Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-06-02
ECLI:NL:PHR:2026:503
Strafrecht
7,191 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:503 text/xml public 2026-06-02T15:26:14 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-06-02 24/04319 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:503 text/html public 2026-06-02T15:14:53 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:503 Parket bij de Hoge Raad , 02-06-2026 / 24/04319 Conclusie AG. Verdachte door hof niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep. M1: Falende klacht dat hof feiten die raadsman ttz naar voren heeft gebracht, incompleet in pv ttz heeft weergegeven, zodat verwerping verweer onbegrijpelijk is. M2: Slagende klacht over n-o verklaring verdachte in hoger beroep. Volgens AG kon hof aan omstandigheid dat uit AMV volgt dat vonnis in eerste aanleg op tegenspraak is gewezen, niet de conclusie verbinden dat verdachte slechts gedurende 14 dagen na uitspraak vonnis hoger beroep kon instellen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04319 Zitting 2 juni 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 13 november 2024 door het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 9 oktober 2015. 1.2 Namens de verdachte heeft P.D. Popescu, advocaat in Amsterdam , twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Het eerste middel 2.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het hof de feiten die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van een preliminair verweer naar voren zijn gebracht, incompleet in het proces-verbaal van die terechtzitting heeft weergegeven, zodat de motivering van de verwerping van dit verweer onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende begrijpelijk is. 2.2 In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2024 is bij de weergave van het verweer van de raadsman betreffende de ontvankelijkheid van het hoger beroep de volgende voetnoot opgenomen: “ De raadsman heeft de griffier tijdens de zitting, om 13.28 uur, een mail gestuurd met daarin een bijlage met de titel “Pleitaantekeningen.preliminair.13.1.24.pdf'. Deze pleitaantekeningen zijn door de raadsman niet voorgedragen en zijn daarom niet aan dit proces-verbaal gehecht .” 2.3 In de toelichting op het middel merkt de steller van het middel op dat deze voetnoot een onjuiste weergave van de feiten is, aangezien hetgeen ter terechtzitting is besproken precies is wat in de ter terechtzitting gemailde pleitaantekeningen vermeld stond. 2.4 Vooropgesteld moet worden dat bij verweren het proces-verbaal van de terechtzitting de kenbron is van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen. 2.5 In de onderhavige zaak blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk dat de tijdens deze terechtzitting aan de griffier gestuurde pleitaantekeningen niet ter terechtzitting door de raadsman zijn voorgedragen. Uit het betreffende proces-verbaal kan verder worden afgeleid dat de pleitaantekeningen ook niet met instemming van de voorzitter als voorgedragen kunnen worden beschouwd of dat de raadsman heeft verzocht om diens pleitaantekeningen te insereren in het proces-verbaal, nu het proces-verbaal van dit alles geen blijk geeft. Daarmee kan in cassatie geen beroep worden gedaan op hetgeen in de pleitaantekeningen naar voren is gebracht en kan ook niet worden hard gemaakt dat ter terechtzitting meer of anders is aangevoerd dan uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt. 2.6 Het middel faalt. 3 Het tweede middel 3.1 Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, dan wel dat de niet-ontvankelijkverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. 