Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:486
Strafrecht
8,099 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:486 text/xml public 2026-05-20T12:29:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03898 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:486 text/html public 2026-05-20T12:29:06 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:486 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03898 Conclusie AG. Cassatieberoep belanghebbende tegen toewijzing rechtbank van afzonderlijke vordering tot onttrekking auto aan het verkeer (art. 552f Sv). Middel tegen oordeel dat voorwerp verband houdt met een begaan strafbaar feit (witwassen) slaagt, omdat dit oordeel niet toereikend is gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/03894. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03898 B Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [belanghebbende] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de belanghebbende. 1 Inleiding 1.1 De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 8 mei 2024 (raadkamernr. 24/006518) de op artikel 552f Sv gebaseerde vordering van de officier van justitie toegewezen en de in beslag genomen personenauto van het merk Skoda Kodiaq met het Duitse kenteken [kenteken] onttrokken aan het verkeer. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/03894. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de belanghebbende en I.A. van Straalen, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld. 2 Het procesverloop 2.1 Het betreft hier een tweede cassatieronde. In de eerste ronde vernietigde de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Rotterdam, omdat uit de stukken van het geding niet volgde dat een openbare raadkamerzitting had plaatsgehad (als bedoeld in artikel 552f lid 4 Sv). De overige middelen werden – wegens het slagen van het tweede middel – door de Hoge Raad niet besproken. In deze cassatieronde wordt een ander punt aan de orde gesteld. 2.2 Het cassatieberoep in de samenhangende zaak ziet op de beslissing van de rechtbank op het namens [belanghebbende] en [klaagster 2] GmbH op grond van artikel 552ab Sv ingediende klaagschrift tegen de aan een transactie verbonden voorwaarde af te doen van onder andere een auto (Skoda). Het onderhavige cassatieberoep heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank van 8 mei 2024 op de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv tot onttrekking aan het verkeer van diezelfde in beslag genomen auto, In deze procedure is [belanghebbende] als belanghebbende is betrokken. Voor een korte samenvatting van de zaak en enkele opmerkingen over de samenloop van beide procedures, verwijs ik naar de conclusie in de samenhangende zaak. 2.3 De rechtbank heeft de vordering tot onttrekking aan het verkeer toegewezen en daartoe in haar beschikking van 8 mei 2024 het volgende overwogen: “ Procedure Op 17 november 2022 heeft de officier van justitie op grond van artikel 552f Sv een vordering tot onttrekking aan het verkeer ingediend. Bij beschikking van 15 februari 2023 van deze rechtbank is de vordering van de officier van justitie toegewezen. De klagers hebben tegen deze beschikking beroep in cassatie ingesteld. Op 27 februari 2024 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank van 15 februari 2023 vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam om de zaak opnieuw te behandelen en af te doen. De vordering tot onttrekking aan het verkeer is op 8 mei 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De [officier van justitie] en de raadsman zijn gehoord. De klager [belanghebbende] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Feiten Op 3 december 2022 is aan de beslagene [betrokkene 1] een transactievoorstel waarin is bepaald dat hij, overeenkomstig artikel 74 Wetboek van Strafrecht, niet vervolgd zal worden ter zake van de strafzaak met parketnummer 71-223056-21 (onderzoek 26Hornsham, witwassen), wanneer hij - onder meer - een bedrag van € 15.000,- aan de Staat zou voldoen en afstand zou doen ten behoeve van de Staat van - onder meer - het inbeslaggenomen geldbedrag van € 249.740 en de inbeslaggenomen auto Skoda Kodiaq zwart met het kenteken [kenteken] . Op 10 januari 2023 heeft [betrokkene 1] aan alle voorwaarden van de transactie voldaan, waarmee een einde is gekomen aan de strafzaak tegen de beslagene [betrokkene 1] . Het inbeslaggenomen geld bevond zich in een verborgen ruimte in de auto met het Duitse kenteken [kenteken] , waar de vordering onttrekking aan het verkeer op ziet. Standpunt klagers Klager [belanghebbende] is de rechtsgeldige eigenaar van de personenauto, omdat hij deze heeft gekocht van zijn broer. Klager is daarmee rechthebbende op het voertuig. Volgens klagers moet de vordering afgewezen worden. Daarvoor is relevant dat de verborgen ruimte niet gebruikt is in verband met het plegen van strafbare feiten. Dat verband is noodzakelijk om te kunnen spreken van een rechtmatig beslag. In de rechtspraak wordt gesteld dat “het enkele feit dat auto’s met verborgen ruimtes gebruikt (kunnen worden) voor het plegen van strafbare feiten en dat dit gelet op de aard van deze ruimtes en de algemene ervaringsregels een redelijkerwijs te verwachten gebruik is” naar de oordeel van de rechtbank als onvoldoende bestempeld wordt om een relatie tussen de auto en een strafbaar feit als aanwezig te veronderstellen. Ook de Hoge Raad heeft geoordeeld dat vastgesteld moet worden dat het inbeslaggenomen voorwerp in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband moet staan tot een begaan strafbaar feit. Het geld dat in de verborgen ruimte is aangetroffen heeft een legale herkomst en dit kan evident met stukken worden aangetoond, zoals in het klaagschrift en ter zitting uitgebreid is gemotiveerd. Er is geen enkel aan te wijzen (vermoedelijk) strafbaar feit gepleegd in relatie met de verborgen ruimte in het voertuig. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat de verborgen ruimte in het voertuig (in de toekomst) gebruikt wordt voor het plegen van strafbare feiten. Klagers hebben voldoende gemotiveerd waar de ruimte voor diende, namelijk als alternatief voor het vervoeren van goud en geld. In dit geval is er onterecht vanuit gegaan dat de verborgen ruimte is gebruikt of zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer. Daartoe is gesteld dat er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie, sprake was van een strafbaar feit door het vervoeren van het geldbedrag in de verborgen ruimte. De zaak tegen beslagene is geëindigd met een transactie. Er is een geldboete opgelegd ter zake van witwassen van een geldbedrag van € 249.740,=. Dat bedrag is aangetroffen in een verborgen ruimte die aanwezig was in de auto. Het vereiste causale verband tussen de verborgen ruimte en het misdrijf is daarmee gegeven. Voorts zijn klagers meermaals niet in staat gebleken om aan te tonen dat het geldbedrag uit legale bron afkomstig is. Uit de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat [klaagster 2] GmbH rechthebbende is van het aangetroffen geldbedrag noch kan worden vastgesteld dat het aangetroffen geldbedrag uit legale bron afkomstig is. Beoordeling van de vordering Ingevolge artikel 36b, eerste lid aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke beslissing de onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen uitspreken. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de in beslag genomen auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Ingevolge het bepaalde in artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht is een voorwerp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Daarvan is sprake indien een voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van misdrijven, dan wel de opsporing ervan te belemmeren.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:486 text/xml public 2026-05-20T12:29:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03898 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:486 text/html public 2026-05-20T12:29:06 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:486 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03898 Conclusie AG. Cassatieberoep belanghebbende tegen toewijzing rechtbank van afzonderlijke vordering tot onttrekking auto aan het verkeer (art. 552f Sv). Middel tegen oordeel dat voorwerp verband houdt met een begaan strafbaar feit (witwassen) slaagt, omdat dit oordeel niet toereikend is gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/03894. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03898 B Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [belanghebbende] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de belanghebbende. 1 Inleiding 1.1 De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 8 mei 2024 (raadkamernr. 24/006518) de op artikel 552f Sv gebaseerde vordering van de officier van justitie toegewezen en de in beslag genomen personenauto van het merk Skoda Kodiaq met het Duitse kenteken [kenteken] onttrokken aan het verkeer. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/03894. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de belanghebbende en I.A. van Straalen, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld. 2 Het procesverloop 2.1 Het betreft hier een tweede cassatieronde. In de eerste ronde vernietigde de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Rotterdam, omdat uit de stukken van het geding niet volgde dat een openbare raadkamerzitting had plaatsgehad (als bedoeld in artikel 552f lid 4 Sv). De overige middelen werden – wegens het slagen van het tweede middel – door de Hoge Raad niet besproken. In deze cassatieronde wordt een ander punt aan de orde gesteld. 