Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-01
ECLI:NL:PHR:2026:448
Civiel recht
48,208 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:448 text/xml public 2026-05-01T11:54:17 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-01 25/03929 Conclusie NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:448 text/html public 2026-05-01T11:53:14 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:448 Parket bij de Hoge Raad , 01-05-2026 / 25/03929 Kort geding. Rechtspersonenrecht. Art. 2:15 BW. Vernietigbaarheid van besluiten van KNVB-organen (licentie- en beroepscommissie) tot onvoorwaardelijke intrekking van proflicentie van Vitesse. Beleids- en beoordelingsruimte van KNVB-organen, marginale toetsing door rechter. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/03929 Zitting 1 mei 2026 CONCLUSIE B.F. Assink In de zaak Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: de KNVB ) tegen B.V. Vitesse (hierna: Vitesse ) 1 Inleiding en samenvatting 1.1 In deze zaak bestrijdt de KNVB het arrest in kort geding waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder meer beslist tot schorsing van de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van de KNVB om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken, en de KNVB veroordeelt om Vitesse per direct weer toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal. M.i. treft geen van de klachten van de KNVB doel. Aan inhoudelijke bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van Vitesse kom ik daarom niet toe. Dit betekent dat het bestreden arrest m.i. in stand kan blijven. 2 Feiten 2.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1-3.4 van het bestreden arrest in kort geding van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof ). (i) Vitesse is lid van de KNVB, een vereniging. (ii) Vitesse neemt op basis van een door de KNVB verstrekte licentie deel aan de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, momenteel de Eerste Divisie (Keuken Kampioen Divisie). (iii) De Licentiecommissie ziet als orgaan van de KNVB toe op de naleving van de licentie-eisen en verplichtingen door de licentiehouders. Zij doet dat op basis van het Licentiereglement Betaald Voetbal (hierna: het Licentiereglement ). (iv) De Beroepscommissie is een orgaan van de KNVB dat besluit over voor beroep vatbare beslissingen van de Licentiecommissie. Zij maakt deel uit van de rechtsprekende macht binnen de KNVB. (v) Op 10 juli 2025 heeft de Licentiecommissie besloten tot intrekking van de proflicentie van Vitesse. Op 17 juli 2025 is Vitesse daartegen in beroep gegaan. Op 31 juli 2025 heeft de Beroepscommissie het beroep van Vitesse ongegrond verklaard en het besluit van de Licentiecommissie in stand gelaten. (vi) De Licentiecommissie heeft in haar besluit van 10 juli 2025 overwogen dat Vitesse over een periode van een aantal jaren in ernstige en structurele mate (de doelstellingen van) het licentiesysteem heeft overtreden en niet bereid was en/of in staat is gebleken zich te voegen naar (de regels van) het licentiesysteem. (vii) De Beroepscommissie heeft in haar besluit van 31 juli 2025 geoordeeld dat sprake is van een meerjarig patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem en een gebrek aan transparantie door Vitesse. Dit patroon is naar het oordeel van de Beroepscommissie structureel, ernstig en persistent. Daarom is de Beroepscommissie van oordeel dat Vitesse haar proflicentie niet kan behouden. 3. Procesverloop In eerste aanleg 3.1 Bij dagvaarding (volgens Vitesse van 4 augustus 2025) heeft Vitesse de KNVB in kort geding betrokken voor de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter ). Vitesse vorderde, na eiswijziging en kort samengevat, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 onmiddellijk schorst; II. de KNVB veroordeelt Vitesse toe te laten en toegelaten te houden tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, in ieder geval voor het seizoen 2025-2026, en te handelen alsof door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie geen besluiten tot intrekking van de proflicentie werden genomen; III. bepaalt dat de KNVB een dwangsom verbeurt van € 500.000,- voor iedere wedstrijd in de competities betaald voetbal waartoe de KNVB Vitesse niet toelaat; IV. bepaalt dat de KNVB een rectificatie zal moeten publiceren op diens website, welke rectificatie binnen twee uur na het wijzen van het vonnis zal moeten worden gepubliceerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom; V. bepaalt dat de schorsing onder I en de bevelen onder II, III en IV zullen gelden voor de periode totdat in een bodemprocedure is beslist over de vernietiging van de onder I genoemde besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, maar uiterlijk tot 1 juli 2026; met veroordeling van de KNVB in de proceskosten. 3.2 Op 7 augustus 2025 heeft de KNVB een conclusie van antwoord in kort geding ingediend (hierna: de CvA ). 3.3 Op 7 augustus 2025 hebben de Stichting Vitesse Betrokken, de Supportersvereniging Vitesse, de Stichting Playing for Success Arnhem, de Stichting Quadraam en de vereniging Business Club Vitesse Gelredome een incidentele vordering tot voeging ingediend. 3.4 Op 7 augustus 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. Hiervan is geen proces-verbaal opgemaakt. 3.5 Op 8 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter vonnis in kort geding gewezen (hierna: het vonnis ). Daarin heeft hij, kort samengevat: in de hoofdzaak de vorderingen van Vitesse afgewezen en Vitesse veroordeeld in de (na)kosten; en in het incident de incidentele vordering tot voeging afgewezen. In hoger beroep 3.6 Bij turbospoedappeldagvaarding van 26 augustus 2025 is Vitesse in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het hof. In die dagvaarding heeft Vitesse ook haar grieven geformuleerd. Vitesse heeft het hof verzocht het vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de volgende - gewijzigde - vorderingen van Vitesse toe te wijzen. Namelijk dat het hof, kort samengevat, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: I. het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 onmiddellijk schorst; II. de KNVB veroordeelt Vitesse met onmiddellijke ingang toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal en te handelen alsof door de Licentiecommissie geen besluit tot intrekking van de proflicentie werd genomen; III. bepaalt dat de KNVB een dwangsom verbeurt voor iedere wedstrijd in de competities betaald voetbal waartoe de KNVB Vitesse niet toelaat; IV. bepaalt dat de KNVB een rectificatie zal moeten publiceren op diens website; met veroordeling van de KNVB in de proceskosten in beide instanties. 3.7 Op 29 augustus 2025 heeft de KNVB een memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel ingediend (hierna: de MvA/MvG i.a. ). Daarin heeft de KNVB, kort samengevat: - in principaal hoger beroep het hof verzocht bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Vitesse niet-ontvankelijk te verklaren althans haar vorderingen af te wijzen, met veroordeling van Vitesse in de proceskosten in beide instanties; - in incidenteel hoger beroep gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis met verbetering van gronden bekrachtigt, althans gedeeltelijk vernietigt en opnieuw rechtdoende Vitesse niet-ontvankelijk verklaart althans haar vorderingen afwijst, met veroordeling van Vitesse in de proceskosten in beide instanties. 3.8 Op 31 augustus 2025 heeft Vitesse een memorie van antwoord in incidenteel appel ingediend. Daarin heeft zij geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde in incidenteel hoger beroep, met veroordeling van de KNVB in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep. 3.9 Op 1 september 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v ).
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:448 text/xml public 2026-05-01T11:54:17 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-01 25/03929 Conclusie NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:448 text/html public 2026-05-01T11:53:14 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:448 Parket bij de Hoge Raad , 01-05-2026 / 25/03929 Kort geding. Rechtspersonenrecht. Art. 2:15 BW. Vernietigbaarheid van besluiten van KNVB-organen (licentie- en beroepscommissie) tot onvoorwaardelijke intrekking van proflicentie van Vitesse. Beleids- en beoordelingsruimte van KNVB-organen, marginale toetsing door rechter. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/03929 Zitting 1 mei 2026 CONCLUSIE B.F. Assink In de zaak Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: de KNVB ) tegen B.V. Vitesse (hierna: Vitesse ) 1 Inleiding en samenvatting 1.1 In deze zaak bestrijdt de KNVB het arrest in kort geding waarin het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder meer beslist tot schorsing van de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van de KNVB om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken, en de KNVB veroordeelt om Vitesse per direct weer toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal. M.i. treft geen van de klachten van de KNVB doel. Aan inhoudelijke bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van Vitesse kom ik daarom niet toe. Dit betekent dat het bestreden arrest m.i. in stand kan blijven. 2 Feiten 2.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1-3.4 van het bestreden arrest in kort geding van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof ). (i) Vitesse is lid van de KNVB, een vereniging. (ii) Vitesse neemt op basis van een door de KNVB verstrekte licentie deel aan de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, momenteel de Eerste Divisie (Keuken Kampioen Divisie). (iii) De Licentiecommissie ziet als orgaan van de KNVB toe op de naleving van de licentie-eisen en verplichtingen door de licentiehouders. Zij doet dat op basis van het Licentiereglement Betaald Voetbal (hierna: het Licentiereglement ). (iv) De Beroepscommissie is een orgaan van de KNVB dat besluit over voor beroep vatbare beslissingen van de Licentiecommissie. Zij maakt deel uit van de rechtsprekende macht binnen de KNVB. (v) Op 10 juli 2025 heeft de Licentiecommissie besloten tot intrekking van de proflicentie van Vitesse. Op 17 juli 2025 is Vitesse daartegen in beroep gegaan. Op 31 juli 2025 heeft de Beroepscommissie het beroep van Vitesse ongegrond verklaard en het besluit van de Licentiecommissie in stand gelaten. (vi) De Licentiecommissie heeft in haar besluit van 10 juli 2025 overwogen dat Vitesse over een periode van een aantal jaren in ernstige en structurele mate (de doelstellingen van) het licentiesysteem heeft overtreden en niet bereid was en/of in staat is gebleken zich te voegen naar (de regels van) het licentiesysteem. (vii) De Beroepscommissie heeft in haar besluit van 31 juli 2025 geoordeeld dat sprake is van een meerjarig patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem en een gebrek aan transparantie door Vitesse. Dit patroon is naar het oordeel van de Beroepscommissie structureel, ernstig en persistent. Daarom is de Beroepscommissie van oordeel dat Vitesse haar proflicentie niet kan behouden. 3. Procesverloop In eerste aanleg 3.1 Bij dagvaarding (volgens Vitesse van 4 augustus 2025) heeft Vitesse de KNVB in kort geding betrokken voor de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de voorzieningenrechter ). Vitesse vorderde, na eiswijziging en kort samengevat, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 onmiddellijk schorst; II. de KNVB veroordeelt Vitesse toe te laten en toegelaten te houden tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, in ieder geval voor het seizoen 2025-2026, en te handelen alsof door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie geen besluiten tot intrekking van de proflicentie werden genomen; III. bepaalt dat de KNVB een dwangsom verbeurt van € 500.000,- voor iedere wedstrijd in de competities betaald voetbal waartoe de KNVB Vitesse niet toelaat; IV. bepaalt dat de KNVB een rectificatie zal moeten publiceren op diens website, welke rectificatie binnen twee uur na het wijzen van het vonnis zal moeten worden gepubliceerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom; V. bepaalt dat de schorsing onder I en de bevelen onder II, III en IV zullen gelden voor de periode totdat in een bodemprocedure is beslist over de vernietiging van de onder I genoemde besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, maar uiterlijk tot 1 juli 2026; met veroordeling van de KNVB in de proceskosten. 3.2 Op 7 augustus 2025 heeft de KNVB een conclusie van antwoord in kort geding ingediend (hierna: de CvA ). 3.3 Op 7 augustus 2025 hebben de Stichting Vitesse Betrokken, de Supportersvereniging Vitesse, de Stichting Playing for Success Arnhem, de Stichting Quadraam en de vereniging Business Club Vitesse Gelredome een incidentele vordering tot voeging ingediend. 3.4 Op 7 augustus 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. Hiervan is geen proces-verbaal opgemaakt. 3.5 Op 8 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter vonnis in kort geding gewezen (hierna: het vonnis ). Daarin heeft hij, kort samengevat: in de hoofdzaak de vorderingen van Vitesse afgewezen en Vitesse veroordeeld in de (na)kosten; en in het incident de incidentele vordering tot voeging afgewezen. In hoger beroep 3.6 Bij turbospoedappeldagvaarding van 26 augustus 2025 is Vitesse in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het hof. In die dagvaarding heeft Vitesse ook haar grieven geformuleerd. Vitesse heeft het hof verzocht het vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de volgende - gewijzigde - vorderingen van Vitesse toe te wijzen. Namelijk dat het hof, kort samengevat, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: I. het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 onmiddellijk schorst; II. de KNVB veroordeelt Vitesse met onmiddellijke ingang toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal en te handelen alsof door de Licentiecommissie geen besluit tot intrekking van de proflicentie werd genomen; III. bepaalt dat de KNVB een dwangsom verbeurt voor iedere wedstrijd in de competities betaald voetbal waartoe de KNVB Vitesse niet toelaat; IV. bepaalt dat de KNVB een rectificatie zal moeten publiceren op diens website; met veroordeling van de KNVB in de proceskosten in beide instanties. 3.7 Op 29 augustus 2025 heeft de KNVB een memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel ingediend (hierna: de MvA/MvG i.a. ). Daarin heeft de KNVB, kort samengevat: - in principaal hoger beroep het hof verzocht bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Vitesse niet-ontvankelijk te verklaren althans haar vorderingen af te wijzen, met veroordeling van Vitesse in de proceskosten in beide instanties; - in incidenteel hoger beroep gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis met verbetering van gronden bekrachtigt, althans gedeeltelijk vernietigt en opnieuw rechtdoende Vitesse niet-ontvankelijk verklaart althans haar vorderingen afwijst, met veroordeling van Vitesse in de proceskosten in beide instanties. 3.8 Op 31 augustus 2025 heeft Vitesse een memorie van antwoord in incidenteel appel ingediend. Daarin heeft zij geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde in incidenteel hoger beroep, met veroordeling van de KNVB in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep. 3.9 Op 1 september 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v ).
Volledig
3.10 Op 3 september 2025 heeft het hof een verkort arrest in kort geding gewezen, op 17 september 2025 gevolgd door de schriftelijke uitwerking daarvan (hierna kortweg: het arrest ). 3.11 In het arrest heeft het hof, kort samengevat: - het vonnis vernietigd; - het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 met onmiddellijke ingang geschorst; - de KNVB veroordeeld Vitesse met onmiddellijke ingang toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal en te handelen alsof door de Licentiecommissie geen besluit tot intrekking van de proflicentie werd genomen; - de KNVB veroordeeld in de proceskosten van Vitesse tot aan het vonnis en in het principaal en incidenteel hoger beroep; - de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - het verder gevorderde afgewezen. 3.12 Voor de onderliggende beoordeling verwijs ik kortheidshalve naar rov. 4.1-4.121. In cassatie 3.13 Bij procesinleiding van 29 oktober 2025 heeft de KNVB (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. 3.14 Vitesse heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld van het arrest. 3.15 Partijen hebben ieder hun stellingen schriftelijk toegelicht, en vervolgens gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd. 4 Bespreking van het principaal cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel van de KNVB telt 56 pagina’s en bevat vijf onderdelen tjokvol met klachten gericht tegen het arrest. Onderdeel 1 (“Onjuiste (toepassing) beoordelingsmaatstaf marginale toetsing; niet respecteren beleids- en beoordelingsruimte; onvoldoende terughoudendheid”) 4.2 Het onderdeel vangt aan met een inleiding waarin rov. 4.7, 4.9, 4.80, 4.81, 4.92 en 4.107 van het arrest samengevat worden weergegeven. Vervolgens formuleert het onderdeel in drie subonderdelen klachten. 4.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 4.7 en/of 4.9-4.107 van het arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent namelijk in rov. 4.7 en/of 4.9-4.107: dat bij de toetsing/beoordeling door de rechter of een besluit van een orgaan (naar inhoud of totstandkoming) vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW - in aanvulling op en/of voortvloeiend uit de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid - het volgende geldt. 4.4 Ik vat dat “volgende” kort samen. 4.4.1 Aan organen van een vereniging, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, komt mede gelet op hun aard (een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toe bij het nemen van besluiten als de onderhavige. 4.4.2 Daarbij is van belang dat de besluiten van de bedoelde organen mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval. 4.4.3 De bedoelde beleids- en beoordelingsruimte en terughoudendheid gelden te meer en/of in (nog) grotere mate (i) indien, zoals in het onderhavige geval, de leden van de organen volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging onafhankelijk zijn en de geadresseerden van die besluiten (zoals leden en andere betrokkenen) volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging aan de bedoelde besluiten zijn gebonden. Althans (ii) indien het betrokken orgaan, zoals hier de Beroepscommissie, bij of krachtens de statuten of reglement is belast met een rechtsprekende taak en als zodanig besluit over (uitspraak doet over) voor beroep vatbare besluiten van andere organen, zoals de Licentiecommissie. 4.4.4 De bedoelde terughoudendheid geldt zeker en/of in (nog) grotere mate indien de rechter in kort geding (slechts) een voorlopig oordeel geeft over (schorsing van) de betrokken besluiten. Behandeling 4.5 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. - Inleidende beschouwingen 4.6 Ik begin met enkele opmerkingen over het arrest en het (sub)onderdeel. 4.6.1 In rov. 4.7 stelt het hof onder meer het volgende voorop. a. Op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar als een besluit naar totstandkoming of inhoud in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW (“de gedragsregel van artikel 2:8 BW”). b. Toetsingsmaatstaf is dan of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. c. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. 4.6.2 Volgens het onderdeel overweegt het hof dit een en ander in rov. 4.7 “op zichzelf met juistheid”. Ik lees in het onderdeel - terecht - niet iets anders waar het gaat om ’s hofs overwegingen in rov. 4.7 direct volgend op de onder 4.6.1 sub c hiervoor bedoelde vooropstelling. Te weten: dat het voor zich spreekt dat “die toetsing” moet plaatsvinden naar de toestand ten tijde van het besluit, nu het betrokken orgaan van de rechtspersoon geen rekening heeft kunnen houden met feiten en omstandigheden van daarna. 4.6.3 Rov. 4.7 staat tussen rov. 4.6 en 4.8 (in cassatie onbestreden), tezamen onder “Beoordelingsmaatstaf”. Voor een goed begrip volgen hier rov. 4.6 en 4.8: 4.6 Zoals in rov. 2.4 al is vermeld, kan de rechter in kort geding een voorlopige voorziening geven. Of de spoedvoorziening ook daadwerkelijk wordt verleend, is afhankelijk van de uitkomst van een beoordeling van de voorlopige merites van de zaak en van de afweging van de belangen van partijen, in beginsel beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Uitgangspunt is daarbij dat de kort geding rechter zich naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure moet richten. Dat geldt ook waar het, zoals in dit geval, gaat om een voorziening vooruitlopend op een vordering tot vernietiging van een besluit van een rechtspersoon op grond van artikel 2:15 lid 1 BW. In dat geval moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het besluit op één of meer van de in dat artikel genoemde gronden vernietigbaar is. Voor zover de voorzieningenrechter in deze zaak - met de overweging dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter het betreffende besluit zal vernietigen - van een zwaardere maatstaf is uitgegaan, volgt het hof hem daarin dus niet. (…) 4.8 In dit geval moet dus worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten van de Licentiecommissie en Beroepscommissie niet in stand kunnen blijven op één of meer van de hiervoor genoemde gronden [dit slaat terug op rov. 4.7, A-G], dit naar de toestand ten tijde van die besluiten. Voor de vraag of de gevraagde voorzieningen worden toegewezen, moeten verder de belangen van partijen worden afgewogen naar de toestand op dit moment. 4.6.4 In rov. 4.9-4.80 onderzoekt het hof of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun inhoud vernietigbaar zijn. Dit staat in de sleutel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Ik citeer ’s hofs opening en slotsom. 4.9. Naar het voorlopig oordeel van het hof is het om de hierna uiteengezette redenen voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de Licentiecommissie en Beroepscommissie, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot het besluit hebben kunnen komen om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken. (…) 4.80. Bij deze stand van zaken acht het hof het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die ertoe leidt dat de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie gerechtvaardigd is. 4.6.5 Waarom het hof hiertoe komt, vat het als volgt samen: 4.10.
