat weerloos was ten overstaan van haar volwassen vader op de bewezenverklaarde wijze jarenlang en onder grote druk seksueel heeft misbruikt. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en voor de gevolgen van zijn handelen voor zijn eigen dochter. Hij heeft slechts zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld. Bovendien is het misbruik pas aan het licht gekomen doordat [slachtoffer] zelf op school over het misbruik heeft verteld. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten langdurig, mogelijk hun hele verdere leven, nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de gedingstukken blijkt dat dat ook bij [slachtoffer] het geval is. Verdachtes handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer] , maar eveneens op het gezin. De verdachte heeft niet alleen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem mocht stellen geschonden, maar eveneens het vertrouwen dat de andere gezinsleden in hem als vader en partner mochten hebben. Persoon van de verdachte Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is gekomen. In zijn justitieel verleden is daarmee geen strafverzwarende omstandigheid gelegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 17 april 2023. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als laag-gemiddeld. De heimelijkheid van het delict, het ontbreken van een sociaal netwerk dat de verdachte kan steunen en het feit dat hij zijn seksualiteit onderdrukt, vindt de reclassering aandachtspunten en risico’s.
Volledig
De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] worden verbonden. Strafoplegging Gelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan gelet daarop evenmin worden volstaan met een straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen daarin onvoldoende tot uitdrukking komen. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog de zeer lange duur van het ingrijpende misbruik in aanmerking genomen, alsmede de ernstige wijze waarop inbreuk is gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] als het vertrouwen dat [slachtoffer] bij uitstek in de verdachte, als haar vader, mocht stellen. Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen grond om tot een andere beslissing te komen. Ook de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde uitspraken brengen het hof niet tot een ander oordeel. ” De beoordeling van het middel 37. In de strafmotivering stelt het hof zijn waardering van de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan (zoals beschreven onder het gelijknamige kopje) tegenover de door de raadsvrouw genoemde omstandigheden en uitspraken. Gelet op de aard en ernst van het voorgevallene kan, ondanks het verweer van de raadsvrouw, niet worden volstaan met een gevangenisstraf van minder dan negen jaar, zo brengt het hof tot uitdrukking. Op die manier heeft het hof voldoende gereageerd op het strafmaatverweer, en verder ook de strafoplegging als zodanig toereikend gemotiveerd. 38. Het middel faalt. Slotsom 39. Alle middelen falen. De Hoge Raad kan het tweede en derde middel afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 40. Ik merk op dat de Hoge Raad naar verwachting uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn in cassatie is verstreken. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden. 41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Alleen indien de rechter het OM op de voet van art. 349 lid 1 Sv niet -ontvankelijk verklaart, moet hij deze beslissing op grond van art. 358 lid 1 Sv in zijn vonnis opnemen en op grond van art. 359 lid 2, eerste volzin, Sv motiveren. Indien de rechter in strijd met een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349 lid 1 Sv niet toepast en hij het OM dus niet niet-ontvankelijk verklaart, moet hij op grond van art. 358 lid 3 Sv in het vonnis over dit verweer beslissen en deze beslissing op grond van art. 359 lid 2, eerste volzin, Sv motiveren. Zie HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482 m.nt. Klip, rov. 4.4 onder (d). Zie tevens HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475 m.nt. Vellinga, rov. 3.1 onder (d). De dragende rechtsoverwegingen 3.1 t/m 3.4 uit het als laatste genoemde arrest worden geciteerd in HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:838, NJ 2020/272. Vgl. voor verjaring: HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475 m.nt. Vellinga, rov. 3.3: “ Dit brengt mee dat zowel de rechter in eerste aanleg, als die in hoger beroep als die in cassatie in de hiervoren onder 3.1 omschreven gevallen onderzoek behoort te doen naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens verjaring en daarvan in zijn uitspraak dient te doen blijken .” Vgl. voor verjaring: HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475 m.nt. Vellinga, rov. 3.4: “ In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter hetgeen hiervoren onder 3.1 is overwogen, heeft miskend . ” Besluit van 28 januari 2014 tot aanwijzing van de gevallen waarin verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties tot het vestigen van rechtsmacht verplichten (Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht), Stb. 2014, 47, in werking getreden op 1 juli 2014. Zie Stb. 2015, 182. Voetnoot D.A.: Art. 36 lid 1 van het genoemde verdrag luidt in de Nederlandse vertaling als volgt ( Trb . 2012, 233): “ De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld: a. het zonder wederzijds goedvinden op seksuele wijze vaginaal, anaal of oraal met een lichaamsdeel of object binnendringen van het lichaam van een ander; b. het zonder wederzijds goedvinden plegen van andere seksuele handelingen met een persoon; c. het zonder wederzijds goedvinden een ander er toe bewegen seksuele handelingen te plegen met een derde. ” Het verdrag is voor het Europese deel van Nederland in werking getreden op 1 maart 2016, Trb . 