Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-31
ECLI:NL:PHR:2026:310
Strafrecht
8,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:310 text/xml public 2026-04-02T16:22:58 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-31 24/01577 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:310 text/html public 2026-04-02T16:22:06 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:310 Parket bij de Hoge Raad , 31-03-2026 / 24/01577 Conclusie AG. Ontuchtige handelingen met iemand van wie verdachte wist dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde (art. 247 (oud) Sr). Eerste twee deelklachten houden in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Derde deelklacht bevat bewijsklacht t.a.v. verminderd bewustzijn en opzet. De AG meent dat de klachten falen. Conclusie strekt tot verwerping. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01577 Zitting 31 maart 2026 CONCLUSIE P.T.C. van Kampen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de verdachte 1 Het cassatieberoep 1.1 Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 8 april 2024 (23-000616-23) wegens “met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert ontuchtige handelingen plegen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper en S.J. van der Woude, beiden advocaat in Amsterdam , hebben een middel van cassatie voorgesteld. 2 Het middel 2.1 Het middel bevat drie deelklachten. De eerste twee deelklachten houden in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De derde deelklacht is gericht tegen de bewezenverklaring, voor zover inhoudend i) dat bij aangeefster sprake was van verminderd bewustzijn en ii) dat het opzet van de verdachte was gericht op het bestaan van dit verminderd bewustzijn. 2.2 Aan de verdachte is in hoger beroep subsidiair tenlastegelegd dat: “hij in of omstreeks de periode van 25 januari 2020 tot en met 26 januari 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten - het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] .” 2.3 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 26 januari 2020 te [plaats] , met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, te weten - het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] .” 2.4 De bewezenverklaring van dit feit steunt op de volgende bewijsmiddelen: “ 1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting hoger beroep van 25 maart 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Het klopt dat de aangeefster mij heeft afgetrokken. Ik weet niet waar mijn zaadlozing terecht kwam. Ik denk in haar handen. Het klopt dat ik ben klaargekomen. 2. Een proces-verbaal van aangifte van 6 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 15-20]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 februari 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer] : Ik ging op zaterdag 25 januari 2020 samen met een vriendin [getuige 3] uit eten en wij zijn vervolgens naar café [A] te [plaats] gegaan. Op zondag 26 januari rond 00:45 uur stond ik samen met [getuige 3] een sigaret buiten te roken, waarop ik aan haar vroeg: "Zullen wij zo naar huis gaan?" [getuige 3] vond dit ook een goed idee. Tijdens het roken kwamen wij in gesprek met [betrokkene 1] . Later sloot het nichtje van [betrokkene 1] , [getuige] ( het hof begrijpt: de [getuige] ) en een vriendin aan. Zij vroegen ons nog even te blijven. Wij zijn vervolgens naar een café gegaan, waar de naam iets met […] heeft. Ik herinner mij nog dat ik daar in het toilet was en mijzelf in de spiegel heb bekeken en het toilet uit ben gelopen en daarna weet ik niets meer. Het volgende wat ik me daarna herinnerde was dat ik op een luchtbed lag in een onbekende kamer. In de kamer zag ik [getuige] staan, die had op een bankje gelegen en [betrokkene 2] en [betrokkene 1] lagen in een bed. Ik wist niet hoe ik in die kamer terecht was gekomen en wat er was gebeurd. [getuige] vertelde mij, dat zij mij in de staat waarin ik verkeerde niet kon achterlaten in de stad. [getuige] vertelde mij dat het niet goed met mij ging, dat zij mij in de taxi had gestopt en dat ik heel raar deed. De beveiliger zou mij vervolgens hebben opgetild en hebben meegenomen. Ik herken mijzelf helemaal niet. Ik zei tegen de meiden, dat ik mij helemaal niets kon herinneren van wat