Volledig
3.10 Op 3 september 2025 heeft het hof een verkort arrest in kort geding gewezen, op 17 september 2025 gevolgd door de schriftelijke uitwerking daarvan (hierna kortweg: het arrest ). 3.11 In het arrest heeft het hof, kort samengevat: - het vonnis vernietigd; - het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 tot intrekking van de proflicentie van Vitesse met ingang van 11 juli 2025 en het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 met onmiddellijke ingang geschorst; - de KNVB veroordeeld Vitesse met onmiddellijke ingang toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal en te handelen alsof door de Licentiecommissie geen besluit tot intrekking van de proflicentie werd genomen; - de KNVB veroordeeld in de proceskosten van Vitesse tot aan het vonnis en in het principaal en incidenteel hoger beroep; - de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - het verder gevorderde afgewezen. 3.12 Voor de onderliggende beoordeling verwijs ik kortheidshalve naar rov. 4.1-4.121. In cassatie 3.13 Bij procesinleiding van 29 oktober 2025 heeft de KNVB (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. 3.14 Vitesse heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld van het arrest. 3.15 Partijen hebben ieder hun stellingen schriftelijk toegelicht, en vervolgens gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd. 4 Bespreking van het principaal cassatiemiddel 4.1 Het cassatiemiddel van de KNVB telt 56 pagina’s en bevat vijf onderdelen tjokvol met klachten gericht tegen het arrest. Onderdeel 1 (“Onjuiste (toepassing) beoordelingsmaatstaf marginale toetsing; niet respecteren beleids- en beoordelingsruimte; onvoldoende terughoudendheid”) 4.2 Het onderdeel vangt aan met een inleiding waarin rov. 4.7, 4.9, 4.80, 4.81, 4.92 en 4.107 van het arrest samengevat worden weergegeven. Vervolgens formuleert het onderdeel in drie subonderdelen klachten. 4.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 4.7 en/of 4.9-4.107 van het arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent namelijk in rov. 4.7 en/of 4.9-4.107: dat bij de toetsing/beoordeling door de rechter of een besluit van een orgaan (naar inhoud of totstandkoming) vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW - in aanvulling op en/of voortvloeiend uit de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid - het volgende geldt. 4.4 Ik vat dat “volgende” kort samen. 4.4.1 Aan organen van een vereniging, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, komt mede gelet op hun aard (een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toe bij het nemen van besluiten als de onderhavige. 4.4.2 Daarbij is van belang dat de besluiten van de bedoelde organen mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval. 4.4.3 De bedoelde beleids- en beoordelingsruimte en terughoudendheid gelden te meer en/of in (nog) grotere mate (i) indien, zoals in het onderhavige geval, de leden van de organen volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging onafhankelijk zijn en de geadresseerden van die besluiten (zoals leden en andere betrokkenen) volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging aan de bedoelde besluiten zijn gebonden. Althans (ii) indien het betrokken orgaan, zoals hier de Beroepscommissie, bij of krachtens de statuten of reglement is belast met een rechtsprekende taak en als zodanig besluit over (uitspraak doet over) voor beroep vatbare besluiten van andere organen, zoals de Licentiecommissie. 4.4.4 De bedoelde terughoudendheid geldt zeker en/of in (nog) grotere mate indien de rechter in kort geding (slechts) een voorlopig oordeel geeft over (schorsing van) de betrokken besluiten. Behandeling 4.5 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. - Inleidende beschouwingen 4.6 Ik begin met enkele opmerkingen over het arrest en het (sub)onderdeel. 4.6.1 In rov. 4.7 stelt het hof onder meer het volgende voorop. a. Op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar als een besluit naar totstandkoming of inhoud in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW (“de gedragsregel van artikel 2:8 BW”). b. Toetsingsmaatstaf is dan of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. c. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. 4.6.2 Volgens het onderdeel overweegt het hof dit een en ander in rov. 4.7 “op zichzelf met juistheid”. Ik lees in het onderdeel - terecht - niet iets anders waar het gaat om ’s hofs overwegingen in rov. 4.7 direct volgend op de onder 4.6.1 sub c hiervoor bedoelde vooropstelling. Te weten: dat het voor zich spreekt dat “die toetsing” moet plaatsvinden naar de toestand ten tijde van het besluit, nu het betrokken orgaan van de rechtspersoon geen rekening heeft kunnen houden met feiten en omstandigheden van daarna. 4.6.3 Rov. 4.7 staat tussen rov. 4.6 en 4.8 (in cassatie onbestreden), tezamen onder “Beoordelingsmaatstaf”. Voor een goed begrip volgen hier rov. 4.6 en 4.8: 4.6 Zoals in rov. 2.4 al is vermeld, kan de rechter in kort geding een voorlopige voorziening geven. Of de spoedvoorziening ook daadwerkelijk wordt verleend, is afhankelijk van de uitkomst van een beoordeling van de voorlopige merites van de zaak en van de afweging van de belangen van partijen, in beginsel beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Uitgangspunt is daarbij dat de kort geding rechter zich naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure moet richten. Dat geldt ook waar het, zoals in dit geval, gaat om een voorziening vooruitlopend op een vordering tot vernietiging van een besluit van een rechtspersoon op grond van artikel 2:15 lid 1 BW. In dat geval moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het besluit op één of meer van de in dat artikel genoemde gronden vernietigbaar is. Voor zover de voorzieningenrechter in deze zaak - met de overweging dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter het betreffende besluit zal vernietigen - van een zwaardere maatstaf is uitgegaan, volgt het hof hem daarin dus niet. (…) 4.8 In dit geval moet dus worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten van de Licentiecommissie en Beroepscommissie niet in stand kunnen blijven op één of meer van de hiervoor genoemde gronden [dit slaat terug op rov. 4.7, A-G], dit naar de toestand ten tijde van die besluiten. Voor de vraag of de gevraagde voorzieningen worden toegewezen, moeten verder de belangen van partijen worden afgewogen naar de toestand op dit moment. 4.6.4 In rov. 4.9-4.80 onderzoekt het hof of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun inhoud vernietigbaar zijn. Dit staat in de sleutel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Ik citeer ’s hofs opening en slotsom. 4.9. Naar het voorlopig oordeel van het hof is het om de hierna uiteengezette redenen voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de Licentiecommissie en Beroepscommissie, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot het besluit hebben kunnen komen om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken. (…) 4.80. Bij deze stand van zaken acht het hof het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die ertoe leidt dat de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie gerechtvaardigd is. 4.6.5 Waarom het hof hiertoe komt, vat het als volgt samen: 4.10.
Volledig
De Licentiecommissie en de Beroepscommissie leggen aan hun besluiten ten grondslag dat bij Vitesse sprake is van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem dat Vitesse tijdens de (beroeps)procedure heeft voortgezet. Het hof kan het oordeel van de Licentiecommissie en Beroepscommissie volgen dat Vitesse haar informatieverplichting op een aantal materiële punten niet heeft nageleefd. Dat gaat niet alleen om zaken uit het verdere verleden, maar met name ook om de gang van zaken rondom de verkoop van de vordering van Common Sport GP LLC (voorheen Common Group LLC, hierna: Common Group) aan vijf anderen en de informatieverschaffing hierover aan de KNVB in de periode van december 2024 tot juni 2025. Een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen beoordeelt het hof echter wezenlijk anders, zoals hierna uiteengezet. 4.11. Daar komt bij dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie enerzijds de procedures over intrekking van de licentie van Vitesse met grote spoed en onder hoge druk hebben gevoerd, anderzijds de actuele ontwikkelingen rond Vitesse (met name de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025) in die besluitvorming buiten beschouwing hebben gelaten, hoewel Vitesse de Licentiecommissie en de Beroepscommissie daarover op de hoogte heeft gehouden en hen daarbij heeft willen betrekken. Die actuele ontwikkelingen hadden in de besluitvorming door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie wel betrokken moeten worden, vooral omdat hun besluitvorming betrekking had op - en heeft geresulteerd in [-] de meest verstrekkende sanctie die op grond van het Licentiereglement kan worden opgelegd, te weten de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie. 4.12. Het hof legt hierna uit hoe het tot deze beoordeling is gekomen, aan de hand van een beschrijving van de gang van zaken vanaf maart 2022 tot en met het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025. 4.6.6 In verband met rov. 4.11, laatste zin citeer ik hier ook het slot van dit deel van het arrest: 4.78. De beoordeling door de Beroepscommissie moet volgens het Licentiereglement (artikel 13 leden 7 onder c. en 11 onder c.) geschieden naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep. Bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie spelen aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en), aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter en de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie, met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen. 4.79. De Beroepscommissie heeft overwogen dat het (steeds) laten prevaleren van maatschappelijke belangen, zoals werkgelegenheid, zou betekenen dat de zwaarste sanctie (intrekking van de licentie) nooit toepasbaar is, hetgeen afbreuk zou doen aan de effectiviteit en geloofwaardigheid van het licentiesysteem. Het hof heeft begrip voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moesten hebben. Daar staat tegenover dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal. Daar staan ook tegenover de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen, zoals hiervoor overwogen, en de recente positieve ontwikkelingen die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden. Onder die omstandigheden was volgens het Licentiereglement (artikel 14 lid 2) en de Leidraad Sanctionering Licentiecommissie Betaald Voetbal 2024-2025 Eerste Divisie (…) onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet de enige sanctie die resteerde, en had intrekking van de licentie voorwaardelijk opgelegd kunnen worden. Dit spreekt voor zich. 4.6.7 In rov. 4.81-4.107 onderzoekt het hof of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun wijze van totstandkoming vernietigbaar zijn. Dit staat mede in de sleutel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Ik citeer ’s hofs opening en (gesplitste) slotsom. 4.81. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten vernietigbaar zijn wegens strijd met de regels over de totstandkoming van besluiten en het Licentiereglement en/of naar totstandkoming wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor zijn de hiernavolgende feiten en omstandigheden van belang. (…) 4.92. Het hof acht het op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het besluit van de Licentiecommissie vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder c BW. (…) 4.107. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het hof voorshands van oordeel dat de Beroepscommissie aan het fundamenteel rechtsbeginsel van hoor en wederhoor op de genoemde punten niet heeft voldaan. Dat brengt mee dat het hof aannemelijk acht dat de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie vernietigbaar zal oordelen op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a/c BW, dan wel naar de totstandkoming in strijd zal achten met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. 4.6.8 Bij dit laatste betrekt het hof, samenvattend: 4.106. Hoewel de Beroepscommissie geen rechterlijke instantie is zoals een overheidsrechter, is zij wel het rechtsprekend orgaan van de KNVB in kwesties over de licenties en opereert zij daarin onafhankelijk. Daar past - daar gaat de Beroepscommissie zelf ook vanuit - de verplichting bij dat het fundamenteel rechtsbeginsel van hoor en wederhoor juist wordt toegepast als onderdeel van de eisen van de behoorlijke procesorde, gelijk voor een civiele procedure is geregeld in de artikelen 19 Rv en artikel 6 EVRM. De Beroepscommissie is echter vanwege een aangenomen hoge spoed die niet dwingend blijkt te zijn afgeweken van de gebruikelijke procedure zonder dit met voldoende waarborgen te omkleden, zodat Vitesse in elk geval in de gelegenheid zou worden gesteld om zich tot het laatste moment volledig en afdoende tegen de besluiten te verweren. Hierdoor konden de laatste relevante feiten en omstandigheden over de stand van zaken onvoldoende in aanmerking worden genomen, wat de zorgvuldigheid van de besluitvorming heeft aangetast. Ook dit spreekt voor zich. 4.6.9 In essentie voert het subonderdeel aan dat het hof in het bestreden oordeel, waar het gaat om art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW, niet goed voor ogen heeft wat het betekent als aan het besluitnemende orgaan van de rechtspersoon beleids-/beoordelingsruimte toekomt en de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van zo’n besluit door marginaal te toetsen. Het komt dienstig voor de door het subonderdeel aan de orde gestelde thematiek nog iets meer uit te lichten, voordat ik bezie of het subonderdeel hier een punt heeft (zie vanaf 4.9 hierna). 4.7 Eerst iets over ‘marginale toetsing’, waarop het subonderdeel dus zwaar leunt. 4.7.1 Een naam die in dit verband niet onvermeld kan blijven, is Borst. Hij publiceerde in de jaren ’60 van de vorige eeuw beschouwingen over aspecten van marginale toetsing in het bestuurs- en privaatrecht. Deze publicaties hebben een katalyserende werking gehad voor het juridisch conceptueler denken over de problematiek van de indringendheid waarmee de rechter een bepaalde handelwijze van een actor toetst naarmate die actor een grotere handelingsvrijheid toekomt. In 1969 kon Van der Grinten (wellicht) nog schrijven dat de term marginale toetsing ‘in’ is, maar deze uitdrukking niet algemeen is aanvaard. Deze term heeft (in ieder geval) nadien een hoge vlucht genomen in de praktijk, hij is geworteld geraakt in ons rechtsdenken. De term marginale toetsing heeft ook de Hoge Raad bereikt, bijvoorbeeld en vrij recent nog in het ondernemingsrecht.
Volledig
De Licentiecommissie en de Beroepscommissie leggen aan hun besluiten ten grondslag dat bij Vitesse sprake is van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem dat Vitesse tijdens de (beroeps)procedure heeft voortgezet. Het hof kan het oordeel van de Licentiecommissie en Beroepscommissie volgen dat Vitesse haar informatieverplichting op een aantal materiële punten niet heeft nageleefd. Dat gaat niet alleen om zaken uit het verdere verleden, maar met name ook om de gang van zaken rondom de verkoop van de vordering van Common Sport GP LLC (voorheen Common Group LLC, hierna: Common Group) aan vijf anderen en de informatieverschaffing hierover aan de KNVB in de periode van december 2024 tot juni 2025. Een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen beoordeelt het hof echter wezenlijk anders, zoals hierna uiteengezet. 4.11. Daar komt bij dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie enerzijds de procedures over intrekking van de licentie van Vitesse met grote spoed en onder hoge druk hebben gevoerd, anderzijds de actuele ontwikkelingen rond Vitesse (met name de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025) in die besluitvorming buiten beschouwing hebben gelaten, hoewel Vitesse de Licentiecommissie en de Beroepscommissie daarover op de hoogte heeft gehouden en hen daarbij heeft willen betrekken. Die actuele ontwikkelingen hadden in de besluitvorming door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie wel betrokken moeten worden, vooral omdat hun besluitvorming betrekking had op - en heeft geresulteerd in [-] de meest verstrekkende sanctie die op grond van het Licentiereglement kan worden opgelegd, te weten de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie. 4.12. Het hof legt hierna uit hoe het tot deze beoordeling is gekomen, aan de hand van een beschrijving van de gang van zaken vanaf maart 2022 tot en met het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025. 4.6.6 In verband met rov. 4.11, laatste zin citeer ik hier ook het slot van dit deel van het arrest: 4.78. De beoordeling door de Beroepscommissie moet volgens het Licentiereglement (artikel 13 leden 7 onder c. en 11 onder c.) geschieden naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep. Bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie spelen aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en), aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter en de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie, met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen. 4.79. De Beroepscommissie heeft overwogen dat het (steeds) laten prevaleren van maatschappelijke belangen, zoals werkgelegenheid, zou betekenen dat de zwaarste sanctie (intrekking van de licentie) nooit toepasbaar is, hetgeen afbreuk zou doen aan de effectiviteit en geloofwaardigheid van het licentiesysteem. Het hof heeft begrip voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moesten hebben. Daar staat tegenover dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal. Daar staan ook tegenover de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen, zoals hiervoor overwogen, en de recente positieve ontwikkelingen die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden. Onder die omstandigheden was volgens het Licentiereglement (artikel 14 lid 2) en de Leidraad Sanctionering Licentiecommissie Betaald Voetbal 2024-2025 Eerste Divisie (…) onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet de enige sanctie die resteerde, en had intrekking van de licentie voorwaardelijk opgelegd kunnen worden. Dit spreekt voor zich. 4.6.7 In rov. 4.81-4.107 onderzoekt het hof of aannemelijk is dat de onderhavige besluiten naar hun wijze van totstandkoming vernietigbaar zijn. Dit staat mede in de sleutel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. Ik citeer ’s hofs opening en (gesplitste) slotsom. 4.81. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten vernietigbaar zijn wegens strijd met de regels over de totstandkoming van besluiten en het Licentiereglement en/of naar totstandkoming wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor zijn de hiernavolgende feiten en omstandigheden van belang. (…) 4.92. Het hof acht het op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het besluit van de Licentiecommissie vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder c BW. (…) 4.107. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het hof voorshands van oordeel dat de Beroepscommissie aan het fundamenteel rechtsbeginsel van hoor en wederhoor op de genoemde punten niet heeft voldaan. Dat brengt mee dat het hof aannemelijk acht dat de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie vernietigbaar zal oordelen op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder a/c BW, dan wel naar de totstandkoming in strijd zal achten met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. 4.6.8 Bij dit laatste betrekt het hof, samenvattend: 4.106. Hoewel de Beroepscommissie geen rechterlijke instantie is zoals een overheidsrechter, is zij wel het rechtsprekend orgaan van de KNVB in kwesties over de licenties en opereert zij daarin onafhankelijk. Daar past - daar gaat de Beroepscommissie zelf ook vanuit - de verplichting bij dat het fundamenteel rechtsbeginsel van hoor en wederhoor juist wordt toegepast als onderdeel van de eisen van de behoorlijke procesorde, gelijk voor een civiele procedure is geregeld in de artikelen 19 Rv en artikel 6 EVRM. De Beroepscommissie is echter vanwege een aangenomen hoge spoed die niet dwingend blijkt te zijn afgeweken van de gebruikelijke procedure zonder dit met voldoende waarborgen te omkleden, zodat Vitesse in elk geval in de gelegenheid zou worden gesteld om zich tot het laatste moment volledig en afdoende tegen de besluiten te verweren. Hierdoor konden de laatste relevante feiten en omstandigheden over de stand van zaken onvoldoende in aanmerking worden genomen, wat de zorgvuldigheid van de besluitvorming heeft aangetast. Ook dit spreekt voor zich. 4.6.9 In essentie voert het subonderdeel aan dat het hof in het bestreden oordeel, waar het gaat om art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW, niet goed voor ogen heeft wat het betekent als aan het besluitnemende orgaan van de rechtspersoon beleids-/beoordelingsruimte toekomt en de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van zo’n besluit door marginaal te toetsen. Het komt dienstig voor de door het subonderdeel aan de orde gestelde thematiek nog iets meer uit te lichten, voordat ik bezie of het subonderdeel hier een punt heeft (zie vanaf 4.9 hierna). 4.7 Eerst iets over ‘marginale toetsing’, waarop het subonderdeel dus zwaar leunt. 4.7.1 Een naam die in dit verband niet onvermeld kan blijven, is Borst. Hij publiceerde in de jaren ’60 van de vorige eeuw beschouwingen over aspecten van marginale toetsing in het bestuurs- en privaatrecht. Deze publicaties hebben een katalyserende werking gehad voor het juridisch conceptueler denken over de problematiek van de indringendheid waarmee de rechter een bepaalde handelwijze van een actor toetst naarmate die actor een grotere handelingsvrijheid toekomt. In 1969 kon Van der Grinten (wellicht) nog schrijven dat de term marginale toetsing ‘in’ is, maar deze uitdrukking niet algemeen is aanvaard. Deze term heeft (in ieder geval) nadien een hoge vlucht genomen in de praktijk, hij is geworteld geraakt in ons rechtsdenken. De term marginale toetsing heeft ook de Hoge Raad bereikt, bijvoorbeeld en vrij recent nog in het ondernemingsrecht.
Volledig
Iets anders is dat de leer van marginale toetsing - ondanks de vele literatuur hierover - eigenlijk nog steeds niet is ingebed in een robuuste, diep uitgewerkte, breed aanvaarde theorie. Koelemeijer zegt dit laatste zo, rond de laatste eeuwwisseling: Uit het voorgaande kan al worden afgeleid dat de grondslag van de leer van de ‘marginale toetsing’ in Nederland niet bijzonder sterk is. Weliswaar heeft Borst in de jaren ‘60 getracht in Nederland diepgravender onderzoek over ‘marginale toetsing’ te entameren, maar die poging is in het voorbereidingsstadium blijven steken. (…) Het ontbreken van een, breed aanvaarde, theorie heeft echter geen gevolgen gehad voor de heersende leer met betrekking tot de ‘marginale toetsing’. Gelijk geschetst baseert de grote meerderheid van de auteurs zich daarbij op de stelling dat een beslissend orgaan ‘beleidsvrijheid’ toekomt. (…) 4.7.2 Dit wil overigens niet zeggen dat de leer, het concept, van marginale toetsing onverkort op juichende recensies kan rekenen. Zo plaatste Van der Grinten indertijd kanttekeningen erbij, al pleitte hij niet voor het verwerpen ervan. Timmerman daarentegen heeft onomwonden geschreven over een rommelig concept, dat verhuld verschillende soorten rechterlijke toetsing omvat en waarvan maar beter afscheid genomen wordt in het ondernemingsrecht, ten faveure van een andere benadering. De Wulf, een zuiderbuur, is een vergelijkbare opvatting toegedaan. Hij rept - op eloquente wijze, het moet gezegd - van een concept dat eigen is aan het Nederlandse taalgebied, en veelgeprezen, maar dat beter gebannen wordt, want verwarring veroorzaakt: De precieze inhoud van de marginale toetsing is (…) volkomen onduidelijk (…). (…) Vooral wekt de term de verkeerde indruk dat marginale toetsing verschilt van volle toetsing. (…) Er bestaat onduidelijkheid - althans: geen eensgezindheid in rechtsleer en rechtspraak - over de gevallen waarin marginaal getoetst kan/moet worden. (…) Het grootste bezwaar tegen marginale toetsing is evenwel dat het een overbodig en daarom verwarrend concept is. Bocken heeft op het eerste zicht ongetwijfeld gelijk waar hij stelt dat het gewone foutbegrip (…) niet meer wordt toegepast wanneer wordt aangenomen dat een norm slechts geschonden is wanneer de norm kennelijk geschonden moet zijn. In werkelijkheid evenwel moeten rechters steeds het gewone foutconcept toepassen. De marginale toetsing is slechts een ‘vaderlijke aanmaning’ niet te vlug een fout aan te nemen. (…) Dat marginale toetsing zich niet onderscheidt van volle toetsing, is eigenlijk een dogmatische noodzaak. (…) Steeds dient een rechter de regel toe te passen dat fout is, de lichtste afwijking van het gedrag dat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden zou ten toon gespreid hebben. Maar wat een redelijk mens zou doen, wordt nu precies door de omstandigheden bepaald. (…) Zoals reeds geargumenteerd is het concept marginale toetsing echter onzeker van inhoud en daarom geen effectieve begrenzer van rechterlijke beoordelingsvrijheid. 4.7.3 Wat is dan marginale toetsing, meer precies? Dit is geen onbelangrijke vraag. Een min of meer gebruikelijk geworden antwoord daarop in de privaatrechtelijke context luidt dat rechterlijke toetsing dan niet is uitgesloten, maar slechts beperkt dient plaats vinden, in tegenstelling tot vol(ledig). Een tussenfiguur derhalve, zoals de term - ‘marginale’ toetsing - taalkundig bezien ook impliceert. De achterliggende gedachte is dan in essentie dat voor zover de actor op het specifieke punt dat ter beoordeling voorligt noemenswaardige handelingsvrijheid toekomt, wat dikwijls samenhangt met aanwending en invulling van een discretionaire bevoegdheid van de actor, de rechter deze dient te respecteren door de handelwijze van de actor (zoals een besluit/beslissing) pas als ongeoorloofd aan te merken wanneer buiten kijf staat dat in de vastgestelde omstandigheden van die vrijheid zodanig gebruik is gemaakt dat dit naar objectieve maatstaven geen eerbiediging verdient in het recht. Eerst dan wijkt deze vrijheid van handelen van de actor, die bij marginale toetsing dus het vertrekpunt is. Daarbij oordeelt de rechter weliswaar in de regel achteraf over die handelwijze van de actor, maar uiteraard niet ‘met wijsheid achteraf’, want bezien vanuit de situatie zoals die voorlag ten tijde van dit handelen van de actor, oftewel kenbaar was voor de actor. Bij marginale toetsing gaat het niet erom of - in de woorden van Kroeze - in de gegeven omstandigheden een andere handelwijze, zoals een andere afweging van de in aanmerking komende belangen, volgens de rechter “beter” zou zijn geweest; wel of in de gegeven omstandigheden de door de actor gevolgde handelwijze, zoals de verrichte belangenafweging, de toets der kritiek kan doorstaan zonder dat de rechter daarbij zijn oordeel voor dat van de actor in de plaats stelt. 4.7.4 Het voorgaande laat zien dat marginale toetsing als concept niet erg scherp is ingekaderd. Het is veeleer ‘een manier van zeggen’, nogal algemeen verwoord, dat de rechterlijke toetsing terughoudend dient te zijn (wat zelf ook weinig scherp is ingekaderd). Toch is het concept van marginale toetsing niet zonder verdienste. Een sterke kant ervan is dat het onderkent dat beperkte toetsing, als uitzondering op de hoofdregel, een rechtvaardiging vergt. Een rechtvaardiging die doorgaans hangt op de aanwezigheid van een situatie waarin voor de actor niet één concrete, (min of meer) eenduidige handelwijze is voorgeschreven (een zwart/wit-regel die (zo ongeveer) zegt wat de juridisch geoorloofde gedragslijn is), maar hij, vanuit zijn rechtspositie, en in beginsel naar eigen inzicht, keuzes mag of moet maken ter invulling van zijn handelwijze, wat dus in beginsel op meer dan één rechtens toelaatbare wijze kan geschieden. Dit biedt, als vertrekpunt, enig analytisch houvast: speelt zo’n situatie, of niet? Illustratief is de rechtspraak over persoonlijke aansprakelijkheid van een faillissementscurator. Daarbij geldt dat voor zover de curator bij zijn taakuitoefening niet is gebonden aan regels, hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt, waarbij een terughoudende toetsing door de rechter past. Men zou hier van een vloeiende overgang kunnen spreken: naarmate een bepaalde handelwijze meer regelgebonden is, mag, in beginsel, de rechterlijke toetsing van die handelwijze in zoverre minder terughoudend zijn. Die verhouding moet per geval worden gezocht en bepaald. 4.7.5 Het concept van marginale toetsing verduidelijkt ook - m.i. een andere sterke kant ervan - dat naarmate de rechter het specifieke punt dat ter beoordeling voorligt beperkter dient te toetsen, hij meer aan buitengrenscontrole moet doen. Immers, ook dan geldt dat bij rechtsinbreuken de rechter mag zo niet moet interveniëren, maar doordat hier meer dan één (niet on)geoorloofde handelwijze kan bestaan, ontstaat een bepaalde beslissingsruimte (keuzevrijheid) voor de actor. Die ruimte is niet onbeperkt, want heeft een uiterste grens, een kantlijn, een marge. Die ruimte is dus relatief, want verhoudt zich tot die marge. Hier komt Dworkins ‘gat in de donut’-vergelijking in beeld. Marginale toetsing impliceert dat de rechter ter zake wel de marge van die ruimte bewaakt, maar niet daarbinnen treedt. Dit laatste vindt veelal uitdrukking doordat wordt getoetst niet aan een zwart/wit-regel, want die ontbreekt, maar aan een standaard met grijstinten en speling ten gunste van de actor, waarbij het dus niet de bedoeling is dat de rechter zijn oordeel voor dat van de actor in de plaats stelt. Hoe milder/rekkelijker de standaard voor de actor, des te royaler bemeten diens potentiële beslissingsruimte ter zake en des te minder snel de rechter dienaangaande tot een rechtsinbreuk kan concluderen. Doorstaat voornoemde punt een marginale toetsing, dan valt het binnen de beslissingsruimte van de actor en prevaleert hier diens handelingsvrijheid. Oftewel: dan zijn de piketpaaltjes dienaangaande geslagen.
