Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:441
Strafrecht
26,293 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:441 text/xml public 2026-05-20T14:16:01 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/04186 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:441 text/html public 2026-05-20T14:07:23 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:441 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/04186 Conclusie AG. Mensenhandel door uitbuiten van vijf huishoudelijke hulpen uit Indonesië (art. 273f Sr). Vervolg na vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:157). M1 over de bewustheid bij verdachte van de uitbuitingsmiddelen. M2 over de redelijke termijn, waaronder de vraag of het hof voldoende inzicht heeft gegeven in de mate van compensatie die het heeft geboden voor de overschrijding van de redelijke termijn. M1 faalt en M2 hoeft niet tot cassatie te leiden. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/0185. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04186 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 6 november 2024 door het gerechtshof Amsterdam , wegens “mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/04185. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 De procesgang 2.1 De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder meer) het meermalen medeplegen van mensenhandel. De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 9 december 2021 vrijgesproken van (onder meer) het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel (en hem veroordeeld voor het overige ten laste gelegde feit). De advocaat-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. 2.2 Bij arrest van 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:157 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd omdat – kort gezegd – de vrijspraak “kennelijk op de onjuiste opvatting [berust] dat slechts de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting en dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, daarom geen bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel toelaten”. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, “maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging” en wees de zaak terug naar het hof Amsterdam “opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan”. Na terugwijzing heeft het hof de verdachte veroordeeld voor het meermalen medeplegen van mensenhandel, tegen welke veroordeling het huidige cassatieberoep zich richt. 3 Het eerste middel 3.1 In het middel wordt ten eerste geklaagd dat de bewezenverklaring van (de wetenschap van) de ‘uitbuitingsmiddelen’, te weten misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik maken van een kwetsbare positie, onjuist dan wel onbegrijpelijk is althans onvoldoende met redenen is omkleed, en ten tweede dat de bewezenverklaring van het medeplegen van uitbuiting uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is of onvoldoende met redenen is omkleed. 3.2 Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat: “1.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:441 text/xml public 2026-05-20T14:16:01 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/04186 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:441 text/html public 2026-05-20T14:07:23 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:441 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/04186 Conclusie AG. Mensenhandel door uitbuiten van vijf huishoudelijke hulpen uit Indonesië (art. 273f Sr). Vervolg na vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:157). M1 over de bewustheid bij verdachte van de uitbuitingsmiddelen. M2 over de redelijke termijn, waaronder de vraag of het hof voldoende inzicht heeft gegeven in de mate van compensatie die het heeft geboden voor de overschrijding van de redelijke termijn. M1 faalt en M2 hoeft niet tot cassatie te leiden. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/0185. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04186 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 6 november 2024 door het gerechtshof Amsterdam , wegens “mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/04185. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 De procesgang 2.1 De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder meer) het meermalen medeplegen van mensenhandel. De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 9 december 2021 vrijgesproken van (onder meer) het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel (en hem veroordeeld voor het overige ten laste gelegde feit). De advocaat-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. 2.2 Bij arrest van 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:157 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd omdat – kort gezegd – de vrijspraak “kennelijk op de onjuiste opvatting [berust] dat slechts de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting en dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, daarom geen bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel toelaten”. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, “maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging” en wees de zaak terug naar het hof Amsterdam “opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan”. Na terugwijzing heeft het hof de verdachte veroordeeld voor het meermalen medeplegen van mensenhandel, tegen welke veroordeling het huidige cassatieberoep zich richt. 3 Het eerste middel 3.1 In het middel wordt ten eerste geklaagd dat de bewezenverklaring van (de wetenschap van) de ‘uitbuitingsmiddelen’, te weten misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik maken van een kwetsbare positie, onjuist dan wel onbegrijpelijk is althans onvoldoende met redenen is omkleed, en ten tweede dat de bewezenverklaring van het medeplegen van uitbuiting uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is of onvoldoende met redenen is omkleed. 3.2 Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat: “1.
Volledig
hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 in Nederland en/of te Indonesië en/of te Frankrijk en/of te België tezamen en in vereniging met een ander, [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] en voornoemde [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: huishoudelijke werkzaamheden en/of au pair werkzaamheden, en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander ten aanzien van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] , terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en/of de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en/of in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen of de Nederlandse en/of de Engelse taal niet machtig waren en de weg in Nederland niet kenden - al dan niet via een tussenpersoon contact gelegd met die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gevraagd of zij bij hem en zijn mededader in Nederland in de huishouding en/of als au pair wilden werken en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gezegd dat zij 300 euro en/of 350 euro en/of zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en/of met (lichte) hulp in het huishouden en/of dat zij eens per twee weken een vrije dag zouden hebben en/of tegen extra betaling elke dag zouden werken en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gezegd dat hij, verdachte en zijn mededader, de reiskosten voor die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] van Indonesië naar Nederland zouden betalen en vervolgens het visum en het ticket voor de reis van Indonesië naar Nederland geregeld en bekostigd en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] in Parijs en/of België en/of van Schiphol opgehaald en per auto of per trein naar zijn, verdachtes en zijn mededaders’ woning gebracht en vervolgens aldaar gehuisvest in de woning (aan de) [a-straat] te [plaats] en - het paspoort van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] in bewaring genomen en op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat laten werken en een afhankelijkheidspositie voor die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gecreëerd en in stand gehouden en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] weinig salaris betaald en [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] duidelijk gemaakt dat zij hem, verdachte en/of zijn mededader nog een groot geldbedrag moesten betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zouden gaan en zodoende aangemoedigd om bij hem, verdachte en zijn mededader te blijven wonen en te blijven werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en omstandigheden voor die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] een afhankelijkheidssituatie is ontstaan, waaraan zij zich niet hebben kunnen onttrekken.” 3.3 Deze bewezenverklaring berust op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen, naar de inhoud waarvan ik hier grotendeels verwijs en waarvan ik slechts de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte en van [medeverdachte] aanhaal: “ 1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 juni 2017. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Toen de inval kwam waren [aangeefster 5] en [aangeefster 4] bij ons in huis (het hof begrijpt: [a-straat 1] in [plaats] ). Mijn echtgenote heeft het geregeld. Ze hielpen met het passen op de kinderen en ze hielpen in de huishouding. Halverwege maart 2014 kwamen deze twee vrouwen uit Indonesië. We hebben hen opgehaald van het vliegveld bij Brussel. Ik was toen de kostwinner van het gezin. Ik heb zicht op mijn bankrekening. Ook de drie andere vrouwen hebben geholpen in de huishouding en alle drie woonden ze een tijd bij ons in. Ook zij kwamen uit Indonesië. De vrouwen deden licht huishoudelijk werk. U vraagt of de vrouwen weleens alleen buiten kwanten. Soms wel, soms niet. Ze gingen met de kinderen naar buiten en met mijn vrouw. Het salaris voor de maand april 2014 is niet uitbetaald aan [aangeefster 4] en [aangeefster 5] . Ik wist dat de paspoorten van de vrouwen in de kast lagen. Dat vonden we veilig. Met [naam 2] heb ik ruzie gehad. Diezelfde ochtend was ze vertrokken. De treinkaartjes van Paris Nord naar Schiphol staan op mijn naam maar ik heb niet gereisd. Dat was mijn vrouw. Over mijn financiën kan ik het volgende vertellen: privé heb ik geen boekhouder. Ik heb misschien wel tien bankrekeningen, in sommige gevallen op naam van mij en mijn vrouw. Wij zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Ik houd de financiële administratie van het gezin bij en ik doe de belastingaangifte. Mijn vrouw kan beschikken over de rekening. We hebben een jong gezin, met kleine kinderen. Mijn vrouw zou nooit haar kinderen naar een opvang in Nederland brengen. Zij is thuis en de kinderen zijn ook thuis. Dat heeft met cultuurverschil te maken en met opvattingen over hygiëne. We moesten dus hulp organiseren. Ik liet dat aan mijn vrouw over. Zij heeft lokaal hulp gezocht, maar mensen kunnen niet altijd en mijn vrouw wilde iemand in huis zoals zij dat vroeger zelf ook gewend was in Indonesië. De mensen moesten vanuit Indonesië naar Nederland komen. Een tante heeft een tijdje geholpen en er waren wat Indonesische mensen die in Nederland wonen en hielpen, maar die mensen waren niet ook ’s nachts aanwezig. Het was om die reden toch een heel andere situatie. Als een van onze kinderen ’s nachts een ernstige aanval krijgt van benauwdheid moeten we acuut met dat kind naar het ziekenhuis kunnen gaan. 2. De verklaring van de getuige [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik ben getrouwd met [verdachte] en wij hebben samen drie kinderen. In de ten laste gelegde periode woonden wij in [plaats] . Ik ben in 1992 naar Nederland geëmigreerd. Ik heb enige tijd gewerkt in Nederland. Ik wilde Indonesische nanny's in huis. Er zijn in Nederland ook Indonesische nanny's, maar zij kunnen niet bij mij overnachten. Ik zocht mensen die ook ‘s nachts beschikbaar waren, omdat mijn kinderen ziek zijn en soms in de nacht naar het ziekenhuis moesten. Ik heb mij niet bezig gehouden met de regels voor de aanvraag van een visum of een tewerkstellingsvergunning. Een agency in Indonesië stuurde de aangeefsters naar Nederland. Zij regelden alles. Ik betaalde de agency geld voor het regelen van documenten en een ticket. Niemand hoefde iets te betalen voor de reis. Ik betaalde alles omdat ik hun hulp nodig had.
