Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-31
ECLI:NL:PHR:2026:348
Strafrecht
5,829 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:348 text/xml public 2026-04-02T12:07:32 2026-03-29 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-31 24/00091 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:348 text/html public 2026-04-02T12:04:38 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:348 Parket bij de Hoge Raad , 31-03-2026 / 24/00091 - PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer24/00091 Zitting 31 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 22 december 2023 (parketnummer 20-002337-21) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens " bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht " veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel 3. Het middel bevat een klacht tegen de afwijzing van het verzoek tot het oproepen van een getuige à décharge. De bewezenverklaring en bewijsvoering 4. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte: “ op 19 juli 2021 te [geboorteplaats] [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen ‘ik schiet je kapot’ en/of ‘ik schiet je dood’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. ” 5. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen: “ 1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juli 2021 (p. 3-4 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van de aangever van [aangever] : Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Door de bedreigingen voelde ik mij ernstig bedreigd. Op 19 juli 2021 verbleef ik in de woning van mijn ex [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] . Ik verbleef hier, omdat [betrokkene 1] ze zich bedreigd voelde door [verdachte] . [verdachte] zou eerder die avond voor de deur gestaan hebben. Tussen [betrokkene 1] en [verdachte] loopt al enkele weken een conflict. [verdachte] stalkt haar en valt haar veel lastig. Omstreeks 4.00 uur, werd ik wakker van harde knallen. Ik hoorde dat er hard op het voorraam en de voordeur werd gebonkt. Ik dacht al meteen dat dit [verdachte] was. Ik zag dat [betrokkene 1] de voordeur opendeed en met [verdachte] in gesprek ging. Ik hoorde dat hij tegen haar riep waar ik, [aangever] , was. Ik ging om de hoek staan. Ik zag dat [verdachte] mij zag en toen sloeg het vuur in. Ik hoorde dat hij naar mij riep: ‘Jou moet ik nog hebben, ik schiet je kapot!’ Ik sloeg de deur dicht. Ik hoorde dat [verdachte] vervolgens hard op de voorruit sloeg. Hij sloeg zo hard dat ik het vermoeden had dat hij elk moment door de ruit kon gaan. Ik hoorde dat hij steeds bleef schreeuwen. Wij liepen vervolgens naar boven. Ik stond voor het raam en zag dat [verdachte] nog steeds voor de woning stond. Ik hoorde dat hij riep dat hij ging schieten. Ik zag dat [verdachte] een wit T-shirt droeg. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 19 juli 2021 (p. 5 van het politiedossier) voor zover inhoudende als verklaring van de [getuige 1] : Op 19 juli 2021, omstreeks 04.00 uur, stond [verdachte] , bij mij voor de woning aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] . [verdachte] stond voor mijn woning en was aan het praten tegen mij. Ik hoorde dat [verdachte] vervolgens zei dat hij [aangever] wilde spreken. [aangever] is mijn ex-vriend die bij mij verbleef op dat moment. Ik zei dat hij [aangever] niet kon spreken. Ik zag dat [verdachte] naar mijn voordeur liep. Ik zag dat [aangever] ondertussen bij mij stond. Ik hoorde dat [verdachte] probeerde om [aangever] uit te dagen. Ik hoorde dat [verdachte] erg boos werd op [aangever] en begon te schreeuwen. Ik hoorde dat [verdachte] zei tegen [aangever] dat hij [aangever] zou dood schieten dat hij [aangever] dood ging maken. 3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 19 juli 2021 (p. 12 van het politiedossier) voor zover inhoudende als verklaring van de [getuige 2] : Op 19 juli 2021, omstreeks 04.00 uur, werd ik wakker van geschreeuw in de straat. Ik keek op de 1ste verdieping uit mijn voorraam van mijn woning aan de [a-straat 2] te [geboorteplaats] . Ik zag dat er een man op de stoep stond ter hoogte van [a-straat 1] . De man zag er als volgt uit: een grote stevige man met een wit T-shirt. Ik hoorde dat de man in het witte T-shirt zei: ‘Ik ga jou dood schieten’. 