Volledig
Iets anders is dat de leer van marginale toetsing - ondanks de vele literatuur hierover - eigenlijk nog steeds niet is ingebed in een robuuste, diep uitgewerkte, breed aanvaarde theorie. Koelemeijer zegt dit laatste zo, rond de laatste eeuwwisseling: Uit het voorgaande kan al worden afgeleid dat de grondslag van de leer van de ‘marginale toetsing’ in Nederland niet bijzonder sterk is. Weliswaar heeft Borst in de jaren ‘60 getracht in Nederland diepgravender onderzoek over ‘marginale toetsing’ te entameren, maar die poging is in het voorbereidingsstadium blijven steken. (…) Het ontbreken van een, breed aanvaarde, theorie heeft echter geen gevolgen gehad voor de heersende leer met betrekking tot de ‘marginale toetsing’. Gelijk geschetst baseert de grote meerderheid van de auteurs zich daarbij op de stelling dat een beslissend orgaan ‘beleidsvrijheid’ toekomt. (…) 4.7.2 Dit wil overigens niet zeggen dat de leer, het concept, van marginale toetsing onverkort op juichende recensies kan rekenen. Zo plaatste Van der Grinten indertijd kanttekeningen erbij, al pleitte hij niet voor het verwerpen ervan. Timmerman daarentegen heeft onomwonden geschreven over een rommelig concept, dat verhuld verschillende soorten rechterlijke toetsing omvat en waarvan maar beter afscheid genomen wordt in het ondernemingsrecht, ten faveure van een andere benadering. De Wulf, een zuiderbuur, is een vergelijkbare opvatting toegedaan. Hij rept - op eloquente wijze, het moet gezegd - van een concept dat eigen is aan het Nederlandse taalgebied, en veelgeprezen, maar dat beter gebannen wordt, want verwarring veroorzaakt: De precieze inhoud van de marginale toetsing is (…) volkomen onduidelijk (…). (…) Vooral wekt de term de verkeerde indruk dat marginale toetsing verschilt van volle toetsing. (…) Er bestaat onduidelijkheid - althans: geen eensgezindheid in rechtsleer en rechtspraak - over de gevallen waarin marginaal getoetst kan/moet worden. (…) Het grootste bezwaar tegen marginale toetsing is evenwel dat het een overbodig en daarom verwarrend concept is. Bocken heeft op het eerste zicht ongetwijfeld gelijk waar hij stelt dat het gewone foutbegrip (…) niet meer wordt toegepast wanneer wordt aangenomen dat een norm slechts geschonden is wanneer de norm kennelijk geschonden moet zijn. In werkelijkheid evenwel moeten rechters steeds het gewone foutconcept toepassen. De marginale toetsing is slechts een ‘vaderlijke aanmaning’ niet te vlug een fout aan te nemen. (…) Dat marginale toetsing zich niet onderscheidt van volle toetsing, is eigenlijk een dogmatische noodzaak. (…) Steeds dient een rechter de regel toe te passen dat fout is, de lichtste afwijking van het gedrag dat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden zou ten toon gespreid hebben. Maar wat een redelijk mens zou doen, wordt nu precies door de omstandigheden bepaald. (…) Zoals reeds geargumenteerd is het concept marginale toetsing echter onzeker van inhoud en daarom geen effectieve begrenzer van rechterlijke beoordelingsvrijheid. 4.7.3 Wat is dan marginale toetsing, meer precies? Dit is geen onbelangrijke vraag. Een min of meer gebruikelijk geworden antwoord daarop in de privaatrechtelijke context luidt dat rechterlijke toetsing dan niet is uitgesloten, maar slechts beperkt dient plaats vinden, in tegenstelling tot vol(ledig). Een tussenfiguur derhalve, zoals de term - ‘marginale’ toetsing - taalkundig bezien ook impliceert. De achterliggende gedachte is dan in essentie dat voor zover de actor op het specifieke punt dat ter beoordeling voorligt noemenswaardige handelingsvrijheid toekomt, wat dikwijls samenhangt met aanwending en invulling van een discretionaire bevoegdheid van de actor, de rechter deze dient te respecteren door de handelwijze van de actor (zoals een besluit/beslissing) pas als ongeoorloofd aan te merken wanneer buiten kijf staat dat in de vastgestelde omstandigheden van die vrijheid zodanig gebruik is gemaakt dat dit naar objectieve maatstaven geen eerbiediging verdient in het recht. Eerst dan wijkt deze vrijheid van handelen van de actor, die bij marginale toetsing dus het vertrekpunt is. Daarbij oordeelt de rechter weliswaar in de regel achteraf over die handelwijze van de actor, maar uiteraard niet ‘met wijsheid achteraf’, want bezien vanuit de situatie zoals die voorlag ten tijde van dit handelen van de actor, oftewel kenbaar was voor de actor. Bij marginale toetsing gaat het niet erom of - in de woorden van Kroeze - in de gegeven omstandigheden een andere handelwijze, zoals een andere afweging van de in aanmerking komende belangen, volgens de rechter “beter” zou zijn geweest; wel of in de gegeven omstandigheden de door de actor gevolgde handelwijze, zoals de verrichte belangenafweging, de toets der kritiek kan doorstaan zonder dat de rechter daarbij zijn oordeel voor dat van de actor in de plaats stelt. 4.7.4 Het voorgaande laat zien dat marginale toetsing als concept niet erg scherp is ingekaderd. Het is veeleer ‘een manier van zeggen’, nogal algemeen verwoord, dat de rechterlijke toetsing terughoudend dient te zijn (wat zelf ook weinig scherp is ingekaderd). Toch is het concept van marginale toetsing niet zonder verdienste. Een sterke kant ervan is dat het onderkent dat beperkte toetsing, als uitzondering op de hoofdregel, een rechtvaardiging vergt. Een rechtvaardiging die doorgaans hangt op de aanwezigheid van een situatie waarin voor de actor niet één concrete, (min of meer) eenduidige handelwijze is voorgeschreven (een zwart/wit-regel die (zo ongeveer) zegt wat de juridisch geoorloofde gedragslijn is), maar hij, vanuit zijn rechtspositie, en in beginsel naar eigen inzicht, keuzes mag of moet maken ter invulling van zijn handelwijze, wat dus in beginsel op meer dan één rechtens toelaatbare wijze kan geschieden. Dit biedt, als vertrekpunt, enig analytisch houvast: speelt zo’n situatie, of niet? Illustratief is de rechtspraak over persoonlijke aansprakelijkheid van een faillissementscurator. Daarbij geldt dat voor zover de curator bij zijn taakuitoefening niet is gebonden aan regels, hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt, waarbij een terughoudende toetsing door de rechter past. Men zou hier van een vloeiende overgang kunnen spreken: naarmate een bepaalde handelwijze meer regelgebonden is, mag, in beginsel, de rechterlijke toetsing van die handelwijze in zoverre minder terughoudend zijn. Die verhouding moet per geval worden gezocht en bepaald. 4.7.5 Het concept van marginale toetsing verduidelijkt ook - m.i. een andere sterke kant ervan - dat naarmate de rechter het specifieke punt dat ter beoordeling voorligt beperkter dient te toetsen, hij meer aan buitengrenscontrole moet doen. Immers, ook dan geldt dat bij rechtsinbreuken de rechter mag zo niet moet interveniëren, maar doordat hier meer dan één (niet on)geoorloofde handelwijze kan bestaan, ontstaat een bepaalde beslissingsruimte (keuzevrijheid) voor de actor. Die ruimte is niet onbeperkt, want heeft een uiterste grens, een kantlijn, een marge. Die ruimte is dus relatief, want verhoudt zich tot die marge. Hier komt Dworkins ‘gat in de donut’-vergelijking in beeld. Marginale toetsing impliceert dat de rechter ter zake wel de marge van die ruimte bewaakt, maar niet daarbinnen treedt. Dit laatste vindt veelal uitdrukking doordat wordt getoetst niet aan een zwart/wit-regel, want die ontbreekt, maar aan een standaard met grijstinten en speling ten gunste van de actor, waarbij het dus niet de bedoeling is dat de rechter zijn oordeel voor dat van de actor in de plaats stelt. Hoe milder/rekkelijker de standaard voor de actor, des te royaler bemeten diens potentiële beslissingsruimte ter zake en des te minder snel de rechter dienaangaande tot een rechtsinbreuk kan concluderen. Doorstaat voornoemde punt een marginale toetsing, dan valt het binnen de beslissingsruimte van de actor en prevaleert hier diens handelingsvrijheid. Oftewel: dan zijn de piketpaaltjes dienaangaande geslagen.
Volledig
4.7.6 Bij het voorgaande past de nog steeds relevante observatie van Van der Grinten, in diens beschouwing over marginale toetsing van ruim een halve eeuw geleden, dat het inzake vragen van rechterlijke toetsing en de omvang van deze toetsing in de diepste kern gaat over vragen van maatschappijstructuur. Het strookt daarmee dat, in Löwensteyns gevleugelde woorden bij diens beschouwing over marginale toetsing van zo’n 15 jaar later: de rechter niet [moet] paraderen als hoogste zedemeester en allesweter. De rechter van ons recht is niet de wijze kadi - zelfs in Duizend en Eén Nacht te zeldzaam om er een rechtsstaat mee in te richten. En getuige de hiervoor besproken rechtspraak heeft de Nederlandse rechter kennelijk ook niet de ambitie als zodanig te poseren. In mijn waarneming is dit laatste, algemeen gesteld, tegenwoordig niet anders. Zoals we hierna zullen zien, valt m.i. ook de onderhavige zaak daarbinnen. 4.7.7 Er zijn wel aandachtspunten, los van wat ik aanstipte onder 4.7.2 hiervoor. 4.7.8 Zo is het concept van marginale toetsing sterk verknoopt geraakt met toetsing van de inhoud van een besluit/beslissing, zoals de door de actor verrichte afweging van de in aanmerking komende belangen, te onderscheiden van de voorbereiding (de totstandkoming) ervan waarbij de rechter minder beperkt zou mogen toetsen. Maar ook bij die voorbereiding van een besluit/beslissing kan aan de actor handelingsvrijheid toekomen, voor zover die voorbereiding niet regelgebonden is. , Zoals bij het bepalen van de te nemen tijd voor het nadenken over de te maken keuze en de behoefte aan nadere informatie in dit verband; dergelijke aspecten zijn doorgaans niet vastomlijnd en op voorhand gegeven, veeleer (goeddeels) afhankelijk van afwegingen en inschattingen. Een fixatie op inhoudelijk beperkte toetsing miskent dit en draagt het risico in zich van verkapt strengere inhoudelijke toetsing, onder het mom van een gebrekkige voorbereiding. Denkbaar is ook dat door een bepaalde omstandigheid een marginale toetsing toch niet is aangewezen, omdat die omstandigheid afdoet aan de in beginsel bestaande handelingsvrijheid van de actor en rechtvaardigt dat de rechter die voorbereiding en/of inhoud bepaald indringender toetst, waarbij mogelijk de eisen van zorgvuldigheid voor de actor worden opgeschroefd. Illustratief is de problematiek van tegenstrijdig belang bij bestuurders (en commissarissen) van rechtspersonen. Van het concept van marginale toetsing blijft dan in de beoordeling door de rechter al spoedig maar weinig, of zelfs niets, over. In die zin is dit concept fluïde te noemen. 4.7.9 Er valt meer te relativeren. Waar de beperkte toets in de sleutel staat van objectieve redelijkheid (heeft de actor, gegeven de omstandigheden toen, in redelijkheid niet aldus kunnen handelen?), wat vaak voorkomt, is wel sprake van een beoordelingsnorm, maar veelal op een algemeen, abstract niveau. Het kantelpunt van (niet on)redelijk naar onredelijk is niet min of meer een gegeven, maar moet telkens door de rechter gevonden worden in het concrete geval via een sterk feitelijke, multifactor analyse, uiteraard met inachtneming van hetgeen partijen hebben aangevoerd. Daarbij zij bedacht dat deze toets der kritiek aansluit op de sleutel waarin de handelwijze staat die dan wordt verwacht van de actor, dus in termen van gedragsnorm: een objectief redelijk gebruik van aanwezige handelingsvrijheid, dikwijls gekoppeld aan een maatpersoonactor. Zoals de praktijk ook wel laat zien, toetst de rechter dan in wezen de relevante aspecten integraal aan redelijkheid op basis van de vastgestelde omstandigheden en met oog voor het partijdebat. Met dien verstande dat hij - passend ook bij die beoordelingsnorm - niet te snel mag vaststellen dat de marge van die vrijheid is overschreden, dus dat het kantelpunt is gepasseerd: de in redelijkheid aan de aanwezige handelingsvrijheid te stellen grenzen moeten ‘kennelijk’ (in de zin van klaarblijkelijk) zijn overschreden. Dit laatste zal, zeker waar hanteerbare subcriteria ontbreken, in het concrete geval vooral reliëf (moeten) krijgen door de gegeven omstandigheden. Veelal zal een dergelijke rechterlijke toetsing betrekking hebben op de inhoud van een besluit/beslissing van een actor, maar die toetsing kan eveneens aangewezen zijn bij (aspecten van) de voorbereiding van zo’n besluit/beslissing, nu immers ook dienaangaande - zie onder 4.7.8 hiervoor - aan de actor handelingsvrijheid kan toekomen. 4.8 In deze zaak speelt art. 2:8 lid 1 BW een prominente rol (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW), zoals volgt uit 4.6-4.6.9 hiervoor. Daartoe wend ik mij nu. 4.8.1 Art. 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Dit is ook wel geplaatst in de sleutel van een zorgvuldigheidsplicht, al kan ook buiten het kader van art. 2:8 lid 1 BW sprake zijn van relevante zorgvuldigheidsplichten in de sfeer van de rechtspersoon. Het gaat bij art. 2:8 lid 1 BW in de kern om een algemene, open geformuleerde gedragsnorm voor deze personen. Dit moet worden onderscheiden van art. 2:8 lid 2 BW. Daaruit volgt dat een tussen de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Art. 2:8 BW is van dwingend recht. 4.8.2 Timmerman merkt over art. 2:8 lid 1 BW onder meer het volgende op: (…) art. 2:8 BW [mag] onder omstandigheden ruim worden uitgelegd. Dat geldt ook voor de daarin opgenomen begrenzingen. (…) Door zijn ruime reikwijdte is art. 2:8 BW het aanknopingspunt bij uitstek voor de toepassing van de redelijkheid en billijkheid in het rechtspersonenrecht. (…) In het geval van aanvullende werking [art. 2:8 lid 1 BW, A-G] geldt voor degene die op grond van art. 2:8 BW naar redelijkheid en billijkheid dient te handelen een extra uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting bovenop zijn reguliere wettelijke en statutaire plichten. Uiteindelijk beslist de rechter over het bestaan van zo’n extra verplichting. (…) Art. 2:8 BW bevat een open, algemene gedragsnorm die in uiteenlopende omstandigheden wordt toegepast. Zoals art. 3:12 BW aanduidt, zal toepassing van art. 2:8 BW vaak een afweging van met elkaar botsende, tegenstrijdige persoonlijke en maatschappelijke belangen door degene die aan art. 2:8 BW is gebonden vergen. Bij die afweging van botsende belangen geldt als maatstaf dat degene die belangen dient af te wegen een bepaald, in aanmerking te nemen belang niet onevenredig mag schaden. Als de belangenafweger deze grens respecteert, is hij vrij om de belangenafweging naar eigen inzicht te voltrekken. (…) Kroeze merkt fraai op dat de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW de betrokkenen bij een rechtspersoon tot een wederzijds welwillende houding verplicht (…). Anders gezegd: Art. 2:8 BW verlangt van de bij een rechtspersoon betrokkenen dat deze afhankelijk van de omstandigheden van het geval in meer of mindere mate met elkaars belangen rekening houden. Men kan hierin een toepassing van het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel zien. De uit art. 2:8 BW voortvloeiende verplichting naar redelijkheid en billijkheid te handelen kan jegens een groot aantal personen bestaan. In een rechtspersoon kunnen immers een veelheid van personen onderdak hebben gevonden. 4.8.3 Mede tegen die achtergrond rust bijvoorbeeld op bestuurders van een rechtspersoon de plicht bij hun taakvervulling zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de rechtspersoon en diens organisatie/onderneming zijn betrokken, welke plicht kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het belang van de rechtspersoon - hun centrale richtsnoer - ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al die betrokkenen niet onnodig of onevenredig worden geschaad.