zij mij vertelde. Ik zou op hem zijn gesprongen en hij zou mij hebben vastgehouden als een aapje. Ik was onder invloed. Hij had nooit aan mij mogen zitten. Hij had van mij af moeten blijven. Ik was er niet bij. Volgens de meiden was ik helemaal van het padje af. 3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 5 oktober 2021, opgemaakt door mr. [verbalisant] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam [ongenummerd]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 oktober 2021 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer] : Ja, ik heb gedronken. Ik weet dat ik in het restaurant twee rosétjes heb genomen. Verder wijn, ook in café [A] heb ik wijn gedronken. Volgens mij had ik ook nog getrakteerd op iets sterks. Ik had veel gedronken. 4. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 13 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 25-29]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 februari 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige] : Het viel mij op dat het gedrag van [slachtoffer] veranderde. Zij werd steeds wilder, drukker en luidruchtiger. [getuige 3] en ik wilde eigenlijk ook naar huis dus wij gaven dit aan [slachtoffer] aan. [slachtoffer] wilde absoluut niet gaan en begon te schreeuwen. Wij besloten om nog even te blijven. Ik wist dat [slachtoffer] niet in de buurt van [plaats] woonde dus ik maakte mij zorgen hoe zij thuis kon komen. [slachtoffer] was op dat moment niet meer toerekeningsvatbaar. Als dit dronken was, is dit wel een extreme vorm van dronken. Ze brabbelde en kon niet meer lopen. Ik kon haar op dat moment ook niet achterlaten, want zij was er echt niet goed aan toe. Ik heb toen besloten haar mee naar huis te nemen. Op het moment dat wij buiten kwamen viel zij meteen op de grond, al haar spullen vielen uit haar tas. Ze kon niet meer op haar benen staan... het werd steeds erger. Op een gegeven moment begon zij stemmingswisselingen te krijgen. Het was echt super raar. Ik heb nog nooit zoiets gezien. Zij kreeg eerste een hele harde rare lach, dan begon ze te piepen, dan was zij weer rustig en dat ging de hele tijd zo door. In de taxi begon zij weer rare geluiden te maken, te huilen, te lachen, te kreunen en dat wisselde elkaar af. Ik kreeg haar niet meer stil. De taxi heeft ons afgezet op [plaats] , maar toen moesten wij nog naar de [locatie] lopen. Toen wij bij het gebouw aankwamen waar de woning van mijn nichtje is heb ik mijn vriendin en nichtje gebeld, maar zij werden niet wakker. Ik stelde voor om naar mijn auto te lopen, maar [slachtoffer] was niet meer in staat om te lopen. Op een gegeven moment kwam er een jongen langs en die zag dat het niet goed ging. Ik heb samen met die jongen [slachtoffer] overeind gehesen, maar [slachtoffer] viel eigenlijk meteen weer op de grond. Zij stootte daarbij ook haar hoofd.
Volledig
Hij heeft [slachtoffer] samen met mij naar de receptie gedragen. Je zag aan haar toestand, dat zij niets meer kon. Bij de receptie zaten twee beveiligers, waaraan ik de situatie heb uitgelegd. Eén van de beveiligers is met ons meegelopen. Uit het hoofd denk ik 05:30 uur, dat wij in de kamer waren. Ik draai mij om en zie [slachtoffer] ineens niet meer. Ik ren de gang op en zie dat de beveiliger [slachtoffer] op een intieme manier optilt. Hij tilde haar op, waarbij haar benen om zijn lichaam waren geslagen. Ik zag dat zij giechelend wegliepen. Na een kwartier ging de deur met een harde knal open en stond [slachtoffer] ineens midden in de kamer slechts gekleed in een BH. Zij giechelde en zei: "Ik ben er weer en ik moet douchen". Zij vroeg mij haar te helpen. Ik vertel het nu misschien op een rustige manier, maar haar gedrag en toon was echt knettergek. Ik hoor dat [slachtoffer] in de douche valt. Ik ben haar gaan helpen en heb de douchekop vastgehouden, zodat zij zich kon douchen. Ik heb haar kleding van mij gegeven en heb haar in bed gelegd. Vanaf het moment dat ik haar in bed stopte ging zij niet slapen. Zij had nog steeds die stemmingswisselingen, lachen, huilen, piepen, raar praten. Zij is niet veel later in slaap gevallen. Zij werd eerst heel verward wakker. Zij vroeg aan mij: "Waar ben ik? Zit ik in een hotel? Hoe ben ik hier gekomen? Het was voor de beveiliger echt overduidelijk dat [slachtoffer] van haar padje af was. Ze kon niet eens zelfstandig lopen. Hij heeft haar geholpen met lopen. Het is een feit dat hij wist dat zij helemaal van haar padje was. 5. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 17 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 30-34]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 februari 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 3] : We gingen sushi eten om even bij te kletsen, daarna besloten wij nog een drankje te gaan doen in café [A] . Rond 02:00 uur ging het sluiten volgens mij. [slachtoffer] en ik wilden toen weggaan, maar toen wij buiten stonden wilde zij toch nog een drankje gaan doen. [slachtoffer] leek het wel naar haar zin te hebben. Ik was het op een gegeven moment zat. [slachtoffer] werd toen een beetje opstanding, zonder grenzen, daarvoor was alles nog goed. Vanaf dat moment vond ik niet dat wij nog op 1 lijn zaten. Ik zei toen tegen haar: [slachtoffer] ik ben het wel zat. Wij gaan gewoon. Ik kreeg het idee dat zij mij niet serieus nam. [slachtoffer] deed een beetje raar. Ik ga wel vaker met [slachtoffer] uit, maar dit is niet volgens de afspraak. Dit keer kende ik [slachtoffer] niet in hoe dat normaal gaat. Zij luisterde niet of zij deed of zij mij niet hoorde. Het leek of ik niet tot haar doordrong. Een beetje afwezig. Wazig zeg maar. Ik vond het heel raar en kon het niet plaatsen waardoor ik het maar zelf ging invullen. Nee ik heb haar eerder niet zo meegemaakt. 6. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 35-37]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 februari 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 2] : Ik loop stage voor de opleiding Beveiliging op het ROC en op 25 januari liep ik stage op [locatie] [plaats] . Mijn werktijden waren van 23:30 uur tot 08:00 uur. Ik liep geloof ik met [verdachte] mee en met nog iemand. Ik kan mij nog herinneren dat er rond een uur of vijf, half zes, er twee meisjes zijn binnengekomen. Zij kwamen om te vragen of wij de deur open konden maken. Zij waren redelijk aangeschoten. Ze vonden alles grappig. Eén liet haar telefoon vallen en deed er niet echt iets mee. Ze waren niet echt helder en namen niks serieus. Gewoon dronken. Zij waren alleen maar aan het lachen. Zij begrepen niet dat wij de deur niet konden open doen. Met één kon je nog wel praten, die ander was wel ver heen. [verdachte] [ het hof begrijpt: de verdachte ] is met ze meegelopen. 7. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 38-39]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Op de camerabeelden van de receptie is te zien dat aangeefster [slachtoffer] en [getuige] op zondag 26 januari 2020, te 05.35.00 uur de receptie binnenkomen. In de receptieruimte zijn dan twee beveiligingsmedewerkers aanwezig, [verdachte] is gesitueerd achter een scherm. De andere persoon die achter de balie zit blijkt een stagiaire van het beveiligingsbedrijf genaamd [getuige 2] te zijn. [getuige] is in gesprek met [verdachte] . Op de beelden is te zien dat [slachtoffer] onvast ter been is en met de voorzijde van haar lichaam tegen de rug van [getuige] leunt. [slachtoffer] waggelt om 05:38:27 uur naar een blauw bankje, die tegenover de balie staat en gaat daarop zitten. Zij buigt voorover en legt haar hoofd tussen haar bovenbenen. Zij blijft ongeveer een halve minuut in deze positie zitten en gaat vervolgens weer rechtop zitten. Om 05:40:19 uur staat zij op van het bankje en loopt onvast ter been samen met [getuige] naar de uitgang. [verdachte] is inmiddels opgestaan en loopt met beide dames de receptieruimte uit. Vlak voor [slachtoffer] de receptieruimte uitloopt gaat ze op haar hurken zitten, kennelijk om iets van de grond te pakken. Op de camerabeelden van de uitgang van de receptieruimte is te zien dat [verdachte] , [getuige] en [slachtoffer] om 05:40:44 uur het pand verlaten. [verdachte] ondersteunt [slachtoffer] , door haar bij haar linker oksel vast te houden. Op de camerabeelden van het buitenterrein van [locatie] , nabij de ingang […] pakt [verdachte] de jas van [slachtoffer] over van haar. Vervolgens pakt hij haar met zijn linkerhand bij haar rechterhand vast en trekt haar achter zich aan. Het beeld verspringt vlak voor [verdachte] , [getuige] en [slachtoffer] bij de ingang van gebouw 4 aankomen. Het lijkt of [slachtoffer] op het moment dat het beeld verspringt is gevallen. Op de beelden is te zien dat [slachtoffer] door [verdachte] wordt opgeraapt en omhoog wordt gehesen aan haar rechterhand. Op de camerabeelden van de ingang van gebouw 4 is te zien, dat [getuige] , [verdachte] en [slachtoffer] om 05:45:23 uur naar binnenlopen. [verdachte] houdt daarbij de rechterhand van [slachtoffer] vast en heeft zijn linkerhand ter hoogte van haar billen. [slachtoffer] is erg onvast ter been en moet door [verdachte] ondersteund worden om niet ten val te komen. 