Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:PHR:2026:294
Strafrecht
24,114 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:294 text/xml public 2026-03-27T09:29:35 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 25/00524 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:294 text/html public 2026-03-27T09:29:03 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:294 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 25/00524 Conclusie AG in de megazaak Eris(liquidaties en voorbereidingen van liquidaties). Middelen over o.m. de rechtmatigheid van de deal met de kroongetuige en over de enkele ambtshalve constatering door het hof van vormverzuimen die verband houden met de Landeck- en Prokuratuur-problematiek. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81.1 RO. Tussen 25/00523, 25/00524, 25/00537, 25/00542, 25/00579, 25/00658, 25/00659, 25/00667, 25/00688, 25/00689 en 25/00690 bestaat samenhang. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer25/00524 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 12 februari 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-003047-22) wegens: - Ten aanzien van het [deelonderzoek 1] (16-707552-17 en 16-659052-20) “ voorbereiding van moord ” “ medeplichtigheid aan medeplegen van moord ” veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof, niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissingen genomen over het beslag en de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00523, 25/00542, 25/00537, 25/00579, 25/00690, 25/00689, 25/00688, 25/00667, 25/00659 en 25/00658. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben twaalf middelen van cassatie voorgesteld. De zaak 4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de hoofdverdachte (oprichter en leider van de [motorclub] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen. 5. De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde: (11). het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst; (12). (geen) sanctionering van vormverzuimen op basis van ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’; (1). de beslissing op een verzoek tot inzage in ‘het bibliotheekdossier’; (2)-(5)&(7). de bewezenverklaring (in [deelonderzoek 1] ); (6). de beslissing op een voorwaardelijk getuigenverzoek; (8)(9).de verwerping van een verweer over het recht op een eerlijk proces; (10). de kwalificatiebeslissing. Het elfde middel Inleiding 6. Het middel komt op tegen het oordeel over de rechtmatigheid van de met de kroongetuige gesloten overeenkomst en tegen de verwerping van een daarmee verband houdend niet-ontvankelijkheidsverweer. Geklaagd wordt dat het OM bij het bepalen van de strafeis is uitgegaan van een gevangenisstraf van twintig jaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van vier entwintig jaren stond vermeld. Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis 7. De door de rechter-commissaris rechtmatig bevonden overeenkomst hield in dat het OM zonder de afspraken met de kroongetuige een gevangenisstraf zou hebben geëist van vierentwintig jaren en dat die strafeis zou worden verminderd met 50% wanneer de kroongetuige zijn afspraken onverkort zou nakomen. De verlaging van de basisstrafeis van vierentwintig naar twintig jaren brengt, aldus de stellers van het middel, met zich dat deze afspraak is komen te vervallen. De gewijzigde afspraak is niet onderworpen geweest aan toetsing door de rechter-commissaris. Dit betekent dat de gewijzigde afspraak niet kan gelden als een rechtmatige afspraak tussen het OM en een kroongetuige als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr. 8. De wijziging van de vi-regeling die ingevolge de Wet straffen en beschermen is ingetreden, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid die een afwijking van de door de rechter-commissaris getoetste afspraak rechtvaardigt omdat die wijziging (naar het oordeel van de Hoge Raad) geen verzwaring oplevert van de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was (als bedoeld in artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR), maar slechts een wijziging van de executie ervan. De vermindering van de geëiste straf met méér dan de helft van de basisstrafeis van vierentwintig jaar, was dan ook ontoelaatbaar. ‘s Hofs andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 9. Bovendien heeft het hof bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de gewijzigde overeenkomst niet betrokken of de extra korting van vier jaar gevangenisstraf (nog) proportioneel is. De extra korting past niet binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het OM toekomt en het (impliciete) oordeel van het hof dat die strafeis niet zodanig onbegrijpelijk laag is dat zij moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. 10. Ook het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige door het verlagen van de basisstrafeis zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad, achten de stellers van het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De wetsgeschiedenis wijst uit dat een verklaring die is opgenomen na de totstandkoming van een als rechtmatig bestempelde afspraak door de zittingsrechter als bewijsmiddel terzijde moet worden geschoven wanneer “ de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of (…) hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt .” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen. Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling 11. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604 ( Passage ), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende: “ 3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art.
Volledig
226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd. De verdachte aan wie een toezegging wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om als getuige een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte, wordt in het vervolg van deze voorafgaande beschouwing aangeduid als 'de getuige'. 3.4. Art. 44a Sr, waarnaar wordt verwezen in art. 226g, eerste lid, Sv, houdt in dat de rechter in de strafzaak tegen de getuige op vordering van de officier van justitie na een op grond van art. 226h, derde lid, Sv gemaakte afspraak de straf die hij overwoog op te leggen, kan verminderen. Het tweede lid van art. 44a Sr omschrijft waarin deze strafvermindering kan bestaan. Het gaat bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf om een vermindering met maximaal de helft. De rechter houdt bij de strafvermindering ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven. Het Wetboek van Strafvordering bevat voorts voorschriften met betrekking tot onder meer de rechtsbijstand aan de getuige (art. 226h, eerste lid, Sv), de toetsing door en de beschikking van de rechter-commissaris (art. 226h, tweede en derde lid, Sv en art. 226i Sv), het horen van de getuige in de strafzaak tegen de andere verdachte (art. 226j Sv) en de maatregelen tot bescherming van de getuige (art. 226l Sv). Deze voorschriften komen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, hieronder nader aan de orde. (…) 3.12. De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat enerzijds de toetsing door de rechter-commissaris en anderzijds de toetsing door de zittingsrechter. 3.13. Art. 226g, derde lid, Sv houdt in dat de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak toetst. Het gaat daarbij om de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde door de officier van justitie voorgenomen afspraak die overeenkomstig de (vorm)voorschriften van art. 226g, tweede lid, Sv op schrift is gesteld. De rechtmatigheidstoets die de rechter-commissaris uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van art. 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voorts voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, derde lid eerste volzin, Sv). De rechter-commissaris geeft een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h, derde lid tweede volzin, Sv). De officier van justitie is gehouden de rechter-commissaris de gegevens te verschaffen die laatstgenoemde voor zijn beoordeling nodig heeft (art. 226g, derde lid, Sv). Tot die gegevens behoort ook, voor zover daarvan in het concrete geval sprake is, het proces-verbaal dat de officier van justitie heeft opgemaakt op grond van art. 226g, vierde lid, Sv. Tevens dient, zoals onder 3.10 is vermeld, de rechter-commissaris in het door art. 226g, eerste lid, Sv bestreken geval te zijn geïnformeerd over de eventuele totstandkoming en de inhoud van een schikking als bedoeld in art. 511c Sv met de getuige. De rechter-commissaris legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand. 3.14. Ook in zaken waarin een verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv bij de processtukken is gevoegd, geldt dat het is voorbehouden aan de (zittings)rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Ten aanzien van deze beslissing gelden, indien die verklaring voor de bewijsvoering wordt gebruikt, geen andere wettelijke bewijs(motiverings)voorschriften dan de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde. Evenmin gelden in cassatie met betrekking tot de toetsing van de beslissing inzake de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal bijzondere regels. Dat betekent dat in cassatie kan worden onderzocht of door de feitenrechter de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde voorschriften zijn nageleefd, maar niet of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden, ook voor zover deze zijn ontleend aan de verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv, juist zijn. Dat laatste geldt tevens voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001: AD3530). 3.15. Op grond van art. 360, tweede en vierde lid, Sv behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht. De in art. 360, tweede lid, Sv bedoelde motiveringsverplichting strekt zich niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv. In het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt, ligt al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 226h, derde lid, Sv is vervat. (Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64.) De rechter is bovendien gehouden, indien hij afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt dat vanwege onregelmatigheden bij de totstandkoming van de afspraak de verklaring van de getuige niet betrouwbaar kan worden geacht, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Indien het verweer van de verdachte ertoe strekt dat sprake is van een vormverzuim – waaronder ook kan worden begrepen een schending van art. 6 EVRM – waaraan één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, is de rechter eveneens gehouden een met redenen omklede beslissing te geven, mits door of namens de verdachte duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. ” Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof 12. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een “Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken” van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in: “ 2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren.
