Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:PHR:2026:286
Strafrecht
10,100 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:286 text/xml public 2026-03-25T18:10:13 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-24 24/02238 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:286 text/html public 2026-03-25T18:03:23 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:286 Parket bij de Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/02238 Conclusie AG. Reeks diefstallen met braak en diefstal fiets. Eerste middel klaagt dat niet is voldaan aan bewijsminimum t.a.v. serie inbraken carwash. Tweede middel klaagt over bewezenverklaring diefstal fiets o.g.v. voorhanden hebben fiets in periode na diefstal i.c.m. uitblijven redengevendheid van deze omstandigheid ontzenuwende verklaring. Derde middel klaagt over strafmotivering. Vierde middel klaagt over toewijzing vordering BP en oplegging SVM. Alle middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02238 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 11 juni 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd”, onder 2 en 3 telkens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en onder 4 primair “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof onder meer beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd. 1.2 Namens de verdachte heeft S.W.M. Stevens, advocaat in Den Haag, vier middelen van cassatie voorgesteld. 2 Het eerste middel 2.1 Het eerste middel klaagt ten eerste dat het hof de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde in strijd met art. 342 Sv uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige, althans dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen, omdat uit die bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak . Het middel klaagt daarnaast dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven op grond waarvan het is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot het bewijs. 2.2 Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde weer, alsmede de bewijsvoering daarvan. 2.3 Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat: “ hij op tijdstippen in de periode van 10 maart 2021 tot en met 6 november 2022 te [plaats] uit betaalautomaten geldbedragen en jetonmunten, die aan [benadeelde 1] B.V. toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen geldbedragen en jetonmunten onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”. 2.4 De bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde is gestoeld op de volgende bewijsmiddelen: “ 1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 11 november 2022, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte: Bij de Carwash heb ik munten gestolen. 2.Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 november 2022 (p. 28-29 van dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , die namens het slachtoffer [benadeelde 1] B.V. aangifte deed: Pleegdatum: 6 november 2022 Ik ben eigenaar van [benadeelde 1] aan de [a-straat] te [plaats] . Op 6 november 2022 omstreeks 05:35 uur ging het alarm af op mijn telefoon. Ik ben toen naar [benadeelde 1] gereden. Ik zag een lichtgrijze Audi A3. Deze stond in een van de wasboxen. Ik zag een man naast de auto staan. Ik herkende de man van eerdere inbraken bij mijn bedrijf. Op de camerabeelden zag ik dat die man aan kwam rijden in de eerder genoemde grijze Audi A3. Ik zag dat hij uitstapte en de stofzuiger forceerde. In de stofzuiger automaat zit muntgeld. Ik zag dat er braakschade was aan de stofzuiger. 