4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 20 juli 2021 (p. 51-56 van het politiedossier) voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] : V = Vraag verbalisant A = Antwoord verdachte V: Wie is [betrokkene 1] en [aangever] ? A: Met [betrokkene 1] heb ik een verhouding gehad. [aangever] is blijkbaar de vader van hun kinderen. V: Wat is er gebeurd bij de woning aan de [a-straat 1] [geboorteplaats] op 19 juli 2021 omstreeks 04.30 uur? A: Ik zag [betrokkene 1] voor het raam staan, ik ging op het pad staan. Zij deed de deur open, wij zagen elkaar. We hebben gepraat met elkaar. Ik liep naar de deur toe. In een keer komt [aangever] . [betrokkene 1] deed de deur dicht. Ik ben teruggegaan. Ik heb tegen het raam geslagen. Hij maakte een reactie bij mij los. Ik heb wel lelijke dingen gezegd. Dat kan best bedreigend geweest zijn. ” 6. Met betrekking tot het bewijs heeft het hof nog in het bijzonder het volgende overwogen: “ De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit, omdat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen het ten laste gelegde feit niet overtuigend kan worden bewezen. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat geen geloof moet worden gehecht aan de verklaringen van de [aangever] en de [getuige 1] , maar wel de aan de verklaring van de verdachte, welke verklaring daar lijnrecht tegenover staat. Het hof overweegt als volgt. Als eerste geldt dat het hof alleen een oordeel moet geven over hetgeen ten laste is gelegd. Er is een voorgeschiedenis geweest tussen degenen die in deze kwestie partij zijn, maar nu gaat het erom of bewezen kan worden dat verdachte toen daar [aangever] heeft bedreigd. De door de [aangever] en de [getuige 1] afgelegde verklaringen, voor zover deze zijn gebruikt voor het bewijs, worden volledig ondersteund door de verklaring van de kennelijk geheel onafhankelijke [getuige 2] , terwijl voor de verklaring van de verdachte in het procesdossier geen enkele ondersteuning te vinden is. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan het hof moet twijfelen aan het waarheidsgehalte van de tot het bewijs gebezigde verklaringen. Op grond van de inhoud van die bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [aangever] heeft bedreigd met de woorden: ‘Ik schiet je kapot’ en/of ‘Ik schiet je dood’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Bijgevolg wordt het verweer verworpen. ” Het getuigenverzoek en de afwijzing ervan 7. De raadsvrouw heeft bij e-mail van 1 december 2023 de advocaat-generaal verzocht [getuige 3] als getuige ter terechtzitting van 22 december 2023 op te roepen: “ Op uitdrukkelijk verzoek van cliënt verzoek ik u hierbij als getuige op te roepen voor het onderzoek ter terechtzitting op 22 december a.s. [getuige 3] . Meer gegevens van de getuige heb ik (helaas) niet. Volgens cliënt zou deze persoon kunnen verklaren over wat aangever ( [aangever] ) tegen haar heeft verteld. Volgens cliënt zou [aangever] tegen [getuige 3] hebben gezegd dat hij een valse aangifte heeft gedaan. Cliënt acht dit van belang voor een beoordeling van de zaak door de rechter en wenst [getuige 3] aldus te doen oproepen. ” 8. De advocaat-generaal heeft het verzoek afgewezen en deze beslissing in een e-mailbericht van 21 december 2023 als volgt gemotiveerd: “ In reactie op uw verzoek om de [getuige 3] op te roepen, reageer ik als volgt.
Volledig
Ik heb geen gevolg gegeven aan uw verzoek tot het oproepen van deze getuige, nu ik onvoldoende gegevens heb van de betreffende getuige en ik het verzoek vooralsnog ook onvoldoende onderbouwd acht. ” 9. Het hof heeft ter terechtzitting van 22 december 2023 het verzoek om [getuige 3] als getuige op te roepen afgewezen. Hierover houdt het proces-verbaal van die zitting het volgende in: “ De raadsvrouw zegt tegen de verdachte dat de advocaat-generaal de getuige niet kon oproepen omdat er geen adres voorhanden was. De verdachte verklaart daarop als volgt. Dat adres regelen we wel. Ik kan niet accepteren dat ik 20 dagen gevangenisstraf hiervoor krijg. Op de camerabeelden zie je in de weerspiegeling van het raam een pistool in de hand van [aangever] . Hij laat zijn vriendin mee liegen en zij heeft daardoor dingen waar ik baat bij heb weggelaten in haar verklaring. Zij is gevlucht. Zij zei tegen mij: ‘Wil je mee naar boven’, terwijl zij een vriend had. Die getuige kan het bevestigen. Ik denk dat zij in [plaats] woont. Ik kan haar op Facebook opzoeken. Ik dacht dat die getuige voor vandaag geregeld zou zijn. De raadsvrouw verklaart als volgt. De verdediging wenst toch dat deze vrouw als getuige wordt gehoord. Wij laten de beslissing daarover aan uw hof over. De verdachte verklaart