2.2 Het cassatieberoep in de samenhangende zaak ziet op de beslissing van de rechtbank op het namens [belanghebbende] en [klaagster 2] GmbH op grond van artikel 552ab Sv ingediende klaagschrift tegen de aan een transactie verbonden voorwaarde af te doen van onder andere een auto (Skoda). Het onderhavige cassatieberoep heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank van 8 mei 2024 op de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv tot onttrekking aan het verkeer van diezelfde in beslag genomen auto, In deze procedure is [belanghebbende] als belanghebbende is betrokken. Voor een korte samenvatting van de zaak en enkele opmerkingen over de samenloop van beide procedures, verwijs ik naar de conclusie in de samenhangende zaak. 2.3 De rechtbank heeft de vordering tot onttrekking aan het verkeer toegewezen en daartoe in haar beschikking van 8 mei 2024 het volgende overwogen: “ Procedure Op 17 november 2022 heeft de officier van justitie op grond van artikel 552f Sv een vordering tot onttrekking aan het verkeer ingediend. Bij beschikking van 15 februari 2023 van deze rechtbank is de vordering van de officier van justitie toegewezen. De klagers hebben tegen deze beschikking beroep in cassatie ingesteld. Op 27 februari 2024 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank van 15 februari 2023 vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam om de zaak opnieuw te behandelen en af te doen. De vordering tot onttrekking aan het verkeer is op 8 mei 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De [officier van justitie] en de raadsman zijn gehoord. De klager [belanghebbende] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Feiten Op 3 december 2022 is aan de beslagene [betrokkene 1] een transactievoorstel waarin is bepaald dat hij, overeenkomstig artikel 74 Wetboek van Strafrecht, niet vervolgd zal worden ter zake van de strafzaak met parketnummer 71-223056-21 (onderzoek 26Hornsham, witwassen), wanneer hij - onder meer - een bedrag van € 15.000,- aan de Staat zou voldoen en afstand zou doen ten behoeve van de Staat van - onder meer - het inbeslaggenomen geldbedrag van € 249.740 en de inbeslaggenomen auto Skoda Kodiaq zwart met het kenteken [kenteken] . Op 10 januari 2023 heeft [betrokkene 1] aan alle voorwaarden van de transactie voldaan, waarmee een einde is gekomen aan de strafzaak tegen de beslagene [betrokkene 1] . Het inbeslaggenomen geld bevond zich in een verborgen ruimte in de auto met het Duitse kenteken [kenteken] , waar de vordering onttrekking aan het verkeer op ziet. Standpunt klagers Klager [belanghebbende] is de rechtsgeldige eigenaar van de personenauto, omdat hij deze heeft gekocht van zijn broer. Klager is daarmee rechthebbende op het voertuig. Volgens klagers moet de vordering afgewezen worden. Daarvoor is relevant dat de verborgen ruimte niet gebruikt is in verband met het plegen van strafbare feiten. Dat verband is noodzakelijk om te kunnen spreken van een rechtmatig beslag. In de rechtspraak wordt gesteld dat “het enkele feit dat auto’s met verborgen ruimtes gebruikt (kunnen worden) voor het plegen van strafbare feiten en dat dit gelet op de aard van deze ruimtes en de algemene ervaringsregels een redelijkerwijs te verwachten gebruik is” naar de oordeel van de rechtbank als onvoldoende bestempeld wordt om een relatie tussen de auto en een strafbaar feit als aanwezig te veronderstellen. Ook de Hoge Raad heeft geoordeeld dat vastgesteld moet worden dat het inbeslaggenomen voorwerp in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband moet staan tot een begaan strafbaar feit. Het geld dat in de verborgen ruimte is aangetroffen heeft een legale herkomst en dit kan evident met stukken worden aangetoond, zoals in het klaagschrift en ter zitting uitgebreid is gemotiveerd. Er is geen enkel aan te wijzen (vermoedelijk) strafbaar feit gepleegd in relatie met de verborgen ruimte in het voertuig. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat de verborgen ruimte in het voertuig (in de toekomst) gebruikt wordt voor het plegen van strafbare feiten. Klagers hebben voldoende gemotiveerd waar de ruimte voor diende, namelijk als alternatief voor het vervoeren van goud en geld. In dit geval is er onterecht vanuit gegaan dat de verborgen ruimte is gebruikt of zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer. Daartoe is gesteld dat er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie, sprake was van een strafbaar feit door het vervoeren van het geldbedrag in de verborgen ruimte. De zaak tegen beslagene is geëindigd met een transactie. Er is een geldboete opgelegd ter zake van witwassen van een geldbedrag van € 249.740,=. Dat bedrag is aangetroffen in een verborgen ruimte die aanwezig was in de auto. Het vereiste causale verband tussen de verborgen ruimte en het misdrijf is daarmee gegeven. Voorts zijn klagers meermaals niet in staat gebleken om aan te tonen dat het geldbedrag uit legale bron afkomstig is. Uit de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat [klaagster 2] GmbH rechthebbende is van het aangetroffen geldbedrag noch kan worden vastgesteld dat het aangetroffen geldbedrag uit legale bron afkomstig is. Beoordeling van de vordering Ingevolge artikel 36b, eerste lid aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke beslissing de onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen uitspreken. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de in beslag genomen auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Ingevolge het bepaalde in artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht is een voorwerp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Daarvan is sprake indien een voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van misdrijven, dan wel de opsporing ervan te belemmeren.
