Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-04-07
ECLI:NL:PHR:2026:360
Strafrecht
8,100 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:360 text/xml public 2026-05-19T12:45:31 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-04-07 25/03662 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:765 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:360 text/html public 2026-05-19T11:08:52 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:360 Parket bij de Hoge Raad , 07-04-2026 / 25/03662 Conclusie AG. Beslag ex art. 94 Sv n.a.v. EOB van Belgische autoriteiten op diverse voorwerpen. Klaagschrift o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv. Middel dat klaagt dat de rechtbank het klaagschrift heeft beoordeeld en het beklag ongegrond heeft verklaard zonder daarbij kennis te nemen van de inhoud van het EOB, faalt. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep (art. 81 RO). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/03662 Br Zitting 7 april 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [klager 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, en [klager 1] , wettelijke vertegenwoordiger van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2014, en [klager 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de klagers. 1 Inleiding 1.1 In haar beschikking van 4 juli 2025 heeft de rechtbank Rotterdam (raadkamernrs. 24/027725 en 24/027499 en 24/027504), het door klagers ingediende beklag dat strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klagers, ongegrond verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klagers. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld. 2 De zaak 2.1 Het beslag in deze zaak is gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Belgische autoriteiten van 9 oktober 2024 in het kader van strafrechtelijk onderzoek. Het beslag heeft betrekking op diverse mobiele telefoons, USB-sticks, simkaarten, gegevensdragers, doosjes van mobiele telefoons en een iPad. Namens de klagers is op grond van art. 5.4.10 jo. art 552a Sv een klaagschrift ingediend dat strekt tot teruggave van deze voorwerpen. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard. 2.2 Het proces-verbaal van de raadkamer van 4 juli 2025 houdt, voor zover van belang, het volgende in: “ De raadsman deelt mee: De klaagschriften zijn summier opgesteld Mijn kantoorgenoot had gehoopt het EOB ook in handen te krijgen en daarna met een uitgebreide motivering te komen. De officier van justitie deelt mee: Het EOB wordt op verzoek van de Belgische autoriteiten niet verstrekt door het openbaar ministerie. Als u die informatie wil, dan moet u naar de Belgische autoriteiten. Het verzoek kan bij hen worden neergelegd. Ik kan u eventueel de contactgegevens van de Belgische collega geven. De raadsman deelt mee: EOB-zaken komen niet heel vaak voor, maar dit is voor mij de eerste keer dat er in een zaak geen EOB bij zit. We moeten het hiermee doen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB en toetst ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming. Echter, toetst de rechter wel of - gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv - zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Voor de verdediging is het onmogelijk om die artikelen te toetsen, nu wij geen beschikking hebben over het EOB. De verdediging begrijpt niet waarom het EOB niet verstrekt mag worden. Over het algemeen wordt het wel verstrekt. Dit is de eerste keer dat ik meemaak dat er geheimhouding wordt verzocht. Er is geen sprake van een schending van het opsporingsbelang bij het verstrekken van het EOB. Nogmaals, het is voor de verdediging onmogelijk om de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv te toetsen en of aan alle vereisten is voldaan. De verdediging verzoekt de klaagschriften gegrond te verklaren en te bepalen dat de inbeslaggenomen voorwerpen teruggegeven dienen te worden. De voorzitter houdt voor dat [klager 2] de beslagene is van alle inbeslaggenomen voorwerpen en dat [klager 1] en haar dochter zelf een klaagschrift hebben ingediend tegen het beslag op die voorwerpen waarvan zij stellen eigenaar te zijn. De voorzitter vraagt of de verdediging een onderbouwing van dat eigenaarschap kan geven. De raadsman deelt mee: Ik heb daar