2015, 197. Art. 3 lid 7 is aanvankelijk ingevoerd als lid 4 en daarna tekstueel ongewijzigd tweemaal hernummerd. Art. 3 lid 7 verwijst naar art. 3 lid 3. Dat lid 3 heeft betrekking op – kort gezegd – mensenhandel (en dus niet op zedenmisdrijven). Het gaat mij hier om de wetsystematiek. Zie ook een gelijksoortige bepaling in artikel 4 lid 9 van het Besluit internationale verplichtingen. Met ingang van 1 juli 2024 is de hier weergegeven wetstekst enkel aangepast aan de nummering van de Wet seksuele misdrijven, Stb. 2024, 59. Ingevoerd met de Wet partiële wijziging zedelijkheidswetgeving, Stb . 2002, 388; in werking getreden op 1 oktober 2002, Stb . 2002, 470. De latere wijzigingen van lid 2 zijn hier niet relevant. Met de Wet van 9 december 2004 tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, Stb . 2004, 645 (in werking getreden op 1 januari 2005, Stb . 2004, 690) is ‘ minderjarige ’ vervangen door ‘ persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt ’. Tevens wijs ik hier op het bepaalde in art. 5b (oud) Sr, dat voor zover van belang gold van 1 april 2010 tot 1 juli 2014 en voor zover relevant luidde: “ De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich schuldig maakt: (…). 2° aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt; ” Zie bijv. de conclusie van A-G Hofstee, ECLI:NL:PHR:2018:662, onder 363: “ Het Nederlands systeem van vervolgbaarheid laat zich (…) zo samenvatten dat indien over een strafbaar feit in Nederland rechtsmacht bestaat, de vervolgbaarheid in beginsel is gegeven tenzij in dat verband zich een algemene of bijzondere uitsluitingsgrond voordoet. ” Voluit: Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken), Stb. 2013, 484. Inwerkingtreding op 1 juli 2014, zie Stb. 2014, 103. Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 1-2: “ Een staat drukt met het vestigen van rechtsmacht zijn band met een gepleegd strafbaar feit uit of met de daarbij betrokken personen. Centrale grondslag voor rechtsmacht is het territorialiteitsbeginsel, dat zijn toepassing vindt als het strafbare feit op het grondgebied van een staat is begaan.
Volledig
De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] worden verbonden. Strafoplegging Gelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan gelet daarop evenmin worden volstaan met een straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen daarin onvoldoende tot uitdrukking komen. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog de zeer lange duur van het ingrijpende misbruik in aanmerking genomen, alsmede de ernstige wijze waarop inbreuk is gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] als het vertrouwen dat [slachtoffer] bij uitstek in de verdachte, als haar vader, mocht stellen. Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen grond om tot een andere beslissing te komen. Ook de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde uitspraken brengen het hof niet tot een ander oordeel. ” De beoordeling van het middel 37. In de strafmotivering stelt het hof zijn waardering van de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan (zoals beschreven onder het gelijknamige kopje) tegenover de door de raadsvrouw genoemde omstandigheden en uitspraken. Gelet op de aard en ernst van het voorgevallene kan, ondanks het verweer van de raadsvrouw, niet worden volstaan met een gevangenisstraf van minder dan negen jaar, zo brengt het hof tot uitdrukking. Op die manier heeft het hof voldoende gereageerd op het strafmaatverweer, en verder ook de strafoplegging als zodanig toereikend gemotiveerd. 38. Het middel faalt. Slotsom 39. Alle middelen falen. De Hoge Raad kan het tweede en derde middel afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 40. Ik merk op dat de Hoge Raad naar verwachting uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn in cassatie is verstreken. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden. 41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Alleen indien de rechter het OM op de voet van art. 349 lid 1 Sv niet -ontvankelijk verklaart, moet hij deze beslissing op grond van art. 358 lid 1 Sv in zijn vonnis opnemen en op grond van art. 359 lid 2, eerste volzin, Sv motiveren. Indien de rechter in strijd met een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349 lid 1 Sv niet toepast en hij het OM dus niet niet-ontvankelijk verklaart, moet hij op grond van art. 358 lid 3 Sv in het vonnis over dit verweer beslissen en deze beslissing op grond van art. 359 lid 2, eerste volzin, Sv motiveren. Zie HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482 m.nt. Klip, rov. 4.4 onder (d). Zie tevens HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475 m.nt. Vellinga, rov. 3.1 onder (d). De dragende rechtsoverwegingen 3.1 t/m 3.4 uit het als laatste genoemde arrest worden geciteerd in HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:838, NJ 2020/272. Vgl. voor verjaring: HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475 m.nt. Vellinga, rov. 3.3: “ Dit brengt mee dat zowel de rechter in eerste aanleg, als die in hoger beroep als die in cassatie in de hiervoren onder 3.1 omschreven gevallen onderzoek behoort te doen naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens verjaring en daarvan in zijn uitspraak dient te doen blijken .” Vgl. voor verjaring: HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475 m.nt. Vellinga, rov. 3.4: “ In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter hetgeen hiervoren onder 3.1 is overwogen, heeft miskend . ” Besluit van 28 januari 2014 tot aanwijzing van de gevallen waarin verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties tot het vestigen van rechtsmacht verplichten (Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht), Stb. 2014, 47, in werking getreden op 1 juli 2014. Zie Stb. 2015, 182. Voetnoot D.A.: Art. 36 lid 1 van het genoemde verdrag luidt in de Nederlandse vertaling als volgt ( Trb . 