als volgt. Mijn contact met de getuige is verwaterd. Ik heb wel aan haar gevraagd of zij bewijs wil laten zien. Het is mij altijd bijgebleven en ik kan het niet accepteren. De voorzitter deelt mede dat het moeilijk is om iemand als getuige te horen als er geen gegevens voorhanden zijn. De verdachte verklaart als volgt. Haar ex-vriend was een vriend van mij en dat wil zij geheim houden. Dat is één van de redenen dat ik geen verdere gegevens heb. Als ik contact met haar had, dan zou ik wel worden geloofd. De voorzitter deelt het volgende mede. De vrouw waarover de verdachte spreekt, zie ik in het procesdossier niet terugkomen. Het hof zou haar misschien best als getuige willen horen maar weet niet om wie het gaat. De verdachte verklaart: Dat was wel bekend in de eerste aanleg. De voorzitter onderbreekt het onderzoek om de raadsvrouw en de verdachte de gelegenheid te geven voor kort overleg. Na hervatting van het onderzoek krijgt de raadsvrouw het woord. Zij verklaart dat de verdediging het verzoek om getuige te horen handhaaft. De advocaat-generaal reageert daarop als volgt. Ik kan niets met het verzoek van de verdediging. De verdachte heeft alle tijd gehad om de gegevens van de verzochte getuige boven water te krijgen, maar komt daar niet mee. Ik acht het verzoek onvoldoende onderbouwd en vorder afwijzing daarvan. De verdachte verklaart als volgt. Deze getuige is al veel langer bekend. Ik zou baat bij haar verhoor hebben om gerechtigheid te kunnen krijgen. Die mensen liegen alles bij elkaar. Ik kan niet goed plaatsen dat zulke mensen wel worden geloofd. In heel Brabant is op TV geweest dat mensen wel vaker valse aangiftes doen. Er zitten meer mensen in hetzelfde schuitje en ik wil gerechtigheid. Ik wil dat die mensen er ook voor gestraft worden. De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad. Na korte tijd wordt het onderzoek hervat. De voorzitter deelt het volgende mede. Het hof is best bereid om een getuige te (laten) horen als de verdediging daarom vraagt en als er een belang is om dat te doen. Voorwaarde is wel dat we weten wie de getuige is en waar deze te bereiken is. In dit geval is het niet gelukt om de benodigde gegevens van de verzochte getuige te verkrijgen, waardoor het onmogelijk is om de getuige succesvol op te roepen en het niet aannemelijk geworden is dat hierin binnen een aanvaardbare termijn verandering zal komen. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Het onderzoek ter terechtzitting wordt voortgezet .” De klachten van het middel 10. Tegen de motivering van de afwijzing van het verzoek om [getuige 3] als getuige op te roepen worden in cassatie drie klachten aangevoerd: (1) het hof heeft ten onrechte de weigeringsgrond van de ‘aanvaardbare termijn’ toegepast door te overwegen dat het niet is gelukt “ om de benodigde gegevens van de verzochte getuige te verkrijgen, waardoor het onmogelijk is om de getuige succesvol op te roepen en het niet aannemelijk geworden is dat hierin binnen een aanvaardbare termijn verandering zal komen ”, terwijl het hof niets heeft vastgesteld over enige inspanning van politie of justitie tot het achterhalen van de adresgegevens van de getuige; (2) het argument dat het hof niet weet wie de getuige is, is onbegrijpelijk, omdat de voor- en achternaam van de getuige zijn opgegeven; (3) de verdediging is niet op straffe van afwijzing van het verzoek gehouden de adresgegevens van een getuige op te geven. De bespreking van het middel 11. Nadat de (belastende) getuigen [aangever] en [getuige 1] op verzoek van de verdediging reeds door de raadsheer-commissaris waren gehoord, kwam de verdediging bij e-mail van 1 december 2023 aan de advocaat-generaal met het aanvullende verzoek om voor de terechtzitting van 22 december 2023 een zekere [getuige 3] als getuige (à décharge) op te roepen. Nadat de advocaat-generaal deze oproeping gemotiveerd had geweigerd, heeft de raadsvrouw het getuigenverzoek ter terechtzitting herhaald. Hoewel de getuige een bekende is van de verdachte, hebben de verdachte en zijn raadsvrouw niet méér informatie over de personalia en de vindplaats van [getuige 3] opgegeven dan haar naam. In het procesdossier komt de naam van de getuige niet voor, zo stelde het hof (in cassatie onbetwist) vast. De onderbouwing van het verzoek hield slechts in dat de getuige zou kunnen verklaren dat [aangever] tegen haar zou hebben meegedeeld dat hij een valse aangifte had gedaan. 