Volledig
Uit het proces-verbaal blijkt dat na verwijding van een kunststofschot een verborgen ruimte in de auto werd aangetroffen met daarin een zwarte tas en een schoenendoos, waarin zich een grote som geld bevond. Een verborgen ruimte heeft naar algemene ervaringsregels veelal als doel het plegen en onontdekt laten van strafbare feiten. Ook in dit geval is deze verdenking gerezen en heeft de bestuurder van de auto de transactie voor witwassen van de in die verborgen ruimte in de auto aangetroffen grote som geld geaccepteerd. Daaruit volgt een rechtstreeks verband tussen het delict en het gebruik van de in de auto aangetroffen verborgen ruimte. Daarmee is het ongecontroleerde bezit van een personenauto met een dergelijke verborgen ruimte in strijd met de wet en het algemeen belang. Ingevolge het bepaalde in artikel 36c onder 5° van het Wetboek van Strafrecht is de auto vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De auto is immers vervaardigd, bestemd en ook gebruikt om een strafbaar feit te begaan. De rechtbank zal op grond van het voorgaande de auto onttrekken aan het verkeer en zal de vordering toewijzen. Beslissing De rechtbank: - wijst toe de vordering van de officier van justitie; - verklaart onttrokken aan het verkeer: de personenauto van het merk Skoda Kodiaq met het kenteken [kenteken] .” 3 Het middel 3.1 Het middel richt zich, zoals gezegd, tegen de toewijzing door de rechtbank van de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de Skoda en valt uiteen in de volgende twee deelklachten: (i) de beschikking geeft “blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip 'begaan strafbaar feit' als bedoeld in art. 36b en c Sr, en/of is de motivering waarop deze rust niet, althans niet zonder meer (…) begrijpelijk”; en (ii) “voor zover de beschikking mede berust op het oordeel dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer omdat deze 'is vervaardigd, bestemden ook gebruikt om een strafbaar feit te begaan' is deze evenzeer ontoereikend gemotiveerd”. Het juridisch kader 3.2 De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang: - art. 36b lid 1, aanhef en onder 4º Sr: “Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd: (...) 4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie.” - art. 36c Sr: “Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen: 1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen; 2°. met betrekking tot welke het feit is begaan; 3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid; 4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd; 5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd; een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.” - art. 36d Sr: “Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. - art. 552f Sv: “1. Bevoegd tot het geven van beschikkingen als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht is het gerecht waarvoor de zaak in eerste aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen worden vervolgd. 2. De beschikking wordt niet gegeven dan op een met redenen omklede vordering van de officier van justitie. 3. Is bekend aan wie de voorwerpen toebehoren waarvan de onttrekking aan het verkeer wordt gevorderd, dan wordt hem een afschrift van de vordering betekend. 4. De behandeling van de vordering door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. 5. De beschikking wordt onverwijld aan de belanghebbende, zo deze bekend is, betekend. 6. De officier van justitie kan binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking beroep in cassatie instellen en de belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening. 7. De belanghebbende die beroep in cassatie heeft ingesteld of ingevolge het vierde lid van dit artikel is gehoord, kan geen beklag doen overeenkomstig artikel 552b.” 3.3 Ik stel voorop dat de rechtbank, gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen, uiteindelijk tot het oordeel is gekomen dat de auto (het voorwerp) tot het begaan van het strafbare feit is vervaardigd, bestemd en gebruikt. Daarmee baseert de rechtbank zich op art. 36c, aanhef en onder 3º en 5º, Sr, wat er ook zij van de andere grondslagen in de wet die de rechtbank noemt. Gelet op de verwijzing naar de transactie die [betrokkene 1] , onder wie de auto in beslag is genomen, is aangegaan, heeft de rechtbank met het strafbare feit kennelijk het oog op het door [betrokkene 1] voorhanden hebben, verwerven en de verplaatsing verborgen houden van bijna € 250.000, terwijl [betrokkene 1] wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf. Dit feit zou zijn gepleegd in [plaats] op 18 augustus 2021. 