3.2 De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: (i) In eerste aanleg is de verdachte gedagvaard voor de terechtzitting van de politierechter op 22 augustus 2014. Deze dagvaarding is op 18 april 2014 in persoon aan de verdachte uitgereikt in de PI in [plaats] . (ii) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 augustus 2014 is de verdachte niet, maar zijn gemachtigde raadsvrouw wel ter terechtzitting verschenen. Ter terechtzitting heeft de politierechter het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 27 oktober 2014. (iii) De oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 27 oktober 2014 is op 20 oktober 2014 aangeboden op het adres de [a-straat 1] te [plaats] , maar daarbij bleek dat de verdachte aldaar niet (meer) woonde. Vervolgens is de oproeping op 24 oktober 2014 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Op die datum is bovendien een afschrift verzonden naar het hiervoor vermelde adres. (iv) De advocaat van de verdachte heeft op 27 oktober 2014 een e-mail naar de rechtbank gestuurd waarin zij vermeldt van de officier van justitie te hebben vernomen dat de zaak zal worden aangehouden aangezien de rechtbank niet beschikt over het volledige dossier. De advocaat deelt mee geen bezwaar te hebben tegen de aanhouding van de zaak en deelt mee dat zij niet ter terechtzitting zal verschijnen. (v) De oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 9 oktober 2015 is op 17 september 2015 aangeboden op het adres de [b-straat 1] te [plaats] , waar niemand werd aangetroffen. Er is een bericht van aankomst achtergelaten met de mededeling dat de brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kan worden afgehaald op het daarin genoemde (post)kantoor of politiebureau. Op 25 september 2015 is de brief teruggezonden naar de afzender en deze is vervolgens op 6 oktober 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Op die datum is bovendien een afschrift verzonden naar het hiervoor vermelde adres. (vi) De raadsvrouw van de verdachte heeft op 8 oktober 2015 een e-mail naar de rechtbank gestuurd waarin zij vermeldt dat zij niet zal verschijnen op de terechtzitting van 9 oktober 2015, aangezien zij geen contact krijgt met haar cliënt en zich dus niet gemachtigd acht het woord ter verdediging te voeren. Mocht er tussentijds nog iets veranderen, dan zal de rechtbank worden geïnformeerd, aldus de raadsvrouw. (vii) Op 9 oktober 2015 is de zaak ter terechtzitting van de politierechter behandeld. De politierechter heeft toen mondeling uitspraak gedaan. De aantekening mondeling vonnis vermeldt dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. (viii) Op 25 september 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 9 oktober 2015. Namens de verdachte wordt opgemerkt dat hij pas op 19 september 2023 met dit verstekvonnis bekend is geraakt. 3.3 Het hof heeft op de terechtzitting van 13 november 2024 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft het standpunt van de officier van justitie en de raadsman als volgt samengevat en verworpen: “ Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep door verdachte te laat is ingesteld, zodat hij in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden of verdachte op de terechtzitting op 9 oktober 2015 is verschenen, zodat in het voordeel van verdachte beslist moet worden dat hij ontvankelijk is in zijn beroep. In verband daarmee heeft de raadsman aangevoerd dat de oproeping voor de zitting op 9 oktober 2015 nietig is, omdat niet uit de akte volgt dat de oproeping ook is verzonden naar de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van verdachte ( [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ). Oordeel van het hof Uit de stukken volgt dat op 17 september 2015 tevergeefs is geprobeerd de dagvaarding voor de zitting van 9 oktober 2015 aan verdachte te betekenen op het adres [b-straat 1] , [postcode] in [plaats] .