12. Waar het gaat om de vraag aan welke eisen een verzoek tot de oproeping van een getuige moet voldoen en met name aan de hand van welke persoonsgegevens die getuige moet kunnen worden geïdentificeerd, verlangt artikel 414 lid 2 Sv jo artikel 263 lid 3 Sv dat bij de opgave van een getuige de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats worden vermeld, of, bij onbekendheid van een of ander, deze zo nauwkeurig mogelijk worden aangeduid. Niet-naleving van dit voorschrift ontslaat ingevolge artikel 414 lid 2 Sv jo artikel 263 lid 5 Sv het OM – en daarmee ook het hof – van zijn verplichting de opgegeven getuige op te roepen c.q. te doen oproepen. Hieruit leid ik af dat de door de steller van het middel ingeroepen speurplicht van de rechter pas ontstaat wanneer de verdachte bij de opgave van een getuige – tijdig en voor zover binnen zijn mogelijkheden – gevolg heeft gegeven aan zijn inspanningsverplichting om de getuige te identificeren en voor de justitiële autoriteiten vindbaar te maken. Verzoeken met een hoog delegatiegehalte scheppen dus geen ‘u vraagt, wij draaien’-plicht. 13. In het oordeel dat het hof bereid is een getuige te (laten) horen als is voldaan aan de voorwaarde dat bekend is “ wie de getuige is ” en “ waar deze te bereiken is ” ligt als ‘s hofs oordeel besloten dat de verdachte niet van zijn kant – tijdig en voor zover binnen zijn mogelijkheden – het nodige heeft gedaan om de getuige te identificeren en voor de justitiële autoriteiten vindbaar te maken. Dat oordeel is van feitelijke aard. Het wordt in cassatie niet bestreden. Aangezien de getuige een bekende van de verdachte is, acht ik het oordeel overigens ook niet onbegrijpelijk. 14. Hierop stuiten alle klachten van het eerste middel af. Het tweede middel 15. Het middel behelst de klacht dat het hof niet heeft gereageerd op het “ uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat sprake is van noodweer ”. De processuele gang van zaken 16. In cassatie wordt aangevoerd dat de raadsvrouw ten overstaan van het hof een beroep op noodweer heeft gedaan. Daarbij wordt verwezen naar de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 december 2023. Ik citeer daaruit wat ruimer dan de schriftuur en onderstreept de onderdelen waarin de stellers van het middel een beroep op noodweer lezen: “ De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt. Ik zal niet teveel uitweiden over de rest van het dossier. In deze zaak is met name van belang de overtuiging van uw hof.
Volledig
Cliënt zegt dat hij heeft gereageerd op de dreiging door [aangever] en dat [aangever] degene was die de aanval zocht. Hij stond aan de deur met een schroevendraaier in zijn hand en heeft cliënt gefilmd. [aangever] verklaart echter anders, namelijk dat juist cliënt een bedreiging heeft geuit en dat cliënt later ook heeft geschoten. Dat zijn twee verhalen die lijnrecht over elkaar staan en ik ga uw hof verzoeken om aan het verhaal van [aangever] voorbij te gaan en mee te gaan met het verhaal van cliënt. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan zijn verklaring. Hij heeft de politie toegang tot zijn woning gegeven voor onderzoek. Er zou sprake zijn van schieten op de voordeur, maar de voordeur was onbeschadigd. Niets wijst erop dat er geschoten is op de woning zoals [aangever] beweert. Het verhaal kan juist passen dat er vanuit de woning van [aangever] is geschoten op cliënt. Wat ik opmerkelijk vind is dat in het politiedossier staat beschreven dat [aangever] een schroevendraaier vast had en dat de [getuige 1] bij de raadsheer- commissaris heeft verklaard dat [aangever] geen schroevendraaier in zijn handen had. [getuige 1] verklaart daarentegen dat zij degene was die de schroevendraaier in handen had. Dat is dus een ongeloofwaardige verklaring als [getuige 1] de schuld van de schroevendraaier op zich neemt en zij een relatie met [aangever] heeft. Dat heeft ook gevolgen voor de rest van haar verklaring. [aangever] heeft cliënt inderdaad gefilmd. Ik wijs ook op het gesprek met de meldkamer via 112. [aangever] doet alsof hij daar al was, maar dat 112-gesprek lijkt toch een ander beeld te schetsen. Dat doet afbreuk aan de verklaringen van [aangever] . Uit dat gesprek volgt namelijk dat [aangever] op die avond daar naartoe is gekomen, maar niet zoals [aangever] dat heeft verklaard. (…) Ik vraag uw hof dus om aan de verklaringen van [getuige 1] en [aangever] voorbij te gaan en om mee te gaan met de verklaring van cliënt. Hij zegt dat als hij al bedreigende woorden zou hebben geuit, dat is gebeurd in een