3.4 In zijn arrest van 24 juni 2024, ECLI:NL:HR:2025:990, overwoog de Hoge Raad, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende: “2.4.1 Met het “feit” in artikel 36c en 36d Sr wordt een begaan strafbaar feit bedoeld. De rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. (Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37.) Voor de vaststelling dat een strafbaar feit is begaan, volstaat niet het redelijke vermoeden dat zo’n feit is begaan (vgl. HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7509).” 3.5 Voor toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer wordt in de tekst van art. 36b lid 1 aanhef en onder 4º Sr – anders dan in de onderdelen 1º, 2º en 3º van dit artikellid – niet met zoveel woorden verlangd dat vast moet staan dat een strafbaar feit is begaan. Uit onder meer de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat ook voor de toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer (als bedoeld in artikel 552f Sv) in de eerste plaats een relatie tot een begaan strafbaar feit is vereist. De rechtbank die bij afzonderlijke beschikking de onttrekking aan het verkeer beveelt, moet dan ook vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in art. 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. Daarbij moet worden aangegeven op welk strafbaar feit de rechtbank het oog heeft. Ontbreekt die verwijzing, dan is de beschikking ontoereikend gemotiveerd. Het enkele vermoeden van een strafbaar feit is in dat verband niet voldoende. Verder is van belang dat de beschikking vermeldt op welke grond het voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer. Daarbij volstaat niet een enkele verwijzing naar art. 36c of 36d Sr. 3.6 Ingevolge art. 36c Sr is voor onttrekking aan het verkeer van voorwerpen daarnaast vereist dat het desbetreffende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, het ‘gevaarlijkheidsvereiste’. Ik merk op dat in cassatie niet wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van de auto met verborgen ruimte in strijd is met de wet of het algemeen belang. Bespreking van het middel 3.7 In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat het (kennelijke) oordeel van de rechtbank dat de in beslag genomen auto in een in art. 36c Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit, te weten witwassen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel, mede gelet op hetgeen ter zake op zitting is aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.
Volledig
Uit het proces-verbaal blijkt dat na verwijding van een kunststofschot een verborgen ruimte in de auto werd aangetroffen met daarin een zwarte tas en een schoenendoos, waarin zich een grote som geld bevond. Een verborgen ruimte heeft naar algemene ervaringsregels veelal als doel het plegen en onontdekt laten van strafbare feiten. Ook in dit geval is deze verdenking gerezen en heeft de bestuurder van de auto de transactie voor witwassen van de in die verborgen ruimte in de auto aangetroffen grote som geld geaccepteerd. Daaruit volgt een rechtstreeks verband tussen het delict en het gebruik van de in de auto aangetroffen verborgen ruimte. Daarmee is het ongecontroleerde bezit van een personenauto met een dergelijke verborgen ruimte in strijd met de wet en het algemeen belang. Ingevolge het bepaalde in artikel 36c onder 5° van het Wetboek van Strafrecht is de auto vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De auto is immers vervaardigd, bestemd en ook gebruikt om een strafbaar feit te begaan. De rechtbank zal op grond van het voorgaande de auto onttrekken aan het verkeer en zal de vordering toewijzen. Beslissing De rechtbank: - wijst toe de vordering van de officier van justitie; - verklaart onttrokken aan het verkeer: de personenauto van het merk Skoda Kodiaq met het kenteken [kenteken] .” 3 Het middel 3.1 Het middel richt zich, zoals gezegd, tegen de toewijzing door de rechtbank van de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de Skoda en valt uiteen in de volgende twee deelklachten: (i) de beschikking geeft “blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip 'begaan strafbaar feit' als bedoeld in art. 36b en c Sr, en/of is de motivering waarop deze rust niet, althans niet zonder meer (…) begrijpelijk”; en (ii) “voor zover de beschikking mede berust op het oordeel dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer omdat deze 'is vervaardigd, bestemden ook gebruikt om een strafbaar feit te begaan' is deze evenzeer ontoereikend gemotiveerd”. Het juridisch kader 3.2 De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang: - art. 36b lid 1, aanhef en onder 4º Sr: “Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd: (...) 