Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:339
Strafrecht
24,116 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:339 text/xml public 2026-05-19T16:58:13 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/01838 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:339 text/html public 2026-05-19T16:30:38 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:339 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/01838 Conclusie AG. Bedreiging art. 285 Sr en smaadschrift art. 261 Sr. Verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. M1: falende bewijsklachten “redelijke vrees” bij bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De AG zet onderhavige zaak daarbij af tegen ECLI:NL:HR:2023:91 en ECLI:NL:HR:2025:1938. M2 dat klaagt over het niet reageren op het verweer dat art. 261 lid 3 Sr van toepassing is slaagt, maar behoeft volgens de AG niet tot cassatie te leiden. De AG wijdt in dat verband eerst enkele inleidende beschouwingen aan de bijzondere exceptie van art. 261 lid 3 Sr, in het bijzonder aan de vraag om wat voor soort strafuitsluitingsgrond het gaat. Beide middelen lenen zich voor afdoening met toepassing van art. 81 lid 1 RO, terwijl m.b.t. de geconstateerde redelijke termijnschending in cassatie (vanwege OVAR-beslissing) kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01838 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 26 april 2024 (parketnr. 21-000742-23) de verdachte veroordeeld wegens 2. en 5. “telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 3. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, 4. “smaadschrift, meermalen gepleegd” en 6. “in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit en gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien”. Het hof heeft de verdachte niet strafbaar geacht voor deze feiten en hem daarvoor ontslagen van alle rechtsvervolging. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en voor de toegewezen bedragen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. K.W. van Nieuwkerk, advocaat in Utrecht , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De verdachte is onder meer veroordeeld wegens bedreiging van een tweetal personen (feiten 2 en 5) en wegens smaadschrift (feit 4) ten aanzien van één van hen. Het hof heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Het gedrag van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zou zijn bepaald door wanen: de verdachte is ervan overtuigd dat hij een klokkenluider is en dat hij de misstanden die naar zijn idee bij de buurman plaatsvinden aan het licht moet brengen en hij meent dat de in de bewezenverklaring genoemde personen verantwoordelijk zijn voor deze misstanden. Het eerste middel klaagt in verband met de genoemde bedreigingen dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de uitlatingen van de verdachte geen redelijke vrees hebben kunnen opwekken. Het tweede middel houdt in dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat de verdachte ten aanzien van feit 4 een beroep toekomt op art. 261 lid 3 Sr. 2.2 Het eerste middel faalt en het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel bevat over het onder 2 en 5 bewezenverklaarde de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de uitlatingen van de verdachte als emotionele ontlading moeten worden aangemerkt waardoor geen redelijke vrees is kunnen worden opgewekt, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd. 3.2 Ten laste van de verdachte is onder 2 en 5 bewezenverklaard dat: “2. hij op 9 oktober 2021 te [plaats] [benadeelde 1] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door één melding in te dienen per telefoon bij het servicecentrum van de politie en daarin die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen: Als ik kon zou ik jullie allemaal martelen en neerschieten en begin ik met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ”, waarvan die [benadeelde 1] kennis heeft genomen. 5. hij in de periode van 10 september 2021 tot en met 4 oktober 2021 te [plaats] , althans in Nederland, [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een filmpje op (een openbaar kanaal op) Youtube te plaatsen en daarin (die [benadeelde 3] ) dreigend de woorden toe te voegen “ [benadeelde 3] moet vermoord worden, en wel nu!”” 3.3 Blijkens de aanvulling bewijsmiddelen steunt de bewezenverklaring onder 2 voor zover van belang op de volgende bewijsmiddelen: “ Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 2: 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0900-2021322032-3, afgesloten d.d. 9 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 53-54 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] : Plaats delict : [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] Ik wens aangifte te doen van bedreiging gepleegd door [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1980. Ik verwacht dat [verdachte] zijn bedreigingen tot uiting zal brengen naar mij of andere mensen. Ik verwijs naar het opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van collega [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Midden Nederland. 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0900-2021322032-2, afgesloten d.d. 9 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 57-65 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant: Op zaterdag 09 oktober 2021, zijn via het servicecentrum meldingen binnen gekomen van een bewoner van [a-straat 1] te [plaats] . Op dit genoemde adres staat een (1) ingeschreven persoon: Achternaam: [verdachte] Voornaam : [verdachte] Geboren : [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] Hieronder zal ik deze telefoongesprekken citeren: Melding 1: “(...) ALS IK KON ZOU IK JULLIE ALLEMAAL MARTELEN EN NEERSCHIETEN EN BEGIN IK MET [benadeelde 1] EN [benadeelde 2] . [verdachte] […] Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten: 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 16 januari 2023 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: “[…] De berichten in het dossier […], zijn van mij afkomstig. […]” 3.4 Blijkens de aanvulling bewijsmiddelen steunt de bewezenverklaring onder 5 voor zover van belang op de volgende bewijsmiddelen: “ Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 4 en feit 5: 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-3, afgesloten d.d. 7 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 6 en 7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 3] : Plaats delict : [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] Ik wens aangifte te doen van bedreiging en smaad en laster gepleegd door een persoon die bij mij bekend is als [verdachte] woonachtig aan de [a-straat] te [plaats] . Ik werk bij defensie. Op 14 september 2021 was ik aan het werk.(..) Ik ontving een boodschap van iemand binnen de defensie werkzaam bij klachten en integriteit melding, dat er een integriteitsmelding over mij was binnen gekomen.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:339 text/xml public 2026-05-19T16:58:13 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/01838 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:339 text/html public 2026-05-19T16:30:38 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:339 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/01838 Conclusie AG. Bedreiging art. 285 Sr en smaadschrift art. 261 Sr. Verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. M1: falende bewijsklachten “redelijke vrees” bij bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De AG zet onderhavige zaak daarbij af tegen ECLI:NL:HR:2023:91 en ECLI:NL:HR:2025:1938. M2 dat klaagt over het niet reageren op het verweer dat art. 261 lid 3 Sr van toepassing is slaagt, maar behoeft volgens de AG niet tot cassatie te leiden. De AG wijdt in dat verband eerst enkele inleidende beschouwingen aan de bijzondere exceptie van art. 261 lid 3 Sr, in het bijzonder aan de vraag om wat voor soort strafuitsluitingsgrond het gaat. Beide middelen lenen zich voor afdoening met toepassing van art. 81 lid 1 RO, terwijl m.b.t. de geconstateerde redelijke termijnschending in cassatie (vanwege OVAR-beslissing) kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01838 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 26 april 2024 (parketnr. 21-000742-23) de verdachte veroordeeld wegens 2. en 5. “telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 3. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, 4. “smaadschrift, meermalen gepleegd” en 6. “in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit en gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien”. Het hof heeft de verdachte niet strafbaar geacht voor deze feiten en hem daarvoor ontslagen van alle rechtsvervolging. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en voor de toegewezen bedragen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. K.W. van Nieuwkerk, advocaat in Utrecht , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De verdachte is onder meer veroordeeld wegens bedreiging van een tweetal personen (feiten 2 en 5) en wegens smaadschrift (feit 4) ten aanzien van één van hen. Het hof heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Het gedrag van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zou zijn bepaald door wanen: de verdachte is ervan overtuigd dat hij een klokkenluider is en dat hij de misstanden die naar zijn idee bij de buurman plaatsvinden aan het licht moet brengen en hij meent dat de in de bewezenverklaring genoemde personen verantwoordelijk zijn voor deze misstanden. Het eerste middel klaagt in verband met de genoemde bedreigingen dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de uitlatingen van de verdachte geen redelijke vrees hebben kunnen opwekken. Het tweede middel houdt in dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat de verdachte ten aanzien van feit 4 een beroep toekomt op art. 261 lid 3 Sr. 2.2 Het eerste middel faalt en het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel bevat over het onder 2 en 5 bewezenverklaarde de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de uitlatingen van de verdachte als emotionele ontlading moeten worden aangemerkt waardoor geen redelijke vrees is kunnen worden opgewekt, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd. 3.2 Ten laste van de verdachte is onder 2 en 5 bewezenverklaard dat: “2. hij op 9 oktober 2021 te [plaats] [benadeelde 1] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door één melding in te dienen per telefoon bij het servicecentrum van de politie en daarin die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen: Als ik kon zou ik jullie allemaal martelen en neerschieten en begin ik met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ”, waarvan die [benadeelde 1] kennis heeft genomen. 5. hij in de periode van 10 september 2021 tot en met 4 oktober 2021 te [plaats] , althans in Nederland, [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een filmpje op (een openbaar kanaal op) Youtube te plaatsen en daarin (die [benadeelde 3] ) dreigend de woorden toe te voegen “ [benadeelde 3] moet vermoord worden, en wel nu!”” 3.3 Blijkens de aanvulling bewijsmiddelen steunt de bewezenverklaring onder 2 voor zover van belang op de volgende bewijsmiddelen: “ Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 2: 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0900-2021322032-3, afgesloten d.d. 9 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 53-54 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] : Plaats delict : [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] Ik wens aangifte te doen van bedreiging gepleegd door [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1980. Ik verwacht dat [verdachte] zijn bedreigingen tot uiting zal brengen naar mij of andere mensen. Ik verwijs naar het opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van collega [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Midden Nederland. 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0900-2021322032-2, afgesloten d.d. 9 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 57-65 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant: Op zaterdag 09 oktober 2021, zijn via het servicecentrum meldingen binnen gekomen van een bewoner van [a-straat 1] te [plaats] . Op dit genoemde adres staat een (1) ingeschreven persoon: Achternaam: [verdachte] Voornaam : [verdachte] Geboren : [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] Hieronder zal ik deze telefoongesprekken citeren: Melding 1: “(...) ALS IK KON ZOU IK JULLIE ALLEMAAL MARTELEN EN NEERSCHIETEN EN BEGIN IK MET [benadeelde 1] EN [benadeelde 2] . [verdachte] […] Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten: 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 16 januari 2023 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: “[…] De berichten in het dossier […], zijn van mij afkomstig. […]” 3.4 Blijkens de aanvulling bewijsmiddelen steunt de bewezenverklaring onder 5 voor zover van belang op de volgende bewijsmiddelen: “ Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 4 en feit 5: 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-3, afgesloten d.d. 7 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 6 en 7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 3] : Plaats delict : [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] Ik wens aangifte te doen van bedreiging en smaad en laster gepleegd door een persoon die bij mij bekend is als [verdachte] woonachtig aan de [a-straat] te [plaats] . Ik werk bij defensie. Op 14 september 2021 was ik aan het werk.(..) Ik ontving een boodschap van iemand binnen de defensie werkzaam bij klachten en integriteit melding, dat er een integriteitsmelding over mij was binnen gekomen.