situatie van actie-reactie en in reactie op een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [aangever] . Ik verzoek uw hof om in dat geval cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van de wederrechtelijkheid aan zijn handelen. (…) Op een vraag van de voorzitter verklaart de raadsvrouw als volgt. De wederrechtelijkheid maakt geen onderdeel uit van de delictsomschrijving van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht zodat mijn subsidiaire verweer dus strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging van cliënt. Hij heeft gereageerd op de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [aangever] met een woordelijke bedreiging. ” 17. In cassatie wordt verder aangevoerd dat de raadsvrouw haar beroep op noodweer “ klaarblijkelijk ” heeft doen steunen op verklaringen die de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd. Ik citeer iets uitgebreider uit deze verklaringen zoals die zijn weergegeven in het al genoemde proces-verbaal en onderstreep daarbij de delen waarop de stellers van het middel zich beroepen: “ De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld. In aanvulling daarop verklaart de verdachte ais volgt. Ik heb dit feit niet gepleegd, maar heb slechts een reactie gegeven. Dat is misschien dreigend overgekomen, maar ik heb nooit tegen [aangever] gezegd dat ik een kogel door zijn hoofd zou schieten. Wat ik wel gezegd heb, weet ik niet meer. Het was een situatie van actie-reactie, dat was het. (…) U deelt mij mede dat [aangever] en [getuige 1] en ook de buurvrouw van [a-straat 2] zeggen dat ze bedreigingen door mij jegens [aangever] gehoord hebben. Ik heb naar mijn weten die bedreigingen niet geroepen. Er was ook beeld met een fragment waar geen geluid op stond. Ze kunnen het ook verkeerd gehoord hebben. Ik kan niet zeggen of zij het wel of niet gehoord hebben. Het was [aangever] juist die deze dingen zei en hij had zo’n ding in zijn hand. Bij Omroep Brabant komen wel vaker meldingen als deze binnen. Er staat zelfs in het dossier dat de zaak op TV is geweest. Er is onderzoek gedaan naar het feit dat er vaker valse meldingen worden gedaan. ” De bespreking van het middel 18. Wat is aangevoerd heeft het hof klaarblijkelijk niet opgevat als een beroep op noodweer. De uitleg van wat ter terechtzitting wordt aangevoerd is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. De uitleg van het hof vind ik niet onbegrijpelijk omdat de rechtsgeleerde raadsvrouw het beroep niet uitdrukkelijk heeft gekwalificeerd als een beroep op noodweer. In zoverre merk ik ten overvloede op dat het hof een beroep op noodweer dat berust op een ogenblikkelijke aanranding van de verdachte “ met een woordelijke bedreiging ” waarvan de inhoud niet wordt vermeld, slechts had kunnen verwerpen. 19. De klacht faalt en daarmee het middel. Slotsom 20. De aangevoerde klachten falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. 21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren nadat op 4 januari 2024 beroep in cassatie is ingesteld. Op grond van de opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden kan de Hoge Raad volstaan met de constatering dat de redelijke termijn tijdens de behandeling van de zaak in cassatie is overschreden. 22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.16. De stellers van het middel doen uiteraard een beroep op rechtspraak van het EHRM waarin die speurplicht is neergelegd. Ik bestrijd die speurplicht overigens niet, ook niet bij getuigen à décharge. Het gaat mij om de condities waaronder die speurplicht in het leven wordt geroepen. Overigens heeft ook de Hoge Raad die speurplicht in zijn rechtspraak tot uitdrukking gebracht. Vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9173. Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1688, waarin door de verdediging twee dagen voor de terechtzitting adresgegevens had verstrekt, overigens nadat de Belgische Federale gerechtelijke politie had vastgesteld dat de getuige niet op het toen door de raadsman opgegeven adres staat ingeschreven en tevens niet voorkomt in de Belgische politiesystemen. De Hoge Raad oordeelde in rechtsoverweging 2.6 dat de afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is “mede gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan en in aanmerking genomen dat de raadsman niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vereiste adresgegevens niet eerder kon verschaffen. ” Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.