Volledig
4.7.6 Bij het voorgaande past de nog steeds relevante observatie van Van der Grinten, in diens beschouwing over marginale toetsing van ruim een halve eeuw geleden, dat het inzake vragen van rechterlijke toetsing en de omvang van deze toetsing in de diepste kern gaat over vragen van maatschappijstructuur. Het strookt daarmee dat, in Löwensteyns gevleugelde woorden bij diens beschouwing over marginale toetsing van zo’n 15 jaar later: de rechter niet [moet] paraderen als hoogste zedemeester en allesweter. De rechter van ons recht is niet de wijze kadi - zelfs in Duizend en Eén Nacht te zeldzaam om er een rechtsstaat mee in te richten. En getuige de hiervoor besproken rechtspraak heeft de Nederlandse rechter kennelijk ook niet de ambitie als zodanig te poseren. In mijn waarneming is dit laatste, algemeen gesteld, tegenwoordig niet anders. Zoals we hierna zullen zien, valt m.i. ook de onderhavige zaak daarbinnen. 4.7.7 Er zijn wel aandachtspunten, los van wat ik aanstipte onder 4.7.2 hiervoor. 4.7.8 Zo is het concept van marginale toetsing sterk verknoopt geraakt met toetsing van de inhoud van een besluit/beslissing, zoals de door de actor verrichte afweging van de in aanmerking komende belangen, te onderscheiden van de voorbereiding (de totstandkoming) ervan waarbij de rechter minder beperkt zou mogen toetsen. Maar ook bij die voorbereiding van een besluit/beslissing kan aan de actor handelingsvrijheid toekomen, voor zover die voorbereiding niet regelgebonden is. , Zoals bij het bepalen van de te nemen tijd voor het nadenken over de te maken keuze en de behoefte aan nadere informatie in dit verband; dergelijke aspecten zijn doorgaans niet vastomlijnd en op voorhand gegeven, veeleer (goeddeels) afhankelijk van afwegingen en inschattingen. Een fixatie op inhoudelijk beperkte toetsing miskent dit en draagt het risico in zich van verkapt strengere inhoudelijke toetsing, onder het mom van een gebrekkige voorbereiding. Denkbaar is ook dat door een bepaalde omstandigheid een marginale toetsing toch niet is aangewezen, omdat die omstandigheid afdoet aan de in beginsel bestaande handelingsvrijheid van de actor en rechtvaardigt dat de rechter die voorbereiding en/of inhoud bepaald indringender toetst, waarbij mogelijk de eisen van zorgvuldigheid voor de actor worden opgeschroefd. Illustratief is de problematiek van tegenstrijdig belang bij bestuurders (en commissarissen) van rechtspersonen. Van het concept van marginale toetsing blijft dan in de beoordeling door de rechter al spoedig maar weinig, of zelfs niets, over. In die zin is dit concept fluïde te noemen. 4.7.9 Er valt meer te relativeren. Waar de beperkte toets in de sleutel staat van objectieve redelijkheid (heeft de actor, gegeven de omstandigheden toen, in redelijkheid niet aldus kunnen handelen?), wat vaak voorkomt, is wel sprake van een beoordelingsnorm, maar veelal op een algemeen, abstract niveau. Het kantelpunt van (niet on)redelijk naar onredelijk is niet min of meer een gegeven, maar moet telkens door de rechter gevonden worden in het concrete geval via een sterk feitelijke, multifactor analyse, uiteraard met inachtneming van hetgeen partijen hebben aangevoerd. Daarbij zij bedacht dat deze toets der kritiek aansluit op de sleutel waarin de handelwijze staat die dan wordt verwacht van de actor, dus in termen van gedragsnorm: een objectief redelijk gebruik van aanwezige handelingsvrijheid, dikwijls gekoppeld aan een maatpersoonactor. Zoals de praktijk ook wel laat zien, toetst de rechter dan in wezen de relevante aspecten integraal aan redelijkheid op basis van de vastgestelde omstandigheden en met oog voor het partijdebat. Met dien verstande dat hij - passend ook bij die beoordelingsnorm - niet te snel mag vaststellen dat de marge van die vrijheid is overschreden, dus dat het kantelpunt is gepasseerd: de in redelijkheid aan de aanwezige handelingsvrijheid te stellen grenzen moeten ‘kennelijk’ (in de zin van klaarblijkelijk) zijn overschreden. Dit laatste zal, zeker waar hanteerbare subcriteria ontbreken, in het concrete geval vooral reliëf (moeten) krijgen door de gegeven omstandigheden. Veelal zal een dergelijke rechterlijke toetsing betrekking hebben op de inhoud van een besluit/beslissing van een actor, maar die toetsing kan eveneens aangewezen zijn bij (aspecten van) de voorbereiding van zo’n besluit/beslissing, nu immers ook dienaangaande - zie onder 4.7.8 hiervoor - aan de actor handelingsvrijheid kan toekomen. 4.8 In deze zaak speelt art. 2:8 lid 1 BW een prominente rol (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW), zoals volgt uit 4.6-4.6.9 hiervoor. Daartoe wend ik mij nu. 4.8.1 Art. 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Dit is ook wel geplaatst in de sleutel van een zorgvuldigheidsplicht, al kan ook buiten het kader van art. 2:8 lid 1 BW sprake zijn van relevante zorgvuldigheidsplichten in de sfeer van de rechtspersoon. Het gaat bij art. 2:8 lid 1 BW in de kern om een algemene, open geformuleerde gedragsnorm voor deze personen. Dit moet worden onderscheiden van art. 2:8 lid 2 BW. Daaruit volgt dat een tussen de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde personen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Art. 2:8 BW is van dwingend recht. 4.8.2 Timmerman merkt over art. 2:8 lid 1 BW onder meer het volgende op: (…) art. 2:8 BW [mag] onder omstandigheden ruim worden uitgelegd. Dat geldt ook voor de daarin opgenomen begrenzingen. (…) Door zijn ruime reikwijdte is art. 2:8 BW het aanknopingspunt bij uitstek voor de toepassing van de redelijkheid en billijkheid in het rechtspersonenrecht. (…) In het geval van aanvullende werking [art. 2:8 lid 1 BW, A-G] geldt voor degene die op grond van art. 2:8 BW naar redelijkheid en billijkheid dient te handelen een extra uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting bovenop zijn reguliere wettelijke en statutaire plichten. Uiteindelijk beslist de rechter over het bestaan van zo’n extra verplichting. (…) Art. 2:8 BW bevat een open, algemene gedragsnorm die in uiteenlopende omstandigheden wordt toegepast. Zoals art. 3:12 BW aanduidt, zal toepassing van art. 2:8 BW vaak een afweging van met elkaar botsende, tegenstrijdige persoonlijke en maatschappelijke belangen door degene die aan art. 2:8 BW is gebonden vergen. Bij die afweging van botsende belangen geldt als maatstaf dat degene die belangen dient af te wegen een bepaald, in aanmerking te nemen belang niet onevenredig mag schaden. Als de belangenafweger deze grens respecteert, is hij vrij om de belangenafweging naar eigen inzicht te voltrekken. (…) Kroeze merkt fraai op dat de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW de betrokkenen bij een rechtspersoon tot een wederzijds welwillende houding verplicht (…). Anders gezegd: Art. 2:8 BW verlangt van de bij een rechtspersoon betrokkenen dat deze afhankelijk van de omstandigheden van het geval in meer of mindere mate met elkaars belangen rekening houden. Men kan hierin een toepassing van het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel zien. De uit art. 2:8 BW voortvloeiende verplichting naar redelijkheid en billijkheid te handelen kan jegens een groot aantal personen bestaan. In een rechtspersoon kunnen immers een veelheid van personen onderdak hebben gevonden. 4.8.3 Mede tegen die achtergrond rust bijvoorbeeld op bestuurders van een rechtspersoon de plicht bij hun taakvervulling zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de rechtspersoon en diens organisatie/onderneming zijn betrokken, welke plicht kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het belang van de rechtspersoon - hun centrale richtsnoer - ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al die betrokkenen niet onnodig of onevenredig worden geschaad.
Volledig
Zoiets vergt onder meer dat de bestuurders die in aanmerking komende belangen identificeren en betrekken in de besluitvorming met inachtneming van de relevante omstandigheden, daarbij wakend voor een uitkomst waarbij de afweging van de betrokken belangen onnodig of onevenredig ten koste gaat van een of meer van die betrokkenen. Dit is toetsbaar in rechte, bijvoorbeeld in het kader van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. 4.8.4 Aangenomen wordt - het vindt bevestiging in Hoge Raad-rechtspraak - dat de rechter in uitgangspunt terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Met Van Schilfgaarde kan worden gezegd dat dit “niet speciaal [is] toegesneden op” de toepassing van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW (in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW), want bijvoorbeeld ook relevant lijkt voor het enquêterecht, en dat de mate van de in deze context door de rechter in acht te nemen terughoudendheid “afhankelijk [is] van de omstandigheden van het geval (en uiteraard het te dier zake door partijen aangevoerde).” Dat in die door de rechter te betrachten terughoudendheid het concept van marginale toetsing doorklinkt, lijdt intussen geen twijfel. 4.8.5 Nog iets over art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. De daarin vervatte maatstaf (“strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist”) bestrijkt toetsing aan naleving van de in art. 2:8 lid 1 BW neergelegde gedragsnorm en is niet dezelfde als die van art. 2:8 lid 2 BW, welke bepaling een eigenstandig criterium bevat (“naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar”) dat strenger is dan die maatstaf. De voornoemde terughoudendheid die in uitgangspunt van de rechter wordt gevraagd, zoals bij de beoordeling of die gedragsnorm in het voorliggende geval is nageleefd bij het afwegen door (het desbetreffende orgaan van) de rechtspersoon van de in aanmerking komende belangen, is van een andere orde dan de terughoudendheid die in het algemeen is vereist bij de toepassing van art. 2:8 lid 2 BW als zodanig en maakt niet dat langs die weg de drempel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW over de hele linie wordt opgetrokken tot een niveau vergelijkbaar met dat strengere criterium van art. 2:8 lid 2 BW. 4.8.6 Een succesvol beroep op art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW vergt dat de vastgestelde omstandigheden van dien aard zijn dat, ook bij een terughoudende rechterlijke toetsing, vernietiging van het desbetreffende besluit op die grond aangewezen is. Ik betrek daarbij art. 3:12 BW in verbinding met art. 3:15 BW, waaruit volgt dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eist, ook die als bedoeld in art. 2:8 BW, mede rekening “moet” worden gehouden - juist ook door de rechter, en gezien het partijdebat - met persoonlijke belangen die in de desbetreffende zaak betrokken zijn. Vordert bijvoorbeeld een lid van een vereniging op inhoudelijke gronden vernietiging op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW van een besluit van een orgaan van de vereniging, dan resulteren enerzijds de te betrachten terughoudendheid door de rechter en anderzijds de verplichting van (dat orgaan van) de vereniging alle betrokken belangen af te wegen naar redelijkheid en billijkheid en met voldoende zorgvuldigheid erin, dat voor de rechter van groot belang zal zijn of in de gegeven omstandigheden dat besluit kenbaar de gerechtvaardigde belangen van dat lid schade toebrengt die onnodig, onevenredig of anderszins kennelijk onredelijk jegens dat lid is. 4.8.7 Het voorgaande maakt genoegzaam duidelijk dat (een orgaan van) een rechtspersoon bij het nemen van een besluit rechtens niet het laatste woord heeft of dat besluit voldoet aan hetgeen de redelijkheid en billijkheid in dat geval vordert op grond van art. 2:8 lid 1 BW, nu dit laatste toetsbaar is in rechte. Ik citeer Timmerman nog eens: (…) De redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW is een dwingende gedragsnorm voor de bij een rechtspersoon betrokkenen. Art. 2:8 BW is in de praktijk een flexibele norm. Bij datgene wat de redelijkheid en billijkheid in een bepaald geval vereist, spelen onder andere de omstandigheden van het geval een belangrijke rol. Door zijn buigzaamheid is art. 2:8 BW minder een dwingend keurslijf dan men wellicht op het eerste gezicht zou verwachten. De toepassing van art. 2:8 BW staat uiteindelijk ter beoordeling van de rechter. Die geeft aan wat de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval vereist. Voor de toepassing van art. 2:8 BW geeft art. 3:12 BW enige houvast aan de rechter en aan de betrokken partijen. (…) Het zich gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid is een zelfstandig na te leven verbintenis uit de wet en daarmee een rechtsplicht waarvan naleving in rechte kan worden gevorderd. 4.8.8 Het verrast niet dat het Nederlandse rechtspersonenrecht zo functioneert. Immers, de mogelijkheid voor een rechtspersoon om via een orgaan besluiten te nemen, geeft een ‘in beginsel’ vrijheid daartoe. Een vrijheid die mede begrensd wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en de bescherming die betrokkenen bij de organisatie van de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:8 BW daaraan kunnen ontlenen, zo nodig in rechte. Zou het anders zijn, dan zou een reëel gat ontstaan in de rechtsbescherming binnen het rechtspersonenrecht. Dat zou zich ook niet verdragen met de functie daarbinnen van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, niet voor niets wel een grondnorm, een fundament, van ons rechtspersonenrecht genoemd. - Terug naar het subonderdeel 4.9 Dan bezie ik nu het subonderdeel nader, met inachtneming van 4.6-4.8.8 hiervoor. 4.10 Ik begin met de onder 4.4.1 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.10.1 Daarin stelt het subonderdeel voorop dat aan organen van een vereniging zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie , mede gelet op hun aard, (een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toekomt bij het nemen van besluiten als de onderhavige. 4.10.2 Deze stelling, die abstraheert van het concrete, hier voorliggende geval, ziet eraan voorbij dat niet in algemene zin gezegd kan worden dat aan dergelijke organen “(een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toekomt” bij het nemen van dergelijke besluiten. In hoeverre dit laatste opgeld doet, wordt in de kern situationeel bepaald. Daarbij is bijvoorbeeld relevant om welk specifieke aspect van het handelen van het orgaan het gaat, in hoeverre daarbij sprake is van regelgebondenheid en of er, ingeval van in beginsel handelingsvrijheid, omstandigheden zijn die alsnog deze vrijheid inperken en een minder of niet terughoudende opstelling van de rechter aangewezen maken. Dit geldt ook als het juridische kader bestaat uit art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Kortom, de hier door het subonderdeel voorgestane rechtsregel bestaat in werkelijkheid niet, want is te categorisch. Het hof verliest dit niet uit het oog in het bestreden oordeel. 4.10.3 Vervolgens poneert het subonderdeel hier, onder verwijzing naar de stelling onder 4.10.1 hiervoor, dat “[d]ie (ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte” onder meer meebrengt dat de bedoelde besluiten niet met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen worden aangetast op de grond dat over de juistheid van die besluiten verschillend kan worden gedacht of alternatieven voorhanden waren. En dat een besluit ook niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, omdat een ander besluit beter zou zijn geweest of meer voor de hand zou hebben gelegen. 4.10.4 Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.10.1 hiervoor bedoelde stelling, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, en wel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
Volledig
Zoiets vergt onder meer dat de bestuurders die in aanmerking komende belangen identificeren en betrekken in de besluitvorming met inachtneming van de relevante omstandigheden, daarbij wakend voor een uitkomst waarbij de afweging van de betrokken belangen onnodig of onevenredig ten koste gaat van een of meer van die betrokkenen. Dit is toetsbaar in rechte, bijvoorbeeld in het kader van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. 4.8.4 Aangenomen wordt - het vindt bevestiging in Hoge Raad-rechtspraak - dat de rechter in uitgangspunt terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Met Van Schilfgaarde kan worden gezegd dat dit “niet speciaal [is] toegesneden op” de toepassing van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW (in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW), want bijvoorbeeld ook relevant lijkt voor het enquêterecht, en dat de mate van de in deze context door de rechter in acht te nemen terughoudendheid “afhankelijk [is] van de omstandigheden van het geval (en uiteraard het te dier zake door partijen aangevoerde).” Dat in die door de rechter te betrachten terughoudendheid het concept van marginale toetsing doorklinkt, lijdt intussen geen twijfel. 4.8.5 Nog iets over art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW. De daarin vervatte maatstaf (“strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist”) bestrijkt toetsing aan naleving van de in art. 2:8 lid 1 BW neergelegde gedragsnorm en is niet dezelfde als die van art. 2:8 lid 2 BW, welke bepaling een eigenstandig criterium bevat (“naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar”) dat strenger is dan die maatstaf. De voornoemde terughoudendheid die in uitgangspunt van de rechter wordt gevraagd, zoals bij de beoordeling of die gedragsnorm in het voorliggende geval is nageleefd bij het afwegen door (het desbetreffende orgaan van) de rechtspersoon van de in aanmerking komende belangen, is van een andere orde dan de terughoudendheid die in het algemeen is vereist bij de toepassing van art. 2:8 lid 2 BW als zodanig en maakt niet dat langs die weg de drempel van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW over de hele linie wordt opgetrokken tot een niveau vergelijkbaar met dat strengere criterium van art. 2:8 lid 2 BW. 4.8.6 Een succesvol beroep op art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW vergt dat de vastgestelde omstandigheden van dien aard zijn dat, ook bij een terughoudende rechterlijke toetsing, vernietiging van het desbetreffende besluit op die grond aangewezen is. Ik betrek daarbij art. 3:12 BW in verbinding met art. 3:15 BW, waaruit volgt dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eist, ook die als bedoeld in art. 2:8 BW, mede rekening “moet” worden gehouden - juist ook door de rechter, en gezien het partijdebat - met persoonlijke belangen die in de desbetreffende zaak betrokken zijn. Vordert bijvoorbeeld een lid van een vereniging op inhoudelijke gronden vernietiging op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW van een besluit van een orgaan van de vereniging, dan resulteren enerzijds de te betrachten terughoudendheid door de rechter en anderzijds de verplichting van (dat orgaan van) de vereniging alle betrokken belangen af te wegen naar redelijkheid en billijkheid en met voldoende zorgvuldigheid erin, dat voor de rechter van groot belang zal zijn of in de gegeven omstandigheden dat besluit kenbaar de gerechtvaardigde belangen van dat lid schade toebrengt die onnodig, onevenredig of anderszins kennelijk onredelijk jegens dat lid is. 4.8.7 Het voorgaande maakt genoegzaam duidelijk dat (een orgaan van) een rechtspersoon bij het nemen van een besluit rechtens niet het laatste woord heeft of dat besluit voldoet aan hetgeen de redelijkheid en billijkheid in dat geval vordert op grond van art. 2:8 lid 1 BW, nu dit laatste toetsbaar is in rechte. Ik citeer Timmerman nog eens: (…) De redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW is een dwingende gedragsnorm voor de bij een rechtspersoon betrokkenen. Art. 2:8 BW is in de praktijk een flexibele norm. Bij datgene wat de redelijkheid en billijkheid in een bepaald geval vereist, spelen onder andere de omstandigheden van het geval een belangrijke rol. Door zijn buigzaamheid is art. 2:8 BW minder een dwingend keurslijf dan men wellicht op het eerste gezicht zou verwachten. De toepassing van art. 2:8 BW staat uiteindelijk ter beoordeling van de rechter. Die geeft aan wat de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval vereist. Voor de toepassing van art. 2:8 BW geeft art. 3:12 BW enige houvast aan de rechter en aan de betrokken partijen. (…) Het zich gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid is een zelfstandig na te leven verbintenis uit de wet en daarmee een rechtsplicht waarvan naleving in rechte kan worden gevorderd. 4.8.8 Het verrast niet dat het Nederlandse rechtspersonenrecht zo functioneert. Immers, de mogelijkheid voor een rechtspersoon om via een orgaan besluiten te nemen, geeft een ‘in beginsel’ vrijheid daartoe. Een vrijheid die mede begrensd wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en de bescherming die betrokkenen bij de organisatie van de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:8 BW daaraan kunnen ontlenen, zo nodig in rechte. Zou het anders zijn, dan zou een reëel gat ontstaan in de rechtsbescherming binnen het rechtspersonenrecht. Dat zou zich ook niet verdragen met de functie daarbinnen van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, niet voor niets wel een grondnorm, een fundament, van ons rechtspersonenrecht genoemd. - Terug naar het subonderdeel 4.9 Dan bezie ik nu het subonderdeel nader, met inachtneming van 4.6-4.8.8 hiervoor. 4.10 Ik begin met de onder 4.4.1 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.10.1 Daarin stelt het subonderdeel voorop dat aan organen van een vereniging zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie , mede gelet op hun aard, (een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toekomt bij het nemen van besluiten als de onderhavige. 4.10.2 Deze stelling, die abstraheert van het concrete, hier voorliggende geval, ziet eraan voorbij dat niet in algemene zin gezegd kan worden dat aan dergelijke organen “(een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toekomt” bij het nemen van dergelijke besluiten. In hoeverre dit laatste opgeld doet, wordt in de kern situationeel bepaald. Daarbij is bijvoorbeeld relevant om welk specifieke aspect van het handelen van het orgaan het gaat, in hoeverre daarbij sprake is van regelgebondenheid en of er, ingeval van in beginsel handelingsvrijheid, omstandigheden zijn die alsnog deze vrijheid inperken en een minder of niet terughoudende opstelling van de rechter aangewezen maken. Dit geldt ook als het juridische kader bestaat uit art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Kortom, de hier door het subonderdeel voorgestane rechtsregel bestaat in werkelijkheid niet, want is te categorisch. Het hof verliest dit niet uit het oog in het bestreden oordeel. 4.10.3 Vervolgens poneert het subonderdeel hier, onder verwijzing naar de stelling onder 4.10.1 hiervoor, dat “[d]ie (ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte” onder meer meebrengt dat de bedoelde besluiten niet met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen worden aangetast op de grond dat over de juistheid van die besluiten verschillend kan worden gedacht of alternatieven voorhanden waren. En dat een besluit ook niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, omdat een ander besluit beter zou zijn geweest of meer voor de hand zou hebben gelegen. 4.10.4 Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.10.1 hiervoor bedoelde stelling, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, en wel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
Volledig
In het bestreden oordeel zegt het hof immers - en terecht - niet dat bedoelde besluiten met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 lid 1 BW) kunnen worden aangetast op de grond dat over de juistheid van die besluiten verschillend kan worden gedacht, alternatieven voorhanden waren, dan wel een ander besluit beter zou zijn geweest of meer voor de hand zou hebben gelegen. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. 4.10.5 Tot slot voert het subonderdeel hier aan, kennelijk weer aansluitend op de stelling onder 4.10.3 hiervoor: - dat ook de beoordeling en weging van de (mate van) verwijtbaarheid van een overtreding, en de vraag of (en in hoeverre) die een dragende grond is of kan zijn voor het opleggen (of bekrachtigen) van een bepaalde maatregel of sanctie, binnen die beleids- en beoordelingsruimte van organen zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie valt; - dat hetzelfde geldt voor de beoordeling en weging welke maatregel/sanctie passend en geboden is en of mogelijk een mildere of voorwaardelijke maatregel/sanctie volstaat; - dat hetzelfde geldt voor de vraag of in een bepaald geval is voldaan aan bepaalde begrippen (en de normen waarvan die begrippen onderdeel vormen) in een door die organen te hanteren reglement, in het bijzonder ‘open’ of ‘vage’ begrippen (normen). 4.10.6 In zoverre loopt het subonderdeel reeds vast in lijn met 4.10.2 hiervoor. Anders dan zij met dit betoog wil, kan hoe dan ook niet in algemene zin gezegd worden dat aan organen zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die beleids- en beoordelingsruimte toekomt en de hier door het subonderdeel aangestipte aspecten binnen die ruimte vallen. Zo’n regel bestaat evenmin. Dit klemt te meer als het subonderdeel hier - met dat ‘vallen binnen die ruimte’ - bedoelt dat dit zou meebrengen dat dergelijke aspecten op voorhand zijn onttrokken aan (zelfs een marginale) toetsing door de rechter, en aldus zijn voorbehouden aan het orgaan in kwestie. Zo zit het recht niet in elkaar. Zie overigens mede onder 4.11.5, 4.19.3 en 4.20.1(-4.20.5) hierna, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Het hof verliest ook dit een en ander niet uit het oog in het bestreden oordeel. 4.11 Dan de onder 4.4.2 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.11.1 Daarin stelt het subonderdeel voorop dat bij het voorgaande van belang is dat de besluiten van de bedoelde organen mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval. En dat het niet aan de rechter is om deze afwegingen en beoordelingen zelf te maken (en die in de plaats te stellen van die van de bedoelde organen). 4.11.2 Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, en wel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. In het bestreden oordeel miskent het hof immers juist niet dat dergelijke besluiten mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval. Evenmin brengt het hof daar tot uitdrukking dat het aan het hof is om deze afwegingen en beoordelingen zelf te maken (en die in de plaats te stellen van die van de bedoelde organen). Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. 4.11.3 Tot slot voert het subonderdeel hier aan (i) dat in ieder geval de rechter zich terughoudend moet opstellen tot de door deze organen gemaakte afwegingen en beoordelingen. En (ii) dat het dus ook niet aan de rechter is om die afwegingen en beoordelingen intensief te toetsen en bijvoorbeeld de hiervoor bedoelde overtredingen op allerlei (detail)punten te relativeren, te nuanceren en daarbij kanttekeningen te plaatsen. 4.11.4 Ten aanzien van (i) geldt dat dit in zijn algemeenheid onjuist is, zoals reeds volgt uit 4.10.2 hiervoor. Het hof verliest dit niet uit het oog in het bestreden oordeel. 4.11.5 Voor zover (ii) voortbouwt op (i) mist dit om dezelfde reden doel. Ook los daarvan gaat (ii) niet op. Bij een marginale toetsing geldt evenzeer dat de rechter acht slaat op de relevante omstandigheden van het geval, waaronder de betrokken belangen. Daarbij mag de rechter bijvoorbeeld, met inachtneming ook van het partijdebat, bezien in hoeverre een bepaald punt (zoals een overtreding) feitelijke grondslag heeft, dit punt plaatsen in de bredere context van de voorliggende situatie en daaraan feitelijk gegronde, in de rede liggende gevolgtrekkingen verbinden. Dit lijkt mij onderdeel van de rechterlijke taak. Iets anders is dat waar de toetsing een marginaal karakter heeft, de rechter terughoudend moet zijn met het bevestigend beantwoorden van de vraag of in de gegeven omstandigheden het besluit van de actor in kwestie naar objectieve maatstaven - zoals art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) - geen eerbiediging verdient in het recht, bijvoorbeeld omdat de aan dit besluit ten grondslag liggende belangenafweging door de actor kennelijk onredelijk is. Dit een en ander verliest het hof evenmin uit het oog in het bestreden oordeel. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. In het bestreden oordeel lees ik trouwens niet dat het hof bepaalde overtredingen van Vitesse (althans volgens de KNVB) op allerlei (detail)punten overmatig relativeert, nuanceert en van kanttekeningen voorziet. 4.12 Dan de onder 4.4.3 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.12.1 Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1-4.4.2 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, gelet op het volgende. 4.12.2 Ik begin met (i). In het bestreden oordeel gaat het hof ervan uit dat voor zover een marginale toetsing hier is aangewezen, en dat is in beginsel zo bij de onderhavige toepassing van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW), er geen sprake is van een omstandigheid die maakt dat de toetsing slechts verminderd marginaal is, dus minder marginaal dan de toetsing zonder die omstandigheid zou zijn geweest. Zo lees ik nergens dat volgens het hof de toetsing toch verminderd marginaal is, omdat de Licentiecommissie en/of de Beroepscommissie niet onafhankelijk zou(den) zijn dan wel omdat Vitesse niet aan de onderhavige besluiten zou zijn gebonden. Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist dit dus feitelijke grondslag. Ook overigens loopt (i) vast: evenzeer terecht gaat het hof niet ervan uit dat waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, deze, in een geval als het onderhavige, éxtra-marginaal wordt - dus nog weer bóven het normaaltype, marginaal- plus zo gezegd - indien het orgaan volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging onafhankelijk is en/of de geadresseerde van het besluit volgens die regelingen aan dat besluit is gebonden. Wederom: zo zit het recht niet in elkaar. 4.12.3 Dan (ii). Dit loopt vast in lijn met (i). Ik lees nergens in het bestreden oordeel dat volgens het hof de onderhavige toetsing bij de toepassing van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) toch verminderd marginaal is, omdat de Beroepscommissie bij of krachtens de statuten en/of reglementen van de KNVB is belast met een rechtsprekende taak en als zodanig besluit (uitspraak doet) over voor beroep vatbare besluiten van de Licentiecommissie, een ander orgaan van de KNVB. En evenzeer terecht gaat het hof niet ervan uit dat waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, deze, in een geval als het onderhavige, éxtra-marginaal wordt indien het orgaan volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging is belast met zo’n rechtsprekende taak. 4.13 Tot slot de onder 4.4.4 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.13.1 Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1-4.4.3 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat. 4.13.2 Ook overigens mist het subonderdeel hier doel.