Volledig
Ik heb toen telefonisch contact gehad met de behandelaar van die integriteitsmelding en die vertelde mij dat er door een burger een melding was gedaan dat ik een bordeel zou runnen in [plaats] en dat ik daar mensen vermoord. Toen het mij duidelijk was dat het om [verdachte] ging heb ik direct gezocht op mijn naam via www.google.nl. [opmerking hof: het hof leidt hieruit af dat de video in ieder geval vanaf 14 september 2021 op youtube heeft gestaan ]. Toen ik zocht op mijn voor en achternaam zag ik dat deze waren gekoppeld aan een aantal videofilms op www.youtube.com. Ik heb deze video’s bekeken en zag dat deze afkomstig waren van een account genaamd: [verdachte] [plaats] . (...) Ik zag dat mijn naam ook gekoppeld was aan een filmpje. Ik luisterde dit filmpje en hoorde een stem die ik herkende als die van [verdachte] . In dit filmpje vertelde hij dat ik cocaïne zou smokkelen doormiddel van mijn werk. Ik hoorde hem in dit filmpje zeggen: “ [benadeelde 3] needs to be killed right now”. De manier waarop hij sprak en schreeuwde maakte mij bang. […] 4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-4, afgesloten d.d. 7 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [benadeelde 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 28-30) van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant: Op maandag 4 oktober 2021 deed ik onderzoek in zake de smaad laster tegen aangever [benadeelde 3] . Ik hoorde dat aangever verwees naar een youtube account waarin haar naam ook misbruikt werd. Ik hoorde dat zij mij vertelde dat het youtube account heette: [verdachte] [plaats] . Ik deed hierop onderzoek op internet en zag dat er onder genoemd account video’s te zien waren. Deze video’s waren voor een ieder vrij toegankelijk te bekijken. Ik zag dat de eerste video een video betrof die geüpload werd op 21 augustus 2021. Ik hoorde een stem die in het Engels sprak. Ik herkende de stem direct als de stem van [verdachte] woonachtig aan de [a-straat 1] te [plaats] . […] In een video spreekt hij wederom over [benadeelde 3] . Vanuit de Marine wordt er cocaïne gesmokkeld vanuit Aruba en Venezuela. Hij schreeuwt hierin dat [benadeelde 3] vermoord moet worden. […] Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten: 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 16 januari 2023 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Mijn e-mailadres is ‘ [e-mailadres 1] ’ en mijn YouTube account is ‘ [verdachte] [plaats] ’. De berichten in het dossier en de filmpjes die genoemd worden, zijn van mij afkomstig. De begeleidende teksten bij de filmpjes zijn ook van mij.” 3.5 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van voetnoten): “ Feit 2 - bedreiging [benadeelde 1] […] 5. Mocht Uw Hof menen dat aangever van de tweede zinsnede kennis heeft genomen dan meent de verdediging dat ook om een andere reden de zinsnede “Als ik kon zou ik jullie allemaal martelen en neerschieten en begin ik met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ” niet tot een bewezenverklaring van feit 2 kan leiden. Uit deze bewoordingen valt niet af te leiden dat cliënt daadwerkelijk van plan was om aangever [benadeelde 1] te martelen dan wel neer te schieten, hij geeft zelfs aan dat hij niet tot die handelingen kón overgaan, en bij [benadeelde 1] zou op basis van deze bewoordingen dan ook niet de redelijke vrees kunnen zijn ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. 6. Ook de context waarbinnen de uitlating is gedaan maakt dat deze uitlating niet tot redelijke vrees heeft kunnen leiden. Cliënt heeft herhaaldelijk bij de politie aangeven dat vrouwen in gevaar waren, maar de politie, en met name aangever [benadeelde 1] , kwamen niet in de actie. In het telefoongesprek d.d. 9 oktober 2021 heeft cliënt zijn onmacht en frustratie omtrent het voorgaande kenbaar gemaakt, hetgeen ook blijkt uit de verdere inhoud van het gesprek. Zo zegt cliënt onder meer “Dus jullie zijn zelf beulen die martelen toestaan” en “Kom eens in actie”. De bewoordingen van cliënt in dit telefoongesprek zijn, gelet op de context, als emotionele ontlading op te vatten en niet geëigend om vrees op te wekken. De uitlatingen van cliënt geven eerder een gemoedstoestand aan dan dat sprake is van een bedreiging in strafrechtelijke zin. 7. Wegens het ontbreken van redelijke vrees dat cliënt het misdrijf waarmee wordt gedreigd (martelen en neerschieten) ook daadwerkelijk zou plegen, verzoekt de verdediging Uw Hof om cliënt van feit 2 vrij te spreken. […] Feit 5 - bedreiging [benadeelde 3] 16. De verdediging meent dat de tenlastegelegde bewoordingen, gelet op de context waarbinnen zij zijn gedaan, niet tot redelijke vrees hebben kunnen leiden bij aangeefster [benadeelde 3] . Volgens cliënt heeft [benadeelde 3] betrokkenheid gehad bij het illegale bordeel. Dit heeft bij hem geleid tot uitingen van onmacht en frustratie. Zo is op het filmpje, waarin de uitlating is gedaan, te horen dat cliënt uit pure wanhoop aan het schreeuwen is. De geuite bewoordingen zijn als emotionele ontlading op te vatten en niet geëigend om vrees op te wekken. De uitlatingen van cliënt geven eerder een gemoedstoestand aan dan dat sprake is van een bedreiging in strafrechtelijke zin. 17. Wegens het ontbreken van redelijke vrees dat cliënt het misdrijf waarmee wordt gedreigd ook daadwerkelijk zou plegen, verzoekt de verdediging om cliënt van feit 5 vrij te spreken.” 3.6 Het bestreden arrest houdt verder voor zover van belang het volgende in: “ Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 2 tot en met feit 6. De raadsvrouw voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van feit 2: […] Ten aanzien van de tweede uitlating voert de raadsvrouw aan dat het onvoldoende duidelijk is of aangever [benadeelde 1] van de bedreiging kennis heeft genomen. Daarnaast zou er bij aangever [benadeelde 1] , mede gelet op de context waarbinnen de uitlating is gedaan, niet de redelijke vrees kunnen zijn ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. […] Ten aanzien van feit 5: Volgens de raadsvrouw kunnen de tenlastegelegde bewoordingen, gelet op de context waarbinnen zij zijn gedaan, niet tot de redelijke vrees bij aangeefster [benadeelde 3] hebben geleid. […] Ten aanzien van feit 2 en feit 5: Het hof is ten aanzien van de bedreigingen “Als ik kon zou ik jullie allemaal martelen en neerschieten en begin ik met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ” en “ [benadeelde 3] moet vermoord worden, en wel nu!” van oordeel dat de uitlatingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 3] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de bij verdachte ontstane emoties het bedreigende karakter van de uitlatingen in het geheel niet wegnemen.” 3.7 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ’s hofs oordeel dat de uitlatingen van de verdachte – ondanks de bij hem ontstane emoties – tot redelijke vrees bij [benadeelde 1] en [benadeelde 3] hebben kunnen leiden, in het licht van hetgeen door de verdediging onder 3.5 is aangevoerd ontoereikend is gemotiveerd. 3.8 Voor een veroordeling wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is voor zover hier van belang vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte moet daarop zijn gericht.
