Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-04-07
ECLI:NL:PHR:2026:361
Strafrecht
11,258 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:361 text/xml public 2026-05-19T12:45:24 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-04-07 25/01195 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:763 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:361 text/html public 2026-05-19T09:57:48 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:361 Parket bij de Hoge Raad , 07-04-2026 / 25/01195 Conclusie AG. Beklag beslag op gegevensdragers. Middel over onderzoek naar en afweging van de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01195 B Zitting 7 april 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, hierna: de klager. 1 Inleiding 1.1 De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 31 maart 2025 het klaagschrift van klager ongegrond verklaard. Dit beklag was gericht tegen de inbeslagneming van een aantal gegevensdragers. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 25/01196 Bv. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.J.J. Zwaan en J.W.D. Roozemond, beiden advocaat in Utrecht, hebben een middel van cassatie voorgesteld. 2 De zaak in het kort 2.1 De klager wordt verdachte van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, zware mishandeling en bedreiging van een vrouw. In het onderzoek naar deze verdenking heeft de politie twee iPhones, een MacBook en een iPad in beslag genomen. Op 6 oktober 2024 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen dit beslag op grond van art. 552a Sv. 2.2 De enkelvoudige raadkamer heeft dit klaagschrift behandeld op 15 oktober 2024. De raadkamer heeft aldaar de zaak verwezen naar de rechter-commissaris om een beslissing te nemen op grond van art. 98 Sv. Kort gezegd lag aan deze verwijzing ten grondslag dat de klager zich beroept op een hem toekomend, al dan niet afgeleid, verschoningsrecht. 2.3 Dit heeft geleid tot een beslissing van de rechter-commissaris van 10 december 2024, inhoudende het oordeel dat de klager een dergelijk verschoningsrecht niet heeft. Op 23 december 2024 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen deze beslissing op grond van art. 98 lid 3 en 4 jº 552a Sv. 2.4 De twee klaagschriften zijn (wederom) door de enkelvoudige raadkamer behandeld op 17 maart 2025. Vervolgens heeft de raadkamer op de twee klaagschriften afzonderlijk beslist en beide ongegrond verklaard. Cassatie is ingesteld tegen zowel de beschikking over het klaagschrift tegen het beslag (deze zaak met kenmerk 25/01195 B) als tegen de beschikking over het klaagschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris (de samenhangende zaak met kenmerk 25/01196 Bv). Kort gezegd keren de stellers van de middelen zich in de eerste zaak tegen het oordeel van de rechtbank over de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag en in de tweede zaak tegen het oordeel over het verschoningsrecht. 3 Procesverloop 3.1 Het door de klager op 6 augustus 2024 ingediende klaagschrift houdt onder andere het volgende in: “2. Het klaagschrift strekt tot opheffing van de beslagen op de digitale gegevensdragers van cliënt. (…) Toepassing op de zaak 13. Klager stelt zich op het standpunt dat het beslag niet langer noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid. De telefoon van aangeefster is onderzocht en de gesprekken tussen aangeefster en klager zijn veiliggesteld. Daarbij is niets aangetroffen dat de verdenking tegen cliënt kan ondersteunen. 14. De aangetroffen databestanden bieden echter wel ondersteuning aan de verklaring die cliënt direct bij het eerste verhoor heeft afgelegd. Hij heeft de politie direct open en eerlijk verklaard wat er volgens hem is gebeurd, hij heeft gewezen op het contract tussen hem en aangeefster. In het kader van hun seksuele contact en dit contract is ook aangetroffen. Zoals gezegd is er verder niets op de telefoon aangetroffen dat de verklaring van aangeefster ondersteund. 