Volledig
Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren. 2.3 Indien de resultaten van nader onderzoek aanleiding geven tot het vaststellen van een lagere basisstrafeis dan 24 jaren, bijvoorbeeld omdat een feit naar het oordeel van de zaaksofficier van justitie niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dan zal de officier van justitie bij onverkorte nakoming door de getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, de strafeis navenant verminderen door de bijgestelde basisstrafeis te matigen met 50%. ” 13. Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen: “5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 3] , omdat de overeenkomst met [medeverdachte 3] niet rechtmatig zou zijn. Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [medeverdachte 3] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [medeverdachte 3] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [medeverdachte 3] in het [deelonderzoek 2] . Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [medeverdachte 3] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [medeverdachte 3] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [medeverdachte 3] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging. Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [medeverdachte 3] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen. Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk? Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [medeverdachte 3] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [medeverdachte 3] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 3] te komen. [medeverdachte 3] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [medeverdachte 3] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie. Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst? Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie. Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [medeverdachte 3] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [medeverdachte 3] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard. Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen. Overeenkomst proportioneel? Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [medeverdachte 3] en het afzien van vervolging van de vader van [medeverdachte 3] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [medeverdachte 3] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen.
Volledig
Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [medeverdachte 3] niet te vervolgen in het [deelonderzoek 2] ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [medeverdachte 3] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing. Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [medeverdachte 3] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het [deelonderzoek 2] het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [medeverdachte 3] is meegedeeld. Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [medeverdachte 3] voor zijn handelingen in het [deelonderzoek 2] is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast. Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [medeverdachte 3] in de zaak [deelonderzoek 2] te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [medeverdachte 3] ontbrak. Het hof constateert dat ook [medeverdachte 1] niet is vervolgd in de zaak [deelonderzoek 2] en dat er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [medeverdachte 3] in de zaak [deelonderzoek 2] niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de [vader kroongetuige] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [medeverdachte 3] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden. Netto strafeis disproportioneel? Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [medeverdachte 3] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen. Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [medeverdachte 3] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [medeverdachte 3] ook op dit punt niet onrechtmatig. Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen.
Volledig
Daar mocht [medeverdachte 3] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf. Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. (…) Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [medeverdachte 3] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [medeverdachte 3] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [medeverdachte 3] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [medeverdachte 3] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet .” De bespreking van het elfde middel Inleiding 14. Het hof heeft de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst beoordeeld en daarbij onder meer vastgesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 3] betrekking hadden op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Tevens heeft het hof geoordeeld dat het OM het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot de overeenkomst te komen. Een en ander wordt in cassatie niet bestreden. Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis 15. Het hof heeft op het punt van de wijziging van de basisstrafeis vastgesteld dat het OM bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft aangekondigd een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd, en dat het OM daadwerkelijk in afwijking van de overeenkomst een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Het hof heeft vastgesteld dat het OM als reden daarvoor heeft opgegeven dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen het vorderen van een gevangenisstraf van twaalf jaren (50% van de in de overeenkomst opgenomen basisstrafeis) voor [medeverdachte 3] zou leiden tot een netto gevangenisstraf van tien jaren, terwijl de netto gevangenisstraf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst acht jaren zou bedragen. Het OM legde de overeenkomst volgens het hof zo uit dat de inhoud van de overeenkomst ruimte bood om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren gevangenisstraf moest ondergaan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd, dat het OM de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis heeft gemotiveerd en dat de rechtbank die motivering heeft beoordeeld en de strafeis heeft overgenomen. Gelet op deze gang van zaken heeft het hof geoordeeld dat er geen aanleiding is (a) om de kroongetuigeovereenkomst onrechtmatig te achten, en (b) om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. 16. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof, anders dan de stellers van het middel, er niet van uitgaat dat de kroongetuigeovereenkomst van 13 november 2018 is komen te vervallen, maar dat de door de rechter-commissaris als rechtmatig beoordeelde overeenkomst nog steeds geldt. Deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het betoog van het OM kennelijk aldus opgevat dat het van oordeel was dat gewijzigde omstandigheden – i.c. de wijziging van de vi-regeling die door de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is ingegaan – reden gaven om uit te gaan van een andere basisstrafeis. De aangepaste basisstrafeis strekt ertoe dat de getuige onder de vigerende vi-regeling eenzelfde gevangenisstraf ondergaat als waartoe de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren (onder de vi-regeling die gold ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst) strekte, te weten effectief acht jaren gevangenisstraf. Het OM heeft zich dus geconformeerd aan ‘de geest’ van de overeenkomst. Het hof acht dit toelaatbaar. Het OM mocht van het hof aan de overeenkomst een uitleg gegeven die strookt met de bedoelingen van de partijen zoals die naar buiten toe zijn gebleken. Ik meen dat zulks niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 17. Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad – volgens de stellers van het middel – zou hebben geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling “ geen strafverzwaring ” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “ zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan .” 18. Voor zover het middel berust op de opvatting dat geen sprake meer is van een afspraak tussen het OM en een kroongetuige, als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr, die aan een rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris is onderworpen geweest, faalt het derhalve. 19. Ook faalt het middel voor zover wordt aangevoerd dat de vermindering van de gevorderde straf met méér dan de helft niet toelaatbaar zou zijn. Immers, er is geen sprake van een vermindering van de basisstrafeis met meer dan 50%: het OM is uitgegaan van een lagere basisstrafeis die het vervolgens met 50% heeft verminderd om tot de strafeis in de zaak van de kroongetuige te komen. Ik wijs erop dat het de rechter – en dus ook het OM – vrijstaat om bij de strafoplegging c.q. de eis rekening te houden met de manier waarop de straf ten uitvoer zal worden gelegd. 20. In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat het heeft geoordeeld dat de gewijzigde basisstrafeis niet zo laag is dat deze niet anders kan worden beschouwd dan als een ‘verkapte tegenprestatie’ voor het afleggen van verklaringen. In aanmerking genomen dat het oordeel van het hof dat de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren niet disproportioneel was, in cassatie niet is bestreden en gelet op de omstandigheid dat de gewijzigde basisstrafeis als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen leidt tot eenzelfde netto-detentietijd die de kroongetuige moest ondergaan, is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.