Volledig
In het bestreden oordeel zegt het hof immers - en terecht - niet dat bedoelde besluiten met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 lid 1 BW) kunnen worden aangetast op de grond dat over de juistheid van die besluiten verschillend kan worden gedacht, alternatieven voorhanden waren, dan wel een ander besluit beter zou zijn geweest of meer voor de hand zou hebben gelegen. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. 4.10.5 Tot slot voert het subonderdeel hier aan, kennelijk weer aansluitend op de stelling onder 4.10.3 hiervoor: - dat ook de beoordeling en weging van de (mate van) verwijtbaarheid van een overtreding, en de vraag of (en in hoeverre) die een dragende grond is of kan zijn voor het opleggen (of bekrachtigen) van een bepaalde maatregel of sanctie, binnen die beleids- en beoordelingsruimte van organen zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie valt; - dat hetzelfde geldt voor de beoordeling en weging welke maatregel/sanctie passend en geboden is en of mogelijk een mildere of voorwaardelijke maatregel/sanctie volstaat; - dat hetzelfde geldt voor de vraag of in een bepaald geval is voldaan aan bepaalde begrippen (en de normen waarvan die begrippen onderdeel vormen) in een door die organen te hanteren reglement, in het bijzonder ‘open’ of ‘vage’ begrippen (normen). 4.10.6 In zoverre loopt het subonderdeel reeds vast in lijn met 4.10.2 hiervoor. Anders dan zij met dit betoog wil, kan hoe dan ook niet in algemene zin gezegd worden dat aan organen zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die beleids- en beoordelingsruimte toekomt en de hier door het subonderdeel aangestipte aspecten binnen die ruimte vallen. Zo’n regel bestaat evenmin. Dit klemt te meer als het subonderdeel hier - met dat ‘vallen binnen die ruimte’ - bedoelt dat dit zou meebrengen dat dergelijke aspecten op voorhand zijn onttrokken aan (zelfs een marginale) toetsing door de rechter, en aldus zijn voorbehouden aan het orgaan in kwestie. Zo zit het recht niet in elkaar. Zie overigens mede onder 4.11.5, 4.19.3 en 4.20.1(-4.20.5) hierna, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Het hof verliest ook dit een en ander niet uit het oog in het bestreden oordeel. 4.11 Dan de onder 4.4.2 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.11.1 Daarin stelt het subonderdeel voorop dat bij het voorgaande van belang is dat de besluiten van de bedoelde organen mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval. En dat het niet aan de rechter is om deze afwegingen en beoordelingen zelf te maken (en die in de plaats te stellen van die van de bedoelde organen). 4.11.2 Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, en wel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. In het bestreden oordeel miskent het hof immers juist niet dat dergelijke besluiten mede afhangen van beleidsmatige afwegingen en feitelijke beoordelingen in verband met de omstandigheden van het geval. Evenmin brengt het hof daar tot uitdrukking dat het aan het hof is om deze afwegingen en beoordelingen zelf te maken (en die in de plaats te stellen van die van de bedoelde organen). Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. 4.11.3 Tot slot voert het subonderdeel hier aan (i) dat in ieder geval de rechter zich terughoudend moet opstellen tot de door deze organen gemaakte afwegingen en beoordelingen. En (ii) dat het dus ook niet aan de rechter is om die afwegingen en beoordelingen intensief te toetsen en bijvoorbeeld de hiervoor bedoelde overtredingen op allerlei (detail)punten te relativeren, te nuanceren en daarbij kanttekeningen te plaatsen. 4.11.4 Ten aanzien van (i) geldt dat dit in zijn algemeenheid onjuist is, zoals reeds volgt uit 4.10.2 hiervoor. Het hof verliest dit niet uit het oog in het bestreden oordeel. 4.11.5 Voor zover (ii) voortbouwt op (i) mist dit om dezelfde reden doel. Ook los daarvan gaat (ii) niet op. Bij een marginale toetsing geldt evenzeer dat de rechter acht slaat op de relevante omstandigheden van het geval, waaronder de betrokken belangen. Daarbij mag de rechter bijvoorbeeld, met inachtneming ook van het partijdebat, bezien in hoeverre een bepaald punt (zoals een overtreding) feitelijke grondslag heeft, dit punt plaatsen in de bredere context van de voorliggende situatie en daaraan feitelijk gegronde, in de rede liggende gevolgtrekkingen verbinden. Dit lijkt mij onderdeel van de rechterlijke taak. Iets anders is dat waar de toetsing een marginaal karakter heeft, de rechter terughoudend moet zijn met het bevestigend beantwoorden van de vraag of in de gegeven omstandigheden het besluit van de actor in kwestie naar objectieve maatstaven - zoals art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) - geen eerbiediging verdient in het recht, bijvoorbeeld omdat de aan dit besluit ten grondslag liggende belangenafweging door de actor kennelijk onredelijk is. Dit een en ander verliest het hof evenmin uit het oog in het bestreden oordeel. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. In het bestreden oordeel lees ik trouwens niet dat het hof bepaalde overtredingen van Vitesse (althans volgens de KNVB) op allerlei (detail)punten overmatig relativeert, nuanceert en van kanttekeningen voorziet. 4.12 Dan de onder 4.4.3 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.12.1 Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1-4.4.2 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat. Ook overigens mist het subonderdeel hier doel, gelet op het volgende. 4.12.2 Ik begin met (i). In het bestreden oordeel gaat het hof ervan uit dat voor zover een marginale toetsing hier is aangewezen, en dat is in beginsel zo bij de onderhavige toepassing van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW), er geen sprake is van een omstandigheid die maakt dat de toetsing slechts verminderd marginaal is, dus minder marginaal dan de toetsing zonder die omstandigheid zou zijn geweest. Zo lees ik nergens dat volgens het hof de toetsing toch verminderd marginaal is, omdat de Licentiecommissie en/of de Beroepscommissie niet onafhankelijk zou(den) zijn dan wel omdat Vitesse niet aan de onderhavige besluiten zou zijn gebonden. Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist dit dus feitelijke grondslag. Ook overigens loopt (i) vast: evenzeer terecht gaat het hof niet ervan uit dat waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, deze, in een geval als het onderhavige, éxtra-marginaal wordt - dus nog weer bóven het normaaltype, marginaal- plus zo gezegd - indien het orgaan volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging onafhankelijk is en/of de geadresseerde van het besluit volgens die regelingen aan dat besluit is gebonden. Wederom: zo zit het recht niet in elkaar. 4.12.3 Dan (ii). Dit loopt vast in lijn met (i). Ik lees nergens in het bestreden oordeel dat volgens het hof de onderhavige toetsing bij de toepassing van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) toch verminderd marginaal is, omdat de Beroepscommissie bij of krachtens de statuten en/of reglementen van de KNVB is belast met een rechtsprekende taak en als zodanig besluit (uitspraak doet) over voor beroep vatbare besluiten van de Licentiecommissie, een ander orgaan van de KNVB. En evenzeer terecht gaat het hof niet ervan uit dat waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, deze, in een geval als het onderhavige, éxtra-marginaal wordt indien het orgaan volgens de statuten en/of reglementen van de vereniging is belast met zo’n rechtsprekende taak. 4.13 Tot slot de onder 4.4.4 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.13.1 Dienaangaande mist het subonderdeel doel voor zover zij voortbouwt op de onder 4.4.1-4.4.3 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus niet opgaat. 4.13.2 Ook overigens mist het subonderdeel hier doel.
Volledig
Dat sprake is van een kortgedingprocedure tot schorsing van de onderhavige besluiten betekent wél dat het hof hier, ook waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, moet beoordelen of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze besluiten op een of meer van de in art. 2:15 lid 1 BW genoemde gronden vernietigbaar zijn (dit bezien naar de toestand ten tijde van die besluiten). Dat sprake is van zo’n kortgedingprocedure betekent níet dat het marginale gehalte van die toetsing als zodanig daardoor alsnog vermindert of juist toeneemt. Iets anders is (dus) dat het hof bij die te beoordelen aannemelijkheid zich rekenschap ervan moet geven dat in een kortgedingprocedure de mogelijkheden voor feitenonderzoek en bewijsgaring beperkter zijn dan in een bodemprocedure. Dit laatste vergt een zekere mate van ‘bescheidenheid’ bij het hof, oordelend als kortgedingrechter, maar dit is wel te onderscheiden van dat marginale gehalte van die toetsing als zodanig. Het hof verliest ook dit een en ander niet uit het oog in het bestreden oordeel. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. 4.14 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking. 4.15 Subonderdeel 1.2 stelt dat het hof in rov. 4.9-4.107 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toepast. Het hof is op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten. Dit zou, kort samengevat, blijken uit het volgende. a. De overweging in rov. 2.5 en 4.10 dat het hof een deel van de aan Vitesse verweten “overtredingen” van informatieverplichtingen (wezenlijk) “anders” “beoordeelt”. b. Bepaalde oordelen van het hof in rov. 4.39, 4.68, 4.73, 4.79, 4.80, 4.100 en 4.106. c. Relativeringen en nuanceringen door het hof van, en kanttekeningen van het hof bij, de overtredingen van Vitesse. Gewezen wordt op passages in rov. 4.53-4.54, 4.76 en 4.79. d. In zijn algemeenheid: het detailniveau waarop, en de intensiteit waarmee, het hof in rov. 4.9-4.107 de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie heeft getoetst en de feiten en omstandigheden van dit geval zelf (‘vol’) heeft beoordeeld en gewogen. Behandeling 4.16 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.17 Voor zover zij voortbouwt op subonderdeel 1.1, dat dus faalt, treft het subonderdeel hetzelfde lot. Dit behoeft geen verdere toelichting. 4.18 Ook overigens mist het subonderdeel doel. Anders dan zij in wezen betoogt, is het hof in het bestreden oordeel niet ‘op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten’. Het tegendeel blijkt niet uit hetgeen het subonderdeel aanvoert onder a t/m d. 4.19 Eerst onder a . 4.19.1 Het klopt dat het hof in rov. 2.5, tweede gedachtestreepje van het arrest onder meer overweegt dat het een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen anders beoordeelt. En dat het hof in rov. 4.10 onder meer overweegt dat het een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen, wezenlijk anders beoordeelt. 4.19.2 Wat het hof daarmee bedoelt, volgt uit rov. 4.12-4.80, in het bijzonder rov. 4.74-4.77. Dit komt erop neer dat de daar behandelde opsomming van overtredingen zoals betrokken door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, naar ’s hofs voorlopige oordeel onvoldoende grond geeft voor het oordeel: - dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen, en dat sprake is van een patroon van schending van haar informatieplicht dat zich na (3) augustus 2024 heeft voortgezet (rov. 4.76); - dat Vitesse wat betreft het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses het patroon niet sinds de afsluiting van het boekjaar 2023/24 heeft doorbroken, maar heeft voortgezet tot in de beroepsprocedure (rov. 4.77). 4.19.3 Onder 4.11.5 hiervoor merkte ik al op dat bij een marginale toetsing evenzeer geldt dat de rechter acht slaat op de relevante omstandigheden van het geval, waaronder de betrokken belangen. En dat de rechter daarbij bijvoorbeeld, met inachtneming ook van het partijdebat, mag bezien in hoeverre een bepaald punt (zoals een overtreding) feitelijke grondslag heeft, dit punt mag plaatsen in de bredere context van de voorliggende situatie en daaraan feitelijk gegronde, in de rede liggende gevolgtrekkingen mag verbinden. Dit een en ander in kort geding met de onder 4.13.2 hiervoor bedoelde ‘bescheidenheid’. Wat het hof doet met zijn onder 4.19.1-4.19.2 hiervoor bedoelde, sterk feitelijk gemotiveerde overwegingen valt daar binnen. Ik zie niet wat daar mis mee is. Van rechtens ontoelaatbaar ‘betweten’ door het hof is hier geen sprake, van een onbegrijpelijk oordeel trouwens evenmin. Zie ook onder 4.11.5 hiervoor, waar ik al erop wees in het bestreden oordeel niet te lezen is dat het hof bepaalde overtredingen van Vitesse (althans volgens de KNVB) op allerlei (detail)punten overmatig relativeert, nuanceert en van kanttekeningen voorziet. 4.20 Dan onder b . 4.20.1 Het kernprobleem is hier dat het subonderdeel zich richt tegen rov. 4.9-4.107 van het arrest, maar het subonderdeel onder b is toegespitst op verspreide overwegingen van het hof, in het bijzonder op (delen van) zinnen binnen die overwegingen, en dan ook nog eens in isolement bezien. Illustratief is het eerste voorbeeld dat wordt gegeven, te weten een passage in rov. 4.39. Lezing van rov. 4.39 in totaliteit leert dat wat het hof daar doet, sterk feitelijk gemotiveerd, neerkomt op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor. In wezen is dit - behoudens rov. 4.80 - steeds aan de orde bij die onder b uitgelichte (delen van) zinnen binnen rov. 4.9-4.107. Daarbij zij overigens bedacht dat, in de woorden van plv. P-G Mok, de formulering van het arrest “niet van dien aard [is] dat men elk woord op een goudschaaltje mag wegen.” In dat verband verdient nog opmerking dat het hier nota bene gaat om een turbospoedappel in kort geding waarin het hof, volgend op de mondelinge behandeling van 1 september 2025, gezien de spoedeisendheid op 3 september 2025 een verkort arrest heeft gewezen en de schriftelijke uitwerking daarvan (die 31 pagina’s telt) op 17 september 2025 heeft vastgesteld. 4.20.2 Ik schreef zo-even “behoudens rov. 4.80”. Dit is een van de passages die wordt genoemd onder b. Wat het hof daar doet, is oordelen dat bij de in rov. 4.10-4.79 weergegeven stand van zaken (“Bij deze stand van zaken”, etc.) het hof voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die ertoe leidt dat de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse gerechtvaardigd is. Kort en goed: op basis van die daarvóór weergegeven omstandigheden (in onderling verband en samenhang bezien), wat neerkomt op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor, oordeelt het hof in rov. 4.80 dat voldoende aannemelijk is dat bij de bodemrechter de onderhavige besluiten naar de inhoud een marginale toetsing op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW niet kunnen doorstaan. 4.20.3 Bij die slotsom in rov. 4.80 betrekt het hof dus in het bijzonder, blijkens die weergegeven omstandigheden en kort gezegd, het volgende. Het hof heeft begrip voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moesten hebben. Daar staat tegenover aan omstandigheden: dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal; de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen; en de recente positieve ontwikkelingen, die volgens het Licentiereglement meegewogen moeten worden bij het sanctiebesluit.
