Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:475
Strafrecht
11,985 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:475 text/xml public 2026-05-19T15:22:00 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/01370 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:475 text/html public 2026-05-19T15:21:33 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:475 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/01370 Conclusie AG. Profijtontneming. M1: falende klacht m.b.t. motivering schatting w.v.v. M2: falende klacht m.b.t. toepassing compensatie i.v.m. overschrijding redelijke termijn in h.b. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 24/1474. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01370 P Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de betrokkene 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 april 2024 (parketnr. 23-000695-21) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 117.971,28 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 112.971,28 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/01474 P. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. V.A. Vitanov, advocaat in ’s‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De betrokkene in deze ontnemingszaak is in de onderliggende strafzaak in eerste aanleg onherroepelijk door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld ter zake van – voor zover hier van belang – telkens mensenhandel in vereniging en deelnemen aan een criminele organisatie. Het eerste middel verzet zich tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede middel gaat over de door het hof toegepaste compensatie in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Welwillend gelezen klaagt het middel, althans de toelichting daarop, in de kern dat ’s hofs schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd. 3.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 maart 2024 heeft de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “ Economische eenheid. De verdediging is samen met de rechtbank van mening dat in casu geen sprake is van een economische eenheid tussen cliënt en [medebetrokkene] . In de periode van de veroordeling hebben appellant en [medebetrokkene] apart geleefd. [medebetrokkene] heeft in deze periode meerdere vrienden gehad met wie zij samen heeft gewoond. Zij heeft als bijvoorbeeld in de periode 2007-2008 een relatie met [naam 1] gehad en is ook op zijn adres ingeschreven geweest. Derhalve de opmerking van de AG dat niet aannemelijk is dat [medebetrokkene] in de periode 2007-2008 nog een relatie met [naam 1] had, is niet op de feiten gebaseerd. Inkomsten [medebetrokkene] . Het uitgangspunt van de AG dat [medebetrokkene] 5 klanten per dag zou hebben ontvangen is niet representatief. Deze aanname is gebaseerd op een moment opname over de periode van 18 mei tot en met 3 november 2011 en van 22 maart tot en met 23 april 2012 omschreven in de inbeslaggenomen aantekeningen van [medebetrokkene] . Zoals reeds vermeld zijn deze aantekeningen zeer beperkt en subjectief. Voorts hanteert de AG een algemeen gemiddelde van euro 50,- voor de prostitutiewerkzaamheden die in die tijd van toepassing was. De verdediging heeft in de eerste aanleg duidelijk aangegeven dat [medebetrokkene] een top prostituee was en dat het algemeen gemiddelde in die tijd niet op haar van toepassing is. Hierbij verwijs ik u nogmaals naar haar relatie met [naam 1] en de bedragen en de sierraden die zij alleen van hem had gekregen. Onherroepelijk toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. De AG vermeld onder punt 5 van zijn conclusie dat de onherroepelijk toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de strafzaak tegen cliënt bedraagt totaal euro 33.400,-. Echter wordt in het vonnis van de rechtbank Haarlem van 31 mei 2013 een totaalbedrag van €44.020 aan de benadeelden toegekend (productie 1). Dit bedraag is als volgt samengesteld: 1. Euro 24.400 aan [naam 2] ; 2. Euro 7.620 aan [naam 3] ; 3. Euro 10.000 aan [naam 4] en 4. Euro 2.000 aan [naam 5] .” 3.3 Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 117.971,28 en heeft daartoe onder meer overwogen (met weglating voetnoten): “ Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel […] Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 22.010,00. Ter onderbouwing heeft hij aangevoerd dat de betrokkene en [medebetrokkene] geen economische eenheid vormden. De berekening van het openbaar ministerie kan niet worden gevolgd. Uit het procesdossier en het vonnis in de strafzaak van 31 mei 2013 kan worden afgeleid wat de betrokkene en [medebetrokkene] hebben verdiend aan de uitbuiting van slachtoffers. Hiervoor moet worden gekeken naar de vorderingen van de benadeelde partijen die in de strafzaak zijn toegewezen, te weten: € 24.400,00 aan [naam 2] , €7.620,00 aan [naam 3] , € 10.000,00 aan [naam 4] en € 2.000,00 aan [naam 5] , in totaal € 44.020,00. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uitkomt op (44.020,00 / 2 =) € 22.010,00. Subsidiair dient het bedrag aan legale inkomsten van [medebetrokkene] hoger te worden vastgesteld. De onderbouwing hiervoor is tweeledig. In de eerste plaats verdiende zij als topprostituee meer dan € 50,00 per klant en kan voor het (totaal) aantal klanten (per dag) niet worden uitgegaan van de inbeslaggenomen aantekeningen. In de tweede plaats heeft zij bedragen en sierraden van [naam 1] gekregen waar in het ontnemingsrapport ten onrechte geen acht op is geslagen. Oordeel van het hof Grondslag van de vordering Het hof is van oordeel dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld (artikel 36e, tweede lid, Sr). Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof acht geslagen op de bevindingen uit het ontnemingsrapport en op hetgeen de advocaat-generaal en de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht. Contante opbrengsten Het hof gaat - evenals het ontnemingsrapport - wat betreft het bedrag dat de betrokkene en [medebetrokkene] aan contante opbrengsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 332.510,00. Dit bedrag is opgebouwd uit twee bedragen. Ten eerste het bedrag van € 331.490,00 dat is vermeld in onderstaande tabel uit het ontnemingsrapport. Hierbij gaat het om de contante stortingen op de bankrekening van de betrokkene in Nederland, de contante stortingen op de bankrekening van de betrokkene in Duitsland, de contante stortingen op de bankrekeningen van [medebetrokkene] en de money transfers, via Moneygram en Western Union. In deze tabel uit het ontnemingsrapport staat in welke jaren contante geldbedragen zijn gestort dan wel er een money transfer heeft plaatsgevonden. Datum Cont. storting Bankrek. [betrokkene] in Nederland Cont. storting Bankrek. [betrokkene] in Duitsland Cont. storting Bankrek.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:475 text/xml public 2026-05-19T15:22:00 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/01370 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:475 text/html public 2026-05-19T15:21:33 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:475 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/01370 Conclusie AG. Profijtontneming. M1: falende klacht m.b.t. motivering schatting w.v.v. M2: falende klacht m.b.t. toepassing compensatie i.v.m. overschrijding redelijke termijn in h.b. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 24/1474. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01370 P Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de betrokkene 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 april 2024 (parketnr. 23-000695-21) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 117.971,28 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 112.971,28 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/01474 P. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. V.A. Vitanov, advocaat in ’s‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De betrokkene in deze ontnemingszaak is in de onderliggende strafzaak in eerste aanleg onherroepelijk door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld ter zake van – voor zover hier van belang – telkens mensenhandel in vereniging en deelnemen aan een criminele organisatie. Het eerste middel verzet zich tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede middel gaat over de door het hof toegepaste compensatie in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Welwillend gelezen klaagt het middel, althans de toelichting daarop, in de kern dat ’s hofs schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd. 3.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 maart 2024 heeft de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “ Economische eenheid. De verdediging is samen met de rechtbank van mening dat in casu geen sprake is van een economische eenheid tussen cliënt en [medebetrokkene] . In de periode van de veroordeling hebben appellant en [medebetrokkene] apart geleefd. [medebetrokkene] heeft in deze periode meerdere vrienden gehad met wie zij samen heeft gewoond. Zij heeft als bijvoorbeeld in de periode 2007-2008 een relatie met [naam 1] gehad en is ook op zijn adres ingeschreven geweest. Derhalve de opmerking van de AG dat niet aannemelijk is dat [medebetrokkene] in de periode 2007-2008 nog een relatie met [naam 1] had, is niet op de feiten gebaseerd. Inkomsten [medebetrokkene] . Het uitgangspunt van de AG dat [medebetrokkene] 5 klanten per dag zou hebben ontvangen is niet representatief. Deze aanname is gebaseerd op een moment opname over de periode van 18 mei tot en met 3 november 2011 en van 22 maart tot en met 23 april 2012 omschreven in de inbeslaggenomen aantekeningen van [medebetrokkene] . Zoals reeds vermeld zijn deze aantekeningen zeer beperkt en subjectief. Voorts hanteert de AG een algemeen gemiddelde van euro 50,- voor de prostitutiewerkzaamheden die in die tijd van toepassing was. De verdediging heeft in de eerste aanleg duidelijk aangegeven dat [medebetrokkene] een top prostituee was en dat het algemeen gemiddelde in die tijd niet op haar van toepassing is. Hierbij verwijs ik u nogmaals naar haar relatie met [naam 1] en de bedragen en de sierraden die zij alleen van hem had gekregen. Onherroepelijk toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. De AG vermeld onder punt 5 van zijn conclusie dat de onherroepelijk toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de strafzaak tegen cliënt bedraagt totaal euro 33.400,-. Echter wordt in het vonnis van de rechtbank Haarlem van 31 mei 2013 een totaalbedrag van €44.020 aan de benadeelden toegekend (productie 1). Dit bedraag is als volgt samengesteld: 1. Euro 24.400 aan [naam 2] ; 2. Euro 7.620 aan [naam 3] ; 3. Euro 10.000 aan [naam 4] en 4. Euro 2.000 aan [naam 5] .” 