2012, 233): “ De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld: a. het zonder wederzijds goedvinden op seksuele wijze vaginaal, anaal of oraal met een lichaamsdeel of object binnendringen van het lichaam van een ander; b. het zonder wederzijds goedvinden plegen van andere seksuele handelingen met een persoon; c. het zonder wederzijds goedvinden een ander er toe bewegen seksuele handelingen te plegen met een derde. ” Het verdrag is voor het Europese deel van Nederland in werking getreden op 1 maart 2016, Trb . 2015, 197. Art. 3 lid 7 is aanvankelijk ingevoerd als lid 4 en daarna tekstueel ongewijzigd tweemaal hernummerd. Art. 3 lid 7 verwijst naar art. 3 lid 3. Dat lid 3 heeft betrekking op – kort gezegd – mensenhandel (en dus niet op zedenmisdrijven). Het gaat mij hier om de wetsystematiek. Zie ook een gelijksoortige bepaling in artikel 4 lid 9 van het Besluit internationale verplichtingen. Met ingang van 1 juli 2024 is de hier weergegeven wetstekst enkel aangepast aan de nummering van de Wet seksuele misdrijven, Stb. 2024, 59. Ingevoerd met de Wet partiële wijziging zedelijkheidswetgeving, Stb . 2002, 388; in werking getreden op 1 oktober 2002, Stb . 2002, 470. De latere wijzigingen van lid 2 zijn hier niet relevant. Met de Wet van 9 december 2004 tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, Stb . 2004, 645 (in werking getreden op 1 januari 2005, Stb . 2004, 690) is ‘ minderjarige ’ vervangen door ‘ persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt ’. Tevens wijs ik hier op het bepaalde in art. 5b (oud) Sr, dat voor zover van belang gold van 1 april 2010 tot 1 juli 2014 en voor zover relevant luidde: “ De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich schuldig maakt: (…). 2° aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b, 242 tot en met 250 en 273f, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt; ” Zie bijv. de conclusie van A-G Hofstee, ECLI:NL:PHR:2018:662, onder 363: “ Het Nederlands systeem van vervolgbaarheid laat zich (…) zo samenvatten dat indien over een strafbaar feit in Nederland rechtsmacht bestaat, de vervolgbaarheid in beginsel is gegeven tenzij in dat verband zich een algemene of bijzondere uitsluitingsgrond voordoet. ” Voluit: Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken), Stb. 2013, 484. Inwerkingtreding op 1 juli 2014, zie Stb. 2014, 103. Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 1-2: “ Een staat drukt met het vestigen van rechtsmacht zijn band met een gepleegd strafbaar feit uit of met de daarbij betrokken personen. Centrale grondslag voor rechtsmacht is het territorialiteitsbeginsel, dat zijn toepassing vindt als het strafbare feit op het grondgebied van een staat is begaan.
Volledig
Daarnaast is sprake van rechtsgrondslagen die betrekking hebben op de vestiging van rechtsmacht over strafbare feiten begaan buiten het eigen grondgebied. Daarop ziet dit wetsvoorstel. Doorgaans worden in dat verband onderscheiden het actief personaliteitsbeginsel, dat rechtsmacht koppelt aan de omstandigheid dat feiten in het buitenland door eigen onderdanen zijn begaan, en het passief personaliteitsbeginsel, dat rechtsmacht koppelt aan de omstandigheid dat feiten tegen de eigen onderdanen zijn begaan. Verder wordt het universaliteitsbeginsel onderscheiden, dat voorziet in de meest ruime grondslag voor het instellen van strafvervolging voor feiten die zijn begaan in het buitenland: namelijk ten aanzien van in beginsel elke persoon die zich in enig buitenland schuldig heeft gemaakt aan nader bepaalde zeer ernstige misdrijven. Ten slotte is sprake van het beschermingsbeginsel, dat een basis biedt voor de uitoefening van rechtsmacht over misdrijven tegen de veiligheid van de staat. Het is duidelijk dat de mogelijkheden tot vestiging van extraterritoriale rechtsmacht in belangrijke mate worden beïnvloed door het internationaal recht. Er moet sprake zijn van een onder het internationaal recht aanvaarde rechtsbasis voor het vestigen van rechtsmacht. Het territorialiteitsbeginsel is gebaseerd op de soevereiniteit van de staat over diens grondgebied. Bij extraterritoriale rechtsmacht moet er in beginsel sprake zijn van een band met de staat, zoals de bescherming van de staat, of de nationaliteit van de verdachte of het slachtoffer. De aanpassingen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, passen volledig binnen deze in het internationale recht aanvaarde uitgangspunten. ” Zie verder F.J.E. Krips, ‘De Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken: herstructurering en aanvulling ’, AAe 2014, p. 755-760 . Terzijde: artikel 8d Sr behoort tot dezelfde titel, maar bevat een (overbodige) volkenrechtelijke clausulering van de voorgaande bepalingen. R. van Elst, T&C Strafrecht , art. 7 , aant. 17: “ Het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland vormt “een even hechte grondslag voor toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet […] als het Nederlanderschap” (Kamerstukken II 2012/13, 33572, 3, p. 6). De gelijkstelling berust op de gedachte dat ‘geen redelijke rechtvaardiging te geven is’ voor het beperkte aantal gevallen waarin de gelijkstelling bestond in de rechtsmachtregeling die zou worden vervangen met