Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-20
ECLI:NL:PHR:2026:278
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
47,987 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:278 text/xml public 2026-04-28T17:23:24 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-20 25/02291 Conclusie NL Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0221 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0221 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:278 text/html public 2026-03-26T12:19:31 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:278 Parket bij de Hoge Raad , 20-03-2026 / 25/02291 Erfrecht. Procesrecht. Legataris vordert uitbetaling legaat. Hof wijst af omdat erfgenaam niet heeft voldaan aan bevel ex art. 22 lid 1 Rv en waarheids- en volledigheidsplicht (art. 21 Rv) heeft geschonden. Stelplicht en bewijslast. Toepassing art. 21 en 22 Rv. Uitvoerbaarheid beslissing gelet op art. 4:7 lid 2 BW. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02291 Zitting 20 maart 2026 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak [erfgenaam] , in hoedanigheid van vereffenaar en tevens van enig erfgenaam in de nalatenschap van [erflater] advocaat: mr. A.C. de Bakker tegen [legataris] advocaat: mr. M. van Tiel en mr. M.J. van Basten Batenburg 1 Inleiding en samenvatting 1.1 [erfgenaam] (hierna: Erfgenaam) is enig erfgenaam van haar vader [erflater] (hierna: erflater). Zij heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en is vereffenaar van de nalatenschap. Volgens Erfgenaam is het saldo van de nalatenschap negatief. [legataris] (hierna: Legataris) vordert uitbetaling van het aan haar gelegateerde bedrag van € 100.000,- en inlichtingen en stukken om het saldo van de nalatenschap te controleren. 1.2 Het hof oordeelt dat op Legataris de stelplicht en bewijslast rust van haar verweer dat de omvang van de nalatenschap uitbetaling van het legaat niet toelaat. Bij tussenarrest beveelt het hof op grond van art. 22 lid 1 Rv dat Erfgenaam haar stellingen toelicht en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken overlegt omtrent een aantal onderwerpen. In het eindarrest oordeelt het hof dat Erfgenaam niet heeft voldaan aan het bevel op grond van art. 22 lid 1 Rv en dat Erfgenaam voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten heeft achtergehouden. Het hof gaat aan de stellingen en het bewijsaanbod van Erfgenaam voorbij en wijst de vordering tot betaling van het legaatbedrag toe. 1.3 Erfgenaam klaagt in cassatie dat het hof van een onjuiste stelplicht- en bewijslastverdeling is uitgegaan. Ook bevat het middel verschillende rechts- en motiveringsklachten over de toepassing van art. 21 en 22 Rv, waaronder de klacht dat het hof met het bevel op grond van art. 22 Rv en het oordeel dat Erfgenaam daar niet aan heeft voldaan buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Verder wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd te beoordelen of de vordering van Legataris kan worden voldaan, gezien de rangorde van de schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 2 BW) en het feit dat Erfgenaam de nalatenschap van erflater beneficiair heeft aanvaard. 1.4 M.i. slagen de klachten niet. 1.5 Deze zaak hangt samen met zaak 25/02301 tussen Erfgenaam en een andere legataris. In deze zaak wordt eveneens vandaag conclusie genomen. De conclusies in beide zaken zijn inhoudelijk gelijk. 2 Feiten In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan de arresten van het hof ’s-Hertogenbosch van 26 maart 2024, rov. 3.1 en 25 maart 2025, rov. 5.3. 2.1 [erflater] (hierna: erflater) is in juli 1962 gehuwd met [moeder] (hierna: moeder) en uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren: [dochter] (hierna: [dochter] ) en Erfgenaam. Erflater en moeder waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is geëindigd door het overlijden van moeder op 26 oktober 2009. 2.2 Moeder had op 4 juni 1998 een zogenoemd langstlevende testament met ouderlijke boedelverdeling gemaakt. Erflater, [dochter] en Erfgenaam waren de erven in haar nalatenschap (hierna: nalatenschap-moeder), zij het dat [dochter] en Erfgenaam ieder een in beginsel eerst bij overlijden van erflater opeisbare vordering op erflater hebben gekregen, te vermeerderen met een samengestelde rente van 6% per jaar tenzij de erven anders overeenkomen. 2.3 Het lichaam van [dochter] is op 21 oktober 2018 gevonden. Zij had ten tijde van haar overlijden geen huwelijks- of geregistreerd partner, had geen kinderen en had niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Erfgenaam heeft namens erflater de nalatenschap van [dochter] (hierna: nalatenschap- [dochter] ) verworpen en deze voor zichzelf beneficiair aanvaard. 2.4 In het laatstelijk door erflater opgemaakte testament van 4 oktober 2019 (hierna ook: Testament) is bepaald: “(…) Artikel 4. Legaten 1. Ik legateer aan ieder van mijn twee kleinkinderen alsmede aan de navolgende twee personen, een bedrag in geld groot éénhonderdduizend euro (€ 100.000,00). De bedoelde twee personen zijn: a. [legataris] (…); b. [kleinkind 1] (…). 2. Over het gelegateerde gedrag is geen rente verschuldigd. 3. De legaten zijn zes maanden na mijn overlijden opeisbaar. 4. Indien de nominale waarde van de vier gelegateerde bedragen tezamen meer bedraagt dan de tachtig procent van de waarde van mijn nalatenschap, zal het aan ieder van de legatarissen gelegateerde bedrag naar evenredigheid zodanig worden verminderd dat de nominale waarde van bedoelde totale gelegateerde bedragen gelijk is aan tachtig procent van de waarde van mijn nalatenschap. Bij de berekening van de waarde van de nalatenschap worden alleen de schulden bedoeld in artikel 4:7 lid 1 letters a tot en met d en f tot en met i Burgerlijk Wetboek in aanmerking genomen, met dien verstande dat de schulden uit onderhavige legaten niet in aanmerking worden genomen. Artikel 5. Erfstelling en plaatsvervulling Ik benoem mijn dochter [Erfgenaam] (…) tot enig en algeheel erfgename van mijn nalatenschap. (…) Artikel 6. Executele 1. Ik benoem mijn [schoonzoon] (…) tot executeur. (…)” 2.5 Erflater is op 8 december 2019 overleden. 2.6 [schoonzoon] (hierna: [schoonzoon] ) heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard. 2.7 Nadat Legataris had geschreven het legaat van erflater te aanvaarden, heeft [schoonzoon] bij brief van 25 maart 2020 aan Legataris geschreven: “(…) Inmiddels heb ik een boedelbeschrijving gemaakt van de omvang van de nalatenschap (…) (…) Nu de nalatenschap van [erflater] negatief is, bedraagt het aan u gemaakte legaat nihil, zulks gezien het bepaalde onder 4.4 in het testament. Daarnaast geldt dat eerst van het uitkeren van legaten sprake kan zijn als alle schulden van de nalatenschap (waaronder het 'moederlijk erfdeel') zijn voldaan. Er zal dan ook geen uitkering aan u plaatsvinden. (…)” 2.8 Erfgenaam heeft op 15 april 2020 de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard en tevens een algehele boedelvolmacht gegeven aan haar echtgenoot [schoonzoon] . 2.9 Als gevolmachtigde van vereffenaar Erfgenaam heeft [schoonzoon] bij brief van 13 mei 2020 aan de kantonrechter mededeling gedaan dat de schulden van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van erflater de baten overtreffen en een voorlopige boedelbeschrijving gestuurd. In diezelfde hoedanigheid heeft [schoonzoon] de op 7 augustus 2020 gedateerde definitieve “Boedelbeschrijving erfrecht” van erflaters nalatenschap (hierna: Boedelbeschrijving) aan de kantonrechter gestuurd, met bijlagen. De Boedelbeschrijving vermeldt per overlijdensdatum 8 december 2019: “(…) 2.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:278 text/xml public 2026-04-28T17:23:24 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-20 25/02291 Conclusie NL Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0221 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0221 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:278 text/html public 2026-03-26T12:19:31 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:278 Parket bij de Hoge Raad , 20-03-2026 / 25/02291 Erfrecht. Procesrecht. Legataris vordert uitbetaling legaat. Hof wijst af omdat erfgenaam niet heeft voldaan aan bevel ex art. 22 lid 1 Rv en waarheids- en volledigheidsplicht (art. 21 Rv) heeft geschonden. Stelplicht en bewijslast. Toepassing art. 21 en 22 Rv. Uitvoerbaarheid beslissing gelet op art. 4:7 lid 2 BW. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02291 Zitting 20 maart 2026 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak [erfgenaam] , in hoedanigheid van vereffenaar en tevens van enig erfgenaam in de nalatenschap van [erflater] advocaat: mr. A.C. de Bakker tegen [legataris] advocaat: mr. M. van Tiel en mr. M.J. van Basten Batenburg 1 Inleiding en samenvatting 1.1 [erfgenaam] (hierna: Erfgenaam) is enig erfgenaam van haar vader [erflater] (hierna: erflater). Zij heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en is vereffenaar van de nalatenschap. Volgens Erfgenaam is het saldo van de nalatenschap negatief. [legataris] (hierna: Legataris) vordert uitbetaling van het aan haar gelegateerde bedrag van € 100.000,- en inlichtingen en stukken om het saldo van de nalatenschap te controleren. 1.2 Het hof oordeelt dat op Legataris de stelplicht en bewijslast rust van haar verweer dat de omvang van de nalatenschap uitbetaling van het legaat niet toelaat. Bij tussenarrest beveelt het hof op grond van art. 22 lid 1 Rv dat Erfgenaam haar stellingen toelicht en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken overlegt omtrent een aantal onderwerpen. In het eindarrest oordeelt het hof dat Erfgenaam niet heeft voldaan aan het bevel op grond van art. 22 lid 1 Rv en dat Erfgenaam voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten heeft achtergehouden. Het hof gaat aan de stellingen en het bewijsaanbod van Erfgenaam voorbij en wijst de vordering tot betaling van het legaatbedrag toe. 1.3 Erfgenaam klaagt in cassatie dat het hof van een onjuiste stelplicht- en bewijslastverdeling is uitgegaan. Ook bevat het middel verschillende rechts- en motiveringsklachten over de toepassing van art. 21 en 22 Rv, waaronder de klacht dat het hof met het bevel op grond van art. 22 Rv en het oordeel dat Erfgenaam daar niet aan heeft voldaan buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Verder wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd te beoordelen of de vordering van Legataris kan worden voldaan, gezien de rangorde van de schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 2 BW) en het feit dat Erfgenaam de nalatenschap van erflater beneficiair heeft aanvaard. 1.4 M.i. slagen de klachten niet. 1.5 Deze zaak hangt samen met zaak 25/02301 tussen Erfgenaam en een andere legataris. In deze zaak wordt eveneens vandaag conclusie genomen. De conclusies in beide zaken zijn inhoudelijk gelijk. 2 Feiten In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan de arresten van het hof ’s-Hertogenbosch van 26 maart 2024, rov. 3.1 en 25 maart 2025, rov. 5.3. 2.1 [erflater] (hierna: erflater) is in juli 1962 gehuwd met [moeder] (hierna: moeder) en uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren: [dochter] (hierna: [dochter] ) en Erfgenaam. Erflater en moeder waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is geëindigd door het overlijden van moeder op 26 oktober 2009. 2.2 Moeder had op 4 juni 1998 een zogenoemd langstlevende testament met ouderlijke boedelverdeling gemaakt. Erflater, [dochter] en Erfgenaam waren de erven in haar nalatenschap (hierna: nalatenschap-moeder), zij het dat [dochter] en Erfgenaam ieder een in beginsel eerst bij overlijden van erflater opeisbare vordering op erflater hebben gekregen, te vermeerderen met een samengestelde rente van 6% per jaar tenzij de erven anders overeenkomen. 2.3 Het lichaam van [dochter] is op 21 oktober 2018 gevonden. Zij had ten tijde van haar overlijden geen huwelijks- of geregistreerd partner, had geen kinderen en had niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Erfgenaam heeft namens erflater de nalatenschap van [dochter] (hierna: nalatenschap- [dochter] ) verworpen en deze voor zichzelf beneficiair aanvaard. 2.4 In het laatstelijk door erflater opgemaakte testament van 4 oktober 2019 (hierna ook: Testament) is bepaald: “(…) Artikel 4. Legaten 1. Ik legateer aan ieder van mijn twee kleinkinderen alsmede aan de navolgende twee personen, een bedrag in geld groot éénhonderdduizend euro (€ 100.000,00). De bedoelde twee personen zijn: a. [legataris] (…); b. [kleinkind 1] (…). 2. Over het gelegateerde gedrag is geen rente verschuldigd. 3. De legaten zijn zes maanden na mijn overlijden opeisbaar. 4. Indien de nominale waarde van de vier gelegateerde bedragen tezamen meer bedraagt dan de tachtig procent van de waarde van mijn nalatenschap, zal het aan ieder van de legatarissen gelegateerde bedrag naar evenredigheid zodanig worden verminderd dat de nominale waarde van bedoelde totale gelegateerde bedragen gelijk is aan tachtig procent van de waarde van mijn nalatenschap. Bij de berekening van de waarde van de nalatenschap worden alleen de schulden bedoeld in artikel 4:7 lid 1 letters a tot en met d en f tot en met i Burgerlijk Wetboek in aanmerking genomen, met dien verstande dat de schulden uit onderhavige legaten niet in aanmerking worden genomen. Artikel 5. Erfstelling en plaatsvervulling Ik benoem mijn dochter [Erfgenaam] (…) tot enig en algeheel erfgename van mijn nalatenschap. (…) Artikel 6. Executele 1. Ik benoem mijn [schoonzoon] (…) tot executeur. (…)” 2.5 Erflater is op 8 december 2019 overleden. 2.6 [schoonzoon] (hierna: [schoonzoon] ) heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard. 2.7 Nadat Legataris had geschreven het legaat van erflater te aanvaarden, heeft [schoonzoon] bij brief van 25 maart 2020 aan Legataris geschreven: “(…) Inmiddels heb ik een boedelbeschrijving gemaakt van de omvang van de nalatenschap (…) (…) Nu de nalatenschap van [erflater] negatief is, bedraagt het aan u gemaakte legaat nihil, zulks gezien het bepaalde onder 4.4 in het testament. Daarnaast geldt dat eerst van het uitkeren van legaten sprake kan zijn als alle schulden van de nalatenschap (waaronder het 'moederlijk erfdeel') zijn voldaan. Er zal dan ook geen uitkering aan u plaatsvinden. (…)” 2.8 Erfgenaam heeft op 15 april 2020 de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard en tevens een algehele boedelvolmacht gegeven aan haar echtgenoot [schoonzoon] . 2.9 Als gevolmachtigde van vereffenaar Erfgenaam heeft [schoonzoon] bij brief van 13 mei 2020 aan de kantonrechter mededeling gedaan dat de schulden van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van erflater de baten overtreffen en een voorlopige boedelbeschrijving gestuurd. In diezelfde hoedanigheid heeft [schoonzoon] de op 7 augustus 2020 gedateerde definitieve “Boedelbeschrijving erfrecht” van erflaters nalatenschap (hierna: Boedelbeschrijving) aan de kantonrechter gestuurd, met bijlagen. De Boedelbeschrijving vermeldt per overlijdensdatum 8 december 2019: “(…) 2.
Volledig
Bezittingen Betaalrekeningen (…) ABN Amro (…) € 6.526,62 ING (…) € 534,88 Spaarrekeningen (…) ABN Amro (…) € 20.000,00 (…) Contant geld (…) € 1.700,00 Aandelen (…) Open fonds voor gemene rekening Montfleuri € 480.476,31 (…) Waardevolle getaxeerde (…) Getaxeerde inboedel € 3.835,00 (…) Vorderingen (…) Lening [erfgenaam] [erflater] € 49.000,00 (…) Teruggave IB 2018 (…) € 8.614,00 Teruggave IB 2019 (…) € 2.627,00 (…) Totaal aan bezittingen € 573.313,59 3 Schulden Huishoudelijke schulden (…) Centraal Beheer (teveel uitgekeerd) € 2.409,81 (…) Moederlijk erfdeel [erfgenaam] [erflater] € 648.680,99 (…) [betrokkene 1] (legaat) € 0,00 [betrokkene 2] (legaat) € 0,00 [kleinkind 1] (legaat) € 0,00 [Legataris] (legaat) € 0,00 Totaal aan schulden € 651.090,80 (…) (…) uitvaartkosten (…) € 4.514,45 (…) notariskosten (…) € 1.027,15 (…)” 3. Procesverloop 3.1 Bij dagvaarding van 31 mei 2021 heeft Legataris gevorderd dat de rechtbank Oost-Brabant, uitvoerbaar bij voorraad, Erfgenaam als vereffenaar zal veroordelen om, samengevat: A. te voldoen het legaatbedrag van € 100.000,--, met wettelijke rente vanaf 8 juni 2020; B. alle relevante inlichtingen en stukken te verschaffen inzake de nalatenschap, waartoe in elk geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding, binnen 14 dagen na betekening van het vonnis en op verbeurte van een dwangsom; C. de proceskosten te betalen. 3.2 Legataris heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op grond van het testament recht heeft op een legaat van € 100.000,-. Dit dient uit de nalatenschap te worden betaald, omdat onvoldoende vaststaat dat de nalatenschap van erflater negatief is. Daarnaast heeft Legataris als legataris recht en belang bij verstrekking van gegevens door [erflater] , zodat zij de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving kan vaststellen, haar positie kan bepalen en tevens tot een begrip kan komen waarom de nalatenschap negatief zou zijn. 3.3 Bij vonnis van 1 september 2021 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast, die op 28 maart 2022 heeft plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is van de zijde van Erfgenaam een akte genomen, waarbij producties zijn overgelegd. 3.4 Bij vonnis van 13 juli 2022 heeft de rechtbank de vorderingen van Legataris afgewezen, met veroordeling van Legataris in de proceskosten en de nakosten en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank overwoog dat zij begrijpt dat de vordering tot betaling van het legaatbedrag subsidiair is aan de vordering tot het verkrijgen van informatie, in die zin dat op laatstgenoemde vordering eerst moet worden beslist voordat kan worden beoordeeld of Legataris recht heeft op betaling van € 100.000.-. Aan Legataris komt als legataris niet het recht toe op informatie ten opzichte van de vereffenaar in het kader van de vereffening, anders dan inzage in de boedelbeschrijving en de uitdelingslijst (rov. 5.11-5.15). Legataris heeft onvoldoende onderbouwd dat zij een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv heeft bij inzage in de door haar genoemde stukken (rov. 5.16-5.20). De vordering tot het verschaffen van inlichtingen en stukken wijst de rechtbank daarom af en omdat Legataris voor het overige niets heeft gesteld dat, indien bewezen, zou leiden tot een verplichting tot uitbetaling van het legaat, wijst de rechtbank ook de vordering tot betaling van € 100.000.- af (rov. 5.22). 3.5 Legataris heeft hoger beroep ingesteld van het vonnis van 13 juli 2022 onder aanvoering van twee grieven. Zij heeft gevorderd, samengevat, (I) dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en Erfgenaam als vereffenaar van de nalatenschap van erflater zal veroordelen: II. om aan Legataris te voldoen het legaatbedrag van € 100.000,--, met wettelijke rente; III. alle relevante inlichtingen en stukken inzake de nalatenschap te verschaffen, waartoe in elk geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding, binnen 14 dagen na betekening van het arrest en op verbeurte van een dwangsom; IV. tot terugbetaling van wat Legataris ter uitvoering van het beroepen vonnis heeft betaald, met wettelijke rente; V. in de proceskosten, met wettelijke rente. 3.6 Erfgenaam heeft verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd dat het hof uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, de vorderingen in hoger beroep van Legataris zal afwijzen en Legataris zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten. 3.7 Op 26 maart 2024 heeft het hof een tussenarrest gewezen, waarin het volgende is overwogen. 3.8 Het ontvankelijkheidsverweer van Erfgenaam is verworpen, omdat het haar op basis van het beroepsexploot duidelijk had moeten zijn dat zij in het hoger beroep betrokken werd als vereffenaar en enig erfgenaam in de nalatenschap van erflater (rov. 3.7). 3.9 Het betoog van Erfgenaam dat vordering III (tot het verschaffen van inlichtingen) zich alleen nog zou beperken tot de in memorie van grieven, randnr. 17 door Legataris genoemde stukken, is onjuist (rov. 3.8). 3.10 Legataris klaagt met grief 1 dat de rechtbank vordering II tot betaling van het legaatbedrag ten onrechte subsidiair heeft begrepen aan vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken. Dit brengt het hof ertoe eerst vordering II te behandelen (rov. 3.13). 3.11 Blijkens de naar objectieve maatstaven uit te leggen tekst kent erflater in art. 4.1 Testament een legaat van € 100.000,- toe aan ieder van de twee kleinkinderen, de onder a. aangeduide Slegers en de onder b. aangeduide Legataris afzonderlijk (rov. 3.14). 3.12 Het hof stelt vast dat partijen in het partijdebat over de vraag of de (omvang van de) nalatenschap van erflater per 8 december 2019 uitbetaling van het legaat toelaat, (ook) twisten over de hiervoor relevante (omvang van de) nalatenschap- [dochter] per 21 november 2018 en van de nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 (rov. 3.15). 3.13 Het hof wijst Erfgenaam erop dat haar tegenwerpingen dat zij aan Legataris geen rekening en verantwoording verschuldigd is van het door erflater gevoerde vermogensbeheer en als vereffenaar tegenover Legataris als legataris, onverlet laten dat een partij die uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden wil inroepen dit zo dient te doen dat duidelijk is welke stellingen precies worden ingeroepen en dat een partij die de rechtsgevolgen van gestelde feiten inroept op grond van art. 150 Rv in beginsel de bewijslast van die feiten draagt (rov. 3.15). 3.14 Tot uitgangspunt dient dat Legataris recht heeft op betaling van € 100.000,-, nu erflater in art. 4.1 Testament dat bedrag aan Legataris heeft gelegateerd. Op Erfgenaam rust de stelplicht en bewijslast van haar bevrijdende verweer, onder verwijzing naar art.4.4 Testament, dat de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van het legaat niet toelaat (rov. 3.16.2) 3.15 Erfgenaam beroept zich op de Boedelbeschrijving (rov. 3.17). Het hof overweegt ten aanzien van verschillende posten daarop, samengevat, als volgt. - Erfgenaam laat na de grootste positieve post Montfleuri-fonds ten bedrage van € 480.476,31 per 8 december 2019 te verduidelijken en aan te geven waarop de waardering ervan berust, hoewel het standpunt en de vragen van Legataris daartoe aanleiding geven (rov. 3.17); - Erfgenaam heeft de omvang van de schuld van erflater aan Erfgenaam uit hoofde van de nalatenschap moeder, die inclusief rente € 648.680,99 per 8 december 2019 zou belopen, in het licht van haar overige stellingen en ingeroepen stukken en tegenover het standpunt en de vragen van Legataris niet voldoende onderbouwd. Het hof oordeelt deze bewering om meerdere – hierna nog nader te duiden – redenen voorshands niet navolgbaar (rov. 3.18); - Erfgenaam laat na voldoende te verduidelijken wat het toenmalige erfdeel van erflater in de nalatenschap-moeder was (rov. 3.19.2); - Erfgenaam heeft haar standpunt dat [dochter] en/of Erfgenaam met erflater niet een bijzondere rente-afspraak hebben gemaakt niet voldoende duidelijk expliciteert (rov.