3.3 Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 117.971,28 en heeft daartoe onder meer overwogen (met weglating voetnoten): “ Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel […] Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 22.010,00. Ter onderbouwing heeft hij aangevoerd dat de betrokkene en [medebetrokkene] geen economische eenheid vormden. De berekening van het openbaar ministerie kan niet worden gevolgd. Uit het procesdossier en het vonnis in de strafzaak van 31 mei 2013 kan worden afgeleid wat de betrokkene en [medebetrokkene] hebben verdiend aan de uitbuiting van slachtoffers. Hiervoor moet worden gekeken naar de vorderingen van de benadeelde partijen die in de strafzaak zijn toegewezen, te weten: € 24.400,00 aan [naam 2] , €7.620,00 aan [naam 3] , € 10.000,00 aan [naam 4] en € 2.000,00 aan [naam 5] , in totaal € 44.020,00. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uitkomt op (44.020,00 / 2 =) € 22.010,00. Subsidiair dient het bedrag aan legale inkomsten van [medebetrokkene] hoger te worden vastgesteld. De onderbouwing hiervoor is tweeledig. In de eerste plaats verdiende zij als topprostituee meer dan € 50,00 per klant en kan voor het (totaal) aantal klanten (per dag) niet worden uitgegaan van de inbeslaggenomen aantekeningen. In de tweede plaats heeft zij bedragen en sierraden van [naam 1] gekregen waar in het ontnemingsrapport ten onrechte geen acht op is geslagen. Oordeel van het hof Grondslag van de vordering Het hof is van oordeel dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld (artikel 36e, tweede lid, Sr). Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof acht geslagen op de bevindingen uit het ontnemingsrapport en op hetgeen de advocaat-generaal en de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht. Contante opbrengsten Het hof gaat - evenals het ontnemingsrapport - wat betreft het bedrag dat de betrokkene en [medebetrokkene] aan contante opbrengsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 332.510,00. Dit bedrag is opgebouwd uit twee bedragen. Ten eerste het bedrag van € 331.490,00 dat is vermeld in onderstaande tabel uit het ontnemingsrapport. Hierbij gaat het om de contante stortingen op de bankrekening van de betrokkene in Nederland, de contante stortingen op de bankrekening van de betrokkene in Duitsland, de contante stortingen op de bankrekeningen van [medebetrokkene] en de money transfers, via Moneygram en Western Union. In deze tabel uit het ontnemingsrapport staat in welke jaren contante geldbedragen zijn gestort dan wel er een money transfer heeft plaatsgevonden. Datum Cont. storting Bankrek. [betrokkene] in Nederland Cont. storting Bankrek. [betrokkene] in Duitsland Cont. storting Bankrek.
Volledig
[medebetrokkene] Money transfer Moneygram Money transfer Western Union Totaal 1/5/2008 -- €2.000,-- € 82.300,-- -- € 1.735,-- € 86.035,-- 2009 -- € 4.700,-- € 70.250,-- € 216,-- € 5.850,-- € 81.016,-- 2010 € 19.621,-- -- € 35.710,-- € 588,-- € 1.850,-- € 57.769,-- 2011 € 1.880,-- -- € 76.660,-- -- € 9.957,-- € 88.497,-- 2012 € 416,-- -- € 9.890,-- -- € 7.867,-- € 18.173,-- Totaal € 331.490,-- Tevens was [medebetrokkene] op de dag van haar aanhouding nog in het bezit van € 1.020,00 aan contant geld. Dit maakt dat het totale bedrag aan contante opbrengsten uitkomt op (331.490,00 + 1.020,00 =) €332.510,00. De raadsman heeft deze contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene en [medebetrokkene] niet betwist noch heeft hij betwist dat deze money transfers hebben plaatsgevonden. Dat [medebetrokkene] op de dag van haar aanhouding in het bezit was van een contant geldbedrag is evenmin door hem weersproken. Legale inkomsten van [medebetrokkene] Het hof gaat - evenals het ontnemingsrapport - wat betreft het bedrag dat [medebetrokkene] en de betrokkene aan legale inkomsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 63.167,43 . [medebetrokkene] heeft legale inkomsten gehad uit prostitutiewerkzaamheden in Nederland. Voor een berekening van deze inkomsten worden de tijdens de doorzoeking in beslaggenomen aantekeningen van maart/april 2012 en 18 mei tot en met 3 november 2011 als uitgangspunt genomen. Uit de aantekeningen, die op het woonadres van [medebetrokkene] zijn aangetroffen, bleek dat [medebetrokkene] in 28 dagen 185 klanten (is gemiddeld 6,6 klanten per dag) heeft ontvangen en in de tweede periode in 14 dagen 39 klanten (is gemiddeld 2,8 klanten per dag) heeft ontvangen. Gezien het grote verschil in aantal klanten tussen beide periodes wordt een gemiddelde als aanname genomen, dus ((6,6 + 2,8) / 2 =) gemiddeld 4,7 (afgerond 5) klanten per dag. Tijdens de doorzoeking in de woning van [medebetrokkene] werden aantekeningen aangetroffen die van [naam 2] en [naam 3] bleken te zijn. Uit deze aantekeningen bleek het gemiddelde aantal klanten van [naam 2] en [naam 3] 5,4 klanten (14 dagen) en 7,3 klanten (71 dagen) per dag te zijn. Voor [medebetrokkene] , [naam 2] en [naam 3] betekent dit een gemiddeld aantal