de Wet herziening extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken (Inleidende opmerkingen, aant. 6): “Waarom zou de Nederlandse strafwet niet van toepassing zijn op feiten die in het buitenland zijn begaan door vreemdelingen met een vaste woon- en verblijfplaats in Nederland terwijl deze wel van toepassing is op Nederlanders die in het buitenland dezelfde feiten hebben begaan? Dit zou zelfs tot straffeloosheid van betrokkenen kunnen leiden, hetgeen wij ongewenst achten.” (Kamerstukken II 2012/13, 33572, 6, p. 6). ” Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 15. De eis van ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland werd voordien niet gesteld. Zie R. van Elst in T&C Strafrecht , art. 7, aant. 17, a, beoordelingsmoment: vervolgingsbeslissing? (online: bijgewerkt tot 15 oktober 2025). Van Elst merkt op: “ Bepalend om te beoordelen of de vreemdeling een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, is voor de wetgever 'het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan' (…). De keuze voor dit moment heeft de wetgever niet gemotiveerd. Het moment past niet goed bij de tekst van lid 3 waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de vreemdeling die 'na het plegen van het feit Nederlander wordt' en de vreemdeling die 'een vaste woon- of verblijfplaats heeft'. De wet geeft een uitdrukkelijke grondslag voor de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet op een vreemdeling die nog geen Nederlander was toen het feit werd begaan maar niet voor de vreemdeling die na het plegen van het feit een vaste woon- of verblijfplaats krijgt. De wet wijst op de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats 'heeft'. In het met terugwerkende kracht voorzien in de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet op een vreemdeling is in lid 3 alleen voorzien voor het geval waarin de vreemdeling Nederlander wordt. Tegen het met terugwerkende kracht toepassen van de gelijkstelling voor een vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats 'krijgt' pleiten systematisch art. 3 lid 7 en art. 4 lid 2 [bedoeld is: lid 9] Besluit waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de vervolging in de daar aangeduide gevallen ook kan plaatshebben indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats heeft gekregen. (…). ” In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel waarbij art. 5a Sr werd ingevoerd, betoogde de minister het volgende: “ De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of de formulering «een vaste woon- of verblijfplaats» wel juist is. Naar mijn oordeel is door invoering van het begrip «vaste woon- of verblijfsplaats» in artikel 5a Sr. op juiste wijze uitvoering gegeven aan het begrip «vaste ingezetene» dat wordt gebruikt in het gemeenschappelijk optreden van 1997. Het gaat om personen die in Nederland wonen. Dat zijn in de regel de personen die hier ook mogen verblijven. Het gemeenschappelijk optreden ziet in dit verband niet op personen die beschikken over een geldige verblijfstitel, maar die hier niet zijn ingeschreven, of hier geen vaste verblijfsplaats hebben. De vreemdeling die hier te lande een vaste woon- of verblijfsplaats heeft, biedt daardoor een aanknopingspunt met de Nederlandse rechtsorde. Dat geldt in veel mindere mate voor de vreemdeling die hier – een korte periode – legaal verblijft. ” Zie Kamerstukken II 2001/02, 27 745, nr. 6, p. 23-24. Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 840, nr. 3, p. 11, bij wijziging van art. 5a (oud) sr: “ Er bestaat geen internationale consensus over de strafwaardigheid van het aangaan van meer dan een huwelijk. Bij het ontbreken van internationale consensus moet worden aangenomen dat een vergelijkbare regeling als bij huwelijksdwang thans in strijd zou komen met het nulla poenabeginsel. Dat laat onverlet dat polygamie indruist tegen de in Nederland geldende norm en dat daartegen krachtig moet worden opgetreden. Omdat deze norm als gezegd zeker niet overal ter wereld wordt gedeeld, ligt het evenwel dus niet in de rede om ter zake van polygamie rechtsmacht te vestigen ten aanzien van personen die pas na het plegen van dat feit in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland hebben gekregen, en dus voor hun vestiging alhier nog niet konden weten dat zij voor dat feit in Nederland vervolgd konden worden. ” Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 4, advies Raad van State (cursief afgedrukt) en nader rapport, p. 5. De verwijzing naar het vierde lid van art. 5a Sr is op zichzelf correct. De bepaling dat de vervolging ook kan plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen, was uitsluitend van 1 april 2010 tot 1 juli 2013 genummerd als lid 4 (en buiten die periode ondergebracht in lid 2). Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 4, advies Raad van State (cursief afgedrukt) en nader rapport, p. 7. Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 15. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt hierop niet meer teruggekomen, zie: Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 6. Evenmin bij de behandeling in de Eerste Kamer. Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 2: “ In de eerste plaats streven wij naar een versterking van de beschermende functie van de Nederlandse strafwet; de Nederlandse strafwet moet in ruimere mate dan tot dusver kunnen worden ingezet als Nederlanders in het buitenland het slachtoffer worden van een strafbaar feit. Er bestaat een sterke tendens binnen de strafrechtspleging om slachtoffers in het strafproces een stevige positie te verschaffen. Dit wordt onder meer met wettelijke maatregelen ondersteund.