Volledig
Bezittingen Betaalrekeningen (…) ABN Amro (…) € 6.526,62 ING (…) € 534,88 Spaarrekeningen (…) ABN Amro (…) € 20.000,00 (…) Contant geld (…) € 1.700,00 Aandelen (…) Open fonds voor gemene rekening Montfleuri € 480.476,31 (…) Waardevolle getaxeerde (…) Getaxeerde inboedel € 3.835,00 (…) Vorderingen (…) Lening [erfgenaam] [erflater] € 49.000,00 (…) Teruggave IB 2018 (…) € 8.614,00 Teruggave IB 2019 (…) € 2.627,00 (…) Totaal aan bezittingen € 573.313,59 3 Schulden Huishoudelijke schulden (…) Centraal Beheer (teveel uitgekeerd) € 2.409,81 (…) Moederlijk erfdeel [erfgenaam] [erflater] € 648.680,99 (…) [betrokkene 1] (legaat) € 0,00 [betrokkene 2] (legaat) € 0,00 [kleinkind 1] (legaat) € 0,00 [Legataris] (legaat) € 0,00 Totaal aan schulden € 651.090,80 (…) (…) uitvaartkosten (…) € 4.514,45 (…) notariskosten (…) € 1.027,15 (…)” 3. Procesverloop 3.1 Bij dagvaarding van 31 mei 2021 heeft Legataris gevorderd dat de rechtbank Oost-Brabant, uitvoerbaar bij voorraad, Erfgenaam als vereffenaar zal veroordelen om, samengevat: A. te voldoen het legaatbedrag van € 100.000,--, met wettelijke rente vanaf 8 juni 2020; B. alle relevante inlichtingen en stukken te verschaffen inzake de nalatenschap, waartoe in elk geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding, binnen 14 dagen na betekening van het vonnis en op verbeurte van een dwangsom; C. de proceskosten te betalen. 3.2 Legataris heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op grond van het testament recht heeft op een legaat van € 100.000,-. Dit dient uit de nalatenschap te worden betaald, omdat onvoldoende vaststaat dat de nalatenschap van erflater negatief is. Daarnaast heeft Legataris als legataris recht en belang bij verstrekking van gegevens door [erflater] , zodat zij de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving kan vaststellen, haar positie kan bepalen en tevens tot een begrip kan komen waarom de nalatenschap negatief zou zijn. 3.3 Bij vonnis van 1 september 2021 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast, die op 28 maart 2022 heeft plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is van de zijde van Erfgenaam een akte genomen, waarbij producties zijn overgelegd. 3.4 Bij vonnis van 13 juli 2022 heeft de rechtbank de vorderingen van Legataris afgewezen, met veroordeling van Legataris in de proceskosten en de nakosten en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank overwoog dat zij begrijpt dat de vordering tot betaling van het legaatbedrag subsidiair is aan de vordering tot het verkrijgen van informatie, in die zin dat op laatstgenoemde vordering eerst moet worden beslist voordat kan worden beoordeeld of Legataris recht heeft op betaling van € 100.000.-. Aan Legataris komt als legataris niet het recht toe op informatie ten opzichte van de vereffenaar in het kader van de vereffening, anders dan inzage in de boedelbeschrijving en de uitdelingslijst (rov. 5.11-5.15). Legataris heeft onvoldoende onderbouwd dat zij een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv heeft bij inzage in de door haar genoemde stukken (rov. 5.16-5.20). De vordering tot het verschaffen van inlichtingen en stukken wijst de rechtbank daarom af en omdat Legataris voor het overige niets heeft gesteld dat, indien bewezen, zou leiden tot een verplichting tot uitbetaling van het legaat, wijst de rechtbank ook de vordering tot betaling van € 100.000.- af (rov. 5.22). 3.5 Legataris heeft hoger beroep ingesteld van het vonnis van 13 juli 2022 onder aanvoering van twee grieven. Zij heeft gevorderd, samengevat, (I) dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en Erfgenaam als vereffenaar van de nalatenschap van erflater zal veroordelen: II. om aan Legataris te voldoen het legaatbedrag van € 100.000,--, met wettelijke rente; III. alle relevante inlichtingen en stukken inzake de nalatenschap te verschaffen, waartoe in elk geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding, binnen 14 dagen na betekening van het arrest en op verbeurte van een dwangsom; IV. tot terugbetaling van wat Legataris ter uitvoering van het beroepen vonnis heeft betaald, met wettelijke rente; V. in de proceskosten, met wettelijke rente. 3.6 Erfgenaam heeft verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd dat het hof uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, de vorderingen in hoger beroep van Legataris zal afwijzen en Legataris zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten. 3.7 Op 26 maart 2024 heeft het hof een tussenarrest gewezen, waarin het volgende is overwogen. 3.8 Het ontvankelijkheidsverweer van Erfgenaam is verworpen, omdat het haar op basis van het beroepsexploot duidelijk had moeten zijn dat zij in het hoger beroep betrokken werd als vereffenaar en enig erfgenaam in de nalatenschap van erflater (rov. 3.7). 3.9 Het betoog van Erfgenaam dat vordering III (tot het verschaffen van inlichtingen) zich alleen nog zou beperken tot de in memorie van grieven, randnr. 17 door Legataris genoemde stukken, is onjuist (rov. 3.8). 3.10 Legataris klaagt met grief 1 dat de rechtbank vordering II tot betaling van het legaatbedrag ten onrechte subsidiair heeft begrepen aan vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken. Dit brengt het hof ertoe eerst vordering II te behandelen (rov. 3.13). 3.11 Blijkens de naar objectieve maatstaven uit te leggen tekst kent erflater in art. 4.1 Testament een legaat van € 100.000,- toe aan ieder van de twee kleinkinderen, de onder a. aangeduide Slegers en de onder b. aangeduide Legataris afzonderlijk (rov. 3.14). 3.12 Het hof stelt vast dat partijen in het partijdebat over de vraag of de (omvang van de) nalatenschap van erflater per 8 december 2019 uitbetaling van het legaat toelaat, (ook) twisten over de hiervoor relevante (omvang van de) nalatenschap- [dochter] per 21 november 2018 en van de nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 (rov. 3.15). 3.13 Het hof wijst Erfgenaam erop dat haar tegenwerpingen dat zij aan Legataris geen rekening en verantwoording verschuldigd is van het door erflater gevoerde vermogensbeheer en als vereffenaar tegenover Legataris als legataris, onverlet laten dat een partij die uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden wil inroepen dit zo dient te doen dat duidelijk is welke stellingen precies worden ingeroepen en dat een partij die de rechtsgevolgen van gestelde feiten inroept op grond van art. 150 Rv in beginsel de bewijslast van die feiten draagt (rov. 3.15). 3.14 Tot uitgangspunt dient dat Legataris recht heeft op betaling van € 100.000,-, nu erflater in art. 4.1 Testament dat bedrag aan Legataris heeft gelegateerd. Op Erfgenaam rust de stelplicht en bewijslast van haar bevrijdende verweer, onder verwijzing naar art.4.4 Testament, dat de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van het legaat niet toelaat (rov. 3.16.2) 3.15 Erfgenaam beroept zich op de Boedelbeschrijving (rov. 3.17). Het hof overweegt ten aanzien van verschillende posten daarop, samengevat, als volgt. - Erfgenaam laat na de grootste positieve post Montfleuri-fonds ten bedrage van € 480.476,31 per 8 december 2019 te verduidelijken en aan te geven waarop de waardering ervan berust, hoewel het standpunt en de vragen van Legataris daartoe aanleiding geven (rov. 3.17); - Erfgenaam heeft de omvang van de schuld van erflater aan Erfgenaam uit hoofde van de nalatenschap moeder, die inclusief rente € 648.680,99 per 8 december 2019 zou belopen, in het licht van haar overige stellingen en ingeroepen stukken en tegenover het standpunt en de vragen van Legataris niet voldoende onderbouwd. Het hof oordeelt deze bewering om meerdere – hierna nog nader te duiden – redenen voorshands niet navolgbaar (rov. 3.18); - Erfgenaam laat na voldoende te verduidelijken wat het toenmalige erfdeel van erflater in de nalatenschap-moeder was (rov. 3.19.2); - Erfgenaam heeft haar standpunt dat [dochter] en/of Erfgenaam met erflater niet een bijzondere rente-afspraak hebben gemaakt niet voldoende duidelijk expliciteert (rov.
Volledig
3.19.3); - De door de Belgische [notaris] opgestelde aangifte voor successierecht (hierna: Aangifte 2009), de berekening van diezelfde notaris waarin ook door erflater en moeder in de periode 1980-2009 gedane schenkingen aan [dochter] en Erfgenaam zijn meegenomen en de door Erfgenaam bij akte van 28 maart 2022, randnr. 4, gestelde erfrechtelijke aanspraak van ieder van de dochters zijn moeilijk met elkaar te rijmen (rov. 3.20.1 t/m 3.20.3); - Daarbij komt nog dat Erfgenaam in dit geding heeft erkend dat ten onrechte de helft van het destijds op [bankrekening 1] staande saldo van € 747.983,71 buiten beschouwing is gelaten (rov. 3.20.4). - Bovendien is Erfgenaam niet voldoende eenduidig over de kwestie of en in hoeverre erflater al eerder bedragen aan [dochter] en/of Erfgenaam heeft uitgekeerd terzake van hun vorderingen uit hoofde van nalatenschap-moeder (rov. 3.20.5). 3.16 Het hof overweegt vervolgens dat Erfgenaam meer duidelijkheid dient te verschaffen over de blijkens ingebrachte correspondentie gedane aangifte(s) voor successierecht inzake nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 en nalatenschap- [dochter] per 21 oktober 2018. Erfgenaam heeft de aangifte en daarop gevolgde beslissing voor nalatenschap- [dochter] niet overgelegd en stelt ook niets over in verband met beide nalatenschappen mogelijk opgestelde boedelbeschrijvingen, hoewel dat wel op haar weg had gelegen (rov. 3.21.1). 3.17 Verder beroept Erfgenaam zich op met betrekking tot erflater ingebrachte concept-aangiftes IB voor 2018 en 2019, maar brengt de uiteindelijke aangiftes IB en daarop gevolgde beslissingen voor 2018 en 2019 niet in (rov. 3.21.2). 3.18 Het hof komt tot de conclusie dat vanwege alle voornoemde, aan Erfgenaam toe te rekenen, onduidelijkheden en onnavolgbaarheden, de (omvang van de) verschillende nalatenschappen vooralsnog niet valt vast te stellen en dat in elk geval vaststaat dat de Boedelbeschrijving per 8 december 2019 niet correct is. Het hof vindt daarin aanleiding om, met het oog op haar beweringen daaromtrent, Erfgenaam op de voet van art. 22 lid 1 Rv te bevelen dat zij zoveel als mogelijk haar stellingen eenduidig en begrijpelijk toelicht en voorziet van (een) deugdelijke specificatie(s) van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken overlegt, omtrent de hiervoor bedoelde: a. (overeenkomst inzake het) Mont Fleuri-fonds en de waardering daarvan op € 480.476,31 per 8 december 2019; b. nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 althans de (destijds berekende) erfdelen daarin van erflater, [dochter] en Erfgenaam, waaronder een hiervoor mogelijk opgestelde boedelbeschrijving; c. door erflater na 26 oktober 2009 gedane af- of inlossingen op die erfdelen in nalatenschap-moeder en/of op eventuele rente daarover; d. mogelijk door erflater met [dochter] en/of Erfgenaam gemaakte (afwijkende) rente-afspraken inzake hun erfdelen in nalatenschap-moeder; e. [bankrekening 1] voor zover het de na 26 oktober 2009 gedane mutaties met betrekking [dochter] en/of Erfgenaam betreft en het eventuele slot(rekening)afschrift daarvan; f. (destijds berekende) nalatenschap- [dochter] per 21 oktober 2018, waaronder de daarop betrekking hebbende Aangifte voor successierecht en de daarop gevolgde beslissing alsmede een hiervoor mogelijk opgestelde boedelbeschrijving; g. de uiteindelijke aangiften IB van erflater over de jaren 2014 tot en met 2019 en de daarop gevolgde beslissingen; h. een gecorrigeerde (juiste) boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater per 8 december 2019. Bij dit alles neemt het hof ook in aanmerking dat het informatie of stukken betreft waarover Erfgenaam beschikt of mogelijk kan beschikken en waar Legataris in ieder geval geen toegang toe heeft (rov. 3.22). 3.19 Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol voor memoriewisseling en iedere verdere beslissing aangehouden. 3.20 Erfgenaam heeft vervolgens een memorie na tussenarrest genomen en daarbij producties 7 tot en met 37 overgelegd. Legataris heeft daarop bij memorie van antwoord na tussenarrest gereageerd. 3.21 In het eindarrest van 25 maart 2025 heeft het hof het vonnis van 13 juli 2022 vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van Legataris tegenover Erfgenaam zijn afgewezen en Legataris is veroordeeld in de proces- en nakosten. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof Erfgenaam veroordeeld, samengevat: - om aan Legataris te betalen het legaatbedrag van € 100.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente; - in de proceskosten aan de zijde van Legataris van de eerste aanleg en het hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente; - tot terugbetaling van al hetgeen Legataris ter uitvoering van het beroepen vonnis aan haar heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente; Het hof heeft de betalings- en kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen. 3.22 Het hof heeft vooropgesteld dat art. 21 Rv partijen verplicht om de voor een rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en dat de rechter op de voet van art. 22 lid 1 Rv, binnen de grenzen van de rechtsstrijd, bevoegd is om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebbende gegevens te overleggen. Partijen hoeven daartoe niet alles mee te delen, maar zijn wel verplicht om de voor de rechterlijke beslissing relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (rov. 6.3). 3.23 Het hof concludeert dat Erfgenaam op meerdere punten niet heeft voldaan aan het op de voet van art. 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de daartoe benodigde toelichting of verduidelijking: - de opgevoerde aandelen Montfleuri (rov. 6.5.1-6.5.2); - de verhouding tussen het saldo van de nalatenschap-moeder zoals vastgesteld door de Belastingdienst en de door [notaris] opgestelde aangifte erfbelasting en de overgelegde berekeningen van diezelfde notaris (rov. 6.6.2-6.6.3); - (latere) schenkingen die mogelijk als af- of inlossing op enige nalatenschapsuitkering zouden kunnen gelden. Dit klemt volgens het hof nog temeer in het ligt van de volgende overwegingen (rov. 6.6.4); - Erfgenaam licht niets toe over mutaties met betrekking tot [dochter] en/of Erfgenaam via [bankrekening 1] . Uit de door haar ingebrachte bankafschriften en excelbestanden volgt evenwel dat erflater via overmakingen aan Erfgenaam sinds 2015 ten minste zo’n € 150.000,- heeft geschonken en aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tezamen sinds 2012 ten minste zo’n € 270.000,-. Zij verklaart niet, althans niet duidelijk, of en in hoeverre mogelijk sprake is van schenkingen die als voorschot op enige nalatenschapsuitkering zouden kunnen gelden (rov. 6.7.1). 3.24 Het voorgaande klemt temeer in het licht van de overgelegde belastingaangiften en bankafschriften waaruit een aanzienlijke afname van het vermogen van erflater blijkt. Erfgenaam vermeldt daarover niets, laat staan dat zij hierover iets toelicht (rov. 6.7.2). 3.25 Het hof komt daarop tot het volgende oordeel over schending van de waarheidsplicht en opvolging van het op grond van art. 22 lid 1 Rv gegeven bevel (rov. 6.8.1): “Wat van die banksaldi verder ook zij, het hof komt reeds op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat [Erfgenaam] niet heeft voldaan aan het op de voet van art. 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de benodigde inlichtingen of verduidelijkingen en dat [Erfgenaam] voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten heeft achtergehouden. Voor zover [Erfgenaam] meent voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat de nalatenschap van erflater in ieder geval negatief is, maakt dat deze conclusie niet anders en laat dat de niet-naleving van de verplichting om de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren onverlet.