15. Omdat de data van de telefoon van aangeefster veilig is gesteld en er als gevolg daarvan geen reden is om aan de verklaring van cliënt te twijfelen, valt niet in te zien waarom er nog een strafvorderlijk belang is bij het uitlezen van zijn telefoon. (…) 17. De inbeslagneming is in het geval van cliënt ook niet proportioneel. Cliënt heeft reeds bij de politie aangegeven dat hij zich bezighoudt meer zeer gevoelige mensenrechtenkwesties bij het [A] in Engeland. Hij is daar directeur en legal expert. Wij zijn op dit moment aan het proberen uit te zoeken of de informatie onder het verschoningsrecht valt of dat sprake is van afgeleid verschoningsrecht. Dat is, omdat het om internationale kwesties gaat, niet eenvoudig en dat kost ook tijd. 18. De vraag is echter of het van belang is of de informatie onder het verschoningsrecht valt of niet. Immers, de informatie waarover het gaat is per definitie juridisch en politiek zeer gevoelig. Zoals cliënt bij de politie verklaarde gaat het onder andere om informatie over de conflicten in Oekraïne en Palestina. 19. De verdediging stelt zich om voornoemde redenen op het standpunt dat het beslag niet proportioneel is. Zoals gezegd moet er rekening mee worden gehouden dat aangeefster de aangifte mogelijk onder invloed van een psychische aandoening heeft gedaan. Als dat het geval is, dan zijn zowel cliënt als aangeefster slachtoffer van de situatie. De apparaten van cliënt kunnen naar het zich laat aanzien niet meer informatie aan de dag leggen over de verdenking, dan dat uit de telefoon van aangeefster blijkt. Gelet daarop moet het belang van cliënt om zijn gevoelige gegevens te beschermen in dit geval zwaarder wegen dan het belang van strafvordering.” 3.2 Het openbaar ministerie heeft op 12 maart 2025 een schriftelijk standpunt ingenomen over het klaagschrift. Daarin staat onder meer: “Het onderzoek naar de gegevensdragers is van belang om te onderzoeken of er meer chats zijn tussen klager en aangeefster over het strafbare feit. Dit met als doel om de verklaring van de klager na te trekken. Dat de gesprekken tussen klager en aangeefster al bekend zijn naar aanleiding van onderzoek in de telefoon van aangeefster betekent immers niet dat er niet andere relevante gegevens voor het onderzoek op de gegevensdragers van klager kunnen staan. Het Openbaar Ministerie heeft reeds aangegeven zich voor dit onderzoek slechts te richten op foto's, video's, chats/app/sms-berichten en mails in de onderzoeksperiode van 1 juli 2024 tot aan de dag van de aanhouding, te weten 21 juli 2024.” 3.3 Aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 17 maart 2025 kan het volgende worden ontleed: “ De rechter deelt verder mee dat de raadsman per e-mail van 14 maart 2025 heeft verzocht de behandeling van de hiervoor genoemde klaagschriften aan te houden. De officier van justitie heeft per e-mail van 14 maart 2025 meegedeeld dat hij zich tegen aanhouding verzet. De e mails van de raadsman en de officier van justitie zijn aan dit proces-verbaal gehecht en de inhoud ervan geldt als hier ingevoegd. De rechter vraagt de raadsman waarom zijn kanttekeningen over de inhoud van het procesdossier tot aanhouding van de behandeling van de klaagschriften moeten leiden. De raadsman zegt het volgende: In aanvulling op wat ik eerder al heb gemaild wil ik opmerken dat - en dit is informatie van een half uur geleden - aangeefster ook heeft verklaard dat zij tussen 28 en 30 juni niet op de wc zat opgesloten. Ik heb hier beelden van. Dit raakt direct aan de betrouwbaarheid van haar eigen verklaring. Het zou in strijd zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als het beklag gegrond wordt verklaard, vóórdat nader onderzoek is gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:361 text/xml public 2026-05-19T12:45:24 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-04-07 25/01195 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:763 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:361 text/html public 2026-05-19T09:57:48 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:361 Parket bij de Hoge Raad , 07-04-2026 / 25/01195 Conclusie AG. Beklag beslag op gegevensdragers. Middel over onderzoek naar en afweging van de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01195 B Zitting 7 april 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, hierna: de klager. 1 Inleiding 1.1 De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 31 maart 2025 het klaagschrift van klager ongegrond verklaard. Dit beklag was gericht tegen de inbeslagneming van een aantal gegevensdragers. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 25/01196 Bv. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.J.J. Zwaan en J.W.D. Roozemond, beiden advocaat in Utrecht, hebben een middel van cassatie voorgesteld. 