Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:PHR:2026:302
Strafrecht
4,065 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:302 text/xml public 2026-03-25T14:10:26 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 24/00357 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:302 text/html public 2026-03-25T14:07:38 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:302 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/00357 - PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00357 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte. Inleiding 1. Bij arrest van 2 februari 2024 (parketnummer 21-001781-22) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, de verdachte in de zaak met parketnummer 05-123625-21 wegens “ handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie ”, in de zaak met parketnummer 05-303824-21 wegens “ opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen ”, in de zaak met parketnummer 05-135621-20 wegens “ diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking ”, in de zaak met parketnummer 05-266858-20 wegens 1. “ poging tot zware mishandeling” , 2. “ handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie ”, 3. “ bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ”, 4. “ verduistering” en 5. “ diefstal” , en in de zaak met parketnummer 05-325984-21 wegens “ handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd ” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest. In de zaak met parketnummer 05-303111-20 heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Daarnaast heeft het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf afgewezen. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.D. van Elst, advocaat in Veenendaal, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel houdt in dat de bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling (feit 1 in de zaak met parketnummer 05-266858-20) ontoereikend is gemotiveerd, omdat het voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Voordat ik overga tot een nadere toelichting op en een bespreking van het middel, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsconstructie van het hof weer. De bewezenverklaring en de bewijsconstructie van het hof 4. Ten laste van de verdachte is, voor zover van belang, bewezen verklaard dat: “ hij, op 24 oktober 2020 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte als bestuurder van een bestelbus meermaals opzettelijk gas gegeven terwijl die [verbalisant 2] en die [verbalisant 1] zich (steeds) op een zeer korte afstand voor en/of naast de auto van verdachte bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid ” 5. Het hof heeft de bewezenverklaring met gebruikmaking van de Promis-werkwijze als volgt gemotiveerd: “ Bewijsmiddelen Op 24 oktober 2020 reed verbalisant [verbalisant 1] samen met collega [verbalisant 2] gekleed in politie-uniform, in een opvallend politiedienstvoertuig. Zij volgden een bestelbusje en [verbalisant 2] zette het dienstvoertuig op de rechter weghelft recht voor het bestelbusje stil. Zij zagen vervolgens dat het bestelbusje frontaal op hun weghelft op hen afreed. Zij zagen dat het voertuig op twee meter afstand voor hen stopte en dat de bestuurder hen aankeek. Zij hoorden dat de bestuurder gas gaf en vanuit zijn oogpunt links om hen heen probeerde te sturen en het trottoir op reed langs hun weghelft. [verbalisant 2] heeft vervolgens naar rechts ingestuurd om de ruimte kleiner te maken tussen hun voertuig en de lantaarnpaal op het trottoir, waar het bestelbusje tussendoor wilde rijden. Zij zagen en hoorden dat er een aanrijding tussen hun beiden ontstond. Zij zagen dat de rechter voorzijde van het dienstvoertuig klem stond tegen de rechterzijde van de bestelauto. Zij hoorden de bestuurder van het bestelbusje