Volledig
Ik merk daarbij bovendien op dat de gewijzigde basisstrafeis zonder 50% korting als gevolg van de gewijzigde vi-regeling zelfs tot een langere netto-detentietijd zou leiden dan de oorspronkelijke basisstrafeis (achttien jaren ten opzichte van zestien jaren). 21. Gelet op het voorgaande was ten slotte geen nadere motivering vereist van ’s hofs oordeel dat er geen reden was om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Alle klachten falen. Het twaalfde middel 22. Het middel is gericht tegen de beslissing om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan ‘elektronische gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken’ (hierna kortweg: gegevensdragers) en het vorderen van verkeers- en locatiegegevens bij aanbieders van elektronische-communicatiediensten (telecomproviders). De constatering van vormverzuimen heeft te maken met een aantal relatief recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), onder meer in de zaken Prokuratuur en Landeck . De overwegingen van het hof 23. Het arrest bevat de volgende overwegingen: “5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan. Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan. Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens. Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens).
Volledig
In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4). Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken. Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.) In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding. Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden , zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving. Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden . Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd. De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast. Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan. ” Een nadere omschrijving van het twaalfde middel 24. Het middel komt met (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen drie onderdelen van de beslissing van het hof om als reactie op de vastgestelde vormverzuimen te volstaan met de (ambtshalve) constatering ervan. Dat betreft de volgende oordelen: (a). de vormverzuimen leveren in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting op; (b). in geval van toegang tot PGP-toestellen is de kans om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken gering, omdat het voornamelijk gaat om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven; (c). aangenomen wordt dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en naar verkeers- en locatiegegevens toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd. 25. De stellers van het middel tekenen tot slot aan dat het feit dat ter zitting op dit punt geen verweer is gevoerd, niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, omdat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad pas ná het bestreden arrest is gewezen. Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck 26. De afgelopen jaren hebben zich op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens in het Unierecht ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de normering van bepaalde opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht. Het Hof van Justitie heeft een aantal uitspraken gedaan over Richtlijn 2002/58/EG, onder andere in de zaak Prokuratuur . Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak Landeck uitspraak over Richtlijn 2016/680. 27.
Volledig
In een arrest van 5 april 2022 ging de Hoge Raad in op de gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitie over Richtlijn 2002/58/EG. Het arrest van de Hoge Raad ziet op de uitleg van de bepalingen die gaan over de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens) bij de aanbieder van een communicatiedienst (een telecomprovider, bedoeld in artikel 138g Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de rechtspraak van het Hof van Justitie meebrengt dat de officier van justitie die van een telecomprovider verkeers- en locatiegegevens wil vorderen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, gehouden is éérst een schriftelijke (bij spoed: mondelinge) machtiging van de rechter-commissaris te verkrijgen. Bij zijn beslissing over de daartoe strekkende vordering beoordeelt de rechter-commissaris of daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aan maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit. 28. De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck gaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “ dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene .” 29. Verder is van belang dat Hoge Raad naar aanleiding van het Prokuratuur -arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. 30. Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren. 31. Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel. 32. Dat brengt mij tot slot op de stelling dat niet in het nadeel van de verdachte mag of had mogen werken dat over de (ambtshalve geconstateerde) vormverzuimen geen verweer als bedoeld in artikel 359a Sv is gevoerd. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad d.d. 18 maart 2025 dateert van ná de bestreden uitspraak d.d. 12 februari 2025. 33. In dit verband merk ik op dat de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie al op 20 april 2023 concludeerde in de zaak Landeck . De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). Bovendien dateert het Prokuratuur -arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). De bespreking van het twaalfde middel 34. In deze zaak is het hof ambtshalve ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het door de politie verrichte onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens. Het hof overweegt dat ermee rekening moet worden gehouden dat in het opsporingsonderzoek Eris door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar gegevensdragers in beslag zijn genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin opgeslagen gegevens, zonder dat de rechter-commissaris daarvoor een schriftelijke machtiging had afgegeven, terwijl een kans bestond dat daarbij nauwkeurige conclusies over iemands privéleven zouden (kunnen) worden getrokken. Ook gaat het hof ervan uit dat onderzoek is gedaan van verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) die de officier van justitie heeft gevorderd zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. Waar deze situaties zich hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen de verdachte is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan. 35. Het hof komt vervolgens tot de beslissing om aan die vormverzuimen géén rechtsgevolg(en) te verbinden. Voor die beslissing geeft het hof de volgende redenen: (i). De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager opgeslagen gegevens als dit een kans geeft om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. (ii). Waar onderzoek is gedaan aan gegevens in PGP-toestellen gaat het voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-toestellen alleen diende om criminele activiteiten te verhullen.