4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie.” - art. 36c Sr: “Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen: 1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen; 2°. met betrekking tot welke het feit is begaan; 3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid; 4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd; 5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd; een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.” - art. 36d Sr: “Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. - art. 552f Sv: “1. Bevoegd tot het geven van beschikkingen als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht is het gerecht waarvoor de zaak in eerste aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen worden vervolgd. 2. De beschikking wordt niet gegeven dan op een met redenen omklede vordering van de officier van justitie. 3. Is bekend aan wie de voorwerpen toebehoren waarvan de onttrekking aan het verkeer wordt gevorderd, dan wordt hem een afschrift van de vordering betekend. 4. De behandeling van de vordering door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. 5. De beschikking wordt onverwijld aan de belanghebbende, zo deze bekend is, betekend. 6. De officier van justitie kan binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking beroep in cassatie instellen en de belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening. 7. De belanghebbende die beroep in cassatie heeft ingesteld of ingevolge het vierde lid van dit artikel is gehoord, kan geen beklag doen overeenkomstig artikel 552b.” 3.3 Ik stel voorop dat de rechtbank, gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen, uiteindelijk tot het oordeel is gekomen dat de auto (het voorwerp) tot het begaan van het strafbare feit is vervaardigd, bestemd en gebruikt. Daarmee baseert de rechtbank zich op art. 36c, aanhef en onder 3º en 5º, Sr, wat er ook zij van de andere grondslagen in de wet die de rechtbank noemt. Gelet op de verwijzing naar de transactie die [betrokkene 1] , onder wie de auto in beslag is genomen, is aangegaan, heeft de rechtbank met het strafbare feit kennelijk het oog op het door [betrokkene 1] voorhanden hebben, verwerven en de verplaatsing verborgen houden van bijna € 250.000, terwijl [betrokkene 1] wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf. Dit feit zou zijn gepleegd in [plaats] op 18 augustus 2021. 3.4 In zijn arrest van 24 juni 2024, ECLI:NL:HR:2025:990, overwoog de Hoge Raad, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende: “2.4.1 Met het “feit” in artikel 36c en 36d Sr wordt een begaan strafbaar feit bedoeld. De rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. (Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37.) Voor de vaststelling dat een strafbaar feit is begaan, volstaat niet het redelijke vermoeden dat zo’n feit is begaan (vgl. HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7509).” 3.5 Voor toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer wordt in de tekst van art. 36b lid 1 aanhef en onder 4º Sr – anders dan in de onderdelen 1º, 2º en 3º van dit artikellid – niet met zoveel woorden verlangd dat vast moet staan dat een strafbaar feit is begaan. Uit onder meer de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat ook voor de toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer (als bedoeld in artikel 552f Sv) in de eerste plaats een relatie tot een begaan strafbaar feit is vereist. De rechtbank die bij afzonderlijke beschikking de onttrekking aan het verkeer beveelt, moet dan ook vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in art. 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. Daarbij moet worden aangegeven op welk strafbaar feit de rechtbank het oog heeft. Ontbreekt die verwijzing, dan is de beschikking ontoereikend gemotiveerd. Het enkele vermoeden van een strafbaar feit is in dat verband niet voldoende. Verder is van belang dat de beschikking vermeldt op welke grond het voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer. Daarbij volstaat niet een enkele verwijzing naar art. 36c of 36d Sr. 3.6 Ingevolge art. 36c Sr is voor onttrekking aan het verkeer van voorwerpen daarnaast vereist dat het desbetreffende voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, het ‘gevaarlijkheidsvereiste’. Ik merk op dat in cassatie niet wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van de auto met verborgen ruimte in strijd is met de wet of het algemeen belang. Bespreking van het middel 3.7 In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat het (kennelijke) oordeel van de rechtbank dat de in beslag genomen auto in een in art. 36c Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit, te weten witwassen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel, mede gelet op hetgeen ter zake op zitting is aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.