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:503 text/xml public 2026-06-02T15:26:14 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-06-02 24/04319 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:503 text/html public 2026-06-02T15:14:53 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:503 Parket bij de Hoge Raad , 02-06-2026 / 24/04319 Conclusie AG. Verdachte door hof niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep. M1: Falende klacht dat hof feiten die raadsman ttz naar voren heeft gebracht, incompleet in pv ttz heeft weergegeven, zodat verwerping verweer onbegrijpelijk is. M2: Slagende klacht over n-o verklaring verdachte in hoger beroep. Volgens AG kon hof aan omstandigheid dat uit AMV volgt dat vonnis in eerste aanleg op tegenspraak is gewezen, niet de conclusie verbinden dat verdachte slechts gedurende 14 dagen na uitspraak vonnis hoger beroep kon instellen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04319 Zitting 2 juni 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 13 november 2024 door het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 9 oktober 2015. 1.2 Namens de verdachte heeft P.D. Popescu, advocaat in Amsterdam , twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Het eerste middel 2.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het hof de feiten die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van een preliminair verweer naar voren zijn gebracht, incompleet in het proces-verbaal van die terechtzitting heeft weergegeven, zodat de motivering van de verwerping van dit verweer onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende begrijpelijk is. 2.2 In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2024 is bij de weergave van het verweer van de raadsman betreffende de ontvankelijkheid van het hoger beroep de volgende voetnoot opgenomen: “ De raadsman heeft de griffier tijdens de zitting, om 13.28 uur, een mail gestuurd met daarin een bijlage met de titel “Pleitaantekeningen.preliminair.13.1.24.pdf'. Deze pleitaantekeningen zijn door de raadsman niet voorgedragen en zijn daarom niet aan dit proces-verbaal gehecht .” 2.3 In de toelichting op het middel merkt de steller van het middel op dat deze voetnoot een onjuiste weergave van de feiten is, aangezien hetgeen ter terechtzitting is besproken precies is wat in de ter terechtzitting gemailde pleitaantekeningen vermeld stond. 2.4 Vooropgesteld moet worden dat bij verweren het proces-verbaal van de terechtzitting de kenbron is van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen. 2.5 In de onderhavige zaak blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk dat de tijdens deze terechtzitting aan de griffier gestuurde pleitaantekeningen niet ter terechtzitting door de raadsman zijn voorgedragen. Uit het betreffende proces-verbaal kan verder worden afgeleid dat de pleitaantekeningen ook niet met instemming van de voorzitter als voorgedragen kunnen worden beschouwd of dat de raadsman heeft verzocht om diens pleitaantekeningen te insereren in het proces-verbaal, nu het proces-verbaal van dit alles geen blijk geeft. Daarmee kan in cassatie geen beroep worden gedaan op hetgeen in de pleitaantekeningen naar voren is gebracht en kan ook niet worden hard gemaakt dat ter terechtzitting meer of anders is aangevoerd dan uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt. 2.6 Het middel faalt. 3 Het tweede middel 3.1 Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, dan wel dat de niet-ontvankelijkverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. 3.2 De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: (i) In eerste aanleg is de verdachte gedagvaard voor de terechtzitting van de politierechter op 22 augustus 2014. Deze dagvaarding is op 18 april 2014 in persoon aan de verdachte uitgereikt in de PI in [plaats] . (ii) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 augustus 2014 is de verdachte niet, maar zijn gemachtigde raadsvrouw wel ter terechtzitting verschenen. Ter terechtzitting heeft de politierechter het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 27 oktober 2014. (iii) De oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 27 oktober 2014 is op 20 oktober 2014 aangeboden op het adres de [a-straat 1] te [plaats] , maar daarbij bleek dat de verdachte aldaar niet (meer) woonde. Vervolgens is de oproeping op 24 oktober 2014 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Op die datum is bovendien een afschrift verzonden naar het hiervoor vermelde adres. (iv) De advocaat van de verdachte heeft op 27 oktober 2014 een e-mail naar de rechtbank gestuurd waarin zij vermeldt van de officier van justitie te hebben vernomen dat de zaak zal worden aangehouden aangezien de rechtbank niet beschikt over het volledige dossier. De advocaat