2 De zaak in het kort 2.1 De klager wordt verdachte van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, zware mishandeling en bedreiging van een vrouw. In het onderzoek naar deze verdenking heeft de politie twee iPhones, een MacBook en een iPad in beslag genomen. Op 6 oktober 2024 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen dit beslag op grond van art. 552a Sv. 2.2 De enkelvoudige raadkamer heeft dit klaagschrift behandeld op 15 oktober 2024. De raadkamer heeft aldaar de zaak verwezen naar de rechter-commissaris om een beslissing te nemen op grond van art. 98 Sv. Kort gezegd lag aan deze verwijzing ten grondslag dat de klager zich beroept op een hem toekomend, al dan niet afgeleid, verschoningsrecht. 2.3 Dit heeft geleid tot een beslissing van de rechter-commissaris van 10 december 2024, inhoudende het oordeel dat de klager een dergelijk verschoningsrecht niet heeft. Op 23 december 2024 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen deze beslissing op grond van art. 98 lid 3 en 4 jº 552a Sv. 2.4 De twee klaagschriften zijn (wederom) door de enkelvoudige raadkamer behandeld op 17 maart 2025. Vervolgens heeft de raadkamer op de twee klaagschriften afzonderlijk beslist en beide ongegrond verklaard. Cassatie is ingesteld tegen zowel de beschikking over het klaagschrift tegen het beslag (deze zaak met kenmerk 25/01195 B) als tegen de beschikking over het klaagschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris (de samenhangende zaak met kenmerk 25/01196 Bv). Kort gezegd keren de stellers van de middelen zich in de eerste zaak tegen het oordeel van de rechtbank over de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag en in de tweede zaak tegen het oordeel over het verschoningsrecht. 3 Procesverloop 3.1 Het door de klager op 6 augustus 2024 ingediende klaagschrift houdt onder andere het volgende in: “2. Het klaagschrift strekt tot opheffing van de beslagen op de digitale gegevensdragers van cliënt. (…) Toepassing op de zaak 13. Klager stelt zich op het standpunt dat het beslag niet langer noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid. De telefoon van aangeefster is onderzocht en de gesprekken tussen aangeefster en klager zijn veiliggesteld. Daarbij is niets aangetroffen dat de verdenking tegen cliënt kan ondersteunen. 14. De aangetroffen databestanden bieden echter wel ondersteuning aan de verklaring die cliënt direct bij het eerste verhoor heeft afgelegd. Hij heeft de politie direct open en eerlijk verklaard wat er volgens hem is gebeurd, hij heeft gewezen op het contract tussen hem en aangeefster. In het kader van hun seksuele contact en dit contract is ook aangetroffen. Zoals gezegd is er verder niets op de telefoon aangetroffen dat de verklaring van aangeefster ondersteund. 15. Omdat de data van de telefoon van aangeefster veilig is gesteld en er als gevolg daarvan geen reden is om aan de verklaring van cliënt te twijfelen, valt niet in te zien waarom er nog een strafvorderlijk belang is bij het uitlezen van zijn telefoon. (…) 17. De inbeslagneming is in het geval van cliënt ook niet proportioneel. Cliënt heeft reeds bij de politie aangegeven dat hij zich bezighoudt meer zeer gevoelige mensenrechtenkwesties bij het [A] in Engeland. Hij is daar directeur en legal expert. Wij zijn op dit moment aan het proberen uit te zoeken of de informatie onder het verschoningsrecht valt of dat sprake is van afgeleid verschoningsrecht. Dat is, omdat het om internationale kwesties gaat, niet eenvoudig en dat kost ook tijd. 18. De vraag is echter of het van belang is of de informatie onder het verschoningsrecht valt of niet. Immers, de informatie waarover het gaat is per definitie juridisch en politiek zeer gevoelig. Zoals cliënt bij de politie verklaarde gaat het onder andere om informatie over de conflicten in Oekraïne en Palestina. 19. De verdediging stelt zich om voornoemde redenen op het standpunt dat het beslag niet proportioneel is. Zoals gezegd moet er rekening mee worden gehouden dat aangeefster de aangifte mogelijk onder invloed van een psychische aandoening heeft gedaan. Als dat het geval is, dan zijn zowel cliënt als aangeefster slachtoffer van de situatie. De apparaten van cliënt kunnen naar het zich laat aanzien niet meer informatie aan de dag leggen over de verdenking, dan dat uit de telefoon van aangeefster blijkt. Gelet daarop moet het belang van cliënt om zijn gevoelige gegevens te beschermen in dit geval zwaarder wegen dan het belang van strafvordering.” 