Volledig
3.19.3); - De door de Belgische [notaris] opgestelde aangifte voor successierecht (hierna: Aangifte 2009), de berekening van diezelfde notaris waarin ook door erflater en moeder in de periode 1980-2009 gedane schenkingen aan [dochter] en Erfgenaam zijn meegenomen en de door Erfgenaam bij akte van 28 maart 2022, randnr. 4, gestelde erfrechtelijke aanspraak van ieder van de dochters zijn moeilijk met elkaar te rijmen (rov. 3.20.1 t/m 3.20.3); - Daarbij komt nog dat Erfgenaam in dit geding heeft erkend dat ten onrechte de helft van het destijds op [bankrekening 1] staande saldo van € 747.983,71 buiten beschouwing is gelaten (rov. 3.20.4). - Bovendien is Erfgenaam niet voldoende eenduidig over de kwestie of en in hoeverre erflater al eerder bedragen aan [dochter] en/of Erfgenaam heeft uitgekeerd terzake van hun vorderingen uit hoofde van nalatenschap-moeder (rov. 3.20.5). 3.16 Het hof overweegt vervolgens dat Erfgenaam meer duidelijkheid dient te verschaffen over de blijkens ingebrachte correspondentie gedane aangifte(s) voor successierecht inzake nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 en nalatenschap- [dochter] per 21 oktober 2018. Erfgenaam heeft de aangifte en daarop gevolgde beslissing voor nalatenschap- [dochter] niet overgelegd en stelt ook niets over in verband met beide nalatenschappen mogelijk opgestelde boedelbeschrijvingen, hoewel dat wel op haar weg had gelegen (rov. 3.21.1). 3.17 Verder beroept Erfgenaam zich op met betrekking tot erflater ingebrachte concept-aangiftes IB voor 2018 en 2019, maar brengt de uiteindelijke aangiftes IB en daarop gevolgde beslissingen voor 2018 en 2019 niet in (rov. 3.21.2). 3.18 Het hof komt tot de conclusie dat vanwege alle voornoemde, aan Erfgenaam toe te rekenen, onduidelijkheden en onnavolgbaarheden, de (omvang van de) verschillende nalatenschappen vooralsnog niet valt vast te stellen en dat in elk geval vaststaat dat de Boedelbeschrijving per 8 december 2019 niet correct is. Het hof vindt daarin aanleiding om, met het oog op haar beweringen daaromtrent, Erfgenaam op de voet van art. 22 lid 1 Rv te bevelen dat zij zoveel als mogelijk haar stellingen eenduidig en begrijpelijk toelicht en voorziet van (een) deugdelijke specificatie(s) van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken overlegt, omtrent de hiervoor bedoelde: a. (overeenkomst inzake het) Mont Fleuri-fonds en de waardering daarvan op € 480.476,31 per 8 december 2019; b. nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 althans de (destijds berekende) erfdelen daarin van erflater, [dochter] en Erfgenaam, waaronder een hiervoor mogelijk opgestelde boedelbeschrijving; c. door erflater na 26 oktober 2009 gedane af- of inlossingen op die erfdelen in nalatenschap-moeder en/of op eventuele rente daarover; d. mogelijk door erflater met [dochter] en/of Erfgenaam gemaakte (afwijkende) rente-afspraken inzake hun erfdelen in nalatenschap-moeder; e. [bankrekening 1] voor zover het de na 26 oktober 2009 gedane mutaties met betrekking [dochter] en/of Erfgenaam betreft en het eventuele slot(rekening)afschrift daarvan; f. (destijds berekende) nalatenschap- [dochter] per 21 oktober 2018, waaronder de daarop betrekking hebbende Aangifte voor successierecht en de daarop gevolgde beslissing alsmede een hiervoor mogelijk opgestelde boedelbeschrijving; g. de uiteindelijke aangiften IB van erflater over de jaren 2014 tot en met 2019 en de daarop gevolgde beslissingen; h. een gecorrigeerde (juiste) boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater per 8 december 2019. Bij dit alles neemt het hof ook in aanmerking dat het informatie of stukken betreft waarover Erfgenaam beschikt of mogelijk kan beschikken en waar Legataris in ieder geval geen toegang toe heeft (rov. 3.22). 3.19 Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol voor memoriewisseling en iedere verdere beslissing aangehouden. 3.20 Erfgenaam heeft vervolgens een memorie na tussenarrest genomen en daarbij producties 7 tot en met 37 overgelegd. Legataris heeft daarop bij memorie van antwoord na tussenarrest gereageerd. 3.21 In het eindarrest van 25 maart 2025 heeft het hof het vonnis van 13 juli 2022 vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van Legataris tegenover Erfgenaam zijn afgewezen en Legataris is veroordeeld in de proces- en nakosten. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof Erfgenaam veroordeeld, samengevat: - om aan Legataris te betalen het legaatbedrag van € 100.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente; - in de proceskosten aan de zijde van Legataris van de eerste aanleg en het hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente; - tot terugbetaling van al hetgeen Legataris ter uitvoering van het beroepen vonnis aan haar heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente; Het hof heeft de betalings- en kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen. 3.22 Het hof heeft vooropgesteld dat art. 21 Rv partijen verplicht om de voor een rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en dat de rechter op de voet van art. 22 lid 1 Rv, binnen de grenzen van de rechtsstrijd, bevoegd is om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebbende gegevens te overleggen. Partijen hoeven daartoe niet alles mee te delen, maar zijn wel verplicht om de voor de rechterlijke beslissing relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (rov. 6.3). 3.23 Het hof concludeert dat Erfgenaam op meerdere punten niet heeft voldaan aan het op de voet van art. 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de daartoe benodigde toelichting of verduidelijking: - de opgevoerde aandelen Montfleuri (rov. 6.5.1-6.5.2); - de verhouding tussen het saldo van de nalatenschap-moeder zoals vastgesteld door de Belastingdienst en de door [notaris] opgestelde aangifte erfbelasting en de overgelegde berekeningen van diezelfde notaris (rov. 6.6.2-6.6.3); - (latere) schenkingen die mogelijk als af- of inlossing op enige nalatenschapsuitkering zouden kunnen gelden. Dit klemt volgens het hof nog temeer in het ligt van de volgende overwegingen (rov. 6.6.4); - Erfgenaam licht niets toe over mutaties met betrekking tot [dochter] en/of Erfgenaam via [bankrekening 1] . Uit de door haar ingebrachte bankafschriften en excelbestanden volgt evenwel dat erflater via overmakingen aan Erfgenaam sinds 2015 ten minste zo’n € 150.000,- heeft geschonken en aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tezamen sinds 2012 ten minste zo’n € 270.000,-. Zij verklaart niet, althans niet duidelijk, of en in hoeverre mogelijk sprake is van schenkingen die als voorschot op enige nalatenschapsuitkering zouden kunnen gelden (rov. 6.7.1). 3.24 Het voorgaande klemt temeer in het licht van de overgelegde belastingaangiften en bankafschriften waaruit een aanzienlijke afname van het vermogen van erflater blijkt. Erfgenaam vermeldt daarover niets, laat staan dat zij hierover iets toelicht (rov. 6.7.2). 3.25 Het hof komt daarop tot het volgende oordeel over schending van de waarheidsplicht en opvolging van het op grond van art. 22 lid 1 Rv gegeven bevel (rov. 6.8.1): “Wat van die banksaldi verder ook zij, het hof komt reeds op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat [Erfgenaam] niet heeft voldaan aan het op de voet van art. 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de benodigde inlichtingen of verduidelijkingen en dat [Erfgenaam] voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten heeft achtergehouden. Voor zover [Erfgenaam] meent voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat de nalatenschap van erflater in ieder geval negatief is, maakt dat deze conclusie niet anders en laat dat de niet-naleving van de verplichting om de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren onverlet.
Volledig
Vanwege de aard en de ernst van de door [Erfgenaam] geschonden verplichting zal het hof aan de stellingen en het bewijsaanbod van [Erfgenaam] voorbijgaan en vordering II tot betaling van het legaatbedrag toewijzen.” 3.26 Het hof wijst de wettelijke rente over het gelegateerde bedrag toe vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (31 mei 2021), bij gebreke van een voldoende gebleken eerdere verzuimdatum (rov. 6.8.2). 3.27 Vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken wordt afgewezen, omdat het hof vordering II tot betaling van het legaat toewijst en Legataris daarmee volgens eigen verklaring geen belang meer heeft bij vordering III (rov. 6.9). 3.28 Erfgenaam heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest. Zij heeft afgezien van het nemen van een schriftelijke toelichting. Tegen Legataris was verstek verleend. Nadat het verstek is gezuiverd heeft Legataris geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en haar standpunt schriftelijk toegelicht. Erfgenaam heeft afgezien van het nemen van een schriftelijke toelichting, maar wel gerepliceerd. Legataris heeft afgezien van dupliek. 4 Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het middel omvat vier onderdelen die elk uit meerdere subonderdelen bestaan. Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof over de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de nalatenschap. De onderdelen 2 t/m 4 bevatten rechts- en motiveringsklachten over de toepassing van art. 21 en 22 Rv en een klacht over de onuitvoerbaarheid van de beslissing van het hof gezien de rangorde van de schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 2 BW) en het feit dat Erfgenaam de nalatenschap van erfalter beneficiair aanvaard heeft. Stelplicht en bewijslast omvang nalatenschap 4.2 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.16.2 van het tussenarrest waarin het hof oordeelt dat op Erfgenaam de stelplicht en bewijslast rust van haar bevrijdende verweer dat de omvang van de nalatenschap van erflater uitbetaling van het legaat niet toelaat en tegen rov. 6.1.3 van het eindarrest waarin het hof dit oordeel herhaalt. Rov. 3.16.1 en 3.16.2 van het tussenarrest luiden als volgt: “3.16.1 Voor wat betreft de stelplicht en bewijslast meent [Legataris] dat op [Erfgenaam] als vereffenaar de stelplicht en bewijslast rust van haar stellingname dat de nalatenschap van erflater negatief is en betaling van het legaat aan haar niet toestaat. [Erfgenaam] betoogt daarentegen dat waar [Legataris] een vorderingsrecht pretendeert, [Legataris] de stelplicht en bewijslast draagt van de feiten waaruit volgt dat de nalatenschap van erflater zodanig positief is dat [Legataris] een vorderingsrecht heeft. 3.16.2 Het hof overweegt dat erflater in artikel 4.1 Testament € 100,000,- aan [Legataris] heeft gelegateerd, zodat tot uitgangspunt dient dat [Legataris] recht heeft op betaling daarvan. Omdat [Erfgenaam] onder verwijzing naar artikel 4.4 Testament inroept dat de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van dat legaat niet toelaat, rust op [Erfgenaam] de stelplicht en bewijslast van haar bevrijdende verweer.” 4.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat deze overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat in het testament een legaat is gemaakt aan Legataris onder opschortende voorwaarde, inhoudende dat het gelegateerde bedrag wordt verminderd ‘indien de nominale waarde van de vier gelegateerde bedragen tezamen meer bedraagt dan tachtig procent van de waarde van mijn nalatenschap’. Er ontstaat volgens het subonderdeel (onder d) geen vorderingsrecht indien het aanvankelijk genoemde bedrag van € 100.000.- wordt verminderd vanwege de (beperkte) omvang van de nalatenschap, zodat niet gesproken kan worden over de vraag of ‘de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van dat legaat toelaat of niet’. Omdat sprake is van een opschortende voorwaarde dient Legataris te bewijzen dat de voorwaarde niet (langer) aan nakoming in de weg staat. Er is dus geen sprake van een bevrijdend verweer zijdens Erfgenaam. Het subonderdeel beroept zich op art. 150 Rv en het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357. Ook wordt verwezen naar processtukken in feitelijke instanties zijdens Legataris en rov. 5.14 en 5.22 van het vonnis van de rechtbank waar de rechtbank ervan uit lijkt te gaan dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de nalatenschap op Legataris rust. 4.4 Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is gesteld (art. 6:21 BW). Een opschortende voorwaarde doet de werking van de verbintenis eerst met het plaatsvinden van de gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden van de gebeurtenis vervallen (art. 6:22 BW). 4.5 Uit het arrest van 7 december 2001 volgt dat indien sprake is van een verbintenis onder opschortende voorwaarde, op de partij die zich op die verbintenis beroept de stelplicht en bewijslast rust dat deze voorwaarde niet (langer) aan nakoming in de weg staat, bijv. doordat zij in vervulling is gegaan. Staat niet vast dat aan de verbintenis een opschortende voorwaarde is verbonden en beroept de partij die tot nakoming wordt aangesproken zich op het bestaan van een opschortende voorwaarde die aan de vordering tot nakoming in de weg staat, dan is het beroep op het bestaan van die voorwaarde een bevrijdend verweer waarvoor de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die tot nakoming wordt aangesproken. 4.6 In de voorliggende zaak verschillen partijen van mening over de verdeling van stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de nalatenschap, zoals omschreven in art. 4.4 Testament. In feitelijke instanties verbonden partijen hun standpunt hierover niet expliciet met de vraag of het testament een opschortende of ontbindende voorwaarde bevat. 4.7 Legataris heeft in de inleidende dagvaarding aangevoerd dat Erfgenaam aannemelijk dient te maken dat sprake is van een negatieve nalatenschap en dat op haar de stelplicht en bewijslast rust dat de nalatenschap negatief is. In de memorie van grieven herhaalt Legataris dit standpunt. Zo lang het bewijs van het negatief zijn van de nalatenschap niet is geleverd, ‘dient te worden uitgegaan van de plicht tot uitbetaling van het legaat’. 4.8 In de conclusie van antwoord stelt Erfgenaam dat Legataris als eisende partij conform de hoofdregel van art. 150 Rv dient te stellen en te bewijzen hoe hoog haar vordering daadwerkelijk is, ‘mede gezien het bepaalde bij het legaat onder punt 4’ en dat dit te meer klemt nu [erflater] gemotiveerd en onderbouwd hebben gesteld dat de nalatenschap van erflater negatief is. In de memorie van antwoord voert Erfgenaam aan dat ‘gezien de redactie van het legaat’ Legataris zal moeten bewijzen dat de nalatenschap zodanig positief is dat er een vorderingsrecht is. 4.9 Het hof gebruikt in rov. 3.16.1 en 3.16.2 van het tussenarrest de begrippen ‘opschortende’ en ‘ontbindende voorwaarde’ evenmin. Het hof neemt tot uitgangspunt dat Legataris recht heeft op betaling van het in art. 4.1 Testament gemaakte legaat van € 100.000,-. Dit uitgangspunt wordt door het subonderdeel niet bestreden. Het hof vervolgt dan dat op Erfgenaam de stelplicht en bewijslast rust van het inroepen van haar bevrijdende verweer dat de in art. 4.4 Testament genoemde situatie dat de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van het legaat niet toelaat (rov. 3.16.2). 4.10 Aangenomen dat sprake zou zijn van een verbintenis onder voorwaarde, dan sluit de kwalificatie als ontbindende voorwaarde beter aan bij de uitleg die het hof geeft aan art. 4.1 en 4.4 Testament dan de opschortende voorwaarde. Het hof heeft immers tot uitgangspunt genomen dat Legataris recht heeft op uitbetaling van het legaat, tenzij, of totdat, de vereffenaar/enig erfgenaam inroept dat de omvang van de nalatenschap uitbetaling van het legaat niet toelaat. Een recht op betaling past niet bij de werking van de opschortende voorwaarde die de verbintenis eerst met het plaatsvinden van een gebeurtenis doet aanvangen. In deze lijn redenerend heeft het hof terecht de bewijslast bij Erfgenaam gelegd.
Volledig
Vanwege de aard en de ernst van de door [Erfgenaam] geschonden verplichting zal het hof aan de stellingen en het bewijsaanbod van [Erfgenaam] voorbijgaan en vordering II tot betaling van het legaatbedrag toewijzen.” 3.26 Het hof wijst de wettelijke rente over het gelegateerde bedrag toe vanaf de datum van de inleidende dagvaarding (31 mei 2021), bij gebreke van een voldoende gebleken eerdere verzuimdatum (rov. 6.8.2). 3.27 Vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken wordt afgewezen, omdat het hof vordering II tot betaling van het legaat toewijst en Legataris daarmee volgens eigen verklaring geen belang meer heeft bij vordering III (rov. 6.9). 3.28 Erfgenaam heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest. Zij heeft afgezien van het nemen van een schriftelijke toelichting. Tegen Legataris was verstek verleend. Nadat het verstek is gezuiverd heeft Legataris geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en haar standpunt schriftelijk toegelicht. Erfgenaam heeft afgezien van het nemen van een schriftelijke toelichting, maar wel gerepliceerd. Legataris heeft afgezien van dupliek. 4 Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het middel omvat vier onderdelen die elk uit meerdere subonderdelen bestaan. Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof over de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de nalatenschap. De onderdelen 2 t/m 4 bevatten rechts- en motiveringsklachten over de toepassing van art. 21 en 22 Rv en een klacht over de onuitvoerbaarheid van de beslissing van het hof gezien de rangorde van de schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 2 BW) en het feit dat Erfgenaam de nalatenschap van erfalter beneficiair aanvaard heeft. Stelplicht en bewijslast omvang nalatenschap 4.2 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.16.2 van het tussenarrest waarin het hof oordeelt dat op Erfgenaam de stelplicht en bewijslast rust van haar bevrijdende verweer dat de omvang van de nalatenschap van erflater uitbetaling van het legaat niet toelaat en tegen rov. 6.1.3 van het eindarrest waarin het hof dit oordeel herhaalt. Rov. 3.16.1 en 3.16.2 van het tussenarrest luiden als volgt: “3.16.1 Voor wat betreft de stelplicht en bewijslast meent [Legataris] dat op [Erfgenaam] als vereffenaar de stelplicht en bewijslast rust van haar stellingname dat de nalatenschap van erflater negatief is en betaling van het legaat aan haar niet toestaat. [Erfgenaam] betoogt daarentegen dat waar [Legataris] een vorderingsrecht pretendeert, [Legataris] de stelplicht en bewijslast draagt van de feiten waaruit volgt dat de nalatenschap van erflater zodanig positief is dat [Legataris] een vorderingsrecht heeft. 3.16.2 Het hof overweegt dat erflater in artikel 4.1 Testament € 100,000,- aan [Legataris] heeft gelegateerd, zodat tot uitgangspunt dient dat [Legataris] recht heeft op betaling daarvan. Omdat [Erfgenaam] onder verwijzing naar artikel 4.4 Testament inroept dat de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van dat legaat niet toelaat, rust op [Erfgenaam] de stelplicht en bewijslast van haar bevrijdende verweer.” 4.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat deze overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat in het testament een legaat is gemaakt aan Legataris onder opschortende voorwaarde, inhoudende dat het gelegateerde bedrag wordt verminderd ‘indien de nominale waarde van de vier gelegateerde bedragen tezamen meer bedraagt dan tachtig procent van de waarde van mijn nalatenschap’. Er ontstaat volgens het subonderdeel (onder d) geen vorderingsrecht indien het aanvankelijk genoemde bedrag van € 100.000.- wordt verminderd vanwege de (beperkte) omvang van de nalatenschap, zodat niet gesproken kan worden over de vraag of ‘de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van dat legaat toelaat of niet’. Omdat sprake is van een opschortende voorwaarde dient Legataris te bewijzen dat de voorwaarde niet (langer) aan nakoming in de weg staat. Er is dus geen sprake van een bevrijdend verweer zijdens Erfgenaam. Het subonderdeel beroept zich op art. 150 Rv en het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357. Ook wordt verwezen naar processtukken in feitelijke instanties zijdens Legataris en rov. 5.14 en 5.22 van het vonnis van de rechtbank waar de rechtbank ervan uit lijkt te gaan dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de nalatenschap op Legataris rust. 4.4 Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is gesteld (art. 6:21 BW). Een opschortende voorwaarde doet de werking van de verbintenis eerst met het plaatsvinden van de gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden van de gebeurtenis vervallen (art. 6:22 BW). 4.5 Uit het arrest van 7 december 2001 volgt dat indien sprake is van een verbintenis onder opschortende voorwaarde, op de partij die zich op die verbintenis beroept de stelplicht en bewijslast rust dat deze voorwaarde niet (langer) aan nakoming in de weg staat, bijv. doordat zij in vervulling is gegaan. Staat niet vast dat aan de verbintenis een opschortende voorwaarde is verbonden en beroept de partij die tot nakoming wordt aangesproken zich op het bestaan van een opschortende voorwaarde die aan de vordering tot nakoming in de weg staat, dan is het beroep op het bestaan van die voorwaarde een bevrijdend verweer waarvoor de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die tot nakoming wordt aangesproken. 4.6 In de voorliggende zaak verschillen partijen van mening over de verdeling van stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de nalatenschap, zoals omschreven in art. 4.4 Testament. In feitelijke instanties verbonden partijen hun standpunt hierover niet expliciet met de vraag of het testament een opschortende of ontbindende voorwaarde bevat. 4.7 Legataris heeft in de inleidende dagvaarding aangevoerd dat Erfgenaam aannemelijk dient te maken dat sprake is van een negatieve nalatenschap en dat op haar de stelplicht en bewijslast rust dat de nalatenschap negatief is. In de memorie van grieven herhaalt Legataris dit standpunt. Zo lang het bewijs van het negatief zijn van de nalatenschap niet is geleverd, ‘dient te worden uitgegaan van de plicht tot uitbetaling van het legaat’. 4.8 In de conclusie van antwoord stelt Erfgenaam dat Legataris als eisende partij conform de hoofdregel van art. 150 Rv dient te stellen en te bewijzen hoe hoog haar vordering daadwerkelijk is, ‘mede gezien het bepaalde bij het legaat onder punt 4’ en dat dit te meer klemt nu [erflater] gemotiveerd en onderbouwd hebben gesteld dat de nalatenschap van erflater negatief is. In de memorie van antwoord voert Erfgenaam aan dat ‘gezien de redactie van het legaat’ Legataris zal moeten bewijzen dat de nalatenschap zodanig positief is dat er een vorderingsrecht is. 4.9 Het hof gebruikt in rov. 3.16.1 en 3.16.2 van het tussenarrest de begrippen ‘opschortende’ en ‘ontbindende voorwaarde’ evenmin. Het hof neemt tot uitgangspunt dat Legataris recht heeft op betaling van het in art. 4.1 Testament gemaakte legaat van € 100.000,-. Dit uitgangspunt wordt door het subonderdeel niet bestreden. Het hof vervolgt dan dat op Erfgenaam de stelplicht en bewijslast rust van het inroepen van haar bevrijdende verweer dat de in art. 4.4 Testament genoemde situatie dat de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van het legaat niet toelaat (rov. 3.16.2). 4.10 Aangenomen dat sprake zou zijn van een verbintenis onder voorwaarde, dan sluit de kwalificatie als ontbindende voorwaarde beter aan bij de uitleg die het hof geeft aan art. 4.1 en 4.4 Testament dan de opschortende voorwaarde. Het hof heeft immers tot uitgangspunt genomen dat Legataris recht heeft op uitbetaling van het legaat, tenzij, of totdat, de vereffenaar/enig erfgenaam inroept dat de omvang van de nalatenschap uitbetaling van het legaat niet toelaat. Een recht op betaling past niet bij de werking van de opschortende voorwaarde die de verbintenis eerst met het plaatsvinden van een gebeurtenis doet aanvangen. In deze lijn redenerend heeft het hof terecht de bewijslast bij Erfgenaam gelegd.