8. Een proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 10-12]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen) : Wij hebben de beelden vanaf 05.45 uur tot 06.05 uur veiliggesteld, dit betroffen de beelden van de lift op de eerste etage tot de nooduitgang op de begane grond. Wij hebben de volgende bijzonderheden waargenomen: - 05:45 uur, camera lift eerste etage: [getuige] , [slachtoffer] en [verdachte] komen de lift uit lopen en gaan de hal in richting perceel 4133. [slachtoffer] hield zich vast aan [verdachte] . - 05:53 uur, camera nooduitgang begane grond: [slachtoffer] en [verdachte] lopen vanaf de trap naar beneden. [verdachte] opent de deur naast hun wat een opslagruimte blijkt te zijn, zij gaan naar binnen en de deur werd gesloten. - 05:58 uur, camera nooduitgang begane grond: De deur van de opslagruimte gaat open en dicht. - 06:01 uur, camera nooduitgang begane grond: [verdachte] loopt de opslagruimte uit en doet zichtbaar zijn broek dicht. - 06:02 uur, camera nooduitgang begane grond: [verdachte] loopt de trap op, [slachtoffer] loopt met enkel haar beha aan de opslagruimte uit en achter [verdachte] aan. 9.
Volledig
Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 1 september 2020, zaaknummer 2020.02.21.002, opgemaakt door [deskundige 1] , NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, [ongenummerd]. Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: ZAADQ95GNL#01 en #02 (schaamlippen) en #06 (anus) Op basis van de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en het vergelijkend DNA- onderzoek wordt geconcludeerd dat de bemonsteringen ZAAD0956NL #01, #02 en #06 sperma bevatten dat afkomstig kan zijn van [verdachte] . Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar: Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en sperma van [verdachte] . Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en sperma van een willekeurige onbekende man. De verkregen DNA-mengprofielen ZAADO956NU01 en #06 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. 10. Een geschrift, zijnde een verkort rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 3 maart 2020, zaaknummer 2020.02.21.002, opgemaakt door [deskundige 2] , NFI- deskundige forensische toxicologie [doorgenummerde pagina’s 42-43]. Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: In het bloed [TABG1723NL] van [slachtoffer] is ethanol (alcohol) gemeten in een concentratie van 0,4 mg/ml (=promille). De snelheid waarmee ethanol (alcohol) uit het bloed wordt verwijderd ligt gemiddeld tussen 0,1 tot 0,25 mg/ml. Op basis van: de eliminatiesnelheid, een tijdsinterval van ongeveer 10 uur tussen voorval en de bloedafname, de aanname dat ten tijde van het voorval opname van ethanol uit het maagdarmkanaal in het bloed was voltooid en dat er na het voorval geen ethanol is ingenomen, is de geschatte ethanolconcentratie in het bloed van [slachtoffer] ten tijde van het voorval en dat er na het voorval ongeveer 1.4 tot 2,9 mg/ml. Dit is een geschatte concentratie waarbij, bij een gematigde gebruiker, concentratie-afhankelijke effecten kunnen optreden variërend van coördinatiestoornis, onvaste gang en onduidelijk spreken tot niet zelfstandig kunnen staan, onsamenhangende spraak, slechte spiercontrole/functie, ernstige verstoring van waarneming en beoordelingsvermogen.” 