vandaag geen onderbouwing voor. De officier van justitie deelt mee: Het EOB wordt aan de Nederlandse autoriteiten toegezonden. De eerste toets wordt door het openbaar ministerie gedaan. Vervolgens doet ook de rechter-commissaris een toets. Het is niet zo dat er in Nederland zomaar beslag wordt gelegd op voorwerpen. Uiteindelijk vindt er ook een toets plaats bij de beklagrechter. Het EOB kan bij de Belgische autoriteiten worden opgevraagd. Daar is in al die tussentijd kennelijk niet om gevraagd. Dit is nu de stand van zaken. Door de verdediging is onvoldoende aangevoerd waarom er sprake zou zijn van een weigeringsgrond ex artikel 5.4.4 Sv. De raadsman deelt mee: Er is geen bezwaar tegen teruggave van alle voorwerpen aan [klager 2] . [klager 1] is namelijk de partner van [klager 2] . De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad. De voorzitter deelt na hervatting van het onderzoek mee dat de rechtbank als volgt heeft beslist. De voorzitter verklaart het onderzoek in raadkamer gesloten en deelt mee dat onmiddellijk uitspraak zal worden gedaan. De voorzitter spreekt de beslissing van de rechtbank uit.” 2.3 De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang en zonder weergave van voetnoten, het volgende in: “ Procedure De klaagschriften zijn op 6 en 7 november 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 4 juli 2025 de klaagschriften in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de klagers, mr. J.J.J. van Rijsbergen namens mr. [betrokkene 2] en de [Officier van Justitie] in raadkamer gehoord. De klagers zijn, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Beklag De klaagschriften strekken tot: - teruggave aan [klager 2] van de zeven mobiele telefoons, de lege doos GSM, het doosje met diverse simkaarten, de losse simkaart, vier USB-sticks en de iPad; - teruggave aan [klager 1] van de mobiele telefoon iPhone SE; - teruggave aan [klager 1] namens minderjarige dochter [betrokkene 1] van de mobiele telefoon iPhone 11 en een laptop. Daartoe is aangevoerd dat de in beslag genomen goederen aan de klagers toebehoren, dat zij daarvan geen afstand hebben gedaan en dat zij deze goederen evenmin door enig strafbaar feit hebben verkregen of onttrokken aan een rechthebbende. Klagers worden bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan. [klager 1] heeft haar telefoon dringend nodig, omdat haar e-mail, bank- en DigiD inloggegevens op de in beslag genomen telefoon staan. De dochter van [klager 1] heeft haar laptop nodig om haar huiswerk voor school te maken en het is gelet op haar jeugdige leeftijd van belang dat zij haar mobiele telefoon bij zich heeft voor eventuele noodsituaties. Naar het oordeel van de klagers verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de gevraagde teruggave. Tot slot beschikt de verdediging niet over het EOB, waardoor het niet mogelijk is om te toetsen of aan de vereisten van de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv is voldaan. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De goederen zijn in beslag genomen op grond van een EOB uit België in het kader van waarheidsvinding. Deze grond is nog van toepassing, aangezien het onderzoek aan de goederen nog plaats dient te vinden. Dit onderzoek wordt bespoedigd door de onmiddellijke overdracht van de goederen aan de Belgische autoriteiten. Uit dat onderzoek moet ook blijken of de in beslag genomen goederen eigendom zijn van [klager 1] of van haar dochter en of deze verband houden met strafbare feiten. De door klagers gestelde persoonlijke omstandigheden kunnen niet zonder meer het belang van het strafrechtelijk onderzoek overschaduwen.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:360 text/xml public 2026-05-19T12:45:31 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-04-07 25/03662 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:765 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:360 text/html public 2026-05-19T11:08:52 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:360 Parket bij de Hoge Raad , 07-04-2026 / 25/03662 Conclusie AG. Beslag ex art. 94 Sv n.a.v. EOB van Belgische autoriteiten op diverse voorwerpen. Klaagschrift o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv. Middel dat klaagt dat de rechtbank het klaagschrift heeft beoordeeld en het beklag ongegrond heeft verklaard zonder daarbij kennis te nemen van de inhoud van het EOB, faalt. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep (art. 81 RO). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/03662 Br Zitting 7 april 2026 CONCLUSIE M.E. van Wees In de zaak [klager 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, en [klager 1] , wettelijke vertegenwoordiger van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2014, en [klager 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de klagers. 1 Inleiding 1.1 In haar beschikking van 4 juli 2025 heeft de rechtbank Rotterdam (raadkamernrs. 24/027725 en 24/027499 en 24/027504), het door klagers ingediende beklag dat strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klagers, ongegrond verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klagers. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld. 2 De zaak 2.1 Het beslag in deze zaak is gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Belgische autoriteiten van 9 oktober 2024 in het kader van strafrechtelijk onderzoek. Het beslag heeft betrekking op diverse mobiele telefoons, USB-sticks, simkaarten, gegevensdragers, doosjes van mobiele telefoons en een iPad. Namens de klagers is op grond van art. 5.4.10 jo. art 552a Sv een klaagschrift ingediend dat strekt tot teruggave van deze voorwerpen. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard. 2.2 Het proces-verbaal van de raadkamer van 4 juli 2025 houdt, voor zover van belang, het volgende in: “ De raadsman deelt mee: De klaagschriften zijn summier opgesteld Mijn kantoorgenoot had gehoopt het EOB ook in handen te krijgen en daarna met een uitgebreide motivering te komen. De officier van justitie deelt mee: Het EOB wordt op verzoek van de Belgische autoriteiten niet verstrekt door het openbaar ministerie. Als u die informatie wil, dan moet u naar de Belgische autoriteiten. Het verzoek kan bij hen worden neergelegd. Ik kan u eventueel de contactgegevens van de Belgische collega geven. De raadsman deelt mee: EOB-zaken komen niet heel vaak voor, maar dit is voor mij de eerste keer dat er in een zaak geen EOB bij zit. We moeten het hiermee doen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB en toetst ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming. Echter, toetst de rechter wel of - gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv - zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Voor de verdediging is het onmogelijk om die artikelen te toetsen, nu wij geen beschikking hebben over het EOB. De verdediging begrijpt niet waarom het EOB niet verstrekt mag worden. Over het algemeen wordt het wel verstrekt. Dit is de eerste keer dat ik meemaak dat er geheimhouding wordt verzocht. Er is geen sprake van een schending van het opsporingsbelang bij het verstrekken van het EOB. Nogmaals, het is voor de verdediging onmogelijk om de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv te toetsen en of aan alle vereisten is voldaan. De verdediging verzoekt de klaagschriften gegrond te verklaren en te bepalen dat de inbeslaggenomen voorwerpen teruggegeven dienen te worden. De voorzitter houdt voor dat [klager 2] de beslagene is van alle inbeslaggenomen voorwerpen en dat [klager 1] en haar dochter zelf een klaagschrift hebben ingediend tegen het beslag op die voorwerpen waarvan zij stellen eigenaar te zijn. De voorzitter vraagt of de verdediging een onderbouwing van dat eigenaarschap kan geven. De raadsman deelt mee: Ik heb daar vandaag geen onderbouwing voor. De officier van justitie deelt mee: Het EOB wordt aan de Nederlandse autoriteiten toegezonden. De eerste toets wordt door het openbaar ministerie gedaan. Vervolgens doet ook de rechter-commissaris een toets. Het is niet zo dat er in Nederland zomaar beslag wordt gelegd op voorwerpen. Uiteindelijk vindt er ook een toets plaats bij de beklagrechter. Het EOB kan bij de Belgische autoriteiten worden opgevraagd. Daar is in al die tussentijd kennelijk niet om gevraagd. Dit is nu de stand van zaken. Door de verdediging is onvoldoende aangevoerd waarom er sprake zou zijn van een weigeringsgrond ex artikel 5.4.4 Sv. De raadsman deelt mee: Er is geen bezwaar tegen teruggave van alle voorwerpen aan [klager 2] . [klager 1] is