Volledig
Ik heb toen telefonisch contact gehad met de behandelaar van die integriteitsmelding en die vertelde mij dat er door een burger een melding was gedaan dat ik een bordeel zou runnen in [plaats] en dat ik daar mensen vermoord. Toen het mij duidelijk was dat het om [verdachte] ging heb ik direct gezocht op mijn naam via www.google.nl. [opmerking hof: het hof leidt hieruit af dat de video in ieder geval vanaf 14 september 2021 op youtube heeft gestaan ]. Toen ik zocht op mijn voor en achternaam zag ik dat deze waren gekoppeld aan een aantal videofilms op www.youtube.com. Ik heb deze video’s bekeken en zag dat deze afkomstig waren van een account genaamd: [verdachte] [plaats] . (...) Ik zag dat mijn naam ook gekoppeld was aan een filmpje. Ik luisterde dit filmpje en hoorde een stem die ik herkende als die van [verdachte] . In dit filmpje vertelde hij dat ik cocaïne zou smokkelen doormiddel van mijn werk. Ik hoorde hem in dit filmpje zeggen: “ [benadeelde 3] needs to be killed right now”. De manier waarop hij sprak en schreeuwde maakte mij bang. […] 4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-4, afgesloten d.d. 7 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [benadeelde 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 28-30) van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant: Op maandag 4 oktober 2021 deed ik onderzoek in zake de smaad laster tegen aangever [benadeelde 3] . Ik hoorde dat aangever verwees naar een youtube account waarin haar naam ook misbruikt werd. Ik hoorde dat zij mij vertelde dat het youtube account heette: [verdachte] [plaats] . Ik deed hierop onderzoek op internet en zag dat er onder genoemd account video’s te zien waren. Deze video’s waren voor een ieder vrij toegankelijk te bekijken. Ik zag dat de eerste video een video betrof die geüpload werd op 21 augustus 2021. Ik hoorde een stem die in het Engels sprak. Ik herkende de stem direct als de stem van [verdachte] woonachtig aan de [a-straat 1] te [plaats] . […] In een video spreekt hij wederom over [benadeelde 3] . Vanuit de Marine wordt er cocaïne gesmokkeld vanuit Aruba en Venezuela. Hij schreeuwt hierin dat [benadeelde 3] vermoord moet worden. […] Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten: 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 16 januari 2023 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Mijn e-mailadres is ‘ [e-mailadres 1] ’ en mijn YouTube account is ‘ [verdachte] [plaats] ’. De berichten in het dossier en de filmpjes die genoemd worden, zijn van mij afkomstig. De begeleidende teksten bij de filmpjes zijn ook van mij.” 3.5 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van voetnoten): “ Feit 2 - bedreiging [benadeelde 1] […] 5. Mocht Uw Hof menen dat aangever van de tweede zinsnede kennis heeft genomen dan meent de verdediging dat ook om een andere reden de zinsnede “Als ik kon zou ik jullie allemaal martelen en neerschieten en begin ik met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ” niet tot een bewezenverklaring van feit 2 kan leiden. Uit deze bewoordingen valt niet af te leiden dat cliënt daadwerkelijk van plan was om aangever [benadeelde 1] te martelen dan wel neer te schieten, hij geeft zelfs aan dat hij niet tot die handelingen kón overgaan, en bij [benadeelde 1] zou op basis van deze bewoordingen dan ook niet de redelijke vrees kunnen zijn ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. 6. Ook de context waarbinnen de uitlating is gedaan maakt dat deze uitlating niet tot redelijke vrees heeft kunnen leiden. Cliënt heeft herhaaldelijk bij de politie aangeven dat vrouwen in gevaar waren, maar de politie, en met name aangever [benadeelde 1] , kwamen niet in de actie. In het telefoongesprek d.d. 9 oktober 2021 heeft cliënt zijn onmacht en frustratie omtrent het voorgaande kenbaar gemaakt, hetgeen ook blijkt uit de verdere inhoud van het gesprek. Zo zegt cliënt onder meer “Dus jullie zijn zelf beulen die martelen toestaan” en “Kom eens in actie”. De bewoordingen van cliënt in dit telefoongesprek zijn, gelet op de context, als emotionele ontlading op te vatten en niet geëigend om vrees op te wekken. De uitlatingen van cliënt geven eerder een gemoedstoestand aan dan dat sprake is van een bedreiging in strafrechtelijke zin. 7. Wegens het ontbreken van redelijke vrees dat cliënt het misdrijf waarmee wordt gedreigd (martelen en neerschieten) ook daadwerkelijk zou plegen, verzoekt de verdediging Uw Hof om cliënt van feit 2 vrij te spreken. […] Feit 5 - bedreiging [benadeelde 3] 16. De verdediging meent dat de tenlastegelegde bewoordingen, gelet op de context waarbinnen zij zijn gedaan, niet tot redelijke vrees hebben kunnen leiden bij aangeefster [benadeelde 3] . Volgens cliënt heeft [benadeelde 3] betrokkenheid gehad bij het illegale bordeel. Dit heeft bij hem geleid tot uitingen van onmacht en frustratie. Zo is op het filmpje, waarin de uitlating is gedaan, te horen dat cliënt uit pure wanhoop aan het schreeuwen is. De geuite bewoordingen zijn als emotionele ontlading op te vatten en niet geëigend om vrees op te wekken. De uitlatingen van cliënt geven eerder een gemoedstoestand aan dan dat sprake is van een bedreiging in strafrechtelijke zin. 17. Wegens het ontbreken van redelijke vrees dat cliënt het misdrijf waarmee wordt gedreigd ook daadwerkelijk zou plegen, verzoekt de verdediging om cliënt van feit 5 vrij te spreken.” 3.6 Het bestreden arrest houdt verder voor zover van belang het volgende in: “ Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 2 tot en met feit 6. De raadsvrouw voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van feit 2: […] Ten aanzien van de tweede uitlating voert de raadsvrouw aan dat het onvoldoende duidelijk is of aangever [benadeelde 1] van de bedreiging kennis heeft genomen. Daarnaast zou er bij aangever [benadeelde 1] , mede gelet op de context waarbinnen de uitlating is gedaan, niet de redelijke vrees kunnen zijn ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. […] Ten aanzien van feit 5: Volgens de raadsvrouw kunnen de tenlastegelegde bewoordingen, gelet op de context waarbinnen zij zijn gedaan, niet tot de redelijke vrees bij aangeefster [benadeelde 3] hebben geleid. […] Ten aanzien van feit 2 en feit 5: Het hof is ten aanzien van de bedreigingen “Als ik kon zou ik jullie allemaal martelen en neerschieten en begin ik met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ” en “ [benadeelde 3] moet vermoord worden, en wel nu!” van oordeel dat de uitlatingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 3] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de bij verdachte ontstane emoties het bedreigende karakter van de uitlatingen in het geheel niet wegnemen.” 3.7 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ’s hofs oordeel dat de uitlatingen van de verdachte – ondanks de bij hem ontstane emoties – tot redelijke vrees bij [benadeelde 1] en [benadeelde 3] hebben kunnen leiden, in het licht van hetgeen door de verdediging onder 3.5 is aangevoerd ontoereikend is gemotiveerd. 3.8 Voor een veroordeling wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is voor zover hier van belang vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte moet daarop zijn gericht.
Volledig
Daarbij geldt dat de omstandigheid dat de verdachte op het moment van het uiten van de bedreigingen kwaad was en zich door deze emotie wellicht heeft laten meeslepen op zichzelf niet aan het aannemen van een redelijke vrees in de weg staat. 3.9 In HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91, NJ 2023/89 m.nt. Machielse was de verdachte vanwege haar psychische toestand krachtens een rechterlijke machtiging gedwongen in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Toen zij vanwege haar onhandelbaar gedrag en haar ontregelde toestand tegen haar wil naar de separeercel werd overgebracht, bedreigde zij een hulpverlener met de dood en zo’n twee weken later deed zij hetzelfde jegens een andere hulpverlener toen zij van deze niet mocht roken. Het hof sprak de verdachte vrij van bedreiging. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand dat de verbale bedreiging door de verdachte bij de betrokkenen niet zonder meer in redelijkheid de vrees kon doen ontstaan als is vereist voor een veroordeling op grond van art. 285 lid 1 Sr. Van belang daartoe was dat het oordeel van het hof was verweven met waarderingen van feitelijke aard en dat het hof daarbij acht kon slaan op de concrete omstandigheden dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en de bedreigende taal “in haar emotionele geestelijke toestand” respectievelijk “in haar ontregelde geestelijke toestand” heeft geuit. 3.10 Van een andere uitkomst is sprake in HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1938, waarin de verdachte tijdens door hem jegens medewerkers geuite doodsbedreigingen eveneens in een psychiatrische kliniek verbleef. In dit geval ging het om een ook spugende, vernielingen aanrichtende, zich hevig verzettende verdachte, die een van de medewerkers in de situatie waarin hij de bedreigingen uitte in het gezicht sloeg, onder het oog krabde, in de rug trapte en in een vinger beet. Het hof kon op grond van deze omstandigheden oordelen dat bij deze en een andere medewerker in redelijkheid de vrees kon ontstaan die voor een veroordeling wegens bedreiging is vereist. Het hof kwam tot een veroordeling en deze bleef in cassatie in stand. De Hoge Raad merkt op dat deze zaak zich onderscheidt van de onder 3.9 genoemde zaak, onder meer omdat het hof in die zaak was uitgegaan van de omstandigheid dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en dat de bedreigende taal in de context van een emotionele en ontregelde geestelijke toestand was geuit. 3.11 Het hof heeft in de onderhavige zaak vastgesteld dat de verdachte – die overigens anders dan de verdachte in de onder 3.9 en 3.10 genoemde zaken niet in een instelling was opgenomen – op 9 oktober 2021 in een telefoongesprek de uitlating “Als ik kon zou ik jullie allemaal martelen en neerschieten en begin ik met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ” heeft gedaan. In bewijsmiddel 2 is deze uitlating in kapitale letters weergegeven. Dat lijkt te impliceren dat deze uitlating door de verdachte in (hevige) emotie is geuit. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdachte in een van hem afkomstig op YouTube geplaatst filmpje “ [benadeelde 3] needs to be killed right now” heeft geschreeuwd. Dat het hof de verdachte uiteindelijk ontoerekenbaar heeft verklaard, impliceert dat sprake was van een ontregelde geestelijke toestand. 3.12 Het oordeel van het hof dat de onder 3.11 genoemde bedreigingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 3] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen, is in het licht van hetgeen onder 3.8 t/m 3.10 is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Weliswaar lijken de feiten in de onderhavige zaak meer in lijn te liggen met die in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91, NJ 2023/89 m.nt. Machielse (zie onder 3.9) dan met die in HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1938 (zie onder 3.10), maar uit deze arresten volgt ook dat de beoordeling of een bedreigende uiting in redelijkheid vrees kon doen ontstaan, verweven is met waarderingen van feitelijke aard en dat deze in cassatie slechts beperkt kunnen worden getoetst. Anders dan in die onder 3.9 en 3.10 genoemde zaken is in de onderhavige zaak bovendien geen sprake van een situatie waarin de bedreigde vanwege de geestelijke toestand van de verdachte hulp aan deze verleent of zou moeten verlenen. Tegen die achtergrond is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat de bij verdachte ontstane emoties het bedreigende karakter van de uitlatingen in het geheel niet wegnemen. Verder merk ik hierbij nog op dat ook de omstandigheid dat de verdachte op het moment dat hij de bedreiging uit niet in staat is om deze bedreiging onmiddellijk ten uitvoering te brengen aan het bestaan van redelijke vrees niet in de weg staat, omdat die omstandigheid niet wil zeggen dat er geen redelijke vrees kan bestaan dat de verdachte in de toekomst zijn bedreigingen gaat uitvoeren. 3.13 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel houdt over het onder 4 bewezenverklaarde de klacht in dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat de verdachte een beroep toekomt op art. 261 lid 3 Sr, althans dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. 4.2 Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat: “hij op tijdstippen in de periode van 20 juli 2021 tot en met 9 oktober 2021 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk, de eer en de goede naam van [benadeelde 3] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften waarvan die [benadeelde 3] kennis heeft genomen, door meermaals, e-mailberichten naar de werkgever en collega’s van die [benadeelde 3] te sturen met daarin (onder andere) de volgende teksten: - “Ik weet dat een medewerkster van de Marine [benadeelde 3] zich bezig houdt met illegale prostitutie in [plaats] . Op de een of andere manier lukt het niemand (woningbouw plus politie) niet om haar aan te houden voor pooierschap.”, - “Weet u dat er ook huurmoordenaars op mij afgestuurd zijn door [benadeelde 3] en mijn telefoon gehackt werd door waarschijnlijk medewerkers vna de geheime dienst? [benadeelde 3] is niet slechts een militair verpleegkundige maar ook iets anders met de veiligheidsdiensten en/of netwerk van de elite.”, - “ [benadeelde 3] is een vrouw die voor defensie werkt of werkte daardoor moet worden aangehouden door mensen van defensie. Omdat ze burgers, civiele burgers in groot gevaar brengt en er mee door mag gaan”, - “She appears to be not just a military nurse but has some form of diplomatic immunity and somehow abuses her status and gets away with murder, that is litteraly. This has enabled her to run a sexnetwork for the elite in the Netherlands […] and is able to have hostages in her apartment[…] She was able to persuade my neighbor to run a sexnetwork where women are tortured and killed with the cooperation of the [plaats] police force.” en een filmpje op (een openbaar kanaal op) Youtube te plaatsen waarin die [benadeelde 3] , zakelijk weergegeven, wordt beschuldigd van het opzetten van een prostitutie netwerk en van betrokkenheid bij drugshandel/-smokkel.” 4.3 Deze bewezenverklaring steunt blijkens de aanvulling bewijsmiddelen op de volgende bewijsmiddelen: “ Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 4 en feit 5 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-3, afgesloten d.d. 7 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 6 en 7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 3] : Plaats delict : [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] Ik wens aangifte te doen van bedreiging en smaad en laster gepleegd door een persoon die bij mij bekend is als [verdachte] woonachtig aan de [a-straat] te [plaats] . Ik werk bij defensie. Op 14 september 2021 was ik aan het werk.