2.5 Het hof heeft aan de bewezenverklaring de volgende overwegingen gewijd: “ Feiten en omstandigheden De aangeefster is op 25 januari 2020 een avond uit geweest in [plaats] met haar vriendin [getuige 3] . Tijdens deze avond heeft zij onder andere [getuige] ontmoet. De aangeefster weet nog dat zij op enig moment gedurende de avond in een bar naar het toilet is gegaan, maar vanaf dat moment heeft zij geen herinneringen meer. Zij is de volgende dag verward wakker geworden in de kamer van de nicht van [getuige] en wist niet hoe zij daar was gekomen. Uit de verklaring van [getuige] volgt dat het gedrag van de aangeefster in de loop van de avond/nacht veranderde, ze werd drukker, wilder en luidruchtiger. [getuige 3] , die op enig moment naar huis is gegaan, heeft verklaard dat de aangeefster ‘wazig’ was en dat zij niet tot haar kon doordringen. [getuige] maakte zich zorgen over de aangeefster, zij was inmiddels in haar beleving ‘niet meer toerekeningsvatbaar’. [getuige] heeft verklaard dat als aangeefster dronken was, dit wel een extreme vorm daarvan was: ze vertoonde vreemd gedrag, was aan het brabbelen, viel op de grond en kon niet meer op haar benen staan. Hierop heeft [getuige] besloten haar mee te nemen naar de [locatie] te [plaats] , waar zij bij haar nicht zou logeren. Achter de balie van de receptie van de [locatie] zaten twee beveiligers. Een van de beveiligers (naar later blijkt de verdachte) heeft [getuige] en de aangeefster begeleid naar de kamer van de nicht van [getuige] en heeft de aangeefster ondersteund met lopen, omdat zij dit volgens [getuige] zelf niet meer kon. Eenmaal aangekomen bij de kamer van de nicht van [getuige] zag [getuige] dat de beveiliger de aangeefster op een intieme manier optilde en met haar wegliep. Ongeveer een kwartier later stond de aangeefster ineens in de kamer, slechts gekleed in haar BH. Haar gedrag was volgens [getuige] nog steeds ‘knettergek’. Uit de (beschrijving van de) camerabeelden volgt dat de aangeefster en [getuige] op 26 januari 2020 om 05.35 uur aankomen bij de receptie van de [locatie] . Op dat moment zitten de verdachte en zijn collega, de [getuige 2] , achter de balie. Terwijl [getuige] bij de balie staat en in gesprek is met de verdachte, is te zien dat de aangeefster onvast ter been is. Zij leunt op een gegeven moment met haar lichaam tegen de rug van [getuige] aan, waarna zij naar het bankje in de ruimte ‘waggelt’ en haar hoofd tussen haar benen laat zakken. De [getuige 2] heeft over dit moment verklaard dat je met het ene meisje nog wel kon praten, maar dat de ander ‘ver heen’ was. Uit de beelden volgt verder dat de aangeefster opstaat en onvast ter been samen met [getuige] richting de uitgang loopt. De verdachte is achter de balie vandaan gekomen en loopt met hen mee. Terwijl zij over het terrein van de [locatie] lopen, ondersteunt de verdachte de aangeefster met lopen. Op enig moment is ook te zien dat de aangeefster omhoog wordt gehesen door de verdachte, kennelijk omdat zij door haar benen is gezakt. Verder blijkt uit de beelden dat de aangeefster en de verdachte om 05.53 uur samen een ruimte binnengaan. Om 06.01 uur komt de verdachte naar buiten terwijl hij zijn broek dichtmaakt. De aangeefster komt vervolgens gekleed in slechts haar BH de ruimte uit en loopt uit beeld. Uit het rapport van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) van 1 september 2020 is gebleken dat er sporen van DNA van de verdachte zijn aangetroffen in de vagina en anus van de aangeefster. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat de aangeefster hem in het opslaghok heeft afgetrokken, dat hij vervolgens is klaargekomen op haar handen en dat zij zichzelf daarna heeft gevingerd. Uit het toxicologisch onderzoek is tot slot gebleken dat de aangeefster op 26 april 2020 nog 0,4 mg/ml (promille) alcohol in haar bloed had. De schatting is dat de ethanolconcentratie in het bloed van de aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde ongeveer 1,4 tot 2,9 mg/ml was. Oordeel van het hof Vrijspraak van het primair tenlastegelegde (binnendringen lichaam) (…) Staat van verminderd bewustzijn Het hof acht wel bewezen dat de verdachte zich door de aangeefster heeft laten aftrekken. De vraag is of de aangeefster op het moment van deze seksuele handeling verkeerde in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht en of de verdachte daarvan wist. Van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht is niet gebleken. Ten aanzien van verminderd bewustzijn ligt dit echter anders. Daarbij gaat het aldus de wetsgeschiedenis om een situatie tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht weerstand te bieden aan seksuele verlangens van een ander. Daarbij kan men ook denken aan situaties waarin de persoon zich als gevolg van het innemen van alcohol en/of drugs in een roes bevindt. Uit de verklaring van de aangeefster, het toxicologisch onderzoek, de getuigenverklaringen van [getuige] , [getuige 3] en [getuige 2] en de camerabeelden, zoals hierboven uiteengezet, kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat de aangeefster in de avond/nacht van 25 op 26 april flink onder invloed was. Zo was zij onvast ter been, aan het brabbelen, gedroeg ze zich vreemd en moest ze steeds door verschillende personen, onder wie de verdachte, ondersteund worden bij het lopen. Het hof trekt hieruit de conclusie dat de aangeefster voorafgaand en tijdens de seksuele handeling met de verdachte in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dat de verdachte dit wist. Daarvoor verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is vastgesteld over de wijze waarop de aangeefster zich gedroeg nadat zij zich bij de receptie meldde.
Volledig
Dat de verdachte de aangeefster moest ondersteunen met lopen omdat zij enkel pijn had aan haar voeten, acht het hof, gelet op de getuigenverklaringen in het dossier waaruit volgt dat zij niet meer zelfstandig kon lopen en de verdere beschrijvingen van haar gedrag, niet geloofwaardig. Het verweer dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de staat van de aangeefster, wordt dan ook verworpen. Ontuchtig karakter Naar het oordeel van het hof is het zich laten aftrekken door de aangeefster onder de gegeven omstandigheden evident ontuchtig geweest. De verdachte was op dat moment als beveiliger in functie en verantwoordelijk voor het welzijn van onder andere de aangeefster, die hij in het kader van zijn werkzaamheden naar haar slaapplaats zou begeleiden. Hij had in zijn positie nooit mogen toegeven aan de verleiding om de aangeefster - na aankomst op die slaapplaats - daar weer vandaan mee te nemen, zich met haar af te zonderen in een afgesloten ruimte en zich in een seksueel geladen context met haar te begeven, waarin de verweten handeling vervolgens plaatsvond. Door zijn handelen heeft de verdachte het recht op seksuele zelfbeschikking van de aangeefster geschonden. Dat aangeefster mogelijk ook zelf avances zou hebben gemaakt, doet daaraan niet af.” 3 De eerste twee deelklachten 3.1 De eerste twee deelklachten houden in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. 3.2 In de toelichting op het middel wordt allereerst aangevoerd dat het hof van een te ruime uitleg van het in de tenlastelegging opgenomen begrip “verminderd bewustzijn” is uitgegaan, nu niet alleen is bewezenverklaard dat aangeefster “in staat van verminderd bewustzijn verkeerde”, maar ook dat zij “niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden”. Kennelijk is het hof, aldus de eerste deelklacht, de (rechtens onjuiste) opvatting toegedaan dat de toestand van verminderd bewustzijn door bijvoorbeeld alcoholgebruik ook gevallen omvat waarin de betrokkene wel in staat is om de wil te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden. Daarnaast wordt aangevoerd dat het hof het oordeel dat de aangeefster in een verminderde bewustzijnstoestand verkeerde ten onrechte heeft gebaseerd op het enkele feit dat zij (erg) dronken was. 3.3 De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 247 (oud) Sr. Deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde als volgt: “Hij die met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijk onmacht verkeert, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden of met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelde tot het plegen of dulden van zodanige handelingen buiten echt met een derde verleidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.” 3.4 Bij wet van 13 juli 2002 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Gemeentewet (partiële wijziging zedelijkheidswetgeving) is in de artikelen 243 en 247 (oud) Sr seksueel misbruik van iemand die zich bevindt in een verminderde bewustzijnstoestand strafbaar gesteld. 