Volledig
De kans om op basis daarvan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken, is gering. (iii). In het onderzoek Eris stonden verdenkingen van zeer ernstige strafbare feiten centraal. Het onderzoeken van de inhoud van de in beslag genomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden waren niet voorhanden. Gelet op de aard en de ernst van die verdenkingen waren de privacy-schendingen gerechtvaardigd en moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens voorafgaande toestemming zou hebben verleend, als de officier van justitie deze had gevorderd. (iv). De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast. 36. Het onder (i) genoemde oordeel dat de vormverzuimen die aan de orde zijn in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting opleveren, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (zie mijn opmerkingen onder randnummers 29 en 30). In de afwezigheid van een verweer waarmee het tegendeel is bepleit, vind ik de onder (ii) weergegeven overwegingen van het hof evenmin onbegrijpelijk. Deze getuigen bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. Datzelfde geldt voor de onder (iii) en (iv) beschreven overwegingen van het hof (zie in het bijzonder nog randnummers 31, 32 en 33). 37. Het hof heeft daarmee toereikend gemotiveerd dat kan worden volstaan met de (ambtshalve) constatering van de genoemde vormverzuimen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. 38. Het twaalfde middel faalt. Het eerste middel 39. Het middel gaat over de afwijzing van het verzoek om inzage in het ‘bibliotheekdossier’ van het onderzoek ‘ [deelonderzoek 1] ’. Met de term ‘bibliotheekdossier’ wordt bedoeld: “ alle documenten die in het kader van een opsporingsonderzoek tot stand zijn gekomen, inclusief de stukken die door de officier van justitie, zijnde de samensteller van het procesdossier, als niet-relevant zijn aangemerkt en dus niet tot processtuk gepromoveerd zijn. ” De relevante delen van de processtukken 40. Op de regiezitting van 6 februari 2023 heeft de raadsman een pleitnota voorgedragen. Deze houdt in: “Verzoeken strekkende tot kennisneming c.q. voeging van (proces)stukken 16. Als gezegd heeft de verdediging tevens verschillende verzoeken gedaan tot kennisneming c.q. voeging van (proces)stukken. Aan een [medeverdachte 4] van die verzoeken heeft het OM reeds gevolg gegeven, althans toegezegd daaraan gevolg te zullen geven. In dispuut is met name nog de inzage in het bibliotheekdossier (…). Inzage in bibliotheekdossier 17. Het verzoek om inzage in het bibliotheekdossier van TGO- [deelonderzoek 1] moet volgens de A-G’s worden afgewezen. Zij wijzen daartoe op rechtspraak waaruit (kort samengevat) volgt dat de verdediging geen ongeclausuleerd recht heeft om de dossiersamenstelling door het Openbaar Ministerie te controleren. Als aan een dergelijk inzageverzoek de enkele stelling ten grondslag ligt dat zich tussen de te raadplegen stukken ‘mogelijk’ ontlastende informatie bevindt, geldt dat in de regel als onvoldoende motivering. 18. De verdediging beperkt zich echter niet tot die enkele stelling. De onderbouwing van die stelling is namelijk dat de samensteller van het thans voorliggende dossier zich niet van zijn taak gekweten heeft die samenstelling op een evenwichtige manier vorm te geven: vastgesteld moet immers worden dat (daadwerkelijk) ontlastende stukken buiten het dossier zijn gehouden en eerst pas na verzoeken van de verdediging in boven water zijn gekomen. Het onlangs verstrekte document houdende technische gegevens van BlackBerry over de # [PGP-nummer] -PGP is daar een treffend voorbeeld van. Ik zal dat toelichten. 19. U weet: [verdachte] ontkent de lokker van [slachtoffer 1] te zijn geweest. Belangrijke pijler van zijn onschuldverweer is van meet af aan geweest dat in het procesdossier geen communicatie kan worden aangetroffen tussen enerzijds de # [PGP-nummer] -PGP die aan [verdachte] wordt toegeschreven en anderzijds het PGP-account van ‘ [betrokkene 1] ’ dan wel andere bij de moord op [slachtoffer 1] betrokken personen. Wij hebben er in dit verband eerder ook al op gewezen dat de vaststelling van de rechtbank dat [medeverdachte 2] door de vermeende lokker middels het # [PGP-nummer] -toestel “doorlopend op de hoogte [werd] gehouden van de voortgang van de terugreis van [slachtoffer 1] ” vanuit [plaats] (en dit toestel derhalve kwalificeert als een voorbereidingsmiddel), apert onjuist is —want die vaststelling wordt immers weersproken door de mastgegevens van bedoeld toestel. 20. We weten verder ook dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat door [medeverdachte 2] altijd via Sky gecommuniceerd werd als het over liquidaties ging (altijd). Ook rond de moord op [slachtoffer 1] werd tussen beiden door middel van Sky gecommuniceerd. Van onder meer de accounts van ' [betrokkene 1] ’, [betrokkene 2] . en [betrokkene 3] is door het onderzoeksteam bovendien vastgesteld dat het Sky accounts waren. En enkele fysiek aangetroffen PGP-toestellen bleken inderdaad ook telkens Sky-toestellen te zijn. Het is kortom allemaal Sky wat in dit dossier de klok slaat. Niet verwonderlijk heeft het onderzoeksteam daarom gemeend een proces-verbaal te moeten opstellen over de werking van Sky. In dat proces-verbaal wordt uitdrukkelijk vermeld dat “ geen bewijs [is] gevonden dat gebruikers van SkyECC kunnen communiceren met andere aanbieders van PGP-diensten ”. Door de provider No.1BC is vorig jaar bevestigd dat dit in de verhouding Sky-No1Bc inderdaad technisch onmogelijk is. 21. Dus resumerend: we weten dat zich in het procesdossier geen fysiek bewijs bevindt van contact tussen de gebruiker van de # [PGP-nummer] -PGP en het account van ‘ [betrokkene 1] ’; we weten ook dat [medeverdachte 2] volgens de kroongetuige over liquidaties altijd via Sky communiceerde (ook rond de moord de moord op [slachtoffer 1] ); en we weten ten slotte dat met een Sky-toestel niet kan worden gecommuniceerd met PGP-diensten van andere aanbieders, in ieder geval niet met een No1Bc-toestel. 22. Nu komt het: naar onlangs (min of meer toevallig) is gebleken, beschikt het onderzoeksteam al sinds januari 2018 over de informatie – die verkregen is naar aanleiding van een vordering gegevensverstrekking door [Officier van Justitie] – dat de # [PGP-nummer] -PGP ‘No1Bc’ als provider heeft gehad. Die informatie is echter nooit gevoegd in het dossier. 23. Voorzitter, retorische vraag: zou het tegen de achtergrond van het voorgaande niet in het belang van de verdediging zijn om te beschikken over de informatie dat de # [PGP-nummer] -PGP – die aan de lokker wordt toegeschreven – géén Sky-toestel betreft? 24. Het is echt onacceptabel dat deze informatie niet uit eigener beweging door het OM aan het dossier is toegevoegd. Voor de verdediging van [verdachte] is het evident relevant materiaal; dat moet ook het onderzoeksteam in 2018 al duidelijk zijn geweest (of tenminste naar verloop van de procedure in eerste aanleg duidelijk zijn geworden). De inhoud van deze informatie toont bovendien aan dat de rechtbank het bij het verkeerde eind heeft met de vaststelling dat [medeverdachte 2] middels het # [PGP-nummer] -toestel 'doorlopend op de hoogte werd gehouden van de voortgang van de terugreis van [slachtoffer 1] . De rechtbank heeft door het achterhouden van deze informatie dus een onjuiste bewijsbeslissing genomen, die voor [verdachte] hele grote gevolgen heeft (op basis van het vonnis is hem immers zijn vrijheid weer ontnomen). 25.