Volledig
4.11 Het is echter de vraag of een kwalificatie als voorwaardelijke verbintenis aan de orde is, gelet op de wijze waarop art. 4.1 en art. 4.4 Testament aansluiten bij de wettelijke regeling voor de rang van de legataris als schuldeiser van de nalatenschap en de mogelijkheid van vermindering van het legaat. 4.12 Met een legaat kent de erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toe. Het legaat is dus een bron van verbintenissen. Bepalingen van Boek 6 BW, waaronder art. 6:21 e.v. BW, kunnen daarop worden toegepast, voor zover daarvan in Boek 4 BW niet wordt afgeweken. Het vorderingsrecht uit hoofde van een legaat ontstaat op het moment van overlijden van de erflater. Daarvoor is niet nodig dat de legataris het legaat aanvaardt. Hij heeft wel de mogelijkheid het legaat te verwerpen (art. 4:201 BW). 4.13 Art. 4:120 BW bevat een regeling voor de rangorde van de schulden uit een legaat ten opzichte van andere schulden van de nalatenschap en in samenhang daarmee van de vermindering van legaten. Art. 4:120 lid 1 bepaalt – in lijn met art. 4:7 lid 1 en 2 BW – dat schulden uit een legaat slechts ten laste van de nalatenschap worden voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan. Voor zover de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit legaten te voldoen uit de erfdelen van de erfgenamen op wie zij rusten, worden zij verminderd (lid 2), in beginsel bij gelijke delen (lid 3). Vermindering geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen (lid 4). Uit dit vierde lid van art. 4:120 BW blijkt dat de wettelijke vermindering niet van rechtswege werkt, maar door een verklaring van de met het legaat belaste erfgenamen. Voor zover de prestatie reeds is verricht, blijft de rechtsgrond daarvoor in stand (lid 4). De wetgever heeft op dit punt aansluiting gezocht bij de rechtsgevolgen van ontbinding van een wederkerige overeenkomst en de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenissen (art. 6:271 BW). Het vijfde lid van art. 4:120 BW bepaalt daarom dat erfgenamen die met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn, ondanks de vermindering gehouden zijn tot voldoening van het gehele legaat. 4.14 Deze wettelijke regeling voor vermindering van legaten dient dus niet te worden bezien in het perspectief van het bestaan van een (opschortende) voorwaarde, maar behelst een regeling voor de rangorde en voldoening van schulden van de nalatenschap. Van het later aanvangen van de werking van de verbintenis uit het legaat onder bepaalde voorwaarden, of van het vervallen daarvan onder bepaalde voorwaarden is geen sprake. 4.15 In de voorliggende zaak heeft erflater in zijn testament een afwijkende regeling voor vermindering van de legaten aan Legataris, [legataris] en zijn kleinkinderen gegeven, waardoor aan de wettelijke regeling voor vermindering niet meer wordt toegekomen. Vermindering geschiedt op grond van art. 4.4 Testament immers al indien de nominale waarde van de totale gelegateerde bedragen meer bedraagt dan 80% van de waarde van de nalatenschap. Het testament bevat geen regeling voor de manier waarop de vermindering plaatsvindt. Over de verhouding tussen de regeling in het Testament en art. 4:120 BW hebben partijen in feitelijke instanties geen stellingen ingenomen. 4.16 Als volgens de lijn van de wettelijke regeling wordt geredeneerd komt het primair aan op de vraag wat de waarde van de nalatenschap is, waarna het aan Erfgenaam is om – als die waarde daartoe aanleiding geeft – een beroep te doen op de regeling van vermindering (art. 4.4 Testament). Het ligt in de rede dat de bewijslast voor de waarde van de nalatenschap dan wordt neergelegd bij Erfgenaam, ook nu het gaat om informatie die volledig binnen haar bewijsdomein ligt. Legataris beschikt niet over relevante bewijsstukken. 4.17 De conclusie is dat het hof de bewijslast met betrekking tot de omvang van de nalatenschap terecht op Erfgenaam heeft gelegd. 4.18 In dit verband is nog op te merken dat in de wet geen specifieke bepaling is opgenomen over de informatierechten van een legataris. Wel bepaalt art. 4:78 lid 1 BW voor de legitimaris (die niet erfgenaam is) dat deze jegens de erfgenamen en de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Het is aannemelijk dat een vergelijkbaar recht op inlichtingen en informatie bestaat ten behoeve van de legataris, voor zover dat noodzakelijk is voor de berekening van de hoogte van zijn vorderingsrecht 4.19 De slotsom luidt dat subonderdeel 1.1 niet slaagt. 4.20 Subonderdeel 1.2 bevat enkel een op subonderdeel 1.1 voortbouwende klacht die faalt in het voetspoor van dat subonderdeel. 4.21 Bij de beoordeling van de navolgende klachten van het middel dient tot uitgangspunt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de nalatenschap op Erfgenaam rust. Voordat de klachten worden besproken zullen eerst enkele algemene opmerkingen worden gemaakt. Toepasselijke recht 4.22 Erfgenaam gaat in de memorie na tussenarrest uit van de toepassing van Nederlands recht op de nalatenschap-moeder, hoewel een Belgische aangifte en aanslag erfbelasting voor de nalatenschap-moeder zijn overgelegd en Erfgenaam zich aanvankelijk op het standpunt heeft gesteld dat op de afwikkeling van die nalatenschap (mede) Belgisch recht van toepassing is. Het hof heeft geen overwegingen gewijd aan het op de afwikkeling van de nalatenschap-moeder toepasselijke recht. Hieruit is af te leiden dat het hof in aansluiting op het standpunt van Erfgenaam is uitgegaan van de toepassing van Nederlands recht. Hierna worden daarom alleen de regels voor de inbreng van giften naar Nederlands recht besproken. 4.23 Het testament van moeder, opgemaakt in 1998, bevat een ouderlijke boedelverdeling. Erflater, [dochter] en Erfgenaam waren erfgenamen in haar nalatenschap, zij het dat moeder de goederen van haar nalatenschap heeft toebedeeld aan erflater, onder de verplichting aan Erfgenaam en [dochter] ieder een bedrag uit te keren ter grootte van hun erfdeel minus verschuldigde belastingen, rechten en kosten. De met deze verplichting corresponderende vorderingen zijn pas opeisbaar bij het overlijden van erflater. Moeder is overleden in 2009. 4.24 Per 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht in werking getreden. Hoofdregel van overgangsrecht is dat het nieuwe recht onmiddellijke werking heeft (art. 68a Overgangswet Nieuw BW). 4.25 De ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW (oud)) houdt een verdeling van de nalatenschap in bij uiterste wilsbeschikking. Levering is niet vereist, zodat art. 3:186 lid 1 BW niet van toepassing is. Een ouderlijke boedelverdeling kan onder het nieuwe erfrecht niet meer worden gemaakt. Uit art. 127 jo. 79 Overgangswet Nieuw BW volgt dat een voor 1 januari 2003 gemaakte ouderlijke boedelverdeling geëerbiedigd wordt en dus geldig blijft, ook als de nalatenschap nadien openvalt. Inbreng van giften 4.26 Op grond van art. 4:1132 lid 1, aanhef en onder 1°, BW (oud), moesten erfgenamen in de nederdalende lijn alle schenkingen die de erflater tijdens zijn leven aan hen heeft gedaan inbrengen, tenzij de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan, of de begiftigden bij authentieke akte of bij uiterste wil van de verplichting tot inbreng zijn ontheven. Bij stilzwijgen gold als uitgangspunt dus een inbrengplicht. De regels over inbreng waren ook van toepassing indien erflater een ouderlijke boedelverdeling had gemaakt. 4.27 Naar huidig recht geldt als uitgangspunt dat erfgenamen giften niet hoeven in te brengen. Erfgenamen zijn alleen verplicht tot inbreng van de waarde van de hun door de erflater gedane giften bij de verdeling van de nalatenschap voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift, hetzij bij de uiterste wilsbeschikking heeft voorgeschreven (art. 4:229 lid 1 BW). Een bij de gift opgelegde verplichting tot inbreng kan bij uiterste wilsbeschikking ongedaan worden gemaakt (lid 2). 4.28 Art.
Volledig
4.11 Het is echter de vraag of een kwalificatie als voorwaardelijke verbintenis aan de orde is, gelet op de wijze waarop art. 4.1 en art. 4.4 Testament aansluiten bij de wettelijke regeling voor de rang van de legataris als schuldeiser van de nalatenschap en de mogelijkheid van vermindering van het legaat. 4.12 Met een legaat kent de erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toe. Het legaat is dus een bron van verbintenissen. Bepalingen van Boek 6 BW, waaronder art. 6:21 e.v. BW, kunnen daarop worden toegepast, voor zover daarvan in Boek 4 BW niet wordt afgeweken. Het vorderingsrecht uit hoofde van een legaat ontstaat op het moment van overlijden van de erflater. Daarvoor is niet nodig dat de legataris het legaat aanvaardt. Hij heeft wel de mogelijkheid het legaat te verwerpen (art. 4:201 BW). 4.13 Art. 4:120 BW bevat een regeling voor de rangorde van de schulden uit een legaat ten opzichte van andere schulden van de nalatenschap en in samenhang daarmee van de vermindering van legaten. Art. 4:120 lid 1 bepaalt – in lijn met art. 4:7 lid 1 en 2 BW – dat schulden uit een legaat slechts ten laste van de nalatenschap worden voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan. Voor zover de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit legaten te voldoen uit de erfdelen van de erfgenamen op wie zij rusten, worden zij verminderd (lid 2), in beginsel bij gelijke delen (lid 3). Vermindering geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen (lid 4). Uit dit vierde lid van art. 4:120 BW blijkt dat de wettelijke vermindering niet van rechtswege werkt, maar door een verklaring van de met het legaat belaste erfgenamen. Voor zover de prestatie reeds is verricht, blijft de rechtsgrond daarvoor in stand (lid 4). De wetgever heeft op dit punt aansluiting gezocht bij de rechtsgevolgen van ontbinding van een wederkerige overeenkomst en de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenissen (art. 6:271 BW). Het vijfde lid van art. 4:120 BW bepaalt daarom dat erfgenamen die met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn, ondanks de vermindering gehouden zijn tot voldoening van het gehele legaat. 4.14 Deze wettelijke regeling voor vermindering van legaten dient dus niet te worden bezien in het perspectief van het bestaan van een (opschortende) voorwaarde, maar behelst een regeling voor de rangorde en voldoening van schulden van de nalatenschap. Van het later aanvangen van de werking van de verbintenis uit het legaat onder bepaalde voorwaarden, of van het vervallen daarvan onder bepaalde voorwaarden is geen sprake. 4.15 In de voorliggende zaak heeft erflater in zijn testament een afwijkende regeling voor vermindering van de legaten aan Legataris, [legataris] en zijn kleinkinderen gegeven, waardoor aan de wettelijke regeling voor vermindering niet meer wordt toegekomen. Vermindering geschiedt op grond van art. 4.4 Testament immers al indien de nominale waarde van de totale gelegateerde bedragen meer bedraagt dan 80% van de waarde van de nalatenschap. Het testament bevat geen regeling voor de manier waarop de vermindering plaatsvindt. Over de verhouding tussen de regeling in het Testament en art. 4:120 BW hebben partijen in feitelijke instanties geen stellingen ingenomen. 4.16 Als volgens de lijn van de wettelijke regeling wordt geredeneerd komt het primair aan op de vraag wat de waarde van de nalatenschap is, waarna het aan Erfgenaam is om – als die waarde daartoe aanleiding geeft – een beroep te doen op de regeling van vermindering (art. 4.4 Testament). Het ligt in de rede dat de bewijslast voor de waarde van de nalatenschap dan wordt neergelegd bij Erfgenaam, ook nu het gaat om informatie die volledig binnen haar bewijsdomein ligt. Legataris beschikt niet over relevante bewijsstukken. 4.17 De conclusie is dat het hof de bewijslast met betrekking tot de omvang van de nalatenschap terecht op Erfgenaam heeft gelegd. 4.18 In dit verband is nog op te merken dat in de wet geen specifieke bepaling is opgenomen over de informatierechten van een legataris. Wel bepaalt art. 4:78 lid 1 BW voor de legitimaris (die niet erfgenaam is) dat deze jegens de erfgenamen en de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Het is aannemelijk dat een vergelijkbaar recht op inlichtingen en informatie bestaat ten behoeve van de legataris, voor zover dat noodzakelijk is voor de berekening van de hoogte van zijn vorderingsrecht 4.19 De slotsom luidt dat subonderdeel 1.1 niet slaagt. 4.20 Subonderdeel 1.2 bevat enkel een op subonderdeel 1.1 voortbouwende klacht die faalt in het voetspoor van dat subonderdeel. 4.21 Bij de beoordeling van de navolgende klachten van het middel dient tot uitgangspunt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de nalatenschap op Erfgenaam rust. Voordat de klachten worden besproken zullen eerst enkele algemene opmerkingen worden gemaakt. Toepasselijke recht 4.22 Erfgenaam gaat in de memorie na tussenarrest uit van de toepassing van Nederlands recht op de nalatenschap-moeder, hoewel een Belgische aangifte en aanslag erfbelasting voor de nalatenschap-moeder zijn overgelegd en Erfgenaam zich aanvankelijk op het standpunt heeft gesteld dat op de afwikkeling van die nalatenschap (mede) Belgisch recht van toepassing is. Het hof heeft geen overwegingen gewijd aan het op de afwikkeling van de nalatenschap-moeder toepasselijke recht. Hieruit is af te leiden dat het hof in aansluiting op het standpunt van Erfgenaam is uitgegaan van de toepassing van Nederlands recht. Hierna worden daarom alleen de regels voor de inbreng van giften naar Nederlands recht besproken. 4.23 Het testament van moeder, opgemaakt in 1998, bevat een ouderlijke boedelverdeling. Erflater, [dochter] en Erfgenaam waren erfgenamen in haar nalatenschap, zij het dat moeder de goederen van haar nalatenschap heeft toebedeeld aan erflater, onder de verplichting aan Erfgenaam en [dochter] ieder een bedrag uit te keren ter grootte van hun erfdeel minus verschuldigde belastingen, rechten en kosten. De met deze verplichting corresponderende vorderingen zijn pas opeisbaar bij het overlijden van erflater. Moeder is overleden in 2009. 4.24 Per 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht in werking getreden. Hoofdregel van overgangsrecht is dat het nieuwe recht onmiddellijke werking heeft (art. 68a Overgangswet Nieuw BW). 4.25 De ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW (oud)) houdt een verdeling van de nalatenschap in bij uiterste wilsbeschikking. Levering is niet vereist, zodat art. 3:186 lid 1 BW niet van toepassing is. Een ouderlijke boedelverdeling kan onder het nieuwe erfrecht niet meer worden gemaakt. Uit art. 127 jo. 79 Overgangswet Nieuw BW volgt dat een voor 1 januari 2003 gemaakte ouderlijke boedelverdeling geëerbiedigd wordt en dus geldig blijft, ook als de nalatenschap nadien openvalt. Inbreng van giften 4.26 Op grond van art. 4:1132 lid 1, aanhef en onder 1°, BW (oud), moesten erfgenamen in de nederdalende lijn alle schenkingen die de erflater tijdens zijn leven aan hen heeft gedaan inbrengen, tenzij de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan, of de begiftigden bij authentieke akte of bij uiterste wil van de verplichting tot inbreng zijn ontheven. Bij stilzwijgen gold als uitgangspunt dus een inbrengplicht. De regels over inbreng waren ook van toepassing indien erflater een ouderlijke boedelverdeling had gemaakt. 4.27 Naar huidig recht geldt als uitgangspunt dat erfgenamen giften niet hoeven in te brengen. Erfgenamen zijn alleen verplicht tot inbreng van de waarde van de hun door de erflater gedane giften bij de verdeling van de nalatenschap voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift, hetzij bij de uiterste wilsbeschikking heeft voorgeschreven (art. 4:229 lid 1 BW). Een bij de gift opgelegde verplichting tot inbreng kan bij uiterste wilsbeschikking ongedaan worden gemaakt (lid 2). 4.28 Art.
Volledig
139 Overgangswet Nieuw BW bepaalt dat in geval een door de wet geroepen erfgenaam in de nederdalende lijn voor het in werking treden van de wet bij een gift of in een uiterste wil niet is ontheven van zijn verplichting tot inbreng van de gedane gift, deze erfgenaam ook na dat tijdstip verplicht blijft tot inbreng van de gift, tenzij de erflater nadien anders mocht hebben beslist. Deze overgangsbepaling is van toepassing op giften die ten tijde van het oude recht, dus voor 1 januari 2003, zijn gedaan. Voor na 1 januari 2003 gedane giften geldt het uitgangspunt van het nieuwe recht (bij stilzwijgen geen inbreng), ook indien het testament ten tijde van het oude recht is opgemaakt. 4.29 Art. 139 Overgangswet NBW regelt niet welke regels van toepassing zijn op een inbrengverplichting ten aanzien van giften die gedaan zijn ten tijde van het oude recht wanneer een nalatenschap openvalt op of na 1 januari 2003. In de literatuur wordt daarom aangenomen dat op grond van de hoofdregel van onmiddellijke werking de nieuwe regels van toepassing zijn. Dat past ook bij het gegeven dat mede-erfgenamen pas een beroep kunnen doen op de verplichting tot inbreng bij het overlijden van de erflater. 4.30 Naar huidig recht gelden onder meer de volgende regels voor de verplichting tot inbreng. De verplichting tot inbreng betekent dat bij de verdeling van de nalatenschap de waarde van de gift in mindering komt van het aandeel van de tot inbreng verplichte erfgenaam in de nalatenschap die is vermeerderd met de onderling in te brengen bedragen (art. 4:233 lid 1 BW). De inbreng is niet verplicht voor zover de waarde van de gift groter is dan het aandeel van de erfgenaam (art. 4:232 BW). De inbreng geschiedt ten behoeve van de mede-erfgenamen (art. 4:229 lid 1 BW). Voor de berekening van de waarde van de gift wordt in art. 4:233 lid 1, tweede en derde zin BW verwezen naar art. 4:66 BW. Deze waarde wordt verhoogd met een rente van zes procent per jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen. 4.31 Dit betekent voor de voorliggende zaak dat ten behoeve van de vaststelling van de omvang van de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] die zijn ontstaan op grond van het testament van moeder, giften van moeder aan [dochter] en Erfgenaam gedaan vóór 1 januari 2003 moeten worden ingebracht, tenzij zij bij die gift of bij testament zijn ontheven van de verplichting tot inbreng. Giften die moeder deed in de periode van 1 januari 2003 tot haar overlijden op 26 oktober 2009 behoeven niet te worden ingebracht, tenzij moeder dit bij de gift of bij uiterste wilsbeschikking heeft voorgeschreven. 4.32 Ten aanzien van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater geldt het volgende. Giften van erflater aan Erfgenaam (en [dochter] ) hoeven bij de verdeling van de nalatenschap van erflater niet te worden ingebracht. Inbreng van giften bij de verdeling van de nalatenschap geschiedt namelijk alleen ten behoeve van mede-erfgenamen (art. 4:229 lid 1 BW). Die zijn er niet, nu Erfgenaam enig erfgenaam is. Inbreng zou Legataris als legataris overigens ook niet kunnen baten. 4.33 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.17 t/m 3.22 van het tussenarrest, waarin het hof tot het oordeel komt dat vanwege alle in die overwegingen genoemde, aan Erfgenaam toe te rekenen, onduidelijkheden en onnavolgbaarheden de (omvang van de) verschillende nalatenschappen vooralsnog niet valt vast te stellen, dat in elk geval vaststaat dat de Boedelbeschrijving per 8 december 2019 niet correct is en dat het hof hierin aanleiding vindt om Erfgenaam op de voet van art. 22 Rv te bevelen, kort gezegd, zoveel als mogelijk haar stellingen eenduidig en begrijpelijk toe te lichten en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken te overleggen omtrent de in rov. 3.22 onder a t/m f punten. 4.34 Het onderdeel voert aan (onder 2) dat het hof heeft miskend dat het slechts een bevel op de voet van art. 22 Rv kan geven binnen de rechtsstrijd van partijen en dat een dergelijk bevel slechts bedoeld is om de bewuste leugen uit te bannen en dat het niet aan het hof is om ‘mee te procederen’. Ook voert het onderdeel aan dat het hof het gegeven bevel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd. De klacht wordt uitgewerkt in verschillende, met elkaar samenhangende, subonderdelen. 4.35 Bij de bespreking van deze klacht is het volgende voorop te stellen. 4.36 Art. 22 Rv geeft een bevoegdheid aan de rechter om een partij op te dragen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde stukken in het geding te brengen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Het is dus aan de rechter om te bepalen of zij gebruik maakt van deze bevoegdheid. Het gevolg is dat in het algemeen in cassatie niet succesvol kan worden opgekomen tegen een beslissing van de rechter om géén gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 22 Rv. En in het algemeen zal evenmin succesvol kunnen worden opgekomen tegen het wél gebruiken van de rechterlijke bevoegdheid om een partij op te dragen stellingen toe te lichten of bepaalde stukken in het geding te brengen. Het gaat hier bij uitstek om de uitoefening van een bevoegdheid waarbij de feitenrechter veel vrijheid toekomt. Er kunnen ook geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van de rechter om al dan niet gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 22 Rv, zo is te lezen in de parlementaire geschiedenis. 4.37 De bevoegdheid van art. 22 Rv kan worden omschreven als een vorm van rechterlijke regievoering. In navolging van Ahsmann is als doelstelling van rechterlijke regievoering te noemen: het bereiken van (i) een rechtvaardige uitkomst, (2) gerealiseerd in een effectieve (voortvarende) en (3) efficiënt gevoerde (4) eerlijke procedure. 4.38 Meer specifiek gaat het hier om regievoering die tot doel heeft – in het kader van het bereiken van een rechtvaardige uitkomst – om de feiten zo goed en volledig mogelijk in kaart te brengen. Art. 22 Rv staat dus ten dienste van het belang van waarheidsvinding in de procedure. In de wetsgeschiedenis is te lezen dat de rechterlijke bevoegdheid zich op dit punt niet scherp laat normeren. De inhoud van het (feitelijk) debat is niet een bij de aanvang van de procedure vastomlijnd gegeven, maar komt in die procedure tot ontwikkeling aan de hand van de procesverrichtingen van partijen. Dit betekent dat de rechter bij het instrueren van een procedure behoefte zal hebben aan een enigszins vrije beoordelingsruimte, aldus de parlementaire geschiedenis. 4.39 De rechtsklacht dat een bevel op de voet van art. 22 Rv slechts bedoeld is om de bewuste leugen uit te bannen slaagt dan ook niet. Als de achtergrond van deze klacht zou zijn dat de uitoefening van de bevoegdheid van art. 22 Rv slechts aan de orde kan zijn als sprake is van schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv, dan is die veronderstelling niet juist. De bevoegdheid van de rechter om bij partijen inlichtingen in te winnen bestond ook al vóór de invoering van de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv in 2002. De bevoegdheid van de rechter om een partij te bevelen bepaalde stukken in het geding te brengen, was aanvankelijk neergelegd in art. 19a (oud) Rv) en eerder al voor kantonzaken in art. 110 (oud) Rv. De ratio daarvan was toen een doelmatig verloop van de procedure, zodat voorkomen zou worden “dat een comparitie moet worden aangehouden of op een later tijdstip worden voortgezet met als gevolg een vertraging in de procedure en een extra werkbelasting”. Vanaf 2002 staat de instructiebevoegdheid van art. 22 Rv ook in de sleutel van het belang van waarheidsvinding. Sindsdien wordt immers immers van de rechter nadrukkelijk een actieve opstelling gevraagd ten aanzien van de feitengaring. 4.40 Subonderdeel 2a klaagt dat het hof met het bevel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Het debat tussen partijen ging voornamelijk om de vraag of er aflossingen hadden plaatsgevonden op de moederlijke erfdelen. Daarover gaat de gehele memorie van grieven, naast het saldo van € 747.983,71 op [bankrekening 1] dat reden gaf tot aanpassing van de berekening van de moederlijke erfdelen. Het hof had daarom onvoldoende reden om een bevel als bedoeld in art.