3.2 Het openbaar ministerie heeft op 12 maart 2025 een schriftelijk standpunt ingenomen over het klaagschrift. Daarin staat onder meer: “Het onderzoek naar de gegevensdragers is van belang om te onderzoeken of er meer chats zijn tussen klager en aangeefster over het strafbare feit. Dit met als doel om de verklaring van de klager na te trekken. Dat de gesprekken tussen klager en aangeefster al bekend zijn naar aanleiding van onderzoek in de telefoon van aangeefster betekent immers niet dat er niet andere relevante gegevens voor het onderzoek op de gegevensdragers van klager kunnen staan. Het Openbaar Ministerie heeft reeds aangegeven zich voor dit onderzoek slechts te richten op foto's, video's, chats/app/sms-berichten en mails in de onderzoeksperiode van 1 juli 2024 tot aan de dag van de aanhouding, te weten 21 juli 2024.” 3.3 Aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 17 maart 2025 kan het volgende worden ontleed: “ De rechter deelt verder mee dat de raadsman per e-mail van 14 maart 2025 heeft verzocht de behandeling van de hiervoor genoemde klaagschriften aan te houden. De officier van justitie heeft per e-mail van 14 maart 2025 meegedeeld dat hij zich tegen aanhouding verzet. De e mails van de raadsman en de officier van justitie zijn aan dit proces-verbaal gehecht en de inhoud ervan geldt als hier ingevoegd. De rechter vraagt de raadsman waarom zijn kanttekeningen over de inhoud van het procesdossier tot aanhouding van de behandeling van de klaagschriften moeten leiden. De raadsman zegt het volgende: In aanvulling op wat ik eerder al heb gemaild wil ik opmerken dat - en dit is informatie van een half uur geleden - aangeefster ook heeft verklaard dat zij tussen 28 en 30 juni niet op de wc zat opgesloten. Ik heb hier beelden van. Dit raakt direct aan de betrouwbaarheid van haar eigen verklaring. Het zou in strijd zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als het beklag gegrond wordt verklaard, vóórdat nader onderzoek is gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen.
Volledig
De kans is immers groot dat een onderzoek aan de in beslag genomen gegevensdragers niet langer noodzakelijk blijkt nadat nader (ander) onderzoek is gedaan, terwijl op de gegevensdragers van klager zeer gevoelige, aan zijn werk gerelateerde informatie staat (ook over de conflicten in Gaza en Oekraïne), ongeacht of hem een beroep toekomt op het (afgeleid) verschoningsrecht. (…) De officier van justitie zegt het volgende: Het Openbaar Ministerie wil de gegevensdragers enkel in het kader van de waarheidsvinding in de strafzaak onderzoeken. Het gaat om beperkt onderzoek op de gegevensdragers, waarmee mogelijk ook al worden aangetoond of de verklaringen van aangeefster kloppen. Dat is toch in het belang van klager? De raadsman zegt daarop: Het belang van cliënt om bepaalde gegevens op de gegevensdragers geheim te houden weegt voor hem zwaarder. Hij wil niet dat de gegevensdragers worden uitgelezen, ook al zouden ze mogelijk ontlastend materiaal bevatten. Hij wil gewoon niet dat ze in handen komen van de overheid. De officier van justitie zegt het volgende: Het aanhoudingsverzoek moet worden afgewezen. Het Openbaar Ministerie vindt dat geen sprake is van een (afgeleid) verschoningsrecht. Dat betekent dat de beslissing van de rechter commissaris moet worden bekrachtigd. Verder verzet het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich tegen teruggave van de gegevensdragers aan klager. De raadsman zegt: Er staat echt gevoelige informatie op de gegevensdragers en cliënt wil niet dat die informatie bij de overheid terecht komt. Het is daarom van belang dat eerst wordt onderzocht of de aangifte vals is en of aangeefster heeft geprobeerd getuigen te beïnvloeden, vóórdat wordt beslist of de gegevensdragers mogen worden uitgelezen.” 