Volledig
Daarbij geldt dat de omstandigheid dat de verdachte op het moment van het uiten van de bedreigingen kwaad was en zich door deze emotie wellicht heeft laten meeslepen op zichzelf niet aan het aannemen van een redelijke vrees in de weg staat. 3.9 In HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91, NJ 2023/89 m.nt. Machielse was de verdachte vanwege haar psychische toestand krachtens een rechterlijke machtiging gedwongen in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Toen zij vanwege haar onhandelbaar gedrag en haar ontregelde toestand tegen haar wil naar de separeercel werd overgebracht, bedreigde zij een hulpverlener met de dood en zo’n twee weken later deed zij hetzelfde jegens een andere hulpverlener toen zij van deze niet mocht roken. Het hof sprak de verdachte vrij van bedreiging. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand dat de verbale bedreiging door de verdachte bij de betrokkenen niet zonder meer in redelijkheid de vrees kon doen ontstaan als is vereist voor een veroordeling op grond van art. 285 lid 1 Sr. Van belang daartoe was dat het oordeel van het hof was verweven met waarderingen van feitelijke aard en dat het hof daarbij acht kon slaan op de concrete omstandigheden dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en de bedreigende taal “in haar emotionele geestelijke toestand” respectievelijk “in haar ontregelde geestelijke toestand” heeft geuit. 3.10 Van een andere uitkomst is sprake in HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1938, waarin de verdachte tijdens door hem jegens medewerkers geuite doodsbedreigingen eveneens in een psychiatrische kliniek verbleef. In dit geval ging het om een ook spugende, vernielingen aanrichtende, zich hevig verzettende verdachte, die een van de medewerkers in de situatie waarin hij de bedreigingen uitte in het gezicht sloeg, onder het oog krabde, in de rug trapte en in een vinger beet. Het hof kon op grond van deze omstandigheden oordelen dat bij deze en een andere medewerker in redelijkheid de vrees kon ontstaan die voor een veroordeling wegens bedreiging is vereist. Het hof kwam tot een veroordeling en deze bleef in cassatie in stand. De Hoge Raad merkt op dat deze zaak zich onderscheidt van de onder 3.9 genoemde zaak, onder meer omdat het hof in die zaak was uitgegaan van de omstandigheid dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en dat de bedreigende taal in de context van een emotionele en ontregelde geestelijke toestand was geuit. 3.11 Het hof heeft in de onderhavige zaak vastgesteld dat de verdachte – die overigens anders dan de verdachte in de onder 3.9 en 3.10 genoemde zaken niet in een instelling was opgenomen – op 9 oktober 2021 in een telefoongesprek de uitlating “Als ik kon zou ik jullie allemaal martelen en neerschieten en begin ik met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ” heeft gedaan. In bewijsmiddel 2 is deze uitlating in kapitale letters weergegeven. Dat lijkt te impliceren dat deze uitlating door de verdachte in (hevige) emotie is geuit. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdachte in een van hem afkomstig op YouTube geplaatst filmpje “ [benadeelde 3] needs to be killed right now” heeft geschreeuwd. Dat het hof de verdachte uiteindelijk ontoerekenbaar heeft verklaard, impliceert dat sprake was van een ontregelde geestelijke toestand. 3.12 Het oordeel van het hof dat de onder 3.11 genoemde bedreigingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 3] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen, is in het licht van hetgeen onder 3.8 t/m 3.10 is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Weliswaar lijken de feiten in de onderhavige zaak meer in lijn te liggen met die in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:91, NJ 2023/89 m.nt. Machielse (zie onder 3.9) dan met die in HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1938 (zie onder 3.10), maar uit deze arresten volgt ook dat de beoordeling of een bedreigende uiting in redelijkheid vrees kon doen ontstaan, verweven is met waarderingen van feitelijke aard en dat deze in cassatie slechts beperkt kunnen worden getoetst. Anders dan in die onder 3.9 en 3.10 genoemde zaken is in de onderhavige zaak bovendien geen sprake van een situatie waarin de bedreigde vanwege de geestelijke toestand van de verdachte hulp aan deze verleent of zou moeten verlenen. Tegen die achtergrond is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat de bij verdachte ontstane emoties het bedreigende karakter van de uitlatingen in het geheel niet wegnemen. Verder merk ik hierbij nog op dat ook de omstandigheid dat de verdachte op het moment dat hij de bedreiging uit niet in staat is om deze bedreiging onmiddellijk ten uitvoering te brengen aan het bestaan van redelijke vrees niet in de weg staat, omdat die omstandigheid niet wil zeggen dat er geen redelijke vrees kan bestaan dat de verdachte in de toekomst zijn bedreigingen gaat uitvoeren. 3.13 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel houdt over het onder 4 bewezenverklaarde de klacht in dat het hof heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat de verdachte een beroep toekomt op art. 261 lid 3 Sr, althans dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. 4.2 Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat: “hij op tijdstippen in de periode van 20 juli 2021 tot en met 9 oktober 2021 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk, de eer en de goede naam van [benadeelde 3] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften waarvan die [benadeelde 3] kennis heeft genomen, door meermaals, e-mailberichten naar de werkgever en collega’s van die [benadeelde 3] te sturen met daarin (onder andere) de volgende teksten: - “Ik weet dat een medewerkster van de Marine [benadeelde 3] zich bezig houdt met illegale prostitutie in [plaats] . Op de een of andere manier lukt het niemand (woningbouw plus politie) niet om haar aan te houden voor pooierschap.”, - “Weet u dat er ook huurmoordenaars op mij afgestuurd zijn door [benadeelde 3] en mijn telefoon gehackt werd door waarschijnlijk medewerkers vna de geheime dienst? [benadeelde 3] is niet slechts een militair verpleegkundige maar ook iets anders met de veiligheidsdiensten en/of netwerk van de elite.”, - “ [benadeelde 3] is een vrouw die voor defensie werkt of werkte daardoor moet worden aangehouden door mensen van defensie. Omdat ze burgers, civiele burgers in groot gevaar brengt en er mee door mag gaan”, - “She appears to be not just a military nurse but has some form of diplomatic immunity and somehow abuses her status and gets away with murder, that is litteraly. This has enabled her to run a sexnetwork for the elite in the Netherlands […] and is able to have hostages in her apartment[…] She was able to persuade my neighbor to run a sexnetwork where women are tortured and killed with the cooperation of the [plaats] police force.” en een filmpje op (een openbaar kanaal op) Youtube te plaatsen waarin die [benadeelde 3] , zakelijk weergegeven, wordt beschuldigd van het opzetten van een prostitutie netwerk en van betrokkenheid bij drugshandel/-smokkel.” 4.3 Deze bewezenverklaring steunt blijkens de aanvulling bewijsmiddelen op de volgende bewijsmiddelen: “ Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 4 en feit 5 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-3, afgesloten d.d. 7 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 6 en 7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 3] : Plaats delict : [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] Ik wens aangifte te doen van bedreiging en smaad en laster gepleegd door een persoon die bij mij bekend is als [verdachte] woonachtig aan de [a-straat] te [plaats] . Ik werk bij defensie. Op 14 september 2021 was ik aan het werk.