Volledig
Daarnaast is sprake van rechtsgrondslagen die betrekking hebben op de vestiging van rechtsmacht over strafbare feiten begaan buiten het eigen grondgebied. Daarop ziet dit wetsvoorstel. Doorgaans worden in dat verband onderscheiden het actief personaliteitsbeginsel, dat rechtsmacht koppelt aan de omstandigheid dat feiten in het buitenland door eigen onderdanen zijn begaan, en het passief personaliteitsbeginsel, dat rechtsmacht koppelt aan de omstandigheid dat feiten tegen de eigen onderdanen zijn begaan. Verder wordt het universaliteitsbeginsel onderscheiden, dat voorziet in de meest ruime grondslag voor het instellen van strafvervolging voor feiten die zijn begaan in het buitenland: namelijk ten aanzien van in beginsel elke persoon die zich in enig buitenland schuldig heeft gemaakt aan nader bepaalde zeer ernstige misdrijven. Ten slotte is sprake van het beschermingsbeginsel, dat een basis biedt voor de uitoefening van rechtsmacht over misdrijven tegen de veiligheid van de staat. Het is duidelijk dat de mogelijkheden tot vestiging van extraterritoriale rechtsmacht in belangrijke mate worden beïnvloed door het internationaal recht. Er moet sprake zijn van een onder het internationaal recht aanvaarde rechtsbasis voor het vestigen van rechtsmacht. Het territorialiteitsbeginsel is gebaseerd op de soevereiniteit van de staat over diens grondgebied. Bij extraterritoriale rechtsmacht moet er in beginsel sprake zijn van een band met de staat, zoals de bescherming van de staat, of de nationaliteit van de verdachte of het slachtoffer. De aanpassingen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, passen volledig binnen deze in het internationale recht aanvaarde uitgangspunten. ” Zie verder F.J.E. Krips, ‘De Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken: herstructurering en aanvulling ’, AAe 2014, p. 755-760 . Terzijde: artikel 8d Sr behoort tot dezelfde titel, maar bevat een (overbodige) volkenrechtelijke clausulering van de voorgaande bepalingen. R. van Elst, T&C Strafrecht , art. 7 , aant. 17: “ Het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland vormt “een even hechte grondslag voor toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet […] als het Nederlanderschap” (Kamerstukken II 2012/13, 33572, 3, p. 6). De gelijkstelling berust op de gedachte dat ‘geen redelijke rechtvaardiging te geven is’ voor het beperkte aantal gevallen waarin de gelijkstelling bestond in de rechtsmachtregeling die zou worden vervangen met de Wet herziening extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken (Inleidende opmerkingen, aant. 6): “Waarom zou de Nederlandse strafwet niet van toepassing zijn op feiten die in het buitenland zijn begaan door vreemdelingen met een vaste woon- en verblijfplaats in Nederland terwijl deze wel van toepassing is op Nederlanders die in het buitenland dezelfde feiten hebben begaan? Dit zou zelfs tot straffeloosheid van betrokkenen kunnen leiden, hetgeen wij ongewenst achten.” (Kamerstukken II 2012/13, 33572, 6, p. 6). ” Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 15. De eis van ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland werd voordien niet gesteld. Zie R. van Elst in T&C Strafrecht , art. 7, aant. 17, a, beoordelingsmoment: vervolgingsbeslissing? (online: bijgewerkt tot 15 oktober 2025). Van Elst merkt op: “ Bepalend om te beoordelen of de vreemdeling een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, is voor de wetgever 'het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan' (…). De keuze voor dit moment heeft de wetgever niet gemotiveerd. Het moment past niet goed bij de tekst van lid 3 waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de vreemdeling die 'na het plegen van het feit Nederlander wordt' en de vreemdeling die 'een vaste woon- of verblijfplaats heeft'. De wet geeft een uitdrukkelijke grondslag voor de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet op een vreemdeling die nog geen Nederlander was toen het feit werd begaan maar niet voor de vreemdeling die na het plegen van het feit een vaste woon- of verblijfplaats krijgt. De wet wijst op de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats 'heeft'. In het met terugwerkende kracht voorzien in de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet op een vreemdeling is in lid 3 alleen voorzien voor het geval waarin de vreemdeling Nederlander wordt. Tegen het met terugwerkende kracht toepassen van de gelijkstelling voor een vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats 'krijgt' pleiten systematisch art. 3 lid 7 en art. 4 lid 2 [bedoeld is: lid 9] Besluit waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de vervolging in de daar aangeduide gevallen ook kan plaatshebben indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats heeft gekregen. (…). ” In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel waarbij art. 5a Sr werd ingevoerd, betoogde de minister het volgende: “ De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of de formulering «een vaste woon- of verblijfplaats» wel juist is. Naar mijn oordeel is door invoering van het begrip «vaste woon- of verblijfsplaats» in artikel 5a Sr. op juiste wijze uitvoering gegeven aan het begrip «vaste ingezetene» dat wordt gebruikt in het gemeenschappelijk optreden van 1997. Het gaat om personen die in Nederland wonen. Dat zijn in de regel de personen die hier ook mogen verblijven. Het gemeenschappelijk optreden ziet in dit verband niet op personen die beschikken over een geldige verblijfstitel, maar die hier niet zijn ingeschreven, of hier geen vaste verblijfsplaats hebben. De vreemdeling die hier te lande een vaste woon- of verblijfsplaats heeft, biedt daardoor een aanknopingspunt met de Nederlandse rechtsorde. Dat geldt in veel mindere mate voor de vreemdeling die hier – een korte periode – legaal verblijft. ” Zie Kamerstukken II 2001/02, 27 745, nr. 6, p. 23-24. Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 840, nr. 3, p. 11, bij wijziging van art. 5a (oud) sr: “ Er bestaat geen internationale consensus over de strafwaardigheid van het aangaan van meer dan een huwelijk. Bij het ontbreken van internationale consensus moet worden aangenomen dat een vergelijkbare regeling als bij huwelijksdwang thans in strijd zou komen met het nulla poenabeginsel. Dat laat onverlet dat polygamie indruist tegen de in Nederland geldende norm en dat daartegen krachtig moet worden opgetreden. Omdat deze norm als gezegd zeker niet overal ter wereld wordt gedeeld, ligt het evenwel dus niet in de rede om ter zake van polygamie rechtsmacht te vestigen ten aanzien van personen die pas na het plegen van dat feit in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland hebben gekregen, en dus voor hun vestiging alhier nog niet konden weten dat zij voor dat feit in Nederland vervolgd konden worden. ” Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 4, advies Raad van State (cursief afgedrukt) en nader rapport, p. 5. De verwijzing naar het vierde lid van art. 5a Sr is op zichzelf correct. De bepaling dat de vervolging ook kan plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen, was uitsluitend van 1 april 2010 tot 1 juli 2013 genummerd als lid 4 (en buiten die periode ondergebracht in lid 2). Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 4, advies Raad van State (cursief afgedrukt) en nader rapport, p. 7. Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 15. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt hierop niet meer teruggekomen, zie: Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 6. Evenmin bij de behandeling in de Eerste Kamer. Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 2: “ In de eerste plaats streven wij naar een versterking van de beschermende functie van de Nederlandse strafwet; de Nederlandse strafwet moet in ruimere mate dan tot dusver kunnen worden ingezet als Nederlanders in het buitenland het slachtoffer worden van een strafbaar feit. Er bestaat een sterke tendens binnen de strafrechtspleging om slachtoffers in het strafproces een stevige positie te verschaffen. Dit wordt onder meer met wettelijke maatregelen ondersteund.
Volledig
Dit voorstel tot verruiming van de rechtsmacht over misdrijven, begaan tegen Nederlandse slachtoffers, maakt deel uit van dat pakket aan maatregelen. Een tweede uitgangspunt is, dat het bestaande onderscheid in de rechtsmacht over Nederlanders en de hier woonachtige vreemdelingen, voor zover het de in het buitenland begane misdrijven betreft, ongedaan wordt gemaakt. Wij stellen voor alle ingezetenen gelijk te behandelen en daarmee de huidige bepalingen die rechtsmacht koppelen aan het actieve personaliteitsbeginsel en het domiciliebeginsel samen te voegen. Dit leidt ertoe dat iedereen die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft op dezelfde wijze strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de strafbare feiten die hij of zij in het buitenland heeft begaan. ” Zie verder Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 6, p. 2, 3, 6, 10 en 20, waar onder meer wordt opgemerkt: “ Concluderend kan worden gesteld dat dit wetsvoorstel een aanmerkelijke verruiming inhoudt van de mogelijkheden om op te treden (voor of) tegen vreemdelingen met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland voor feiten in het buitenland gepleegd .” Art. 7 lid 3 Sr zou dus m.i. als volgt moeten worden gelezen (toevoeging onderstreept): “ Met een Nederlander wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, onder b tot en met e, gelijkgesteld de vreemdeling die na het plegen van het feit Nederlander wordt dan wel een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen , alsmede, voor de toepassing van het eerste en tweede lid, de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. ” Ik wijs erop dat in de memorie van toelichting bij een ((nog) niet in werking getreden) wetsvoorstel uit 2022, dat ertoe strekt mensensmokkel (art. 197a Sr) beter te kunnen bestrijden, ook de minister de opvatting huldigt dat (thans reeds) extraterritoriale rechtsmacht ontstaat wanneer de vreemdeling die het feit heeft begaan eerst na het strafbare feit een ingezetene in Nederland is geworden. Ik citeer: “Aldus heeft Nederland in de regel geen rechtsmacht over in het buitenland begane mensensmokkel, indien – kort gezegd – verdachte(n) of migrant(en) ten tijde van het feit niet de Nederlandse nationaliteit hebben of in Nederland als vreemdeling geworteld zijn dan wel de niet-Nederlandse verdachte(n) na het plegen van het feit Nederlander of in Nederland gewortelde vreemdeling wordt. ” (Zie Kamerstukken II 2022/23, 36 414, nr. 3, p. 2-7, citaat op p. 4). In dit soort gevallen kunnen rechtszekerheid en kenbaarheid van strafbaarheid voor de verdachte onder druk komen te staan. Dat is vooral problematisch wanneer daardoor ineens aansprakelijkstelling mogelijk wordt voor een al begaan feit dat niet strafbaar was in de jurisdictie waar het feit fysiek werd begaan (vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 103). In de memorie van toelichting bij de wet herziening regels extraterritoriale rechtsmacht ( Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 23) merkte de minister over het (op wetgevingsniveau) met terugwerkende kracht vestigen van rechtsmacht op dat geen strijd bestaat met het legaliteitsbeginsel indien het gaat om “ feiten die ten tijde van het handelen of nalaten strafbaar waren in het land waar deze zijn begaan dan wel misdrijven waren overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de beschaafde volkeren worden erkend. ” (Vgl. ook HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6568, NJ 2009/108 m.nt. Keijzer, rov. 6.2, over art. 7 lid 2 EVRM.) Die lijn lijkt mij ook de juiste indien door de terugwerking van het ingezetenschap pas op een moment na het feit rechtsmacht o ntstaat. De wetsgeschiedenis bij het wetsvoorstel dat leidde tot uitbreiding van art. 5a (oud) Sr in verband met de extraterritoriale rechtsmacht over genitale verminking ( Stb. 2006, 11) bevat ook interessante beschouwingen over dit onderwerp ( Kamerstukken II 2004/05, 28 484, nr. 49). Naar aanleiding van kanttekeningen van de Raad van State over de verenigbaarheid van de voorgestelde regeling met art. 7 EVRM, merkt de minister onder meer op dat “ het verwerven van het Nederlandschap dan wel het verkrijgen van een vaste woon of verblijfplaats in Nederland het gevolg van een persoonlijke keuze” kan zijn. “ Er kan dus wetenschap vooraf zijn dat het aanknopen van banden met de Nederlandse rechtsorde met zich kan brengen dat een vervolging wordt ingesteld terzake van strafbare feiten die in Nederland als zeer ernstig worden aangemerkt .” De minister vervolgt: “ Het is denkbaar dat de vervolging van feiten op grond van de voorgestelde rechtsmachtbepalingen in concreto in strijd zou kunnen komen met een redelijke uitleg van het nulla poenabeginsel, neergelegd in artikel 7 EVRM. Om die reden is de voorgestelde wettelijke regeling van de vervolgbaarheid nog niet als zodanig strijdig met artikel 7 EVRM. ” Dat geldt m.i. ook voor ‘s hofs verwijzing naar art. 6 Sr, indien gelezen in samenhang met art. 3 lid 5 van het Besluit internationale verplichtingen, met dien verstande dat lid 5 (toen nog: lid 4) eerst op 1 januari 2016 is ingevoerd, terwijl het verdrag waarnaar in die bepaling wordt verwezen voor het Europese deel van het rijk op 1 maart 2016 in werking is getreden. Vanwege de in de hoofdtekst verdedigde opvatting kom ik hier niet toe aan een bespreking van de (eventuele) terugwerkende kracht van deze rechtsmachtbepalingen. Zie: “ [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen.” en “ Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit .” Vgl. HR 28 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:769, r.o. 2.3.3. Zie HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, r.o. 2.5.2., over niet-redengevende delen van de bewijsmiddelen.