3.4 De bestreden beschikking van de rechtbank van 31 maart 2025 houdt ten slotte, voor zover relevant, het volgende in: “(…) De raadkamer heeft het klaagschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris bij beslissing van vandaag onder raadkamernummer 25-000371 ongegrond verklaard. Klager heeft naar het oordeel van de raadkamer aldus geen (afgeleid) verschoningsrecht. De raadkamer zal in de onderhavige beslissing daarom enkel beslissen op het klaagschrift dat is gericht tegen (de voortduring van) het beslag op de gegevensdragers van klager, gegeven het oordeel dat hem ten aanzien van die gegevensdragers geen (afgeleid) verschoningsrecht toekomt. Beoordeling De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de raadkamer niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. De raadkamer heeft op de zitting van 15 oktober 2025 (blijkens het proces-verbaal) bij tussenconclusie al het volgende overwogen: 'Tussenconclusie ten aanzien van het beslag De raadkamer is van oordeel dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich vooralsnog verzet tegen teruggave van - een Apple iPhone Groen, [goednummer 1] ; - een Apple iPhone Grijs, [goednummer 2] ; - een Apple Ipad. [goednummer 3] , aangezien zich daarin zowel belastende als ontlastende informatie kan bevinden met betrekking tot de verdenkingen jegens verdachte (zware mishandeling, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsbeneming in de huiselijke sfeer). Verder blijkt uit het dossier dat er twee Apple Macbooks in beslag zijn genomen. De Apple Macbook van aangeefster heeft [goednummer 4] en de Apple Macbook van verdachte heeft [goednummer 5] . Blijkens mededeling van de officier van justitie is de Apple Macbook. toebehorend aan het slachtoffer, inmiddels aan haar teruggegeven. De raadkamer leidt hieruit af dat de aan de verdachte toebehorende Apple Macbook met [goednummer 5] nog onder beslag ligt. Ook daarvoor geldt dat het belang van de waarheidsvinding zich verzet tegen de teruggave van dat goed aan klager. Uit het dossier volgt niet dat nog een tweede I-pad in beslag genomen is, zodat klager in zoverre niet in zijn beklag kan w orden ontvangen.’ De raadsman heeft de raadkamer op de zitting van 17 maart 2025 verzocht de behandeling van het klaagschrift opnieuw aan te houden, dan wel het beklag gegrond te verklaren. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Na de zitting van 15 oktober 2024 zijn nieuwe stukken aan het procesdossier toegevoegd, waaruit zonder meer blijkt dat aangeefster heeft geprobeerd om getuigen te beïnvloeden en om te kopen. Nu de verdenking jegens klager uitsluitend op de verklaringen van aangeefster is gebaseerd, heeft de verdediging het Openbaar Ministerie verzocht de zaak te seponeren, dan wel nader onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen. Het zou in strijd zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als het beklag gegrond wordt verklaard, vóórdat nader onderzoek is gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen. De kans is immers groot dat een onderzoek aan de in beslag genomen gegevensdragers niet langer noodzakelijk blijkt nadat nader (ander) onderzoek is gedaan, terwijl op de gegevensdragers van klager zeer gevoelige, aan zijn werk gerelateerde informatie staat, ongeacht of hem een beroep toekomt op het (afgeleid) verschoningsrecht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Klager heeft geen (afgeleid) verschoningsrecht en het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding verzet zich nog steeds tegen teruggave van de gegevensdragers aan klager. De raadkamer overweegt het volgende. Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde op de zitting is de raadkamer (nog steeds) van oordeel dal het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het onderzoek jegens klager als verdachte loopt nog en de gegevensdragers zijn in beslag genomen met het doel de waarheid aan het licht te brengen. Klager wordt verdacht van zware mishandeling, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsbeneming van aangeefster in de huiselijke sfeer. De gegevensdragers van klager kunnen zowel belastende als ontlastende informatie bevatten in de vorm van - bijvoorbeeld - beeldmateriaal of gesprekken of berichten van en/of aan aangeefster. Zoals reeds overwogen kan van de raadkamer niet worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. De raadkamer ziet in wat namens klager is aangevoerd over de nieuwe stukken in hel procesdossier dan ook geen aanleiding om tot aanhouding van de zaak over te gaan. De omstandigheid dat mogelijk gevoelige, aan het werk van klager gerelateerde informatie op de gegevensdragers staat, maakt dit niet anders.