van (4,7 + 5,4 + 7,3 =) 17,4 / 3 = 5,8 (afgerond 6) klanten per dag. Uitgaande van een verdienste van € 50,00 per klant betekent dit een bruto verdienste van (6 x 50.00 =) € 300,00 per dag. Aan de hand van deze aanwijzingen is een berekening gemaakt van het mogelijk door [medebetrokkene] verdiende geld als prostituee. Daartoe werd in de plaatsen [plaats] , [plaats] en [plaats] bij kamerverhuurbedrijven informatie betreffende de huur en de daaraan verbonden kosten van een kamer door [medebetrokkene] opgevraagd. Uit de opgevraagde informatie bleek het volgende. WERKZAAMHEDEN [medebetrokkene] periode plaats Reisafstand vv aantal dagen hele dag halve dag Verdienste per dag bruto inkomen kamerhuur Persoonlijke verzorging reiskosten vv km X -,19 netto verd. [a-straat] 2011 18/11 7/12 [plaats] 17 16 12 4 € 300,00 € 4.800,00 € 2.940,00 € 320,00 € 51,68 € 1.488,32 [b-straat] Nega-tief [plaats] [c-straat] 2011 31 weken [plaats] 124 186 186 € 300,00 € 55.800,00 € 18.600,00 € 3.720,00 € 4.382,16 € 29.097,84 2012 7 124 42 42 € 300,00 € 12.600,00 € 4.200,00 € 840,00 € 989,52 € 6.570,48 [d-straat] 2012 10-17/4 [plaats] 280 8 8 € 300,00 € 2.400,00 € 1.040,00 € 160,00 € 425,60 € 774,40 [e-straat] [plaats] 2009-2011 17 207 207 € 300,00 € 62.100,00 € 32.055,00 € 4.140,00 € 668,61 € 25.236,39 Totaal € 63.167,43 Bij de weekhuur te [plaats] wordt ervan uitgegaan dat [medebetrokkene] 6 dagen per week werkt. Met persoonlijke verzorging per dag wordt bedoeld de uitgaven voor bijvoorbeeld kleding, make-up, condooms en glijmiddel ten behoeve van haar werkzaamheden als prostituee. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat deze kosten ongeveer € 20,00 per dag bedragen. Hierbij zijn ook de kosten van het eten en drinken tijdens haar werk mee verrekend. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is dat de totale legale inkomsten van [medebetrokkene] uitkomen op € 63.167,43 en zal dit bedrag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aftrek brengen op de hiervoor genoemde contante opbrengsten. Het verweer van de raadsman dat het bedrag aan legale inkomsten van [medebetrokkene] hoger moet worden vastgesteld, wordt verworpen. Het aantal dagen waarop [medebetrokkene] heeft gewerkt en het aantal klanten dat zij per dag heeft gehad, is gebaseerd op in haar eigen woning aangetroffen aantekeningen. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom [medebetrokkene] als prostituee méér klanten heeft gehad dan uit haar eigen aantekeningen blijkt en/of méér heeft verdiend per klant dan het gebruikelijke tarief van € 50,00. Ook is onvoldoende onderbouwd dat [medebetrokkene] bedragen en sierraden van [naam 1] heeft gekregen. Vorderingen benadeelde partijen Het hof is van oordeel dat de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de strafzaak - voor zover het materiële schade betreft en deze schade voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten - in mindering moeten worden gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat hierbij om een bedrag van in totaal (22.400 + 9.000 + 2.000 =) € 33.400,00. De bewezenverklaarde feiten in de strafzaak zijn voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2014 gepleegd, waardoor de voorwaarde dat de vorderingen door de betrokkene moeten zijn voldaan nog niet van toepassing is. Dit betekent dat het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [medebetrokkene] uitkomt op (269.342,57 - 33.400,00 =) € 235.942,57. Toerekening De betrokkene heeft met een ander, [medebetrokkene] , van strafbare feiten geprofiteerd. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de betrokkene en [medebetrokkene] dan op basis van gelijke verdeling. Dit zou slechts anders zijn indien de betrokkene aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen. Dit betekent dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene schat op (235.942,57/2 =) € 117.971,28”. 3.4 In de toelichting op het middel worden als redenen waarom de schatting door het hof van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist zou zijn, aangevoerd: (i) de op de aantekeningen van [medebetrokkene] gebaseerde berekeningen zijn enkel een momentopname “die veel te kort is en derhalve niet representatief”; (ii) [medebetrokkene] was een “top prostituee” en haar tarief lag vele malen hoger lag dan 50 euro per klant en ook het aantal klanten is onjuist weergegeven; (iii) de betrokkene heeft “steeds aangegeven dat [medebetrokkene] op meerdere plaatsen heeft gewerkt dan alleen de drie plaatsen ( [plaats] , [plaats] en [plaats] ) die opgenomen zijn in de berekening”; (iv) een aantal jaren is niet of niet volledig “mee berekend”; (v) de betrokkene en [medebetrokkene] hebben in de tenlastegelegde periode apart geleefd; (vi) [medebetrokkene] heeft samengewoond met [naam 1] en “[z]oals bekend is [naam 1] zeer rijk en heeft regelmatig aan [medebetrokkene] geld en sierraden als cadeaus gegeven. De sierraden heeft zij verkocht en de opbrengst daarvan heeft zij op haar bankrekening gestort”; (vii) enkel vorderingen van de benadeelde partijen ter hoogte van in totaal € 44.020,- kunnen als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. Omdat geen sprake is van een economische eenheid dient voornoemd bedrag in tweeën te worden gedeeld.