Volledig
(..) Ik ontving een boodschap van iemand binnen de defensie werkzaam bij klachten en integriteit melding, dat er een integriteitsmelding over mij was binnen gekomen. Ik heb toen telefonisch contact gehad met de behandelaar van die integriteitsmelding en die vertelde mij dat er door een burger een melding was gedaan dat ik een bordeel zou runnen in [plaats] en dat ik daar mensen vermoord. Toen het mij duidelijk was dat het om [verdachte] ging heb ik direct gezocht op mijn naam via www.google.nl. [opmerking hof: het hof leidt hieruit af dat de video in ieder geval vanaf 14 september 2021 op youtube heeft gestaan ]. Toen ik zocht op mijn voor en achternaam zag ik dat deze waren gekoppeld aan een aantal videofilms op www.youtube.com. Ik heb deze video’s bekeken en zag dat deze afkomstig waren van een account genaamd: [verdachte] [plaats] . (...) Ik zag dat mijn naam ook gekoppeld was aan een filmpje. Ik luisterde dit filmpje en hoorde een stem die ik herkende als die van [verdachte] . In dit filmpje vertelde hij dat ik cocaïne zou smokkelen doormiddel van mijn werk. Ik hoorde hem in dit filmpje zeggen: “ [benadeelde 3] needs to be killed right now”. De manier waarop hij sprak en schreeuwde maakte mij bang. 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-9, afgesloten d.d. 4 december 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 402 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant: Naar aanleiding van het onderzoek naar smaad laster ontving ik op 25 november 2021 een mailwisseling tussen aangeefster [benadeelde 3] en de afdeling meldpunt integriteit defensie. In de mailwisseling lees ik dat aangeefster [benadeelde 3] op 4 oktober 2021 een e-mail stuurt naar het meldpunt integriteit defensie. Zij vraagt of zij de documenten die bij de meldingen horen die over haar gedaan, kan in zien en ontvangen. Op 25 november 2021 ontvangt de aangeefster deze documenten en stuurt zij deze door naar de politie. De e-mails zijn als bijlage achter dit proces-verbaal van bevindingen gevoegd. 3. De e-mails van verdachte, als bijlage gevoegd bij proces-verbaalnummer PL0900- 2021316219-9, door het hof te bezigen als schriftelijk bescheiden als bedoeld in artikel 344 , eerste lid, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, (p. 403-409 van het politiedossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Van : [e-mailadres 1] Verzonden : dinsdag 20 juli 2021 12:15 Aan : [e-mailadres 2] Ik weet dat een medewerkster van de Marine [benadeelde 3] zich bezig houdt met illegale prostitutie in [plaats] . Op de een of andere manier lukt het niemand (woningbouw plus politie) niet om haar aan te houden voor pooierschap. Van : [verdachte] < [e-mailadres 1] > Verzonden : vrijdag 6 augustus 2021 15:16 Aan : [e-mailadres 3] > Weet u dat er ook huurmoordenaars op mij afgestuurd zijn door [benadeelde 3] en mijn telefoon gehackt werd door waarschijnlijk medewerkers vna de geheime dienst? [benadeelde 3] is niet slechts een militair verpleegkundige maar ook iets anders met de veiligheidsdiensten en/of netwerk van de elite. Van : [verdachte] < [e-mailadres 1] > Verzonden : vrijdag 30 juli 2021 12:21 Aan : [e-mailadres 4] ; [e-mailadres 5] >; [e-mailadres 3] [benadeelde 3] is een vrouw die voordefensie werkt of werkte daardoor moet worden worden aangehouden door mensen van defensie. Omdat ze burgers, civiel burgers in groot gevaar brengt en er mee door mag gaan. Van : [e-mailadres 6] Verzonden : zaterdag 14 augustus 2021 23:47 Aan : [e-mailadres 2] She appears to be not just a military nurse but has some form of diplomatic immunity and somehow abuses her status and gets away with murder, that is litteraly. This has enabled her to run a sexnetwork for the elite in the Netherlands ( [naam 1] / [naam 2] / [naam 3] ?) and is able to have hostages in her apartment on the [a-straat 2] and [a-straat 3] . She was able to persuade my neighbor to run a sexnetwork where women are tortured and killed with the cooperation of the [plaats] police force. 4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-4, afgesloten d.d. 7 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [benadeelde 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 28-30) van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant: Op maandag 4 oktober 2021 deed ik onderzoek in zake de smaad laster tegen aangever [benadeelde 3] . Ik hoorde dat aangever verwees naar een youtube account waarin haar naam ook misbruikt werd. Ik hoorde dat zij mij vertelde dat het youtube account heette: [verdachte] [plaats] . Ik deed hierop onderzoek op internet en zag dat er onder genoemd account video’s te zien waren. Deze video’s waren voor een ieder vrij toegankelijk te bekijken. Ik zag dat de eerste video een video betrof die geüpload werd op 21 augustus 2021. Ik hoorde een stem die in het Engels sprak. Ik herkende de stem direct als de stem van [verdachte] woonachtig aan de [a-straat 1] te [plaats] . In de video spreekt hij over [benadeelde 3] . Hij vertelt dat zij drugs smokkelt. Zij was op verlof een aantal maanden en daar heeft zij toen een prostitutie netwerk opgezet. In een video spreekt hij wederom over [benadeelde 3] . Vanuit de Marine wordt er cocaïne gesmokkeld vanuit Aruba en Venezuela. Hij schreeuwt hierin dat [benadeelde 3] moet worden. […] Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten: 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 16 januari 2023 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Mijn e-mailadres is ‘ [e-mailadres 1] ’ en mijn YouTube account is ‘ [verdachte] [plaats] ’. De berichten in het dossier en de filmpjes die genoemd worden, zijn van mij afkomstig. De begeleidende teksten bij de filmpjes zijn ook van mij.” 4.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in: “De raadsvrouw voert aan, zakelijk weergegeven: […] Er is voor gekozen om wel het hoger beroep te laten doorgaan. Volgens hem heeft hij destijds voldaan aan zijn burgerplicht. […] De raadsvrouw voert aan, zakelijk weergegeven: […] De verdediging heeft gister ook een geluidsfragment toegestuurd met het verzoek deze op zitting af te spelen. De advocaat-generaal voert aan, zakelijk weergegeven: Formeel zie ik de noodzaak niet van het afspelen van het geluidsfragment. Ik heb gelezen dat het geluidsfragment ook door verbalisanten is beluisterd en dat er niets op te horen was. Ik verzet mij. De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad. Na hervatting van de behandeling deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het afspelen van het geluidsfragment wordt toegewezen. De raadsvrouw speelt het geluidsfragment af. De raadsvrouw voert aan, zakelijk weergegeven: Het fragment is op 26 januari 2021 opgenomen. Volgens cliënt is er op het fragment te horen dat er wel degelijk ruzie is. De voorzitter vraagt mij het fragment nog verstaanbaarder wordt. Nee, dat wordt het niet. Er is geschreeuw en slaan met deuren te horen. […]” 4.5 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van voetnoten): “ Feit 4 - smaadschrift 12. Cliënt wordt ervan verdacht in een periode van zo’n drie maanden meerdere emailberichten over aangeefster [benadeelde 3] te hebben gestuurd naar haar werkgever en/of collega’s. Cliënt wenst te benadrukken dat hij enkel e-mailberichten heeft verzonden naar het “meldpunt integriteit voor defensiepersoneel”; de geëigende weg om meldingen te maken over zaken die betrekking hebben op de integriteit van defensiepersoneel. 13. Wat betreft de inhoud van de e-mails merkt de verdediging het volgende op. Cliënt heeft te goeder trouw kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was.
Volledig
(..) Ik ontving een boodschap van iemand binnen de defensie werkzaam bij klachten en integriteit melding, dat er een integriteitsmelding over mij was binnen gekomen. Ik heb toen telefonisch contact gehad met de behandelaar van die integriteitsmelding en die vertelde mij dat er door een burger een melding was gedaan dat ik een bordeel zou runnen in [plaats] en dat ik daar mensen vermoord. Toen het mij duidelijk was dat het om [verdachte] ging heb ik direct gezocht op mijn naam via www.google.nl. [opmerking hof: het hof leidt hieruit af dat de video in ieder geval vanaf 14 september 2021 op youtube heeft gestaan ]. Toen ik zocht op mijn voor en achternaam zag ik dat deze waren gekoppeld aan een aantal videofilms op www.youtube.com. Ik heb deze video’s bekeken en zag dat deze afkomstig waren van een account genaamd: [verdachte] [plaats] . (...) Ik zag dat mijn naam ook gekoppeld was aan een filmpje. Ik luisterde dit filmpje en hoorde een stem die ik herkende als die van [verdachte] . In dit filmpje vertelde hij dat ik cocaïne zou smokkelen doormiddel van mijn werk. Ik hoorde hem in dit filmpje zeggen: “ [benadeelde 3] needs to be killed right now”. De manier waarop hij sprak en schreeuwde maakte mij bang. 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-9, afgesloten d.d. 4 december 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 402 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant: Naar aanleiding van het onderzoek naar smaad laster ontving ik op 25 november 2021 een mailwisseling tussen aangeefster [benadeelde 3] en de afdeling meldpunt integriteit defensie. In de mailwisseling lees ik dat aangeefster [benadeelde 3] op 4 oktober 2021 een e-mail stuurt naar het meldpunt integriteit defensie. Zij vraagt of zij de documenten die bij de meldingen horen die over haar gedaan, kan in zien en ontvangen. Op 25 november 2021 ontvangt de aangeefster deze documenten en stuurt zij deze door naar de politie. De e-mails zijn als bijlage achter dit proces-verbaal van bevindingen gevoegd. 3. De e-mails van verdachte, als bijlage gevoegd bij proces-verbaalnummer PL0900- 2021316219-9, door het hof te bezigen als schriftelijk bescheiden als bedoeld in artikel 344 , eerste lid, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, (p. 403-409 van het politiedossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Van : [e-mailadres 1] Verzonden : dinsdag 20 juli 2021 12:15 Aan : [e-mailadres 2] Ik weet dat een medewerkster van de Marine [benadeelde 3] zich bezig houdt met illegale prostitutie in [plaats] . Op de een of andere manier lukt het niemand (woningbouw plus politie) niet om haar aan te houden voor pooierschap. Van : [verdachte] < [e-mailadres 1] > Verzonden : vrijdag 6 augustus 2021 15:16 Aan : [e-mailadres 3] > Weet u dat er ook huurmoordenaars op mij afgestuurd zijn door [benadeelde 3] en mijn telefoon gehackt werd door waarschijnlijk medewerkers vna de geheime dienst? [benadeelde 3] is niet slechts een militair verpleegkundige maar ook iets anders met de veiligheidsdiensten en/of netwerk van de elite. Van : [verdachte] < [e-mailadres 1] > Verzonden : vrijdag 30 juli 2021 12:21 Aan : [e-mailadres 4] ; [e-mailadres 5] >; [e-mailadres 3] [benadeelde 3] is een vrouw die voordefensie werkt of werkte daardoor moet worden worden aangehouden door mensen van defensie. Omdat ze burgers, civiel burgers in groot gevaar brengt en er mee door mag gaan. Van : [e-mailadres 6] Verzonden : zaterdag 14 augustus 2021 23:47 Aan : [e-mailadres 2] She appears to be not just a military nurse but has some form of diplomatic immunity and somehow abuses her status and gets away with murder, that is litteraly. This has enabled her to run a sexnetwork for the elite in the Netherlands ( [naam 1] / [naam 2] / [naam 3] ?) and is able to have hostages in her apartment on the [a-straat 2] and [a-straat 3] . She was able to persuade my neighbor to run a sexnetwork where women are tortured and killed with the cooperation of the [plaats] police force. 4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0900-2021316219-4, afgesloten d.d. 7 oktober 2021, opgemaakt en ondertekend door [benadeelde 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 28-30) van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant: Op maandag 4 oktober 2021 deed ik onderzoek in zake de smaad laster tegen aangever [benadeelde 3] . Ik hoorde dat aangever verwees naar een youtube account waarin haar naam ook misbruikt werd. Ik hoorde dat zij mij vertelde dat het youtube account heette: [verdachte] [plaats] . Ik deed hierop onderzoek op internet en zag dat er onder genoemd account video’s te zien waren. Deze video’s waren voor een ieder vrij toegankelijk te bekijken. Ik zag dat de eerste video een video betrof die geüpload werd op 21 augustus 2021. Ik hoorde een stem die in het Engels sprak. Ik herkende de stem direct als de stem van [verdachte] woonachtig aan de [a-straat 1] te [plaats] . In de video spreekt hij over [benadeelde 3] . Hij vertelt dat zij drugs smokkelt. Zij was op verlof een aantal maanden en daar heeft zij toen een prostitutie netwerk opgezet. In een video spreekt hij wederom over [benadeelde 3] . Vanuit de Marine wordt er cocaïne gesmokkeld vanuit Aruba en Venezuela. Hij schreeuwt hierin dat [benadeelde 3] moet worden. […] Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten: 1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 16 januari 2023 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Mijn e-mailadres is ‘ [e-mailadres 1] ’ en mijn YouTube account is ‘ [verdachte] [plaats] ’. De berichten in het dossier en de filmpjes die genoemd worden, zijn van mij afkomstig. De begeleidende teksten bij de filmpjes zijn ook van mij.” 4.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in: “De raadsvrouw voert aan, zakelijk weergegeven: […] Er is voor gekozen om wel het hoger beroep te laten doorgaan. Volgens hem heeft hij destijds voldaan aan zijn burgerplicht. […] De raadsvrouw voert aan, zakelijk weergegeven: […] De verdediging heeft gister ook een geluidsfragment toegestuurd met het verzoek deze op zitting af te spelen. De advocaat-generaal voert aan, zakelijk weergegeven: Formeel zie ik de noodzaak niet van het afspelen van het geluidsfragment. Ik heb gelezen dat het geluidsfragment ook door verbalisanten is beluisterd en dat er niets op te horen was. Ik verzet mij. De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad. Na hervatting van de behandeling deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het afspelen van het geluidsfragment wordt toegewezen. De raadsvrouw speelt het geluidsfragment af. De raadsvrouw voert aan, zakelijk weergegeven: Het fragment is op 26 januari 2021 opgenomen. Volgens cliënt is er op het fragment te horen dat er wel degelijk ruzie is. De voorzitter vraagt mij het fragment nog verstaanbaarder wordt. Nee, dat wordt het niet. Er is geschreeuw en slaan met deuren te horen. […]” 4.5 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van voetnoten): “ Feit 4 - smaadschrift 12. Cliënt wordt ervan verdacht in een periode van zo’n drie maanden meerdere emailberichten over aangeefster [benadeelde 3] te hebben gestuurd naar haar werkgever en/of collega’s. Cliënt wenst te benadrukken dat hij enkel e-mailberichten heeft verzonden naar het “meldpunt integriteit voor defensiepersoneel”; de geëigende weg om meldingen te maken over zaken die betrekking hebben op de integriteit van defensiepersoneel. 13. Wat betreft de inhoud van de e-mails merkt de verdediging het volgende op. Cliënt heeft te goeder trouw kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was.