Volledig
139 Overgangswet Nieuw BW bepaalt dat in geval een door de wet geroepen erfgenaam in de nederdalende lijn voor het in werking treden van de wet bij een gift of in een uiterste wil niet is ontheven van zijn verplichting tot inbreng van de gedane gift, deze erfgenaam ook na dat tijdstip verplicht blijft tot inbreng van de gift, tenzij de erflater nadien anders mocht hebben beslist. Deze overgangsbepaling is van toepassing op giften die ten tijde van het oude recht, dus voor 1 januari 2003, zijn gedaan. Voor na 1 januari 2003 gedane giften geldt het uitgangspunt van het nieuwe recht (bij stilzwijgen geen inbreng), ook indien het testament ten tijde van het oude recht is opgemaakt. 4.29 Art. 139 Overgangswet NBW regelt niet welke regels van toepassing zijn op een inbrengverplichting ten aanzien van giften die gedaan zijn ten tijde van het oude recht wanneer een nalatenschap openvalt op of na 1 januari 2003. In de literatuur wordt daarom aangenomen dat op grond van de hoofdregel van onmiddellijke werking de nieuwe regels van toepassing zijn. Dat past ook bij het gegeven dat mede-erfgenamen pas een beroep kunnen doen op de verplichting tot inbreng bij het overlijden van de erflater. 4.30 Naar huidig recht gelden onder meer de volgende regels voor de verplichting tot inbreng. De verplichting tot inbreng betekent dat bij de verdeling van de nalatenschap de waarde van de gift in mindering komt van het aandeel van de tot inbreng verplichte erfgenaam in de nalatenschap die is vermeerderd met de onderling in te brengen bedragen (art. 4:233 lid 1 BW). De inbreng is niet verplicht voor zover de waarde van de gift groter is dan het aandeel van de erfgenaam (art. 4:232 BW). De inbreng geschiedt ten behoeve van de mede-erfgenamen (art. 4:229 lid 1 BW). Voor de berekening van de waarde van de gift wordt in art. 4:233 lid 1, tweede en derde zin BW verwezen naar art. 4:66 BW. Deze waarde wordt verhoogd met een rente van zes procent per jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen. 4.31 Dit betekent voor de voorliggende zaak dat ten behoeve van de vaststelling van de omvang van de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] die zijn ontstaan op grond van het testament van moeder, giften van moeder aan [dochter] en Erfgenaam gedaan vóór 1 januari 2003 moeten worden ingebracht, tenzij zij bij die gift of bij testament zijn ontheven van de verplichting tot inbreng. Giften die moeder deed in de periode van 1 januari 2003 tot haar overlijden op 26 oktober 2009 behoeven niet te worden ingebracht, tenzij moeder dit bij de gift of bij uiterste wilsbeschikking heeft voorgeschreven. 4.32 Ten aanzien van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater geldt het volgende. Giften van erflater aan Erfgenaam (en [dochter] ) hoeven bij de verdeling van de nalatenschap van erflater niet te worden ingebracht. Inbreng van giften bij de verdeling van de nalatenschap geschiedt namelijk alleen ten behoeve van mede-erfgenamen (art. 4:229 lid 1 BW). Die zijn er niet, nu Erfgenaam enig erfgenaam is. Inbreng zou Legataris als legataris overigens ook niet kunnen baten. 4.33 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.17 t/m 3.22 van het tussenarrest, waarin het hof tot het oordeel komt dat vanwege alle in die overwegingen genoemde, aan Erfgenaam toe te rekenen, onduidelijkheden en onnavolgbaarheden de (omvang van de) verschillende nalatenschappen vooralsnog niet valt vast te stellen, dat in elk geval vaststaat dat de Boedelbeschrijving per 8 december 2019 niet correct is en dat het hof hierin aanleiding vindt om Erfgenaam op de voet van art. 22 Rv te bevelen, kort gezegd, zoveel als mogelijk haar stellingen eenduidig en begrijpelijk toe te lichten en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken te overleggen omtrent de in rov. 3.22 onder a t/m f punten. 4.34 Het onderdeel voert aan (onder 2) dat het hof heeft miskend dat het slechts een bevel op de voet van art. 22 Rv kan geven binnen de rechtsstrijd van partijen en dat een dergelijk bevel slechts bedoeld is om de bewuste leugen uit te bannen en dat het niet aan het hof is om ‘mee te procederen’. Ook voert het onderdeel aan dat het hof het gegeven bevel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd. De klacht wordt uitgewerkt in verschillende, met elkaar samenhangende, subonderdelen. 4.35 Bij de bespreking van deze klacht is het volgende voorop te stellen. 4.36 Art. 22 Rv geeft een bevoegdheid aan de rechter om een partij op te dragen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde stukken in het geding te brengen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Het is dus aan de rechter om te bepalen of zij gebruik maakt van deze bevoegdheid. Het gevolg is dat in het algemeen in cassatie niet succesvol kan worden opgekomen tegen een beslissing van de rechter om géén gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 22 Rv. En in het algemeen zal evenmin succesvol kunnen worden opgekomen tegen het wél gebruiken van de rechterlijke bevoegdheid om een partij op te dragen stellingen toe te lichten of bepaalde stukken in het geding te brengen. Het gaat hier bij uitstek om de uitoefening van een bevoegdheid waarbij de feitenrechter veel vrijheid toekomt. Er kunnen ook geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van de rechter om al dan niet gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 22 Rv, zo is te lezen in de parlementaire geschiedenis. 4.37 De bevoegdheid van art. 22 Rv kan worden omschreven als een vorm van rechterlijke regievoering. In navolging van Ahsmann is als doelstelling van rechterlijke regievoering te noemen: het bereiken van (i) een rechtvaardige uitkomst, (2) gerealiseerd in een effectieve (voortvarende) en (3) efficiënt gevoerde (4) eerlijke procedure. 4.38 Meer specifiek gaat het hier om regievoering die tot doel heeft – in het kader van het bereiken van een rechtvaardige uitkomst – om de feiten zo goed en volledig mogelijk in kaart te brengen. Art. 22 Rv staat dus ten dienste van het belang van waarheidsvinding in de procedure. In de wetsgeschiedenis is te lezen dat de rechterlijke bevoegdheid zich op dit punt niet scherp laat normeren. De inhoud van het (feitelijk) debat is niet een bij de aanvang van de procedure vastomlijnd gegeven, maar komt in die procedure tot ontwikkeling aan de hand van de procesverrichtingen van partijen. Dit betekent dat de rechter bij het instrueren van een procedure behoefte zal hebben aan een enigszins vrije beoordelingsruimte, aldus de parlementaire geschiedenis. 4.39 De rechtsklacht dat een bevel op de voet van art. 22 Rv slechts bedoeld is om de bewuste leugen uit te bannen slaagt dan ook niet. Als de achtergrond van deze klacht zou zijn dat de uitoefening van de bevoegdheid van art. 22 Rv slechts aan de orde kan zijn als sprake is van schending van de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv, dan is die veronderstelling niet juist. De bevoegdheid van de rechter om bij partijen inlichtingen in te winnen bestond ook al vóór de invoering van de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv in 2002. De bevoegdheid van de rechter om een partij te bevelen bepaalde stukken in het geding te brengen, was aanvankelijk neergelegd in art. 19a (oud) Rv) en eerder al voor kantonzaken in art. 110 (oud) Rv. De ratio daarvan was toen een doelmatig verloop van de procedure, zodat voorkomen zou worden “dat een comparitie moet worden aangehouden of op een later tijdstip worden voortgezet met als gevolg een vertraging in de procedure en een extra werkbelasting”. Vanaf 2002 staat de instructiebevoegdheid van art. 22 Rv ook in de sleutel van het belang van waarheidsvinding. Sindsdien wordt immers immers van de rechter nadrukkelijk een actieve opstelling gevraagd ten aanzien van de feitengaring. 4.40 Subonderdeel 2a klaagt dat het hof met het bevel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Het debat tussen partijen ging voornamelijk om de vraag of er aflossingen hadden plaatsgevonden op de moederlijke erfdelen. Daarover gaat de gehele memorie van grieven, naast het saldo van € 747.983,71 op [bankrekening 1] dat reden gaf tot aanpassing van de berekening van de moederlijke erfdelen. Het hof had daarom onvoldoende reden om een bevel als bedoeld in art.
Volledig
22 Rv te geven aan Erfgenaam, althans een bevel met de inhoud zoals het hof heeft gedaan. In dit verband wijst het subonderdeel naar rov. 5.18 uit het vonnis van de rechtbank en randnr. 31 uit de memorie van grieven, waaruit zou blijken dat het Legataris met name gaat om de ontwikkeling van het moederlijk erfdeel. Ook wordt verwezen naar een passage uit de memorie van grieven (randnr. 17), waaruit zou blijken dat het Legataris erom ging dat bescheiden zouden worden verstrekt “ vooral in de vorm van aangiften inkomstenbelasting en bankafschriften ”. Legataris heeft in de memorie van grieven niet concreet aandacht gegeven aan (1) de waardering van het Montfleuri-fonds en (2) de berekening van de moederlijke erfdelen. Ook (niet) in het licht van de concrete stellingen daarover van Erfgenaam in eerste aanleg. 4.41 De klacht slaagt niet. Dat het partijdebat beperkt was tot aflossingen op het moederlijk erfdeel, blijkt noch uit rov. 5.18 van het vonnis van de rechtbank, noch uit randnr. 31 van de memorie van grieven. Daar is vermeld dat “verder” “tevens” de vraag dient te worden gesteld in hoeverre erflater in de loop der jaren bij zijn kinderen op zijn schuld terzake het moeders erfdeel heeft ingelost. 4.42 Kern van de zaak is dat Legataris in haar appeldagvaarding heeft geconcludeerd tot uitbetaling van het legaat ten bedrage van € 100.000,- en tot het verschaffen van inlichtingen en stukken met betrekking tot de nalatenschap, waartoe in ieder geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding. Aan het slot van haar memorie van grieven verwijst zij naar haar beroepsvordering zoals omschreven in haar appeldagvaarding. Ook wijst Legataris in haar memorie van grieven op haar belang om te kunnen controleren/vaststellen of er sprake is van een negatieve boedel en haar vorderingsrecht vast te kunnen stellen. 4.43 Het standpunt van Erfgenaam dat Legataris haar vordering zou hebben beperkt tot aangiften en aanslagen inkomstenbelasting en bankafschriften, heeft het hof bovendien expliciet verworpen in rov. 3.8 van het tussenarrest. Tegen deze overweging zijn in cassatie geen klachten gericht. De rechtsoverweging heeft weliswaar betrekking op de omvang van het hoger beroep ten aanzien van vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken. Dat doet er echter niet aan af dat uit deze overweging duidelijk blijkt dat het hof van oordeel is dat het partijdebat niet is begrensd op de wijze zoals in het subonderdeel wordt voorgestaan. 4.44 Specifiek ten aanzien van de waardering van de certificaten van Erflater in het Montfleuri-fonds is nog op te merken dat ook dit steeds onderwerp is geweest van het partijdebat. Legataris heeft in de inleidende dagvaarding (randnr. 31) verzocht om “ een beschrijving van de activiteiten van Stichting Mont Fleuri en de laatste drie jaarrekeningen c.q. financiële jaaroverzichten over de jaren 2015 tot en met 2019 ”, een toelichting op de waardebepaling van de certificaten en om uitleg van de betrokkenheid en relatie van Erflater bij Stichting Montfleuri. Zowel in het petitum van de appeldagvaarding als in de memorie van grieven verwijst Legataris naar de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding (randnr. 13). Verder wordt daarin in het kader van de mogelijkheid van de benoeming van een deskundige aangevoerd dat de onderzoeksvraag aan de deskundige zal zijn om aan de hand van de bescheiden een opstelling te maken van het vermogen van erflater per overlijdensdatum, waarbij aan de deskundige tevens opdracht kan worden gegeven om verder onderzoek te doen en/of om waarden die zijn opgenomen in de IB aangiften en de mutaties die bankafschriften laten zien te beoordelen op de werkelijke waarde in het maatschappelijke verkeer per overlijdensdatum (randnr. 23). 4.45 Hiermee is duidelijk dat Legataris ook de waarde van de certificaten in het Montfleuri-fonds ter discussie heeft gesteld. Het hof is dus niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door te overwegen (rov. 3.17 tussenarrest) dat hoewel het standpunt en de vragen van Legataris daartoe aanleiding geven, Erfgenaam heeft nagelaten de post Montfleuri-fonds op de Boedelbeschrijving te verduidelijken en aan te geven waarop de waardering ervan berust. Mede in het licht van de devolutieve werking van het hoger beroep, stond het het hof vrij om op de voet van art. 22 Rv Erfgenaam te bevelen haar stellingen eenduidig en begrijpelijk toe te lichten, van specificaties te voorzien en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken over te leggen omtrent de (overeenkomst inzake het) Montfleuri-fonds en de waardering daarvan op € 450.476,31 per 8 december 2019. 4.46 De klacht dat Legataris in de memorie ‘met geen enkel woord’ aandacht heeft gegeven aan de berekening van de moederlijke erfdelen, mist feitelijke grondslag. De berekening van die erfdelen komt in ieder geval aan de orde in randnr. 25 van de memorie van grieven, waar Legataris vraagt naar de consequenties van het feit dat [bankrekening 1] in de concept aangifte erfbelasting voor de nalatenschap moeder niet is vermeld en in randnr. 36-38 waar Legataris vraagt naar de over de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] verschuldigde rente. 4.47 In het subonderdeel wordt nog verwezen naar wat Erfgenaam in de conclusie van antwoord (randnr. 23 t/m 38) heeft aangevoerd en de daarop gemaakte correcties in de akte 28 maart 2022, maar de klacht wordt op dit punt in subonderdeel 2a niet verder uitgewerkt. Voor zover het subonderdeel hiermee doelt op rov. 3.20.1 t/m 3.20.3, waarin het hof vragen opwerpt over de verschillen tussen de aangifte erfbelasting moeder en de berekeningen van [notaris] , verwijs ik naar de bespreking van de subonderdelen 2e en 2f, waar de klacht wel nader wordt uitgewerkt. 4.48 De conclusie is dat subonderdeel 2a ongegrond is. 4.49 Subonderdeel 2b is gericht tegen rov. 3.17 van het tussenarrest. Herhaald wordt dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door de waardering van het Montfleuri-fonds aan de orde te stellen, omdat partijen daarover geen inhoudelijk debat hebben gevoerd. Het subonderdeel voegt daaraan toe dat het bevel van het hof in rov. 3.22 onder a onbegrijpelijk is, te meer omdat Erfgenaam een waardebepaling ter zake het Montfleuri-fonds had overgelegd en ook aangiften inkomstenbelasting waarop de waarde van het fonds wordt vermeld. Ook had Erfgenaam aangeboden om de belastingadviseur te horen omtrent eventuele vragen die Legataris had. 4.50 Het subonderdeel verwijst naar productie 5 bij inleidende dagvaarding. Onderdeel van die productie is een (kopie van) een uittreksel uit het ‘Participantenregister Fonds voor Gemene Rekening Stichting Montfleuri’. Daarop zijn de certificaten vermeld op naam van erflater, de bijbehorende toetredingsdata, certificaatnummers en aantallen. Als waarde d.d. 8 december 2019 is vermeld € 480.476,31. Deze waarde wordt echter niet toegelicht. Evenmin wordt een beschrijving van de activiteiten van de stichting gegeven, worden jaarrekeningen overgelegd en wordt de betrokkenheid van erflater bij de stichting toegelicht, zoals Legataris in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding had gevraagd. Rov. 3.17 van het tussenarrest is in het licht hiervan niet onbegrijpelijk. Van overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd is geen sprake. 4.51 Voor het bewijsaanbod verwijst het subonderdeel naar randnr. 26 uit de memorie van antwoord. In die alinea is vermeld dat Erfgenaam in eerste aanleg heeft aangeboden om de belastingadviseur die voor erflater de financiële zaken regelde en de aankomsten inkomstenbelasting deed onder ede te horen, dat de belastingadviseur bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg aanwezig was, maar dat Legataris het aanbod heeft afgeslagen omdat de belastingadviseur niet onpartijdig was. In de alinea wordt de waardering van de certificaten in het Montfleuri-fonds niet genoemd. De paragraaf bevat ook geen bewijsaanbod, alleen de vermelding dat in eerste aanleg een bewijsaanbod is gedaan. Het wel als zodanig aangeduide bewijsaanbod in randnr.