Volledig
Er kan gezien het voorgaande dan ook onvoldoende op worden vertrouwd dat het thans voorliggende procesdossier alle stukken bevat die voor de door uw Hof te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn én voor de verdediging noodzakelijk zijn om de betrouwbaarheid van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan te vechten. De verdediging wil daarom zelf de verdere aanwezigheid van dit soort stukken kunnen onderzoeken. De noodzaak tot kennisneming van het bibliotheekdossier is daarmee voldoende aangetoond. Ik wijs [in] dat verband ook op eerdere uitspraken van uw Hof respectievelijk de rechtbank Zeeland-West-Brabant over vergelijkbare situaties (vindplaatsen in de voetnoot) .” 41. Het proces-verbaal van die terechtzitting (van 6 februari 2023) houdt in: “ Daarnaast wordt aangenomen dat de lokker en [slachtoffer 1] samen in één auto hebben gezeten, omdat uit het dossier zou volgen dat maar één kenteken reisbeweging 3 maakt. Dat klopt niet: er zijn meerdere kentekens die op dat cruciale moment – het moment waarop [slachtoffer 1] zou zijn gelokt – die reisbeweging vanuit [plaats] naar [plaats] maken. Dit is een cruciaal punt, te meer omdat de kroongetuige heeft verklaard dat er een andere auto in het spel was. Het zou dan gaan om een auto uit de groep van [betrokkene 4] , die achter [slachtoffer 1] zou zijn aangereden. Die verklaring lijkt (dus) te worden bevestigd aan de hand van de ARS-gegevens, waaruit blijkt dat er in elk geval op het moment dat de [snelweg] opgedraaid werd, een andere auto achter de Kangoo aanreed. Wie er in die andere auto reed zullen we moeten vaststellen, maar de stelling dat het alleen maar zo kan zijn dat [slachtoffer 1] bij de lokker in de auto heeft gezeten, houdt dus in elk geval geen stand. (…) Dan de onderzoekswensen. De verdediging kan wel vragen om bepaalde stukken in te zien, maar wij weten natuurlijk ook niet wat er allemaal in dat bibliotheekdossier zit. We weten inmiddels wel dat er uiterst relevante informatie niet aan de verdediging ter beschikking is gesteld. Om helder te krijgen welke relevante informatie wij (mogelijk) nog meer missen, moeten we simpelweg alles kunnen inzien. Een alternatieve oplossing zou kunnen zijn dat er een inhoudsopgave wordt gemaakt van het bibliotheekdossier. Dan kunnen wij aan de hand daarvan aangeven welke specifieke informatie wij willen inzien. ” 42. In een tussenarrest van 31 maart 2023 heeft het hof als volgt overwogen en beslist: “22. Inzage in het bibliotheekdossier van TGO [deelonderzoek 1] De verdediging heeft voorts verzocht om inzage te verkrijgen in het zogeheten bibliotheekdossier van TGO [deelonderzoek 1] . In het geval dat dit verzoek niet wordt toegewezen, heeft de verdediging verzocht om een inhoudsopgave te laten opmaken. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot kennisneming van het bibliotheekdossier TGO [deelonderzoek 1] onvoldoende is onderbouwd en (daarom)moet worden afgewezen. Ook het verzoek tot het laten opmaken van een inhoudsopgave is volgens het openbaar ministerie onvoldoende onderbouwd. Maatstaf bij de beoordeling van het verzoek tot inzage in het bibliotheekdossier is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van een beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Bepalend is dus niet primair de aard van het stuk, maar de relevantie daarvan voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen. Het hof stelt voorop dat in beginsel het openbaar ministerie bepaalt welke stukken op grond van artikel 149a, tweede lid, Sv als processtuk aan het dossier dienen te worden toegevoegd. Dat betekent niet dat alle onderzoeksgegevens bij de processtukken hoeven te worden gevoegd. Het hof leest de toelichting op het verzoek zo dat de verdediging een beroep doet op het beginsel van equality of arms. Dit in de rechtspraak aanvaarde principe is een wezenlijk onderdeel van het recht op een eerlijk proces en beheerst de door het hof uit te voeren toetsing. Het veronderstelt onder meer dat de verdachte kennis kan nemen van het volledige procesdossier en reële en effectieve mogelijkheden moet hebben om tegen het aan hem gemaakte verwijt in te brengen wat hij in het belang van zijn verdediging acht. Ook waar het gaat om de toegepaste methoden van opsporing en de resultaten van dat onderzoek dient de verdachte in de gelegenheid te zijn, zowel in materieel als in processueel opzicht, om deze te betwisten. Op de rechter rust de verplichting erop toe te zien dat aan deze vereisten gedurende de berechting is voldaan, wat in het algemeen zo is als de verdachte, al dan niet naar aanleiding van door of namens hem gedane verzoeken, beschikt over de informatie die redelijkerwijs relevant kan worden geacht voor de hiervoor bedoelde betwisting. Anders dan de verdediging lijkt te veronderstellen, kan de verdachte geen aanspraak maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen. De door de opsporingsambtenaren verschafte verantwoording van wat ter opsporing is verricht en ondervonden zal in het licht van de strekking en inhoud van wat ter verdediging wordt aangevoerd op inhoudelijke toereikendheid dienen te worden beoordeeld. Het is aan de verdediging om concreet aan te geven welke stukken de verdediging mist. Het hof is in het licht van de hiervoor uiteengezette