namelijk de partner van [klager 2] . De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad. De voorzitter deelt na hervatting van het onderzoek mee dat de rechtbank als volgt heeft beslist. De voorzitter verklaart het onderzoek in raadkamer gesloten en deelt mee dat onmiddellijk uitspraak zal worden gedaan. De voorzitter spreekt de beslissing van de rechtbank uit.” 2.3 De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang en zonder weergave van voetnoten, het volgende in: “ Procedure De klaagschriften zijn op 6 en 7 november 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 4 juli 2025 de klaagschriften in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de klagers, mr. J.J.J. van Rijsbergen namens mr. [betrokkene 2] en de [Officier van Justitie] in raadkamer gehoord. De klagers zijn, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Beklag De klaagschriften strekken tot: - teruggave aan [klager 2] van de zeven mobiele telefoons, de lege doos GSM, het doosje met diverse simkaarten, de losse simkaart, vier USB-sticks en de iPad; - teruggave aan [klager 1] van de mobiele telefoon iPhone SE; - teruggave aan [klager 1] namens minderjarige dochter [betrokkene 1] van de mobiele telefoon iPhone 11 en een laptop. Daartoe is aangevoerd dat de in beslag genomen goederen aan de klagers toebehoren, dat zij daarvan geen afstand hebben gedaan en dat zij deze goederen evenmin door enig strafbaar feit hebben verkregen of onttrokken aan een rechthebbende. Klagers worden bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan. [klager 1] heeft haar telefoon dringend nodig, omdat haar e-mail, bank- en DigiD inloggegevens op de in beslag genomen telefoon staan. De dochter van [klager 1] heeft haar laptop nodig om haar huiswerk voor school te maken en het is gelet op haar jeugdige leeftijd van belang dat zij haar mobiele telefoon bij zich heeft voor eventuele noodsituaties. Naar het oordeel van de klagers verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de gevraagde teruggave. Tot slot beschikt de verdediging niet over het EOB, waardoor het niet mogelijk is om te toetsen of aan de vereisten van de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv is voldaan. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De goederen zijn in beslag genomen op grond van een EOB uit België in het kader van waarheidsvinding. Deze grond is nog van toepassing, aangezien het onderzoek aan de goederen nog plaats dient te vinden. Dit onderzoek wordt bespoedigd door de onmiddellijke overdracht van de goederen aan de Belgische autoriteiten. Uit dat onderzoek moet ook blijken of de in beslag genomen goederen eigendom zijn van [klager 1] of van haar dochter en of deze verband houden met strafbare feiten. De door klagers gestelde persoonlijke omstandigheden kunnen niet zonder meer het belang van het strafrechtelijk onderzoek overschaduwen.
Volledig
Gezien het juridisch kader van de Richtlijn EOB, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van wederzijdse erkenning tussen EU-lidstaten, heeft het openbaar ministerie geen grondslag om het EOB op proportionaliteit en subsidiariteit te toetsen en geen weigeringsgronden om af te zien van de inbeslagname van de goederen. Beoordeling Toetsingskader Gelet op hetgeen de Hoge Raad hierover in zijn beschikking van 21 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1940) heeft overwogen, wordt het volgende voorop gesteld. Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning tussen lidstaten van de Europese Unie. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. Alleen als één van de in Richtlijn 2014/41/EU opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, wordt erkenning en uitvoering van een EOB geweigerd. Het is aan de uitvaardigende staat om te beoordelen of er grond bestaat een EOB uit te vaardigen, welke onderzoeksbevoegdheid het meest geschikt is voor de bewijsverkrijging en of toepassing van die bevoegdheid proportioneel is gelet op de ernst van het strafbare feit. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten. Bij de behandeling van een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 juncto artikel 552a Sv doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid 3 Sv). De rechter beoordeelt, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daaropvolgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft. Het staat wel ter beoordeling van de rechter of zich, gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv, een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en dat de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar. Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is - anders dan wanneer het gaat om de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming die ten behoeve van een Nederlandse strafzaak heeft plaatsgevonden - dus niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat - in de zin van het belang van de uitvaardigende staat bij de uitvoering van het EOB en de overdracht van de resultaten daarvan ten behoeve van de strafrechtelijke procedure in de uitvaardigende staat - wordt verondersteld aanwezig te zijn. Overwegingen De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De inbeslagneming naar aanleiding van dit EOB heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 94 en 96 Sv. De inzet van deze bevoegdheid heeft naar Nederlands recht rechtmatig plaatsgevonden. De inbeslaggenomen voorwerpen betreffen bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft en de Belgische autoriteiten met dit EOB beogen te verkrijgen. Met de uitvaardiging van een EOB wordt het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat verondersteld aanwezig te zijn. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of en in hoeverre de in beslag genomen goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of het beslag tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Belgische autoriteiten. De rechtbank maakt hierbij geen belangenafweging. Het gestelde persoonlijke belang bij teruggave van deze goederen kan daarom door de Nederlandse rechter niet worden meegewogen. Tot slot stelt de rechtbank vast dat zich geen grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of uitvoering van het EOB op grond van de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 Sv en evenmin gronden voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB op grond van artikel 5.4.6 Sv. Gelet op het voorgaande zullen de beklagen tegen het beslag ter uitvoering van het EOB ongegrond worden verklaard.” 3 Het middel 3.1 Het middel klaagt in de kern dat de rechtbank het klaagschrift heeft beoordeeld en het beklag ongegrond heeft verklaard zonder daarbij kennis te nemen van de inhoud van het EOB. Volgens de steller van het middel zou namelijk niet zijn gebleken dat het EOB aan de rechtbank en aan de verdediging is verstrekt. 3.2 Bij de beoordeling van het middel neem ik de volgende overwegingen van de Hoge Raad van 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1685 als uitgangspunt: “2.4 De Hoge Raad is in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653 ingegaan op de geheimhouding die wordt voorgeschreven door Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Pb EU 2014, L 130/1; hierna: Richtlijn 2014/41/EU). In deze beschikking heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: “2.4.2 Uitgangspunt van artikel 19 Richtlijn 2014/41/EU is dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert. Om die geheimhouding hoeft, zo volgt ook uit de (...) wetsgeschiedenis, niet expliciet door de uitvaardigende autoriteit te worden gevraagd. Tenzij uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van de verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend. 2.4.3 De verplichting tot geheimhouding staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De raadkamer moet deze stukken immers in de beoordeling van het klaagschrift betrekken. De verplichting tot geheimhouding zal doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van het EOB en de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval onthoudt de raadkamer hun die kennisneming op grond van artikel 23 lid 6 Sv. (…)” 3.3 Het middel berust op de opvatting dat de raadkamer pas over het klaagschrift kan oordelen indien naast het openbaar ministerie en de rechtbank ook de verdediging kennis heeft genomen van de inhoud van het EOB. Die opvatting is gelet op het hier vooropgestelde onjuist. Daarbij zij opgemerkt dat in cassatie niet als zodanig is geklaagd dat het EOB ten onrechte niet aan de verdediging zou zijn verstrekt.