3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 november 2022 (p. 30-32 van dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , die namens het slachtoffer [benadeelde 1] B.V. aangifte deed: Vraag verbalisant: Hoe herkent u [verdachte] ? Antwoord aangever: Ik heb hem meerdere keren opgezocht op Facebook. Al een langere tijd wordt er bij mij stelselmatig ingebroken in de boxen van mijn bedrijf. Ik weet dat de man [verdachte] heet, omdat ik de camerabeelden van een eerdere inbraak ooit op Facebook heb gezet. Ik kreeg toen verschillende reacties van mensen uit [plaats] dat ze wisten dat het [verdachte] was. Vraag verbalisant: Herkende u op de camerabeelden dat het dezelfde man was als al die andere keren is gezien op de camerabeelden bij uw wasboxen? Antwoord aangever: Ja, ik herken [verdachte] op de camerabeelden aan zijn wankele loopje. (...) En vannacht herkende ik dus de man op de camerabeelden in het echt ook als [verdachte] . Dus vanaf nu kan ik met 100% zekerheid zeggen dat de man die ik al die tijd op de camerabeelden zag, bij al die inbraken, [verdachte] is. 4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 januari 2022 (p. 44-45 van dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , die namens het slachtoffer [benadeelde 1] B.V. aangifte deed: Plaats delict: [a-straat] te [plaats] Pleegdatum: 3 januari 2022 Ik doe aangifte namens [benadeelde 1] . Vandaag kwam ik aan bij [benadeelde 1] . Ik zag dat wederom de zuilen bij de wasboxen waren opengebroken en er geld uit was weggenomen. Ik zag op de camerabeelden dat het weer dezelfde man was welke al meerdere keren de automaten heeft open gebroken. 5. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 september 2021 (p. 49-50 van dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , die namens het slachtoffer [benadeelde 1] B.V. aangifte deed: Plaats delict: [a-straat] te [plaats] Pleegdatum: tussen 22 augustus 2021 en 23 augustus 2021 Ik doe aangifte namens [benadeelde 1] . Ik ben slachtoffer van 1 klant die meerdere keren in 1 maand tijd mijn wascentrum open breekt en het muntgeld eruit haalt. Ik heb 6 wasboxen, 1 stofzuiger en 1 watertapmachine die elke keer gebroken worden. Metalen pinnen inclusief slot worden kapot gemaakt en het muntgeld wordt eruit gehaald. 6. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 10 september 2021 (p. 51-52 van dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] : Eerder deze week heb ik vijf keer aangifte gedaan van inbraak uit de geldautomaten van [benadeelde 1] gelegen aan de [a-straat] te [plaats] . Ik heb de camerabeelden gedeeld via facebook en dit bericht is meerdere malen gedeeld op facebook door diverse personen. Op dit beeld is de dader te zien. Twee personen hebben afzonderlijk van elkaar naar mij het bericht gestuurd dat ze de persoon, welke de inbraak pleegde, herkende als [verdachte] . Van mijn collega hoorde ik dat hij werd aangesproken door een drugsdealer, welke verklaarde dat hij op de hoogte was van de inbraken aan de geldautomaten van [benadeelde 1] . Ik hoorde dat mijn collega zei dat deze dealer verklaarde dat hij in de afgelopen dagen drugs geleverd had aan [verdachte] en dat [verdachte] tegen hem zei: "Ik heb weinig kunnen pakken bij [benadeelde 1] ”. 7. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 september 2021 (p, 57-59 van dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , die namens hét slachtoffer [benadeelde 1] B.V. aangifte deed: Ik doe aangifte namens [benadeelde 1] B.V. gelegen aan de [a-straat] te [plaats] . Op 3 april 2022, omstreeks 09.55 uur, werd ik gebeld door mijn collega [betrokkene 1] . Alles zou weer opengebroken zijn. Ik hen toen naar de zaak gegaan. Ik zag dat alle betaalautomaten opengebroken waren en de geldbakjes leeg waren.