deelt mee geen bezwaar te hebben tegen de aanhouding van de zaak en deelt mee dat zij niet ter terechtzitting zal verschijnen. (v) De oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 9 oktober 2015 is op 17 september 2015 aangeboden op het adres de [b-straat 1] te [plaats] , waar niemand werd aangetroffen. Er is een bericht van aankomst achtergelaten met de mededeling dat de brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kan worden afgehaald op het daarin genoemde (post)kantoor of politiebureau. Op 25 september 2015 is de brief teruggezonden naar de afzender en deze is vervolgens op 6 oktober 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Op die datum is bovendien een afschrift verzonden naar het hiervoor vermelde adres. (vi) De raadsvrouw van de verdachte heeft op 8 oktober 2015 een e-mail naar de rechtbank gestuurd waarin zij vermeldt dat zij niet zal verschijnen op de terechtzitting van 9 oktober 2015, aangezien zij geen contact krijgt met haar cliënt en zich dus niet gemachtigd acht het woord ter verdediging te voeren. Mocht er tussentijds nog iets veranderen, dan zal de rechtbank worden geïnformeerd, aldus de raadsvrouw. (vii) Op 9 oktober 2015 is de zaak ter terechtzitting van de politierechter behandeld. De politierechter heeft toen mondeling uitspraak gedaan. De aantekening mondeling vonnis vermeldt dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. (viii) Op 25 september 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 9 oktober 2015. Namens de verdachte wordt opgemerkt dat hij pas op 19 september 2023 met dit verstekvonnis bekend is geraakt. 3.3 Het hof heeft op de terechtzitting van 13 november 2024 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft het standpunt van de officier van justitie en de raadsman als volgt samengevat en verworpen: “ Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep door verdachte te laat is ingesteld, zodat hij in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden of verdachte op de terechtzitting op 9 oktober 2015 is verschenen, zodat in het voordeel van verdachte beslist moet worden dat hij ontvankelijk is in zijn beroep. In verband daarmee heeft de raadsman aangevoerd dat de oproeping voor de zitting op 9 oktober 2015 nietig is, omdat niet uit de akte volgt dat de oproeping ook is verzonden naar de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van verdachte ( [b-straat 1] , [postcode] [plaats] ). Oordeel van het hof Uit de stukken volgt dat op 17 september 2015 tevergeefs is geprobeerd de dagvaarding voor de zitting van 9 oktober 2015 aan verdachte te betekenen op het adres [b-straat 1] , [postcode] in [plaats] .
Volledig
Door de koerier is ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten, waarin is vermeld dat de oproeping binnen de gestelde termijn kan worden afgehaald op het in de brief genoemde (post)kantoor of politiebureau. Daarnaast is op 6 oktober 2015 een afschrift van de oproeping naar voornoemd adres in [plaats] verzonden. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke voorschriften is betekend. Het hof stelt vast dat het proces-verbaal en het vonnis in eerste aanleg niet is uitgewerkt. Uit de aantekening van het mondeling vonnis van 9 oktober 2015 volgt dat de uitspraak van de politierechter in de zaak tegen verdachte op tegenspraak is gewezen. Door of namens verdachte zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof aanleiding heeft om aan de juistheid van deze vermelding in het vonnis te twijfelen. Zo kan aan het feit dat het proces-verbaal van de terechtzitting op 9 oktober 2015 niet is uitgewerkt ook niet de conclusie worden verbonden dat de zaak tegen verdachte, anders dan is vermeld in het vonnis, bij verstek is afgedaan. Uit de memo van de rechtbank Overijssel volgt immers dat het proces-verbaal ter terechtzitting niet is uitgewerkt, omdat “de zaak ouder is dan drie maanden”. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte op grond van de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen. Het hoger beroep is pas op 25 september 2023, dus na het verstrijken van die termijn, ingesteld. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.” 3.4 Allereerst merk ik op dat de rechtbank gelet op art. 378 lid 2 sub c Sv heeft mogen afzien van het uitwerken van een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, omdat de verdachte meer dan drie maanden na de uitspraak van de politierechter hoger beroep heeft ingesteld. Daarmee is van de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg alleen een aantekening mondeling vonnis – ook wel het stempelvonnis ex art. 378a Sv –beschikbaar waarin staat vermeld dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. 