Volledig
Dat sprake is van een kortgedingprocedure tot schorsing van de onderhavige besluiten betekent wél dat het hof hier, ook waar een marginale toetsing in beginsel is aangewezen, moet beoordelen of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze besluiten op een of meer van de in art. 2:15 lid 1 BW genoemde gronden vernietigbaar zijn (dit bezien naar de toestand ten tijde van die besluiten). Dat sprake is van zo’n kortgedingprocedure betekent níet dat het marginale gehalte van die toetsing als zodanig daardoor alsnog vermindert of juist toeneemt. Iets anders is (dus) dat het hof bij die te beoordelen aannemelijkheid zich rekenschap ervan moet geven dat in een kortgedingprocedure de mogelijkheden voor feitenonderzoek en bewijsgaring beperkter zijn dan in een bodemprocedure. Dit laatste vergt een zekere mate van ‘bescheidenheid’ bij het hof, oordelend als kortgedingrechter, maar dit is wel te onderscheiden van dat marginale gehalte van die toetsing als zodanig. Het hof verliest ook dit een en ander niet uit het oog in het bestreden oordeel. Zie ook onder 4.20.1-4.20.5 hierna. 4.14 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking. 4.15 Subonderdeel 1.2 stelt dat het hof in rov. 4.9-4.107 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toepast. Het hof is op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten. Dit zou, kort samengevat, blijken uit het volgende. a. De overweging in rov. 2.5 en 4.10 dat het hof een deel van de aan Vitesse verweten “overtredingen” van informatieverplichtingen (wezenlijk) “anders” “beoordeelt”. b. Bepaalde oordelen van het hof in rov. 4.39, 4.68, 4.73, 4.79, 4.80, 4.100 en 4.106. c. Relativeringen en nuanceringen door het hof van, en kanttekeningen van het hof bij, de overtredingen van Vitesse. Gewezen wordt op passages in rov. 4.53-4.54, 4.76 en 4.79. d. In zijn algemeenheid: het detailniveau waarop, en de intensiteit waarmee, het hof in rov. 4.9-4.107 de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie heeft getoetst en de feiten en omstandigheden van dit geval zelf (‘vol’) heeft beoordeeld en gewogen. Behandeling 4.16 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.17 Voor zover zij voortbouwt op subonderdeel 1.1, dat dus faalt, treft het subonderdeel hetzelfde lot. Dit behoeft geen verdere toelichting. 4.18 Ook overigens mist het subonderdeel doel. Anders dan zij in wezen betoogt, is het hof in het bestreden oordeel niet ‘op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten’. Het tegendeel blijkt niet uit hetgeen het subonderdeel aanvoert onder a t/m d. 4.19 Eerst onder a . 4.19.1 Het klopt dat het hof in rov. 2.5, tweede gedachtestreepje van het arrest onder meer overweegt dat het een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen anders beoordeelt. En dat het hof in rov. 4.10 onder meer overweegt dat het een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen, wezenlijk anders beoordeelt. 4.19.2 Wat het hof daarmee bedoelt, volgt uit rov. 4.12-4.80, in het bijzonder rov. 4.74-4.77. Dit komt erop neer dat de daar behandelde opsomming van overtredingen zoals betrokken door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, naar ’s hofs voorlopige oordeel onvoldoende grond geeft voor het oordeel: - dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen, en dat sprake is van een patroon van schending van haar informatieplicht dat zich na (3) augustus 2024 heeft voortgezet (rov. 4.76); - dat Vitesse wat betreft het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses het patroon niet sinds de afsluiting van het boekjaar 2023/24 heeft doorbroken, maar heeft voortgezet tot in de beroepsprocedure (rov. 4.77). 4.19.3 Onder 4.11.5 hiervoor merkte ik al op dat bij een marginale toetsing evenzeer geldt dat de rechter acht slaat op de relevante omstandigheden van het geval, waaronder de betrokken belangen. En dat de rechter daarbij bijvoorbeeld, met inachtneming ook van het partijdebat, mag bezien in hoeverre een bepaald punt (zoals een overtreding) feitelijke grondslag heeft, dit punt mag plaatsen in de bredere context van de voorliggende situatie en daaraan feitelijk gegronde, in de rede liggende gevolgtrekkingen mag verbinden. Dit een en ander in kort geding met de onder 4.13.2 hiervoor bedoelde ‘bescheidenheid’. Wat het hof doet met zijn onder 4.19.1-4.19.2 hiervoor bedoelde, sterk feitelijk gemotiveerde overwegingen valt daar binnen. Ik zie niet wat daar mis mee is. Van rechtens ontoelaatbaar ‘betweten’ door het hof is hier geen sprake, van een onbegrijpelijk oordeel trouwens evenmin. Zie ook onder 4.11.5 hiervoor, waar ik al erop wees in het bestreden oordeel niet te lezen is dat het hof bepaalde overtredingen van Vitesse (althans volgens de KNVB) op allerlei (detail)punten overmatig relativeert, nuanceert en van kanttekeningen voorziet. 4.20 Dan onder b . 4.20.1 Het kernprobleem is hier dat het subonderdeel zich richt tegen rov. 4.9-4.107 van het arrest, maar het subonderdeel onder b is toegespitst op verspreide overwegingen van het hof, in het bijzonder op (delen van) zinnen binnen die overwegingen, en dan ook nog eens in isolement bezien. Illustratief is het eerste voorbeeld dat wordt gegeven, te weten een passage in rov. 4.39. Lezing van rov. 4.39 in totaliteit leert dat wat het hof daar doet, sterk feitelijk gemotiveerd, neerkomt op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor. In wezen is dit - behoudens rov. 4.80 - steeds aan de orde bij die onder b uitgelichte (delen van) zinnen binnen rov. 4.9-4.107. Daarbij zij overigens bedacht dat, in de woorden van plv. P-G Mok, de formulering van het arrest “niet van dien aard [is] dat men elk woord op een goudschaaltje mag wegen.” In dat verband verdient nog opmerking dat het hier nota bene gaat om een turbospoedappel in kort geding waarin het hof, volgend op de mondelinge behandeling van 1 september 2025, gezien de spoedeisendheid op 3 september 2025 een verkort arrest heeft gewezen en de schriftelijke uitwerking daarvan (die 31 pagina’s telt) op 17 september 2025 heeft vastgesteld. 4.20.2 Ik schreef zo-even “behoudens rov. 4.80”. Dit is een van de passages die wordt genoemd onder b. Wat het hof daar doet, is oordelen dat bij de in rov. 4.10-4.79 weergegeven stand van zaken (“Bij deze stand van zaken”, etc.) het hof voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die ertoe leidt dat de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse gerechtvaardigd is. Kort en goed: op basis van die daarvóór weergegeven omstandigheden (in onderling verband en samenhang bezien), wat neerkomt op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor, oordeelt het hof in rov. 4.80 dat voldoende aannemelijk is dat bij de bodemrechter de onderhavige besluiten naar de inhoud een marginale toetsing op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW niet kunnen doorstaan. 4.20.3 Bij die slotsom in rov. 4.80 betrekt het hof dus in het bijzonder, blijkens die weergegeven omstandigheden en kort gezegd, het volgende. Het hof heeft begrip voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moesten hebben. Daar staat tegenover aan omstandigheden: dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal; de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen; en de recente positieve ontwikkelingen, die volgens het Licentiereglement meegewogen moeten worden bij het sanctiebesluit.
Volledig
Onder die omstandigheden was volgens de vigerende regelgeving onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse niet de enige sanctie die resteerde, en had intrekking van de proflicentie voorwaardelijk opgelegd kunnen worden. Bij het voorgaande zij dus bedacht - zie onder 4.20.2 hiervoor - dat die intrekking ertoe leidt dat Vitesse niet meer is toegelaten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, en dat niet in geschil is dat de gevolgen daarvan groot zijn voor Vitesse: naar alle waarschijnlijkheid zal het voortduren van deze situatie leiden tot Vitesse’s faillissement, met de consequenties van dien. 4.20.4 Daarmee plaatst het hof die slotsom in rov. 4.80 in de sleutel dat bij deze stand van zaken de onderhavige besluiten wat betreft de inhoud ervan, specifiek de daaraan ten grondslag liggende afweging van de in aanmerking komende belangen door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, naar verwachting in een bodemprocedure een rechterlijke toetsing aan kennelijke onredelijkheid niet kunnen doorstaan. En wel omdat bij die weergegeven omstandigheden in totaliteit bezien de conclusie zich opdringt dat door de sanctie waartoe is besloten door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, te weten onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse en daarmee de zwaarste sanctie, het belang van Vitesse (met inachtneming van de aan haar verbonden bredere maatschappelijke belangen) onnodig althans onevenredig wordt geschaad, wat ten tijde van het nemen van de onderhavige besluiten kenbaar was. Dáárom is het naar ’s hofs voorlopig oordeel voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot het besluit hebben kunnen komen om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken. 4.20.5 Met dit uitvoerig toegelichte en goed navolgbare oordeel blijft het hof binnen de parameters van de hier aangewezen marginale toetsing, die het al vooropstelt in rov. 2.4 en 4.6-4.9. Kortom, ik acht dit een en ander onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. 4.21 Dan onder c . 4.21.1 Dit loopt vast in lijn met 4.19-4.20.5 hiervoor. Ik licht toe. 4.21.2 Wat het hof doet in rov. 4.53-4.54 van het arrest moet vooreerst worden bezien niet in isolement, maar in het bredere kader van rov. 4.45-4.55 inzake “Loan Sale Agreement (december 2024-april 2025)”. Voorafgaand aan rov. 4.53 stelt het hof gemotiveerd vast, weer op basis van een voorlopig oordeel, wat er zijdens Vitesse ter zake schortte en dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie terecht hebben overwogen dat Vitesse ter zake ernstig is tekortgeschoten in de naleving van haar onderzoeks- en informatieplicht in de zin van art. 6 Licentiereglement. In rov. 4.53-4.55 voegt het hof daaraan enkele observaties (kanttekeningen) toe. Het subonderdeel wijst hier op rov. 4.53-4.54. Wat het hof daar doet, sterk feitelijk gemotiveerd, komt neer op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor. Zie nader over rov. 4.53-4.54 bij mijn bespreking van de sub-subonderdelen 2.3.2-2.3.4 hierna. 4.21.3 Dan rov. 4.76. Daarop ging ik al in onder 4.19.1-4.19.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere bespreking. 4.21.4 Tot slot rov. 4.79, geciteerd onder 4.6.6 hiervoor. Het hof wijst daar op “de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen”, als omstandigheid die staat tegenover het begrip dat het hof heeft voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moeten hebben. Met die relativering, dus die omstandigheid, doelt het hof kortweg op daaraan voorafgaande overwegingen, waaronder rov. 4.76-4.77 (“zoals hiervoor overwogen”). Wat het hof in die overwegingen doet, sterk feitelijk gemotiveerd, komt zoals gezegd neer op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor. 4.21.5 Daarmee is het pleit beslecht. 4.22 Tot slot onder d . 4.22.1 Voor zover het subonderdeel hier voortbouwt op het voorgaande onder a, b en/of c, dat dus doel mist, geldt hetzelfde onder d. Voor het overige voldoet het subonderdeel hier niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Zo wordt niet uiteengezet wat dan precies wordt bedoeld met “het detailniveau waarop, en de intensiteit waarmee”, etc., noch waar in het arrest het hof dat dan precies en op ontoelaatbare wijze zou hebben gedaan. Overigens zie ik dit laatste (dus) ook niet terug in het arrest. 4.23 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking. 4.24 Subonderdeel 1.3 stelt dat als het hof het in subonderdeel 1.1 gestelde niet heeft miskend, diens oordelen in rov. 4.9-4.107 van het arrest onbegrijpelijk zijn. Want - gelet op het in subonderdeel 1.2 gestelde - blijkt uit rov. 4.9-4.107 niet (kenbaar) dat het hof de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde daadwerkelijk en juist heeft toegepast. Behandeling 4.25 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.26 Zij veronderstelt dat het hof in het bestreden oordeel redeneert vanuit dezelfde rechtsopvatting als verdedigd in subonderdeel 1.1, dat dus faalt. Zoiets doet het hof evenwel, en terecht, niet. In zoverre strandt het subonderdeel reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. 4.27 Voor zover het subonderdeel los daarvan (ook) nog voortbouwt op subonderdeel 1.2, dat dus eveneens faalt, deelt zij in het lot daarvan. Dit behoeft geen verdere toelichting. 4.28 Voor het overige mist het subonderdeel zelfstandige betekenis, althans voldoet zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Dit behoeft evenmin verdere toelichting. 4.29 Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt. Onderdeel 2 (“Geen vernietigbaarheid naar inhoud”) 4.30 Het onderdeel bevat zeven subonderdelen met klachten. 4.31 Subonderdeel 2.1 (“Betekenis en gewicht in het verleden opgelegde sancties”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Daarin wordt gesteld dat het hof op verschillende plaatsen in het arrest het feit dat in het verleden (het tijdvak vóór het onderhavige besluit tot intrekking van Vitesse’s proflicentie) voor een bepaalde overtreding door Vitesse al een of meerdere sancties is/zijn opgelegd, (kennelijk) in die zin heeft meegewogen dat daarom minder rechtvaardiging zou bestaan voor de door de Licentiecommissie opgelegde (en door de Beroepscommissie bekrachtigde) sanctie van intrekking van de licentie. Het subonderdeel verwijst naar overwegingen in rov. 4.15, 4.39, 4.54, 4.75 en 4.79. 4.32 Het subonderdeel formuleert vervolgens - achter nr. 2.1.1, eigenlijk dus als sub-subonderdeel 2.1.1 - de motiveringsklacht dat het hof met de uit deze oordelen blijkende redenering een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven in het licht van de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie en de stellingen van de KNVB. Dit werkt het subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit. 4.32.1 De door het hof bedoelde eerdere overtredingen, die zijn bestraft met een lichtere sanctie dan intrekking van de licentie, vormen volgens de Licentiecommissie en de Beroepscommissie en de stellingen van de KNVB onderdeel van kort gezegd het patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem, dat uiteindelijk het opleggen van de zwaarste sanctie op de ‘escalatieladder’ (intrekking van de licentie) heeft gerechtvaardigd. Volgens de KNVB hebben eerdere sancties niet tot verbetering geleid bij Vitesse. Omdat die sancties niet effectief waren, was gerechtvaardigd dat uiteindelijk de zwaarste sanctie werd opgelegd: intrekking van de licentie. 4.32.2 Gelet daarop valt, zonder nadere motivering (die ontbreekt), niet in te zien dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die sancties voor eerdere overtredingen in die zin hadden moeten meewegen dat daarom minder rechtvaardiging zou bestaan voor de sanctie van intrekking van de licentie.
Volledig
Onder die omstandigheden was volgens de vigerende regelgeving onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse niet de enige sanctie die resteerde, en had intrekking van de proflicentie voorwaardelijk opgelegd kunnen worden. Bij het voorgaande zij dus bedacht - zie onder 4.20.2 hiervoor - dat die intrekking ertoe leidt dat Vitesse niet meer is toegelaten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal, en dat niet in geschil is dat de gevolgen daarvan groot zijn voor Vitesse: naar alle waarschijnlijkheid zal het voortduren van deze situatie leiden tot Vitesse’s faillissement, met de consequenties van dien. 4.20.4 Daarmee plaatst het hof die slotsom in rov. 4.80 in de sleutel dat bij deze stand van zaken de onderhavige besluiten wat betreft de inhoud ervan, specifiek de daaraan ten grondslag liggende afweging van de in aanmerking komende belangen door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, naar verwachting in een bodemprocedure een rechterlijke toetsing aan kennelijke onredelijkheid niet kunnen doorstaan. En wel omdat bij die weergegeven omstandigheden in totaliteit bezien de conclusie zich opdringt dat door de sanctie waartoe is besloten door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, te weten onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse en daarmee de zwaarste sanctie, het belang van Vitesse (met inachtneming van de aan haar verbonden bredere maatschappelijke belangen) onnodig althans onevenredig wordt geschaad, wat ten tijde van het nemen van de onderhavige besluiten kenbaar was. Dáárom is het naar ’s hofs voorlopig oordeel voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot het besluit hebben kunnen komen om de proflicentie van Vitesse onvoorwaardelijk in te trekken. 4.20.5 Met dit uitvoerig toegelichte en goed navolgbare oordeel blijft het hof binnen de parameters van de hier aangewezen marginale toetsing, die het al vooropstelt in rov. 2.4 en 4.6-4.9. Kortom, ik acht dit een en ander onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. 4.21 Dan onder c . 4.21.1 Dit loopt vast in lijn met 4.19-4.20.5 hiervoor. Ik licht toe. 4.21.2 Wat het hof doet in rov. 4.53-4.54 van het arrest moet vooreerst worden bezien niet in isolement, maar in het bredere kader van rov. 4.45-4.55 inzake “Loan Sale Agreement (december 2024-april 2025)”. Voorafgaand aan rov. 4.53 stelt het hof gemotiveerd vast, weer op basis van een voorlopig oordeel, wat er zijdens Vitesse ter zake schortte en dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie terecht hebben overwogen dat Vitesse ter zake ernstig is tekortgeschoten in de naleving van haar onderzoeks- en informatieplicht in de zin van art. 6 Licentiereglement. In rov. 4.53-4.55 voegt het hof daaraan enkele observaties (kanttekeningen) toe. Het subonderdeel wijst hier op rov. 4.53-4.54. Wat het hof daar doet, sterk feitelijk gemotiveerd, komt neer op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor. Zie nader over rov. 4.53-4.54 bij mijn bespreking van de sub-subonderdelen 2.3.2-2.3.4 hierna. 4.21.3 Dan rov. 4.76. Daarop ging ik al in onder 4.19.1-4.19.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere bespreking. 4.21.4 Tot slot rov. 4.79, geciteerd onder 4.6.6 hiervoor. Het hof wijst daar op “de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen”, als omstandigheid die staat tegenover het begrip dat het hof heeft voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moeten hebben. Met die relativering, dus die omstandigheid, doelt het hof kortweg op daaraan voorafgaande overwegingen, waaronder rov. 4.76-4.77 (“zoals hiervoor overwogen”). Wat het hof in die overwegingen doet, sterk feitelijk gemotiveerd, komt zoals gezegd neer op hetgeen ik schreef onder 4.19.3 hiervoor. 4.21.5 Daarmee is het pleit beslecht. 4.22 Tot slot onder d . 4.22.1 Voor zover het subonderdeel hier voortbouwt op het voorgaande onder a, b en/of c, dat dus doel mist, geldt hetzelfde onder d. Voor het overige voldoet het subonderdeel hier niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Zo wordt niet uiteengezet wat dan precies wordt bedoeld met “het detailniveau waarop, en de intensiteit waarmee”, etc., noch waar in het arrest het hof dat dan precies en op ontoelaatbare wijze zou hebben gedaan. Overigens zie ik dit laatste (dus) ook niet terug in het arrest. 4.23 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking. 4.24 Subonderdeel 1.3 stelt dat als het hof het in subonderdeel 1.1 gestelde niet heeft miskend, diens oordelen in rov. 4.9-4.107 van het arrest onbegrijpelijk zijn. Want - gelet op het in subonderdeel 1.2 gestelde - blijkt uit rov. 4.9-4.107 niet (kenbaar) dat het hof de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde daadwerkelijk en juist heeft toegepast. Behandeling 4.25 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.26 Zij veronderstelt dat het hof in het bestreden oordeel redeneert vanuit dezelfde rechtsopvatting als verdedigd in subonderdeel 1.1, dat dus faalt. Zoiets doet het hof evenwel, en terecht, niet. In zoverre strandt het subonderdeel reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. 4.27 Voor zover het subonderdeel los daarvan (ook) nog voortbouwt op subonderdeel 1.2, dat dus eveneens faalt, deelt zij in het lot daarvan. Dit behoeft geen verdere toelichting. 4.28 Voor het overige mist het subonderdeel zelfstandige betekenis, althans voldoet zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Dit behoeft evenmin verdere toelichting. 4.29 Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt. Onderdeel 2 (“Geen vernietigbaarheid naar inhoud”) 4.30 Het onderdeel bevat zeven subonderdelen met klachten. 4.31 Subonderdeel 2.1 (“Betekenis en gewicht in het verleden opgelegde sancties”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Daarin wordt gesteld dat het hof op verschillende plaatsen in het arrest het feit dat in het verleden (het tijdvak vóór het onderhavige besluit tot intrekking van Vitesse’s proflicentie) voor een bepaalde overtreding door Vitesse al een of meerdere sancties is/zijn opgelegd, (kennelijk) in die zin heeft meegewogen dat daarom minder rechtvaardiging zou bestaan voor de door de Licentiecommissie opgelegde (en door de Beroepscommissie bekrachtigde) sanctie van intrekking van de licentie. Het subonderdeel verwijst naar overwegingen in rov. 4.15, 4.39, 4.54, 4.75 en 4.79. 4.32 Het subonderdeel formuleert vervolgens - achter nr. 2.1.1, eigenlijk dus als sub-subonderdeel 2.1.1 - de motiveringsklacht dat het hof met de uit deze oordelen blijkende redenering een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven in het licht van de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie en de stellingen van de KNVB. Dit werkt het subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit. 4.32.1 De door het hof bedoelde eerdere overtredingen, die zijn bestraft met een lichtere sanctie dan intrekking van de licentie, vormen volgens de Licentiecommissie en de Beroepscommissie en de stellingen van de KNVB onderdeel van kort gezegd het patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem, dat uiteindelijk het opleggen van de zwaarste sanctie op de ‘escalatieladder’ (intrekking van de licentie) heeft gerechtvaardigd. Volgens de KNVB hebben eerdere sancties niet tot verbetering geleid bij Vitesse. Omdat die sancties niet effectief waren, was gerechtvaardigd dat uiteindelijk de zwaarste sanctie werd opgelegd: intrekking van de licentie. 4.32.2 Gelet daarop valt, zonder nadere motivering (die ontbreekt), niet in te zien dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die sancties voor eerdere overtredingen in die zin hadden moeten meewegen dat daarom minder rechtvaardiging zou bestaan voor de sanctie van intrekking van de licentie.