Volledig
Er zijn in totaal zeven betaalautomaten opengebroken. Dit is gebeurd doormiddel van braak. Er zijn euro- en jetonmunten gestolen. 8. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 12 april 2022 (p. 61-63 van dossier A), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] : V: U had de beelden op social media geplaatst, wat voor reacties heb je ontvangen? A: Ik heb vier reacties ontvangen, via Facebook Messenger. V: Wat voor bericht heb je geplaatst? A: Een aantal camerabeelden waarop je de verdachte ziet. Getuige 1 - [getuige 1] , [getuige 1] heeft tot tweemaal toe dezelfde naam van de verdachte genoemd, namelijk: [verdachte] . Getuige 2 - [getuige 2] was vroeger schoonmaakster bij [benadeelde 1] . Dit is ongeveer acht a tien jaar geleden. Zij noemt de naam [verdachte] . Getuige 3 - [getuige 3] [aangever] heeft deze getuige gebeld naar aanleiding van een Facebook Messenger bericht. Er nam een man op. Hij vertelde dat hij diegene was die had gereageerd via Facebook. Hij stelde zich voor als [naam 1] . [naam 1] gaf ook de naam [verdachte] door. [naam 1] heeft vroeger met [verdachte] gewerkt. Getuige 4 - [getuige 4] heeft een whatsapp bericht naar [aangever] gestuurd. Daarin geeft hij aan dat hij het bericht op Facebook heeft gezien. [getuige 4] schrijft in zijn bericht dat het gaat om [verdachte] .” 2.5 Wat betreft de klacht dat het hof de bewezenverklaring enkel heeft gestoeld op de verklaring van getuige [aangever] merk ik het volgende op. Ingevolge art. 342 lid 2 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan een bewezenverklaring van een strafbaar feit niet worden gebaseerd enkel op de verklaring van één getuige. Vereist is dat een tweede bewijsmiddel “voldoende steun” biedt aan de verklaring van de getuige. De vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het vereist een beoordeling van het concrete geval, waarbij een rol kan spelen of het oordeel van de feitenrechter ten aanzien van het bewijsminimum nader is gemotiveerd. 2.6 In de onderhavige zaak gaat het blijkens de tot het bewijs gebezigde aangiften om in ieder geval vier diefstallen met braak (op 22 of 23 augustus 2021, 3 januari 2022, 3 april 2022 en 6 november 2022). De bewezenverklaring steunt op een verklaring van de verdachte, waarin hij erkent dat hij geld heeft weggenomen bij de carwash, en verder op diverse verklaringen van de aangever, waaruit onder meer blijkt dat de aangever met zijn [benadeelde 1] herhaaldelijk het slachtoffer is geworden van diefstal met braak en dat de aangever de verdachte op 6 november 2022, vlak na een op camerabeelden vastgelegde diefstal met braak, in de carwash heeft gezien en hem toen heeft herkend van [DP: naar ik begrijp “beeldmateriaal van”] alle eerdere inbraken in zijn bedrijf. 2.7 De vraag die het middel opwerpt, is of de verklaring van de verdachte dat hij munten heeft weggenomen voldoende steun biedt aan de verklaring van de aangever dat het de verdachte is geweest die meerdere malen bij zijn [benadeelde 1] heeft ingebroken en die euromunten en jetonmunten heeft weggenomen. Deze vraag zou ik bevestigend willen beantwoorden. Hoewel de verklaring van de verdachte volgens zijn raadsman enkel zag op een tweetal diefstallen bij de carwash, terwijl niet duidelijk is welke diefstallen dit betreft en de verdachte “braak” niet heeft erkend, biedt zijn verklaring voldoende steun aan hetgeen de aangever heeft verklaard. Daarbij betrek ik dat de diefstallen kennelijk telkens op camerabeelden zijn vastgelegd en dat de aangever op 6 november 2022, na een diefstal met braak, heeft aangegeven dat de verdachte dezelfde man is die hij bij al die andere inbraken op de camerabeelden bij zijn wasboxen had gezien. Het kennelijke oordeel van het hof dat de bekentenis ten aanzien van twee diefstallen bij de carwash voldoende steun biedt aan de verklaringen van de aangever is daarmee niet onbegrijpelijk, terwijl het evenmin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het voorgaande brengt vanzelfsprekend mee dat de klacht dat de gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde diefstallen met braak niet kunnen dragen, ook faalt. 