uitgangspunten over de samenstelling van de processtukken van oordeel dat de verdediging erin heeft tekortgeschoten voldoende concreet aan te geven welke door het openbaar ministerie verstrekte processtukken onvolledig zouden zijn of welke (proces)stukken bij de in het dossier gevoegde processtukken van [deelonderzoek 1] zouden ontbreken. Ook het verzoek tot het laten opmaken van een inhoudsopgave is feitelijk niet onderbouwd. Het hof ziet daarom de noodzaak niet om de verdediging inzage in het bibliotheekdossier te geven of van het bibliotheekdossier van [deelonderzoek 1] een inhoudsopgave te laten opmaken. ” 43. Op 18 en 19 april 2023 vond andermaal een regiezitting plaats. Uit de overgelegde pleitnota blijkt dat de raadsman daar het volgende naar voren heeft gebracht: “ 1. De verdediging heeft op eerdere zittingen al uitvoerig betoogd dat en waarom het veroordelend vonnis van de rechtbank apert onjuist is. De inhoud van de onlangs verstrekte ‘Aanvulling 134a’ heeft dat betoog onderschreven; daarmee is nu toch echt duidelijk geworden dat het vonnis in de zaak [verdachte] niet langer houdbaar is. 2. Zowel het requisitoir van het OM in eerste aanleg als vervolgens ook dat vonnis van de rechtbank, zijn immers volledig gebouwd op de veronderstelling dat [verdachte] - als lokker - het [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 vanuit [plaats] naar [plaats] heeft gebracht en [medeverdachte 2] heeft geïnformeerd over het tijdstip waarop zij daar zouden arriveren. Ik citeer een aantal passages uit deze processtukken: (…) 3. De veronderstelling dat onze cliënt het [slachtoffer 1] heeft gelokt en hem vanuit [plaats] naar [plaats] heeft vervoerd, is ingegeven door weer een andere veronderstelling, namelijk de veronderstelling dat er die 5de juli 2017 geen tweede auto met [slachtoffer 1] heeft meebewogen en het dus niet anders kan zijn dan dat [slachtoffer 1] slechts met de gebruiker van de # [PGP-nummer] -telefoon richting [geboorteplaats] / [plaats] is gereisd en dat het niet anders kan zijn dan dat met deze telefoon aan het executieteam is doorgegeven hoe laat [slachtoffer 1] in [plaats] zou aankomen. 4. Door de recente informatie uit 'Aanvulling 134a’ weten we inmiddels echter dat die veronderstelling niet klopt; er was wel degelijk een tweede auto in het spel. Een auto die nota bene in gebruik was bij iemand uit de periferie van [slachtoffer 1] .
Volledig
Deze nieuwe informatie slaat dan ook het fundament onder de door de rechtbank gebezigde bewijsconstructie vandaan: o het is immers niet langer vol te houden dat (alleen) de gebruiker van de # [PGP-nummer] die 5de juli 2017 een afspraak met [slachtoffer 1] in [plaats] kan hebben gehad; o het is niet langer vol te houden dat alleen de gebruiker van de # [PGP-nummer] [slachtoffer 1] vanuit [plaats] naar [plaats] kan hebben gebracht; o het is niet langer vol te houden dat slechts de gebruiker van de # [PGP-nummer] de aankomsttijd van [slachtoffer 1] kan hebben doorgegeven; o en dus is het niet langer vol te houden dat de gebruiker van de # [PGP-nummer] (met opzet) de lokker moet zijn geweest. 5. Sterker nog: door deze nieuwe informatie vallen de eerder al besproken contra-indicaties voor het scenario dat de gebruiker van het # [PGP-nummer] -toestel de lokker is geweest, juist beter op hun plek. Bijvoorbeeld het gemaakte punt dat - anders dan naar de verklaring van de kroongetuige zou hebben moeten blijken - de histo-gegevens van de # [PGP-nummer] er niet op duiden dat de tussenpersoon door de gebruiker van dat toestel op de hoogte werd gehouden over het verloop van de terugreis van [slachtoffer 1] vanuit [plaats] naar [plaats] . Klaarblijkelijk moet de communicatie daarover dus inderdaad worden gezocht bij de inzittend(en) van de Mazda, althans bij andere personen met wie [slachtoffer 1] die middag had afgesproken in [plaats] . 6. We kunnen vandaag gezien het voorgaande dan ook niet heen om de vraag waarom deze cruciale informatie over die tweede auto - informatie die een duidelijk alternatief scenario aan het licht brengt en dus buitengewoon ontlastend is - niet eerder in het Eris-dossier terecht is gekomen. 7. De verdediging vindt het in ieder geval heel moeilijk te geloven dat het onderzoeksteam deze informatie niet eerder al was opgevallen. De kroongetuige heeft immers reeds in een heel vroeg stadium (en bij herhaling) verklaard over de aanwezigheid van een tweede auto. Juist die auto zou bedoeld zijn geweest om [slachtoffer 1] te kunnen monitoren op zijn reis vanuit [plaats] naar [plaats] . De verklaringen van de kroongetuige zijn, zoals bekend, door de recherche uitgebreid onderzocht; er zit een ordners dik verificatieverbaal in het dossier, waarin echt elke steen wordt omgedraaid. Zou dit cruciale aspect dan zijn gemist? Zou de Mazda het onderzoeksteam echt niet zijn opgevallen? Dat is toch buitengewoon onwaarschijnlijk. 