Volledig
Dit voorstel tot verruiming van de rechtsmacht over misdrijven, begaan tegen Nederlandse slachtoffers, maakt deel uit van dat pakket aan maatregelen. Een tweede uitgangspunt is, dat het bestaande onderscheid in de rechtsmacht over Nederlanders en de hier woonachtige vreemdelingen, voor zover het de in het buitenland begane misdrijven betreft, ongedaan wordt gemaakt. Wij stellen voor alle ingezetenen gelijk te behandelen en daarmee de huidige bepalingen die rechtsmacht koppelen aan het actieve personaliteitsbeginsel en het domiciliebeginsel samen te voegen. Dit leidt ertoe dat iedereen die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft op dezelfde wijze strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de strafbare feiten die hij of zij in het buitenland heeft begaan. ” Zie verder Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 6, p. 2, 3, 6, 10 en 20, waar onder meer wordt opgemerkt: “ Concluderend kan worden gesteld dat dit wetsvoorstel een aanmerkelijke verruiming inhoudt van de mogelijkheden om op te treden (voor of) tegen vreemdelingen met een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland voor feiten in het buitenland gepleegd .” Art. 7 lid 3 Sr zou dus m.i. als volgt moeten worden gelezen (toevoeging onderstreept): “ Met een Nederlander wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, onder b tot en met e, gelijkgesteld de vreemdeling die na het plegen van het feit Nederlander wordt dan wel een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen , alsmede, voor de toepassing van het eerste en tweede lid, de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. ” Ik wijs erop dat in de memorie van toelichting bij een ((nog) niet in werking getreden) wetsvoorstel uit 2022, dat ertoe strekt mensensmokkel (art. 197a Sr) beter te kunnen bestrijden, ook de minister de opvatting huldigt dat (thans reeds) extraterritoriale rechtsmacht ontstaat wanneer de vreemdeling die het feit heeft begaan eerst na het strafbare feit een ingezetene in Nederland is geworden. Ik citeer: “Aldus heeft Nederland in de regel geen rechtsmacht over in het buitenland begane mensensmokkel, indien – kort gezegd – verdachte(n) of migrant(en) ten tijde van het feit niet de Nederlandse nationaliteit hebben of in Nederland als vreemdeling geworteld zijn dan wel de niet-Nederlandse verdachte(n) na het plegen van het feit Nederlander of in Nederland gewortelde vreemdeling wordt. ” (Zie Kamerstukken II 2022/23, 36 414, nr. 3, p. 2-7, citaat op p. 4). In dit soort gevallen kunnen rechtszekerheid en kenbaarheid van strafbaarheid voor de verdachte onder druk komen te staan. Dat is vooral problematisch wanneer daardoor ineens aansprakelijkstelling mogelijk wordt voor een al begaan feit dat niet strafbaar was in de jurisdictie waar het feit fysiek werd begaan (vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 103). In de memorie van toelichting bij de wet herziening regels extraterritoriale rechtsmacht ( Kamerstukken II 2012/13, 33 572, nr. 3, p. 23) merkte de minister over het (op wetgevingsniveau) met terugwerkende kracht vestigen van rechtsmacht op dat geen strijd bestaat met het legaliteitsbeginsel indien het gaat om “ feiten die ten tijde van het handelen of nalaten strafbaar waren in het land waar deze zijn begaan dan wel misdrijven waren overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de beschaafde volkeren worden erkend. ” (Vgl. ook HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6568, NJ 2009/108 m.nt. Keijzer, rov. 6.2, over art. 7 lid 2 EVRM.) Die lijn lijkt mij ook de juiste indien door de terugwerking van het ingezetenschap pas op een moment na het feit rechtsmacht o ntstaat. De wetsgeschiedenis bij het wetsvoorstel dat leidde tot uitbreiding van art. 5a (oud) Sr in verband met de extraterritoriale rechtsmacht over genitale verminking ( Stb. 2006, 11) bevat ook interessante beschouwingen over dit onderwerp ( Kamerstukken II 2004/05, 28 484, nr. 49). Naar aanleiding van kanttekeningen van de Raad van State over de verenigbaarheid van de voorgestelde regeling met art. 7 EVRM, merkt de minister onder meer op dat “ het verwerven van het Nederlandschap dan wel het verkrijgen van een vaste woon of verblijfplaats in Nederland het gevolg van een persoonlijke keuze” kan zijn. “ Er kan dus wetenschap vooraf zijn dat het aanknopen van banden met de Nederlandse rechtsorde met zich kan brengen dat een vervolging wordt ingesteld terzake van strafbare feiten die in Nederland als zeer ernstig worden aangemerkt .” De minister vervolgt: “ Het is denkbaar dat de vervolging van feiten op grond van de voorgestelde rechtsmachtbepalingen in concreto in strijd zou kunnen komen met een redelijke uitleg van het nulla poenabeginsel, neergelegd in artikel 7 EVRM. Om die reden is de voorgestelde wettelijke regeling van de vervolgbaarheid nog niet als zodanig strijdig met artikel 7 EVRM. ” Dat geldt m.i. ook voor ‘s hofs verwijzing naar art. 6 Sr, indien gelezen in samenhang met art. 3 lid 5 van het Besluit internationale verplichtingen, met dien verstande dat lid 5 (toen nog: lid 4) eerst op 1 januari 2016 is ingevoerd, terwijl het verdrag waarnaar in die bepaling wordt verwezen voor het Europese deel van het rijk op 1 maart 2016 in werking is getreden. Vanwege de in de hoofdtekst verdedigde opvatting kom ik hier niet toe aan een bespreking van de (eventuele) terugwerkende kracht van deze rechtsmachtbepalingen. Zie: “ [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen.” en “ Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit .” Vgl. HR 28 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:769, r.o. 2.3.3. Zie HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, r.o. 2.5.2., over niet-redengevende delen van de bewijsmiddelen.