flink gas geven en hoorden schaafgeluiden afkomstig van waar de voertuigen tegen elkaar stonden. [verbalisant 1] was vrijwel op hetzelfde moment als zijn collega [verbalisant 2] uitgestapt, maar kon het portier niet volledig openen, omdat hun voertuig deels tegen de rechterzijde van het bestelbusje stond. Toen hij was uitgestapt stond, [verbalisant 1] klem tussen het dienstvoertuig en het bestelbusje. Hij hoorde op dat moment de motor van het bestelbusje hoge toeren maken. Hij zag dat het bestelbusje schokkend heen en weer bewoog. Hij bedacht zich dat hij klem zou komen te zitten tussen de voertuigen als de bestuurder weg zou rijden. Hij rende achterwaarts en stond deels voor de bestelwagen. De motor van het bestelbusje liep nog steeds hoog in de toeren alsof er gas werd gegeven. Op het moment dat hij voor het bestelbusje langs rende achter [verbalisant 2] aan, zag hij dat de motorkap van het bestelbusje omhoogkwam alsof deze wilde optrekken en hoorde hij nog steeds de motor hoge toeren maken. Hij dacht op dat moment dat hij zo snel mogelijk voor het bestelbusje weg moest zijn. Dit omdat hij het idee had dat de bestuurder nog weg wilde rijden en daarbij mogelijk hem of zijn collega hierbij zou gaan raken. Hij was bang dat de bestuurder over hem of collega [verbalisant 2] heen zou rijden. Hij hoorde dat het gas geven onverminderd doorging. [verbalisant 2] sloeg de bestuurder in de boeien en [verbalisant 1] zag dat de persoon verdachte betrof. Zij zagen dat de Fiat Doblo van verdachte de lantaarnpaal niet had geraakt. Er was tussen de Fiat Doblo en de lantaarnpaal nog ruimte. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij zag en voelde dat hij in botsing kwam met het bestelbusje en dat deze tot stilstand kwam omdat deze tegen het dienstvoertuig aan zat. Hij heeft toen direct zijn portier opengegooid en is uit hun voertuig gerend. Hij is achter hun voertuig langs gerend om naar het bestuurdersportier van het bestelbusje te gaan. Hij hoorde op dat moment dat de motor van het bestelbusje hoog in de toeren liep alsof er gas werd gegeven. Op het moment dat hij voor het bestelbusje langs rende zag hij dat de motorkap van het bestelbusje omhoogkwam alsof deze wilde optrekken en hoorde hij nog steeds de motor hoge toeren maken. Hij hoorde schaafgeluiden van het plaatwerk van het bestelbusje welke langs het dienstvoertuig schuurde. Hij dacht op dat moment dat hij zo snel mogelijk voor het bestelbusje weg moest zijn. Dit omdat hij het idee had dat de bestuurder nog weg wilde rijden en daarbij mogelijk hem of zijn collega zou gaan raken. Hij was bang dat dit ook daadwerkelijk zou gaan gebeuren en is zo snel mogelijk voor het bestelbusje weggerend. Hij zag dat zijn collega [verbalisant 1] op dat moment ook was uitgestapt en nog klem tussen het voertuig en het bestelbusje zat. Hij zag dat [verbalisant 1] voor het busje stond en hij zag dat de motorkap van het busje wederom omhoogkwam en hij hoorde de motor toeren maken. Als het busje op dat moment vooruit was gereden, dan was zijn collega [verbalisant 1] sowieso geschept en geraakt door dit busje. In het proces-verbaal van aanhouding heeft [verbalisant 2] nog verklaard dat hij nadat hij de motorkap omhoog zag komen, is doorgerend naar het bestuurdersportier en riep naar de man dat hij moest stoppen met gasgeven. De man gaf daar geen gehoor aan en de motor bleef hoge toeren maken. [verbalisant 2] had het idee dat de man probeerde te ontkomen. Beide verbalisanten hebben geconstateerd dat het rechtervoorwiel van de politieauto klem zat in de rechterzijkant van de Fiat Doblo en dat de wielen van de Fiat Doblo iets naar rechts waren ingestuurd. Zij hebben geconcludeerd dat zij geluk hadden gehad. Het had veel ernstiger kunnen aflopen als de Fiat Doblo was los geschoten van hun voertuig.