8. Dat is onwaarschijnlijk omdat de aanwezigheid van een tweede auto op zichzelf wél nadrukkelijk onderwerp van onderzoek is geweest. Het valt de verdediging in dat verband op dat het onderzoeksteam er in het verslag van dat onderzoek steeds op tamboereert dat er in de beschikbare gegevens maar één auto te zien is die de reisbeweging [plaats] - [plaats] - [plaats] - [plaats] maakt - ook nu nog in het relaas van ‘Aanvulling 134a' wordt daar de nadruk op gelegd. Dat punt over die 'totale reisbeweging’ van [slachtoffer 1] is echter niet relevant en (b)lijkt slechts als rookgordijn te zijn opgeworpen. De kroongetuige verklaart immers helemaal niet dat [slachtoffer 1] en de lokker die (gehele) reisbeweging samen zouden hebben afgelegd; de kroongetuige spreekt enkel over een afspraak in [plaats] , waarna [slachtoffer 1] van daaruit naar [plaats] zou zijn gelokt. Letterlijk citaat uit zijn verklaring: “ Er zou een afspraak zijn in [plaats] en op de terugweg zou hij geliquideerd moeten worden. " 9. Dus niet [slachtoffer 1] zou samen met de lokker eerst een ingewikkeld rondje door Nederland gaan rijden. Nee; [slachtoffer 1] had een afspraak in [plaats] en op de terugweg zou hij geliquideerd moeten worden - dat is het scenario dat de kroongetuige beschrijft. Het gaat het (grote) voorstellingsvermogen van de verdediging te boven dat het onderzoeksteam, indachtig deze verklaring, niet (tenminste) ook enkel de terugreis vanuit [plaats] op de aanwezigheid van een tweede auto al lang en breed onderzocht heeft. Die Mazda moet simpelweg eerder zijn opgevallen. 10. Dit temeer omdat in een samenhangend onderzoek (naar de criminele erfenis van [slachtoffer 1] ) diezelfde auto - en de gebruiker(s) daarvan - al nadrukkelijk in beeld waren gekomen. Het was uit hoofde van dat onderzoek al bekend wie deze auto van 30 juni tot en met 1 juli had gehuurd; voor welke persoon dat was gedaan; en ook dat die beide personen in nauw contact stonden met [slachtoffer 1] . Allemaal informatie die vanuit dat andere onderzoek (Mont du Chat) reeds in de periode 2017-2018 ter beschikking stond voor onderzoeksteam Eris. 11. Het spreekt voor zich dat - voor zover dat nu nog mogelijk is - nader onderzoek moet gaan plaatsvinden naar deze informatie uit ‘Aanvulling 134a’. De verdediging heeft daar met de brief van 11 april jl. al een eerste aanzet toe gegeven: (…) ” 44. Het proces-verbaal van die terechtzitting (van 18 en 19 april 2023) houdt in: “ De advocaat-generaal voert vervolgens het woord overeenkomstig de door haar per mail toegezonden schriftelijke aantekeningen (Toelichting ter zitting, onder ‘ [verdachte] ’), die als bijlage 2 aan dit proces-verbaal worden gehecht. Aanvullend brengt zij het volgende naar voren: De verdediging suggereert dat de politie en het openbaar ministerie eerder niet naar andere voertuigen hebben gezocht, of in elk geval slordig onderzoek hebben gedaan. Die suggestie is echt niet juist. Ik wil benadrukken dat de auto die recentelijk is onderzocht een huurauto betreft die (dus) niet op naam van iemand stond en die in [plaats] , gedurende een periode van slechts vijf minuten, op drie momenten in de buurt van de Kangoo heeft gereden. Zonder de aanwijzing van de verdediging dat dit voertuig relevant is, zou het – gelet op het aantal auto’s dat er in [plaats] per minuut langs het ARS-systeem rijdt – voor de politie onmogelijk zijn geweest om een verband te leggen tussen deze auto en [deelonderzoek 1] . Pas nadat we door de verdediging op het spoor van deze auto zijn gezet, is onderzocht wie de huurder was. Dat bleek een vrouw te zijn die (al) voorkwam in onderzoek Mont du Chat. Overigens is in dat onderzoek niet specifiek onderzoek gedaan naar kentekens, maar naar creditcardbetalingen voor huurauto’s in het kader van een witwasonderzoek. Het is dus niet zo dat de informatie over de huurauto allang bekend was bij het onderzoeksteam [deelonderzoek 1] . Wij begrijpen dat de verdediging deze vrouw en de persoon die de mogelijke gebruiker van de auto is geweest, wil horen. Die verzoeken kunnen worden toegewezen. (…) Mr. Van Schaik reageert: De zichtbaarheid van de Mazda wordt wel heel erg gemarginaliseerd door het openbaar ministerie, want op basis van de ARS-gegevens is gewoon volstrekt helder dat er maar één kenteken is dat volgens alle drie de camera’s meebeweegt met de Kangoo vanuit [plaats] . Dat kenteken legt precies de route af die de kroongetuige heeft beschreven als de route die is afgelegd vanaf de afspraak van [slachtoffer 1] in [plaats] richting [geboorteplaats] / [plaats] . Ik blijf dus mijn twijfels houden bij de stelling dat de politie het kenteken eerder niet is opgevallen. De laatste geregistreerde reisbeweging op de [snelweg] was nota bene onderdeel van de opdracht van de rechtbank aan het onderzoeksteam en ook het NFI heeft die 'reisbeweging 3’ als relevant onderkend. Dan kan het toch haast niet anders zijn dan dat het onderzoeksteam die reisbeweging ook relevant heeft geacht en die daarom heeft onderzocht? Verder wil ik de stelling dat het kenteken van de Mazda nog helemaal niet bekend was wegnemen. Op pagina 2700 (Map I 34A) staat dat uit een document van de FIOD blijkt dat op 16 januari 2018 gegevens zijn verstrekt over een boete die is betaald voor een overtreding door een Mazda met [kenteken 1] . Dat kenteken en de gebruiker waren toen dus al bekend. Ik wil nog even wegblijven bij het begrip ‘integriteit’, maar het is niet de eerste keer dat er informatie in het dossier blijkt te zitten waar niets mee is gedaan, maar die voor de verdediging uiterst relevant blijkt te zijn. Inmiddels is wel gebleken dat wij de relevantie van bepaalde informatie beter onderkennen dan het onderzoeksteam.