Volledig
Onderbouwing voor het in de e-mails aan aangeefster tenlastegelegde is te vinden in de door cliënt gemaakte audio-opnames. Uit de ter zitting uitgeluisterde audio-opname blijkt volgens cliënt dat illegale activiteiten plaatsvonden in het buurpand. Ook beschikt cliënt over een aantal opnames waaruit blijkt dat aangeefster betrokkenheid heeft gehad bij het runnen van het bordeel, aldus cliënt. 14. In dit verband doet de verdediging een beroep op artikel 261 lid 3 Sr; niet strafbaar is de verdachte die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Het was immers in het belang van de veiligheid van de vrouwen dat in kaart zou worden gebracht wie betrokkenheid had bij de strafbare gedragingen. Door zijn bevindingen te delen op YouTube en door te sturen naar het meldpunt integriteit van defensie, hoopte cliënt de strafbare gedragingen (van aangeefster) te doen stoppen. Cliënte wilde dat de aandacht voor de zaak niet zou verslappen en bleef daarom waarschuwen voor het gevaar dat volgens hem van aangeefster uitging. 15. Gelet op het voorgaande verzoekt de verdediging om cliënt van feit 4 vrij te spreken.” 4.6 Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in: “ Strafbaarheid van het bewezenverklaarde […] Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 3, omdat er sprake zou zijn van gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen. De raadsvrouw doet hierbij een beroep op art. 266 lid 2 Sr. […]” 4.7 De toelichting op het middel brengt naar voren dat de verdediging in hoger beroep het uitdrukkelijk voorgedragen verweer heeft gevoerd dat de verdachte een beroep toekomt op art. 261 lid 3 Sr. De verdachte zou te goeder trouw hebben kunnen aannemen dat hetgeen hij in de in de bewezenverklaring opgenomen berichten heeft geschreven waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Volgens de steller van het middel heeft het hof dit verweer niet opgenomen in het arrest en daar – in tegenstelling tot de rechtbank in eerste aanleg – geenszins op gereageerd, terwijl het hof daartoe wel was gehouden op grond van art. 359 lid 2 eerste volzin Sv. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep toekomt op art. 261 lid 3 Sr zou daarom, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk zijn. 4.8 Art. 261 lid 3 Sr luidt: “Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.” Voorafgaande kwestie over de bijzondere exceptie van art. 261 lid 3 Sr 4.9 Alvorens het middel inhoudelijk te behandelen ga ik in op de vraag of op voorhand moet worden geoordeeld dat de verdachte geen belang bij cassatie heeft. Daarvoor is het volgende van belang. 4.10 De op de delictsomschrijving van art. 261 Sr betrekking hebbende bijzondere exceptie in het derde lid van deze bepaling wordt ondanks de daarin opgenomen zinsnede “te goeder trouw heeft kunnen aannemen” doorgaans als een rechtvaardigingsgrond aangemerkt. Bij toewijzing van een beroep op de exceptie zou dit dan tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van strafbaarheid van het feit leiden. In de wetgeschiedenis komt naar voren dat “voor zoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging” het “om een rechtvaardigingsgrond, en niet slechts om een verontschuldigingsgrond gaat.” Wat betreft het onderdeel “te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste” is de wetgeschiedenis echter enigszins ambivalent. Enerzijds wordt in de memorie van toelichting opgemerkt dat in het geval waarin de verdachte een reeks beschuldigingen heeft geuit waarvan slechts een deel nodig was voor bijvoorbeeld een verdediging tegen aantijgingen, dat dan “het overige deel misschien wel als verschoonbaar, maar toch kwalijk als gerechtvaardigd” kan worden aangemerkt. Anderzijds houdt de memorie van toelichting ook in dat de in art. 261 lid 3 Sr gebruikte aanhef “Noch smaad, noch smaadschrift bestaat” op een rechtvaardigingsgrond wijst. Bovendien wordt daarin opgemerkt dat het in het tweede deel van het artikel, evenals in het eerste deel daarvan, om “een rechtvaardigingsgrond gaat” en dat om dit duidelijk te maken het criterium voor uitsluiting van de strafbaarheid is geobjectiveerd met de formulering “te goeder trouw heeft kunnen aannemen”. Toegegeven moet worden dat kwalificering van de “te goeder trouw”-exceptie als schulduitsluitingsgrond op gespannen voet staat met de aanhef van art. 261 lid 3 Sr, maar de argumentatie in de memorie van toelichting lijkt mij niet overtuigend. Genoemde objectivering impliceert geenszins dat het niet om een schulduitsluitingsgrond kan gaan. Maar belangrijker: aangezien – zoals blijkens het voorgaande wordt erkend in de memorie van toelichting – niet noodzakelijke ten laste leggingen niet als gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd, valt moeilijk in te zien waarom dit anders zou zijn voor uitingen die op onwaarheden berusten of waarvan het algemeen belang de tenlastelegging niet daadwerkelijk vereist. Meer dan verontschuldigbaar kunnen deze mijns inziens niet zijn. Ook het algemeen stelsel van strafuitsluitingsgronden wijst daarop. Nu bij de bijzondere “te goeder trouw”-exceptie in feite sprake is van een vorm van dwaling, is immers relevant dat verontschuldigbare dwalingen in dat algemeen stelsel in beginsel onder de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld vallen en in elk geval niet onder rechtvaardigingsgronden. 4.11 Op zichzelf bezien is de “te goeder trouw”-exceptie van art. 261 lid 3 Sr mijns inziens dus een schulduitsluitingsgrond, maar mede erop gelet dat bij toepasselijkheid ervan blijkens de aanhef van deze bepaling “noch smaad, noch smaadschrift bestaat”, zou die binnen de constructie van dit artikel als een (“pure”) strafuitsluitingsgrond kunnen worden gezien die het best op zijn eigen merites kan worden beoordeeld. De vraag is wat het gevolg daarvan is. Wanneer een ten laste gelegd feit kan worden bewezen, leidt de toepasselijkheid van een schulduitsluitingsgrond tot ontslag van alle rechtsvervolging op de grond dat de verdachte niet strafbaar is. Bij die benadering zou de verdachte geen belang bij cassatie hebben aangezien dit de uitspraak is waartoe het hof is gekomen, zij het op basis van de schulduitsluitingsgrond ontoerekenbaarheid. Er echter op gelet dat er blijkens de aanhef van art. 261 lid 3 Sr geen smaad of smaadschrift is wanneer deze bepaling van toepassing is, meen ik dat toewijzing van het beroep op de exceptie zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van strafbaarheid van het feit. Dat is een voor de verdachte gunstigere uitkomst dan de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van de verdachte die het hof in de onderhavige zaak heeft genomen. Het belang van de verdachte bij het cassatiemiddel is daarmee gegeven. Inhoudelijke beoordeling van het middel 4.12 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de uitleg van een verweer is voorbehouden aan de feitenrechter. Als de uitspraak geen respons bevat op een betoog van de verdachte en/of zijn raadsman, is het vertrekpunt in cassatie dat het hof het aangevoerde kennelijk niet heeft opgevat als een verweer waarop op grond van art. 358 lid 3 jo. art. 359 lid 2 Sv bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven. Die aan de feitenrechter toegeschreven uitleg wordt in cassatie getoetst aan de hand van de begrijpelijkheidsmaatstaf. Alleen in het geval dat het aangevoerde niet anders kan worden opgevat dan als een beroep op (bijvoorbeeld) een strafuitsluitingsgrond, volgt cassatie wegens het niet voldoen aan genoemd motiveringsvoorschrift.