Volledig
22 Rv te geven aan Erfgenaam, althans een bevel met de inhoud zoals het hof heeft gedaan. In dit verband wijst het subonderdeel naar rov. 5.18 uit het vonnis van de rechtbank en randnr. 31 uit de memorie van grieven, waaruit zou blijken dat het Legataris met name gaat om de ontwikkeling van het moederlijk erfdeel. Ook wordt verwezen naar een passage uit de memorie van grieven (randnr. 17), waaruit zou blijken dat het Legataris erom ging dat bescheiden zouden worden verstrekt “ vooral in de vorm van aangiften inkomstenbelasting en bankafschriften ”. Legataris heeft in de memorie van grieven niet concreet aandacht gegeven aan (1) de waardering van het Montfleuri-fonds en (2) de berekening van de moederlijke erfdelen. Ook (niet) in het licht van de concrete stellingen daarover van Erfgenaam in eerste aanleg. 4.41 De klacht slaagt niet. Dat het partijdebat beperkt was tot aflossingen op het moederlijk erfdeel, blijkt noch uit rov. 5.18 van het vonnis van de rechtbank, noch uit randnr. 31 van de memorie van grieven. Daar is vermeld dat “verder” “tevens” de vraag dient te worden gesteld in hoeverre erflater in de loop der jaren bij zijn kinderen op zijn schuld terzake het moeders erfdeel heeft ingelost. 4.42 Kern van de zaak is dat Legataris in haar appeldagvaarding heeft geconcludeerd tot uitbetaling van het legaat ten bedrage van € 100.000,- en tot het verschaffen van inlichtingen en stukken met betrekking tot de nalatenschap, waartoe in ieder geval behoren de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding. Aan het slot van haar memorie van grieven verwijst zij naar haar beroepsvordering zoals omschreven in haar appeldagvaarding. Ook wijst Legataris in haar memorie van grieven op haar belang om te kunnen controleren/vaststellen of er sprake is van een negatieve boedel en haar vorderingsrecht vast te kunnen stellen. 4.43 Het standpunt van Erfgenaam dat Legataris haar vordering zou hebben beperkt tot aangiften en aanslagen inkomstenbelasting en bankafschriften, heeft het hof bovendien expliciet verworpen in rov. 3.8 van het tussenarrest. Tegen deze overweging zijn in cassatie geen klachten gericht. De rechtsoverweging heeft weliswaar betrekking op de omvang van het hoger beroep ten aanzien van vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken. Dat doet er echter niet aan af dat uit deze overweging duidelijk blijkt dat het hof van oordeel is dat het partijdebat niet is begrensd op de wijze zoals in het subonderdeel wordt voorgestaan. 4.44 Specifiek ten aanzien van de waardering van de certificaten van Erflater in het Montfleuri-fonds is nog op te merken dat ook dit steeds onderwerp is geweest van het partijdebat. Legataris heeft in de inleidende dagvaarding (randnr. 31) verzocht om “ een beschrijving van de activiteiten van Stichting Mont Fleuri en de laatste drie jaarrekeningen c.q. financiële jaaroverzichten over de jaren 2015 tot en met 2019 ”, een toelichting op de waardebepaling van de certificaten en om uitleg van de betrokkenheid en relatie van Erflater bij Stichting Montfleuri. Zowel in het petitum van de appeldagvaarding als in de memorie van grieven verwijst Legataris naar de inlichtingen en stukken genoemd in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding (randnr. 13). Verder wordt daarin in het kader van de mogelijkheid van de benoeming van een deskundige aangevoerd dat de onderzoeksvraag aan de deskundige zal zijn om aan de hand van de bescheiden een opstelling te maken van het vermogen van erflater per overlijdensdatum, waarbij aan de deskundige tevens opdracht kan worden gegeven om verder onderzoek te doen en/of om waarden die zijn opgenomen in de IB aangiften en de mutaties die bankafschriften laten zien te beoordelen op de werkelijke waarde in het maatschappelijke verkeer per overlijdensdatum (randnr. 23). 4.45 Hiermee is duidelijk dat Legataris ook de waarde van de certificaten in het Montfleuri-fonds ter discussie heeft gesteld. Het hof is dus niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door te overwegen (rov. 3.17 tussenarrest) dat hoewel het standpunt en de vragen van Legataris daartoe aanleiding geven, Erfgenaam heeft nagelaten de post Montfleuri-fonds op de Boedelbeschrijving te verduidelijken en aan te geven waarop de waardering ervan berust. Mede in het licht van de devolutieve werking van het hoger beroep, stond het het hof vrij om op de voet van art. 22 Rv Erfgenaam te bevelen haar stellingen eenduidig en begrijpelijk toe te lichten, van specificaties te voorzien en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken over te leggen omtrent de (overeenkomst inzake het) Montfleuri-fonds en de waardering daarvan op € 450.476,31 per 8 december 2019. 4.46 De klacht dat Legataris in de memorie ‘met geen enkel woord’ aandacht heeft gegeven aan de berekening van de moederlijke erfdelen, mist feitelijke grondslag. De berekening van die erfdelen komt in ieder geval aan de orde in randnr. 25 van de memorie van grieven, waar Legataris vraagt naar de consequenties van het feit dat [bankrekening 1] in de concept aangifte erfbelasting voor de nalatenschap moeder niet is vermeld en in randnr. 36-38 waar Legataris vraagt naar de over de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] verschuldigde rente. 4.47 In het subonderdeel wordt nog verwezen naar wat Erfgenaam in de conclusie van antwoord (randnr. 23 t/m 38) heeft aangevoerd en de daarop gemaakte correcties in de akte 28 maart 2022, maar de klacht wordt op dit punt in subonderdeel 2a niet verder uitgewerkt. Voor zover het subonderdeel hiermee doelt op rov. 3.20.1 t/m 3.20.3, waarin het hof vragen opwerpt over de verschillen tussen de aangifte erfbelasting moeder en de berekeningen van [notaris] , verwijs ik naar de bespreking van de subonderdelen 2e en 2f, waar de klacht wel nader wordt uitgewerkt. 4.48 De conclusie is dat subonderdeel 2a ongegrond is. 4.49 Subonderdeel 2b is gericht tegen rov. 3.17 van het tussenarrest. Herhaald wordt dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door de waardering van het Montfleuri-fonds aan de orde te stellen, omdat partijen daarover geen inhoudelijk debat hebben gevoerd. Het subonderdeel voegt daaraan toe dat het bevel van het hof in rov. 3.22 onder a onbegrijpelijk is, te meer omdat Erfgenaam een waardebepaling ter zake het Montfleuri-fonds had overgelegd en ook aangiften inkomstenbelasting waarop de waarde van het fonds wordt vermeld. Ook had Erfgenaam aangeboden om de belastingadviseur te horen omtrent eventuele vragen die Legataris had. 4.50 Het subonderdeel verwijst naar productie 5 bij inleidende dagvaarding. Onderdeel van die productie is een (kopie van) een uittreksel uit het ‘Participantenregister Fonds voor Gemene Rekening Stichting Montfleuri’. Daarop zijn de certificaten vermeld op naam van erflater, de bijbehorende toetredingsdata, certificaatnummers en aantallen. Als waarde d.d. 8 december 2019 is vermeld € 480.476,31. Deze waarde wordt echter niet toegelicht. Evenmin wordt een beschrijving van de activiteiten van de stichting gegeven, worden jaarrekeningen overgelegd en wordt de betrokkenheid van erflater bij de stichting toegelicht, zoals Legataris in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding had gevraagd. Rov. 3.17 van het tussenarrest is in het licht hiervan niet onbegrijpelijk. Van overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd is geen sprake. 4.51 Voor het bewijsaanbod verwijst het subonderdeel naar randnr. 26 uit de memorie van antwoord. In die alinea is vermeld dat Erfgenaam in eerste aanleg heeft aangeboden om de belastingadviseur die voor erflater de financiële zaken regelde en de aankomsten inkomstenbelasting deed onder ede te horen, dat de belastingadviseur bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg aanwezig was, maar dat Legataris het aanbod heeft afgeslagen omdat de belastingadviseur niet onpartijdig was. In de alinea wordt de waardering van de certificaten in het Montfleuri-fonds niet genoemd. De paragraaf bevat ook geen bewijsaanbod, alleen de vermelding dat in eerste aanleg een bewijsaanbod is gedaan. Het wel als zodanig aangeduide bewijsaanbod in randnr.
Volledig
31 van de memorie van antwoord is algemeen geformuleerd: Erfgenaam biedt aan al haar stellingen te bewijzen, met alle middelen rechtens. 4.52 Ook in het licht van deze passages uit de memorie van antwoord is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof het bevel in rov. 3.22 onder a van het tussenarrest, met betrekking tot de certificaten Montfleuri-fonds heeft gegeven. Het subonderdeel slaagt niet. 4.53 Subonderdeel 2c is gericht tegen de overweging in rov. 3.19.2, dat Erfgenaam heeft nagelaten voldoende te verduidelijken wat het toenmalige erfdeel van erflater in de nalatenschap-moeder was. Volgens het subonderdeel is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door de verkrijging van erflater uit de nalatenschap van moeder aan de orde te stellen en het ontbreken van informatie dienaangaande te zien als reden voor het geven van een bevel op de voet van art. 22 Rv (in het bijzonder rov. 3.22 onder b), althans heeft het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Geen van partijen heeft namelijk aandacht gevraagd voor de verkrijging van erflater uit de nalatenschap moeder. Het debat tussen partijen ging uitsluitend over de verkrijgingen van Erfgenaam en [dochter] uit de nalatenschap-moeder. Het hof licht de relevantie van de gevraagde informatie niet toe, terwijl het in 2009 door erflater ontvangen erfdeel uit de nalatenschap-moeder is vermengd met het eigen vermogen van erflater en dus geen invloed heeft op de omvang van de nalatenschap van erflater op zijn sterfdag in 2019. 4.54 Het hof overweegt in rov. 3.15 van het tussenarrest dat partijen (ook) twisten over de omvang van de nalatenschap-moeder en de nalatenschap- [dochter] . In rov. 3.18 overweegt het hof dat Erfgenaam haar (uit de Boedelbeschrijving volgende) bewering dat de omvang van de nalatenschap van erflater uitbetaling van het legaat aan Legataris al niet zou toelaten vanwege de schuld van erflater aan Erfgenaam uit hoofde van nalatenschap-moeder, niet voldoende is onderbouwd en niet navolgbaar is om meerdere in navolgende overwegingen te duiden redenen. In rov. 3.19.1 stelt het hof vast dat erflater als echtgenoot en [dochter] en Erfgenaam in beginsel ieder een gelijk erfdeel in nalatenschap-moeder verkregen; [dochter] en Erfgenaam in de vorm van een eerst bij overlijden van erflater opeisbare vordering. Daarna overweegt het hof in rov. 3.19.2: “3.19.2 De door [Erfgenaam] ingeroepen stellingen en stukken getuigen echter slechts van (destijds berekende) erfdelen van (alleen) [dochter] en [Erfgenaam], maar [Erfgenaam] laat na voldoende te verduidelijken wat het toenmalige erfdeel van erflater in de nalatenschap-moeder was.” 4.55 Het hof licht het belang van de hoogte van de verkrijging van erflater uit de nalatenschap-moeder niet afzonderlijk toe. Het is op zichzelf juist dat het erfdeel van erflater in de nalatenschap-moeder is opgegaan in het eigen vermogen van erflater. Als afzonderlijk deel van de nalatenschap moeder heeft het dus voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van erflater geen belang meer. Rov. 3.19.2 moet echter worden gelezen in de context van het debat over de omvang van de nalatenschap-moeder en van de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] . Het is Legataris er immers om te doen dat de omvang van de nalatenschap van erflater wordt vastgesteld, waarbij onder meer van belang is of de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] op erflater uit hoofde van de nalatenschap-moeder op juiste wijze zijn vastgesteld. Nu de bewijslast daarvan op Erfgenaam rust, beveelt het haar terecht om haar stellingen toe te lichten en te voorzien van deugdelijke specificaties van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen. In dat verband vraagt het hof in rov. 3.22, onder b, om alle beschikbare en nog opvraagbare stukken omtrent de nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009, althans de (destijds berekende) erfdelen daarin van erflater, [dochter] en Erfgenaam, waaronder een mogelijk opgestelde boedelbeschrijving. Het subonderdeel slaagt niet. 4.56 Subonderdeel 2.d. is gericht tegen rov. 3.19.3 van het tussenarrest, waarin het hof overweegt: “3.19.3 Bovendien volstaat [Erfgenaam] steeds met de niet nader toegelichte toepassing van een samengestelde rente van 6% per jaar omdat de: “(…) verschuldigdheid van de rente volgt – kort gezegd – uit het testament van moeder.” (memorie van antwoord randnummer 21). Hoewel het testament van moeder een afwijkende rente-afspraak toelaat en [Legataris] in zoverre meermalen opwerpt dat [dochter] en/of [Erfgenaam] met erflater zo’n bijzondere rente-afspraak zullen hebben gemaakt, suggereert [Erfgenaam] van niet, maar stelt zij niet althans onvoldoende over (mogelijke) nadere rente-afspraken en expliciteert [Erfgenaam] haar standpunt hierover in ieder geval niet voldoende duidelijk.” 4.57 Het subonderdeel klaagt dat het oordeel dat Erfgenaam onvoldoende duidelijk haar standpunt kenbaar heeft gemaakt over de vraag of er een rente-afspraak is gemaakt onbegrijpelijk is. In randnummer 35 van de conclusie van antwoord is volgens het subonderdeel gesteld dat de samengestelde rente 6% bedraagt nu er geen andersluidende renteafspraak is gemaakt. Ook wordt gewezen op het gestelde in de akte van 28 maart 2022 en op het feit dat in alle berekeningen consequent gerekend is met een samengestelde rente van 6%. Een en ander laat zich niet anders lezen dan dat Erfgenaam immer heeft gesteld dat een rente van 6% samengesteld zou gelden, omdat geen andersluidende rente-afspraken zijn gemaakt tussen partijen en in het testament van moeder voor dat geval een rente van 6% samengesteld is bepaald. 4.58 Het hof overweegt dat Erfgenaam steeds volstaat met de ‘niet nader toegelichte toepassing van een samengestelde rente van 6% per jaar’. Het is daarmee niet voorbij gegaan aan het feit dat Erfgenaam in de door haar overgelegde berekeningen consequent gerekend heeft met een rente van 6% samengesteld. Echter, het hof vindt de onderbouwing van de toepassing van dat percentage door te wijzen op het testament van moeder te summier, althans te weinig expliciet. Dat is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de passages uit de gedingstukken waarop het subonderdeel zich beroept. Op geen van de genoemde vindplaatsen is namelijk expliciet vermeld dat er geen nadere rente-afspraken tussen de erfgenamen zijn gemaakt. 4.59 Het subonderdeel slaagt niet. 4.60 Subonderdeel 2.e en 2f zijn gericht tegen rov. 3.20.1 t/m 3.20.3 van het tussenarrest, waarin het hof overweegt: “3.20.1 Voor (de omvang van) nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 verwijst [Erfgenaam] naar een destijds door Belgische [notaris] opgestelde en door erflater, [dochter] en [Erfgenaam] ondertekende aangifte voor successierecht (hierna: Aangifte 2009). In die Aangifte 2009 is op grond van een toenmalige huwelijksgoederengemeenschap van € 1.075.311,08 en moeders aandeel daarin van € 537.655,54, uiteindelijk € 530.806,81 als netto actief van nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 berekend. 3.20.2 Die € 530.806,81 is evenwel moeilijk te rijmen met een door [Erfgenaam] (in conclusie van antwoord randnummer 31) ingeroepen berekening van diezelfde [notaris] . Volgens die berekening hadden [dochter] en [Erfgenaam] met inachtneming van in de periode 1980-2009 door erflater en moeder gedane schenkingen aan: - [dochter] voor totaal € 325.777,-- als voorschot op haar erfdeel en - [Erfgenaam] voor totaal € 164.119,-- als voorschot op haar erfdeel en voor totaal € 1.168.000,-- “buiten erfdeel”, per saldo nog recht op € 278.790,01 respectievelijk € 359.619,01 in nalatenschap-moeder. Deze aanspraken van [dochter] en [Erfgenaam] bedragen tezamen € 638.409,02 en alleen hun aanspraken overstijgen dus al de in Aangifte 2009 vermelde (omvang van de) nalatenschap-moeder. 3.20.3 Beide vorenbedoelde door [notaris] uitgevoerde berekeningen zijn bovendien moeilijk te rijmen met de door [Erfgenaam] gestelde toenmalige: “ erfrechtelijke aanspraak van ieder van de dochters uit hoofde van de door erflaatster gemaakte ouderlijke boedelverdeling becijferd op € 163.079,01 (na afdracht erfbelasting).
Volledig
31 van de memorie van antwoord is algemeen geformuleerd: Erfgenaam biedt aan al haar stellingen te bewijzen, met alle middelen rechtens. 4.52 Ook in het licht van deze passages uit de memorie van antwoord is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof het bevel in rov. 3.22 onder a van het tussenarrest, met betrekking tot de certificaten Montfleuri-fonds heeft gegeven. Het subonderdeel slaagt niet. 4.53 Subonderdeel 2c is gericht tegen de overweging in rov. 3.19.2, dat Erfgenaam heeft nagelaten voldoende te verduidelijken wat het toenmalige erfdeel van erflater in de nalatenschap-moeder was. Volgens het subonderdeel is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door de verkrijging van erflater uit de nalatenschap van moeder aan de orde te stellen en het ontbreken van informatie dienaangaande te zien als reden voor het geven van een bevel op de voet van art. 22 Rv (in het bijzonder rov. 3.22 onder b), althans heeft het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Geen van partijen heeft namelijk aandacht gevraagd voor de verkrijging van erflater uit de nalatenschap moeder. Het debat tussen partijen ging uitsluitend over de verkrijgingen van Erfgenaam en [dochter] uit de nalatenschap-moeder. Het hof licht de relevantie van de gevraagde informatie niet toe, terwijl het in 2009 door erflater ontvangen erfdeel uit de nalatenschap-moeder is vermengd met het eigen vermogen van erflater en dus geen invloed heeft op de omvang van de nalatenschap van erflater op zijn sterfdag in 2019. 4.54 Het hof overweegt in rov. 3.15 van het tussenarrest dat partijen (ook) twisten over de omvang van de nalatenschap-moeder en de nalatenschap- [dochter] . In rov. 3.18 overweegt het hof dat Erfgenaam haar (uit de Boedelbeschrijving volgende) bewering dat de omvang van de nalatenschap van erflater uitbetaling van het legaat aan Legataris al niet zou toelaten vanwege de schuld van erflater aan Erfgenaam uit hoofde van nalatenschap-moeder, niet voldoende is onderbouwd en niet navolgbaar is om meerdere in navolgende overwegingen te duiden redenen. In rov. 3.19.1 stelt het hof vast dat erflater als echtgenoot en [dochter] en Erfgenaam in beginsel ieder een gelijk erfdeel in nalatenschap-moeder verkregen; [dochter] en Erfgenaam in de vorm van een eerst bij overlijden van erflater opeisbare vordering. Daarna overweegt het hof in rov. 3.19.2: “3.19.2 De door [Erfgenaam] ingeroepen stellingen en stukken getuigen echter slechts van (destijds berekende) erfdelen van (alleen) [dochter] en [Erfgenaam], maar [Erfgenaam] laat na voldoende te verduidelijken wat het toenmalige erfdeel van erflater in de nalatenschap-moeder was.” 4.55 Het hof licht het belang van de hoogte van de verkrijging van erflater uit de nalatenschap-moeder niet afzonderlijk toe. Het is op zichzelf juist dat het erfdeel van erflater in de nalatenschap-moeder is opgegaan in het eigen vermogen van erflater. Als afzonderlijk deel van de nalatenschap moeder heeft het dus voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van erflater geen belang meer. Rov. 3.19.2 moet echter worden gelezen in de context van het debat over de omvang van de nalatenschap-moeder en van de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] . Het is Legataris er immers om te doen dat de omvang van de nalatenschap van erflater wordt vastgesteld, waarbij onder meer van belang is of de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] op erflater uit hoofde van de nalatenschap-moeder op juiste wijze zijn vastgesteld. Nu de bewijslast daarvan op Erfgenaam rust, beveelt het haar terecht om haar stellingen toe te lichten en te voorzien van deugdelijke specificaties van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen. In dat verband vraagt het hof in rov. 3.22, onder b, om alle beschikbare en nog opvraagbare stukken omtrent de nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009, althans de (destijds berekende) erfdelen daarin van erflater, [dochter] en Erfgenaam, waaronder een mogelijk opgestelde boedelbeschrijving. Het subonderdeel slaagt niet. 4.56 Subonderdeel 2.d. is gericht tegen rov. 3.19.3 van het tussenarrest, waarin het hof overweegt: “3.19.3 Bovendien volstaat [Erfgenaam] steeds met de niet nader toegelichte toepassing van een samengestelde rente van 6% per jaar omdat de: “(…) verschuldigdheid van de rente volgt – kort gezegd – uit het testament van moeder.” (memorie van antwoord randnummer 21). Hoewel het testament van moeder een afwijkende rente-afspraak toelaat en [Legataris] in zoverre meermalen opwerpt dat [dochter] en/of [Erfgenaam] met erflater zo’n bijzondere rente-afspraak zullen hebben gemaakt, suggereert [Erfgenaam] van niet, maar stelt zij niet althans onvoldoende over (mogelijke) nadere rente-afspraken en expliciteert [Erfgenaam] haar standpunt hierover in ieder geval niet voldoende duidelijk.” 4.57 Het subonderdeel klaagt dat het oordeel dat Erfgenaam onvoldoende duidelijk haar standpunt kenbaar heeft gemaakt over de vraag of er een rente-afspraak is gemaakt onbegrijpelijk is. In randnummer 35 van de conclusie van antwoord is volgens het subonderdeel gesteld dat de samengestelde rente 6% bedraagt nu er geen andersluidende renteafspraak is gemaakt. Ook wordt gewezen op het gestelde in de akte van 28 maart 2022 en op het feit dat in alle berekeningen consequent gerekend is met een samengestelde rente van 6%. Een en ander laat zich niet anders lezen dan dat Erfgenaam immer heeft gesteld dat een rente van 6% samengesteld zou gelden, omdat geen andersluidende rente-afspraken zijn gemaakt tussen partijen en in het testament van moeder voor dat geval een rente van 6% samengesteld is bepaald. 4.58 Het hof overweegt dat Erfgenaam steeds volstaat met de ‘niet nader toegelichte toepassing van een samengestelde rente van 6% per jaar’. Het is daarmee niet voorbij gegaan aan het feit dat Erfgenaam in de door haar overgelegde berekeningen consequent gerekend heeft met een rente van 6% samengesteld. Echter, het hof vindt de onderbouwing van de toepassing van dat percentage door te wijzen op het testament van moeder te summier, althans te weinig expliciet. Dat is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de passages uit de gedingstukken waarop het subonderdeel zich beroept. Op geen van de genoemde vindplaatsen is namelijk expliciet vermeld dat er geen nadere rente-afspraken tussen de erfgenamen zijn gemaakt. 4.59 Het subonderdeel slaagt niet. 4.60 Subonderdeel 2.e en 2f zijn gericht tegen rov. 3.20.1 t/m 3.20.3 van het tussenarrest, waarin het hof overweegt: “3.20.1 Voor (de omvang van) nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 verwijst [Erfgenaam] naar een destijds door Belgische [notaris] opgestelde en door erflater, [dochter] en [Erfgenaam] ondertekende aangifte voor successierecht (hierna: Aangifte 2009). In die Aangifte 2009 is op grond van een toenmalige huwelijksgoederengemeenschap van € 1.075.311,08 en moeders aandeel daarin van € 537.655,54, uiteindelijk € 530.806,81 als netto actief van nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 berekend. 3.20.2 Die € 530.806,81 is evenwel moeilijk te rijmen met een door [Erfgenaam] (in conclusie van antwoord randnummer 31) ingeroepen berekening van diezelfde [notaris] . Volgens die berekening hadden [dochter] en [Erfgenaam] met inachtneming van in de periode 1980-2009 door erflater en moeder gedane schenkingen aan: - [dochter] voor totaal € 325.777,-- als voorschot op haar erfdeel en - [Erfgenaam] voor totaal € 164.119,-- als voorschot op haar erfdeel en voor totaal € 1.168.000,-- “buiten erfdeel”, per saldo nog recht op € 278.790,01 respectievelijk € 359.619,01 in nalatenschap-moeder. Deze aanspraken van [dochter] en [Erfgenaam] bedragen tezamen € 638.409,02 en alleen hun aanspraken overstijgen dus al de in Aangifte 2009 vermelde (omvang van de) nalatenschap-moeder. 3.20.3 Beide vorenbedoelde door [notaris] uitgevoerde berekeningen zijn bovendien moeilijk te rijmen met de door [Erfgenaam] gestelde toenmalige: “ erfrechtelijke aanspraak van ieder van de dochters uit hoofde van de door erflaatster gemaakte ouderlijke boedelverdeling becijferd op € 163.079,01 (na afdracht erfbelasting).