Volledig
hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 in Nederland en/of te Indonesië en/of te Frankrijk en/of te België tezamen en in vereniging met een ander, [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] en voornoemde [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: huishoudelijke werkzaamheden en/of au pair werkzaamheden, en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander ten aanzien van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] , terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en/of de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en/of in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen of de Nederlandse en/of de Engelse taal niet machtig waren en de weg in Nederland niet kenden - al dan niet via een tussenpersoon contact gelegd met die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gevraagd of zij bij hem en zijn mededader in Nederland in de huishouding en/of als au pair wilden werken en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gezegd dat zij 300 euro en/of 350 euro en/of zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en/of met (lichte) hulp in het huishouden en/of dat zij eens per twee weken een vrije dag zouden hebben en/of tegen extra betaling elke dag zouden werken en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gezegd dat hij, verdachte en zijn mededader, de reiskosten voor die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] van Indonesië naar Nederland zouden betalen en vervolgens het visum en het ticket voor de reis van Indonesië naar Nederland geregeld en bekostigd en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] in Parijs en/of België en/of van Schiphol opgehaald en per auto of per trein naar zijn, verdachtes en zijn mededaders’ woning gebracht en vervolgens aldaar gehuisvest in de woning (aan de) [a-straat] te [plaats] en - het paspoort van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] in bewaring genomen en op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat laten werken en een afhankelijkheidspositie voor die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gecreëerd en in stand gehouden en - die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] weinig salaris betaald en [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] duidelijk gemaakt dat zij hem, verdachte en/of zijn mededader nog een groot geldbedrag moesten betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zouden gaan en zodoende aangemoedigd om bij hem, verdachte en zijn mededader te blijven wonen en te blijven werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en omstandigheden voor die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] een afhankelijkheidssituatie is ontstaan, waaraan zij zich niet hebben kunnen onttrekken.” 3.3 Deze bewezenverklaring berust op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen, naar de inhoud waarvan ik hier grotendeels verwijs en waarvan ik slechts de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte en van [medeverdachte] aanhaal: “ 1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 juni 2017. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Toen de inval kwam waren [aangeefster 5] en [aangeefster 4] bij ons in huis (het hof begrijpt: [a-straat 1] in [plaats] ). Mijn echtgenote heeft het geregeld. Ze hielpen met het passen op de kinderen en ze hielpen in de huishouding. Halverwege maart 2014 kwamen deze twee vrouwen uit Indonesië. We hebben hen opgehaald van het vliegveld bij Brussel. Ik was toen de kostwinner van het gezin. Ik heb zicht op mijn bankrekening. Ook de drie andere vrouwen hebben geholpen in de huishouding en alle drie woonden ze een tijd bij ons in. Ook zij kwamen uit Indonesië. De vrouwen deden licht huishoudelijk werk. U vraagt of de vrouwen weleens alleen buiten kwanten. Soms wel, soms niet. Ze gingen met de kinderen naar buiten en met mijn vrouw. Het salaris voor de maand april 2014 is niet uitbetaald aan [aangeefster 4] en [aangeefster 5] . Ik wist dat de paspoorten van de vrouwen in de kast lagen. Dat vonden we veilig. Met [naam 2] heb ik ruzie gehad. Diezelfde ochtend was ze vertrokken. De treinkaartjes van Paris Nord naar Schiphol staan op mijn naam maar ik heb niet gereisd. Dat was mijn vrouw. Over mijn financiën kan ik het volgende vertellen: privé heb ik geen boekhouder. Ik heb misschien wel tien bankrekeningen, in sommige gevallen op naam van mij en mijn vrouw. Wij zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Ik houd de financiële administratie van het gezin bij en ik doe de belastingaangifte. Mijn vrouw kan beschikken over de rekening. We hebben een jong gezin, met kleine kinderen. Mijn vrouw zou nooit haar kinderen naar een opvang in Nederland brengen. Zij is thuis en de kinderen zijn ook thuis. Dat heeft met cultuurverschil te maken en met opvattingen over hygiëne. We moesten dus hulp organiseren. Ik liet dat aan mijn vrouw over. Zij heeft lokaal hulp gezocht, maar mensen kunnen niet altijd en mijn vrouw wilde iemand in huis zoals zij dat vroeger zelf ook gewend was in Indonesië. De mensen moesten vanuit Indonesië naar Nederland komen. Een tante heeft een tijdje geholpen en er waren wat Indonesische mensen die in Nederland wonen en hielpen, maar die mensen waren niet ook ’s nachts aanwezig. Het was om die reden toch een heel andere situatie. Als een van onze kinderen ’s nachts een ernstige aanval krijgt van benauwdheid moeten we acuut met dat kind naar het ziekenhuis kunnen gaan. 2. De verklaring van de getuige [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Ik ben getrouwd met [verdachte] en wij hebben samen drie kinderen. In de ten laste gelegde periode woonden wij in [plaats] . Ik ben in 1992 naar Nederland geëmigreerd. Ik heb enige tijd gewerkt in Nederland. Ik wilde Indonesische nanny's in huis. Er zijn in Nederland ook Indonesische nanny's, maar zij kunnen niet bij mij overnachten. Ik zocht mensen die ook ‘s nachts beschikbaar waren, omdat mijn kinderen ziek zijn en soms in de nacht naar het ziekenhuis moesten. Ik heb mij niet bezig gehouden met de regels voor de aanvraag van een visum of een tewerkstellingsvergunning. Een agency in Indonesië stuurde de aangeefsters naar Nederland. Zij regelden alles. Ik betaalde de agency geld voor het regelen van documenten en een ticket. Niemand hoefde iets te betalen voor de reis. Ik betaalde alles omdat ik hun hulp nodig had.
Volledig
Het was voor de aangeefsters onmogelijk om het zelf te betalen en ik vond het zielig dat zij misschien iets moesten verkopen om de reis te kunnen betalen. Vrouwen die als nanny werkzaam zijn, hebben het niet breed. U vraagt mij naar van de illegale status van de aangeefsters in Nederland. Ze hadden geen papieren toen ze aankwamen in Nederland. Ik heb telefonisch contact gehad met alle aangeefsters om kennis te maken. We bespraken wat de bedoeling was. Ik heb telefonisch met de aangeefsters besproken wat zij zouden gaan verdienen. Dat was rond de vijf à zes miljoen roepia per maand. Dat is ongeveer 350 euro per maand. Wij hadden afgesproken dat de aangeefsters twee vrije dagen per maand zouden krijgen. Als ze deze vrije dagen niet zouden opnemen, kregen zij extra geld. Ik heb nooit arbeidscontracten opgesteld. De aangeefsters moesten beschikbaar zijn vanaf het moment dat zij ‘s ochtends opstonden. Na het ontbijt gingen ze aan het werk. Ik sliep dan nog. We hebben geen werktijden afgesproken. Overdag sliepen de aangeefsters met de kinderen, want daar werden mijn kinderen rustig van. Dus als de kinderen sliepen overdag, sliepen de aangeefsters ook. Ik sprak Indonesisch met de aangeefsters. Toen ze bij mij werkten hebben ze nooit gezegd dat zij Nederlands wilden leren. Ik betaalde alles voor de aangeefsters. Ik heb de paspoorten van de aangeefsters ingenomen. Het was ook veiliger om de paspoorten onder mij te nemen omdat ze mijn kinderen dan niet mee konden nemen naar Indonesië. [aangeefster 1] had een lening bij mij. Wij hadden een gezamenlijk spaarsysteem, Arisan. Ik had met sommige aangeefsters afgesproken dat ik hun salaris onder mij zou houden en aan het einde van hun verblijf zou uitbetalen. Het klopt dat [aangeefster 2] mij later nog heeft geholpen toen [aangeefster 3] van de trap was gevallen. Ik had haar nodig. [aangeefster 2] kreeg ruzie met mijn man en is toen vertrokken, nog voor ik haar kon betalen. [aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben de maand april nog niet uitbetaald gekregen. Mijn man is met mij meegegaan om [aangeefster 1] op te halen. Hij was blij dat er een nieuwe nanny uit Indonesië kwam. De aangeefsters hadden twee vrije dagen in de maand. De overige dagen werkten ze. Het betrof een werkweek van zeven dagen. De hulp van de aangeefsters zag er als volgt uit. Zij pasten op mijn kinderen. Als de kinderen een aanval kregen was dat meestal in de nacht. Verder deden zij de was met de wasmachine en stofzuigden zij misschien eenmaal per week. Zij gingen misschien alleen zelfstandig naar buiten om met de kinderen naar de speeltuin te gaan. De aangeefsters hadden rust als de kinderen sliepen. Ik vroeg ze om mee te gaan met de kinderen, want dan werden de kinderen rustig. Ik heb de komst van de aangeefsters geregeld met het geld van onze gezamenlijke rekening. Ik bepaalde alles en betaalde met zijn geld. Ik zei tegen [verdachte] dat ik geld nodig had voor nanny’s. Wij hadden een gezamenlijke rekening. Ik heb van die rekening geleend en betaalde daarvan mijn tante, zodat de aangeefsters naar Nederland konden komen. [verdachte] is met mij meegegaan toen ik [aangeefster 4] en [aangeefster 5] heb opgehaald in België.” 