Volledig
Onderbouwing voor het in de e-mails aan aangeefster tenlastegelegde is te vinden in de door cliënt gemaakte audio-opnames. Uit de ter zitting uitgeluisterde audio-opname blijkt volgens cliënt dat illegale activiteiten plaatsvonden in het buurpand. Ook beschikt cliënt over een aantal opnames waaruit blijkt dat aangeefster betrokkenheid heeft gehad bij het runnen van het bordeel, aldus cliënt. 14. In dit verband doet de verdediging een beroep op artikel 261 lid 3 Sr; niet strafbaar is de verdachte die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Het was immers in het belang van de veiligheid van de vrouwen dat in kaart zou worden gebracht wie betrokkenheid had bij de strafbare gedragingen. Door zijn bevindingen te delen op YouTube en door te sturen naar het meldpunt integriteit van defensie, hoopte cliënt de strafbare gedragingen (van aangeefster) te doen stoppen. Cliënte wilde dat de aandacht voor de zaak niet zou verslappen en bleef daarom waarschuwen voor het gevaar dat volgens hem van aangeefster uitging. 15. Gelet op het voorgaande verzoekt de verdediging om cliënt van feit 4 vrij te spreken.” 4.6 Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in: “ Strafbaarheid van het bewezenverklaarde […] Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 3, omdat er sprake zou zijn van gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen. De raadsvrouw doet hierbij een beroep op art. 266 lid 2 Sr. […]” 4.7 De toelichting op het middel brengt naar voren dat de verdediging in hoger beroep het uitdrukkelijk voorgedragen verweer heeft gevoerd dat de verdachte een beroep toekomt op art. 261 lid 3 Sr. De verdachte zou te goeder trouw hebben kunnen aannemen dat hetgeen hij in de in de bewezenverklaring opgenomen berichten heeft geschreven waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Volgens de steller van het middel heeft het hof dit verweer niet opgenomen in het arrest en daar – in tegenstelling tot de rechtbank in eerste aanleg – geenszins op gereageerd, terwijl het hof daartoe wel was gehouden op grond van art. 359 lid 2 eerste volzin Sv. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep toekomt op art. 261 lid 3 Sr zou daarom, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk zijn. 4.8 Art. 261 lid 3 Sr luidt: “Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.” Voorafgaande kwestie over de bijzondere exceptie van art. 261 lid 3 Sr 4.9 Alvorens het middel inhoudelijk te behandelen ga ik in op de vraag of op voorhand moet worden geoordeeld dat de verdachte geen belang bij cassatie heeft. Daarvoor is het volgende van belang. 4.10 De op de delictsomschrijving van art. 261 Sr betrekking hebbende bijzondere exceptie in het derde lid van deze bepaling wordt ondanks de daarin opgenomen zinsnede “te goeder trouw heeft kunnen aannemen” doorgaans als een rechtvaardigingsgrond aangemerkt. Bij toewijzing van een beroep op de exceptie zou dit dan tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van strafbaarheid van het feit leiden. In de wetgeschiedenis komt naar voren dat “voor zoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging” het “om een rechtvaardigingsgrond, en niet slechts om een verontschuldigingsgrond gaat.” Wat betreft het onderdeel “te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste” is de wetgeschiedenis echter enigszins ambivalent. Enerzijds wordt in de memorie van toelichting opgemerkt dat in het geval waarin de verdachte een reeks beschuldigingen heeft geuit waarvan slechts een deel nodig was voor bijvoorbeeld een verdediging tegen aantijgingen, dat dan “het overige deel misschien wel als verschoonbaar, maar toch kwalijk als gerechtvaardigd” kan worden aangemerkt. Anderzijds houdt de memorie van toelichting ook in dat de in art. 261 lid 3 Sr gebruikte aanhef “Noch smaad, noch smaadschrift bestaat” op een rechtvaardigingsgrond wijst. Bovendien wordt daarin opgemerkt dat het in het tweede deel van het artikel, evenals in het eerste deel daarvan, om “een rechtvaardigingsgrond gaat” en dat om dit duidelijk te maken het criterium voor uitsluiting van de strafbaarheid is geobjectiveerd met de formulering “te goeder trouw heeft kunnen aannemen”. Toegegeven moet worden dat kwalificering van de “te goeder trouw”-exceptie als schulduitsluitingsgrond op gespannen voet staat met de aanhef van art. 261 lid 3 Sr, maar de argumentatie in de memorie van toelichting lijkt mij niet overtuigend. Genoemde objectivering impliceert geenszins dat het niet om een schulduitsluitingsgrond kan gaan. Maar belangrijker: aangezien – zoals blijkens het voorgaande wordt erkend in de memorie van toelichting – niet noodzakelijke ten laste leggingen niet als gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd, valt moeilijk in te zien waarom dit anders zou zijn voor uitingen die op onwaarheden berusten of waarvan het algemeen belang de tenlastelegging niet daadwerkelijk vereist. Meer dan verontschuldigbaar kunnen deze mijns inziens niet zijn. Ook het algemeen stelsel van strafuitsluitingsgronden wijst daarop. Nu bij de bijzondere “te goeder trouw”-exceptie in feite sprake is van een vorm van dwaling, is immers relevant dat verontschuldigbare dwalingen in dat algemeen stelsel in beginsel onder de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld vallen en in elk geval niet onder rechtvaardigingsgronden. 4.11 Op zichzelf bezien is de “te goeder trouw”-exceptie van art. 261 lid 3 Sr mijns inziens dus een schulduitsluitingsgrond, maar mede erop gelet dat bij toepasselijkheid ervan blijkens de aanhef van deze bepaling “noch smaad, noch smaadschrift bestaat”, zou die binnen de constructie van dit artikel als een (“pure”) strafuitsluitingsgrond kunnen worden gezien die het best op zijn eigen merites kan worden beoordeeld. De vraag is wat het gevolg daarvan is. Wanneer een ten laste gelegd feit kan worden bewezen, leidt de toepasselijkheid van een schulduitsluitingsgrond tot ontslag van alle rechtsvervolging op de grond dat de verdachte niet strafbaar is. Bij die benadering zou de verdachte geen belang bij cassatie hebben aangezien dit de uitspraak is waartoe het hof is gekomen, zij het op basis van de schulduitsluitingsgrond ontoerekenbaarheid. Er echter op gelet dat er blijkens de aanhef van art. 261 lid 3 Sr geen smaad of smaadschrift is wanneer deze bepaling van toepassing is, meen ik dat toewijzing van het beroep op de exceptie zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van strafbaarheid van het feit. Dat is een voor de verdachte gunstigere uitkomst dan de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van de verdachte die het hof in de onderhavige zaak heeft genomen. Het belang van de verdachte bij het cassatiemiddel is daarmee gegeven. Inhoudelijke beoordeling van het middel 4.12 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de uitleg van een verweer is voorbehouden aan de feitenrechter. Als de uitspraak geen respons bevat op een betoog van de verdachte en/of zijn raadsman, is het vertrekpunt in cassatie dat het hof het aangevoerde kennelijk niet heeft opgevat als een verweer waarop op grond van art. 358 lid 3 jo. art. 359 lid 2 Sv bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven. Die aan de feitenrechter toegeschreven uitleg wordt in cassatie getoetst aan de hand van de begrijpelijkheidsmaatstaf. Alleen in het geval dat het aangevoerde niet anders kan worden opgevat dan als een beroep op (bijvoorbeeld) een strafuitsluitingsgrond, volgt cassatie wegens het niet voldoen aan genoemd motiveringsvoorschrift.
