Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-27
ECLI:NL:PHR:2026:305
Civiel recht; Personen- en familierecht
1,982 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:PHR:2026:305 text/xml public 2026-04-02T08:00:14 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-27 25/02737 Conclusie NL Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:305 text/html public 2026-03-31T13:43:14 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:305 Parket bij de Hoge Raad , 27-03-2026 / 25/02737 Wvggz. Zorgmachtiging. Duur vervolgmachtiging. Beslistermijn van drie weken (art. 6:2 lid 1, onder e, en art. 6:6 lid 2 Wvggz). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02737 Zitting 27 maart 2026 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van [betrokkene] , verzoeker tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: mr. G.E.M. Later, tegen De Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Gelderland, verweerder in cassatie, hierna: de officier van justitie, niet verschenen. 1 Inleiding en samenvatting 1.1 In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank na een referteverklaring van betrokkene een aanvullende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank heeft beslist na het verlopen van de wettelijke beslistermijn van drie weken, zodat zij geen aansluitende zorgmachtiging kon verlenen voor de duur van twaalf maanden, maar slechts voor de duur van zes maanden. 1.2 Naar mijn mening slaagt het cassatieberoep. De kwestie van het overschrijden van de wettelijke beslistermijn (na referteverklaring van betrokkene) is meermaals in cassatie aan de orde geweest. Ik meen dat de Hoge Raad ook deze zaak zelf kan afdoen door te bepalen dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden. 2. Feiten en procesverloop 2.1 Op 25 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank ) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 25 augustus 2025. 2.2 Bij verzoekschrift, binnengekomen op 4 juli 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij het verzoekschrift zijn diverse bijlagen gevoegd, waaronder de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. 2.3 Op 14 juli 2025 heeft de rechtbank een e-mailbericht van de advocaat van betrokkene ontvangen met een referteverklaring en een verzoek om de zaak schriftelijk af te doen. 2.4 Bij e-mailbericht van 15 juli 2025 heeft de rechtbank de advocaat van betrokkene bericht akkoord te zijn met de referteverklaring. 2.5 De rechtbank heeft afgezien van een mondelinge behandeling en bij beschikking van 31 juli 2025 ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor diverse vormen van zorg voor de duur van twaalf maanden, geldig tot en met 31 juli 2026 (hierna: de bestreden beschikking). 2.6 Namens betrokkene is op 10 augustus 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bevat één onderdeel, dat zich richt tegen de beslissing van de rechtbank over de duur van de verleende machtiging. Volgens het onderdeel is het onbegrijpelijk dat de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twaalf maanden, nu de rechtbank de wettelijke beslistermijn heeft overschreden en om die reden slechts een zorgmachtiging had mogen verlenen voor de duur van zes maanden. 3.2 Het onderdeel wordt nader toegelicht onder 1.1 t/m 1.4 van de procesinleiding. Omdat de rechtbank niet binnen drie weken na ontvangst van het verzoek van de officier van justitie heeft beslist, was de bestaande zorgmachtiging vervallen en kon daarom geen vervolgmachtiging worden verleend voor de duur van twaalf maanden (1.1). Nu de rechtbank op 31 juli 2025 op het verzoek van 4 juli 2025 heeft beslist, was de bestaande machtiging al verlopen (1.2). De rechtbank kon enkel nog een zorgmachtiging verlenen voor de duur van zes maanden (1.3). De Hoge Raad heeft eerder beslist in een zaak van betrokkene waarin de rechtbank eveneens de wettelijke beslistermijn had overschreden. Die zaak is door de Hoge Raad zelf afgedaan door te bepalen dat de betreffende zorgmachtiging slechts kon worden verleend voor maximaal zes maanden, hetgeen in de onderhavige zaak ook dient te gebeuren (1.4). 3.3 Ik stel het volgende voorop. 3.4 Artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Een zorgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging verleend voor zes maanden kan door de rechter worden verleend voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz). 3.5 Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging, in afwijking van artikel 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz, van rechtswege als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend. 3.6 Ook na het verstrijken van de beslistermijn van artikel 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz kan de rechter nog beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan echter slechts op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. Van een aansluitende zorgmachtiging is dan immers geen sprake omdat de voorgaande machtiging dan al is vervallen. 3.7 Uit het voorgaande volgt dat het onderdeel gegrond is. In dit geval was de lopende zorgmachtiging verleend voor de duur van maximaal zes maanden, tot en met uiterlijk 25 augustus 2025. De officier van justitie heeft op 4 juli 2025, dus (ruim) vóórdat de geldigheidsduur van de lopende zorgmachtiging zou verstrijken, een verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend. De advocaat van betrokkene heeft de rechtbank per e-mailbericht laten weten dat betrokkene zich refereerde aan het oordeel van de rechtbank, welk bericht de rechtbank heeft ontvangen vóór het verlopen van de termijn waarbinnen zij moest beslissen op het verzoek. Die termijn bedroeg uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). De rechtbank moest dus uiterlijk op 25 juli 2025 op het verzoek beslissen. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Het gevolg daarvan is dat de lopende machtiging van rechtswege is geëindigd op de dag na de laatste dag waarop de rechtbank haar beslissing had moeten geven, dus op 26 juli 2025 (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). 3.8 Gelet op het vorenstaande voert het onderdeel terecht aan dat de op 31 juli 2025 verleende zorgmachtiging niet aansluit op een eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden, maar voor maximaal zes maanden. 3.9 De bestreden beschikking dient dan ook vernietigd te worden voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging zal worden verleend voor de duur van twaalf maanden. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen, zoals eerder in soortgelijke zaken ook is gedaan, door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot maximaal zes maanden, dus tot en met uiterlijk 31 januari 2026.