Volledig
” (akte van 28 maart 2022 randnummer 4) en de kennelijk op basis daarvan geponeerde bewering dat de per 26 oktober 2009 bestaande aanspraken van [Erfgenaam]: “€ 287.742,96 in hoofdsom” (akte van 28 maart 2022, randnummers 4 en 6) en die van [dochter] : “€ 287.742,96 in hoofdsom ” (akte van 28 maart 2022, randnummers 4 en 9) -dus tezamen € 575,742,96- zouden hebben bedragen.” 4.61 De subonderdelen 2e en 2f klagen dat het hof in rov. 3.20.1 t/m 3.20.3 buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door de discrepanties tussen de in die overwegingen genoemde berekeningen aan de orde te stellen, althans dat het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom daarin redenen besloten liggen om aan Erfgenaam een bevel op de voet van art. 22 Rv te geven (in rov. 3.22 onder b en d). De subonderdelen voeren daartoe aan dat Legataris geen aandacht heeft gevraagd voor de discrepantie(s) tussen de berekeningen. Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat de advocaat van Legataris tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg juist heeft laten weten “dat de berekening van de omvang van het moederlijk erfdeel op zichzelf wel juist voorkomt” (rov. 5.20). Erfgenaam heeft reeds in de conclusie van antwoord uitvoerig uiteengezet hoe (en aan de hand van welke stukken) zij komt tot vaststelling van de moederlijke erfdelen en welk recht van toepassing is. Bovendien heeft Erfgenaam duidelijk gesteld dat indien de nalatenschap van moeder zou worden afgewikkeld naar Nederlands recht zonder aandacht voor de gedane schenkingen er alsnog sprake zou zijn van aanzienlijke vorderingen uit hoofde van de nalatenschap van moeder. Erfgenaam heeft dus uitgelegd waarom de door [notaris] uitgevoerde berekening (naar Belgisch recht) tot andere bedragen leidt dan wanneer louter zou worden uitgegaan van een berekening naar Nederlands recht. In de memorie van grieven stelt Legataris uitsluitend dat de “omvang van moeders erfdeel wellicht herzien [zal] dienen te worden in verband met het bestaan van een gezamenlijke bankrekening ten tijde van haar overlijden.” Erfgenaam heeft de stellingen van Legataris ook niet zodanig begrepen dat zij de berekeningen inhoudelijk betwiste. In voetnoot 27 wordt ook nog aangevoerd dat er ook geen reden was om de discrepantie tussen de berekeningen aan de orde te stellen, omdat in de rechtspraktijk de civiele en fiscale waardering van een nalatenschap naast elkaar bestaan. 4.62 Ter bespreking van deze klacht is het volgende van belang. 4.63 In de conclusie van antwoord heeft Erfgenaam toegelicht dat uit de (door het hof in rov. 3.20.1 genoemde) aangifte successierecht blijkt dat het saldo van de nalatenschap van moeder € 530.806,81 bedraagt en dat voor Erfgenaam en [dochter] ieder een bedrag van € 13.856,59 aan belasting is voldaan over de erfrechtelijke verkrijging. Vervolgens wordt uiteengezet dat het testament een rechtskeuze voor Nederlands recht bevat, maar dat aan de hand van Belgisch internationaal privaatrecht beoordeeld dient te worden of die rechtskeuze gerespecteerd diende te worden. Daaruit zou volgen dat de rechtskeuze niet tot gevolg mag hebben dat een erfgenaam zijn recht op een voorbehouden erfdeel verliest. Bij berekening van het voorbehouden erfdeel dient rekening te worden gehouden met schenkingen bij leven. Conform het toepasselijke rechtskader heeft [notaris] het voorbehouden erfdeel van Erfgenaam en [dochter] berekend. Dit is de berekening waaraan het hof refereert in rov. 3.20.2. Vervolgens heeft Erfgenaam aangevoerd: “Opgemerkt wordt voorts dat de berekening van het voorbehouden erfdeel waarbij rekening wordt gehouden met gedane schenkingen naar Belgisch recht verwant is met de inbrengplicht naar Nederlands recht en dat bij het volgen van Nederlands recht tot een vergelijkbare conclusie wordt gekomen. Naar Nederlands recht kan het immers zo zijn dat schenkingen in het kader van de verdeling ingebracht moeten worden. De ‘voorschot’ schenkingen zijn dan schenkingen met een inbrengplicht en de ‘buiten deel’ schenkingen zijn dan schenkingen die niet ingebracht behoeven te worden. Toepassing van art. 4:233 BW zou dan tot een vergelijkbaar resultaat leiden.” 4.64 Bij randnr. 38 van de conclusie van antwoord wordt echter opgemerkt “ dat een afwikkeling van de nalatenschap naar Nederlands recht en zonder aandacht voor de gedane schenkingen, zou hebben geleid tot een vordering van [erflater] en [dochter] ieder netto € 163.079,02. ” Inclusief rente tot het overlijden van erflater zou de vordering € 294.162,03 bedragen. 4.65 Deze langs drie sporen opgebouwde argumentatie – een afwikkeling van de nalatenschap naar Belgisch recht, naar Nederlands recht met inbrengplicht en naar Nederlands recht zonder inbrengplicht – resulteerde in verschillende hoogtes van de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] uit hoofde van de nalatenschap-moeder. Deze argumentatie wordt ook gevolgd in de akte van 28 maart 2022. Erfgenaam berekent daar de vorderingen nogmaals, uitgaande van een hoger saldo van de nalatenschap, waarin het saldo op de bankrekening bij de ABN AMRO bank is meegenomen dat in de aangifte succesrecht buiten beschouwing was gelaten. 4.66 Tegen deze achtergrond lag het volstrekt in de rede dat het hof vroeg naar de verhouding tussen de verschillende berekeningen. Gegeven het feit dat het hof de vraag moest beantwoorden of Legataris aanspraak kan maken op het haar toegekende legaat en dus de omvang van de nalatenschap moest vaststellen, rekende het hof het uiteraard tot zijn taak om de hoogte van de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] in de nalatenschap-moeder vast te stellen. Dat Legataris in de memorie van grieven (randnr. 13) slechts in algemene zin heeft aangevoerd dat “de verstrekte gegevens/bescheiden Legataris niet overtuigen”, maakt dit niet anders. De rechter heeft immers ook een eigen verantwoordelijkheid om de feiten zo juist en volledig mogelijk vast te stellen. Als een partij meerdere, tegenstrijdige berekeningen opstelt voor een en dezelfde waardering, staat het de rechter vrij om (om niet te zeggen: moet de rechter) nader onderzoek in te stellen naar de berekeningen en een partij daarover vragen te stellen. 4.67 Dit geldt in dit geval temeer nu bij de ene berekening alleen Nederlands recht is toegepast en bij de andere berekening van de toepassing van Belgisch (internationaal privaat)recht is uitgegaan. Bovendien is in de berekening naar Nederlands recht en de toelichting daarop in voornoemde processtukken, afgezien van het hiervoor geciteerde randnr. 37 van de conclusie van antwoord, niet van een inbrengplicht uitgegaan, terwijl die er voor schenkingen van voor 1 januari 2003 wel was (tenzij moeder anders had bepaald). Voor schenkingen van na 1 januari 2003 gold een inbrengplicht indien moeder dat bij de schenking of in haar testament had bepaald (zie hiervoor onder 4.26-4.32). In de Belgische aangifte is sprake van schenkingen als voorschot op het erfdeel uit de nalatenschap-moeder, maar in de 3.20.3 bedoelde berekening van [notaris] komen diezelfde schenkingen niet terug. De berekeningen roepen dus zeker vragen op. 4.68 Het hof is dan ook niet buiten de rechtsstrijd tussen partijen getreden. De subonderdelen 2e en 2f slagen niet. 4.69 Subonderdeel 2g is gericht tegen rov. 3.20.4: “3.20.4 Bij de voornoemde onduidelijkheden over (de omvang van) de nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 komt nog dat [Erfgenaam] in dit geding inmiddels heeft erkend dat ten onrechte de helft van het destijds op [bankrekening 1] staande saldo van € 747.983,71 buiten beschouwing is gelaten, waardoor deze volgens haar toen zelfs € 904.798,67 zou hebben bedragen.” [onderstreping A-G] 4.70 Het subonderdeel klaagt dat het melden van het saldo door Erfgenaam geen aanleiding kan geven een bevel op de voet van art. 22 Rv te geven, althans dat het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom dit een reden is om aan Erfgenaam dat bevel te geven. Het subonderdeel doelt op het bevel in rov.
Volledig
” (akte van 28 maart 2022 randnummer 4) en de kennelijk op basis daarvan geponeerde bewering dat de per 26 oktober 2009 bestaande aanspraken van [Erfgenaam]: “€ 287.742,96 in hoofdsom” (akte van 28 maart 2022, randnummers 4 en 6) en die van [dochter] : “€ 287.742,96 in hoofdsom ” (akte van 28 maart 2022, randnummers 4 en 9) -dus tezamen € 575,742,96- zouden hebben bedragen.” 4.61 De subonderdelen 2e en 2f klagen dat het hof in rov. 3.20.1 t/m 3.20.3 buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door de discrepanties tussen de in die overwegingen genoemde berekeningen aan de orde te stellen, althans dat het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom daarin redenen besloten liggen om aan Erfgenaam een bevel op de voet van art. 22 Rv te geven (in rov. 3.22 onder b en d). De subonderdelen voeren daartoe aan dat Legataris geen aandacht heeft gevraagd voor de discrepantie(s) tussen de berekeningen. Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat de advocaat van Legataris tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg juist heeft laten weten “dat de berekening van de omvang van het moederlijk erfdeel op zichzelf wel juist voorkomt” (rov. 5.20). Erfgenaam heeft reeds in de conclusie van antwoord uitvoerig uiteengezet hoe (en aan de hand van welke stukken) zij komt tot vaststelling van de moederlijke erfdelen en welk recht van toepassing is. Bovendien heeft Erfgenaam duidelijk gesteld dat indien de nalatenschap van moeder zou worden afgewikkeld naar Nederlands recht zonder aandacht voor de gedane schenkingen er alsnog sprake zou zijn van aanzienlijke vorderingen uit hoofde van de nalatenschap van moeder. Erfgenaam heeft dus uitgelegd waarom de door [notaris] uitgevoerde berekening (naar Belgisch recht) tot andere bedragen leidt dan wanneer louter zou worden uitgegaan van een berekening naar Nederlands recht. In de memorie van grieven stelt Legataris uitsluitend dat de “omvang van moeders erfdeel wellicht herzien [zal] dienen te worden in verband met het bestaan van een gezamenlijke bankrekening ten tijde van haar overlijden.” Erfgenaam heeft de stellingen van Legataris ook niet zodanig begrepen dat zij de berekeningen inhoudelijk betwiste. In voetnoot 27 wordt ook nog aangevoerd dat er ook geen reden was om de discrepantie tussen de berekeningen aan de orde te stellen, omdat in de rechtspraktijk de civiele en fiscale waardering van een nalatenschap naast elkaar bestaan. 4.62 Ter bespreking van deze klacht is het volgende van belang. 4.63 In de conclusie van antwoord heeft Erfgenaam toegelicht dat uit de (door het hof in rov. 3.20.1 genoemde) aangifte successierecht blijkt dat het saldo van de nalatenschap van moeder € 530.806,81 bedraagt en dat voor Erfgenaam en [dochter] ieder een bedrag van € 13.856,59 aan belasting is voldaan over de erfrechtelijke verkrijging. Vervolgens wordt uiteengezet dat het testament een rechtskeuze voor Nederlands recht bevat, maar dat aan de hand van Belgisch internationaal privaatrecht beoordeeld dient te worden of die rechtskeuze gerespecteerd diende te worden. Daaruit zou volgen dat de rechtskeuze niet tot gevolg mag hebben dat een erfgenaam zijn recht op een voorbehouden erfdeel verliest. Bij berekening van het voorbehouden erfdeel dient rekening te worden gehouden met schenkingen bij leven. Conform het toepasselijke rechtskader heeft [notaris] het voorbehouden erfdeel van Erfgenaam en [dochter] berekend. Dit is de berekening waaraan het hof refereert in rov. 3.20.2. Vervolgens heeft Erfgenaam aangevoerd: “Opgemerkt wordt voorts dat de berekening van het voorbehouden erfdeel waarbij rekening wordt gehouden met gedane schenkingen naar Belgisch recht verwant is met de inbrengplicht naar Nederlands recht en dat bij het volgen van Nederlands recht tot een vergelijkbare conclusie wordt gekomen. Naar Nederlands recht kan het immers zo zijn dat schenkingen in het kader van de verdeling ingebracht moeten worden. De ‘voorschot’ schenkingen zijn dan schenkingen met een inbrengplicht en de ‘buiten deel’ schenkingen zijn dan schenkingen die niet ingebracht behoeven te worden. Toepassing van art. 4:233 BW zou dan tot een vergelijkbaar resultaat leiden.” 4.64 Bij randnr. 38 van de conclusie van antwoord wordt echter opgemerkt “ dat een afwikkeling van de nalatenschap naar Nederlands recht en zonder aandacht voor de gedane schenkingen, zou hebben geleid tot een vordering van [erflater] en [dochter] ieder netto € 163.079,02. ” Inclusief rente tot het overlijden van erflater zou de vordering € 294.162,03 bedragen. 4.65 Deze langs drie sporen opgebouwde argumentatie – een afwikkeling van de nalatenschap naar Belgisch recht, naar Nederlands recht met inbrengplicht en naar Nederlands recht zonder inbrengplicht – resulteerde in verschillende hoogtes van de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] uit hoofde van de nalatenschap-moeder. Deze argumentatie wordt ook gevolgd in de akte van 28 maart 2022. Erfgenaam berekent daar de vorderingen nogmaals, uitgaande van een hoger saldo van de nalatenschap, waarin het saldo op de bankrekening bij de ABN AMRO bank is meegenomen dat in de aangifte succesrecht buiten beschouwing was gelaten. 4.66 Tegen deze achtergrond lag het volstrekt in de rede dat het hof vroeg naar de verhouding tussen de verschillende berekeningen. Gegeven het feit dat het hof de vraag moest beantwoorden of Legataris aanspraak kan maken op het haar toegekende legaat en dus de omvang van de nalatenschap moest vaststellen, rekende het hof het uiteraard tot zijn taak om de hoogte van de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] in de nalatenschap-moeder vast te stellen. Dat Legataris in de memorie van grieven (randnr. 13) slechts in algemene zin heeft aangevoerd dat “de verstrekte gegevens/bescheiden Legataris niet overtuigen”, maakt dit niet anders. De rechter heeft immers ook een eigen verantwoordelijkheid om de feiten zo juist en volledig mogelijk vast te stellen. Als een partij meerdere, tegenstrijdige berekeningen opstelt voor een en dezelfde waardering, staat het de rechter vrij om (om niet te zeggen: moet de rechter) nader onderzoek in te stellen naar de berekeningen en een partij daarover vragen te stellen. 4.67 Dit geldt in dit geval temeer nu bij de ene berekening alleen Nederlands recht is toegepast en bij de andere berekening van de toepassing van Belgisch (internationaal privaat)recht is uitgegaan. Bovendien is in de berekening naar Nederlands recht en de toelichting daarop in voornoemde processtukken, afgezien van het hiervoor geciteerde randnr. 37 van de conclusie van antwoord, niet van een inbrengplicht uitgegaan, terwijl die er voor schenkingen van voor 1 januari 2003 wel was (tenzij moeder anders had bepaald). Voor schenkingen van na 1 januari 2003 gold een inbrengplicht indien moeder dat bij de schenking of in haar testament had bepaald (zie hiervoor onder 4.26-4.32). In de Belgische aangifte is sprake van schenkingen als voorschot op het erfdeel uit de nalatenschap-moeder, maar in de 3.20.3 bedoelde berekening van [notaris] komen diezelfde schenkingen niet terug. De berekeningen roepen dus zeker vragen op. 4.68 Het hof is dan ook niet buiten de rechtsstrijd tussen partijen getreden. De subonderdelen 2e en 2f slagen niet. 4.69 Subonderdeel 2g is gericht tegen rov. 3.20.4: “3.20.4 Bij de voornoemde onduidelijkheden over (de omvang van) de nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 komt nog dat [Erfgenaam] in dit geding inmiddels heeft erkend dat ten onrechte de helft van het destijds op [bankrekening 1] staande saldo van € 747.983,71 buiten beschouwing is gelaten, waardoor deze volgens haar toen zelfs € 904.798,67 zou hebben bedragen.” [onderstreping A-G] 4.70 Het subonderdeel klaagt dat het melden van het saldo door Erfgenaam geen aanleiding kan geven een bevel op de voet van art. 22 Rv te geven, althans dat het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom dit een reden is om aan Erfgenaam dat bevel te geven. Het subonderdeel doelt op het bevel in rov.