Volledig
Daarom persisteren we bij de verzoeken om inzage te krijgen in dossier Mont du Chat en het bibliotheekdossier TGO [deelonderzoek 1] . Mr. [betrokkene 5] merkt nog op: Het openbaar ministerie suggereert dat wij het kenteken van de Mazda uit de mouw hebben geschud, maar we hebben dat kenteken gevonden op basis van de gegevens die we van het openbaar ministerie hebben gekregen en met behulp van een huis-tuin-en-keukenlaptop. Het onderzoeksteam heeft veel meer geavanceerde zoekmogelijkheden. Dat kan dergelijke gegevens nog veel gemakkelijker vinden. Alleen al om die reden is inzage in het bibliotheekdossier noodzakelijk. Verder wijs ik op een proces-verbaal van bevindingen over het onderzoek naar de volgauto op pagina 2628 (Map 99J). Dat proces-verbaal is van 9 november 2021. Dat is geruime tijd nadat in onderzoek Mont du Chat de kentekengegevens van de Mazda zijn vastgesteld. Uit het proces-verbaal blijkt dat is gekeken welke voertuigen op dezelfde dag achter de Renault Kangoo en Volkswagen Golf hebben gereden, door vast te stellen welke kentekens in de vijf minuten direct na de ANPR-registratie van deze voertuigen zijn vastgelegd op dezelfde ANPR-camera’s. Het kenteken van de Mazda moet in dit kader ook naar voren zijn gekomen. Die gegevens zijn dus wel degelijk vastgelegd door het onderzoeksteam, maar we lezen er niks over terug in het dossier. (…) De voorzitter deelt in de volgende zaken de volgende beslissingen van het hof mede: (…) In de zaak [verdachte] (…) Inzage in bibliotheekdossier TGO [deelonderzoek 1] Tot slot heeft de verdediging het verzoek om inzage in het bibliotheekdossier herhaald. De noodzaak om de verdediging inzage te verschaffen in het bibliotheekdossier is niet aanwezig. Het hof ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan in zijn tussenarrest van 31 maart 2023. Het verzoek wordt afgewezen. ” Een nadere omschrijving van het eerste middel 45. De stellers van het middel betogen dat ‘s hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof bij de afwijzing van het verzoek tot inzage in het ‘bibliotheekdossier’ een te strenge maatstaf heeft aangelegd. Het hof heeft namelijk van de verdediging verlangd te specificeren welke gegevens ontbreken. Bovendien is de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk (gemotiveerd), omdat de verdediging heeft aangetoond dat het OM heeft verzuimd alle relevante gegevens waarover het onderzoeksteam beschikte aan het procesdossier toe te voegen. Tot slot merken de stellers van het middel op dat artikel 3 van het Besluit processtukken in strafzaken het hof ertoe verplichtte het verzoek tot inzage toe te wijzen, omdat uit dat artikel volgt dat het OM sowieso was gehouden een overzicht van alle verrichte opsporingshandelingen aan het dossier toe te voegen. Het juridisch kader: verzoeken om inzage en artikel 6 EVRM 46. Mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging, kan de verdediging – met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. Tijdens het vooronderzoek kan een dergelijk verzoek worden gedaan overeenkomstig de in artikel 34 leden 2-4 Sv geregelde procedure. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting beslist de zittingsrechter – zo nodig op basis van de bevindingen van nader onderzoek dat door een ander dan de zittingsrechter, bijvoorbeeld de rechter-commissaris, is verricht naar de aard en de inhoud van de betreffende stukken en gegevens – of, en zo ja in welke mate en op welke wijze, die inzage kan worden toegestaan. 47. De grote kamer van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwoog bij arrest van 26 september 2023: “ 307. The right to an adversarial trial also requires, in a criminal case, that the prosecution authorities disclose to the defence all material evidence in their possession for or against the accused (…). The term “material evidence” cannot be construed narrowly, in the sense that it cannot be confined to evidence considered as relevant by the prosecution. Rather, it covers all material in the possession of the authorities with potential relevance, also if not at all considered, or not considered as relevant (…). Failure to disclose to the defence material evidence which contains such particulars as could enable the accused to exonerate him- or herself or have his or her sentence reduced would constitute a refusal of facilities necessary for the preparation of the defence (…). 308. However, the entitlement to disclosure of relevant evidence is not an absolute right. In any criminal proceedings there may be competing interests, such as national security or the need to keep secret police methods of investigation of crime, which must be weighed against the rights of the accused (…). In some cases, it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest. That said, in principle, only such measures restricting the rights of the defence which are strictly necessary are permissible under Article 6 § 1. Moreover, in order to ensure that the accused receives a fair trial, any difficulties caused to the defence by a limitation on its rights must be sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities (…). In making its assessment of the relevant procedural guarantees, the Court must have regard to the importance of the undisclosed material and its use in the trial (…). The accused may, however, be expected to give specific reasons for his request and the domestic courts are entitled to examine the validity of these reasons (…). ” De beoordeling van het eerste middel 48. De verdediging heeft op de regiezitting van 18 en 19 april 2023 een (herhaald) verzoek om inzage in het bibliotheekdossier van het opsporingsonderbroek [deelonderzoek 1] gedaan. De verdediging wees ter onderbouwing daarvan op informatie die door eerdere verzoeken van de verdediging boven water was gekomen. Daaruit zou blijken dat het OM zeer onzorgvuldig is omgegaan met de samenstelling van het procesdossier, hetgeen aantoont dat inzage in het bibliotheekdossier nodig is. De verdediging wees in dat verband ten eerste op informatie die inhield dat de aan de verdachte toegeschreven PGP-toestel gekoppeld was aan het netwerk van een provider genaamd No.1BC, terwijl [medeverdachte 2] voor zijn cryptocommunicatie uitsluitend gebruikmaakte van mobiele toestellen met de applicatie Sky ECC. Daaruit valt af te leiden dat er op 5 juli 2017 geen cryptocommunicatie mogelijk was tussen [medeverdachte 2] en de verdachte. Het OM heeft evenwel verzuimd om deze zeer relevante informatie over het gebruik van No.1BC in het procesdossier te voegen. In de tweede plaats wees de verdediging op eerder niet (maar pas bij aanvulling map I, nr. 34a) gevoegde informatie dat een auto die was gehuurd door iemand “ uit de periferie ” van het slachtoffer op 5 juli 2017 gedurende vijf minuten in/vanuit [plaats] (naar de [snelweg] ) in de buurt van de auto van de verdachte heeft gereden. Deze essentiële informatie ondergraaft het (door de rechtbank voor het bewijs gebezigde) argument dat er op 5 juli 2017 géén tweede auto was die met de auto van het slachtoffer heeft meebewogen vanuit [plaats] (richting [plaats] ), aldus de verdediging. 49. Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek (kort gezegd) tot uitgangspunt genomen dat het recht op een eerlijk proces kan meebrengen dat de verdediging inzage krijgt in bepaalde stukken die het OM tot zijn beschikking heeft, om vervolgens een verzoek te kunnen doen deze in het dossier te voegen. De verdediging moet zo’n verzoek wel motiveren en daarbij (voldoende) concreet omschrijven om welke (soort) stukken het gaat. Dat uitgangspunt getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. 50.