2.8 Wat betreft de klacht dat het hof art. 359 lid 2 Sv heeft miskend door niet in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het feit niet bewezen kan worden bij gebrek aan bewijs, merk ik het volgende op. Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte heeft bekend twee keer munten te hebben gestolen, maar zonder braak en dat uit het procesdossier enkel blijkt dat aan de automaten is gerommeld, maar niet dat dit de verdachte is geweest. Voor zover dit al zou kunnen worden aangemerkt als een duidelijk standpunt dat door argumenten is geschraagd en is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie, ligt de weerlegging hiervan besloten in de bewijsvoering. Hieruit volgt immers dat de verdachte meer dan twee keer munten heeft weggenomen en ook dat hierbij de automaten van de aangever zijn geforceerd en dat braakschade is geconstateerd. 2.9 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 3 Het tweede middel 3.1 Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 4 primair tenlastegelegde niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsvoering slechts blijkt dat de verdachte een aan de aangeefster toebehorende fiets voorhanden heeft gehad. Daaruit volgt niet dat hij zich ook heeft schuldig gemaakt aan diefstal van deze fiets. 3.2 Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring van het onder 4 primair tenlastegelegde weer en de bewijsvoering daarvan. 3.3 Ten laste van de verdachte is onder 4 primair bewezenverklaard dat: “ hij op 4 februari 2023 te [plaats] een fiets die aan [aangeefster 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.” 3.4 De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen: “ 1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 7 februari 2023 (p. 6 van dossier B), met bijlage goederen (p. 6-8 van dossier B), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster 1] : Mijn fiets is voor de deur van mijn woning, [b-straat 1] te [plaats] , gestolen op 4 februari (het hof begrijpt: 4 februari 2023). Bijzonderheden: Knik in spatbord voor, voorlamp met plakband geplakt. Voertuig; Fiets Merk: Batavus Kleur: Zwart Framenummer/serienummer: [...] 2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 10 februari 2023 (p. 10-11 van dossier B), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster 1] : Op 6 februari (het hof begrijpt: 6 februari 2023) zag ik mijn fiets op marktplaats staan. Ik heb toen een bod gedaan. Kort daarna is de fiets van marktplaats afgehaald. Donderdag 9 februari (het hof begrijpt: 9 februari 2023) zag ik weer mijn fiets op marktplaats staan. Ik heb een collega erop laten bieden. De man ging akkoord met het bod van mijn collega en ik kreeg een adres. Vrijdag 10 februari (het hof begrijpt hier en hierna: 10 februari 2023) kwam ik aan op het politiebureau. Ik kreeg de instructie dat als ik mijn muts afzette bij de terugkoop dat dit het signaal was dat het mijn fiets was. Vrijdag 10 februari liepen we naar [B] , hier hadden we afgesproken. Vervolgens kwam de man uit het pleintje van [B] gelopen met mijn fiets in de hand. Ik zette mijn muts af als signaal naar de politie dat dit mijn fiets was. Ik herkende de fiets als mijn fiets door de schade die overeen komt. Ik zag dat de voorlamp vastgeplakt was met plakband. Ik zag dat het voorspatbord een knik heeft. Mijn fiets heeft ook deze schade. Toen kwam al een collega die de man aanhield. 3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2023 (p. 15-16 van dossier B), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Op 10 februari 2023 stond ik te posten aan [B] in [plaats] . Hier zou slachtoffer [aangeefster 1] een afspraak met een persoon hebben om haar gestolen fiets terug te kopen. Wij hadden afgesproken dat wanneer het slachtoffer haar gestolen flets zou herkennen, zij haar muts zou afzetten.
Volledig
Ik zag het slachtoffer haar muts na enkele minuten afzette. Hierop heb ik andere collega's middels de portofoon op de hoogte gebracht. Ik heb toen richting het slachtoffer en de verdachte gelopen. Ik zag politieambtenaar [verbalisant 2] op de fiets ook aan komen rijden. Wij hielden de verdachte staande. Ik hoorde politieambtenaar [verbalisant 2] zeggen dat de verdachte [verdachte] betrof. 4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2023 (p. 12 van dossier B), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : Op 10 februari 2023 was ik belast met een onderzoek naar een gestolen fiets. Ik sprak hiervoor met aangever [aangeefster 1] . Ze toonde mij een foto van de fiets toen die nog in haar berging stond. Ze toonde mij een foto van de fiets die op Marktplaats werd aangeboden. Na de aanhouding van de verdachte zag ik die fiets ook staan. Ik zag in alle drie de gevallen dat het om dezelfde fiets ging. Dit zag ik aan de schade bij het voor spatbord. Ik zag dat het zadel hetzelfde was, ik zag het missend onderdeel kettingkast.” 3.5 Voorts heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen opgenomen in zijn arrest: “Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal door het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang. Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, rov. 2.3. en HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, rov. 2.2.). Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast. Aangeefster [aangeefster 1] heeft in haar aangifte verklaard dat haar fiets voor haar woning op 4 februari 2023 is gestolen. Op 6 februari 2023 zag aangeefster dat een man een advertentie met haar fiets op marktplaats had geplaatst. Vlak nadat aangeefster een bod had gedaan en een afspraak had gemaakt, werd de fiets van marktplaats afgehaald. Vervolgens zag aangeefster op 9 februari 2023 dat haar fiets weer werd aangeboden op marktplaats. Via een collega heeft aangeefster weer een bod gedaan en uiteindelijk een afspraak gemaakt om de fiets op te halen. De volgende dag kwam de verdachte naar aangeefster gelopen met haar fiets in de hand en probeerde deze aan aangeefster te verkopen. Bij deze afspraak is verdachte vervolgens aangehouden. De fiets die verdachte op Markplaats aanbood, blijkt na onderzoek de fiets van aangeefster te zijn. Gelet op deze omstandigheden mag van de verdachte verwacht worden dat hij een redengevende, ontzenuwende verklaring geeft over het bezit van een gestolen fiets. Het hof constateert allereerst dat de verdachte wisselend heeft verklaard over het controleren van de gestolen fiets. Verdachte heeft in zijn politieverhoor verklaard dat hij de fiets had gecontroleerd op stopheling.nl, maar ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij dit ook op de website van de ANWB had gedaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daarentegen verklaard dat hij de fiets enkel via het RDW Fietsdiefstalregister had gecontroleerd. Enig bewijs van een dergelijke controle heeft verdachte niet aangeleverd. Los van de omstandigheid dat deze verklaringen niet met elkaar rijmen, ontbreekt daarnaast enige nadere informatie over de aanschaf van de fiets door de verdachte. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij de fiets had gekocht op Marktplaats en dat hij dit kan aantonen, maar dat hij zijn inloggegevens is vergeten. Vervolgens heeft de verdachte verklaard dat hij de Marktplaats app enkel met zijn vingerafdruk kon openen. Het hof acht dit onaannemelijk, temeer nu verbalisant [verbalisant 3] heeft gerelateerd dat er geen mogelijkheid bestond om de Marktplaats app met een vingerafdruk te openen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte daarentegen verklaard dat hij niet zijn inloggegevens was vergeten, maar dat de politie zijn vingerafdruk nodig had en dat hij die niet wilde geven. Het hof acht het dan ook uiterst opmerkelijk dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zijn account op Marktplaats was geblokkeerd en dat hij daardoor de gegevens niet kan achterhalen. Gelet op het voorgaande, stelt het hof vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en dat deze innerlijk tegenstrijdig, inconsistent en derhalve onbetrouwbaar zijn. Nu de verdachte geen toetsbare, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven omtrent de omstandigheid dat hij in bezit was van de gestolen fiets, schuift het hof zijn verklaring dan ook als volstrekt onaannemelijk ter zijde. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte geenszins aannemelijk gemaakt hoe hij in het bezit is gekomen van de gestolen fiets. Tegen die achtergrond, en mede gelet op het relatief korte tijdsverloop tussen het moment van de diefstal en het moment dat de fiets door de verdachte op Marktplaats werd aangeboden, kan naar het oordeel van het hof het niet anders zijn dan dat de verdachte op 4 februari 2023 zich de fiets wederrechtelijk heeft toegeëigend. Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 4 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is gemeld.” 3.6 Zoals het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen, is het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de verdachte dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan het voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang. Het hof heeft de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld: - de fiets van de aangeefster is op 4 februari 2023 gestolen; - op 6 februari 2023 wordt de fiets op Marktplaats aangeboden, maar nadat door de aangeefster is gereageerd op deze advertentie wordt deze verwijderd; - op 9 februari 2023 verschijnt de fiets opnieuw op Marktplaats en biedt de aangeefster, middels een collega, op de fiets en maakt een afspraak om de fiets op te halen; - op 10 februari 2023 heeft de verdachte de fiets meegenomen naar de afspraak en is hij aangehouden. 3.7 Het hof heeft geoordeeld dat onder de voornoemde omstandigheden van de verdachte mag worden verwacht dat hij een de redengevendheid van deze omstandigheden ontzenuwende verklaring geeft over het bezit van de gestolen fiets, maar dat hij daarin niet is geslaagd, omdat hij wisselend heeft verklaard over de wijze waarop hij de fiets in handen heeft gekregen en zijn verklaring dat hij deze via Marktplaats heeft gekocht niet heeft kunnen onderbouwen. 3.8 Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Hoewel de periode tussen de diefstal en de aanhouding lang is in vergelijking met eerdere arresten waarin de Hoge Raad veroordelingen voor diefstal die voornamelijk waren gestoeld op het voorhanden hebben van gestolen waar in combinatie met het ontbreken van een aannemelijke verklaring hiervoor in stand liet, meen ik dat met name gezien het feit dat de fiets al na twee dagen op Marktplaats is verschenen in combinatie met het beargumenteerd terzijde schuiven van de verklaring van de verdachte dat hij de fiets eerder op Marktplaats heeft gekocht, het hof kon oordelen dat de verdachte degene is geweest die de fiets heeft gestolen. Hierin ligt immers besloten dat het hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die op 6 februari 2023, dus slechts twee dagen na de diefstal, in het bezit van de fiets was en deze via Marktplaats heeft proberen te verkopen.
Volledig
Tegen die achtergrond lijkt mij het relatief lange tijdsverloop tussen de diefstal en het aantreffen van de fiets bij de verdachte op 10 februari 2023 niet problematisch. 3.9 Het middel faalt. 4 Het derde middel 4.1 Het derde middel klaagt over de motivering van de opgelegde straf. Het hof zou bij die motivering omstandigheden in het nadeel van de verdachte hebben betrokken die niet volgen uit de bewijsvoering noch uit het verhandelde ter terechtzitting, zodat de strafmotivering onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd. 4.2 Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof het volgende overwogen: “Door en namens de verdachte is verzocht om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een taakstraf. Daartoe heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak en eenmaal aan diefstal van een fiets. Deze feiten hebben niet alleen forse materiële schade en overlast bij de gedupeerden veroorzaakt, maar daarnaast is ook ernstig inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de betrokkenen. Het hof wijst in dit verband op de talloze aangiftes die namens [benadeelde 1] zijn gedaan, waaruit volgt dat de stofzuiger- en betaalautomaten met regelmaat zijn opengebroken en de verdachte vervolgens geldbedragen en jetonmunten heeft meegenomen. Door deze inbraken heeft de autowasstraat niet alleen hoge reparatiekosten gemaakt, maar heeft ook winst misgelopen omdat de automaten steeds tijdelijk niet beschikbaar waren. Het hof tilt er zwaar aan dat de verdachte zich bij het plegen van deze inbraken kennelijk puur door eigen financieel gewin heeft laten leiden. Dat de inbraken door de verdachte met fors geweld zijn gepleegd en veel braakschade hebben veroorzaakt, blijkt ook uit de aangiftes namens Stichting [A] . Zo heeft aangeefster [aangeefster 2] in haar aangifte verklaard dat het hele pand een puinhoop was, waarbij alle ruimtes overhoop waren gehaald en diverse kasten op de grond lagen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in strafverzwarende zin acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 april 2024, waaruit volgt dat de verdachte eerder veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Voorts heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d, 21 mei 2024 omtrent de persoon van de verdachte. Daarin is gerapporteerd dat de verdachte veelal heeft meegewerkt aan de inzet van interventies zoals begeleid wonen, het starten van behandeling bij Fivoor en urinecontroles, maar dat is gebleken dat het hem niet lukt om zich langdurig en op stabiele wijze te conformeren aan afspraken en regels hieromtrent. Voorts is geconcludeerd dat de ingezette interventies onvoldoende hebben geleid tot stabiliteit op de leefgebieden of blijvende gedragsverandering. Het risico op recidive wordt ook als hoog ingeschat. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, nu de afgelopen anderhalf jaar is gebleken dat de inzet van bijzondere voorwaarden niet en/of onvoldoende blijvend leiden tot het veranderen van gedrag. Tevens heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij momenteel verblijft bij [...] te [plaats] , zijn woontraject per 10 juni 2024 wordt beëindigd en dat hij nog geen andere woonplek heeft gevonden. Ten slotte stelt het hof vast dat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, in geval van inbraak bedrijfspand waarbij sprake is van veelvuldige recidive, per feit uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Gelet op al het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof is echter van oordeel dat niet volstaan kan worden met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat de ernst van het bewezenverklaarde, de mate waarin de bewezenverklaarde schade teweeg heeft gebracht en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder en herhaaldelijk ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld, doch telkens daarmee is doorgegaan, en hier ook sprake is van diefstal onder strafverzwarende omstandigheden, nopen tot een zwaardere straf. Alle omstandigheden afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.” 4.3 Zolang de rechter binnen de maximale op het bewezenverklaarde misdrijf gestelde straf blijft, is hij nagenoeg vrij in de oplegging daarvan. Dat wil zeggen dat hij mag bepalen welke factoren hij van belang acht voor de strafoplegging en hoe hij deze factoren weegt. Deze vrijheid wordt wel beperkt door het voorschrift dat de feiten en omstandigheden die de rechter ten grondslag legt aan zijn oordeel omtrent de strafoplegging moeten blijken uit het verhandelde ter terechtzitting, dat wil zeggen alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd. Ik zou hieraan willen toevoegen dat “blijken” in dit verband niet te nauw moet worden opgevat. Ook gevolgtrekkingen die logischerwijs volgen uit de feiten en omstandigheden die blijken uit het verhandelde ter terechtzitting mogen door de feitenrechter in aanmerking worden genomen. 4.4 Waar leidt dit toe in de onderhavige zaak? Volgens de steller van het middel kunnen de omstandigheden dat “talloze aangiftes die namens [benadeelde 1] zijn gedaan, waaruit volgt dat de stofzuiger- en betaalautomaten met regelmaat zijn opengebroken en de verdachte vervolgens geldbedragen en jetonmunten heeft meegenomen” en dat “[d]oor deze inbraken […] de autowasstraat niet alleen hoge reparatiekosten [heeft] gemaakt, maar heeft ook winst [heeft] misgelopen omdat de automaten steeds tijdelijk niet beschikbaar waren” niet blijken uit het verhandelde ter terechtzitting. 4.5 Ik zie dit anders. Meerdere aangiftes zijn als bewijsmiddel opgenomen en daaruit blijkt dat de verdachte meerdere malen de wasboxen, stofzuigers en/of watertapmachines heeft opengebroken en muntgeld heeft gestolen. Metalen pinnen inclusief het slot werden hierbij kapotgemaakt.
Volledig
Op basis van deze vaststellingen kon het hof de gevolgtrekking baseren dat de automaten regelmatig zijn opengebroken en dat dit tot hoge reparatiekosten heeft geleid (hetgeen wordt bevestigd door de stukken die namens de benadeelde partij zijn ingebracht) en winst is misgelopen doordat de automaten tijdelijk niet beschikbaar waren. 4.6 Het middel faalt. 5 Het vierde middel 5.1 Het vierde middel klaagt over de toewijzing van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] B.V. en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Mede gelet op het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van het gebrek aan onderbouwing van de opgevoerde schade, zou voormelde vordering ten onrechte volledig zijn toegewezen, dan wel zou deze toewijzing ontoereikend zijn gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor opgelegde schadevergoedingsmaatregel. 5.2 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2024 blijkt dat de raadsman van de verdachte met betrekking tot de aan de orde zijnde vorderingen van de benadeelde partijen heeft aangevoerd: “De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] B.V. dient niet-ontvankelijk verklaard te worden. Verder zijn er geen vorderingen van benadeelde partijen aan de orde. U, de voorzitter, houdt mij voor dat een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Stichting [benadeelde 2] ter zake feit 2 aan de orde is. Deze vordering is niet onderbouwd. Er staan meerdere namen en adressen in het dossier.” 5.3 Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte heeft het hof het volgende overwogen: “De benadeelde partij [benadeelde 1] B.V. heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.853,23 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het gevorderde bedrag aan materiële schade ad € 4.853,23 betwist en heeft in dat verband aangevoerd dat de vordering niet- ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] B.V. als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan materiële schade voldoende onderbouwd is en voorts in voldoende rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezenverklaarde feit. Het hof zal de vordering dan ook geheel toewijzen, tot een bedrag ad € 4.853,23. Het bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2022, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] B.V. is toegebracht tot een bedrag van € 4.853,23. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal, niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.” 5.4 Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij blijkt het navolgende. Voor toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering niet. In plaats daarvan zijn de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken leidend. Dit brengt mee dat op de benadeelde partij, overeenkomstig art. 150 Rv, in beginsel de last rust de feiten en omstandigheden te stellen – en, in geval van betwisting daarvan, bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. Deze stelplicht heeft in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit. Indien de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. 5.5 Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] B.V. heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] B.V. is toegebracht tot een bedrag van € 4.853,23. Dit bedrag bestaat blijkens de namens de benadeelde partij ingediende schadeonderbouwing uit “vervangen van de metalen pinnen en het slot” (7x), “monteur kosten” (1x) en “vervangen van de pinterminals” (2x). De kosten zijn gemaakt in de periode van 1 juli 2021 tot en met 2 augustus 2022. Bij de namens de benadeelde partij ingediende stukken bevinden zich facturen voor de gemaakte kosten. 5.6 De steller van het middel gaat ervan uit dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep verweer heeft gevoerd ten aanzien van het gebrek aan onderbouwing van de opgevoerde schade. Gelet op hetgeen onder 5.2 van deze conclusie is weergegeven, vindt dit niet direct steun in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Daaruit blijkt immers slechts dat door de verdediging ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] B.V. is aangevoerd dat deze niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Het arrest houdt evenwel in dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep het gevorderde bedrag aan materiële schade ad € 4.853,23 heeft betwist en in dat verband heeft aangevoerd “dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd”. Nu dit strikt genomen niet is strijd is met hetgeen is vermeld in het proces-verbaal, ga ik ervan uit dat de vordering van [benadeelde 1] B.V. namens de verdachte inderdaad is betwist, maar niet dat deze gemotiveerd is betwist, nu kennelijk niet is aangegeven waarom de vordering als onvoldoende onderbouwd moet worden aangemerkt. 5.7 De steller van het middel heeft de verschillende posten in de bijlage bij de vordering van [benadeelde 1] B.V. bestudeerd en voert aan dat slechts twee van die posten zijn te relateren aan aangiften die het hof redengevend voor het bewijs heeft gevonden. In cassatie kan hier echter niet met vrucht voor het eerst over worden geklaagd, omdat de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is.