Volledig
4.13 In het bestreden arrest is niet opgenomen dat door de verdediging een verweer is gevoerd zoals onder 4.5 is weergegeven. Onder het kopje “Strafbaarheid van het bewezenverklaarde” wordt door het hof enkel melding gemaakt dat de verdediging ten aanzien van feit 3 met een beroep op art. 266 lid 2 Sr het verweer heeft gevoerd dat strafbaarheid van dit feit ontbreekt. Niet is vermeld dat de verdediging over de strafbaarheid van feit 4 een beroep heeft gedaan op de exceptie van art. 261 lid 3 Sr. Ook overigens houdt het bestreden arrest hierover niets in. Het hof heeft het onder 4.5 aangevoerde dus kennelijk niet opgevat als een verweer waarop op grond van art. 358 lid 3 jo. art. 359 lid 2 eerste volzin Sv bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven. De vraag is of dat oordeel begrijpelijk is. 4.14 Door de verdediging is in eerste aanleg een grotendeels gelijkluidend verweer gevoerd als het onder 4.5 weergegeven verweer. De rechtbank heeft in het vonnis op dit verweer gerespondeerd. Het in hoger beroep gevoerde verweer wijkt er in die zin vanaf dat daarin melding wordt gemaakt van de ter terechtzitting in hoger beroep uitgeluisterde audio-opname waaruit volgens de verdachte zou blijken dat “illegale activiteiten” in het buurpand plaatsvonden. Uit het onder 4.4 weergegeven procesverloop blijkt dat het verzoek van de verdediging om het door de verdediging één dag voor de zitting toegestuurde geluidsfragment ter zitting af te luisteren door het hof is toegewezen. Er is geen (herhaald ) verzoek gedaan tot het luisteren van de overige geluidsfragmenten. Het op de terechtzitting in hoger beroep afgeluisterde geluidsfragment betrof een geluidsfragment van 26 januari 2021 – dat moment ligt bijna een half jaar vóór het aanvangsmoment van de ten laste gelegde en bewezenverklaarde pleegperiode – waarop naar zeggen van de raadsvrouw volgens de verdachte te horen is dat er “ruzie” is. Op de vraag van de voorzitter aan de raadsvrouw van de verdachte of het fragment nog verstaanbaarder wordt heeft de raadsvrouw ontkennend geantwoord. Er zou geschreeuw en slaan met deuren te horen zijn. 4.15 Op grond van het voorgaande kan niet worden gezegd dat door de verdediging geen beroep is gedaan op art. 261 lid 3 Sr. Anders dan in eerste aanleg is door de verdediging zelfs expliciet het artikel aangehaald waarop het verweer is gestoeld. Het gaat niet alleen om een stellige bewering dat de verdachte heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de ten laste legging eiste, maar ook is erop gewezen waaruit dit zou blijken (het ter onderbouwing aangedragen geluidsfragment). Het kennelijke oordeel van het hof dat het aangevoerde niet een verweer inhoudt waarop bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven op grond van art. 358 lid 3 jo. art. 359 lid 2 eerste volzin Sv, is zo bezien niet begrijpelijk. 4.16 Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Het hof had het verweer namelijk slechts kunnen verwerpen nu noch uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd noch uit andere feiten en omstandigheden waarvan is gebleken, volgt dat de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Er is naar de kern genomen blijkens de pleitnota immers niet meer aangevoerd dan dat volgens de verdachte uit het op de zitting afgeluisterde geluidsfragment van 26 januari 2021 zou blijken dat “illegale activiteiten” plaatsvonden in het buurpand, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat volgens de verdachte op het geluidsfragment te horen is dat er “ruzie” is en dat het fragment niet verstaanbaarder wordt buiten het horen van geschreeuw en slaan met deuren. Daarbij komt dat door de verdediging ter terechtzitting geen verzoek is gedaan tot het uitluisteren van een aantal opnames van de verdachte waaruit volgens (wederom) de verdachte blijkt “dat aangeefster betrokkenheid heeft gehad bij het runnen van het bordeel”. Overigens merk ik op dat het hof de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zou zijn bepaald door wanen: de verdachte is ervan overtuigd dat hij een klokkenluider is en dat hij de misstanden die naar zijn idee bij de buurman plaatsvinden aan het licht moet brengen en hij meent dat de in de bewezenverklaring genoemde personen verantwoordelijk zijn voor deze misstanden. 4.17 Het middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. 5 Afronding 5.1 Het eerste middel faalt en het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Beide middelen lenen zich voor afdoening met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 5.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de instelling van het cassatieberoep op 6 mei 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase wordt overschreden. Gelet op de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging kan de Hoge Raad volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448, r.o. 3.3. HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1938, r.o. 2.3. A.J. Machielse in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht , art. 285 Sr, aant. 4 (online bijgewerkt t/m 9 oktober 2024). Hierin wordt gewezen op HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:262. A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht , art. 285 Sr, aant. 4 (bijgewerkt t/m 9 oktober 2024). A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht , art. 261 Sr, aant. 6.1 en 6.2 (actueel t/m 15 augustus 2018). Kamerstukken II 1970/71, 11 249, nr. 3, p. 4 (MvT). Vgl. (maar dan i.v.m. art. 263 (oud) Sr) H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht , tweede druk, herzien en aangevuld door J.W. Smidt, deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 399-400. Kamerstukken II 1970/71, 11 249, nr. 3, p. 5 (MvT). Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 327. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken , Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 283. De rechtbank oordeelde dat de situatie van noodzakelijke verdediging zich hier niet voordoet. En dat de andere situatie evenmin opgaat omdat zelfs als vast zou staan dat de verdachte te goeder trouw als waarheid heeft kunnen aannemen dat aangeefster zich schuldig had gemaakt aan illegale praktijken, niet gebleken is dat de gekozen wijze van openbaar maken het algemeen belang diende. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 1 november 2022 blijkt dat de mediabestanden waarvan de verdediging had verzocht om deze aan het dossier toe te voegen aan het dossier zijn toegevoegd. Door de toenmalig raadsvrouw van verdachte was bij appelschriftuur van 23 februari 2023 verzocht om de door de verdachte gemaakte en aan het dossier gevoegde audio-opnames ter zitting uit te luisteren. De poortraadsheer heeft bij brief van 9 augustus 2023 aan de toenmalige raadsvrouw van de verdachte laten weten dat er vooralsnog geen aanleiding wordt gezien om in het verzoek om de audio-opnames ter zitting te beluisteren te bewilligen en dat het verzoek desgewenst ter terechtzitting kan worden herhaald. Vgl. in verband met de responsieplicht bij een beroep op een contra-indicatie bij voorbedachte raad bijv. A-G Paridaens 19 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:254, randnr. 17. Vgl. bijv. HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1636.
Volledig
4.13 In het bestreden arrest is niet opgenomen dat door de verdediging een verweer is gevoerd zoals onder 4.5 is weergegeven. Onder het kopje “Strafbaarheid van het bewezenverklaarde” wordt door het hof enkel melding gemaakt dat de verdediging ten aanzien van feit 3 met een beroep op art. 266 lid 2 Sr het verweer heeft gevoerd dat strafbaarheid van dit feit ontbreekt. Niet is vermeld dat de verdediging over de strafbaarheid van feit 4 een beroep heeft gedaan op de exceptie van art. 261 lid 3 Sr. Ook overigens houdt het bestreden arrest hierover niets in. Het hof heeft het onder 4.5 aangevoerde dus kennelijk niet opgevat als een verweer waarop op grond van art. 358 lid 3 jo. art. 359 lid 2 eerste volzin Sv bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven. De vraag is of dat oordeel begrijpelijk is. 4.14 Door de verdediging is in eerste aanleg een grotendeels gelijkluidend verweer gevoerd als het onder 4.5 weergegeven verweer. De rechtbank heeft in het vonnis op dit verweer gerespondeerd. Het in hoger beroep gevoerde verweer wijkt er in die zin vanaf dat daarin melding wordt gemaakt van de ter terechtzitting in hoger beroep uitgeluisterde audio-opname waaruit volgens de verdachte zou blijken dat “illegale activiteiten” in het buurpand plaatsvonden. Uit het onder 4.4 weergegeven procesverloop blijkt dat het verzoek van de verdediging om het door de verdediging één dag voor de zitting toegestuurde geluidsfragment ter zitting af te luisteren door het hof is toegewezen. Er is geen (herhaald ) verzoek gedaan tot het luisteren van de overige geluidsfragmenten. Het op de terechtzitting in hoger beroep afgeluisterde geluidsfragment betrof een geluidsfragment van 26 januari 2021 – dat moment ligt bijna een half jaar vóór het aanvangsmoment van de ten laste gelegde en bewezenverklaarde pleegperiode – waarop naar zeggen van de raadsvrouw volgens de verdachte te horen is dat er “ruzie” is. Op de vraag van de voorzitter aan de raadsvrouw van de verdachte of het fragment nog verstaanbaarder wordt heeft de raadsvrouw ontkennend geantwoord. Er zou geschreeuw en slaan met deuren te horen zijn. 4.15 Op grond van het voorgaande kan niet worden gezegd dat door de verdediging geen beroep is gedaan op art. 261 lid 3 Sr. Anders dan in eerste aanleg is door de verdediging zelfs expliciet het artikel aangehaald waarop het verweer is gestoeld. Het gaat niet alleen om een stellige bewering dat de verdachte heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de ten laste legging eiste, maar ook is erop gewezen waaruit dit zou blijken (het ter onderbouwing aangedragen geluidsfragment). Het kennelijke oordeel van het hof dat het aangevoerde niet een verweer inhoudt waarop bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven op grond van art. 358 lid 3 jo. art. 359 lid 2 eerste volzin Sv, is zo bezien niet begrijpelijk. 4.16 Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Het hof had het verweer namelijk slechts kunnen verwerpen nu noch uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd noch uit andere feiten en omstandigheden waarvan is gebleken, volgt dat de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Er is naar de kern genomen blijkens de pleitnota immers niet meer aangevoerd dan dat volgens de verdachte uit het op de zitting afgeluisterde geluidsfragment van 26 januari 2021 zou blijken dat “illegale activiteiten” plaatsvonden in het buurpand, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat volgens de verdachte op het geluidsfragment te horen is dat er “ruzie” is en dat het fragment niet verstaanbaarder wordt buiten het horen van geschreeuw en slaan met deuren. Daarbij komt dat door de verdediging ter terechtzitting geen verzoek is gedaan tot het uitluisteren van een aantal opnames van de verdachte waaruit volgens (wederom) de verdachte blijkt “dat aangeefster betrokkenheid heeft gehad bij het runnen van het bordeel”. Overigens merk ik op dat het hof de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zou zijn bepaald door wanen: de verdachte is ervan overtuigd dat hij een klokkenluider is en dat hij de misstanden die naar zijn idee bij de buurman plaatsvinden aan het licht moet brengen en hij meent dat de in de bewezenverklaring genoemde personen verantwoordelijk zijn voor deze misstanden. 4.17 Het middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. 5 Afronding 5.1 Het eerste middel faalt en het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Beide middelen lenen zich voor afdoening met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 5.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de instelling van het cassatieberoep op 6 mei 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase wordt overschreden. Gelet op de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging kan de Hoge Raad volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448, r.o. 3.3. HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1938, r.o. 2.3. A.J. Machielse in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht , art. 285 Sr, aant. 4 (online bijgewerkt t/m 9 oktober 2024). Hierin wordt gewezen op HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:262. A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht , art. 285 Sr, aant. 4 (bijgewerkt t/m 9 oktober 2024). A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht , art. 261 Sr, aant. 6.1 en 6.2 (actueel t/m 15 augustus 2018). Kamerstukken II 1970/71, 11 249, nr. 3, p. 4 (MvT). Vgl. (maar dan i.v.m. art. 263 (oud) Sr) H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht , tweede druk, herzien en aangevuld door J.W. Smidt, deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 399-400. Kamerstukken II 1970/71, 11 249, nr. 3, p. 5 (MvT). Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 327. A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken , Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 283. De rechtbank oordeelde dat de situatie van noodzakelijke verdediging zich hier niet voordoet. En dat de andere situatie evenmin opgaat omdat zelfs als vast zou staan dat de verdachte te goeder trouw als waarheid heeft kunnen aannemen dat aangeefster zich schuldig had gemaakt aan illegale praktijken, niet gebleken is dat de gekozen wijze van openbaar maken het algemeen belang diende. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 1 november 2022 blijkt dat de mediabestanden waarvan de verdediging had verzocht om deze aan het dossier toe te voegen aan het dossier zijn toegevoegd. Door de toenmalig raadsvrouw van verdachte was bij appelschriftuur van 23 februari 2023 verzocht om de door de verdachte gemaakte en aan het dossier gevoegde audio-opnames ter zitting uit te luisteren. De poortraadsheer heeft bij brief van 9 augustus 2023 aan de toenmalige raadsvrouw van de verdachte laten weten dat er vooralsnog geen aanleiding wordt gezien om in het verzoek om de audio-opnames ter zitting te beluisteren te bewilligen en dat het verzoek desgewenst ter terechtzitting kan worden herhaald. Vgl. in verband met de responsieplicht bij een beroep op een contra-indicatie bij voorbedachte raad bijv. A-G Paridaens 19 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:254, randnr. 17. Vgl. bijv. HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1636.