Volledig
4.32.3 Dat geldt te meer indien en voor zover tegen die sancties voor eerdere overtredingen (de besluiten tot oplegging daarvan) niet of zonder succes door Vitesse beroep is aangetekend bij de Beroepscommissie (zodat die sancties in die zin onherroepelijk zijn en in rechte vaststaan), althans zolang de besluiten waarbij die sancties zijn opgelegd of door de Beroepscommissie zijn ‘bekrachtigd’ niet door de rechter zijn vernietigd. In zoverre getuigt de redenering van het hof ook van een onjuiste rechtsopvatting. Behandeling 4.33 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.34 In rov. 4.13-4.15 van het arrest beantwoordt het hof de vraag of overtredingen en sancties van vóór 3 augustus 2024 meewegen in de beoordeling. Vitesse had zich namelijk op het standpunt gesteld dat met het besluit van de Beroepscommissie van 3 augustus 2024, waarin zij had besloten dat Vitesse haar licentie mocht behouden, de feiten en omstandigheden die de Licentiecommissie in het kader van de toenmalige intrekking van de licentie had vastgesteld van tafel zijn (rov. 4.13). Volgens het hof moeten bij de beoordeling in deze procedure alle relevante omstandigheden in aanmerking worden genomen, ook die uit het tijdvak van vóór het besluit van 3 augustus 2024. Dat betreft aan de ene kant de eerder vastgestelde overtredingen van Vitesse, aan de andere kant de sancties die op grond daarvan aan Vitesse zijn opgelegd (rov. 4.14). Daarom acht het hof het terecht dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie bij hun besluiten van 10 en 31 juli 2025 verder hebben teruggekeken dan 3 augustus 2024, met dien verstande dat daar tegenover staat dat de Beroepscommissie moest oordelen naar de stand van zaken ten tijde van het beroep en dat zij daarbij dus ook de eerder opgelegde sancties in overweging moest nemen. Tot slot overweegt het hof dat het daarna waar relevant de eerder opgelegde sancties zal benoemen (rov. 4.15), daarop wijst het subonderdeel ook. 4.35 Vooropgesteld: dit oordeel van het hof is m.i. onjuist noch onbegrijpelijk. Het subonderdeel bestrijdt - terecht - niet als zodanig de overweging dat bij de beoordeling in deze procedure alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, ook die uit het tijdvak van vóór het besluit van 3 augustus 2024 (rov. 4.14). Waar tot die omstandigheden de eerder vastgestelde overtredingen van Vitesse behoren, ligt het voor de hand dat hetzelfde geldt voor de sancties die op grond van die overtredingen aan Vitesse zijn opgelegd. 4.36 Het is waar dat die geschiedenis van (sancties voor) eerdere overtredingen een zekere kleuring geeft aan de gedragslijn van Vitesse door de tijd heen. Dat miskent het hof ook niet in het arrest. Illustratief is rov. 4.74-4.77. Daar besteedt het hof onder meer aandacht aan dertien door de Licentiecommissie opgesomde overtredingen inclusief daarvoor aan Vitesse opgelegde sancties, waarvan de meeste (negen van de dertien overtredingen) betrekking hebben op de periode vóór 3 augustus 2024 (zie rov. 4.74 en de opsomming in rov. 4.75). Daarbij onderkent en betrekt het hof dat gelet op dit een en ander sprake is geweest van een aanhoudende onwillige houding van Vitesse, wat ook strookt met daaraan voorafgaande bevindingen van het hof (in delen van rov. 4.16-4.73). Daarbij maakt het hof echter ook duidelijk dat het, anders dan kort gezegd de KNVB, géén grond ziet voor het onverkorte oordeel dat Vitesse nog tot in de onderhavige (beroeps)procedure bij de KNVB zo’n houding heeft aangenomen. Kort en goed: Vitesse had haar leven inmiddels gebeterd. Dit is goed te volgen. 4.37 Het is evenzeer waar dat het feit dat die sancties voor eerdere overtredingen zijn opgelegd, óók betekent dat Vitesse voor die eerder door haar gemaakte fouten bepaald niet ongestraft is gebleven. Dat miskent het hof evenmin in het arrest. Illustratief is rov. 4.79. Daar wijst het hof erop dat het begrip heeft voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen consequenties moesten hebben. Daar staat wel onder meer tegenover, zo voegt het hof daaraan toe, dat een groot deel van die overtredingen al eerder is bestraft (“gesanctioneerd”), met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal. In rov. 4.111 vat het hof dit laatste nog eens samen, aldus dat: duidelijk is (…) dat Vitesse voor haar fouten in het recente en verdere verleden bij herhaling met boetes en forse vermindering van wedstrijdpunten is gestraft. Door die sancties is zij ernstig geraakt. Dat geldt ongetwijfeld ook voor de eerdere intrekking van de licentie in 2024 die vanwege positieve ontwikkelingen in beroep ongedaan is gemaakt. Ook dit is goed te volgen. 4.38 Nergens in het arrest lees ik dat het hof die sancties voor eerdere overtredingen enkel als verzachtende omstandigheid meeweegt, in die zin dat daarom minder rechtvaardiging bestaat voor de door de Licentiecommissie opgelegde (en door de Beroepscommissie bekrachtigde) sanctie van intrekking van de licentie. Het hof betrekt die eerdere sancties immers ook bij voornoemde aanhoudende onwillige houding van Vitesse, die het hof dus onderkent en meeneemt in de beoordeling (daarbij ziet het hof evenmin eraan voorbij dat Vitesse, gelet op voornoemde houding, de gevolgen van die eerdere sancties aan zichzelf te wijten had). Iets anders is dat het hof dus géén grond ziet voor het onverkorte oordeel dat Vitesse nog tot in de onderhavige (beroeps)procedure bij de KNVB zo’n houding heeft aangenomen. Daarbij let het hof zoals gezegd mede op de recente positieve ontwikkelingen, die bij het onderhavige sanctiebesluit meegewogen moeten worden (wat niet is gebeurd). Iets anders is ook dat, mede gelet op dit laatste, bij beantwoording van de vraag of de aan onvoorwaardelijke intrekking van Vitesse’s proflicentie ten grondslag liggende belangenafweging door de beugel van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) kan, onder meer gewicht in de schaal legt dat Vitesse voor die eerder door haar gemaakte fouten bepaald niet ongestraft is gebleven. Ook dit verliest het hof geenszins uit het oog. M.i. valt dit een en ander niet aan te merken als onjuist of onbegrijpelijk van het hof. 4.39 Aan dit alles ziet het subonderdeel voorbij met de onder 4.32.1-4.32.3 hiervoor bedoelde uitwerking, waarin geen recht wordt gedaan aan ’s hofs oordeel in rov. 4.9-4.80 ook in totaliteit bezien. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel. Ik kan daarlaten of de rechtsklacht aan het slot van het subonderdeel wel voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. 4.40 Subonderdeel 2.2 (“Verzwijgen sideletter”) vangt aan met een inleiding zonder klacht en wordt gevolgd door acht sub-subonderdelen met klachten (2.2.1 t/m 2.2.8). Wel volgt uit de inleiding dat de sub-subonderdelen zijn gericht tegen het volgende oordeel in rov. 4.39 van het arrest. Het is Vitesse “niet te verwijten” dat Vitesse Arnhem Investments B.V. (hierna: VAI ) buiten het zicht van Vitesse een sideletter sloot met Common Sport GP LLC, voorheen Common Group LLC (hierna: Common Group ), en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dit is Vitesse in ieder geval “niet zodanig verwijtbaar” dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024. Het hof begrijpt wel dat deze gang van zaken het vertrouwen van de Licentiecommissie heeft aangetast dat Vitesse een oplossing zou vinden in overeenstemming met de eisen van het Licentiereglement en het Herstructureringsplan 2024. De overweging van de Beroepscommissie dat Vitesse de sideletter aldus tegenover de KNVB heeft verzwegen, vindt echter geen steun in de gestelde feiten. Voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse ziet het hof geen aanknopingspunten. 4.41 Volgens sub-subonderdeel 2.2.1 geeft het zo-even weergegeven oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
Volledig
4.32.3 Dat geldt te meer indien en voor zover tegen die sancties voor eerdere overtredingen (de besluiten tot oplegging daarvan) niet of zonder succes door Vitesse beroep is aangetekend bij de Beroepscommissie (zodat die sancties in die zin onherroepelijk zijn en in rechte vaststaan), althans zolang de besluiten waarbij die sancties zijn opgelegd of door de Beroepscommissie zijn ‘bekrachtigd’ niet door de rechter zijn vernietigd. In zoverre getuigt de redenering van het hof ook van een onjuiste rechtsopvatting. Behandeling 4.33 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.34 In rov. 4.13-4.15 van het arrest beantwoordt het hof de vraag of overtredingen en sancties van vóór 3 augustus 2024 meewegen in de beoordeling. Vitesse had zich namelijk op het standpunt gesteld dat met het besluit van de Beroepscommissie van 3 augustus 2024, waarin zij had besloten dat Vitesse haar licentie mocht behouden, de feiten en omstandigheden die de Licentiecommissie in het kader van de toenmalige intrekking van de licentie had vastgesteld van tafel zijn (rov. 4.13). Volgens het hof moeten bij de beoordeling in deze procedure alle relevante omstandigheden in aanmerking worden genomen, ook die uit het tijdvak van vóór het besluit van 3 augustus 2024. Dat betreft aan de ene kant de eerder vastgestelde overtredingen van Vitesse, aan de andere kant de sancties die op grond daarvan aan Vitesse zijn opgelegd (rov. 4.14). Daarom acht het hof het terecht dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie bij hun besluiten van 10 en 31 juli 2025 verder hebben teruggekeken dan 3 augustus 2024, met dien verstande dat daar tegenover staat dat de Beroepscommissie moest oordelen naar de stand van zaken ten tijde van het beroep en dat zij daarbij dus ook de eerder opgelegde sancties in overweging moest nemen. Tot slot overweegt het hof dat het daarna waar relevant de eerder opgelegde sancties zal benoemen (rov. 4.15), daarop wijst het subonderdeel ook. 4.35 Vooropgesteld: dit oordeel van het hof is m.i. onjuist noch onbegrijpelijk. Het subonderdeel bestrijdt - terecht - niet als zodanig de overweging dat bij de beoordeling in deze procedure alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, ook die uit het tijdvak van vóór het besluit van 3 augustus 2024 (rov. 4.14). Waar tot die omstandigheden de eerder vastgestelde overtredingen van Vitesse behoren, ligt het voor de hand dat hetzelfde geldt voor de sancties die op grond van die overtredingen aan Vitesse zijn opgelegd. 4.36 Het is waar dat die geschiedenis van (sancties voor) eerdere overtredingen een zekere kleuring geeft aan de gedragslijn van Vitesse door de tijd heen. Dat miskent het hof ook niet in het arrest. Illustratief is rov. 4.74-4.77. Daar besteedt het hof onder meer aandacht aan dertien door de Licentiecommissie opgesomde overtredingen inclusief daarvoor aan Vitesse opgelegde sancties, waarvan de meeste (negen van de dertien overtredingen) betrekking hebben op de periode vóór 3 augustus 2024 (zie rov. 4.74 en de opsomming in rov. 4.75). Daarbij onderkent en betrekt het hof dat gelet op dit een en ander sprake is geweest van een aanhoudende onwillige houding van Vitesse, wat ook strookt met daaraan voorafgaande bevindingen van het hof (in delen van rov. 4.16-4.73). Daarbij maakt het hof echter ook duidelijk dat het, anders dan kort gezegd de KNVB, géén grond ziet voor het onverkorte oordeel dat Vitesse nog tot in de onderhavige (beroeps)procedure bij de KNVB zo’n houding heeft aangenomen. Kort en goed: Vitesse had haar leven inmiddels gebeterd. Dit is goed te volgen. 4.37 Het is evenzeer waar dat het feit dat die sancties voor eerdere overtredingen zijn opgelegd, óók betekent dat Vitesse voor die eerder door haar gemaakte fouten bepaald niet ongestraft is gebleven. Dat miskent het hof evenmin in het arrest. Illustratief is rov. 4.79. Daar wijst het hof erop dat het begrip heeft voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen consequenties moesten hebben. Daar staat wel onder meer tegenover, zo voegt het hof daaraan toe, dat een groot deel van die overtredingen al eerder is bestraft (“gesanctioneerd”), met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal. In rov. 4.111 vat het hof dit laatste nog eens samen, aldus dat: duidelijk is (…) dat Vitesse voor haar fouten in het recente en verdere verleden bij herhaling met boetes en forse vermindering van wedstrijdpunten is gestraft. Door die sancties is zij ernstig geraakt. Dat geldt ongetwijfeld ook voor de eerdere intrekking van de licentie in 2024 die vanwege positieve ontwikkelingen in beroep ongedaan is gemaakt. Ook dit is goed te volgen. 4.38 Nergens in het arrest lees ik dat het hof die sancties voor eerdere overtredingen enkel als verzachtende omstandigheid meeweegt, in die zin dat daarom minder rechtvaardiging bestaat voor de door de Licentiecommissie opgelegde (en door de Beroepscommissie bekrachtigde) sanctie van intrekking van de licentie. Het hof betrekt die eerdere sancties immers ook bij voornoemde aanhoudende onwillige houding van Vitesse, die het hof dus onderkent en meeneemt in de beoordeling (daarbij ziet het hof evenmin eraan voorbij dat Vitesse, gelet op voornoemde houding, de gevolgen van die eerdere sancties aan zichzelf te wijten had). Iets anders is dat het hof dus géén grond ziet voor het onverkorte oordeel dat Vitesse nog tot in de onderhavige (beroeps)procedure bij de KNVB zo’n houding heeft aangenomen. Daarbij let het hof zoals gezegd mede op de recente positieve ontwikkelingen, die bij het onderhavige sanctiebesluit meegewogen moeten worden (wat niet is gebeurd). Iets anders is ook dat, mede gelet op dit laatste, bij beantwoording van de vraag of de aan onvoorwaardelijke intrekking van Vitesse’s proflicentie ten grondslag liggende belangenafweging door de beugel van art. 2:8 lid 1 BW (in verbinding met art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW) kan, onder meer gewicht in de schaal legt dat Vitesse voor die eerder door haar gemaakte fouten bepaald niet ongestraft is gebleven. Ook dit verliest het hof geenszins uit het oog. M.i. valt dit een en ander niet aan te merken als onjuist of onbegrijpelijk van het hof. 4.39 Aan dit alles ziet het subonderdeel voorbij met de onder 4.32.1-4.32.3 hiervoor bedoelde uitwerking, waarin geen recht wordt gedaan aan ’s hofs oordeel in rov. 4.9-4.80 ook in totaliteit bezien. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel. Ik kan daarlaten of de rechtsklacht aan het slot van het subonderdeel wel voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. 4.40 Subonderdeel 2.2 (“Verzwijgen sideletter”) vangt aan met een inleiding zonder klacht en wordt gevolgd door acht sub-subonderdelen met klachten (2.2.1 t/m 2.2.8). Wel volgt uit de inleiding dat de sub-subonderdelen zijn gericht tegen het volgende oordeel in rov. 4.39 van het arrest. Het is Vitesse “niet te verwijten” dat Vitesse Arnhem Investments B.V. (hierna: VAI ) buiten het zicht van Vitesse een sideletter sloot met Common Sport GP LLC, voorheen Common Group LLC (hierna: Common Group ), en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dit is Vitesse in ieder geval “niet zodanig verwijtbaar” dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024. Het hof begrijpt wel dat deze gang van zaken het vertrouwen van de Licentiecommissie heeft aangetast dat Vitesse een oplossing zou vinden in overeenstemming met de eisen van het Licentiereglement en het Herstructureringsplan 2024. De overweging van de Beroepscommissie dat Vitesse de sideletter aldus tegenover de KNVB heeft verzwegen, vindt echter geen steun in de gestelde feiten. Voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse ziet het hof geen aanknopingspunten. 4.41 Volgens sub-subonderdeel 2.2.1 geeft het zo-even weergegeven oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
Volledig
4.41.1 Het hof heeft miskend dat het gevolg van een in een reglement (zoals in het Licentiereglement) bestaande mogelijkheid van beroep bij een orgaan als de Beroepscommissie tegen een besluit van een orgaan als de Licentiecommissie, is dat het lid (de licentiehouder) dat geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid, niet ten overstaan van de civiele rechter zich erop kan beroepen dat het besluit van de Licentiecommissie naar inhoud en/of wijze van totstandkoming onjuist is en/of dat orgaan in redelijkheid (en naar billijkheid) niet tot dat besluit heeft kunnen komen. In die zin is dat besluit onherroepelijk en staat het in rechte vast. Dit geldt te meer/in ieder geval indien het reglement een bepaling bevat als art. 13 lid 13 Licentiereglement. 4.41.2 Nu Vitesse geen beroep instelde tegen het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, moest het hof ervan uitgaan dat dit besluit naar inhoud en wijze van totstandkoming juist is, althans dat de Licentiecommissie in redelijkheid en naar billijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. Dit besluit was voor het hof een gegeven en/althans het hof kon/mocht de gang van zaken rond de sideletter niet anders kwalificeren en/of beoordelen dan de Licentiecommissie in dit besluit heeft gedaan. Het hof heeft dit miskend met (onder meer) het oordeel, in de woorden van het sub-subonderdeel: “dat (a) Vitesse de gang van zaken rond de sideletter niet (voldoende) valt te verwijten en (b) (bijgevolg) onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem.” 4.41.3 “ “Gelet op het voorgaande” heeft het hof ook miskend dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluiten over de intrekking van de licentie uiteraard ook moesten, althans mochten, uitgaan van de juistheid van (de inhoud en totstandkoming van) het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024. Behandeling 4.42 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.43 In rov. 4.33-4.38 van het arrest gaat het hof in op de beoogde overdracht van alle gewone aandelen in Vitesse aan VAI (juli-oktober 2024). Ik citeer uit deze overwegingen: - Beoogde doorverkoop aan VAI (juli-oktober 2024) (…) 4.35. Vitesse raakte er medio oktober 2024 mee bekend dat VAI en Common Group - kennelijk op 1 juli 2024 - een vertrouwelijke afspraak hadden gemaakt. Die afspraak hield in dat VAI op verzoek van Common Group een (toekomstig) pandrecht kon vestigen op de aandelen-Vitesse ten behoeve van een derde aan wie de vorderingen van Common Group konden worden overgedragen. Vitesse was niet betrokken bij deze afspraak en zij was niet eerder dan 21 oktober 2024 hiervan op de hoogte. Op die dag heeft de advocaat van VAI de advocaat van Vitesse bevestigd dat er sprake was van een “sideletter”. Vitesse heeft daags daarna de Licentiecommissie hiervan op de hoogte gesteld. (…) 4.37. De Licentiecommissie heeft in haar besluit van 28 november 2024 over deze sideletter geoordeeld dat haar vertrouwen in Vitesse (opnieuw) is beschaamd en neemt “ het bestaan van de sideletter en het willens en wetens achterhouden daarvan zeer hoog op ”. De Licentiecommissie onderkende dat Vitesse geen partij was bij de overeenkomst tussen Common Group en VAI en dat Vitesse zelf de sideletter heeft gemeld, maar zij overwoog dat “ gedragingen van (voormalig) aandeelhouders, bestuurders en commissarissen van een BVO binnen de risicosfeer van een BVO vallen ”. Zij heeft Vitesse als sanctie hiervoor negen wedstrijdpunten in mindering opgelegd. Vitesse heeft geen beroep tegen dit besluit ingesteld, naar haar zeggen omdat zij herstel van haar moeizame relatie met de KNVB van groter gewicht vond dan een nieuwe juridische discussie met de Licentiecommissie. 4.38. De Licentiecommissie benoemde in haar intrekkingsbesluit van 10 juli 2025 de gang van zaken rond deze sideletter als een van de redenen voor intrekking van de licentie, met de constatering dat de sideletter in strijd is met de uitgangspunten en de veiligheidskleppen in het Herstructureringsplan 2024, omdat Common Group daardoor de mogelijkheid behield om invloed te behouden of verkrijgen. De Beroepscommissie kwalificeerde in haar besluit van 31 juli 2025 de gang van zaken rond de sideletter als een van de zeer ernstige overtredingen van Vitesse, omdat zij de sideletter in strijd met haar informatieplicht heeft verzwegen. 4.44 In rov. 4.39 gaat het hof hierop nader in. Ik citeer integraal: - Verzwijgen side-letter niet verwijtbaar 4.39. Naar het voorlopig oordeel van het hof is het Vitesse niet te verwijten dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dit is Vitesse in ieder geval niet zodanig verwijtbaar dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024. Noch Common Group, noch VAI was - anders dan de Licentiecommissie overwoog - (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse. Dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had, maakt niet dat zij verantwoordelijk was voor haar handelen of nalaten, zeker niet zolang zij niet met dat handelen of nalaten bekend was of had moeten zijn. Daarbij moet worden bedacht dat, zoals de Licentiecommissie vaststelt, uit een e-mail tussen de advocaten van Common Group en VAI van 4 juli 2024 volgt dat zij de sideletter wilden achterhouden. Dat gold niet alleen voor de Beroepscommissie, maar ook voor Vitesse. Het hof begrijpt wel dat deze gang van zaken het vertrouwen van de Licentiecommissie heeft aangetast dat Vitesse een oplossing zou vinden in overeenstemming met de eisen van het Licentiereglement en het Herstructureringsplan 2024. De overweging van de Beroepscommissie dat Vitesse de sideletter tegenover de KNVB heeft verzwegen, vindt echter geen steun in de gestelde feiten. Vitesse heeft, op het moment dat zij - medio oktober 2024 - de beschikking kreeg over de sideletter, deze direct gedeeld met de KNVB. Voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse ziet het hof geen aanknopingspunten. 4.45 Ik begin, tegen deze achtergrond, met de onder 4.41.1 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.45.1 Dit loopt vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Nergens daarin, ook niet in rov. 4.39, valt te lezen dat het hof een rechtsopvatting huldigt die contrair is aan wat het sub-subonderdeel hier voorstaat. Dat verrast niet, want zo’n opvatting hoefde het hof ook niet te huldigen. Het gaat het sub-subonderdeel hier om het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarover nader rov. 4.37. Dit is niet een van de besluiten van (een orgaan van) de KNVB waartegen Vitesse in de onderhavige procedure ten strijde is getrokken (zie voor die besluiten onder 2.1 sub (v) hiervoor: de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025). In rov. 4.39 neemt het hof dit besluit van 28 november 2024 als een gegeven. Het hof zegt daar dus niet dat in de onderhavige procedure de rechtsgeldigheid van dit besluit (vanwege de inhoud of totstandkoming ervan) ter discussie staat, noch neemt het hof daar een andere afslag in die richting (zoals dat dit besluit niet onherroepelijk is of niet in rechte vaststaat). 4.45.2 Iets anders is dat het hof, in het licht van rov. 4.38, in rov. 4.39 nog nader ingaat op de kwestie van de sideletter . En dat het hof daarbij, gezien ook rov. 4.37, in dit besluit van 28 november 2024: a. wél leest dat volgens de Licentiecommissie Vitesse geen partij was bij de overeenkomst tussen Common Group en VAI, het achterhouden (verzwijgen) door Common Group en VAI van de sideletter “binnen de risicosfeer” van Vitesse viel, en Vitesse zelf de sideletter heeft gemeld bij de KNVB; maar b.