3.4 Voorts heeft het hof in het arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen: “ Opzet Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’-handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling. Naast dit opzetvereiste geldt een ander, zwaarder opzetvereiste ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting. Feiten en omstandigheden Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De medeverdachte [medeverdachte] is geboren in Indonesië en op haar negentiende naar Nederland geëmigreerd. Ten tijde van het tenlastegelegde woonde zij inmiddels zo’n 20 jaar in Nederland. Zij is getrouwd met de verdachte [verdachte] . Samen hebben zij drie kinderen: [kind 1] (geboren op [geboortedatum] 2010), [kind 2] (geboren op [geboortedatum] 2012) en [kind 3] (geboren in 2014, na de ten laste gelegde periode). [medeverdachte] heeft daarnaast nog een zoon uit een vorige relatie: [kind 4] (geboren op [geboortedatum] 1992). In de ten laste gelegde periode was het gezin woonachtig op het adres [a-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte] en [verdachte] zochten hulp bij de verzorging van hun jonge kinderen. Vanwege de medische problemen van hun kinderen, zochten zij iemand die ook ’s nachts beschikbaar was. Omdat het in Nederland moeilijk was om dergelijke hulp te vinden, heeft [medeverdachte] daartoe contact gelegd met tussenpersonen in Indonesië. Uiteindelijk zijn de aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] (hierna: de aangeefsters) allen op enig moment in de ten laste gelegde periode naar Nederland gekomen, met als doel geld te verdienen met hun werkzaamheden voor [medeverdachte] en [verdachte] . Zij leefden in hun land van herkomst in armoedige omstandigheden en waren dringend op zoek naar werk om hun families financieel te ondersteunen. De aangeefsters zijn met toeristenvisa of transitvisa naar Nederland gereisd. Er is hen geen andere verblijfsrechtelijke titel verleend en er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd. [medeverdachte] en [verdachte] hebben de reis naar Nederland bekostigd. Voorafgaand aan de komst naar Nederland heeft [medeverdachte] telefonisch contact gehad met elk van de aangeefsters. Voor geen van de aangeefsters is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Er waren geen werktijden afgesproken. Wel werden de volgende mondelinge afspraken gemaakt. De aangeefsters zouden bij een werkweek van zeven dagen twee vrije dagen per maand krijgen. Als de aangeefsters op die vrije dagen toch werkten, zouden zij extra geld krijgen. [medeverdachte] heeft met de aangeefsters afgesproken dat zij een salaris van ongeveer 350 euro per maand zouden verdienen. Toen de aangeefsters ieder voor zich op enig moment in de ten laste gelegde periode aankwamen in Europa (in Parijs, België of op Schiphol), haalde [medeverdachte] , al dan niet samen met [verdachte] , de aangeefsters op en bracht hen naar hun woning in [plaats] . De aangeefsters hebben allen vervolgens enige tijd gewoond en gewerkt in die woning van de verdachten. De kosten van eten en inwoning werden door [medeverdachte] en [verdachte] gedragen. Hun salaris -voor zover dit werd uitbetaald- werd steeds overgemaakt op rekeningen van anderen dan van aangeefsters, zodat aangeefsters er zelf niet over beschikten. De werkzaamheden van de aangeefsters bestonden uit het zorgen voor (één van) de kinderen van [medeverdachte] en [verdachte] , en taken van huishoudelijke aard. Zoals [medeverdachte] zelf heeft verklaard, moesten de aangeefsters zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Overdag en ’s avonds verrichtten de aangeefsters huishoudelijke taken en/of pasten op de kinderen. Op grond van de verklaringen van de aangeefsters gaat het hof ervan uit dat dat minstens twaalf uur per dag het geval was. Dit aantal uur heeft de verdachte overigens ook niet betwist. Het hof sluit niet uit dat de aangeefsters, zoals door de verdediging is aangevoerd, tussendoor af en toe tijd hadden om op de bank te zitten, te eten of gebruik te maken van hun telefoon. Vaststaat echter dat de aangeefsters ook tijdens die momenten beschikbaar moesten zijn. Dit geldt ook voor het door de verdediging naar voren gebrachte rustmoment tijdens het slapen van de kinderen overdag. Op dat moment hadden de aangeefsters nog steeds niet de vrijheid om te doen wat zij wilden. Zij moesten in de kamer met de kinderen blijven en stil zijn om de kinderen niet wakker te maken.
Volledig
Het was voor de aangeefsters onmogelijk om het zelf te betalen en ik vond het zielig dat zij misschien iets moesten verkopen om de reis te kunnen betalen. Vrouwen die als nanny werkzaam zijn, hebben het niet breed. U vraagt mij naar van de illegale status van de aangeefsters in Nederland. Ze hadden geen papieren toen ze aankwamen in Nederland. Ik heb telefonisch contact gehad met alle aangeefsters om kennis te maken. We bespraken wat de bedoeling was. Ik heb telefonisch met de aangeefsters besproken wat zij zouden gaan verdienen. Dat was rond de vijf à zes miljoen roepia per maand. Dat is ongeveer 350 euro per maand. Wij hadden afgesproken dat de aangeefsters twee vrije dagen per maand zouden krijgen. Als ze deze vrije dagen niet zouden opnemen, kregen zij extra geld. Ik heb nooit arbeidscontracten opgesteld. De aangeefsters moesten beschikbaar zijn vanaf het moment dat zij ‘s ochtends opstonden. Na het ontbijt gingen ze aan het werk. Ik sliep dan nog. We hebben geen werktijden afgesproken. Overdag sliepen de aangeefsters met de kinderen, want daar werden mijn kinderen rustig van. Dus als de kinderen sliepen overdag, sliepen de aangeefsters ook. Ik sprak Indonesisch met de aangeefsters. Toen ze bij mij werkten hebben ze nooit gezegd dat zij Nederlands wilden leren. Ik betaalde alles voor de aangeefsters. Ik heb de paspoorten van de aangeefsters ingenomen. Het was ook veiliger om de paspoorten onder mij te nemen omdat ze mijn kinderen dan niet mee konden nemen naar Indonesië. [aangeefster 1] had een lening bij mij. Wij hadden een gezamenlijk spaarsysteem, Arisan. Ik had met sommige aangeefsters afgesproken dat ik hun salaris onder mij zou houden en aan het einde van hun verblijf zou uitbetalen. Het klopt dat [aangeefster 2] mij later nog heeft geholpen toen [aangeefster 3] van de trap was gevallen. Ik had haar nodig. [aangeefster 2] kreeg ruzie met mijn man en is toen vertrokken, nog voor ik haar kon betalen. [aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben de maand april nog niet uitbetaald gekregen. Mijn man is met mij meegegaan om [aangeefster 1] op te halen. Hij was blij dat er een nieuwe nanny uit Indonesië kwam. De aangeefsters hadden twee vrije dagen in de maand. De overige dagen werkten ze. Het betrof een werkweek van zeven dagen. De hulp van de aangeefsters zag er als volgt uit. Zij pasten op mijn kinderen. Als de kinderen een aanval kregen was dat meestal in de nacht. Verder deden zij de was met de wasmachine en stofzuigden zij misschien eenmaal per week. Zij gingen misschien alleen zelfstandig naar buiten om met de kinderen naar de speeltuin te gaan. De aangeefsters hadden rust als de kinderen sliepen. Ik vroeg ze om mee te gaan met de kinderen, want dan werden de kinderen rustig. Ik heb de komst van de aangeefsters geregeld met het geld van onze gezamenlijke rekening. Ik bepaalde alles en betaalde met zijn geld. Ik zei tegen [verdachte] dat ik geld nodig had voor nanny’s. Wij hadden een gezamenlijke rekening. Ik heb van die rekening geleend en betaalde daarvan mijn tante, zodat de aangeefsters naar Nederland konden komen. [verdachte] is met mij meegegaan toen ik [aangeefster 4] en [aangeefster 5] heb opgehaald in België.” 3.4 Voorts heeft het hof in het arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen: “ Opzet Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’-handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling. Naast dit opzetvereiste geldt een ander, zwaarder opzetvereiste ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting. Feiten en omstandigheden Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De medeverdachte [medeverdachte] is geboren in Indonesië en op haar negentiende naar Nederland geëmigreerd. Ten tijde van het tenlastegelegde woonde zij inmiddels zo’n 20 jaar in Nederland. Zij is getrouwd met de verdachte [verdachte] . Samen hebben zij drie kinderen: [kind 1] (geboren op [geboortedatum] 2010), [kind 2] (geboren op [geboortedatum] 2012) en [kind 3] (geboren in 2014, na de ten laste gelegde periode). [medeverdachte] heeft daarnaast nog een zoon uit een vorige relatie: [kind 4] (geboren op [geboortedatum] 1992). In de ten laste gelegde periode was het gezin woonachtig op het adres [a-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte] en [verdachte] zochten hulp bij de verzorging van hun jonge kinderen. Vanwege de medische problemen van hun kinderen, zochten zij iemand die ook ’s nachts beschikbaar was. Omdat het in Nederland moeilijk was om dergelijke hulp te vinden, heeft [medeverdachte] daartoe contact gelegd met tussenpersonen in Indonesië. Uiteindelijk zijn de aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] (hierna: de aangeefsters) allen op enig moment in de ten laste gelegde periode naar Nederland gekomen, met als doel geld te verdienen met hun werkzaamheden voor [medeverdachte] en [verdachte] . Zij leefden in hun land van herkomst in armoedige omstandigheden en waren dringend op zoek naar werk om hun families financieel te ondersteunen. De aangeefsters zijn met toeristenvisa of transitvisa naar Nederland gereisd. Er is hen geen andere verblijfsrechtelijke titel verleend en er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd. [medeverdachte] en [verdachte] hebben de reis naar Nederland bekostigd. Voorafgaand aan de komst naar Nederland heeft [medeverdachte] telefonisch contact gehad met elk van de aangeefsters. Voor geen van de aangeefsters is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Er waren geen werktijden afgesproken. Wel werden de volgende mondelinge afspraken gemaakt. De aangeefsters zouden bij een werkweek van zeven dagen twee vrije dagen per maand krijgen. Als de aangeefsters op die vrije dagen toch werkten, zouden zij extra geld krijgen. [medeverdachte] heeft met de aangeefsters afgesproken dat zij een salaris van ongeveer 350 euro per maand zouden verdienen. Toen de aangeefsters ieder voor zich op enig moment in de ten laste gelegde periode aankwamen in Europa (in Parijs, België of op Schiphol), haalde [medeverdachte] , al dan niet samen met [verdachte] , de aangeefsters op en bracht hen naar hun woning in [plaats] . De aangeefsters hebben allen vervolgens enige tijd gewoond en gewerkt in die woning van de verdachten. De kosten van eten en inwoning werden door [medeverdachte] en [verdachte] gedragen. Hun salaris -voor zover dit werd uitbetaald- werd steeds overgemaakt op rekeningen van anderen dan van aangeefsters, zodat aangeefsters er zelf niet over beschikten. De werkzaamheden van de aangeefsters bestonden uit het zorgen voor (één van) de kinderen van [medeverdachte] en [verdachte] , en taken van huishoudelijke aard. Zoals [medeverdachte] zelf heeft verklaard, moesten de aangeefsters zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Overdag en ’s avonds verrichtten de aangeefsters huishoudelijke taken en/of pasten op de kinderen. Op grond van de verklaringen van de aangeefsters gaat het hof ervan uit dat dat minstens twaalf uur per dag het geval was. Dit aantal uur heeft de verdachte overigens ook niet betwist. Het hof sluit niet uit dat de aangeefsters, zoals door de verdediging is aangevoerd, tussendoor af en toe tijd hadden om op de bank te zitten, te eten of gebruik te maken van hun telefoon. Vaststaat echter dat de aangeefsters ook tijdens die momenten beschikbaar moesten zijn. Dit geldt ook voor het door de verdediging naar voren gebrachte rustmoment tijdens het slapen van de kinderen overdag. Op dat moment hadden de aangeefsters nog steeds niet de vrijheid om te doen wat zij wilden. Zij moesten in de kamer met de kinderen blijven en stil zijn om de kinderen niet wakker te maken.
Volledig
De verdachten hielden er rekening mee dat een van de kinderen in de nacht naar het ziekenhuis gebracht moest worden en wilden voor die mogelijkheid dat er ook ’s nachts hulp van aangeefsters beschikbaar was. De aangeefsters spraken de Nederlandse taal niet. Zij begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning. Ook moesten de aangeefsters hun paspoort aan [medeverdachte] afgeven. Het hof gaat, anders dan de verdediging, ervan uit dat de aangeefsters hierna niet de beschikking hadden over hun paspoort. In dat verband acht het hof met name van belang dat [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 heeft verklaard dat het veiliger was om de paspoorten onder haar te nemen omdat de aangeefsters haar kinderen dan niet konden meenemen naar Indonesië. Met deze doelstelling van het innemen van de paspoorten ligt het, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet voor de hand dat de aangeefsters hun paspoort tot hun eigen beschikking hadden. Daar komt nog bij dat enkele aangeefsters het gezin hebben verlaten en daarna zijn aangetroffen zonder hun paspoort. Het hof hecht daarom waarde aan de verklaringen van de aangeefsters dat zij geen beschikking hadden over hun paspoort en deze ook niet kregen wanneer zij [medeverdachte] daar om vroegen. [aangeefster 1] was in de periode van september 2011 tot ongeveer februari 2012 werkzaam voor [medeverdachte] en [verdachte] . In die periode werkte er drie à vier dagen per week ook een andere oppas: [naam 1] . [aangeefster 1] heeft na de eerste maand van haar dienstverband twee maandsalarissen van in totaal 700 euro uitbetaald gekregen door overmaking van dat bedrag aan haar familie in Indonesië. [medeverdachte] heeft daarna namens haar drie keer 200 euro betaald voor Arisan (het hof berijpt: een soort gezamenlijk spaarsysteem), maar dit geld heeft ze nooit teruggekregen. [aangeefster 1] heeft tijdens haar dienstverband één vrije dag opgenomen. In december 2011 heeft [aangeefster 1] [medeverdachte] laten weten dat ze weg wilde. [medeverdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze dan 3.000 euro moest betalen wegens gemaakte kosten. De verklaring van [aangeefster 1] op dit punt wordt ondersteund door sms’jes van [medeverdachte] waarin zij schrijft dat [aangeefster 1] dit bedrag moet terugbetalen. [aangeefster 1] is eind januari, begin februari 2012 vertrokken. [aangeefster 2] heeft van 10 mei 2012 tot en met oktober 2012 bij [medeverdachte] en [verdachte] gewerkt. Zij heeft het salaris van drie maanden uitbetaald gekregen. Het geld is - op verzoek van [aangeefster 2] - betaald aan een vriendin in Indonesië. De overige maanden heeft zij niet uitbetaald gekregen. Tijdens haar tewerkstelling heeft zij een maand samen met een tante voor de kinderen gezorgd. [aangeefster 2] heeft voorts ook een periode gelijktijdig met [naam 1] gewerkt. Zij is in oktober 2012 vertrokken na een ruzie met [verdachte] . Later heeft [medeverdachte] haar gevraagd of ze weer wilde komen werken. Dat heeft ze gedaan, in december 2013. Ze werkte daar toen gelijktijdig met de hierna te noemen [aangeefster 3] . [aangeefster 3] heeft bij [medeverdachte] en [verdachte] verbleven en gewerkt in de periode van augustus 2013 tot december 2013. Zij heeft ongeveer 130 euro betaald gekregen. [aangeefster 3] heeft dit geld voor extra gewerkte dagen ontvangen. Het geld is gestort op de rekening van de ouders van [aangeefster 3] . Verder heeft ze geen salaris ontvangen. In een gedeelte van de periode dat [aangeefster 3] bij [medeverdachte] en [verdachte] werkte, werkte er ook een andere oppas. [aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben gelijktijdig bij [medeverdachte] en [verdachte] gewoond en gewerkt. Zij zijn samen in maart 2014 begonnen en hebben daar gewerkt tot aan het moment van de aanhouding van de verdachten op 29 april 2014. Zij hebben het salaris voor de maand maart 2014 uitbetaald gekregen op een rekening in Indonesië. [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben geen vrije dagen gehad of opgenomen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster in hun geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof volgt dit standpunt niet, reeds omdat de inhoud van een zeer groot deel van de verklaringen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van de verdachte en door de verdediging dan ook niet wordt betwist. Waar de verklaringen wel zijn betwist en door het hof als bewijs worden gebruikt, heeft het hof hierboven gemotiveerd waarom het de verklaring op dat specifieke punt tevens betrouwbaar acht. Wat de verdediging ten aanzien van de mogelijke onderlinge beïnvloeding van de aangeefsters heeft aangevoerd, doet evenmin af aan de feiten en omstandigheden zoals in het voorgaande door het hof vastgesteld. Daarbij geldt ook hier dat de hiervoor aangenomen feiten grotendeels niet worden betwist door de verdediging. Op de enkele punten waarop de feiten afwijken van het door de verdediging geschetste scenario, heeft het hof deze afwijking niet enkel gebaseerd op door de verdediging betwiste verklaringen van de aangeefsters. Oordeel van het hof Handelingen en dwangmiddelen Gelet op de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] door misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters hen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest, en hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en au pair werkzaamheden. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefsters zich in een situatie bevonden die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De aangeefsters verbleven illegaal in Nederland en hadden niet de beschikking over hun paspoorten. Zij spraken geen Nederlands, en waren onbekend met de Nederlandse cultuur en samenleving. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De aangeefsters kwamen uit armoedige omstandigheden in Indonesië en hadden in Nederland geen beschikking over hun inkomen. Zij waren hierdoor voor huisvesting, eten en communicatie afhankelijk van de verdachten. Ook is een aantal aangeefsters voorgehouden dat zij een schuld moesten betalen aan verdachten als zij (voortijdig) zouden vertrekken. Met de advocaat-generaal concludeert het hof dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat er sprake was van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misleiding van de aangeefsters door de verdachten. Ten aanzien van de vraag of [medeverdachte] en [verdachte] zich bewust moeten zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit dit overwicht en deze kwetsbare positie voortvloeiden, overweegt het hof als volgt. [medeverdachte] komt uit Indonesië en woonde al geruime tijd in Nederland. Zij is getrouwd met [verdachte] , een Nederlandse man. Zij heeft enige tijd in Nederland gewerkt en kan dus bekend worden verondersteld met de arbeidsmarkt en werkomstandigheden die in Nederland de norm zijn. Zij wist ook dat vrouwen die in Indonesië als kinderoppas werken het niet breed hebben. Ook de overige hierboven genoemde omstandigheden waren haar bekend. Ook [verdachte] wist dat de aangeefsters afkomstig waren uit Indonesië en de Nederlandse taal niet spraken. Ook moet hij kennis hebben gehad van de zeer lage bedragen die zijn uitbetaald aan de aangeefsters, zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn. [verdachte] deed immers de financiële administratie van het gezin. Daarnaast wist [verdachte] dat de paspoorten van de aangeefsters niet door henzelf werden bewaard. Over de verblijfsstatus van de aangeefsters heeft [verdachte] verklaard dat hij er vanuit ging dat [medeverdachte] dit – al dan niet met de hulp van een bureau – goed geregeld had. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde.
Volledig
De verdachten hielden er rekening mee dat een van de kinderen in de nacht naar het ziekenhuis gebracht moest worden en wilden voor die mogelijkheid dat er ook ’s nachts hulp van aangeefsters beschikbaar was. De aangeefsters spraken de Nederlandse taal niet. Zij begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning. Ook moesten de aangeefsters hun paspoort aan [medeverdachte] afgeven. Het hof gaat, anders dan de verdediging, ervan uit dat de aangeefsters hierna niet de beschikking hadden over hun paspoort. In dat verband acht het hof met name van belang dat [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 heeft verklaard dat het veiliger was om de paspoorten onder haar te nemen omdat de aangeefsters haar kinderen dan niet konden meenemen naar Indonesië. Met deze doelstelling van het innemen van de paspoorten ligt het, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet voor de hand dat de aangeefsters hun paspoort tot hun eigen beschikking hadden. Daar komt nog bij dat enkele aangeefsters het gezin hebben verlaten en daarna zijn aangetroffen zonder hun paspoort. Het hof hecht daarom waarde aan de verklaringen van de aangeefsters dat zij geen beschikking hadden over hun paspoort en deze ook niet kregen wanneer zij [medeverdachte] daar om vroegen. [aangeefster 1] was in de periode van september 2011 tot ongeveer februari 2012 werkzaam voor [medeverdachte] en [verdachte] . In die periode werkte er drie à vier dagen per week ook een andere oppas: [naam 1] . [aangeefster 1] heeft na de eerste maand van haar dienstverband twee maandsalarissen van in totaal 700 euro uitbetaald gekregen door overmaking van dat bedrag aan haar familie in Indonesië. [medeverdachte] heeft daarna namens haar drie keer 200 euro betaald voor Arisan (het hof berijpt: een soort gezamenlijk spaarsysteem), maar dit geld heeft ze nooit teruggekregen. [aangeefster 1] heeft tijdens haar dienstverband één vrije dag opgenomen. In december 2011 heeft [aangeefster 1] [medeverdachte] laten weten dat ze weg wilde. [medeverdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze dan 3.000 euro moest betalen wegens gemaakte kosten. De verklaring van [aangeefster 1] op dit punt wordt ondersteund door sms’jes van [medeverdachte] waarin zij schrijft dat [aangeefster 1] dit bedrag moet terugbetalen. [aangeefster 1] is eind januari, begin februari 2012 vertrokken. [aangeefster 2] heeft van 10 mei 2012 tot en met oktober 2012 bij [medeverdachte] en [verdachte] gewerkt. Zij heeft het salaris van drie maanden uitbetaald gekregen. Het geld is - op verzoek van [aangeefster 2] - betaald aan een vriendin in Indonesië. De overige maanden heeft zij niet uitbetaald gekregen. Tijdens haar tewerkstelling heeft zij een maand samen met een tante voor de kinderen gezorgd. [aangeefster 2] heeft voorts ook een periode gelijktijdig met [naam 1] gewerkt. Zij is in oktober 2012 vertrokken na een ruzie met [verdachte] . Later heeft [medeverdachte] haar gevraagd of ze weer wilde komen werken. Dat heeft ze gedaan, in december 2013. Ze werkte daar toen gelijktijdig met de hierna te noemen [aangeefster 3] . [aangeefster 3] heeft bij [medeverdachte] en [verdachte] verbleven en gewerkt in de periode van augustus 2013 tot december 2013. Zij heeft ongeveer 130 euro betaald gekregen. [aangeefster 3] heeft dit geld voor extra gewerkte dagen ontvangen. Het geld is gestort op de rekening van de ouders van [aangeefster 3] . Verder heeft ze geen salaris ontvangen. In een gedeelte van de periode dat [aangeefster 3] bij [medeverdachte] en [verdachte] werkte, werkte er ook een andere oppas. [aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben gelijktijdig bij [medeverdachte] en [verdachte] gewoond en gewerkt. Zij zijn samen in maart 2014 begonnen en hebben daar gewerkt tot aan het moment van de aanhouding van de verdachten op 29 april 2014. Zij hebben het salaris voor de maand maart 2014 uitbetaald gekregen op een rekening in Indonesië. [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben geen vrije dagen gehad of opgenomen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster in hun geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof volgt dit standpunt niet, reeds omdat de inhoud van een zeer groot deel van de verklaringen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van de verdachte en door de verdediging dan ook niet wordt betwist. Waar de verklaringen wel zijn betwist en door het hof als bewijs worden gebruikt, heeft het hof hierboven gemotiveerd waarom het de verklaring op dat specifieke punt tevens betrouwbaar acht. Wat de verdediging ten aanzien van de mogelijke onderlinge beïnvloeding van de aangeefsters heeft aangevoerd, doet evenmin af aan de feiten en omstandigheden zoals in het voorgaande door het hof vastgesteld. Daarbij geldt ook hier dat de hiervoor aangenomen feiten grotendeels niet worden betwist door de verdediging. Op de enkele punten waarop de feiten afwijken van het door de verdediging geschetste scenario, heeft het hof deze afwijking niet enkel gebaseerd op door de verdediging betwiste verklaringen van de aangeefsters. Oordeel van het hof Handelingen en dwangmiddelen Gelet op de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] door misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters hen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest, en hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en au pair werkzaamheden. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefsters zich in een situatie bevonden die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De aangeefsters verbleven illegaal in Nederland en hadden niet de beschikking over hun paspoorten. Zij spraken geen Nederlands, en waren onbekend met de Nederlandse cultuur en samenleving. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De aangeefsters kwamen uit armoedige omstandigheden in Indonesië en hadden in Nederland geen beschikking over hun inkomen. Zij waren hierdoor voor huisvesting, eten en communicatie afhankelijk van de verdachten. Ook is een aantal aangeefsters voorgehouden dat zij een schuld moesten betalen aan verdachten als zij (voortijdig) zouden vertrekken. Met de advocaat-generaal concludeert het hof dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat er sprake was van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misleiding van de aangeefsters door de verdachten. Ten aanzien van de vraag of [medeverdachte] en [verdachte] zich bewust moeten zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit dit overwicht en deze kwetsbare positie voortvloeiden, overweegt het hof als volgt. [medeverdachte] komt uit Indonesië en woonde al geruime tijd in Nederland. Zij is getrouwd met [verdachte] , een Nederlandse man. Zij heeft enige tijd in Nederland gewerkt en kan dus bekend worden verondersteld met de arbeidsmarkt en werkomstandigheden die in Nederland de norm zijn. Zij wist ook dat vrouwen die in Indonesië als kinderoppas werken het niet breed hebben. Ook de overige hierboven genoemde omstandigheden waren haar bekend. Ook [verdachte] wist dat de aangeefsters afkomstig waren uit Indonesië en de Nederlandse taal niet spraken. Ook moet hij kennis hebben gehad van de zeer lage bedragen die zijn uitbetaald aan de aangeefsters, zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn. [verdachte] deed immers de financiële administratie van het gezin. Daarnaast wist [verdachte] dat de paspoorten van de aangeefsters niet door henzelf werden bewaard. Over de verblijfsstatus van de aangeefsters heeft [verdachte] verklaard dat hij er vanuit ging dat [medeverdachte] dit – al dan niet met de hulp van een bureau – goed geregeld had. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde.
Volledig
Aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning worden strenge voorwaarden gesteld. Dit is een algemeen bekend feit. Daar komt bij dat [verdachte] – blijkens aangetroffen formulieren en garantstellingen – veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [medeverdachte] . Hij was bovendien de kostwinner en degene die de administratie deed. Dat [verdachte] ervan uitging dat [medeverdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat [verdachte] daarbij werd betrokken (in het bijzonder voor het aanleveren voor de administratieve bescheiden), acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. In dat kader is ook nog opvallend dat [verdachte] zich ook niet heeft bekommerd om de fiscale afwikkeling van de betalingen aan de aangeefsters. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van de verblijfsstatus van de aangeefsters. Met deze kennis moet [verdachte] hebben geweten dat de aangeefsters van de verdachten afhankelijk waren. Het hof concludeert dat beide verdachten misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters. […] Medeplegen Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. [medeverdachte] was degene die, al dan niet met behulp van een tussenpersoon, contact legde met de aangeefsters in Indonesië en ervoor zorgde dat zij naar Nederland konden komen. Zij sprak dezelfde taal als de aangeefsters, zij stuurde hen aan en zij was hun aanspreekpunt. [verdachte] was zich bewust van de reden waarom gebruik is gemaakt van Indonesische vrouwen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij de kinderen niet naar een opvang in Nederland hadden gebracht. Dat had te maken met cultuurverschil en met opvattingen over hygiëne. Het inschakelen van Indonesische mensen die in Nederland woonden, werkte niet goed. Zij waren ’s nachts niet aanwezig, zo verklaarde [verdachte] , terwijl het mogelijk was dat de verdachten ’s nachts acuut naar het ziekenhuis moesten. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte] [aangeefster 1] opgehaald op Schiphol, en [aangeefster 4] en [aangeefster 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [medeverdachte] als [verdachte] woonachtig waren. [verdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [verdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [verdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [medeverdachte] naar eigen zeggen veilig. [verdachte] heeft hiermee bijgedragen aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuiting van de aangeefsters. Dat het initiatief voor het werven mogelijk meer uitging van [medeverdachte] , doet hier niet aan af. De verdachten vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol. Het hof is dan ook van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] is komen vast te staan en dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen verklaard.” 3.5 In de toelichting op het middel wordt niet betwist dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden dan wel dat sprake was van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Enkel wordt als eerste deelklacht betwist dat de verdachte zich hiervan bewust was en daar misbruik van heeft gemaakt. Het oordeel van het hof hieromtrent zou onbegrijpelijk zijn dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd. 3.6 Voor het bewijs van door ‘misbruik’ handelen zoals bedoeld in art. 273f Sr is vereist dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest (dat wil zeggen dat hij ten minste voorwaardelijk opzet moet hebben gehad ten aanzien) van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht dan wel de kwetsbare positie voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien. 3.7 Tegen deze achtergrond faalt de deelklacht. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de financiële administratie van de familie deed en dat hij dus wist dat de aangeefsters zeer lage vergoedingen hebben ontvangen voor hun werkzaamheden, dat hij verder wist dat zij de taal niet spraken en dat hun paspoorten niet door henzelf werden bewaard. Tot slot heeft het hof overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning strenge eisen worden gesteld en dat verdachte dus geweten moet hebben dat de aangeefsters geen legale verblijfsstatus hadden en dus van de verdachte en zijn echtgenote afhankelijk waren. Uit het door het hof gebezigde bewijs volgt mijns inziens dat de verdachte zich bewust was van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit het overwicht dan wel de kwetsbare positie voortvloeit, zodat de bewezenverklaring op dit punt noch onbegrijpelijk is noch ontoereikend is gemotiveerd. 3.8 Hetgeen de stellers van het middel daartegen inbrengen, doet daar niet aan af. Ten eerste wordt erop gewezen dat de verdachte heeft verklaard dat zijn echtgenote alles heeft geregeld en dat zij kon beschikken over de (gezamenlijke) rekening, hetgeen steun vindt in de door haar afgelegde verklaring. Voorts wordt erop gewezen dat verdachtes echtgenote heeft verklaard dat zij zich niet bezig heeft gehouden met de regels voor de aanvraag van een visum of een tewerkstellingsvergunning aangezien een agency in Indonesië de aangeefsters naar Nederland stuurde, deze agency alles regelde, dat met sommige aangeefsters was afgesproken dat de echtgenote hun salaris onder zich zou houden en pas aan het eind van het verblijf zou uitbetalen. Ik zie niet in waarom dit de begrijpelijkheid omtrent het bewustzijn van de verdachte inzake de kwetsbare positie dan wel het overwicht zou ondergraven. Deze omstandigheden betekenen immers niet dat de verdachte, die blijkens zijn tot het bewijs gebezigde verklaring de financiële administratie van het gezin en de belastingaangifte deed en ook op de hoogte was van het feit dat aangeefsters’ paspoorten waren ingenomen, waarmee hij kennelijk instemde, geen wetenschap kon hebben van de kwetsbare positie van de aangeefsters, met wie hij praktisch gezien samenwoonde, en het overwicht dat hij als verdachte ten opzichte van hen had.
Volledig
Aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning worden strenge voorwaarden gesteld. Dit is een algemeen bekend feit. Daar komt bij dat [verdachte] – blijkens aangetroffen formulieren en garantstellingen – veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [medeverdachte] . Hij was bovendien de kostwinner en degene die de administratie deed. Dat [verdachte] ervan uitging dat [medeverdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat [verdachte] daarbij werd betrokken (in het bijzonder voor het aanleveren voor de administratieve bescheiden), acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. In dat kader is ook nog opvallend dat [verdachte] zich ook niet heeft bekommerd om de fiscale afwikkeling van de betalingen aan de aangeefsters. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van de verblijfsstatus van de aangeefsters. Met deze kennis moet [verdachte] hebben geweten dat de aangeefsters van de verdachten afhankelijk waren. Het hof concludeert dat beide verdachten misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters. […] Medeplegen Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. [medeverdachte] was degene die, al dan niet met behulp van een tussenpersoon, contact legde met de aangeefsters in Indonesië en ervoor zorgde dat zij naar Nederland konden komen. Zij sprak dezelfde taal als de aangeefsters, zij stuurde hen aan en zij was hun aanspreekpunt. [verdachte] was zich bewust van de reden waarom gebruik is gemaakt van Indonesische vrouwen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij de kinderen niet naar een opvang in Nederland hadden gebracht. Dat had te maken met cultuurverschil en met opvattingen over hygiëne. Het inschakelen van Indonesische mensen die in Nederland woonden, werkte niet goed. Zij waren ’s nachts niet aanwezig, zo verklaarde [verdachte] , terwijl het mogelijk was dat de verdachten ’s nachts acuut naar het ziekenhuis moesten. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte] [aangeefster 1] opgehaald op Schiphol, en [aangeefster 4] en [aangeefster 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [medeverdachte] als [verdachte] woonachtig waren. [verdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [verdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [verdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [medeverdachte] naar eigen zeggen veilig. [verdachte] heeft hiermee bijgedragen aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuiting van de aangeefsters. Dat het initiatief voor het werven mogelijk meer uitging van [medeverdachte] , doet hier niet aan af. De verdachten vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol. Het hof is dan ook van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] is komen vast te staan en dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen verklaard.” 3.5 In de toelichting op het middel wordt niet betwist dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden dan wel dat sprake was van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Enkel wordt als eerste deelklacht betwist dat de verdachte zich hiervan bewust was en daar misbruik van heeft gemaakt. Het oordeel van het hof hieromtrent zou onbegrijpelijk zijn dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd. 3.6 Voor het bewijs van door ‘misbruik’ handelen zoals bedoeld in art. 273f Sr is vereist dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest (dat wil zeggen dat hij ten minste voorwaardelijk opzet moet hebben gehad ten aanzien) van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht dan wel de kwetsbare positie voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien. 3.7 Tegen deze achtergrond faalt de deelklacht. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de financiële administratie van de familie deed en dat hij dus wist dat de aangeefsters zeer lage vergoedingen hebben ontvangen voor hun werkzaamheden, dat hij verder wist dat zij de taal niet spraken en dat hun paspoorten niet door henzelf werden bewaard. Tot slot heeft het hof overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning strenge eisen worden gesteld en dat verdachte dus geweten moet hebben dat de aangeefsters geen legale verblijfsstatus hadden en dus van de verdachte en zijn echtgenote afhankelijk waren. Uit het door het hof gebezigde bewijs volgt mijns inziens dat de verdachte zich bewust was van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit het overwicht dan wel de kwetsbare positie voortvloeit, zodat de bewezenverklaring op dit punt noch onbegrijpelijk is noch ontoereikend is gemotiveerd. 3.8 Hetgeen de stellers van het middel daartegen inbrengen, doet daar niet aan af. Ten eerste wordt erop gewezen dat de verdachte heeft verklaard dat zijn echtgenote alles heeft geregeld en dat zij kon beschikken over de (gezamenlijke) rekening, hetgeen steun vindt in de door haar afgelegde verklaring. Voorts wordt erop gewezen dat verdachtes echtgenote heeft verklaard dat zij zich niet bezig heeft gehouden met de regels voor de aanvraag van een visum of een tewerkstellingsvergunning aangezien een agency in Indonesië de aangeefsters naar Nederland stuurde, deze agency alles regelde, dat met sommige aangeefsters was afgesproken dat de echtgenote hun salaris onder zich zou houden en pas aan het eind van het verblijf zou uitbetalen. Ik zie niet in waarom dit de begrijpelijkheid omtrent het bewustzijn van de verdachte inzake de kwetsbare positie dan wel het overwicht zou ondergraven. Deze omstandigheden betekenen immers niet dat de verdachte, die blijkens zijn tot het bewijs gebezigde verklaring de financiële administratie van het gezin en de belastingaangifte deed en ook op de hoogte was van het feit dat aangeefsters’ paspoorten waren ingenomen, waarmee hij kennelijk instemde, geen wetenschap kon hebben van de kwetsbare positie van de aangeefsters, met wie hij praktisch gezien samenwoonde, en het overwicht dat hij als verdachte ten opzichte van hen had.
Volledig
De in dit verband nog geformuleerde klacht dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte heeft gedacht dat de aan de aangeefsters betaalde bedragen gebruikelijk waren voor oppassers uit Indonesië, stuit verder af op de overweging van het hof dat deze bedragen “zeer” laag waren, “zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn”. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheden zijn dan ook voldoende om de bewezenverklaring op dit punt te staven, ook in het licht van hetgeen de verdediging op de zitting hiertegen heeft ingebracht. 3.9 Verder meen ik, anders dan de stellers van het middel, dat het hof kon oordelen dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning strenge voorwaarden worden gesteld. Dat de meeste mensen in hun leven nimmer met (het aanvragen van) een tewerkstellingsvergunning voor iemand buiten de EU in aanraking zullen komen, maakt dit niet anders. Het gaat hier om de algemene wetenschap dat mensen van buiten de EU niet zomaar kunnen komen werken in Nederland. Voor wetenschap van dit gegeven is mijns inziens geen specialistische kennis vereist en de juistheid van dit gegeven is redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar. Bovendien heeft het hof ook op andere gronden aangenomen dat de verdachte de verblijfsstatus van de aangeefsters kende, namelijk omdat hij veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [medeverdachte] en het volstrekt ongeloofwaardig is dat de verdachte ervan uitging dat [medeverdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat de verdachte daarbij werd betrokken. Ten slotte heeft het hof een verklaring van [aangeefster 5] voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 17) waarin zij verklaart dat de verdachte en de medeverdachte wisten dat zij illegaal in Nederland was. 3.10 De tweede deelklacht ziet op de bewezenverklaring van het medeplegen. In de toelichting op het middel wordt het standpunt ingenomen dat het oordeel van het hof dat beide verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, met name in het licht van hetgeen namens de verdediging hieromtrent is aangevoerd en met inachtneming van hetgeen in het kader van de voorgaande deelklacht is betoogd. 3.11 Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n) gericht op verwezenlijking van het tenlastegelegde delict. 3.12 ’ ’s Hofs oordeel omtrent het medeplegen is wat mij betreft toereikend gemotiveerd. In de kern heeft het hof het medeplegen gebaseerd op het door de verdachte met zijn medeverdachte ophalen van de aangeefsters van Schiphol dan wel uit België, het profiteren van de werkzaamheden van de aangeefsters die bij hem thuis onder zijn neus plaatsvonden, zijn wetenschap van de financiën van het gezin en dus ook van de uitbetalingen aan de aangeefsters en het bewaren van de paspoorten van de aangeefsters en het dulden van de aangeefsters in zijn woning. Dit gaat, anders dan de stellers van het middel menen, veel verder dan “louter passieve gedragingen”. Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachten bewust samen een huishouden hebben gerund waarin de aangeefsters werden uitgebuit. De precieze rolverdeling is derhalve van ondergeschikt belang. Ik wijs erop dat niet is vereist dat elke medepleger alle of zelfs maar één bestanddeel van het delict vervult. Daarop stuit de klacht af. 3.13 Voorts merk ik op dat de stelling, inhoudende “dat de overweging van het hof dat verdachte [verdachte] een aangeefster van Schiphol heeft opgehaald innerlijk tegenstrijdig [is] nu in de bewijsmiddelen de verklaring van verdachte [verdachte] is opgenomen dat de treinkaartjes van Paris Nord naar Schiphol weliswaar op zijn naam stonden maar dat niet hij maar zijn vrouw (lees: [medeverdachte] ) daarmee gereisd heeft”, op een onnauwkeurige lezing van het arrest berust en daarmee feitelijke grondslag mist. Het hof heeft overwogen dat de verdachte met zijn vrouw aangeefster [aangeefster 1] heeft opgehaald op Schiphol (zie bewijsmiddel 5) en spreekt dus niet over de aangeefsters [aangeefster 2] en [aangeefster 3] , die inderdaad in Parijs zijn opgehaald door de medeverdachte (zie bewijsmiddel 9 respectievelijk 12). 4 Het tweede middel 4.1 Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij de beoordeling van het gevolg dat dient te worden verbonden aan de overschrijdingen van de redelijke termijn in meerdere instanties uit is gegaan van de totale duur van de overschrijding en niet van de afzonderlijke duur (per instantie) daarvan. 4.2 Het hof heeft in het kader van de straftoemeting het volgende overwogen: “De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van voorarrest, eventueel aangevuld met een volledig voorwaardelijke straf. Daarnaast heeft hij in strafmatigende zin verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de duur van de procedure, de overschrijding van de redelijke termijn en de beperktere rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad het arrest van het hof van 9 december 2021 heeft vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Nu de Hoge Raad de strafoplegging in het geheel heeft vernietigd, dient het hof derhalve een straf op te leggen voor zowel het onder 1 bewezenverklaarde, als het reeds eerder door het hof onder 3 bewezenverklaarde. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel en het tewerkstellen van vijf illegaal in Nederland verblijvende vrouwen. Gedurende een langere periode heeft zijn echtgenote, de medeverdachte, op verschillende momenten vrouwen uit Indonesië laten overkomen om te laten werken in hun gezin. De vrouwen zorgden voor hun kinderen en verrichten huishoudelijke werkzaamheden. Zij maakten lange dagen en moesten zeven dagen per week beschikbaar zijn. Zij kregen niet of nauwelijks vrij en hun zeer lage salaris werd niet of slechts deels uitbetaald. De vrouwen spraken de Nederlandse taal niet en hun paspoorten waren door de verdachten ingenomen. Voor huisvesting, eten en communicatie waren de vrouwen afhankelijk van de verdachten, omdat zijzelf geen beschikking hadden over geld. Door aldus te handelen hebben de verdachten ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie waarin zij de vrouwen hebben gebracht en hen in hun persoonlijke vrijheid aangetast. Als gevolg van de uitbuiting van deze goedkope arbeidskrachten waren de verdachten in staat aanzienlijk te besparen op arbeidskosten. Zij hebben kennelijk enkel oog gehad voor haar eigen financiële gewin en hebben zich niet bekommerd om de schade die hun handelen aan de vrouwen heeft toegebracht. Daarbij hebben zij bewust de garanties aan hun laars gelapt die de Nederlandse wetgeving biedt op het terrein van beloning en werktijden. Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, enkel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof heeft de indruk gekregen dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet inziet.
Volledig
De in dit verband nog geformuleerde klacht dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte heeft gedacht dat de aan de aangeefsters betaalde bedragen gebruikelijk waren voor oppassers uit Indonesië, stuit verder af op de overweging van het hof dat deze bedragen “zeer” laag waren, “zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn”. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheden zijn dan ook voldoende om de bewezenverklaring op dit punt te staven, ook in het licht van hetgeen de verdediging op de zitting hiertegen heeft ingebracht. 3.9 Verder meen ik, anders dan de stellers van het middel, dat het hof kon oordelen dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning strenge voorwaarden worden gesteld. Dat de meeste mensen in hun leven nimmer met (het aanvragen van) een tewerkstellingsvergunning voor iemand buiten de EU in aanraking zullen komen, maakt dit niet anders. Het gaat hier om de algemene wetenschap dat mensen van buiten de EU niet zomaar kunnen komen werken in Nederland. Voor wetenschap van dit gegeven is mijns inziens geen specialistische kennis vereist en de juistheid van dit gegeven is redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar. Bovendien heeft het hof ook op andere gronden aangenomen dat de verdachte de verblijfsstatus van de aangeefsters kende, namelijk omdat hij veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [medeverdachte] en het volstrekt ongeloofwaardig is dat de verdachte ervan uitging dat [medeverdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat de verdachte daarbij werd betrokken. Ten slotte heeft het hof een verklaring van [aangeefster 5] voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 17) waarin zij verklaart dat de verdachte en de medeverdachte wisten dat zij illegaal in Nederland was. 3.10 De tweede deelklacht ziet op de bewezenverklaring van het medeplegen. In de toelichting op het middel wordt het standpunt ingenomen dat het oordeel van het hof dat beide verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, met name in het licht van hetgeen namens de verdediging hieromtrent is aangevoerd en met inachtneming van hetgeen in het kader van de voorgaande deelklacht is betoogd. 3.11 Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n) gericht op verwezenlijking van het tenlastegelegde delict. 3.12 ’ ’s Hofs oordeel omtrent het medeplegen is wat mij betreft toereikend gemotiveerd. In de kern heeft het hof het medeplegen gebaseerd op het door de verdachte met zijn medeverdachte ophalen van de aangeefsters van Schiphol dan wel uit België, het profiteren van de werkzaamheden van de aangeefsters die bij hem thuis onder zijn neus plaatsvonden, zijn wetenschap van de financiën van het gezin en dus ook van de uitbetalingen aan de aangeefsters en het bewaren van de paspoorten van de aangeefsters en het dulden van de aangeefsters in zijn woning. Dit gaat, anders dan de stellers van het middel menen, veel verder dan “louter passieve gedragingen”. Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachten bewust samen een huishouden hebben gerund waarin de aangeefsters werden uitgebuit. De precieze rolverdeling is derhalve van ondergeschikt belang. Ik wijs erop dat niet is vereist dat elke medepleger alle of zelfs maar één bestanddeel van het delict vervult. Daarop stuit de klacht af. 3.13 Voorts merk ik op dat de stelling, inhoudende “dat de overweging van het hof dat verdachte [verdachte] een aangeefster van Schiphol heeft opgehaald innerlijk tegenstrijdig [is] nu in de bewijsmiddelen de verklaring van verdachte [verdachte] is opgenomen dat de treinkaartjes van Paris Nord naar Schiphol weliswaar op zijn naam stonden maar dat niet hij maar zijn vrouw (lees: [medeverdachte] ) daarmee gereisd heeft”, op een onnauwkeurige lezing van het arrest berust en daarmee feitelijke grondslag mist. Het hof heeft overwogen dat de verdachte met zijn vrouw aangeefster [aangeefster 1] heeft opgehaald op Schiphol (zie bewijsmiddel 5) en spreekt dus niet over de aangeefsters [aangeefster 2] en [aangeefster 3] , die inderdaad in Parijs zijn opgehaald door de medeverdachte (zie bewijsmiddel 9 respectievelijk 12). 4 Het tweede middel 4.1 Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij de beoordeling van het gevolg dat dient te worden verbonden aan de overschrijdingen van de redelijke termijn in meerdere instanties uit is gegaan van de totale duur van de overschrijding en niet van de afzonderlijke duur (per instantie) daarvan. 4.2 Het hof heeft in het kader van de straftoemeting het volgende overwogen: “De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van voorarrest, eventueel aangevuld met een volledig voorwaardelijke straf. Daarnaast heeft hij in strafmatigende zin verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de duur van de procedure, de overschrijding van de redelijke termijn en de beperktere rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad het arrest van het hof van 9 december 2021 heeft vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Nu de Hoge Raad de strafoplegging in het geheel heeft vernietigd, dient het hof derhalve een straf op te leggen voor zowel het onder 1 bewezenverklaarde, als het reeds eerder door het hof onder 3 bewezenverklaarde. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel en het tewerkstellen van vijf illegaal in Nederland verblijvende vrouwen. Gedurende een langere periode heeft zijn echtgenote, de medeverdachte, op verschillende momenten vrouwen uit Indonesië laten overkomen om te laten werken in hun gezin. De vrouwen zorgden voor hun kinderen en verrichten huishoudelijke werkzaamheden. Zij maakten lange dagen en moesten zeven dagen per week beschikbaar zijn. Zij kregen niet of nauwelijks vrij en hun zeer lage salaris werd niet of slechts deels uitbetaald. De vrouwen spraken de Nederlandse taal niet en hun paspoorten waren door de verdachten ingenomen. Voor huisvesting, eten en communicatie waren de vrouwen afhankelijk van de verdachten, omdat zijzelf geen beschikking hadden over geld. Door aldus te handelen hebben de verdachten ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie waarin zij de vrouwen hebben gebracht en hen in hun persoonlijke vrijheid aangetast. Als gevolg van de uitbuiting van deze goedkope arbeidskrachten waren de verdachten in staat aanzienlijk te besparen op arbeidskosten. Zij hebben kennelijk enkel oog gehad voor haar eigen financiële gewin en hebben zich niet bekommerd om de schade die hun handelen aan de vrouwen heeft toegebracht. Daarbij hebben zij bewust de garanties aan hun laars gelapt die de Nederlandse wetgeving biedt op het terrein van beloning en werktijden. Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, enkel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof heeft de indruk gekregen dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet inziet.
Volledig
Daarom acht het hof een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw op deze wijze au pairs of huishoudelijke hulp voor zich te laten werken. In beginsel acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend. Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden. Bij de strafoplegging houdt het hof er ten voordele van de verdachten rekening mee dat artikel 273f Sr in 2013 is gewijzigd, waarbij onder meer de maximum straf is verhoogd. Deze wijziging trad op 15 november 2013 in werking. Nu het onder 1 ten laste gelegde deels voor die datum is gepleegd, zal het hof de eerdere bepaling als richtsnoer nemen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. De verdachte kan daarom worden aangemerkt als first offender. Verder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht en die uit het dossier naar voren komen. De lengte van de strafprocedure heeft haar sporen nagelaten op zijn mentale welzijn. Zijn werk viel weg en er werd beslag gelegd op de rekeningen van de verdachte en zijn echtgenote, de medeverdachte. Uiteindelijk zijn zij daarom met hun gezin naar Indonesië verhuisd waar zij nog steeds woonachtig zijn. De verdachte probeert werk te vinden als consultant en zijn echtgenote zorgt voor hun drie kinderen. Op dit moment hebben zij het niet breed. Daarnaast stelt het hof vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte is op 29 april 2014 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 juni 2017 vonnis gewezen. In eerste aanleg is aldus sprake geweest van een overschrijding van de redelijk termijn. Vervolgens heeft de verdachte hoger beroep ingesteld op 4 juli 2017, waarna het hof op 9 december 2021 arrest heeft gewezen. Ook in deze fase was aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hierna heeft het openbaar ministerie op 16 december 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 13 februari 2024 arrest gewezen, het arrest van het hof partieel vernietigd en teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam. Ook in de cassatiefase is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal deze overschrijdingen van de redelijke termijn – van in totaal 3 jaar en 9 maanden – verdisconteren in de strafmaat. Het hof acht alles afwegende, en in het bijzonder rekening houdende met de ouderdom van de feiten, de rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad, de overschrijding van de redelijke termijn, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad, een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.” 4.3 Anders dan de stellers van het middel menen, heeft het hof wel degelijk per instantie onderzocht of sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, conform de geldende jurisprudentie. De drie jaar en negen maanden overschrijding van de redelijke termijn is immers een optelsom van de overschrijding in eerste aanleg van één jaar en twee maanden, in hoger beroep van ongeveer twee jaar en vijf maanden en in cassatie van omstreeks twee maanden. Het middel berust dus op een verkeerde lezing van het arrest en faalt op dit punt bij gebrek aan feitelijke grondslag. 4.4 Verder wordt in de toelichting nog genoemd dat het gezien de andere strafverlagende omstandigheden die het hof naast de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking heeft genomen, niet duidelijk is welke korting het hof heeft toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover hierin de aparte klacht dient te worden gelezen dat het hof heeft miskend “dat in geval van vermindering van de straf […] wegens overschrijding van de redelijke termijn de rechter in zijn uitspraak behoort aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd”, merk ik het volgende op. Het hof heeft overwogen dat het de strafeis van de advocaat-generaal van zeven maanden, waarvan vier voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden acht. Echter, het hof heeft rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, naast de ouderdom van de feiten, de rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad. Het hof heeft hierin aanleiding gezien een lagere straf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren op te leggen. Het onvoorwaardelijke deel is daardoor 33% lager dan de straf die het hof in beginsel passend en geboden achtte; voor de totale strafduur (dus inclusief het voorwaardelijke deel) bedraagt de korting zelfs 43%. 4.5 Dit brengt mee dat ik de Hoge Raad in overweging zou willen geven de zaak niet te casseren, ook al hebben de stellers van het middel een punt dat, gezien het feit dat er ook andere strafverlagende omstandigheden door het hof in aanmerking zijn genomen, niet kan worden vastgesteld in welke vorm of mate de straf is verlaagd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen een motiveringsgebrek oplevert. Gezien de hiervoor genoemde fikse strafkorting die de verdachte reeds heeft ontvangen, meen ik dat hij geen evident belang heeft bij cassatie. Ik merk ten overvloede nog op dat de schriftuur omtrent verdachtes cassatiebelang geen toelichting bevat. 5 Afronding 5.1 Het eerste middel faalt en het tweede hoeft niet tot cassatie te leiden. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 5.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 23-000328-24 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3061). Deze overwegingen staan in HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:156, waarnaar in de zaak ECLI:NL:HR:2024:157 wordt verwezen. Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Y. Buruma, rov. 2.5.1. In zijn tot het bewijs gebezigde verklaring valt immers te lezen dat hij heeft verklaard dat “wij” (kennelijk refererend aan zijn echtgenote en hem) dat “veilig” vonden (zie bewijsmiddel 1). Vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel Strafrecht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 485. HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:409, rov. 3.3. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis rov. 3.24 Vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3092, rov. 2.3 (geen belang, omdat het ervoor moet worden gehouden dat het hof de op te leggen onvoorwaardelijke GS substantieel heeft verminderd); HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817, rov. 2.4 (geen belang, omdat het ging om een ambtshalve gedane vaststelling van het hof omtrent de redelijke termijn); HR 28 maart 2017, nr. 14/00891 (niet gepubliceerd; geen belang kennelijk onder meer omdat de door het hof opgelegde straf lager was dan die van de rechtbank en korter was dan de verdachte reeds in voorarrest had doorgebracht; HR: art. 81 RO ten aanzien van dit middel); HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:984, rov. 2 en randnr. 15 van de conclusie van toenmalig AG Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2018:539 voor dat arrest (geen belang, onder meer omdat de overschrijding beperkt was, de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm was opgelegd en de straf lager was dan het LOVS-oriëntatiepunt); HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1547, rov. 3.2 waarin wordt verwezen naar randnrs.
Volledig
Daarom acht het hof een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw op deze wijze au pairs of huishoudelijke hulp voor zich te laten werken. In beginsel acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend. Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden. Bij de strafoplegging houdt het hof er ten voordele van de verdachten rekening mee dat artikel 273f Sr in 2013 is gewijzigd, waarbij onder meer de maximum straf is verhoogd. Deze wijziging trad op 15 november 2013 in werking. Nu het onder 1 ten laste gelegde deels voor die datum is gepleegd, zal het hof de eerdere bepaling als richtsnoer nemen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. De verdachte kan daarom worden aangemerkt als first offender. Verder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht en die uit het dossier naar voren komen. De lengte van de strafprocedure heeft haar sporen nagelaten op zijn mentale welzijn. Zijn werk viel weg en er werd beslag gelegd op de rekeningen van de verdachte en zijn echtgenote, de medeverdachte. Uiteindelijk zijn zij daarom met hun gezin naar Indonesië verhuisd waar zij nog steeds woonachtig zijn. De verdachte probeert werk te vinden als consultant en zijn echtgenote zorgt voor hun drie kinderen. Op dit moment hebben zij het niet breed. Daarnaast stelt het hof vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte is op 29 april 2014 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 juni 2017 vonnis gewezen. In eerste aanleg is aldus sprake geweest van een overschrijding van de redelijk termijn. Vervolgens heeft de verdachte hoger beroep ingesteld op 4 juli 2017, waarna het hof op 9 december 2021 arrest heeft gewezen. Ook in deze fase was aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hierna heeft het openbaar ministerie op 16 december 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 13 februari 2024 arrest gewezen, het arrest van het hof partieel vernietigd en teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam. Ook in de cassatiefase is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal deze overschrijdingen van de redelijke termijn – van in totaal 3 jaar en 9 maanden – verdisconteren in de strafmaat. Het hof acht alles afwegende, en in het bijzonder rekening houdende met de ouderdom van de feiten, de rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad, de overschrijding van de redelijke termijn, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad, een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.” 4.3 Anders dan de stellers van het middel menen, heeft het hof wel degelijk per instantie onderzocht of sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, conform de geldende jurisprudentie. De drie jaar en negen maanden overschrijding van de redelijke termijn is immers een optelsom van de overschrijding in eerste aanleg van één jaar en twee maanden, in hoger beroep van ongeveer twee jaar en vijf maanden en in cassatie van omstreeks twee maanden. Het middel berust dus op een verkeerde lezing van het arrest en faalt op dit punt bij gebrek aan feitelijke grondslag. 4.4 Verder wordt in de toelichting nog genoemd dat het gezien de andere strafverlagende omstandigheden die het hof naast de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking heeft genomen, niet duidelijk is welke korting het hof heeft toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover hierin de aparte klacht dient te worden gelezen dat het hof heeft miskend “dat in geval van vermindering van de straf […] wegens overschrijding van de redelijke termijn de rechter in zijn uitspraak behoort aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd”, merk ik het volgende op. Het hof heeft overwogen dat het de strafeis van de advocaat-generaal van zeven maanden, waarvan vier voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden acht. Echter, het hof heeft rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, naast de ouderdom van de feiten, de rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad. Het hof heeft hierin aanleiding gezien een lagere straf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren op te leggen. Het onvoorwaardelijke deel is daardoor 33% lager dan de straf die het hof in beginsel passend en geboden achtte; voor de totale strafduur (dus inclusief het voorwaardelijke deel) bedraagt de korting zelfs 43%. 4.5 Dit brengt mee dat ik de Hoge Raad in overweging zou willen geven de zaak niet te casseren, ook al hebben de stellers van het middel een punt dat, gezien het feit dat er ook andere strafverlagende omstandigheden door het hof in aanmerking zijn genomen, niet kan worden vastgesteld in welke vorm of mate de straf is verlaagd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen een motiveringsgebrek oplevert. Gezien de hiervoor genoemde fikse strafkorting die de verdachte reeds heeft ontvangen, meen ik dat hij geen evident belang heeft bij cassatie. Ik merk ten overvloede nog op dat de schriftuur omtrent verdachtes cassatiebelang geen toelichting bevat. 5 Afronding 5.1 Het eerste middel faalt en het tweede hoeft niet tot cassatie te leiden. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 5.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer: 23-000328-24 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3061). Deze overwegingen staan in HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:156, waarnaar in de zaak ECLI:NL:HR:2024:157 wordt verwezen. Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Y. Buruma, rov. 2.5.1. In zijn tot het bewijs gebezigde verklaring valt immers te lezen dat hij heeft verklaard dat “wij” (kennelijk refererend aan zijn echtgenote en hem) dat “veilig” vonden (zie bewijsmiddel 1). Vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel Strafrecht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 485. HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:409, rov. 3.3. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis rov. 3.24 Vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3092, rov. 2.3 (geen belang, omdat het ervoor moet worden gehouden dat het hof de op te leggen onvoorwaardelijke GS substantieel heeft verminderd); HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817, rov. 2.4 (geen belang, omdat het ging om een ambtshalve gedane vaststelling van het hof omtrent de redelijke termijn); HR 28 maart 2017, nr. 14/00891 (niet gepubliceerd; geen belang kennelijk onder meer omdat de door het hof opgelegde straf lager was dan die van de rechtbank en korter was dan de verdachte reeds in voorarrest had doorgebracht; HR: art. 81 RO ten aanzien van dit middel); HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:984, rov. 2 en randnr. 15 van de conclusie van toenmalig AG Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2018:539 voor dat arrest (geen belang, onder meer omdat de overschrijding beperkt was, de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm was opgelegd en de straf lager was dan het LOVS-oriëntatiepunt); HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1547, rov. 3.2 waarin wordt verwezen naar randnrs.