3.5 In beginsel kan het hof in zo’n geval aan de inhoud van de aantekening mondeling vonnis ontlenen of het vonnis op tegenspraak is gewezen of niet. Dat is echter anders wanneer door of namens de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is aangevoerd dat en waarom de inhoud van dat stempelvonnis in strijd met de waarheid is en/of wanneer uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de vermelding op het stempelvonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen niet juist is. 3.6 In de voorliggende zaak heeft het hof overwogen dat uit de aantekening mondeling vonnis van 9 oktober 2015 volgt dat de uitspraak van de politierechter in de zaak tegen de verdachte op tegenspraak is gewezen en dat door of namens de verdachte geen omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan het hof aanleiding heeft gekregen om aan de juistheid van die vermelding in het vonnis te twijfelen. Dat leidt volgens het hof tot de conclusie dat de verdachte op grond van de wet gedurende 14 dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen. Omdat de verdachte pas na het verstrijken van die termijn hoger beroep heeft ingesteld, heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. 3.7 Naar mijn oordeel heeft het hof die conclusie niet kunnen verbinden aan de omstandigheid dat de aantekening mondeling vonnis vermeldt dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. Ik licht dit nader toe. Uit de stukken van het geding volgt dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg voor het eerst was gepland voor de terechtzitting van 22 augustus 2014. Uit het proces-verbaal van deze terechtzitting blijkt dat toen een gemachtigd raadsvrouw is verschenen. Door het verschijnen van een gemachtigd raadsvrouw geldt dat de procedure – conform art. 279 lid 2 Sv – als een procedure op tegenspraak moet worden beschouwd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan vervolgens worden afgeleid dat bij toepassing van art. 280 lid 1 Sv nog steeds de regel geldt ‘tegenspraak blijft tegenspraak’ – zoals dat gold onder vigeur van art. 271 (oud) Sv – ook als op de nadere zitting(en) niemand verschijnt en/of het onderzoek opnieuw aanvangt. Uit de omstandigheid dat het vonnis van de politierechter van 9 oktober 2015 – na eerdere aanhoudingen – op tegenspraak is gewezen, volgt aldus nog niet dat de verdachte op die datum ter terechtzitting is verschenen, waarna hij op grond van art. 408 lid 1 onder b Sv binnen veertien dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen. Gelet op zijn motivering lijkt het hof daar wel van uit te gaan. Nu de oproeping voor de terechtzitting van 9 oktober 2015 niet aan de verdachte in persoon is betekend, de oproeping niet is afgehaald bij het genoemde postkantoor of politiebureau en de verdachte voorafgaand aan die terechtzitting kennelijk geen contact meer had met zijn raadsvrouw, is het meer aannemelijk dat hij niet op de hoogte was van deze terechtzitting en als gevolg daarvan aldaar niet aanwezig was, terwijl hij evenmin is vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsvrouw. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verdachte op grond van de wet slechts gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen, ontoereikend gemotiveerd en slaagt het middel. 4 Slotsom 4.1 Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. 4.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 21-004396-23. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt T.M. Schalken, r.o. 3.3. P.T.C. van Kampen & N. van der Laan (red.), Handboek Verdediging , Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 484. HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:80, r.o. 2.3. HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG3022, NJ 2004/167 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.4.
Volledig
Door de koerier is ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten, waarin is vermeld dat de oproeping binnen de gestelde termijn kan worden afgehaald op het in de brief genoemde (post)kantoor of politiebureau. Daarnaast is op 6 oktober 2015 een afschrift van de oproeping naar voornoemd adres in [plaats] verzonden. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke voorschriften is betekend. Het hof stelt vast dat het proces-verbaal en het vonnis in eerste aanleg niet is uitgewerkt. Uit de aantekening van het mondeling vonnis van 9 oktober 2015 volgt dat de uitspraak van de politierechter in de zaak tegen verdachte op tegenspraak is gewezen. Door of namens verdachte zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof aanleiding heeft om aan de juistheid van deze vermelding in het vonnis te twijfelen. Zo kan aan het feit dat het proces-verbaal van de terechtzitting op 9 oktober 2015 niet is uitgewerkt ook niet de conclusie worden verbonden dat de zaak tegen verdachte, anders dan is vermeld in het vonnis, bij verstek is afgedaan. Uit de memo van de rechtbank Overijssel volgt immers dat het proces-verbaal ter terechtzitting niet is uitgewerkt, omdat “de zaak ouder is dan drie maanden”. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte op grond van de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen. Het hoger beroep is pas op 25 september 2023, dus na het verstrijken van die termijn, ingesteld. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.” 3.4 Allereerst merk ik op dat de rechtbank gelet op art. 378 lid 2 sub c Sv heeft mogen afzien van het uitwerken van een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, omdat de verdachte meer dan drie maanden na de uitspraak van de politierechter hoger beroep heeft ingesteld. Daarmee is van de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg alleen een aantekening mondeling vonnis – ook wel het stempelvonnis ex art. 378a Sv –beschikbaar waarin staat vermeld dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. 3.5 In beginsel kan het hof in zo’n geval aan de inhoud van de aantekening mondeling vonnis ontlenen of het vonnis op tegenspraak is gewezen of niet. Dat is echter anders wanneer door of namens de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is aangevoerd dat en waarom de inhoud van dat stempelvonnis in strijd met de waarheid is en/of wanneer uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de vermelding op het stempelvonnis dat het vonnis op tegenspraak is gewezen niet juist is. 3.6 In de voorliggende zaak heeft het hof overwogen dat uit de aantekening mondeling vonnis van 9 oktober 2015 volgt dat de uitspraak van de politierechter in de zaak tegen de verdachte op tegenspraak is gewezen en dat door of namens de verdachte geen omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan het hof aanleiding heeft gekregen om aan de juistheid van die vermelding in het vonnis te twijfelen. Dat leidt volgens het hof tot de conclusie dat de verdachte op grond van de wet gedurende 14 dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen. Omdat de verdachte pas na het verstrijken van die termijn hoger beroep heeft ingesteld, heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. 3.7 Naar mijn oordeel heeft het hof die conclusie niet kunnen verbinden aan de omstandigheid dat de aantekening mondeling vonnis vermeldt dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. Ik licht dit nader toe. Uit de stukken van het geding volgt dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg voor het eerst was gepland voor de terechtzitting van 22 augustus 2014. Uit het proces-verbaal van deze terechtzitting blijkt dat toen een gemachtigd raadsvrouw is verschenen. Door het verschijnen van een gemachtigd raadsvrouw geldt dat de procedure – conform art. 279 lid 2 Sv – als een procedure op tegenspraak moet worden beschouwd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan vervolgens worden afgeleid dat bij toepassing van art. 280 lid 1 Sv nog steeds de regel geldt ‘tegenspraak blijft tegenspraak’ – zoals dat gold onder vigeur van art. 271 (oud) Sv – ook als op de nadere zitting(en) niemand verschijnt en/of het onderzoek opnieuw aanvangt. Uit de omstandigheid dat het vonnis van de politierechter van 9 oktober 2015 – na eerdere aanhoudingen – op tegenspraak is gewezen, volgt aldus nog niet dat de verdachte op die datum ter terechtzitting is verschenen, waarna hij op grond van art. 408 lid 1 onder b Sv binnen veertien dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen. Gelet op zijn motivering lijkt het hof daar wel van uit te gaan. Nu de oproeping voor de terechtzitting van 9 oktober 2015 niet aan de verdachte in persoon is betekend, de oproeping niet is afgehaald bij het genoemde postkantoor of politiebureau en de verdachte voorafgaand aan die terechtzitting kennelijk geen contact meer had met zijn raadsvrouw, is het meer aannemelijk dat hij niet op de hoogte was van deze terechtzitting en als gevolg daarvan aldaar niet aanwezig was, terwijl hij evenmin is vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsvrouw. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verdachte op grond van de wet slechts gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis hoger beroep kon instellen, ontoereikend gemotiveerd en slaagt het middel. 4 Slotsom 4.1 Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. 4.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 21-004396-23. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt T.M. Schalken, r.o. 3.3. P.T.C. van Kampen & N. van der Laan (red.), Handboek Verdediging , Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 484. HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:80, r.o. 2.3. HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG3022, NJ 2004/167 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.4.