Volledig
Dan waren zij overreden en was het leed niet te overzien. ” 6. Verder bevat het bestreden arrest de volgende bewijsoverwegingen: “Oordeel van het hof op grond van bovenstaande bewijsmiddelen Dat verdachte daadwerkelijk het plan had opgevat om de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (kwaad opzet) blijkt niet uit de bewijsmiddelen, zodat het hof moet beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan een aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het —behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Verdachte heeft verklaard dat hij werd klemgereden en dat hij werd aangereden. Automatisch ging zijn voet op het gas. Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte gas bleef geven, met zijn motorkap omhoog kwam en met zijn Fiat probeerde te ontsnappen, terwijl de verbalisanten zich in de onmiddellijke nabijheid buiten hun eigen voertuig voor en naast de Fiat bevonden. De Fiat stond op dat moment “klem” tegen de auto van de verbalisanten aan. Als het de verdachte was gelukt om de Fiat in beweging te krijgen in de richting van die verbalisanten, was – gelet op de korte afstand tussen de auto en de verbalisanten – de Fiat onmiskenbaar tegen de verbalisanten aangereden. Uit algemene ervaringsregels volgt dat als de verdachte op dergelijke wijze, met een auto van groot formaat abrupt vooruitschiet terwijl er zich mensen voor en in de directe omgeving van die auto bevinden, er een aanmerkelijke kans bestaat dat er een aanrijding/botsing ontstaat waarbij de mensen door de impact van een botsing letsel in de vorm van (meerdere) botbreuken of hoofdletsel hadden kunnen oplopen. Aangezien verdachte zodanig gas is blijven geven dat een hoog toerental hoorbaar was en de motorkap omhoog kwam terwijl verbalisanten zich voor de neus van de Fiat bevonden, is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Achteraf is weliswaar geconstateerd dat de Fiat 'vaststond’ in de zijkant van de politieauto, maar uit de omstandigheid dat verdachte bleef proberen om weg te komen door veel gas te blijven geven leidt het hof af dat verdachte daar geen rekening mee heeft gehouden. Verdachte heeft aldus de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Het zwaar lichamelijk letsel heeft zich gelukkig niet verwezenlijkt en het hof is daarom van oordeel dat er sprake is van een poging tot zware mishandeling van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .” Het middel en de toelichting erop 7. Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsvoering niet volgen dat het handelen van de verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat de politieagenten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Daartoe voert hij aan dat het hof weliswaar heeft vastgesteld dat een aanmerkelijke kans bestond dat, indien de bestelbus van de verdachte vooruit zou schieten, een botsing met de agenten zou ontstaan waarbij zij zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen, maar niet dat de kans aanmerkelijk was dat de bestelbus vooruit zou schieten. Dat laatste zou ook niet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid, nu daaruit zou blijken dat de bestelbus “ vast stond” tegen de zijkant van de politieauto aan. Daardoor was de kans dat de bestelbus vooruit zou schieten nihil, aldus de steller van het middel. Algemene beschouwingen over voorwaardelijk opzet en de aanmerkelijke kans op het gevolg 8. Bij de bespreking van het middel moet blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden vooropgesteld dat voorwaardelijk opzet op een strafrechtelijk relevant gevolg aanwezig is wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg moet aldus aan drie vereisten zijn voldaan: (1) de ten laste gelegde gedraging heeft een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven geroepen (het kanselement); (2) de verdachte heeft ten tijde van de gedraging wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg door zijn gedraging zal intreden. Met andere woorden, de verdachte is zich van die aanmerkelijke kans bewust geweest (het kenniselement); (3) de verdachte heeft die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging aanvaard, c.q. op de koop toe genomen (het wilselement). 9. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept – het kanselement van voorwaardelijk opzet – is volgens de Hoge Raad afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er bestaat geen grond om de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Dat betreft met andere woorden: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het geen algemene regels kan geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn. De bespreking van het middel 10. In de bewijsmotivering van het hof ligt besloten dat: - de bestelbus van de verdachte met de rechterzijde tegen de rechtervoorzijde van de politieauto aan stond; - beide agenten uit de politieauto zijn gestapt; - de verdachte op het moment dat beide agenten zich vlak naast en voor de bestelbus bevonden zodanig gas heeft gegeven dan wel is blijven geven dat een hoog toerental hoorbaar was, de motorkap omhoog kwam en schaafgeluiden werden veroorzaakt door het langs de politieauto schurende plaatwerk van de bestelbus; - de wielen van de bestelbus iets naar rechts waren ingestuurd; - de bestelbus groter en krachtiger is dan de politieauto en - de bestelbus niet vooruit is gekomen, omdat de rechterzijkant klem zat in het rechtervoorwiel van de politieauto. 11. Wat het kanselement betreft heeft het hof zich in de bewijsoverwegingen geconcentreerd op de vraag of de gedragingen van de verdachte een aanmerkelijke kans in het leven hebben geroepen dat de agenten zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen, indien het was gelukt de bestelbus in beweging te krijgen vanuit de positie van stilstand tegen de politieauto aan. Dat roept bij mij wel enige aarzelingen op.