3.5 Uit de wetsgeschiedenis valt op te maken dat de wetgever met het bestanddeel “verminderd bewustzijn” het oog heeft gehad op situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan seksuele verlangens van een ander. De wetgever heeft daarbij onder meer gedacht aan een roes ten gevolge van het innemen van alcohol of drugs. In zo’n toestand kan een persoon in onvoldoende mate zijn of haar wil bepalen en kenbaar maken ten aanzien instemming of afwijzing van seks met een ander. 3.6 Ik merk op dat het voor de bewezenverklaring van het bestanddeel “in staat van verminderd bewustzijn verkeren” niet nodig is dat de rechter ook vaststelt dat die toestand tot gevolg heeft gehad dat de betreffende persoon het onvermogen had om de wil te bepalen of kenbaar te maken met betrekking tot de seksuele handelingen. Die beperking is enkel in de wet opgenomen om bescherming te bieden aan mensen met een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap dat zij ten gevolge daarvan niet of onvolkomen in staat zijn hun wil te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden tegen seksuele handelingen. 3.7 In de onderhavige zaak heeft het hof niet alleen bewezenverklaard dat aangeefster in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, maar tevens dat zij niet of onvolkomen in staat was om met betrekking tot de ontuchtige handeling haar wil te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Gelet op het voorgaande was dat niet nodig. Het gaat hier immers om ontucht met iemand die in staat van verminderd bewustzijn verkeerde en niet om iemand met een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Uit de onder 3.5 aangehaalde wetsgeschiedenis blijkt bovendien dat de staat van verminderd bewustzijn op zichzelf al met zich brengt dat iemand onvoldoende in staat is om zijn wil te bepalen of kenbaar te maken ten aanzien van de seksuele handeling of daartegen weerstand te bieden. In zoverre hebben de stellers van het middel een punt. 3.8 Anders dan de stellers van het middel in de eerste deelklacht aanvoeren, maakt een en ander evenwel niet dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Het hof heeft - ook blijkens de bewijsoverwegingen van het hof – niet een onjuiste betekenis toegekend aan een onderdeel van de tenlastelegging. Het feit dat is bewezenverklaard betreft (ook) geen ander feit dan hetgeen ten laste is gelegd. Van grondslagverlating is daarom geen sprake. 3.9 De tweede deelklacht is voor meerderlei uitleg vatbaar. Voor zover de tweede deelklacht is gebaseerd op de premisse dat voor het ten laste gelegde naast verminderd bewustzijn ook sprake dient te zijn van een situatie waarin de betrokkene niet in staat is om de wil te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden, faalt het. Uit de onder randnummer 3.6 aangehaalde jurisprudentie blijkt immers dat niet nodig is dat de rechter ook vaststelt dat de toestand van verminderd bewustzijn tot gevolg heeft gehad dat de betreffende persoon het onvermogen had om de wil te bepalen of kenbaar te maken met betrekking tot de seksuele handelingen. 3.10 Voor zover de tweede deelklacht inhoudt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door aan de bewezenverklaring van het bestanddeel “in staat van verminderd bewustzijn verkeren” slechts ten grondslag te leggen dat de aangeefster (erg) dronken was, faalt de klacht evenzeer. Uit de onder randnummer 3.5 aangehaalde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met dit bestanddeel (mede) het oog heeft gehad op de situatie waarin iemand zich in een roes bevindt ten gevolge van het innemen van alcohol. 3.11 De eerste twee deelklachten falen. 4 De derde deelklacht 4.1 De derde deelklacht is gericht tegen de bewezenverklaring, voor zover inhoudend i) dat bij aangeefster sprake was van verminderd bewustzijn en ii) dat het opzet van de verdachte was gericht op dit verminderd bewustzijn. 4.2 Het hof heeft vastgesteld dat de aangeefster in de avond/nacht van 25 op 26 april flink onder invloed was nadat zij was uitgegaan in [plaats] . [getuige 3] heeft verklaard dat zij die avond “wazig” was en niet tot haar kon doordringen. [getuige] heeft verklaard dat zij zich zorgen maakte om aangeefster en dat zij vreemd gedrag vertoonde, aan het brabbelen was, op de grond viel en niet meer op haar benen kon staan. Bij aankomst op de [locatie] was aangeefster “onvast ter been” en “waggelt” zij naar een bankje waar ze haar hoofd tussen haar benen liet zakken.