Volledig
De kans is immers groot dat een onderzoek aan de in beslag genomen gegevensdragers niet langer noodzakelijk blijkt nadat nader (ander) onderzoek is gedaan, terwijl op de gegevensdragers van klager zeer gevoelige, aan zijn werk gerelateerde informatie staat (ook over de conflicten in Gaza en Oekraïne), ongeacht of hem een beroep toekomt op het (afgeleid) verschoningsrecht. (…) De officier van justitie zegt het volgende: Het Openbaar Ministerie wil de gegevensdragers enkel in het kader van de waarheidsvinding in de strafzaak onderzoeken. Het gaat om beperkt onderzoek op de gegevensdragers, waarmee mogelijk ook al worden aangetoond of de verklaringen van aangeefster kloppen. Dat is toch in het belang van klager? De raadsman zegt daarop: Het belang van cliënt om bepaalde gegevens op de gegevensdragers geheim te houden weegt voor hem zwaarder. Hij wil niet dat de gegevensdragers worden uitgelezen, ook al zouden ze mogelijk ontlastend materiaal bevatten. Hij wil gewoon niet dat ze in handen komen van de overheid. De officier van justitie zegt het volgende: Het aanhoudingsverzoek moet worden afgewezen. Het Openbaar Ministerie vindt dat geen sprake is van een (afgeleid) verschoningsrecht. Dat betekent dat de beslissing van de rechter commissaris moet worden bekrachtigd. Verder verzet het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich tegen teruggave van de gegevensdragers aan klager. De raadsman zegt: Er staat echt gevoelige informatie op de gegevensdragers en cliënt wil niet dat die informatie bij de overheid terecht komt. Het is daarom van belang dat eerst wordt onderzocht of de aangifte vals is en of aangeefster heeft geprobeerd getuigen te beïnvloeden, vóórdat wordt beslist of de gegevensdragers mogen worden uitgelezen.” 3.4 De bestreden beschikking van de rechtbank van 31 maart 2025 houdt ten slotte, voor zover relevant, het volgende in: “(…) De raadkamer heeft het klaagschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris bij beslissing van vandaag onder raadkamernummer 25-000371 ongegrond verklaard. Klager heeft naar het oordeel van de raadkamer aldus geen (afgeleid) verschoningsrecht. De raadkamer zal in de onderhavige beslissing daarom enkel beslissen op het klaagschrift dat is gericht tegen (de voortduring van) het beslag op de gegevensdragers van klager, gegeven het oordeel dat hem ten aanzien van die gegevensdragers geen (afgeleid) verschoningsrecht toekomt. Beoordeling De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de raadkamer niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. De raadkamer heeft op de zitting van 15 oktober 2025 (blijkens het proces-verbaal) bij tussenconclusie al het volgende overwogen: 'Tussenconclusie ten aanzien van het beslag De raadkamer is van oordeel dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich vooralsnog verzet tegen teruggave van - een Apple iPhone Groen, [goednummer 1] ; - een Apple iPhone Grijs, [goednummer 2] ; - een Apple Ipad. [goednummer 3] , aangezien zich daarin zowel belastende als ontlastende informatie kan bevinden met betrekking tot de verdenkingen jegens verdachte (zware mishandeling, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsbeneming in de huiselijke sfeer). Verder blijkt uit het dossier dat er twee Apple Macbooks in beslag zijn genomen. De Apple Macbook van aangeefster heeft [goednummer 4] en de Apple Macbook van verdachte heeft [goednummer 5] . Blijkens mededeling van de officier van justitie is de Apple Macbook. toebehorend aan het slachtoffer, inmiddels aan haar teruggegeven. De raadkamer leidt hieruit af dat de aan de verdachte toebehorende Apple Macbook met [goednummer 5] nog onder beslag ligt. Ook daarvoor geldt dat het belang van de waarheidsvinding zich verzet tegen de teruggave van dat goed aan klager. Uit het dossier volgt niet dat nog een tweede I-pad in beslag genomen is, zodat klager in zoverre niet in zijn beklag kan w orden ontvangen.’ De raadsman heeft de raadkamer op de zitting van 17 maart 2025 verzocht de behandeling van het klaagschrift opnieuw aan te houden, dan wel het beklag gegrond te verklaren. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Na de zitting van 15 oktober 2024 zijn nieuwe stukken aan het procesdossier toegevoegd, waaruit zonder meer blijkt dat aangeefster heeft geprobeerd om getuigen te beïnvloeden en om te kopen. Nu de verdenking jegens klager uitsluitend op de verklaringen van aangeefster is gebaseerd, heeft de verdediging het Openbaar Ministerie verzocht de zaak te seponeren, dan wel nader onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen. Het zou in strijd zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als het beklag gegrond wordt verklaard, vóórdat nader onderzoek is gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen. De kans is immers groot dat een onderzoek aan de in beslag genomen gegevensdragers niet langer noodzakelijk blijkt nadat nader (ander) onderzoek is gedaan, terwijl op de gegevensdragers van klager zeer gevoelige, aan zijn werk gerelateerde informatie staat, ongeacht of hem een beroep toekomt op het (afgeleid) verschoningsrecht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Klager heeft geen (afgeleid) verschoningsrecht en het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding verzet zich nog steeds tegen teruggave van de gegevensdragers aan klager. De raadkamer overweegt het volgende. Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde op de zitting is de raadkamer (nog steeds) van oordeel dal het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het onderzoek jegens klager als verdachte loopt nog en de gegevensdragers zijn in beslag genomen met het doel de waarheid aan het licht te brengen. Klager wordt verdacht van zware mishandeling, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsbeneming van aangeefster in de huiselijke sfeer. De gegevensdragers van klager kunnen zowel belastende als ontlastende informatie bevatten in de vorm van - bijvoorbeeld - beeldmateriaal of gesprekken of berichten van en/of aan aangeefster. Zoals reeds overwogen kan van de raadkamer niet worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. De raadkamer ziet in wat namens klager is aangevoerd over de nieuwe stukken in hel procesdossier dan ook geen aanleiding om tot aanhouding van de zaak over te gaan. De omstandigheid dat mogelijk gevoelige, aan het werk van klager gerelateerde informatie op de gegevensdragers staat, maakt dit niet anders.
Volledig
Klager heeft geen (afgeleid) verschoningsrecht en de officier van justitie heeft bovendien meegedeeld dat de gegevensdragers slechts beperkt worden onderzocht op foto’s, video’s, berichten en/of mails in de periode van 1 juli 2024 tot aan de dag van aanhouding van klager op 21 juli 2024. De raadkamer is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De belangen van klager bij opheffing van het beklag wegen, gelet op de aard en ernst van de verdenking, dan ook niet op tegen het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding. De raadkamer zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.” 4 Het middel 4.1 Met het middel wordt geklaagd dat de rechtbank er onvoldoende blijk van heeft gegeven een onderzoek te hebben ingesteld naar de proportionaliteit en subsidiariteit van voortduren van het beslag. Hoe dan ook zou het oordeel van de proportionaliteit en subsidiariteit onbegrijpelijk zijn of ontoereikend zijn gemotiveerd in het licht van de door de klager aangevoerde omstandigheden. Die omstandigheden zijn ten eerste dat het openbaar ministerie al beschikt over de informatie die het zoekt omdat de telefoon van de aangeefster is veiliggesteld. Ten tweede zou het de klager schade berokkenen en zou het een afschrikwekkend effect hebben op de samenwerking in het kader van de internationale bescherming van kinderrechten als de overheid kennis zou nemen van de gevoelige informatie op de gegevensdragers. 4.2 Over het algemene beoordelingskader voor het beklag tegen een op grond van art. 94 Sv gelegd beslag en over de specifieke beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van het voortduren van een dergelijk beslag, heeft de Hoge Raad in HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:128 onder meer overwogen: “2.3.1 Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het gaan om het aan de dag brengen van de waarheid – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 552f Sv. (…) 2.4.1 De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.) (…) 2.4.2 De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.” 4.3 Wat de eerste klacht van het middel betreft, constateer ik dat de rechtbank wel degelijk expliciet is ingegaan op de vraag of het handhaven van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat zij daarbij zowel is ingegaan op het belang van het onderzoek van de gegevensdragers voor de waarheidsvinding als op de mogelijkheid dat zich op deze gegevensdragers gevoelige informatie bevindt. Anders dan de stellers van het middel betogen, heeft de rechtbank dit niet alleen gedaan in het kader van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, maar heeft zij dit ook ten grondslag gelegd aan haar “oordeel dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. 