Volledig
[medebetrokkene] Money transfer Moneygram Money transfer Western Union Totaal 1/5/2008 -- €2.000,-- € 82.300,-- -- € 1.735,-- € 86.035,-- 2009 -- € 4.700,-- € 70.250,-- € 216,-- € 5.850,-- € 81.016,-- 2010 € 19.621,-- -- € 35.710,-- € 588,-- € 1.850,-- € 57.769,-- 2011 € 1.880,-- -- € 76.660,-- -- € 9.957,-- € 88.497,-- 2012 € 416,-- -- € 9.890,-- -- € 7.867,-- € 18.173,-- Totaal € 331.490,-- Tevens was [medebetrokkene] op de dag van haar aanhouding nog in het bezit van € 1.020,00 aan contant geld. Dit maakt dat het totale bedrag aan contante opbrengsten uitkomt op (331.490,00 + 1.020,00 =) €332.510,00. De raadsman heeft deze contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene en [medebetrokkene] niet betwist noch heeft hij betwist dat deze money transfers hebben plaatsgevonden. Dat [medebetrokkene] op de dag van haar aanhouding in het bezit was van een contant geldbedrag is evenmin door hem weersproken. Legale inkomsten van [medebetrokkene] Het hof gaat - evenals het ontnemingsrapport - wat betreft het bedrag dat [medebetrokkene] en de betrokkene aan legale inkomsten hebben gegenereerd uit van in totaal € 63.167,43 . [medebetrokkene] heeft legale inkomsten gehad uit prostitutiewerkzaamheden in Nederland. Voor een berekening van deze inkomsten worden de tijdens de doorzoeking in beslaggenomen aantekeningen van maart/april 2012 en 18 mei tot en met 3 november 2011 als uitgangspunt genomen. Uit de aantekeningen, die op het woonadres van [medebetrokkene] zijn aangetroffen, bleek dat [medebetrokkene] in 28 dagen 185 klanten (is gemiddeld 6,6 klanten per dag) heeft ontvangen en in de tweede periode in 14 dagen 39 klanten (is gemiddeld 2,8 klanten per dag) heeft ontvangen. Gezien het grote verschil in aantal klanten tussen beide periodes wordt een gemiddelde als aanname genomen, dus ((6,6 + 2,8) / 2 =) gemiddeld 4,7 (afgerond 5) klanten per dag. Tijdens de doorzoeking in de woning van [medebetrokkene] werden aantekeningen aangetroffen die van [naam 2] en [naam 3] bleken te zijn. Uit deze aantekeningen bleek het gemiddelde aantal klanten van [naam 2] en [naam 3] 5,4 klanten (14 dagen) en 7,3 klanten (71 dagen) per dag te zijn. Voor [medebetrokkene] , [naam 2] en [naam 3] betekent dit een gemiddeld aantal van (4,7 + 5,4 + 7,3 =) 17,4 / 3 = 5,8 (afgerond 6) klanten per dag. Uitgaande van een verdienste van € 50,00 per klant betekent dit een bruto verdienste van (6 x 50.00 =) € 300,00 per dag. Aan de hand van deze aanwijzingen is een berekening gemaakt van het mogelijk door [medebetrokkene] verdiende geld als prostituee. Daartoe werd in de plaatsen [plaats] , [plaats] en [plaats] bij kamerverhuurbedrijven informatie betreffende de huur en de daaraan verbonden kosten van een kamer door [medebetrokkene] opgevraagd. Uit de opgevraagde informatie bleek het volgende. WERKZAAMHEDEN [medebetrokkene] periode plaats Reisafstand vv aantal dagen hele dag halve dag Verdienste per dag bruto inkomen kamerhuur Persoonlijke verzorging reiskosten vv km X -,19 netto verd. [a-straat] 2011 18/11 7/12 [plaats] 17 16 12 4 € 300,00 € 4.800,00 € 2.940,00 € 320,00 € 51,68 € 1.488,32 [b-straat] Nega-tief [plaats] [c-straat] 2011 31 weken [plaats] 124 186 186 € 300,00 € 55.800,00 € 18.600,00 € 3.720,00 € 4.382,16 € 29.097,84 2012 7 124 42 42 € 300,00 € 12.600,00 € 4.200,00 € 840,00 € 989,52 € 6.570,48 [d-straat] 2012 10-17/4 [plaats] 280 8 8 € 300,00 € 2.400,00 € 1.040,00 € 160,00 € 425,60 € 774,40 [e-straat] [plaats] 2009-2011 17 207 207 € 300,00 € 62.100,00 € 32.055,00 € 4.140,00 € 668,61 € 25.236,39 Totaal € 63.167,43 Bij de weekhuur te [plaats] wordt ervan uitgegaan dat [medebetrokkene] 6 dagen per week werkt. Met persoonlijke verzorging per dag wordt bedoeld de uitgaven voor bijvoorbeeld kleding, make-up, condooms en glijmiddel ten behoeve van haar werkzaamheden als prostituee. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat deze kosten ongeveer € 20,00 per dag bedragen. Hierbij zijn ook de kosten van het eten en drinken tijdens haar werk mee verrekend. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is dat de totale legale inkomsten van [medebetrokkene] uitkomen op € 63.167,43 en zal dit bedrag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aftrek brengen op de hiervoor genoemde contante opbrengsten. Het verweer van de raadsman dat het bedrag aan legale inkomsten van [medebetrokkene] hoger moet worden vastgesteld, wordt verworpen. Het aantal dagen waarop [medebetrokkene] heeft gewerkt en het aantal klanten dat zij per dag heeft gehad, is gebaseerd op in haar eigen woning aangetroffen aantekeningen. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom [medebetrokkene] als prostituee méér klanten heeft gehad dan uit haar eigen aantekeningen blijkt en/of méér heeft verdiend per klant dan het gebruikelijke tarief van € 50,00. Ook is onvoldoende onderbouwd dat [medebetrokkene] bedragen en sierraden van [naam 1] heeft gekregen. Vorderingen benadeelde partijen Het hof is van oordeel dat de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de strafzaak - voor zover het materiële schade betreft en deze schade voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten - in mindering moeten worden gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat hierbij om een bedrag van in totaal (22.400 + 9.000 + 2.000 =) € 33.400,00. De bewezenverklaarde feiten in de strafzaak zijn voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2014 gepleegd, waardoor de voorwaarde dat de vorderingen door de betrokkene moeten zijn voldaan nog niet van toepassing is. Dit betekent dat het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en [medebetrokkene] uitkomt op (269.342,57 - 33.400,00 =) € 235.942,57. Toerekening De betrokkene heeft met een ander, [medebetrokkene] , van strafbare feiten geprofiteerd. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de betrokkene en [medebetrokkene] dan op basis van gelijke verdeling. Dit zou slechts anders zijn indien de betrokkene aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen. Dit betekent dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene schat op (235.942,57/2 =) € 117.971,28”. 3.4 In de toelichting op het middel worden als redenen waarom de schatting door het hof van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist zou zijn, aangevoerd: (i) de op de aantekeningen van [medebetrokkene] gebaseerde berekeningen zijn enkel een momentopname “die veel te kort is en derhalve niet representatief”; (ii) [medebetrokkene] was een “top prostituee” en haar tarief lag vele malen hoger lag dan 50 euro per klant en ook het aantal klanten is onjuist weergegeven; (iii) de betrokkene heeft “steeds aangegeven dat [medebetrokkene] op meerdere plaatsen heeft gewerkt dan alleen de drie plaatsen ( [plaats] , [plaats] en [plaats] ) die opgenomen zijn in de berekening”; (iv) een aantal jaren is niet of niet volledig “mee berekend”; (v) de betrokkene en [medebetrokkene] hebben in de tenlastegelegde periode apart geleefd; (vi) [medebetrokkene] heeft samengewoond met [naam 1] en “[z]oals bekend is [naam 1] zeer rijk en heeft regelmatig aan [medebetrokkene] geld en sierraden als cadeaus gegeven. De sierraden heeft zij verkocht en de opbrengst daarvan heeft zij op haar bankrekening gestort”; (vii) enkel vorderingen van de benadeelde partijen ter hoogte van in totaal € 44.020,- kunnen als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. Omdat geen sprake is van een economische eenheid dient voornoemd bedrag in tweeën te worden gedeeld.
Volledig
3.5 Hetgeen is opgenomen onder 3.4 (i), (ii), (iii) en (vi) zijn blote herhalingen van – elkaar grotendeels ook overlappende – stellingen en verweren waarop het hof gemotiveerd heeft beslist zonder dat de steller van het middel te kennen geeft waarom de door het hof gegeven schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist is of in welk opzicht de motivering daarvan tekort zou schieten. In zoverre is hetgeen is aangevoerd geen middel van cassatie als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv. Daarnaast betreft hetgeen in de cassatieschriftuur wordt ingebracht tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel – dat geldt dus ook voor hetgeen is opgenomen onder 3.4 (iv), (v) en (vii) – gelet op hetgeen in hoger beroep door de raadsman van de betrokkene is aangevoerd een vorm van napleiten. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Overigens was het hof gelet op hetgeen bij de onder 3.4 (i) t/m (vii) genoemde stellingen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, ook voor zover het daarbij al gaat om uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, niet tot een uitgebreidere motivering gehouden dan waarin het heeft voorzien. 3.6 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel houdt in de kern in dat het oordeel van het hof dat gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep een bedrag van € 5.000,00 in mindering wordt gebracht op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel, onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de raadsman van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep heeft gepleit voor “toepassing van een korting van 10% van het bedrag” en dat het hof gelet op de omstandigheden van het geval gehouden was zelfs een hoger bedrag in mindering te brengen. 4.2 Blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de betrokkene het volgende aangevoerd inzake de overschrijding van de redelijke termijn: “ Overschrijding redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. De AG vermeld in zijn conclusie dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een korting dient te worden toegepast van EURO 5.000 per persoon. De Hoge Raad heeft in de ontnemingszaken bepaald dat bij de overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM een korting dient te worden toegepast van 10% van het bedrag”. Hierbij heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 maart 2024 nog opgemerkt: “Dat betekent dat een korting van € 5.000,00 te weinig is.” 4.3 Het hof heeft in verband met de overschrijding van de redelijke termijn € 5.000,- in minder gebracht op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en heeft aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 112.971,28. Het hof heeft daartoe overwogen: “ Verplichting tot betaling aan de Staat […] Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht bij de oplegging van de betalingsverplichting rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en daarom een korting toe te passen van 10 procent op het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. […] Oordeel van het hof In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken. In eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 25 februari 2015. De rechtbank heeft na ruim 6 jaren - namelijk op 16 maart 2021 - vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 4 jaren is overschreden. Op 19 maart 2021 is hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 8 april 2024 arrest, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 1 jaar is overschreden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep zal voor de betalingsverplichting een bedrag van € 5.000,00 in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. […] Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (117.971,25 – 5.000=) € 112.971,28 .” 4.4 Voor wat betreft de rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de Hoge Raad bepaald dat de mate van vermindering van – in dit geval – het ontnemingsbedrag afhangt van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Er bestaan geen algemene regels over de manier waarop het ontnemingsbedrag moet worden verminderd. De rechter kan, na alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden te hebben afgewogen, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, ook volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. 4.5 In tegenstelling tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, bestaan voor de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase richtlijnen. Zo is bepaald dat de vermindering van het ontnemingsbedrag maximaal € 5.000,- is en dat de Hoge Raad bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden “naar bevind van zaken handelt”. De feitenrechter is niet aan deze richtlijnen gebonden. 4.6 Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Van onbegrijpelijkheid is niet snel sprake aangezien een dergelijk oordeel sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard die zich niet lenen voor een beoordeling door de cassatierechter. 4.7 Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 4 jaren en in hoger beroep met ruim 1 jaar is overschreden. Het hof heeft hierin aanleiding gezien de betalingsverplichting van de betrokkene te matigen met € 5.000,-. Dit oordeel is wat mij betreft niet onbegrijpelijk in het licht van de beperkte controle in cassatie en de omstandigheid dat van onbegrijpelijkheid niet licht sprake is. Daarbij betrek ik de omstandigheid dat de door de raadsman van de betrokkene in hoger beroep verdedigde opvatting dat de Hoge Raad in ontnemingszaken heeft bepaald dat bij de overschrijding van de redelijke termijn “een korting dient te worden toegepast van 10% van het bedrag” geen steun vindt in het recht. Daarnaast is door de raadsman van de betrokkene niets aangevoerd. 4.8 Dat het rechtsgevolg de begrijpelijkheidstoets doorstaat kan ook worden geïllustreerd aan de hand van HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445. De Hoge Raad achtte het rechtsgevolg dat het hof in die zaak aan de overschrijding van de redelijke termijn had verbonden niet onbegrijpelijk. Het hof had het ontnemingsbedrag in die zaak met 0,2% verminderd voor een overschrijding van de redelijke termijn van ook meer dan vier jaar, terwijl het ontnemingsbedrag in de onderhavige zaak met bijna 4,25% is verminderd. 4.9 Het middel faalt. 5 Afronding 5.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 5.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 9 april 2024. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Volledig
3.5 Hetgeen is opgenomen onder 3.4 (i), (ii), (iii) en (vi) zijn blote herhalingen van – elkaar grotendeels ook overlappende – stellingen en verweren waarop het hof gemotiveerd heeft beslist zonder dat de steller van het middel te kennen geeft waarom de door het hof gegeven schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist is of in welk opzicht de motivering daarvan tekort zou schieten. In zoverre is hetgeen is aangevoerd geen middel van cassatie als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv. Daarnaast betreft hetgeen in de cassatieschriftuur wordt ingebracht tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel – dat geldt dus ook voor hetgeen is opgenomen onder 3.4 (iv), (v) en (vii) – gelet op hetgeen in hoger beroep door de raadsman van de betrokkene is aangevoerd een vorm van napleiten. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Overigens was het hof gelet op hetgeen bij de onder 3.4 (i) t/m (vii) genoemde stellingen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, ook voor zover het daarbij al gaat om uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, niet tot een uitgebreidere motivering gehouden dan waarin het heeft voorzien. 3.6 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel houdt in de kern in dat het oordeel van het hof dat gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep een bedrag van € 5.000,00 in mindering wordt gebracht op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel, onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de raadsman van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep heeft gepleit voor “toepassing van een korting van 10% van het bedrag” en dat het hof gelet op de omstandigheden van het geval gehouden was zelfs een hoger bedrag in mindering te brengen. 4.2 Blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de betrokkene het volgende aangevoerd inzake de overschrijding van de redelijke termijn: “ Overschrijding redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. De AG vermeld in zijn conclusie dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een korting dient te worden toegepast van EURO 5.000 per persoon. De Hoge Raad heeft in de ontnemingszaken bepaald dat bij de overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM een korting dient te worden toegepast van 10% van het bedrag”. Hierbij heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 maart 2024 nog opgemerkt: “Dat betekent dat een korting van € 5.000,00 te weinig is.” 4.3 Het hof heeft in verband met de overschrijding van de redelijke termijn € 5.000,- in minder gebracht op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en heeft aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 112.971,28. Het hof heeft daartoe overwogen: “ Verplichting tot betaling aan de Staat […] Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht bij de oplegging van de betalingsverplichting rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en daarom een korting toe te passen van 10 procent op het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. […] Oordeel van het hof In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken. In eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 25 februari 2015. De rechtbank heeft na ruim 6 jaren - namelijk op 16 maart 2021 - vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 4 jaren is overschreden. Op 19 maart 2021 is hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 8 april 2024 arrest, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 1 jaar is overschreden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep zal voor de betalingsverplichting een bedrag van € 5.000,00 in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. […] Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (117.971,25 – 5.000=) € 112.971,28 .” 4.4 Voor wat betreft de rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de Hoge Raad bepaald dat de mate van vermindering van – in dit geval – het ontnemingsbedrag afhangt van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Er bestaan geen algemene regels over de manier waarop het ontnemingsbedrag moet worden verminderd. De rechter kan, na alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden te hebben afgewogen, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, ook volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. 4.5 In tegenstelling tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, bestaan voor de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase richtlijnen. Zo is bepaald dat de vermindering van het ontnemingsbedrag maximaal € 5.000,- is en dat de Hoge Raad bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden “naar bevind van zaken handelt”. De feitenrechter is niet aan deze richtlijnen gebonden. 4.6 Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Van onbegrijpelijkheid is niet snel sprake aangezien een dergelijk oordeel sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard die zich niet lenen voor een beoordeling door de cassatierechter. 4.7 Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 4 jaren en in hoger beroep met ruim 1 jaar is overschreden. Het hof heeft hierin aanleiding gezien de betalingsverplichting van de betrokkene te matigen met € 5.000,-. Dit oordeel is wat mij betreft niet onbegrijpelijk in het licht van de beperkte controle in cassatie en de omstandigheid dat van onbegrijpelijkheid niet licht sprake is. Daarbij betrek ik de omstandigheid dat de door de raadsman van de betrokkene in hoger beroep verdedigde opvatting dat de Hoge Raad in ontnemingszaken heeft bepaald dat bij de overschrijding van de redelijke termijn “een korting dient te worden toegepast van 10% van het bedrag” geen steun vindt in het recht. Daarnaast is door de raadsman van de betrokkene niets aangevoerd. 4.8 Dat het rechtsgevolg de begrijpelijkheidstoets doorstaat kan ook worden geïllustreerd aan de hand van HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445. De Hoge Raad achtte het rechtsgevolg dat het hof in die zaak aan de overschrijding van de redelijke termijn had verbonden niet onbegrijpelijk. Het hof had het ontnemingsbedrag in die zaak met 0,2% verminderd voor een overschrijding van de redelijke termijn van ook meer dan vier jaar, terwijl het ontnemingsbedrag in de onderhavige zaak met bijna 4,25% is verminderd. 4.9 Het middel faalt. 5 Afronding 5.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 5.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 9 april 2024. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.