Volledig
Gezien het juridisch kader van de Richtlijn EOB, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van wederzijdse erkenning tussen EU-lidstaten, heeft het openbaar ministerie geen grondslag om het EOB op proportionaliteit en subsidiariteit te toetsen en geen weigeringsgronden om af te zien van de inbeslagname van de goederen. Beoordeling Toetsingskader Gelet op hetgeen de Hoge Raad hierover in zijn beschikking van 21 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1940) heeft overwogen, wordt het volgende voorop gesteld. Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning tussen lidstaten van de Europese Unie. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. Alleen als één van de in Richtlijn 2014/41/EU opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, wordt erkenning en uitvoering van een EOB geweigerd. Het is aan de uitvaardigende staat om te beoordelen of er grond bestaat een EOB uit te vaardigen, welke onderzoeksbevoegdheid het meest geschikt is voor de bewijsverkrijging en of toepassing van die bevoegdheid proportioneel is gelet op de ernst van het strafbare feit. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten. Bij de behandeling van een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 juncto artikel 552a Sv doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid 3 Sv). De rechter beoordeelt, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daaropvolgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft. Het staat wel ter beoordeling van de rechter of zich, gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv, een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en dat de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar. Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is - anders dan wanneer het gaat om de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming die ten behoeve van een Nederlandse strafzaak heeft plaatsgevonden - dus niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat - in de zin van het belang van de uitvaardigende staat bij de uitvoering van het EOB en de overdracht van de resultaten daarvan ten behoeve van de strafrechtelijke procedure in de uitvaardigende staat - wordt verondersteld aanwezig te zijn. Overwegingen De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De inbeslagneming naar aanleiding van dit EOB heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 94 en 96 Sv. De inzet van deze bevoegdheid heeft naar Nederlands recht rechtmatig plaatsgevonden. De inbeslaggenomen voorwerpen betreffen bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft en de Belgische autoriteiten met dit EOB beogen te verkrijgen. Met de uitvaardiging van een EOB wordt het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat verondersteld aanwezig te zijn. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of en in hoeverre de in beslag genomen goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of het beslag tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Belgische autoriteiten. De rechtbank maakt hierbij geen belangenafweging. Het gestelde persoonlijke belang bij teruggave van deze goederen kan daarom door de Nederlandse rechter niet worden meegewogen. Tot slot stelt de rechtbank vast dat zich geen grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of uitvoering van het EOB op grond van de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 Sv en evenmin gronden voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB op grond van artikel 5.4.6 Sv. Gelet op het voorgaande zullen de beklagen tegen het beslag ter uitvoering van het EOB ongegrond worden verklaard.” 3 Het middel 3.1 Het middel klaagt in de kern dat de rechtbank het klaagschrift heeft beoordeeld en het beklag ongegrond heeft verklaard zonder daarbij kennis te nemen van de inhoud van het EOB. Volgens de steller van het middel zou namelijk niet zijn gebleken dat het EOB aan de rechtbank en aan de verdediging is verstrekt. 3.2 Bij de beoordeling van het middel neem ik de volgende overwegingen van de Hoge Raad van 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1685 als uitgangspunt: “2.4 De Hoge Raad is in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:653 ingegaan op de geheimhouding die wordt voorgeschreven door Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Pb EU 2014, L 130/1; hierna: Richtlijn 2014/41/EU). In deze beschikking heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: “2.4.2 Uitgangspunt van artikel 19 Richtlijn 2014/41/EU is dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de betrokken autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen, en dat de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB garandeert. Om die geheimhouding hoeft, zo volgt ook uit de (...) wetsgeschiedenis, niet expliciet door de uitvaardigende autoriteit te worden gevraagd. Tenzij uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit de nakoming van de verplichting tot geheimhouding niet nodig acht, geldt deze verplichting ook in gevallen waarin na een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend. 2.4.3 De verplichting tot geheimhouding staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van artikel 23 lid 5 Sv alle stukken die op de zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De raadkamer moet deze stukken immers in de beoordeling van het klaagschrift betrekken. De verplichting tot geheimhouding zal doorgaans grond geven voor het oordeel dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van het EOB en de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval onthoudt de raadkamer hun die kennisneming op grond van artikel 23 lid 6 Sv. (…)” 3.3 Het middel berust op de opvatting dat de raadkamer pas over het klaagschrift kan oordelen indien naast het openbaar ministerie en de rechtbank ook de verdediging kennis heeft genomen van de inhoud van het EOB. Die opvatting is gelet op het hier vooropgestelde onjuist. Daarbij zij opgemerkt dat in cassatie niet als zodanig is geklaagd dat het EOB ten onrechte niet aan de verdediging zou zijn verstrekt.