4.4 Het oordeel van de rechtbank dat de genoemde omstandigheden er niet toe leiden dat het handhaven van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, is verder geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De rechtbank heeft evident als uitgangspunt kunnen nemen dat niet is uit te sluiten dat de gegevensdragers ook ander, belastend of ontlastend, materiaal bevatten dan zich bevindt op de telefoon van de aangeefster. Dit gegeven kan verder op zichzelf al voldoende gewicht in de schaal leggen in de afweging met de belangen die gemoeid zijn met de, zeer algemeen gestelde, aard van de andere informatie die zich op de gegevensdragers zou bevinden. De rechtbank heeft bovendien in haar afweging terecht betrokken dat het onderzoek van de gegevensdragers zich volgens het openbaar ministerie niet zal uitstrekken tot alle informatie die zich daarop bevindt. 5 Afronding 5.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 5.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG
Volledig
Klager heeft geen (afgeleid) verschoningsrecht en de officier van justitie heeft bovendien meegedeeld dat de gegevensdragers slechts beperkt worden onderzocht op foto’s, video’s, berichten en/of mails in de periode van 1 juli 2024 tot aan de dag van aanhouding van klager op 21 juli 2024. De raadkamer is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De belangen van klager bij opheffing van het beklag wegen, gelet op de aard en ernst van de verdenking, dan ook niet op tegen het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding. De raadkamer zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.” 4 Het middel 4.1 Met het middel wordt geklaagd dat de rechtbank er onvoldoende blijk van heeft gegeven een onderzoek te hebben ingesteld naar de proportionaliteit en subsidiariteit van voortduren van het beslag. Hoe dan ook zou het oordeel van de proportionaliteit en subsidiariteit onbegrijpelijk zijn of ontoereikend zijn gemotiveerd in het licht van de door de klager aangevoerde omstandigheden. Die omstandigheden zijn ten eerste dat het openbaar ministerie al beschikt over de informatie die het zoekt omdat de telefoon van de aangeefster is veiliggesteld. Ten tweede zou het de klager schade berokkenen en zou het een afschrikwekkend effect hebben op de samenwerking in het kader van de internationale bescherming van kinderrechten als de overheid kennis zou nemen van de gevoelige informatie op de gegevensdragers. 4.2 Over het algemene beoordelingskader voor het beklag tegen een op grond van art. 94 Sv gelegd beslag en over de specifieke beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van het voortduren van een dergelijk beslag, heeft de Hoge Raad in HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:128 onder meer overwogen: “2.3.1 Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het gaan om het aan de dag brengen van de waarheid – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 552f Sv. (…) 2.4.1 De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.) (…) 2.4.2 De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.” 4.3 Wat de eerste klacht van het middel betreft, constateer ik dat de rechtbank wel degelijk expliciet is ingegaan op de vraag of het handhaven van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat zij daarbij zowel is ingegaan op het belang van het onderzoek van de gegevensdragers voor de waarheidsvinding als op de mogelijkheid dat zich op deze gegevensdragers gevoelige informatie bevindt. Anders dan de stellers van het middel betogen, heeft de rechtbank dit niet alleen gedaan in het kader van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, maar heeft zij dit ook ten grondslag gelegd aan haar “oordeel dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit”. 4.4 Het oordeel van de rechtbank dat de genoemde omstandigheden er niet toe leiden dat het handhaven van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, is verder geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De rechtbank heeft evident als uitgangspunt kunnen nemen dat niet is uit te sluiten dat de gegevensdragers ook ander, belastend of ontlastend, materiaal bevatten dan zich bevindt op de telefoon van de aangeefster. Dit gegeven kan verder op zichzelf al voldoende gewicht in de schaal leggen in de afweging met de belangen die gemoeid zijn met de, zeer algemeen gestelde, aard van de andere informatie die zich op de gegevensdragers zou bevinden. De rechtbank heeft bovendien in haar afweging terecht betrokken dat het onderzoek van de gegevensdragers zich volgens het openbaar ministerie niet zal uitstrekken tot alle informatie die zich daarop bevindt. 5 Afronding 5.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 5.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG