Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:PHR:2026:295
Strafrecht
24,070 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:295 text/xml public 2026-03-27T14:22:11 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 25/00542 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:295 text/html public 2026-03-27T14:21:22 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:295 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 25/00542 Conclusie AG in de megazaak Eris (liquidaties en voorbereidingen van liquidaties). Middelen over o.m. de rechtmatigheid van de deal met de kroongetuige en over de enkele ambtshalve constatering door het hof van vormverzuimen die verband houden met de Landeck- en Prokuratuur-problematiek. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81.1 RO. Tussen 25/00523, 25/00524, 25/00537, 25/00542, 25/00579, 25/00658, 25/00659, 25/00667, 25/00688, 25/00689 en 25/00690 bestaat samenhang. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00542 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 12 februari 2025 (parketnr. 21-003036-22) wegens: - Ten aanzien van het [deelonderzoek 3] (16-659076-19) Feit 1, subsidiair: “ openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen ” Feit 2: “ medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II ” en “ medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie ” - Ten aanzien van het [deelonderzoek 1] (16-659018-20) “ medeplegen van moord ” - Ten aanzien van het [deelonderzoek 2] (16-659005-21) “ voorbereiding van moord ” - Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659044-20) “ deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven ” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 jaren en één maand. Daarnaast heeft het hof, niet voor dit cassatieberoep relevante beslissingen genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00523, 25/00537, 25/00524, 25/00579, 25/00690, 25/00689, 25/00688, 25/00667, 25/00659 en 25/00658. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.Y. Taekema, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft acht middelen van cassatie voorgesteld. De zaak 4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de hoofdverdachte (oprichter en leider van de [motorclub] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen. 5. De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde: (1). het oordeel over de relatieve bevoegdheid van de rechtbank en het gerechtshof; (2). de bewezenverklaring van moord in [deelonderzoek 1] ; (3). de bewijsconstructie ten aanzien van de bewezenverklaring van medeplegen van moord in [deelonderzoek 1] ; (4). de bewezenverklaring van openlijke geweldpleging in [deelonderzoek 3] ; (5). de verwerping van een 359a-verweer met betrekking tot de inzet van de kroongetuige; (6). de bewezenverklaring van voorbereiding van moord in [deelonderzoek 2] ; (7). (geen) sanctionering van een vormverzuim op basis van ‘Prokuratuur’; (8). de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie. Het eerste middel 6. Met het eerste middel wordt de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland en die van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter discussie gesteld. 7. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang en met onderstrepingen mijnerzijds, het volgende in: “ 5.1. De bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank Midden-Nederland onbevoegd was om kennis te nemen van de feiten van de deelonderzoeken [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] . Volgens de raadsman is uitsluitend de rechtbank waarbij de vervolging het eerst is ingesteld bevoegd. Voor de feiten van de deelonderzoeken [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] zijn dat respectievelijk de rechtbank [plaats] en de rechtbank [plaats] . De advocatengeneraal hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank MiddenNederland zich vanwege de samenhang met de andere ten laste gelegde feiten van het onderzoek Eris terecht en op goede gronden ten aanzien van de feiten van de deelonderzoeken [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] bevoegd heeft geacht. Artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt: 1. Bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit brengt de bevoegdheid ten aanzien van één der als daders of medeplichtigen aansprakelijke personen de bevoegdheid mede ten aanzien van de andere. 2. In geval van gelijktijdige vervolging bij onderscheidene bevoegde rechtbanken blijft uitsluitend bevoegd de rechter voor wien de als daders aansprakelijke personen worden vervolgd. Worden zoodanige personen niet voor hetzelfde gerecht vervolgd, dan blijft uitsluitend bevoegd de rechter bij wien de vervolging tegen één hunner het eerst is aangevangen. 3. Indien door meer dan één persoon, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig verband tot elkaar staan, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, worden deze feiten voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel geacht in deelneming te zijn begaan. Met artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt bewerkstelligd dat de zaken tegen medeverdachten door dezelfde rechter worden behandeld. Een dergelijke concentratie dient niet alleen de proces economie maar is ook van belang voor een evenwichtige beoordeling van de feiten en een straftoemeting die daarop zoveel mogelijk is afgestemd (Kamerstukken II 1982/83, 17 744, nr. 4, p. 2). Daarom is in de situatie als bedoeld in de tweede volzin van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend de rechter bevoegd bij wie de vervolging tegen een van de mededaders het eerst is aangevangen. Onder de mededader tegen wie de vervolging het eerst is aangevangen, moet in de context van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering worden verstaan de mededader tegen wie het eerst een dagvaarding is uitgebracht om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen (zie HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:75, rov. 2.5.2). Een redelijke uitleg van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering brengt mee dat in een geval waarin de verdachte als deelnemer aan hetzelfde strafbare feit door zijn dagvaarding daarvoor gelijktijdig met zijn medeverdachten voor dezelfde bevoegde rechtbank wordt vervolgd en geen van de andere deelnemers met betrekking tot dit feit elders is gedagvaard, aan de bevoegdheid van dat gerecht niet in de weg staat dat de verdachte eerder door de indiening van een vordering bewaring voor een ander gerecht is vervolgd (zie HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3095, rov. 3.5).
Volledig
Naar het oordeel van het hof staat aan de bevoegdheid van de bedoelde bevoegde rechtbank ook niet in de weg dat, gelet op de ratio van het voorschrift van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, de verdachte voor een ander gerecht is vervolgd door het uitbrengen van een dagvaarding om te verschijnen op een pro formazitting en dat die dagvaarding vóór het uitbrengen van de dagvaarding om gelijktijdig met de medeverdachten voor dezelfde bevoegde rechtbank te verschijnen weer is ingetrokken. De vraag of de rechtbank MiddenNederland in de zaak van [verdachte] relatief bevoegd was ter zake van de feiten van de deelonderzoeken [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] , dient te worden beantwoord naar het moment waarop het rechtsgeding tegen hem is aangevangen. Dat is het moment waarop de dagvaarding tegen [verdachte] als een van de verdachten van het onderzoek Eris om ter terechtzitting van de rechtbank MiddenNederland te verschijnen is uitgebracht. Met toepassing van artikel 6, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering was de rechtbank MiddenNederland bij aanvang van het rechtsgeding bevoegd om van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten kennis te nemen. Van belang hierbij is het verband tussen die feiten en de feiten die zijn ten laste gelegd aan de andere verdachten van het onderzoek Eris, die net zoals [verdachte] zijn (en worden) vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie. Deze criminele organisatie zou het plegen van liquidaties, het voorbereiden van liquidaties en verboden wapenbezit tot doel hebben. Drie medeverdachten van het onderzoek Eris worden naast de verdachte vervolgd voor hun mogelijke betrokkenheid bij het feit uit [deelonderzoek 1] . In zowel [deelonderzoek 1] als [deelonderzoek 2] gaat het bovendien om een (voorgenomen) liquidatie die zou zijn gepleegd in het kader van de criminele organisatie die in Eris centraal staat. De verschillende aan [verdachte] en de medeverdachten van Eris ten laste gelegde feiten, waaronder de feiten van [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] , staan daarmee naar het oordeel van het hof in zodanig verband tot elkaar, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht. Bij aanvang van het rechtsgeding was er geen sprake van gelijktijdige vervolging voor verschillende rechtbanken: de dagvaarding in de zaak van [deelonderzoek 2] om te verschijnen op een pro formazitting bij de rechtbank [plaats] was door de officier van justitie ingetrokken. Bij de rechtbank MiddenNederland was op dat moment de vervolging tegen een of meer van de als daders van de liquidatie van [slachtoffer 1] op 7 juli 2017 in [plaats] ( [deelonderzoek 4] ) aansprakelijke personen al aangevangen. Dat [verdachte] met betrekking tot de feiten van [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] eerder is vervolgd voor een andere rechtbank door het vorderen van een bevel voorlopige hechtenis en dat hij met betrekking tot de tenlastelegging die in [deelonderzoek 2] centraal staat eerder is vervolgd door het uitbrengen van een (daarna weer ingetrokken) dagvaarding om te verschijnen op een pro formazitting, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de rechtbank MiddenNederland. Artikel 6, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft niet voor dat alle medeverdachten moeten worden vervolgd bij de rechtbank waarbij het eerst een vervolging tegen één van hen is ingesteld. De vraag waar de vervolging het eerst is aangevangen speelt pas als de rechtbank vaststelt dat er sprake is van gelijktijdige vervolging voor verschillende bevoegde rechtbanken op het moment waarop de rechtbank over haar bevoegdheid oordeelt en van gelijktijdige vervolging was in dit geval op dat moment, zoals gezegd, geen sprake. De verdediging heeft gesteld dat de vervolging van [verdachte] ter zake van de feiten van [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] door het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank MiddenNederland vertraging heeft opgelopen. Te verwachten viel dat de vervolging voor de rechtbank MiddenNederland ertoe zou leiden dat na 1 juli 2021 uitspraak zou worden gedaan, terwijl een vervolging voor de rechtbank [plaats] en de rechtbank [plaats] vóór 1 juli 2021 met een einduitspraak zou zijn afgerond. De verdediging heeft daarbij gewezen op de op 1 juli 2021 gedeeltelijk in werking getreden Wet straffen en beschermen, waarbij de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (vi) in die zin is gewijzigd dat de periode van vi tot maximaal twee jaar is beperkt (artikel 6:2:10, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering) daar waar tot dan toe bij een gevangenisstraf van meer dan twee jaren in beginsel vi plaatsvond als de veroordeelde twee derde van de gevangenisstraf had ondergaan (artikel 15, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht). Als al aannemelijk is dat de vervolging voor de rechtbank MiddenNederland ter zake van de feiten van [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] tot de geschetste vertraging heeft geleid, vormt die omstandigheid – ook al zou daardoor artikel 6:2:10, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering toepassing vinden – geen reden de rechtbank MiddenNederland in strijd met de wettelijke regeling van artikel 6 van het Wetboek van Strafvordering relatief onbevoegd te achten. Hierbij is ook van belang dat als inbreuk wordt gemaakt op het recht van de verdachte op een behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, mede afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, compensatie kan worden geboden door strafvermindering toe te passen. Bovendien staat het de rechter volgens vaste jurisprudentie vrij om bij de strafoplegging al dan niet rekening te houden met de manier waarop de op te leggen straf ten uitvoer zal worden gelegd, de viregeling daaronder begrepen (zie HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252). De conclusie luidt dat de rechtbank MiddenNederland ter zake van de feiten van [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] relatief bevoegd was. Het hof verwerpt het verweer. ” Een nadere omschrijving van het eerste middel 8. Het middel bevat, in samenhang bezien met de toelichting daarop, de klacht dat de rechtbank Midden-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich ten onrechte bevoegd hebben geacht te oordelen over de feiten uit de deeldossiers ‘ [deelonderzoek 1] ’ en ‘ [deelonderzoek 2] ’. Daartoe wordt (onder meer) aangevoerd dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, in deze zaak géén sprake was van zodanige ‘samenhang’, als bedoeld in artikel 6 lid 3 Sv, dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moest worden geacht. Het juridisch kader: relatieve bevoegdheid bij samenhangende zaken 9. Wanneer meer personen, al dan niet tezamen, verschillende strafbare feiten hebben begaan die in zodanig verband tot elkaar staan dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht, kunnen – op grond van artikel 6 lid 3 Sv in verbinding met artikel 6 lid 1 Sv – daders van en medeplichtigen aan die verschillende strafbare feiten, zonder dat sprake is van deelneming aan hetzelfde strafbare feit, voor hetzelfde gerecht worden vervolgd en brengt de bevoegdheid ten aanzien van één van hen de bevoegdheid ten aanzien van de andere(n) mee. De in artikel 6 lid 3 Sv aan de rechter toegekende (relatieve) bevoegdheid wordt niet aan banden gelegd door artikel 6 lid 2 Sv, zodat bij gelijktijdige vervolging niet ter zake doet voor welke rechter de als daders aansprakelijke personen worden vervolgd en bij welke rechter de vervolging tegen één van hen het eerste is aangevangen. Het rechterlijk oordeel over het bestaan van het hier bedoelde verband tussen verschillende strafbare feiten is sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard en daardoor in cassatie slechts beperkt toetsbaar. De bespreking van het eerste middel 10. Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank Midden-Nederland bij aanvang van het rechtsgeding bevoegd was om kennis te nemen van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
Volledig
Naar ’s hofs oordeel staan de verschillende aan de verdachte en aan de medeverdachten in het onderzoek Eris ten laste gelegde feiten – waaronder óók de feiten van [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] – immers in zodanig verband tot elkaar dat de behandeling voor één rechtbank gewenst moet worden geacht. Daarbij heeft het hof (onder meer) in aanmerking genomen dat de verdachte, evenals de andere verdachten van het onderzoek Eris, is (en wordt) vervolgd voor deelneming aan dezelfde criminele organisatie gericht op het plegen van liquidaties, voorbereidingen daartoe, en wapendelicten. 11. Dat het hof een verband heeft vastgesteld tussen de strafbare feiten uit de deeldossiers ‘ [deelonderzoek 1] ’ en ‘ [deelonderzoek 2] ’ ten aanzien waarvan jegens de verdachte verdenkingen waren gerezen, en de strafzaak tegen de medeverdachten in het onderzoek Eris, acht ik, anders dan de steller van het middel ingang wil doen vinden, verre van onbegrijpelijk en dit oordeel behoefde geen nadere motivering. 12. Het eerste middel snijdt geen hout. Het tweede middel 13. Het tweede middel ziet op de bewezenverklaring van de moord op [slachtoffer 2] ( [deelonderzoek 1] ). De bewijsvoering 14. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen (met overname van de voetnoot en met onderstrepingen van mijn hand): “ 6.3.3. [deelonderzoek 1] Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. (…) 6.3.3.1. De liquidatie van [slachtoffer 2] Op 21 september 2017 omstreeks 21.20 uur is [slachtoffer 2] neergeschoten in zijn personenauto tegenover café [A] aan de [a-straat] in [plaats] en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden. 6.3.3.2. Getuigen 6.3.3.2.1. Getuigen plaats delict [getuige 1] is na het horen van enkele harde knallen naar haar raam gelopen. Zij zag twee in het donker geklede personen met truien met een capuchon op wegrennen van de plek waar het geluid van de schoten vandaan kwam. De getuige zag dat de tweede persoon een groot/lang voorwerp bij zich droeg. [getuige 2] hoorde vrijwel direct na de schoten het geluid van een automotor en zag kort daarna een BMW 5-serie type E61 met een enorme snelheid rijden. Later zag de getuige op Twitter dat er een uitgebrande auto was aangetroffen in [plaats] . De getuige zag aan de velg dat het om een BMW 5serie type E61 ging. (…) 6.3.3.3. Forensisch onderzoek 6.3.3.3.1. Hulzen Op de plaats delict, een parkeerplaats tegenover café [A] aan de [a-straat 1] in [plaats] , zijn veertien hulzen aangetroffen, die voor nader onderzoek zijn veiliggesteld. Om 22.35 uur is aan de [b-straat] in [plaats] een uitgebrande auto voorzien van het [kenteken 1] aangetroffen met in de kofferbak een kalasjnikov (AK-47). De forensische opsporing heeft ook dit wapen veiliggesteld. Het NFI heeft onderzoek gedaan ter beantwoording van de vraag of de aangetroffen hulzen met deze kalasjnikov zijn verschoten. De uitkomsten van dit vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer alle hulzen uit de aangetroffen kalasjnikov afkomstig zijn, dan wanneer de hulzen met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken zijn verschoten. Op de plaats delict en in het lichaam van [slachtoffer 2] zijn diverse kogels en kogelmanteldelen aangetroffen en nader onderzocht. De bevindingen van dit onderzoek zijn minimaal veel waarschijnlijker tot minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer ze uit een en dezelfde loop zijn afgevuurd dan wanneer de kogels en kogelmanteldelen uit twee lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken zijn afgevuurd. 6.3.3.3.2. DNA Op de hoek van het tegenover de uitgebrande auto (met het [kenteken 1] ) gelegen parkeervak zijn verbrande kledingresten aangetroffen. De volgende kledingresten zijn voor nader onderzoek veiliggesteld: stuk capuchon (AAKH3041NL) onderdeel T-shirt (AAKH3042NL) onderdeel vest dun (AAKH3043NL) onderdeel vest dik (AAKH3044NL) diverse stukken textiel (AAKH3045NL) stuk van een zool (AAKH3046NL). Medewerkers van de forensische opsporing hebben (op 8 december 2017) onderzoek gedaan aan de verbrande kleding en deze waar mogelijk bemonsterd met het oog op DNA-sporen. Door middel van stubs zijn voor het verzamelen van humaan biologisch celmateriaal op gedeeltes met weinig of geen brandschade de volgende kledingresten bemonsterd: stuk capuchon (AAKH3041NL) onderdeel T-shirt (AAKH3042NL) onderdeel trui (AAKH3043NL) onderdeel vest (AAKH3044NL) diverse stukken textiel (AAKH3045NL). Op onderdeel T-shirt (AAKH3042NL) en onderdeel vest (AAKH3044NL) zijn haren aangetroffen en veiliggesteld (AAJW6005NL en AAJW6007NL). AAKH3043NL (onderdeel trui) is uitgevouwen. Het bevatte een gedeelte van een rits. Een onverbrand vlak is samen met het gedeelte van de ritssluiting bemonsterd. Daarnaast is een tweede vlak met weinig brandschade bemonsterd. Beide stubs (met de nummers 1 en 2) zijn verpakt en voorzien van het SIN AAKH2474NL. AAKH3044NL (onderdeel vest) was van dikker textiel dan AAKH3043NL en had een wolachtige binnenkant. Een gedeelte van een rits was nog intact. AAKH3044NL is ook uitgevouwen. Een onverbrand vlak is samen met het gedeelte van de ritssluiting bemonsterd. Deze stub is met nummer 1 gewaarmerkt. Ook een tweede vlak met weinig brandschade is bemonsterd. Deze stub is met nummer 2 gewaarmerkt. Beide stubs zijn verpakt en voorzien van het SIN AAJW6006NL. De bemonsteringen van AAKH3041NL (stuk capuchon), AAKH3042NL (onderdeel T-shirt) en AAKH3045NL (diverse stukken textiel) zijn gewaarmerkt met respectievelijk AAKH3041NL#01 en AAKH3041NL#02, AAJW6004NL en AAKH2475NL. De forensische opsporing heeft het celmateriaal van de bemonsteringen door middel van stubs aangeduid als ‘epitheel’ (huidcellen). Het NFI heeft de bemonsteringen AAKH3041NL#01 en AAKH3041NL#02, AAJW6004NL#01 en AAKH2475NL#01 onderworpen aan een DNA-onderzoek. De concentratie van het DNA in deze bemonsteringen is lager dan 0,001 ng/µl. Dergelijke lage concentraties leveren ook na aanvullend DNA-onderzoek geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen op. Het DNAonderzoek aan deze bemonsteringen is daarom gestopt en er zijn geen DNA-profielen bepaald. Het NFI heeft de (mogelijke) haarsporen van AAJW6005NL en AAJW6007NL onderzocht op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA. De van de resten T-shirt en vest veiliggestelde haren (AAJW6005NL en AAJW6007NL) zijn na onderzoek niet geschikt bevonden voor autosomaal DNA-onderzoek. De politie heeft het NFI ook verzocht de bemonsteringen AAKH2474NL en AAJW6006NL te onderwerpen aan een DNA-onderzoek. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen van wie het DNA in de bemonsteringen afkomstig kan zijn. De hoeveelheid DNA in de bemonsteringen AAKH2474NL#01 en AAJW6006NL#01 is zeer gering . Van het DNA in de bemonsteringen AAKH2474NL#01 en AAJW6006NL#01 zijn DNAmengprofielen van telkens minimaal twee personen verkregen. Deze zijn niet geschikt voor een vergelijkend DNA-onderzoek. Daarom zijn deze bemonsteringen aanvullend onderzocht met een onderzoekstechniek die gevoeliger is dan de standaard-onderzoekstechniek. Als onderdeel daarvan is het DNA-onderzoek herhaald om de reproduceerbaarheid van de verkregen resultaten te onderzoeken. Het mengprofiel AAJW6006NL#01 is op 19 juni 2018 eenmalig vergeleken met DNA-profielen van personen in de DNA-databank voor strafzaken. Hierbij is gericht gezocht naar de persoon die relatief veel DNA heeft bijgedragen aan deze bemonstering. Daarbij is een match gevonden met het DNAprofiel van [verdachte] ( […] ). Dit betekent dat [verdachte] de donor kan zijn die relatief veel DNA heeft bijgedragen aan deze bemonstering. Het verkregen mengprofiel AAJW6006NL#01 is meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 – de bemonstering bevat DNA van [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon – waar is, dan wanneer hypothese 2 – de bemonstering bevat DNA van twee willekeurige onbekende personen – waar is.
Volledig
Bij deze berekening van de bewijskracht van de match tussen het DNA-profiel van [verdachte] en het DNA-mengprofiel AAJW6006NL#01 zijn de volgende aannames gedaan: de bemonstering AAJW6006NL#01 bevat DNA van twee personen en de personen in dit mengsel zijn onderling niet verwant. Het gehele mengprofiel AAKH2474NL#01 is op 4 juli 2018 eenmalig vergeleken met DNA-profielen van personen in de DNA-databank voor strafzaken. Hierbij zijn geen matches gevonden. Uit dit DNAmengprofiel is een combinatie van DNA-kenmerken afgeleid van minimaal één man. Een combinatie van die afgeleide DNA-kenmerken is op 5 juli 2018 vergeleken met DNA-profielen uit de DNA-databank voor strafzaken. Daarbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [betrokkene 1] ( […] ). Het verkregen mengprofiel AAKH2474NL#01 is meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 – de bemonstering bevat DNA van [betrokkene 1] en een willekeurige onbekende persoon – waar is, dan wanneer hypothese 2 – de bemonstering bevat DNA van twee willekeurige onbekende personen – waar is. Bij deze berekening van de bewijskracht van de match tussen het DNA-profiel van [betrokkene 1] en het DNA-mengprofiel AAKH2474NL#01 zijn de volgende aannames gedaan: de bemonstering AAKH2474NL#01 bevat DNA van twee personen en de onbekende personen in dit mengsel zijn niet onderling of aan [betrokkene 1] verwant. Onder de aanname dat [betrokkene 1] een van de donoren van het DNA in de bemonstering AAKH2474NL#01 is, zijn de resterende DNA-kenmerken in dit profiel onvoldoende informatief om een eventuele tweede celdonor te vinden. De overige op AAKH3043NL (onderdeel trui) en AAKH3044 (onderdeel vest) aangetroffen DNAsporen hebben geen compleet profiel opgeleverd en die kenmerken matchen niet met een andere persoon. De DNA-mengprofielen AAJW6006NL#01 en AAKH2474NL#01 zijn vergeleken met de DNAprofielen van veertien andere personen uit het onderzoek Eris: [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] en [betrokkene 15] . Deze vergelijking heeft geen match opgeleverd. 6.3.3.3.3. TomTom Op 1 augustus 2018 is [verdachte] samen met twee medeverdachten waaronder [medeverdachte 1] aangehouden. [medeverdachte 1] heeft op 21 augustus 2018 een TomTom aan de politie overhandigd. Zij heeft verklaard dat deze TomTom van [verdachte] is. Uit de zogenoemde TripLogs van de bedoelde TomTom blijkt dat deze op 21 september 2017, dus op de dag van de liquidatie van [slachtoffer 2] , om ongeveer 10.17 uur is aangezet. Op basis van de door de TomTom vastgelegde coördinaten is vast te stellen dat dit in [plaats] was op de locatie [c-straat] , in de buurt van de [snelweg] richting de [snelweg] . De TomTom heeft zich daarvandaan verplaatst naar [plaats] in België. Op de [d-straat] in [plaats] is rechts afgeslagen naar de [e-straat] om vervolgens weer rechtsaf te slaan naar de [f-straat] , waar de TomTom om 12.19 uur aankwam. Vervolgens heeft de TomTom tot 14.05 uur geen coördinaten geregistreerd. Het hof leidt daaruit af dat de TomTom in die tijd is uitgezet en/of zich niet heeft verplaatst. De afstand tussen de locatie van de TomTom om 12.19 uur en het adres [d-straat 1] is ongeveer 150 m. [slachtoffer 2] is op dat moment woonachtig op het adres [d-straat 1] in [plaats] . De [d-straat] is een lange weg die van de Nederlandse grens naar [plaats] loopt. Zowel [plaats] als [plaats] is een district van [plaats] . De [d-straat] in [plaats] ligt in het verlengde van de [d-straat] in [plaats] . De onderlinge afstand tussen beide adressen is ongeveer 7 km. Wanneer op Google Maps gezocht wordt op “ [d-straat 1] , [plaats] ” geeft Google Maps het adres [d-straat 1] in [plaats] weer. [verdachte] woonde destijds samen met zijn vriendin op het adres [g-straat 1] in [plaats] vlakbij de [h-straat] , op ongeveer 1 km afstand van de startlocatie van de TomTom op 21 september 2017 . [verdachte] heeft verklaard dat hij de TomTom in 2018 heeft geleend van zijn buurman die in dezelfde flat woonde als zijn vriendin. [verdachte] heeft verder verklaard dat hij heeft begrepen dat die buurman als koerier werkte voor DHL in België. Het werk als koerier kan volgens [verdachte] een verklaring zijn voor de op 21 september 2017 geregistreerde coördinaten van de TomTom. Weliswaar is aannemelijk geworden dat de buurman van [verdachte] toen werkte als koerier. Maar met alleen de suggestie van [verdachte] is nog niet aannemelijk geworden dat die buurman op 21 september 2017 voor zijn werk heeft gebruikgemaakt van de bewuste TomTom en dat de registratie van de coördinaten, die inhouden dat de TomTom zich om 14.05 uur ten opzichte van 12.19 uur niet heeft verplaatst, die dag door diens werk als koerier worden verklaard. 6.3.3.4. Beschouwing naar aanleiding van het forensisch onderzoek en de plaats-delict getuigen Op basis van de onderzoeksbevindingen en de behandeling van de zaak op de zitting concludeert het hof dat er bij de uitvoering van de liquidatie van [slachtoffer 2] met één vuurwapen – het aangetroffen wapen – is geschoten, dat er ten minste twee personen bij de uitvoering van de liquidatie zijn betrokken, dat de uitgebrande auto door de daders als vluchtauto is gebruikt en dat de verbrande kledingresten door (twee van) de daders tijdens de liquidatie zijn gedragen. Het hof gaat ervan uit dat, gelet ook op de soort kleding en de rest van de kledingresten die zijn gevonden, de trui van AAKH3043NL door de ene dader en het vest van AAKH3044NL door de andere dader tijdens de uitvoering van de liquidatie is gedragen. Gezien de bewijskracht van de match van AAJW6006NL#01 met het DNA-profiel van [verdachte] en de match van AAKH2474NL#01 met het DNA-profiel van [betrokkene 1] , gaat het hof er verder van uit dat (huid)cellen van [verdachte] en [betrokkene 1] op respectievelijk AAKH3044NL (onderdeel vest) en AAKH3043NL (onderdeel trui) zijn gevonden. Een plausibele verklaring voor het aantreffen van deze (huid)cellen op de kledingrestanten is dat [verdachte] het vest en [betrokkene 1] de trui heeft gedragen tijdens het uitvoeren van de liquidatie van [slachtoffer 2] . Van belang hierbij is ook dat het DNA-profiel van [verdachte] matcht met de DNAkenmerken van de persoon die relatief veel DNA heeft bijgedragen aan het mengprofiel AAJW6006NL#01 en dat, onder de aanname dat [betrokkene 1] een van de donoren van het DNA in de bemonstering AAKH2474NL#01 is, de resterende DNA-kenmerken in dit profiel onvoldoende informatief zijn om een eventuele tweede celdonor te vinden. [verdachte] en [betrokkene 1] , die naar eigen zeggen het vest en de trui niet herkennen, hebben geen alternatief scenario over secundaire overdracht aangedragen dat voldoende forensisch toetsbare elementen bevat . Zij hebben gewezen op de in het algemeen bestaande mogelijkheid dat hun celmateriaal op een andere plaats en een ander moment op het kledingstuk is aan- of overgebracht. Beiden hebben volstaan met het opperen van enkele mogelijkheden daarvoor, zoals de verkoop van tweedehandskleding, het bij elkaar over de vloer komen, het dragen van kleding door andere personen (van [motorclub] ) of een omhelzing tijdens een bijeenkomst van chapter [plaats] van [motorclub] . Dat zijn echter nog geen voldoende concrete, aannemelijke scenario’s, waarvan de waarschijnlijkheid tegen de waarschijnlijkheid van het scenario van de tenlastelegging kan worden afgewogen. Hierbij is van belang dat als de betreffende handeling al voldoende specifiek is, niet duidelijk is ten opzichte van wie en wanneer die is verricht. De verdediging van [verdachte] heeft voor het geval het hof de DNA-match voor het bewijs wil gebruiken het verzoek gedaan om op de zitting een DNA-deskundige op activiteitenniveau te horen. Het is aan de deskundige op activiteitenniveau om onder de hypothesen die op basis van de voorliggende scenario’s zijn opgesteld het sporenbeeld nader te evalueren.
Volledig
Daarbij beperkt de deskundige zich tot een uitspraak over de waarschijnlijkheid van de bevindingen gegeven de hypothesen – de bewijskracht van de bevindingen – en doet hij nadrukkelijk géén uitspraak over de waarschijnlijkheid van de hypothesen. DNAdeskundigen op activiteitenniveau geven zelf aan dat voor een zinvolle evaluatie van het sporenbeeld een duidelijke vraagstelling noodzakelijk is en dat vragen die zijn geformuleerd als ‘Kunt u uitsluiten dat…?’ of ‘Wat is de kans dat…’ wel door de deskundige zijn te beantwoorden, maar geen bijdrage leveren aan een evenwichtige waardering van het bewijs. Er zijn vaak verscheidene verklaringen denkbaar voor een aangetroffen sporenbeeld, die geen van alle categorisch kunnen worden uitgesloten. Naar het oordeel van het hof is het niet zinvol om een DNAdeskundige op activiteitenniveau in te schakelen voor het beantwoorden van vragen over welke mogelijke alternatieve scenario’s een verklaring voor AAJW6006NL#01 zouden kunnen zijn. Voor een onderzoek door een DNAdeskundige op activiteitenniveau is ten minste vereist dat naast het scenario van het openbaar ministerie de verdediging een voldoende concreet alternatief scenario aandraagt. Dat scenario moet voldoende specifieke (forensisch) toetsbare elementen bevatten. Alleen dan zijn daaruit hypothesen op activiteitenniveau af te leiden die specifieke handelingen, de persoon die deze handelingen heeft uitgevoerd en het moment waarop zij zijn uitgevoerd, beschrijven. Als het alternatieve scenario daaraan niet voldoet en vaag blijft, zijn daaruit alleen met te veel aannames een of meer werkbare hypothesen af te leiden en kan een evaluatie op activiteitenniveau niet tot een conclusie van enige betekenis leiden. Nu de verdediging niet een dergelijk voldoende concreet scenario heeft aangedragen, bestaat naar het oordeel van het hof niet de noodzaak tot het op de zitting horen van een DNAdeskundige op activiteitenniveau. Het hof wijst het verzoek daarom af. De uitkomst van het DNA-vergelijkend onderzoek geeft steun aan het scenario van het openbaar ministerie dat [verdachte] en [betrokkene 1] respectievelijk het vest van AAKH3044NL en de trui van AAKH3043NL tijdens het uitvoeren van de liquidatie van [slachtoffer 2] op 21 september 2017 hebben gedragen. Voor zover van de sporen DNA-kenmerken konden worden bepaald, matchen zij niet met andere personen en ook niet met de veertien andere personen uit het onderzoek Eris. 6.3.3.5. Het scenario waarbij [medeverdachte 2] , [verdachte] en [betrokkene 1] betrokkenheid hebben bij de liquidatie van [slachtoffer 2] In Eris staat een criminele organisatie centraal die tot doel had het liquideren van personen. [medeverdachte 2] was de leider van die criminele organisatie. Dit volgt uit de beoordeling van de verdenkingen in het deelonderzoek over de criminele organisatie en uit de deelonderzoeken waarbij [medeverdachte 2] betrokken is. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 2] heeft gehoord dat ‘ [bijnaam 1] ’ moest worden geliquideerd. [medeverdachte 2] was bezig om ‘ [bijnaam 1] ’ te zoeken en te lokken. [verdachte] was gelet op zijn betrokkenheid bij de feiten van de deelonderzoeken [deelonderzoek 3] en [deelonderzoek 2] lid van de criminele organisatie van [medeverdachte 2] . [verdachte] en [betrokkene 1] waren beiden actief in het chapter [plaats] van [motorclub] . [medeverdachte 2] heeft [motorclub] opgericht en hij was een van de leidinggevende figuren. [betrokkene 11] was president van het chapter [plaats] van [motorclub] . [betrokkene 5] heeft verklaard dat [betrokkene 11] wilde dat [betrokkene 1] op 29 juni 2017 met [verdachte] mee ging naar [plaats] om een woning te beschieten ( [deelonderzoek 3] ), maar dat uiteindelijk [betrokkene 7] en [verdachte] zijn meegegaan omdat [medeverdachte 2] dat zo had bepaald. De liquidatie van [slachtoffer 2] vond plaats voor café [A] in [plaats] . In dat café werden tot in januari 2017 clubavonden van [motorclub] gehouden. Ook is dat de locatie waar [medeverdachte 2] op 9 maart 2017 [betrokkene 16] naartoe had willen lokken om hem te laten liquideren ( [deelonderzoek 5] ). Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 2] te liquideren. Hij was bezig met de liquidatie van ‘ [bijnaam 1] ’ en [bijnaam 1] [slachtoffer 2] is geliquideerd voor café [A] , waarnaartoe [medeverdachte 2] eerder een ander beoogd slachtoffer van een liquidatie had geprobeerd te lokken. Te verwachten valt dat deelnemers aan de criminele organisatie van [medeverdachte 2] de liquidatie van [slachtoffer 2] hebben uitgevoerd. [betrokkene 5] heeft verklaard dat [betrokkene 11] in contact stond met [medeverdachte 2] , dat hij opdrachten van [medeverdachte 2] aannam en dat [betrokkene 11] mensen had om die opdrachten uit te voeren. Verder heeft [betrokkene 5] verklaard dat hij weet dat [verdachte] bereid was liquidaties uit te voeren, wat wordt bevestigd door de rol van [verdachte] in [deelonderzoek 2] . Op 14 december 2017 voerden ‘ [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [bijnaam 3] ’, veredeld als [betrokkene 17] , een PGP-chatgesprek. [medeverdachte 2] zegt dat morgen een paar “heads” terugkomen uit Engeland en dat hij deze gaat proberen direct op “die twee” en “sport” te zetten. Op 18 december 2017 stuurt [betrokkene 11] een video en twee foto’s naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] vraagt aan [betrokkene 11] welke stad dit is. [betrokkene 11] reageert: “ [plaats] cuzz [plaats] ”. Op deze foto’s met daarop schijnbaar leden van het chapter [plaats] van [motorclub] zijn ook [betrokkene 11] en [betrokkene 1] te zien. [betrokkene 5] heeft verklaard dat met ‘heads’ uitvoerders van liquidaties worden bedoeld. Gelet hierop en omdat: - [medeverdachte 2] de opdracht heeft gegeven [slachtoffer 2] te liquideren; - aangenomen mag worden dat personen uit de omgeving van [medeverdachte 2] de liquidatie van [slachtoffer 2] hebben uitgevoerd; - [verdachte] en [betrokkene 1] actief waren in het chapter [plaats] van [motorclub] onder leiding van [betrokkene 11] ; - [betrokkene 11] had gewild dat [betrokkene 1] op 29 juni 2017 met [verdachte] was meegegaan om een woning in [plaats] te beschieten; - DNA van [verdachte] en [betrokkene 1] op door de daders gedragen kleding is gevonden; - de sporen geen match met andere personen inclusief veertien personen uit het onderzoek Eris heeft opgeleverd; en omdat - er geen aanwijzingen zijn dat andere personen uit de omgeving van [medeverdachte 2] de moord op [slachtoffer 2] hebben gepleegd; acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [betrokkene 1] , in opdracht van [medeverdachte 2] , de liquidatie van [slachtoffer 2] hebben uitgevoerd. Het hof wordt ten aanzien van [verdachte] gesterkt in de overtuiging dat hij betrokken is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 2] door het feit dat een van hem afkomstige TomTom op 21 september 2017 om 12.19 en 14.05 uur dezelfde coördinaten in de buurt van het adres [d-straat 1] in [plaats] heeft geregistreerd (en in de tussentijd geen andere), terwijl [slachtoffer 2] woonde op het adres [d-straat 1] in [plaats] , [plaats] en [plaats] districten van [plaats] zijn en Google Maps [d-straat 1] in [plaats] als resultaat geeft van de zoekopdracht “ [d-straat 1] , [plaats] ”. 6.3.3.6. De rollen van [medeverdachte 2] , [verdachte] en [betrokkene 1] Uit het voorgaande volgt dat wettig en overtuigend bewezen is dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [betrokkene 1] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] . Het hof overweegt in dit verband nog het volgende. (…) Ook ten aanzien van [verdachte] en [betrokkene 1] is sprake van medeplegen. Zij zijn de uitvoerders van de liquidatie. Wie van de twee heeft geschoten is niet gebleken, maar dit staat aan bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg. Ook bij hen was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de bijdrage van beiden van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Volledig
Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [medeverdachte 2] , [verdachte] en [betrokkene 1] sprake is geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Er was sprake van kalm beraad en er zijn vele momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien. ” Een nadere omschrijving van het tweede middel 15. In het middel wordt, zo blijkt uit de toelichting daarop, geklaagd dat het voor de verdachte belastende bewijsmateriaal “in de kern” bestaat uit het aantreffen van zijn celmateriaal op een verbrand kledingrestant, terwijl dit bewijsmiddel, net als de “daaraan toegevoegde bewijsmiddelen” , niet redengevend kan zijn voor de bewezenverklaring van moord. 16. Daarnaast voert de steller van het middel aan dat het verzoek om een DNA-deskundige op activiteitniveau te horen, ontoereikend gemotiveerd is afgewezen. De bespreking van het tweede middel 17. De bewijsmotivering komt op het volgende neer. - In het onderzoek Eris staat een criminele organisatie centraal die, onder leiding van [medeverdachte 2] en met de verdachte als lid, tot doel het liquideren van personen had. - De verdachte en [betrokkene 1] waren – onder leiding van [betrokkene 11] – actief in het ‘chapter’ [plaats] van, de door [medeverdachte 2] opgerichte motorclub, [motorclub] . [betrokkene 11] stond in contact met [medeverdachte 2] , hij nam zijn opdrachten aan, en had mensen om die uit te voeren. - [medeverdachte 2] heeft de opdracht gegeven om ‘ [bijnaam 1] ’ ( [slachtoffer 2] ) te liquideren. - Op 21 september 2017 is [slachtoffer 2] in zijn auto geliquideerd voor café [A] in [plaats] , waar eerder de clubavonden van [motorclub] plaatsvonden, en waarnaartoe [medeverdachte 2] reeds een ander beoogd slachtoffer van een liquidatie had proberen te lokken. - Op grond van het voorgaande neemt het hof aan dat de liquidatie van [slachtoffer 2] is uitgevoerd door deelnemers van de criminele organisatie van [medeverdachte 2] . - Op basis van de verklaringen van getuigen met zicht op de plaats delict concludeert het hof dat er bij de moord op [slachtoffer 2] met één vuurwapen is geschoten en dat daarbij ten minste twee personen als daders waren betrokken. - In [plaats] is niet veel later diezelfde avond een uitgebrande auto aangetroffen die voldoet aan de door een getuige opgegeven, vrij specifieke omschrijving van de door de daders gebruikte vluchtauto (BMW 5-serie, type E61). Op basis van de resultaten van forensisch vergelijkend onderzoek aan op de plaats delict veiliggestelde hulzen, kogels en kogelmanteldelen concludeert het hof dat het vuurwapen (een kalasjnikov) dat in de uitgebrande auto is aangetroffen, bij de liquidatie van [slachtoffer 2] is gebruikt en dat de uitgebrande auto de vluchtauto betreft. Bovendien concludeert het hof dat de nabij de auto gevonden, verbrande kledingresten de restanten betreffen van een vest dat door de ene dader, respectievelijk een trui die door de andere dader is gedragen. - Vanwege de kracht van bewijs ten laste van de verdachte dat voortkomt uit het DNA-mengprofiel dat is vervaardigd uit AAJW6006NL#01, te weten de bemonstering van een onverbrand vlak met een gedeelte van een ritssluiting van (het restant van) een vest, en de kracht van bewijs ten laste van [betrokkene 1] dat voortkomt uit het DNA-mengprofiel dat is vervaardigd uit AAKH2474NL#01, te weten de bemonstering van een onverbrand vlak met een gedeelte van een ritssluiting van (het restant van) een trui, gaat het hof ervan uit dat (huid)cellen van de verdachte op of bij de rits van het vest, c.q. (huid)cellen van [betrokkene 1] op of bij de rits van de trui zijn gevonden. - De verkregen DNA-mengprofielen hebben, na vergelijking, geen aanwijzing opgeleverd ten laste van medeverdachten uit het Eris-onderzoek. Er zijn ook overigens geen aanwijzingen dat andere personen uit de omgeving van [medeverdachte 2] de moord zouden hebben gepleegd, en de verdachten hebben ook geen concreet, alternatief scenario aangedragen (over secundaire overdracht van hun celmateriaal). - Tot slot heeft een aan de verdachte toebehorend navigatiesysteem (TomTom) op de dag dat [slachtoffer 2] werd vermoord om 12.19 en 14.05 uur dezelfde (en in de tussentijd geen andere) coördinaten geregistreerd in de buurt van het adres [d-straat 1] in [plaats] . Dit is relevant, nu [slachtoffer 2] woonde op het adres [d-straat 1] in [plaats] . [plaats] en [plaats] zijn districten van [plaats] . Google Maps geeft ‘ [d-straat 1] in [plaats] ’ als resultaat op van de zoekopdracht “ [d-straat 1] , [plaats] ” . 18. Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof tot het oordeel gekomen dat de verdachte zich samen met [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] schuldig heeft gemaakt aan de liquidatie van [slachtoffer 2] . Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. De klacht berust op de opvatting dat het voor de verdachte belastende bewijsmateriaal uitsluitend wordt gevormd door het aantreffen van zijn celmateriaal op het vest. Die opvatting is onjuist, zoals de opsomming hierboven laat zien. De klacht gaat dus op feitelijke gronden niet op. , 19. Ook de afwijzing van het verzoek om een DNA-deskundige op activiteitniveau te horen, is, gelet op ’s hofs overige vaststellingen en de voor de afwijzing opgegeven gronden, niet onbegrijpelijk. Ik merk op dat de steller van het middel miskent dat het hof de hiervoor vastgestelde omstandigheden – en dit is het springende punt – in onderling verband en samenhang heeft betrokken bij zijn oordeel dat het bewijsmateriaal zich (veel) beter laat verklaren in – en daardoor dus steun biedt aan – het scenario waarin de verdachte samen met [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] de moord op [slachtoffer 2] heeft uitgevoerd, dan in enig ‘alternatief’ scenario waarin de verdachte bij de moord geen betrokkenheid heeft gehad. 20. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen. Het derde middel 21. Het derde middel klaagt over het gebruik van de bewijsmiddelen die zien op de ‘TomTom’ ( [deelonderzoek 1] ). De bespreking van het derde middel 22. Het hof heeft, voor zover thans relevant, voor de onderbouwing van zijn bewijsoordeel in [deelonderzoek 1] de volgende bewijsmiddelen gebruikt (met onderstrepingen van mijn hand): “ 11.3.5. TomTom Proces-verbaal van bevindingen van 1 maart 2021, map 10F, p. 4914 Op 1 augustus 2018 werd door de Landelijke Eenheid (...) een BMW gecontroleerd met daarin [verdachte] , [betrokkene 14] en [medeverdachte 1] . De BMW bleek van diefstal afkomstig te zijn. In de kofferbak werd een automatisch vuurwapen met munitie en een demper aangetroffen. Hierop werden de genoemde personen op heterdaad aangehouden. De gestolen BMW was voorzien van de valse kentekenplaten [kenteken 2] . Proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2021, map 132A, p. 631 [medeverdachte 1] werd door de raadkamer op 16 augustus 2018 heengezonden. Zij legde hierna, op 21 augustus 2018, een getuigenverklaring af. Tijdens deze getuigenverklaring gaf zij onder andere te kennen dat er in haar woning een navigatie van [betrokkene 18] lag. Die had [betrokkene 18] aan haar broer gegeven om op te laden. Zij overhandigde deze navigatie aan de desbetreffende politieambtenaren. Dit bleek te gaan om een TomTom met het nummer 4AA43 4AA4.001.00. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 11 februari 2021, map 131, p. 184 Het verhoor is afgenomen in de vraag- en antwoordstijl. Daarbij zijn de volgende afkortingen gebruikt: A: Antwoord, vragen en opmerkingen verdachte. A: Die oude buurman van [betrokkene 18] . Toentertijd weetje toen ik nog niet [betrokkene 18] weetje ging snorderen, eh... Die buurman weetje, die ging altijd weetje [betrokkene 18] overal naartoe brengen. Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] van 21 augustus 2018, map 132, p. 152 De getuige verklaarde: A:. De navigatie van [betrokkene 18] is bij mij gekomen nadat [betrokkene 18] deze aan mijn broertje had gegeven om deze op te laden. Jullie kunnen deze navigatie zo meteen bij mij thuis ophalen. Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] van 30 augustus 2018, map 132, p.
Volledig
164 De getuige verklaarde: (…) Ik heb de TomTom van [betrokkene 18] gepakt. Deze TomTom lag in de woning van mijn zus. De TomTom lag in mijn slaapkamer aan de oplader. Proces-verbaal van verhoor [verdachte] van 26 januari 2021, map 19A, p. 169 O: We tonen je een foto van de TomTom die we van [medeverdachte 1] hebben ontvangen. V: Herken je deze TomTom? A: Dit kan kloppen, want die heb ik aan haar geleend. V: Wat heb je bij de rechtbank over de TomTom verklaard? A: Dat ik de TomTom van een buurman had geleend . Mijn buurman heet [betrokkene 19] . Dan hebben we het over de [g-straat] . Wij woonden op nummer […] , dus [betrokkene 19] woonde dan daarnaast. Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] , map 107F, p. 665 V: Maakte je in 2016 tot en met 2018 gebruik van een navigatiesysteem? A: Tijdens het pakket bezorgen heb ik een TomTom gehad. Ik moest zelf zorgen voor vervanging als ik niet kon werken. Zo heb ik via [betrokkene 20] (...) een vervanger gevonden. Dit was [betrokkene 19] . [betrokkene 19] heeft toen een dag voor mij gereden en die heeft toen ook die TomTom meegenomen, ik had deze aan hem meegegeven. Maar ik heb hem nooit teruggekregen. V: Op 2 juli 2017 zien we een reisbeweging naar [plaats] in België, sla je hierop aan? A: Nee. V: De TomTom gaat daarna regelmatig naar België. A: Dat zegt me allemaal niks. Proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2020, map 107F, p. 656 Binnen het onderzoek TGO [deelonderzoek 1] werd onderzoek verricht naar de volgende, inbeslaggenomen TomTom: Merk: TomTom Type: Start 42 (4AA43 4AA4.001.00) Op 10 december 2020 kreeg ik van de teamleider van onderzoek […] , het verzoek om onderzoek te doen naar de aangeleverde ontsleutelde gegevens van deze TomTom. Deze gegevens bevonden zich in een Excel-bestand. Uit de gegevens in het Excel-bestand bleek dat er alleen data in zaten van donderdag 21 september 2017. Dit betreft de dag waarop de moord op [slachtoffer 2] plaatsvond. In het desbetreffende Excel-bestand stond een groot aantal coördinaten van locaties, met daarbij de datum en tijdstippen. Route De TomTom verplaatste zich (...) naar de [d-straat] in [plaats] . [plaats] betreft (blijkens Wikipedia) een district van de gemeente [plaats] en ligt ten noorden van [plaats] . Op de [d-straat] sloeg de TomTom rechtsaf, de [e-straat] op, om vervolgens weer rechtsaf te slaan op de [i-straat] . De TomTom arriveerde om 12.19 uur in de [i-straat] . Al deze straten liggen in [plaats] . Tussen 12.19 en 14.05 uur werden door de TomTom geen registraties/locaties (lees: coördinaten) vastgelegd. De TomTom kwam om 14.05 uur vanaf deze zelfde locatie weer in beweging. Opmerking hof: Het proces-verbaal van bevindingen bevat een kaartje met de route van de TomTom in [plaats] over de [d-straat] , de [e-straat] en de [i-straat] . Op het kaartje is ook [d-straat 1] [plaats] aangeduid. Het onderschrift van het kaartje luidt: 'TomTom in omgeving [d-straat 1] te [plaats] '. Binnen het onderzoek TGO [deelonderzoek 1] is gebleken dat het slachtoffer [slachtoffer 2] woonachtig was in België en de Belgische nationaliteit had. (...) [slachtoffer 2] was woonachtig aan de [d-straat 1] in [plaats] . [plaats] ligt iets ten noorden van [plaats] , met de auto ongeveer zeventien minuten rijden vanaf de [d-straat] in [plaats] . Wanneer op Google Maps gezocht wordt op “ [d-straat 1] , [plaats] ”, wordt door Google Maps het adres [d-straat 1] in [plaats] weergegeven. ” 23. Het hof heeft, voor zover thans relevant, verder het volgende overwogen (onderstrepingen mijnerzijds, ik herhaal voor het leesgemak): “ 6.3.3.3.3. TomTom Op 1 augustus 2018 is [verdachte] samen met twee medeverdachten waaronder [medeverdachte 1] aangehouden. [medeverdachte 1] heeft op 21 augustus 2018 een TomTom aan de politie overhandigd. Zij heeft verklaard dat deze TomTom van [verdachte] is. Uit de zogenoemde TripLogs van de bedoelde TomTom blijkt dat deze op 21 september 2017, dus op de dag van de liquidatie van [slachtoffer 2] , om ongeveer 10.17 uur is aangezet. Op basis van de door de TomTom vastgelegde coördinaten is vast te stellen dat dit in [plaats] was op de locatie [c-straat] , in de buurt van de [snelweg] richting de [snelweg] . De TomTom heeft zich daarvandaan verplaatst naar [plaats] in België. Op de [d-straat] in [plaats] is rechts afgeslagen naar de [e-straat] om vervolgens weer rechtsaf te slaan naar de [f-straat] , waar de TomTom om 12.19 uur aankwam. Vervolgens heeft de TomTom tot 14.05 uur geen coördinaten geregistreerd. Het hof leidt daaruit af dat de TomTom in die tijd is uitgezet en/of zich niet heeft verplaatst. De afstand tussen de locatie van de TomTom om 12.19 uur en het adres [d-straat 1] is ongeveer 150 m. [slachtoffer 2] is op dat moment woonachtig op het adres [d-straat 1] in [plaats] . De [d-straat] is een lange weg die van de Nederlandse grens naar [plaats] loopt. Zowel [plaats] als [plaats] is een district van [plaats] . De [d-straat] in [plaats] ligt in het verlengde van de [d-straat] in [plaats] . De onderlinge afstand tussen beide adressen is ongeveer 7 km. Wanneer op Google Maps gezocht wordt op “ [d-straat 1] , [plaats] ” geeft Google Maps het adres [d-straat 1] in [plaats] weer. [verdachte] woonde destijds samen met zijn vriendin op het adres [g-straat 1] in [plaats] vlakbij de [h-straat] , op ongeveer 1 km afstand van de startlocatie van de TomTom op 21 september 2017. [verdachte] heeft verklaard dat hij de TomTom in 2018 heeft geleend van zijn buurman die in dezelfde flat woonde als zijn vriendin. [verdachte] heeft verder verklaard dat hij heeft begrepen dat die buurman als koerier werkte voor DHL in België. Het werk als koerier kan volgens [verdachte] een verklaring zijn voor de op 21 september 2017 geregistreerde coördinaten van de TomTom. Weliswaar is aannemelijk geworden dat de buurman van [verdachte] toen werkte als koerier. Maar met alleen de suggestie van [verdachte] is nog niet aannemelijk geworden dat die buurman op 21 september 2017 voor zijn werk heeft gebruikgemaakt van de bewuste TomTom en dat de registratie van de coördinaten, die inhouden dat de TomTom zich om 14.05 uur ten opzichte van 12.19 uur niet heeft verplaatst, die dag door diens werk als koerier worden verklaard. ” 24. Vervolgens heeft het hof geconcludeerd: “ Het hof wordt ten aanzien van [verdachte] gesterkt in de overtuiging dat hij betrokken is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 2] door het feit dat een van hem afkomstige TomTom op 21 september 2017 om 12.19 en 14.05 uur dezelfde coördinaten in de buurt van het adres [d-straat 1] in [plaats] heeft geregistreerd (en in de tussentijd geen andere), terwijl [slachtoffer 2] woonde op het adres [d-straat 1] in [plaats] , [plaats] en [plaats] districten van [plaats] zijn en Google Maps [d-straat 1] in [plaats] als resultaat geeft van de zoekopdracht “ [d-straat 1] , [plaats] ”. ” 25. Gelet op het bovenstaande – de door mij onderstreepte passages in het bijzonder – is het oordeel dat de onder paragraaf 11.3.5 weergegeven bewijsmiddelen redengevend zijn voor het bewijs in [deelonderzoek 1] , niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel voorstaat, doen de door hem in zijn schriftuur aangehaalde passages uit een proces-verbaal van bevindingen – waarin verslag wordt gedaan over het onderzoek aan, en rond de in beslag genomen TomTom – daaraan niet af. 26. Het derde middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het vierde middel 27. Het vierde middel ziet op de bewezenverklaring in [deelonderzoek 3] . Geklaagd wordt dat het gebruikte bewijs voor de aanwezigheid van de verdachte bij de beschieting van de woning in [plaats] niet redengevend is. De bewezenverklaring en bewijsvoering 28. De bewezenverklaring in het [deelonderzoek 3] houdt in dat de verdachte: “1. Subsidiair op 29 juni 2017 te [plaats] , openlijk, te weten op de [j-straat] te [plaats] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen woningen gelegen aan de [j-straat 1] en [j-straat 2] , door meermalen met een vuurwapen op voornoemde woningen te schieten; 2.
Volledig
Op 29 juni 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II en munitie van categorie II, te weten - een vuurwapen en - een hoeveelheid scherpe patronen, voorhanden heeft gehad; ” 29. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen: “ 6.3.2. [deelonderzoek 3] 6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.3.5 6.3.6 28 juni 2017 6.3.2.1 6.3.2.1. De verklaringen van [betrokkene 5] [betrokkene 5] heeft over het voornemen om een pand met een raketwerper te beschieten onder meer het volgende verklaard. Een dag vóór de beschieting heeft hij [medeverdachte 2] opgehaald in [plaats] . [betrokkene 5] heeft toen van [medeverdachte 2] begrepen dat hij samen met [medeverdachte 2] naar [plaats] moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. [medeverdachte 2] had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten. Bij de voorverkenning heeft [medeverdachte 2] de woning aan de [r-straat] 30 aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. [betrokkene 5] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [medeverdachte 2] aan [betrokkene 5] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren. [betrokkene 5] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar [plaats] gereden en [betrokkene 5] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [betrokkene 5] en de schutter weggereden. Verder heeft [betrokkene 5] verklaard dat hij voorafgaand aan de beschieting in [plaats] in opdracht van [medeverdachte 2] een raketwerper in ontvangst heeft genomen van een persoon afkomstig uit de groep van de opdrachtgever. [medeverdachte 2] heeft aan [betrokkene 5] verteld dat [betrokkene 21] de opdrachtgever was. Het hof acht deze verklaring van [betrokkene 5] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken. 6.3.2.2. De onderbouwing van de verklaringen van [betrokkene 5] en overige bewijsoverwegingen Naar aanleiding van het onderzoek en de verklaringen van [betrokkene 5] is het volgende gebleken. 6.3.2.2.1. Voorverkenning Uit een PGP-gesprek van 27 juni 2017 tussen ‘ [bijnaam 2] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [bijnaam 4] ’, veredeld als [betrokkene 17] , blijkt dat [betrokkene 17] een bericht doorstuurt afkomstig van ‘ [bijnaam 5] ’. Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. In dit doorgestuurde bericht wordt aan [medeverdachte 2] doorgegeven dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de [snelweg] en de afslag [plaats] of de afslag [plaats] / [plaats] . Op een onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen harde schijf zijn op 27 juni 2017 gemaakte printjes gevonden van een routebeschrijving met als waarschijnlijke startlocatie de [l-straat 1] in [plaats] , een van de verblijfadressen van [medeverdachte 2] , en als eindbestemming de [j-straat] in [plaats] . Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [betrokkene 5] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon zich op 27 juni 2017 in de middag tussen 13.28 uur en 13.49 uur in [plaats] bevond om vervolgens om 14.17 uur een zendmast aan te stralen op de [m-straat] in [plaats] . Uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon zich tot 12.42 uur in [plaats] bevond. Vervolgens straalde zijn telefoon voor het eerst weer een zendmast aan op de [n-straat] in [plaats] . Dit was om 14.13 uur. De zendmasten op de [m-straat] in [plaats] en de [n-straat] in [plaats] bevinden zich in elkaars verlengde langs de [snelweg] . 6.3.2.2.2. Verplaatsen naar de loods aan de [o-straat] in [plaats] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon op 28 juni 2017 om 14.22 uur een zendmast aanstraalde bij [plaats] . Deze zendmast ligt in de nabije omgeving van [plaats] . Uit de gegevens van de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen Volvo blijkt dat dit voertuig zich op 28 juni 2017 omstreeks 14.26 uur van [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst. Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [betrokkene 5] (* [telefoonnummer 3] ) blijkt dat zijn telefoon om 14.27 uur gebruik heeft gemaakt van een zendmast aan de [p-straat] in [plaats] . Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] op 28 juni 2017 bij de loods in [plaats] zijn geweest. 6.3.2.2.3. Verplaatsen naar [plaats] Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [betrokkene 5] (* [telefoonnummer 3] ) volgt dat de telefoon om 18.07 uur nog gebruikmaakte van de zendmast aan de [p-straat] in [plaats] . Vervolgens verplaatste de telefoon zich via [plaats] , [plaats] en [plaats] naar [plaats] om daar om 19.05 uur een zendmast aan te stralen aan de [v-straat] 23. Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 5] zich op 28 juni 2017 vanuit [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst. 6.3.2.2.4. ‘Beschieting’ met raketwerper Uit veiliggestelde beelden van een camera aan de [j-straat 3] in [plaats] blijkt dat er op 28 juni 2017 tussen 18.53 uur en 19.00 uur vijfmaal een zilvergrijze Peugeot 308 voorbij is gereden. [getuige 4] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2017 omstreeks 19.05 uur een man over de ventweg naast de [j-straat] in [plaats] zag lopen. Hij zag dat de man een legergroene buis met een diameter van ongeveer 10 cm langs de linkerkant van zijn lichaam hield. Kort hierna hoorde de getuige een auto hard achteruitrijden. De getuige zag dat de man met de legergroene buis in een Peugeot stationwagen stapte en dat deze auto daarop snel wegreed. De getuige heeft later op internet gezocht naar het voorwerp dat de man vasthield en is ervan overtuigd dat het een bazooka was. Uit nader onderzoek naar diezelfde camerabeelden is gebleken dat dezelfde zilvergrijze Peugeot 308 om 19.16 uur en 19.18 uur opnieuw langs de [j-straat 3] is gereden. 29 juni 2017 6.3.2.3. De beschieting van de [j-straat 1] (en [j-straat 2] ) Op 29 juni 2017 is omstreeks 23.00 uur de [j-straat 1] beschoten met een kalasjnikov (AK-47), waarbij de gevel van de woning is geraakt. Bij deze beschieting is ook een houten tuinschuur aan de [j-straat 2] geraakt. 6.3.2.4. De verklaringen van [betrokkene 5] [betrokkene 5] heeft over de beschieting op de [j-straat 1] in [plaats] verklaard dat achteraf is gebleken dat hij en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in [plaats] hebben gestaan. De woning van 28 juni 2017 bleek ook nummer […] te hebben maar bevond zich op de [r-straat] , op de hoek met de [j-straat] . [betrokkene 5] heeft vervolgens van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om de juiste woning te zoeken. [betrokkene 5] is weer naar [plaats] gereisd en heeft daarbij met een Samsung foto’s genomen van de [j-straat 1] in [plaats] . Hij heeft daarbij als alibi voor zijn aanwezigheid met zijn iPhone ook een foto van een huurwoning aan het einde van de betreffende straat gemaakt. Nadat [medeverdachte 2] , na het zien van de door [betrokkene 5] gemaakte foto’s, contact had gelegd met de groep van de opdrachtgever, werd aan [medeverdachte 2] bevestigd dat het huis aan de [j-straat 1] de juiste woning was. De volgende dag heeft [betrokkene 5] van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [j-straat 1] in [plaats] . Nadat [betrokkene 5] tegen [medeverdachte 2] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [medeverdachte 2] contact opgenomen met [betrokkene 11] , de president van chapter [plaats] van [motorclub] . [betrokkene 11] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [betrokkene 7] en [verdachte] , naar voren geschoven voor de opdracht.
Volledig
Ondertussen had [betrokkene 5] van [medeverdachte 2] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. Daarbij was het de bedoeling dat [betrokkene 7] als schutter zou optreden en [verdachte] als back-up als [betrokkene 7] zou weigeren op de woning te schieten. [betrokkene 5] is vervolgens naar [betrokkene 11] in [plaats] gereden, heeft [verdachte] en [betrokkene 7] opgehaald en is met zijn Peugeot 206 naar de loods in [plaats] gereden. Daar hebben zij de Seat Leon gepakt. Zij hebben hun telefoons in [plaats] achtergelaten en zijn naar [plaats] gereden. Nadat [betrokkene 5] de juiste woning had aangewezen, zijn [betrokkene 7] en [verdachte] uit de auto gestapt en heeft [betrokkene 7] de woning beschoten. [betrokkene 5] heeft van [betrokkene 7] begrepen dat de kalasjnikov na drie of vier schoten bleef hangen. Hierop zijn [betrokkene 7] en [verdachte] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden. [betrokkene 5] , [betrokkene 7] en [verdachte] zijn vervolgens naar [plaats] gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van [plaats] gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [betrokkene 5] contact gezocht met [medeverdachte 2] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [betrokkene 7] en [verdachte] contact gezocht met hun partners en heeft [betrokkene 7] geregeld dat ze zijn opgehaald door [betrokkene 22] . Verder heeft [betrokkene 5] verklaard dat [betrokkene 7] later de Seat Leon in [plaats] heeft opgehaald en dat [betrokkene 7] daarbij het wapen mee naar huis heeft genomen om te bekijken waarom het was blijven hangen. Hieruit bleek dat er een kogel vastzat in de loop. Het hof acht deze verklaring van [betrokkene 5] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken. 6.3.2.5. De onderbouwing van de verklaringen van [betrokkene 5] en overige bewijsoverwegingen Naar aanleiding van het onderzoek en de door [betrokkene 5] afgelegde verklaringen is het volgende gebleken. 6.3.2.5.1. Vasstellen van de juiste woning Uit nader onderzoek aan de onder [betrokkene 5] inbeslaggenomen iPhone 6 volgt dat met dit toestel op 29 juni 2017 om 14.40 uur een foto is gemaakt van een woning in [plaats] . Blijkens de coördinaten is dit in de [s-straat] ter hoogte van nummer […] in [plaats] . Op de onder [betrokkene 5] inbeslaggenomen Samsung is een foto aangetroffen van de [j-straat 1] in [plaats] . Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [betrokkene 5] dat hij in [plaats] is geweest om erachter te komen wat de juiste woning was. 6.3.2.5.1. Handgranaten Uit een PGP-gesprek van 29 juni 2017 tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 17] blijkt dat [betrokkene 17] een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [accountnaam] ’. ‘ [accountnaam] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [t-straat 1] nieuwegein”. Uit de opmerking “appels aanpakken” en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof af dat over handgranaten wordt gesproken. 6.3.2.5.3. [betrokkene 7] en [verdachte] geregeld als uitvoerders Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 5] en * [telefoonnummer 6] ), [verdachte] (* [telefoonnummer 4] ) en [betrokkene 11] (* [telefoonnummer 7] ) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad. Om 18.07 uur wordt het nummer van [betrokkene 7] gebeld door het nummer van [verdachte] en om 18.15 uur belt het andere nummer van [betrokkene 7] naar het nummer van [betrokkene 11] . Vervolgens is er om 18.39 uur opnieuw contact tussen de nummers van [betrokkene 7] en [verdachte] en om 19.00 uur en 19.03 uur tussen die van [betrokkene 7] en [betrokkene 11] . 6.3.2.5.4. Vertrekken vanaf [plaats] naar de loods in [plaats] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [betrokkene 5] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon om 18.29 uur en om 18.43 uur een zendmast aanstraalde op de [u-straat 1] in [plaats] . Uit het aanstralen van de zendmasten is af te leiden dat de telefoon van [betrokkene 5] zich verplaatste vanaf [plaats] (18.43 uur), via [plaats] (19.59 uur) naar [plaats] (22.00 uur). De telefoon van [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 6] ) bewoog van [plaats] (19.18 uur), via [plaats] (19.37 uur en 19.44 uur) en [plaats] (20.07 uur) eveneens naar [plaats] (20.08 uur) en maakte daar tot en met 21.24 uur gebruik van zendmasten in [plaats] . Uit screenshots aangetroffen op de onder [betrokkene 5] inbeslaggenomen Samsung blijkt dat zijn Peugeot 206 op 29 juni 2017 om 19.10 uur een snelheidsovertreding heeft begaan ter hoogte van de trajectcontrole [snelweg] [plaats] rechts. Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [betrokkene 5] dat hij, [verdachte] en [betrokkene 7] zich vanuit [plaats] / [plaats] naar de loods in [plaats] hebben verplaatst. 6.3.2.5.5. Achterlaten van de telefoons in [plaats] Het telefoonnummer van [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 6] ) maakte op 29 juni 2017 om 21.24 uur voor het laatst die dag gebruik van een zendmast aan de [p-straat] in [plaats] . Op 1 juli 2017 werd voor de eerste keer weer een zendmast aangestraald. Uit onderzoek van de iPhone van [betrokkene 5] blijkt dat het [telefoonnummer 1] op 29 juni 2017 vanaf 22.00 uur tot en met 30 juni 2017 om 21.05 uur zendmasten aanstraalde in [plaats] en dus ook ten tijde van het schietincident op de [j-straat 1] in [plaats] . Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [betrokkene 5] dat hij en in ieder geval [betrokkene 7] hun telefoon in [plaats] hebben achtergelaten. 6.3.2.5.6. Schieten op de [j-straat 1] in [plaats] Uit de beelden van de beveiligingscamera op de [j-straat 3] in [plaats] volgt dat om 22.51 uur een persoon met voor zich iets in zijn handen over de [j-straat] in de richting van de [s-straat] loopt. Een tweede persoon loopt achter de eerste persoon aan. Enkele seconden later zijn er lichtflitsen te zien bij de [j-straat 1] , waarna beide personen terugrennen in de richting van waar zij vandaan kwamen (richting de [v-straat] ). De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien. De lengte van de eerste en de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m en tussen 1.70 en 1.72 m. [betrokkene 7] is 1.78 m lang en [verdachte] 1.72 m. Nabij de woning aan de [j-straat 1] zijn vier hulzen en twee projectielen (manteldelen) gevonden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de vier hulzen het kaliber 7,62 x 39 mm hebben en dat deze hulzen vermoedelijk zijn verschoten met een semiautomatisch werkend aanvalsgeweer van het type kalasjnikov (AK-47) of een wapen dat daarvan is afgeleid. De twee manteldelen passen bij het kaliber 7,62 x 39 mm. 6.3.2.5.7. Vluchten naar [plaats] – café [C] Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ), [betrokkene 22] (* [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] ) (partner van [betrokkene 7] ) en [betrokkene 23] (* [telefoonnummer 10] ) (partner van [verdachte] ) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en 30 juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het [telefoonnummer 11] . Dit nummer is van café [C] in [plaats] . 6.3.2.5.8. Ophalen door [betrokkene 22] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [betrokkene 22] (* [telefoonnummer 8] ) blijkt dat dit nummer op 30 juni 2017 om 00.45 uur een zendmast aanstraalde in [plaats] . Vervolgens straalde het tussen 01.35 uur en 01.40 uur de mast aan het [z-straat] 44 in [plaats] aan, om vervolgens om 03.12 uur weer de zendmast aan de [x-straat] in [plaats] aan te stralen. Uit onderzoek van het navigatiesysteem van de door [betrokkene 22] gebruikte Fiat Panda volgt dat onder verwijderde items twee locaties in [plaats] zijn aangetroffen: de [y-straat] en [B] . Ook zijn in de TomTom coördinaten aangetroffen die betrekking hebben op de locatie [z-straat] in [plaats] .
Volledig
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [betrokkene 5] dat [betrokkene 22] [betrokkene 7] , [verdachte] en [betrokkene 5] heeft opgehaald in [plaats] . De [y-straat] ligt in een woonwijk in [stadswijk] en past bij de verklaring van [betrokkene 5] over waar zij de auto met het wapen hebben achtergelaten en waar [betrokkene 7] de auto en het wapen later weer heeft opgehaald. 6.3.2.5.9. Onderzoek kalasjnikov door [betrokkene 7] Op een mobiele telefoon die inbeslaggenomen is op de [aa-straat 1] in [plaats] zijn verschillende foto’s aangetroffen van [betrokkene 7] en [betrokkene 22] . Ook zijn er twee afbeeldingen van het uitwerpmechanisme aan de bovenkant van een vuurwapen en twee afbeeldingen van een los patroon en een lege huls gevonden. In het uitwerpmechanisme is een huls te zien die schuin in het aanvoergedeelte zit. Uit nader onderzoek blijkt dat het vuurwapen op de afbeeldingen een kalasjnikov is, waarmee normaal gesproken munitie van het kaliber 7,62 x 39 mm wordt verschoten. Op de afbeelding is ook een storing te zien. Er is een patroon aangevoerd, terwijl de huls van een vorig schot is blijven hangen. Op de afbeeldingen van het vuurwapen en de munitie is op de achtergrond een houten bruine tafel met een zwarte placemat en witte rechthoekige vloertegels zichtbaar. Zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 22] heeft aan de hand van de achtergrond de woning van de moeder van [betrokkene 22] herkend. [betrokkene 22] heeft aan de hand van de placemat ook de tafel van haar moeder herkend. 6.3.2.6. De beeldmeting De verdediging van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal beeldmeting van 11 februari 2020 niet bruikbaar is voor het bewijs. Daarbij heeft de raadsman gewezen op een brief van een deskundige van het NFI van 28 augustus 2019 en gesteld dat het NFI de uitkomst van de beeldmeting niet betrouwbaar zou achten. In de bedoelde brief heeft de NFI-deskundige de haalbaarheid van het beantwoorden van een aantal door de officier van justitie gestelde onderzoeksvragen beoordeeld op basis van het aangeleverde beeldmateriaal (SIN AAMI1746NL), zijnde de beelden van de beveiligingscamera van [j-straat 3] van het schietincident op 29 juni 2017. Die onderzoeksvragen luidden: ‘Is verbetering van de beeldkwaliteit van de bedoelde beeldfragmenten mogelijk en wel tot een dusdanig niveau dat daarop de zichtbare personen voor herkenning in aanmerking kunnen komen, dan wel ondanks de beschikbare beeldverbeteringsmogelijkheden uitgesloten moeten worden van herkenning? Kan beeldvergelijkend onderzoek tussen [beeldbron I] en [beeldbron II], gelet op lengte, loop, postuur of andere aspecten/kenmerken van de perso(o)n(en) op het beeldmateriaal, leiden tot een waarschijnlijkheidsuitspraak over: - of het dezelfde perso(o)n(en) is/zijn?’. Beeldbron I is het aangeleverde beeldmateriaal en beeldbron II zijn de eventueel nog te maken vergelijkingsopnamen van de verdachte. De rapporteur heeft de aangeleverde beelden bekeken en daarbij de volgende bevindingen gedaan: - ‘Als zodanig bevatten de beelden onvoldoende details om bruikbaar te zijn voor vergelijkend onderzoek. Ook hebben wij geen aanknopingspunten gevonden voor beeldverbetering die een positieve invloed kunnen hebben op de bruikbaarheid van het materiaal voor persoonsherkenning of -vergelijking. - Voor een analyse van de manier van lopen (“gait analysis”) geldt dat de ons beschikbare methoden onvoldoende betrouwbaar zijn om een bruikbaar resultaat te verwachten op basis van het aangeleverde materiaal. - Een globale inschatting van het postuur van de persoon in de aangeleverde beelden geeft geen reden aan te nemen dat dit veel afwijkt van een normaal postuur. Indien de verdachte een postuur heeft dat overduidelijk afwijkt van een dergelijk postuur, kan dit mogelijk leiden tot uitsluiting. In dat geval is echter de verwachting dat dit ook zonder onderzoek door het NFI al duidelijk zal zijn. - De mogelijkheden voor een schatting van de lengte zijn beoordeeld. De verwachting is dat de meetonzekerheden die het gevolg zullen zijn van onder meer de beperkte resolutie, het gebrek aan contrast en het niet beschikbaar zijn van de camera, dermate groot zullen zijn dat het onderzoek weinig tot geen bewijskracht zal hebben. Een uitzondering hierop is als de verdachte duidelijk veel korter of langer is dan gemiddeld; dan zou een onderzoek op uitsluiting uit kunnen komen. Ook hier geldt echter de verwachting dat dit ook zonder onderzoek door het NFI al te zien zou moeten zijn. Al met zien wij geen (zinnige) mogelijkheden voor onderzoek op basis van het aangeleverde materiaal’. De Dienst Regionale Recherche heeft aan de hand van de beelden van het incident (AAMI1746NL) aanvullend beeldonderzoek gedaan, dat bestond uit de volgende drie onderdelen: 1. Het verrichten van metingen op 7 januari 2020 van de omgeving van het incident door middel van een 3Dlaserscanning; 2. Het verzamelen van ontbrekende brongegevens; 3. Het uitvoeren van een beeldmeting mede aan de hand van lenscorrectie en cameramatching, waarvoor op 30 januari 2020 op de locatie [j-straat 3] in [plaats] vanuit dezelfde positie en met dezelfde instellingen als die van de camera van de beelden van het incident referentiebeelden van onder andere een proefpersoon en een meetlat zijn gemaakt. De metingen van de omgeving van het incident zijn uitgevoerd met behulp van een statische 3Dlaserscanner en referentiepunten en hebben geresulteerd in een 3Dpuntenwolk van de omgeving van het incident, wat volgens de verbalisanten een realistisch beeld en een nauwkeurige maatvoering van de situatie geeft. Bij de beeldmeting zijn een lenscorrectie en cameramatching uitgevoerd waarvoor gebruik is gemaakt van nieuwe informatie van de bewoners en de oud-bewoners van de [j-straat 3] over het gebruikte camerasysteem en de positie en de oriëntatie van de camera die de beelden van het schietincident op 29 juni 2017 heeft gemaakt. De oudbewoner van de [j-straat 3] had vier camera’s rondom de woning geïnstalleerd. Onder de dakrand van een uitbouw van de woning [j-straat 3] bevonden zich nog twee van die vier camera’s. Deze waren niet meer in gebruik. De oud-bewoner heeft de verbalisanten laten weten dat hij vermoedt dat de beveiligingscamera die de beelden van het schietincident heeft vastgelegd van hetzelfde merk en type was (Grundig GCHK0323V). Een van de twee nog op het adres [j-straat 3] aanwezige camera’s is inbeslaggenomen. Ook is onder de oud-bewoner de harddiskrecorder inbeslaggenomen. Daarop hebben de verbalisanten beelden gevonden die wat betreft camerapositie, cameraoriëntatie, zoombereik, beeldverhouding en framerate overeenkomen met de beelden van het schietincident op 29 juni 2017. Aan de hand van beelden van Google Street View van augustus 2016 hebben de verbalisanten de positie van de beveiligingscamera die de beelden van het incident op 29 juni 2017 heeft gemaakt bepaald. De lenscorrectie en cameramatching zijn uitgevoerd volgens de gevalideerde methode voor een snelheidsberekening die is ontwikkeld door het Kwaliteitsnetwerk Forensisch Omgevingsonderzoek van de politie. Het zicht van de camera in de 3Domgeving is gematcht met het zicht van de camera van de beelden van het schietincident op 29 juni 2017. Op die manier is volgens het procesverbaal een 3Dmodel verkregen waarin een 3Dfiguur of een object kan worden geplaatst voor een lengtemeting in relatie tot 2Dbeeldmateriaal. Voor de beeldmeting zijn van zowel de persoon 1 als de persoon 2 drie verschillende beelden van de beveiligingscamera van 29 juni 2017 op drie verschillende posities gebruikt. De van de persoon 1 gemeten lengte – de afstand tussen de bovenkant van het hoofd en de onderkant van de schoen – is in de posities 1, 2 en 3 respectievelijk 179 cm, 179 cm en 178 cm. De van de persoon 2 gemeten lengte is in de posities 1, 2 en 3 respectievelijk 170 cm, 172 cm en 171 cm. In wat de verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd ziet het hof geen reden om het proces-verbaal beeldmeting van 11 februari 2020 niet voor het bewijs te gebruiken.
Volledig
In zijn brief van 28 augustus 2019 heeft de NFI-deskundige beoordeeld of de kwaliteit van de beelden van de beveiligingscamera van [j-straat 3] kan worden verbeterd en of die beelden geschikt zijn voor beeldvergelijkend onderzoek, om een uitspraak te doen over de waarschijnlijkheid dat de verdachte een van de twee personen op de beelden is. Volgens de NFIdeskundige is het beschikbare beeldmateriaal niet geschikt voor een dergelijk onderzoek. Hij zag ook geen aanknopingspunten voor beeldverbetering. De deskundige heeft daarbij de verwachting uitgesproken dat de meetonzekerheden die het gevolg zijn van onder meer de beperkte resolutie, het gebrek aan contrast en het niet beschikbaar zijn van de camera, dermate groot zijn dat een onderzoek naar een geschatte lengte weinig tot geen bewijskracht zal hebben. De uitgevoerde beeldmeting is echter geen beeldvergelijkend onderzoek met het oog op een persoonsherkenning of vergelijking maar een schatting van de lengte van de persoon 1 en de persoon 2 op de beelden van het schietincident op 29 juni 2017, waarvoor aanvullend onderzoek is gedaan. De inschatting dat vanwege de meetonzekerheden een onderzoek naar een geschatte lengte op basis van het aangeleverde beeldmateriaal weinig tot geen bewijskracht heeft, kan dan ook niet betekenen dat de uitkomsten van de beeldmeting zoals die uiteindelijk is uitgevoerd geen bewijswaarde zouden hebben. De verbalisanten, die tijdens hun onderzoek geen informatie hadden over de afmetingen van de verdachten, hebben in hun procesverbaal van 11 februari 2020 inzichtelijk gemaakt op welke manier zij de beeldmeting hebben verricht en welk nader onderzoek zij daarvoor hebben uitgevoerd. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beeldmeting en de verschillende onderdelen van het daartoe uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig, onlogisch of op een andere manier onjuist zouden zijn. Naar het oordeel van het hof komt, ondanks de nietoptimale kwaliteit van de beelden van 29 juni 2017 van de beveiligingscamera van de [j-straat 3] , bewijswaarde toe aan de op basis van de beeldmeting geschatte lengte van de persoon 1 en de persoon 2, in die zin dat dit een betrouwbare schatting is van de lengte van die personen. […] 6.3.2.9. De rol van [verdachte] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte] op 29 juni 2017 bij de beschieting van de woning aan de [j-straat 1] in [plaats] op de schutter toezicht heeft gehouden en als backup voor de schutter heeft gefungeerd. [verdachte] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Hij heeft in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] , [betrokkene 7] en [betrokkene 5] gehandeld en zelf een bijdrage van voldoende gewicht geleverd, door mee te gaan voor het houden van toezicht op [betrokkene 7] als de aangewezen schutter en door aanwezig te zijn bij het schieten en dit over te nemen als [betrokkene 7] zijn taak niet zou verrichten. [verdachte] heeft zich daarmee ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en scherpe patronen, zoals onder 2 is ten laste gelegd. ” De bespreking van het vierde middel 30. Het hof neemt de verklaring van de kroongetuige tot uitgangspunt. Die verklaring houdt in: - Op 29 juni 2017 gaf [medeverdachte 2] [betrokkene 5] de opdracht om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [j-straat 1] in [plaats] . - Nadat [betrokkene 5] tegen [medeverdachte 2] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [medeverdachte 2] contact opgenomen met [betrokkene 11] , de president van chapter [plaats] van [motorclub] . [betrokkene 11] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [betrokkene 7] en de verdachte, naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [betrokkene 5] van [medeverdachte 2] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. - [betrokkene 5] , [betrokkene 7] en de verdachte zijn naar de woning gereden, waar [betrokkene 5] de juiste woning heeft aangewezen. Vervolgens zijn [betrokkene 7] en de verdachte uit de auto gestapt en heeft [betrokkene 7] de woning beschoten. De kalasjnikov bleef na drie of vier schoten hangen. Hierop zijn [betrokkene 7] en de verdachte teruggerend naar de Seat Leon en weggereden. [betrokkene 5] heeft verklaard dat het de bedoeling was dat [betrokkene 7] als schutter optrad en dat de verdachte als back-up fungeerde, voor het geval dat [betrokkene 7] zou weigeren op de woning te schieten. - [betrokkene 5] , [betrokkene 7] en de verdachte zijn vervolgens naar [plaats] gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van [plaats] gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [betrokkene 5] contact gezocht met [medeverdachte 2] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [betrokkene 7] en de verdachte contact gezocht met hun partners en heeft [betrokkene 7] geregeld dat ze zijn opgehaald door [betrokkene 22] (zijn vriendin). 31. De betrokkenheid van de verdachte volgt daarnaast uit ander bewijs, dat steunt biedt aan de verklaring van de kroongetuige. Het hof stelt vast: - Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 5] en * [telefoonnummer 6] ), de verdachte (* [telefoonnummer 4] ) en [betrokkene 11] (* [telefoonnummer 7] ) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad. - Op camerabeelden van de beschieting (om 22.51 uur) zijn twee personen te zien. De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien (‘de beeldmeting’). De lengte van de eerste en van de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m. en tussen 1.70 en 1.72 m. [betrokkene 7] is 1.78 m. lang en de verdachte 1.72 m. - Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ), [betrokkene 22] (* [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] ) (partner van [betrokkene 7] ) en [betrokkene 23] (* [telefoonnummer 10] ) (partner van de verdachte) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en 30 juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het [telefoonnummer 11] . Dit nummer is van café [C] in [plaats] . 32. Gelet op het bovenstaande is het oordeel van het hof over de aanwezigheid en betrokkenheid van de verdachte (als back-up van de schutter) niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. 33. Het vierde middel faalt. Het vijfde middel 34. Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de kroongetuige in de zaken [deelonderzoek 3] en [deelonderzoek 1] . De pleitnota en de overwegingen van het hof 35. De steller van het middel verwijst ter onderbouwing op de inhoud van de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde en voorgedragen pleitnota (p. 45 en 46). Dit deel van de pleitnota luidt als volgt: “ 3.6. De kroongetuigendeal De verdediging stelt zich op het standpunt dat de kroongetuigendeal niet gesloten had mogen worden in de zaak [deelonderzoek 3] en [deelonderzoek 1] . De kroongetuige weet niet of nauwelijks iets over de zaak [slachtoffer 2] hij heeft zich hier - zo blijkt - vergist. Waar het de verdenkingen jegens cliënt betreft betekent dit dat er door het openbaar ministerie een kroongetuigendeal is aangegaan voor de beschieting van een - onbewoond - pand aan de [j-straat 1] te [plaats] . De kroongetuigendeal dient te worden getoetst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daaraan voldoet deze deal, voorgesteld door het OM en getoetst door de R-C in het kader van art. 226g Sv niet. Althans niet in het kader van het onderzoek [deelonderzoek 3] . Ten onrechte heeft de rechter-commissaris op 14 november 2018 de overeenkomst met de kroongetuige 226g Sv rechtmatig geoordeeld.
Volledig
Ten aanzien van het onderzoek [deelonderzoek 3] had gelet op de relatief betrekkelijke ernst van dit feit, ervoor moeten worden gekozen de beschieting niet als lijstfeit te doen opnemen in de overeenkomst. [betrokkene 5] had hier eventueel afzonderlijk voor kunnen worden vervolgd. Zijn verklaringen hadden dan kunnen worden beoordeeld als “ gewone ” verklaringen van een medeverdachte. Ook bij een eventuele vervolging van cliënt. Van een poging doodslag als ten laste gelegd was evident geen sprake. Niet op de uithuizige bewoners, niet op de buren. In de kroongetuigeovereenkomst wordt ook aangegeven dat subsidiair sprake zou kunnen zijn van bedreiging en vernieling (p. 2 van 7). In de tenlastelegging van cliënt is dat openlijk geweld tegen goederen geworden. Nu de rechtmatigheid van de overeenkomst door de rechter-commissaris is getoetst en de voorgenomen overeenkomst rechtmatig werd bevonden en tot stand is gekomen, is de vraag welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de disproportionaliteit van de inzet van dit paardenmiddel. De verdediging ziet dit als een ernstig vormverzuim in het kader van het voorbereidend onderzoek, waardoor de gerechtvaardigde belangen ( waaronder zijn recht op een eerlijk proces binnen redelijke termijn ) van cliënt in ernstige mate en onherstelbaar zijn geschonden. Toepassing van art. 359a Sv ligt voor. Nu de overeenkomst is getoetst door de rechter-commissaris is het vormverzuim niet langer alleen toe te rekenen aan het OM. Het belang van het stellen van strenge (ongeschreven) eisen aan de inzet van de kroongetuige is groot. Bij verdenkingen die objectief beschouwd niet meer dan een “ bedreiging en vernieling ” inhouden, dient deze opsporingsmethode niet te worden ingezet. Een passende sanctie op deze normoverschrijding is uitsluiting van het bewijs, waar het betreft de verklaringen van [betrokkene 5] voorzover deze betrekking hebben op de beschieting van het pand aan de [j-straat] . Door dit feit op te nemen in de deal is het risico in het leven geroepen dat de kroongetuige na het sluiten van de deal niet meer terug wenste en/of durfde te komen op zijn beschuldigingen aan het adres van mijn cliënt. Het is aannemelijk dat hij ervoor zou kiezen te persisteren in zijn verhaal, ook als hij zou weten dat het niet klopt. De waarheidsvinding wordt zodoende ernstig belemmerd door de deal. Reden waarom de verdediging de rechtbank verzoekt op grond van art. 359a Sv geen verklaringen van [betrokkene 5] te gebruiken voor het bewijs in de zaak [deelonderzoek 3] .” 36. Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen: “ 5.3.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [betrokkene 5] , omdat de overeenkomst met [betrokkene 5] niet rechtmatig zou zijn. Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [betrokkene 5] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [betrokkene 5] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [betrokkene 5] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [betrokkene 5] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [betrokkene 5] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [betrokkene 5] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging. Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [betrokkene 5] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen. Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk? Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [betrokkene 5] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [betrokkene 5] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [betrokkene 5] te komen. [betrokkene 5] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [betrokkene 5] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie. (…) Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [betrokkene 5] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [betrokkene 5] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [betrokkene 5] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [betrokkene 5] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet.” De bespreking van het vijfde middel 37. Voor zover het door de verdediging aangevoerde kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot bewijsuitsluiting, wat mijns inziens niet het geval is, is dit kennelijk gegrond op twee argumenten. Allereerst dat de kroongetuige niet of nauwelijks iets weet over het [deelonderzoek 1] en zich wat die zaak betreft kennelijk heeft vergist. Ten tweede dat de rechter-commissaris ten onrechte heeft geoordeeld dat de overeenkomst met de kroongetuige rechtmatig was, in ieder geval voor zover die overeenkomst [deelonderzoek 3] betrof, omdat de opname van dit feit als lijstfeit gezien de beperkte ernst ervan disproportioneel is. 38. Het hof heeft vastgesteld dat de verklaringen van de kroongetuige [betrokkene 5] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv en heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [betrokkene 5] te komen.