Volledig
4.41.1 Het hof heeft miskend dat het gevolg van een in een reglement (zoals in het Licentiereglement) bestaande mogelijkheid van beroep bij een orgaan als de Beroepscommissie tegen een besluit van een orgaan als de Licentiecommissie, is dat het lid (de licentiehouder) dat geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid, niet ten overstaan van de civiele rechter zich erop kan beroepen dat het besluit van de Licentiecommissie naar inhoud en/of wijze van totstandkoming onjuist is en/of dat orgaan in redelijkheid (en naar billijkheid) niet tot dat besluit heeft kunnen komen. In die zin is dat besluit onherroepelijk en staat het in rechte vast. Dit geldt te meer/in ieder geval indien het reglement een bepaling bevat als art. 13 lid 13 Licentiereglement. 4.41.2 Nu Vitesse geen beroep instelde tegen het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, moest het hof ervan uitgaan dat dit besluit naar inhoud en wijze van totstandkoming juist is, althans dat de Licentiecommissie in redelijkheid en naar billijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. Dit besluit was voor het hof een gegeven en/althans het hof kon/mocht de gang van zaken rond de sideletter niet anders kwalificeren en/of beoordelen dan de Licentiecommissie in dit besluit heeft gedaan. Het hof heeft dit miskend met (onder meer) het oordeel, in de woorden van het sub-subonderdeel: “dat (a) Vitesse de gang van zaken rond de sideletter niet (voldoende) valt te verwijten en (b) (bijgevolg) onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem.” 4.41.3 “ “Gelet op het voorgaande” heeft het hof ook miskend dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluiten over de intrekking van de licentie uiteraard ook moesten, althans mochten, uitgaan van de juistheid van (de inhoud en totstandkoming van) het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024. Behandeling 4.42 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.43 In rov. 4.33-4.38 van het arrest gaat het hof in op de beoogde overdracht van alle gewone aandelen in Vitesse aan VAI (juli-oktober 2024). Ik citeer uit deze overwegingen: - Beoogde doorverkoop aan VAI (juli-oktober 2024) (…) 4.35. Vitesse raakte er medio oktober 2024 mee bekend dat VAI en Common Group - kennelijk op 1 juli 2024 - een vertrouwelijke afspraak hadden gemaakt. Die afspraak hield in dat VAI op verzoek van Common Group een (toekomstig) pandrecht kon vestigen op de aandelen-Vitesse ten behoeve van een derde aan wie de vorderingen van Common Group konden worden overgedragen. Vitesse was niet betrokken bij deze afspraak en zij was niet eerder dan 21 oktober 2024 hiervan op de hoogte. Op die dag heeft de advocaat van VAI de advocaat van Vitesse bevestigd dat er sprake was van een “sideletter”. Vitesse heeft daags daarna de Licentiecommissie hiervan op de hoogte gesteld. (…) 4.37. De Licentiecommissie heeft in haar besluit van 28 november 2024 over deze sideletter geoordeeld dat haar vertrouwen in Vitesse (opnieuw) is beschaamd en neemt “ het bestaan van de sideletter en het willens en wetens achterhouden daarvan zeer hoog op ”. De Licentiecommissie onderkende dat Vitesse geen partij was bij de overeenkomst tussen Common Group en VAI en dat Vitesse zelf de sideletter heeft gemeld, maar zij overwoog dat “ gedragingen van (voormalig) aandeelhouders, bestuurders en commissarissen van een BVO binnen de risicosfeer van een BVO vallen ”. Zij heeft Vitesse als sanctie hiervoor negen wedstrijdpunten in mindering opgelegd. Vitesse heeft geen beroep tegen dit besluit ingesteld, naar haar zeggen omdat zij herstel van haar moeizame relatie met de KNVB van groter gewicht vond dan een nieuwe juridische discussie met de Licentiecommissie. 4.38. De Licentiecommissie benoemde in haar intrekkingsbesluit van 10 juli 2025 de gang van zaken rond deze sideletter als een van de redenen voor intrekking van de licentie, met de constatering dat de sideletter in strijd is met de uitgangspunten en de veiligheidskleppen in het Herstructureringsplan 2024, omdat Common Group daardoor de mogelijkheid behield om invloed te behouden of verkrijgen. De Beroepscommissie kwalificeerde in haar besluit van 31 juli 2025 de gang van zaken rond de sideletter als een van de zeer ernstige overtredingen van Vitesse, omdat zij de sideletter in strijd met haar informatieplicht heeft verzwegen. 4.44 In rov. 4.39 gaat het hof hierop nader in. Ik citeer integraal: - Verzwijgen side-letter niet verwijtbaar 4.39. Naar het voorlopig oordeel van het hof is het Vitesse niet te verwijten dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Dit is Vitesse in ieder geval niet zodanig verwijtbaar dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie, te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024. Noch Common Group, noch VAI was - anders dan de Licentiecommissie overwoog - (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse. Dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had, maakt niet dat zij verantwoordelijk was voor haar handelen of nalaten, zeker niet zolang zij niet met dat handelen of nalaten bekend was of had moeten zijn. Daarbij moet worden bedacht dat, zoals de Licentiecommissie vaststelt, uit een e-mail tussen de advocaten van Common Group en VAI van 4 juli 2024 volgt dat zij de sideletter wilden achterhouden. Dat gold niet alleen voor de Beroepscommissie, maar ook voor Vitesse. Het hof begrijpt wel dat deze gang van zaken het vertrouwen van de Licentiecommissie heeft aangetast dat Vitesse een oplossing zou vinden in overeenstemming met de eisen van het Licentiereglement en het Herstructureringsplan 2024. De overweging van de Beroepscommissie dat Vitesse de sideletter tegenover de KNVB heeft verzwegen, vindt echter geen steun in de gestelde feiten. Vitesse heeft, op het moment dat zij - medio oktober 2024 - de beschikking kreeg over de sideletter, deze direct gedeeld met de KNVB. Voor het verwijt dat deze gang van zaken onderdeel zou zijn van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse ziet het hof geen aanknopingspunten. 4.45 Ik begin, tegen deze achtergrond, met de onder 4.41.1 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.45.1 Dit loopt vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Nergens daarin, ook niet in rov. 4.39, valt te lezen dat het hof een rechtsopvatting huldigt die contrair is aan wat het sub-subonderdeel hier voorstaat. Dat verrast niet, want zo’n opvatting hoefde het hof ook niet te huldigen. Het gaat het sub-subonderdeel hier om het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarover nader rov. 4.37. Dit is niet een van de besluiten van (een orgaan van) de KNVB waartegen Vitesse in de onderhavige procedure ten strijde is getrokken (zie voor die besluiten onder 2.1 sub (v) hiervoor: de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025). In rov. 4.39 neemt het hof dit besluit van 28 november 2024 als een gegeven. Het hof zegt daar dus niet dat in de onderhavige procedure de rechtsgeldigheid van dit besluit (vanwege de inhoud of totstandkoming ervan) ter discussie staat, noch neemt het hof daar een andere afslag in die richting (zoals dat dit besluit niet onherroepelijk is of niet in rechte vaststaat). 4.45.2 Iets anders is dat het hof, in het licht van rov. 4.38, in rov. 4.39 nog nader ingaat op de kwestie van de sideletter . En dat het hof daarbij, gezien ook rov. 4.37, in dit besluit van 28 november 2024: a. wél leest dat volgens de Licentiecommissie Vitesse geen partij was bij de overeenkomst tussen Common Group en VAI, het achterhouden (verzwijgen) door Common Group en VAI van de sideletter “binnen de risicosfeer” van Vitesse viel, en Vitesse zelf de sideletter heeft gemeld bij de KNVB; maar b.
Volledig
níet leest dat volgens de Licentiecommissie het feitelijk (ook) Vitesse zélf “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. 4.45.3 De onder b hiervoor bedoelde kwestie beziet het hof in rov. 4.39. De uitkomst daarvan is dus dat naar ’s hofs voorlopig oordeel Vitesse dit niet te verwijten is, in ieder geval niet zodanig dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van haar proflicentie (te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024). Wel is het zo dat het hof daarbij ervan uitgaat, “anders dan de Licentiecommissie overwoog” in haar besluit van 28 november 2024, dat Common Group noch VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was. Rechtens had het hof die ruimte evenwel, gegeven die uitleg door het hof van dit besluit. Dat volgens het hof de Licentiecommissie in dit besluit op dit punt anders “overwoog”, en dat Vitesse om de in rov. 4.37 genoemde reden geen beroep van dit besluit heeft ingesteld, maken niet dat het hof dit punt - van feitelijke aard - in de onderhavige procedure ‘dus’ niet zo kon vaststellen in het kader van voornoemde kwestie. Ik zie geen aanknopingspunten voor een daaraan in de weg staande ‘gezag van gewijsde’/’formele rechtskracht’-variant, het sub-subonderdeel biedt die ook niet. Hierbij zij nog bedacht dat die vaststelling van het hof (dus: dat Common Group noch VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was) strookt met het partijdebat in de onderhavige procedure. Zo is in hoger beroep door de KNVB onder meer opgemerkt dat het bij de sideletter ging “om iemand die aandeelhouder zou worden, een beoogd aandeelhouder dus, en een derde partij”. Die vaststelling van het hof ligt daarmee keurig in lijn. 4.45.4 Iets anders is ook dat het hof in rov. 4.39 gemotiveerd vaststelt dat de in rov. 4.38 gememoreerde overweging van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 dat Vitesse de sideletter tegenover de KNVB heeft verzwegen, geen steun vindt in de feiten. Dit betreft een ander besluit dan het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarop het sub-subonderdeel hier is ingestoken. Met die vaststelling brengt het hof niet meer of anders tot uitdrukking dan dat indien en voor zover de Beroepscommissie daarmee bedoelde dat Vitesse zélf informatie inzake de sideletter na bekendwording daarmee onder zich heeft gehouden, en zij in die zin feitelijk (ook) zélf verwijtbaar zou hebben gehandeld, dit laatste geen steun vindt in de feiten. Zie nader onder 4.58.2 hierna. 4.46 Dan de onder 4.41.2 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.46.1 Dat dit doel mist, volgt reeds uit 4.45-4.45.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting. 4.47 Tot slot de onder 4.41.3 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.47.1 Dit strandt - zo niet al vanwege het voortbouwkarakter ervan - in lijn met de onder 4.41.1-4.41.2 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus doel mist. Dit behoeft evenmin verdere toelichting. 4.48 Sub-subonderdeel 2.2.2 stelt, kort samengevat, (i) dat hof met het oordeel in rov. 4.39 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde maatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3” En (ii) dat de vereiste terughoudendheid en marginale toetsing hier te meer gelden, nu Vitesse geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarop het besluit over de intrekking dus mede berust. Behandeling 4.49 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.50 Wat betreft (i) geldt dat het sub-subonderdeel neerkomt op een herhaling van zetten, want in essentie terugvalt op onderdeel 1. Ik zette hiervoor al uiteen dat onderdeel 1 faalt. Zie, concluderend, onder 4.29 hiervoor. Het sub-subonderdeel deelt hier in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting. 4.51 Tot slot (ii). Dit maakt de uitkomst niet anders, nog los van de vraag of hier wordt voldaan aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Het sub-subonderdeel legt hier niet uit wat er dan precies zou schorten aan rov. 4.39 van het arrest. Ik zie ook niet dát het hof hier iets doet wat het niet had mogen doen. Dit volgt reeds uit mijn bespreking van onderdeel 1 en sub-subonderdeel 2.2.1 hiervoor. Dit behoeft evenmin verdere toelichting. 4.52 Sub-subonderdeel 2.2.3 stelt, kort samengevat, dat het (kennelijke) oordeel van het hof in rov. 4.39 in verbinding met rov. 4.37 van het arrest dat de Licentiecommissie in het besluit van 28 november 2024 heeft overwogen dat Common Group en/of VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris zijn/is van Vitesse, onjuist althans onbegrijpelijk is in licht van (de overwegingen in) dat besluit. In dat besluit heeft de Licentiecommissie overwogen dat “in ieder geval” (en dus niet uitsluitend) gedragingen van (voormalig) aandeelhouders, bestuurders en commissarissen van een BVO binnen de risicosfeer van een BVO vallen. Ook heeft zij in dit besluit onderkend dat Common Group en VAI dat niet zijn (want hen aangeduid als schuldeiser respectievelijk beoogd aandeelhouder), maar geoordeeld dat óók gedragingen van andere personen in de risicosfeer van een BVO kunnen vallen. Volgens de Licentiecommissie geldt dat in de gegeven omstandigheden voor de handelingen van de beoogde aandeelhouder, “VAI/ [betrokkene 5] ”; er is volgens haar hier sprake van een situatie die binnen de risicosfeer van Vitesse ligt. Behandeling 4.53 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.54 Ook als het zo zou zijn dat het hof met het bestreden oordeel het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024 verkeerd heeft begrepen, mist het sub-subonderdeel het vereiste belang. Ik licht toe. 4.54.1 Het hof onderzoekt in rov. 4.39 van het arrest, voor zover hier relevant en kort gezegd, of het feitelijk (ook) Vitesse zélf (in relevante mate) “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, zo blijkt uit rov. 4.39. Daarbij gaat het hof ervan uit dat dit verwijtbare handelen van beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group) inzake de sideletter hooguit binnen “de risicosfeer” van Vitesse valt, maar niet (ook) feitelijk verwijtbaar handelen van Vitesse zélf oplevert, wat naar de aard iets anders is. 4.54.2 In dit verband wijst het hof in rov. 4.39 erop: - dat VAI geen (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was; - dat de omstandigheid dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had, niet maakt dat Vitesse verantwoordelijk was voor het handelen van VAI, zeker niet zolang Vitesse niet met dat handelen bekend was of had moeten zijn; - dat, zoals de Licentiecommissie vaststelt, uit een e-mail tussen de advocaten van Common Group en VAI van 4 juli 2024 volgt dat zij de sideletter wilden achterhouden. 4.54.3 Hieruit volgt dat ook als het hof zou zijn uitgegaan van wat het sub-subonderdeel voorstaat, erop neerkomend dat het verwijtbare handelen van beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group) inzake de sideletter binnen “de risicosfeer” van Vitesse ligt, het hof voornoemde vraag niet anders had beantwoord. Daarmee valt reeds het doek voor het sub-subonderdeel. 4.55 Sub-subonderdeel 2.2.4 stelt dat het oordeel van het hof in rov. 4.39 van het arrest onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024. Terecht beziet het hof de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025 (mede) tegen de achtergrond van dit besluit van 28 november 2024. Het hof heeft evenwel een te beperkte en/of onjuiste althans onbegrijpelijke uitleg gegeven aan (het in) dit laatste besluit (aan Vitesse gemaakte verwijt). Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.
Volledig
níet leest dat volgens de Licentiecommissie het feitelijk (ook) Vitesse zélf “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. 4.45.3 De onder b hiervoor bedoelde kwestie beziet het hof in rov. 4.39. De uitkomst daarvan is dus dat naar ’s hofs voorlopig oordeel Vitesse dit niet te verwijten is, in ieder geval niet zodanig dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van haar proflicentie (te meer nu Vitesse voor deze gang van zaken al bestraft was door de Licentiecommissie in november 2024). Wel is het zo dat het hof daarbij ervan uitgaat, “anders dan de Licentiecommissie overwoog” in haar besluit van 28 november 2024, dat Common Group noch VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was. Rechtens had het hof die ruimte evenwel, gegeven die uitleg door het hof van dit besluit. Dat volgens het hof de Licentiecommissie in dit besluit op dit punt anders “overwoog”, en dat Vitesse om de in rov. 4.37 genoemde reden geen beroep van dit besluit heeft ingesteld, maken niet dat het hof dit punt - van feitelijke aard - in de onderhavige procedure ‘dus’ niet zo kon vaststellen in het kader van voornoemde kwestie. Ik zie geen aanknopingspunten voor een daaraan in de weg staande ‘gezag van gewijsde’/’formele rechtskracht’-variant, het sub-subonderdeel biedt die ook niet. Hierbij zij nog bedacht dat die vaststelling van het hof (dus: dat Common Group noch VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was) strookt met het partijdebat in de onderhavige procedure. Zo is in hoger beroep door de KNVB onder meer opgemerkt dat het bij de sideletter ging “om iemand die aandeelhouder zou worden, een beoogd aandeelhouder dus, en een derde partij”. Die vaststelling van het hof ligt daarmee keurig in lijn. 4.45.4 Iets anders is ook dat het hof in rov. 4.39 gemotiveerd vaststelt dat de in rov. 4.38 gememoreerde overweging van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 dat Vitesse de sideletter tegenover de KNVB heeft verzwegen, geen steun vindt in de feiten. Dit betreft een ander besluit dan het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarop het sub-subonderdeel hier is ingestoken. Met die vaststelling brengt het hof niet meer of anders tot uitdrukking dan dat indien en voor zover de Beroepscommissie daarmee bedoelde dat Vitesse zélf informatie inzake de sideletter na bekendwording daarmee onder zich heeft gehouden, en zij in die zin feitelijk (ook) zélf verwijtbaar zou hebben gehandeld, dit laatste geen steun vindt in de feiten. Zie nader onder 4.58.2 hierna. 4.46 Dan de onder 4.41.2 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.46.1 Dat dit doel mist, volgt reeds uit 4.45-4.45.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting. 4.47 Tot slot de onder 4.41.3 hiervoor bedoelde uitwerking. 4.47.1 Dit strandt - zo niet al vanwege het voortbouwkarakter ervan - in lijn met de onder 4.41.1-4.41.2 hiervoor bedoelde uitwerking, die dus doel mist. Dit behoeft evenmin verdere toelichting. 4.48 Sub-subonderdeel 2.2.2 stelt, kort samengevat, (i) dat hof met het oordeel in rov. 4.39 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde maatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3” En (ii) dat de vereiste terughoudendheid en marginale toetsing hier te meer gelden, nu Vitesse geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024, waarop het besluit over de intrekking dus mede berust. Behandeling 4.49 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.50 Wat betreft (i) geldt dat het sub-subonderdeel neerkomt op een herhaling van zetten, want in essentie terugvalt op onderdeel 1. Ik zette hiervoor al uiteen dat onderdeel 1 faalt. Zie, concluderend, onder 4.29 hiervoor. Het sub-subonderdeel deelt hier in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting. 4.51 Tot slot (ii). Dit maakt de uitkomst niet anders, nog los van de vraag of hier wordt voldaan aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Het sub-subonderdeel legt hier niet uit wat er dan precies zou schorten aan rov. 4.39 van het arrest. Ik zie ook niet dát het hof hier iets doet wat het niet had mogen doen. Dit volgt reeds uit mijn bespreking van onderdeel 1 en sub-subonderdeel 2.2.1 hiervoor. Dit behoeft evenmin verdere toelichting. 4.52 Sub-subonderdeel 2.2.3 stelt, kort samengevat, dat het (kennelijke) oordeel van het hof in rov. 4.39 in verbinding met rov. 4.37 van het arrest dat de Licentiecommissie in het besluit van 28 november 2024 heeft overwogen dat Common Group en/of VAI (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris zijn/is van Vitesse, onjuist althans onbegrijpelijk is in licht van (de overwegingen in) dat besluit. In dat besluit heeft de Licentiecommissie overwogen dat “in ieder geval” (en dus niet uitsluitend) gedragingen van (voormalig) aandeelhouders, bestuurders en commissarissen van een BVO binnen de risicosfeer van een BVO vallen. Ook heeft zij in dit besluit onderkend dat Common Group en VAI dat niet zijn (want hen aangeduid als schuldeiser respectievelijk beoogd aandeelhouder), maar geoordeeld dat óók gedragingen van andere personen in de risicosfeer van een BVO kunnen vallen. Volgens de Licentiecommissie geldt dat in de gegeven omstandigheden voor de handelingen van de beoogde aandeelhouder, “VAI/ [betrokkene 5] ”; er is volgens haar hier sprake van een situatie die binnen de risicosfeer van Vitesse ligt. Behandeling 4.53 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende. 4.54 Ook als het zo zou zijn dat het hof met het bestreden oordeel het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024 verkeerd heeft begrepen, mist het sub-subonderdeel het vereiste belang. Ik licht toe. 4.54.1 Het hof onderzoekt in rov. 4.39 van het arrest, voor zover hier relevant en kort gezegd, of het feitelijk (ook) Vitesse zélf (in relevante mate) “te verwijten” is dat VAI buiten het zicht van Vitesse een sideletter met Common Group sloot en deze kennelijk geheim heeft weten te houden voor Vitesse. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, zo blijkt uit rov. 4.39. Daarbij gaat het hof ervan uit dat dit verwijtbare handelen van beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group) inzake de sideletter hooguit binnen “de risicosfeer” van Vitesse valt, maar niet (ook) feitelijk verwijtbaar handelen van Vitesse zélf oplevert, wat naar de aard iets anders is. 4.54.2 In dit verband wijst het hof in rov. 4.39 erop: - dat VAI geen (voormalig) aandeelhouder, bestuurder of commissaris van Vitesse was; - dat de omstandigheid dat Vitesse VAI als mogelijk aandeelhouder op het oog had, niet maakt dat Vitesse verantwoordelijk was voor het handelen van VAI, zeker niet zolang Vitesse niet met dat handelen bekend was of had moeten zijn; - dat, zoals de Licentiecommissie vaststelt, uit een e-mail tussen de advocaten van Common Group en VAI van 4 juli 2024 volgt dat zij de sideletter wilden achterhouden. 4.54.3 Hieruit volgt dat ook als het hof zou zijn uitgegaan van wat het sub-subonderdeel voorstaat, erop neerkomend dat het verwijtbare handelen van beoogd aandeelhouder VAI (samen met Common Group) inzake de sideletter binnen “de risicosfeer” van Vitesse ligt, het hof voornoemde vraag niet anders had beantwoord. Daarmee valt reeds het doek voor het sub-subonderdeel. 4.55 Sub-subonderdeel 2.2.4 stelt dat het oordeel van het hof in rov. 4.39 van het arrest onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van het besluit van de Licentiecommissie van 28 november 2024. Terecht beziet het hof de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025 (mede) tegen de achtergrond van dit besluit van 28 november 2024. Het hof heeft evenwel een te beperkte en/of onjuiste althans onbegrijpelijke uitleg gegeven aan (het in) dit laatste besluit (aan Vitesse gemaakte verwijt). Dit werkt het sub-subonderdeel, kort samengevat, als volgt uit.