Volledig
3.22, onder e, tot het toelichten van haar stellingen inzake en verschaffen van beschikbare en nog opvraagbare stukken omtrent [bankrekening 1] voor zover het de na 26 oktober 2009 gedane mutaties met betrekking tot [dochter] en/of Erfgenaam betreft en het eventuele slot(rekening)afschrift daarvan. In de onderstreepte bewoordingen lijkt het hof uit te gaan van handelen te kwader trouw zijdens Erfgenaam, maar er zijn geen feiten en omstandigheden die een dergelijke verdenking rechtvaardigen. Erfgenaam heeft vrijwillig bij akte van 28 maart 2022 melding gemaakt van het saldo op de bankrekening. Daardoor heeft zij juist voldaan aan haar waarheidsplicht. Ook heeft Erfgenaam uitdrukkelijk gesteld dat zij niet weet wat er met de betreffende bankrekening is gebeurd na het overlijden van moeder. 4.71 Het hof overweegt in rov. 3.20.4 niet dat het Erfgenaam van kwader trouw verdenkt. De toon van de overweging is evenwel kritisch. Het hof merkt de stelling bij akte van 28 maart 2022 aan als ‘onduidelijkheid’, die Erfgenaam ‘inmiddels’ heeft ‘erkend’. Legataris heeft evenwel al in april 2020 en nadien ook in december 2020 om (nadere) stukken gevraagd waaruit blijkt dat de nalatenschap negatief is. Erfgenaam maakt ook geen melding van het saldo op de bankrekening in haar conclusie van antwoord, maar pas bij de latere akte van 28 maart 2022. In die akte licht zij niet toe waarom zij toen pas op de hoogte is geraakt van het bestaan van de bankrekening of daar toen pas melding van maakte. Het is dan ook zeker niet onbegrijpelijk dat de gang van zaken vragen oproept bij het hof. Legataris heeft in de memorie van grieven aangevoerd dat de bankrekening ook niet is opgenomen in de concept-aangiften erfbelasting van erflater van 2018 en 2019 en in de concept-aangiften inkomstenbelasting van erflater over 2018 en 2019. Zij vraagt onder meer welke rol de bankrekening in de nalatenschap van moeder heeft gespeeld, wat er met het saldo is gebeurd en of het saldo is uitbetaald aan de erfgenamen [dochter] en Erfgenaam als een gedeelte van de nalatenschap en/of een gedeeltelijke betaling door erflater van moeders erfdeel. Tegen deze achtergrond heeft het hof het bevel in rov. 3.22 aanhef en onder e afdoende gemotiveerd. Het subonderdeel slaagt niet. 4.72 Subonderdeel 2.h is gericht tegen rov. 3.20.5: “3.20.5 Bovendien is [Erfgenaam] niet voldoende eenduidig over de kwestie of en in hoeverre erflater al eerder bedragen aan [dochter] en/of [Erfgenaam] heeft uitgekeerd terzake van hun vorderingen uit hoofde van nalatenschap-moeder. Zo stelt [Erfgenaam] meermalen – zelfs in hoger beroep nog – dat uit de stellingen van [Legataris]: “ (…) niets maar dan ook helemaal niets (…) blijkt dat er eventueel aflossingen gedaan zouden zijn. (…)” (memorie van antwoord randnummer 16) Maar heeft [Erfgenaam] in eerste aanleg reeds erkend dat [dochter] op 4 september 2015 (uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning) van erflater € 257.500,-- uitbetaald heeft gekregen op haar erfdeel in nalatenschap-moeder.” 4.73 Het subonderdeel klaagt dat onjuist is dat Erfgenaam niet voldoende eenduidig is geweest, omdat zij bij randnummer 16 van de memorie van antwoord niet heeft gesteld dat zij wil terugkomen van haar eerdere stelling over de aflossing aan [dochter] in 2015 en ook niet dat er geen eerdere aflossing zou hebben plaatsgevonden. Zij stelt ‘slechts’ dat Legataris niets hebben gesteld waaruit blijkt dat er eventueel aflossingen zijn gedaan. Rov. 3.20.5 is daarom onbegrijpelijk. 4.74 Legataris heeft in de memorie van grieven de vraag opgeworpen in hoeverre erflater in de loop der jaren bij zijn kinderen op zijn schuld terzake het moeders erfdeel heeft ingelost, nu hij over ruime financiële middelen beschikte en hij zijn kinderen dan geld zou doen toekomen in een levensfase waarin zij dat goed kunnen gebruiken. Ook wijst Legataris erop dat de schuld aan Erfgenaam en [dochter] in verband met de nalatenschap-moeder niet terugkomt op de aangiften inkomstenbelasting van erflater en dat Erfgenaam ook expliciet heeft gesteld dat € 257.500,- op de schuld aan [dochter] is afgelost. 4.75 Uitgaande van de op Erfgenaam rustende stelplicht en bewijslast van de omvang van de nalatenschap, had het op haar weg gelegen om duidelijk te stellen of, en, zo ja welke, andere aflossingen hebben plaatsgevonden. Op de in het subonderdeel vermelde vindplaatsen doet zij dat niet en noemt ze ook niet nogmaals de ook door Legataris genoemde aflossing aan [dochter] . Rov. 3.20.5 is tegen die achtergrond niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel faalt. 4.76 Subonderdeel 2.i is gericht tegen rov. 3.21.1 van het tussenarrest: “3.21.1 Verder dient [Erfgenaam] meer duidelijkheid te verschaffen over de blijkens ingebrachte correspondentie gedane aangiftes voor successierecht inzake nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 en nalatenschap- [dochter] per 21 oktober 2018. Hoewel die meermalen tegenover [Legataris] zijn ingeroepen, overlegt [Erfgenaam] slechts Aangifte 2009 en de daarop betrekking hebbende beslissing inzake nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009, maar niet de aangifte en daarop gevolgde beslissing voor nalatenschap- [dochter] en stelt [Erfgenaam] -hoewel dat op haar weg had gelegen- niets over in verband met beide nalatenschappen mogelijk opgestelde boedelbeschrijvingen.” 4.77 Volgens het subonderdeel is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door de fiscale afwikkeling van de nalatenschap- [dochter] aan de orde te stellen, althans heeft het hof zijn bevel (rov. 22 onder b en f) op dit punt niet begrijpelijk gemotiveerd. Legataris heeft de fiscale afwikkeling van de nalatenschap- [dochter] nimmer tot onderwerp van debat gemaakt en ook geen stellingen ingenomen ten aanzien van al dan niet gemaakte boedelbeschrijvingen. 4.78 Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat het hof relevant acht dat de gedane aangiftes inzake de nalatenschap- [dochter] ‘tegenover [Legataris] zijn ingeroepen’. Erfgenaam heeft zich erop beroepen dat de vordering van [dochter] aan de passieve zijde van de boedelbeschrijving moet worden toegevoegd, omdat Erfgenaam enig erfgenaam is van [dochter] en deze vordering onder algemene titel heeft verkregen. Het hof vraagt Erfgenaam dus haar stellingen ten aanzien van de nalatenschap- [dochter] met stukken te onderbouwen. Dat is in lijn met de op Erfgenaam rustende substantiëringsplicht, vormt geen overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd en is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat Legataris heeft gewezen op het feit dat de door de executeur opgestelde boedelbeschrijving verre van compleet was, de vraag heeft opgeworpen of erflater op de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] heeft afgelost, heeft aangevoerd dat Erfgenaam niet verder met stukken heeft onderbouwd dat erflater een bedrag van € 257.500,- aan [dochter] heeft afgelost en heeft gesuggereerd dat de aangifte erfbelasting van [dochter] duidelijkheid zou kunnen geven over de vraag of zij heeft gepretendeerd dat erflater rente verschuldigd is over haar vordering op erflater in verband met de nalatenschap-moeder. Het subonderdeel faalt. 4.79 Subonderdeel 2.j klaagt dat het hof heeft miskend dat op grond van art. 22 Rv slechts een bevel kan worden gegeven tot het verstrekken van concrete stukken. Het hof heeft echter bevolen dat Erfgenaam haar stellingen eenduidig en begrijpelijk dient toe te lichten en te voorzien van (een) deugdelijke specificatie(s) van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken te overleggen omtrent de daarna onder a t/m h genoemde punten. Niet duidelijk is welke stukken vallen onder ‘alle stukken ter zake de (overeenkomst inzake het) Montfleuri-fonds en de waardering daarvan per 8 december 2019 (rov. 3.22 onder a tussenarrest), te meer omdat op dit punt geen partijdebat heeft plaatsgevonden.
Volledig
3.22, onder e, tot het toelichten van haar stellingen inzake en verschaffen van beschikbare en nog opvraagbare stukken omtrent [bankrekening 1] voor zover het de na 26 oktober 2009 gedane mutaties met betrekking tot [dochter] en/of Erfgenaam betreft en het eventuele slot(rekening)afschrift daarvan. In de onderstreepte bewoordingen lijkt het hof uit te gaan van handelen te kwader trouw zijdens Erfgenaam, maar er zijn geen feiten en omstandigheden die een dergelijke verdenking rechtvaardigen. Erfgenaam heeft vrijwillig bij akte van 28 maart 2022 melding gemaakt van het saldo op de bankrekening. Daardoor heeft zij juist voldaan aan haar waarheidsplicht. Ook heeft Erfgenaam uitdrukkelijk gesteld dat zij niet weet wat er met de betreffende bankrekening is gebeurd na het overlijden van moeder. 4.71 Het hof overweegt in rov. 3.20.4 niet dat het Erfgenaam van kwader trouw verdenkt. De toon van de overweging is evenwel kritisch. Het hof merkt de stelling bij akte van 28 maart 2022 aan als ‘onduidelijkheid’, die Erfgenaam ‘inmiddels’ heeft ‘erkend’. Legataris heeft evenwel al in april 2020 en nadien ook in december 2020 om (nadere) stukken gevraagd waaruit blijkt dat de nalatenschap negatief is. Erfgenaam maakt ook geen melding van het saldo op de bankrekening in haar conclusie van antwoord, maar pas bij de latere akte van 28 maart 2022. In die akte licht zij niet toe waarom zij toen pas op de hoogte is geraakt van het bestaan van de bankrekening of daar toen pas melding van maakte. Het is dan ook zeker niet onbegrijpelijk dat de gang van zaken vragen oproept bij het hof. Legataris heeft in de memorie van grieven aangevoerd dat de bankrekening ook niet is opgenomen in de concept-aangiften erfbelasting van erflater van 2018 en 2019 en in de concept-aangiften inkomstenbelasting van erflater over 2018 en 2019. Zij vraagt onder meer welke rol de bankrekening in de nalatenschap van moeder heeft gespeeld, wat er met het saldo is gebeurd en of het saldo is uitbetaald aan de erfgenamen [dochter] en Erfgenaam als een gedeelte van de nalatenschap en/of een gedeeltelijke betaling door erflater van moeders erfdeel. Tegen deze achtergrond heeft het hof het bevel in rov. 3.22 aanhef en onder e afdoende gemotiveerd. Het subonderdeel slaagt niet. 4.72 Subonderdeel 2.h is gericht tegen rov. 3.20.5: “3.20.5 Bovendien is [Erfgenaam] niet voldoende eenduidig over de kwestie of en in hoeverre erflater al eerder bedragen aan [dochter] en/of [Erfgenaam] heeft uitgekeerd terzake van hun vorderingen uit hoofde van nalatenschap-moeder. Zo stelt [Erfgenaam] meermalen – zelfs in hoger beroep nog – dat uit de stellingen van [Legataris]: “ (…) niets maar dan ook helemaal niets (…) blijkt dat er eventueel aflossingen gedaan zouden zijn. (…)” (memorie van antwoord randnummer 16) Maar heeft [Erfgenaam] in eerste aanleg reeds erkend dat [dochter] op 4 september 2015 (uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning) van erflater € 257.500,-- uitbetaald heeft gekregen op haar erfdeel in nalatenschap-moeder.” 4.73 Het subonderdeel klaagt dat onjuist is dat Erfgenaam niet voldoende eenduidig is geweest, omdat zij bij randnummer 16 van de memorie van antwoord niet heeft gesteld dat zij wil terugkomen van haar eerdere stelling over de aflossing aan [dochter] in 2015 en ook niet dat er geen eerdere aflossing zou hebben plaatsgevonden. Zij stelt ‘slechts’ dat Legataris niets hebben gesteld waaruit blijkt dat er eventueel aflossingen zijn gedaan. Rov. 3.20.5 is daarom onbegrijpelijk. 4.74 Legataris heeft in de memorie van grieven de vraag opgeworpen in hoeverre erflater in de loop der jaren bij zijn kinderen op zijn schuld terzake het moeders erfdeel heeft ingelost, nu hij over ruime financiële middelen beschikte en hij zijn kinderen dan geld zou doen toekomen in een levensfase waarin zij dat goed kunnen gebruiken. Ook wijst Legataris erop dat de schuld aan Erfgenaam en [dochter] in verband met de nalatenschap-moeder niet terugkomt op de aangiften inkomstenbelasting van erflater en dat Erfgenaam ook expliciet heeft gesteld dat € 257.500,- op de schuld aan [dochter] is afgelost. 4.75 Uitgaande van de op Erfgenaam rustende stelplicht en bewijslast van de omvang van de nalatenschap, had het op haar weg gelegen om duidelijk te stellen of, en, zo ja welke, andere aflossingen hebben plaatsgevonden. Op de in het subonderdeel vermelde vindplaatsen doet zij dat niet en noemt ze ook niet nogmaals de ook door Legataris genoemde aflossing aan [dochter] . Rov. 3.20.5 is tegen die achtergrond niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel faalt. 4.76 Subonderdeel 2.i is gericht tegen rov. 3.21.1 van het tussenarrest: “3.21.1 Verder dient [Erfgenaam] meer duidelijkheid te verschaffen over de blijkens ingebrachte correspondentie gedane aangiftes voor successierecht inzake nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 en nalatenschap- [dochter] per 21 oktober 2018. Hoewel die meermalen tegenover [Legataris] zijn ingeroepen, overlegt [Erfgenaam] slechts Aangifte 2009 en de daarop betrekking hebbende beslissing inzake nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009, maar niet de aangifte en daarop gevolgde beslissing voor nalatenschap- [dochter] en stelt [Erfgenaam] -hoewel dat op haar weg had gelegen- niets over in verband met beide nalatenschappen mogelijk opgestelde boedelbeschrijvingen.” 4.77 Volgens het subonderdeel is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door de fiscale afwikkeling van de nalatenschap- [dochter] aan de orde te stellen, althans heeft het hof zijn bevel (rov. 22 onder b en f) op dit punt niet begrijpelijk gemotiveerd. Legataris heeft de fiscale afwikkeling van de nalatenschap- [dochter] nimmer tot onderwerp van debat gemaakt en ook geen stellingen ingenomen ten aanzien van al dan niet gemaakte boedelbeschrijvingen. 4.78 Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat het hof relevant acht dat de gedane aangiftes inzake de nalatenschap- [dochter] ‘tegenover [Legataris] zijn ingeroepen’. Erfgenaam heeft zich erop beroepen dat de vordering van [dochter] aan de passieve zijde van de boedelbeschrijving moet worden toegevoegd, omdat Erfgenaam enig erfgenaam is van [dochter] en deze vordering onder algemene titel heeft verkregen. Het hof vraagt Erfgenaam dus haar stellingen ten aanzien van de nalatenschap- [dochter] met stukken te onderbouwen. Dat is in lijn met de op Erfgenaam rustende substantiëringsplicht, vormt geen overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd en is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat Legataris heeft gewezen op het feit dat de door de executeur opgestelde boedelbeschrijving verre van compleet was, de vraag heeft opgeworpen of erflater op de vorderingen van Erfgenaam en [dochter] heeft afgelost, heeft aangevoerd dat Erfgenaam niet verder met stukken heeft onderbouwd dat erflater een bedrag van € 257.500,- aan [dochter] heeft afgelost en heeft gesuggereerd dat de aangifte erfbelasting van [dochter] duidelijkheid zou kunnen geven over de vraag of zij heeft gepretendeerd dat erflater rente verschuldigd is over haar vordering op erflater in verband met de nalatenschap-moeder. Het subonderdeel faalt. 4.79 Subonderdeel 2.j klaagt dat het hof heeft miskend dat op grond van art. 22 Rv slechts een bevel kan worden gegeven tot het verstrekken van concrete stukken. Het hof heeft echter bevolen dat Erfgenaam haar stellingen eenduidig en begrijpelijk dient toe te lichten en te voorzien van (een) deugdelijke specificatie(s) van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen en alle beschikbare en nog opvraagbare stukken te overleggen omtrent de daarna onder a t/m h genoemde punten. Niet duidelijk is welke stukken vallen onder ‘alle stukken ter zake de (overeenkomst inzake het) Montfleuri-fonds en de waardering daarvan per 8 december 2019 (rov. 3.22 onder a tussenarrest), te meer omdat op dit punt geen partijdebat heeft plaatsgevonden.
Volledig
Ook is niet duidelijk welke stukken over aflossingen moeten worden overgelegd als er geen aflossingen gedaan zijn anders dan de reeds erkende aflossing aan [dochter] van € 257.500,- noch welke stukken ter zake de nalatenschap-moeder en berekende erfdelen moeten worden overgelegd, nu de door de notaris destijds gemaakte berekeningen reeds waren overgelegd. 4.80 Op grond van art. 22 Rv kan de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat een bevel tot het toelichten van stellingen – al dan niet gestaafd met stukken – niet mogelijk is, berust het dan ook op een onjuiste rechtsopvatting. 4.81 Blijkens de tekst van art. 22 Rv moet het bevel betrekking hebben op ‘bepaalde stellingen’ en ‘bepaalde bescheiden’. Wettekst en parlementaire geschiedenis bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt van Erfgenaam dat met ‘bepaalde bescheiden’ wordt gedoeld op concreet aangeduide bescheiden, in die zin dat de rechter zou moeten opsommen welke stukken moeten worden overgelegd. Dat zal vaak ook niet mogelijk zijn, De rechter weet immers niet over welke bescheiden een partij beschikt en met welke bescheiden een partij een nog te geven toelichting zou kunnen onderbouwen. Wel dient voor de partij waaraan de rechter het bevel op grond van art. 22 Rv richt voldoende duidelijk te zijn welke toelichting en bescheiden voor de rechter en de wederpartij relevant zouden kunnen zijn. Een partij heeft op dit punt echter ook een eigen verantwoordelijkheid: verwacht mag worden dat hij of zij zich heeft verdiept in het geschil, in de context van de zaak en in de vraag of de feiten, zoals die hem of haar voor ogen staan, kloppen en volledig zijn. Illustratief is in dit verband de overweging van de Hoge Raad in een arrest van 19 mei 2017, dat de rechter op grond van art. 22 Rv een partij die niet voldoet aan die stelplicht kan bevelen ‘ haar stellingen zodanig toe te lichten dat de rechter in het verdelingsgeschil kan beoordelen of de vereffening is voltooid’ . 4.82 Het bevel in rov. 3.22, aanhef en uitwerking onder a t/m h van het tussenarrest ziet zowel op het toelichten van stellingen als het overleggen van stukken. Het dient in samenhang met de daaraan voorafgaande rov. 3.17 t/m 3.21.2 te worden gelezen, zo blijkt ook uit de in rov. 3.22 gebruikte woorden ‘omtrent de hiervoor bedoelde:’. Het hof heeft zijn verbod zo van een uitgebreide motivering voorzien. 4.83 Ten aanzien van de post Montfleuri-fonds heeft het hof in rov. 3.17 overwogen dat Erfgenaam heeft nagelaten aan te geven waarop de waardering van die post berust. In rov. 3.22, aanhef en onder a, vraagt het hof om een toelichting van die waardering en voor zover mogelijk onderbouwing met stukken. Dat is voldoende duidelijk, te meer nu Legataris bij dagvaarding al vroeg om een beschrijving van de activiteiten van het fonds en de vraag stelde hoe is gekomen tot de waardering van € 480.476,31. Ten aanzien van de aflossingen heeft het hof in rov. 3.20.5 overwogen dat Erfgenaam niet voldoende eenduidig is over de kwestie of al eerder bedragen zijn uitgekeerd terzake de vorderingen van [dochter] en Erfgenaam in nalatenschap-moeder. Het hof heeft Erfgenaam dus verzocht om duidelijker te zijn en stellingen over eventuele nog niet vermelde aflossingen met stukken te onderbouwen. Dat had Erfgenaam duidelijk moeten zijn op basis van hetgeen het hof heeft overwogen. Ten aanzien van de berekeningen geldt dat het hof die niet met elkaar kon rijmen. Het ging het hof hier dus niet (alleen) om het overleggen van stukken, maar ook om een nadere toelichting. Dat blijkt voldoende duidelijk uit rov. 3.20.1 t/m 3.20.3 tussenarrest. Het subonderdeel slaagt niet. Beoordeling voldoen aan bevel art. 22 Rv en waarheidsplicht 4.84 Onderdeel 3 richt zich tegen rov. 6.5.1 t/m 6.8.1 van het eindarrest. Het onderdeel begint met de overkoepelende klacht dat het hof heeft miskend dat de vraag of is voldaan aan een bevel op de voet van art. 22 lid 1 Rv dient te worden beoordeeld binnen de rechtsstrijd van partijen – de grenzen die art. 24 Rv stelt aan de taakuitoefening van de rechter –, dat een dergelijk bevel slechts is bedoeld om de bewuste leugen uit te bannen en dat het niet aan het hof is om ‘mee te procederen’. Tevens bevat het onderdeel een motiveringsklacht. Zowel de rechts- als de motiveringsklacht wordt in de navolgende subonderdelen nader uitgewerkt. 4.85 De rechtsklacht dat een bevel op de voet van art. 22 Rv slechts bedoeld is om de bewuste leugen uit te bannen vormt een herhaling van onderdeel 2 (aanhef) en faalt in het voetspoor daarvan. 4.86 De klacht dat het hof binnen de rechtsstrijd van partijen moet beoordelen of een partij aan een tot hem gericht bevel op grond van art. 22 Rv heeft voldaan faalt indien daarmee wordt bedoeld dat de rechter bij zijn beslissing op dit punt gebonden is aan wat de wederpartij daarover heeft aangevoerd. Het staat de rechter immers vrij om aan een ongerechtvaardigde weigering tot voldoen aan een bevel op grond van art. 22 Rv ambtshalve de gevolgen te verbinden die hij geraden acht (zie onder 4.36). Dit is anders indien de wederpartij ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat een bepaald onderwerp waarop het bevel betrekking had niet langer onderwerp van debat tussen partijen vormt. Verder kan bij de beoordeling of de partij aan het tot hem gerichte bevel heeft voldaan van belang zijn wat de inhoud van het bevel was, het partijdebat op dat punt en de relevantie van de gegevens waarop het bevel betrekking heeft en in hoeverre de partij die relevantie kende en behoorde te kennen. 4.87 Subonderdeel 3.a klaagt dat het hof in rov. 3.5.2 van het eindarrest buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het hof overweegt in rov. 6.5.2: “6.5.2 Aldus volgt uit de stellingen en stukken van [Erfgenaam] dat erflater vanaf december 2017 in het fonds is gaan participeren tot uiteindelijk 6.000 certificaten met een waarde van € 600.000,--, dat hij in april 2019 1.200 certificaten ter waarde van € 120.000,-- aan [Erfgenaam] heeft geschonken en dat de resterende 4800 certificaten ter waarde van € 480.476,31 nog tot zijn op 8 december 2019 opengevallen nalatenschap behoren. Hiermee suggereert [Erfgenaam] dat de waarde per participatie/certificaat sinds de oprichting van het fonds vrijwel ongewijzigd is gebleven, namelijk zo’n € 100,--. [Erfgenaam] verduidelijkt evenwel geenszins hoe of op basis waarvan tot een dergelijke waarde per 8 december 2019 precies is gekomen. Het hof kan aan de hand van de door [Erfgenaam] ingebrachte Fondsvoorwaarden vaststellen dat ingevolge artikel 1 onder participatie wordt verstaan een deelname in het fondskapitaal met een nominale waarde van € 100,--, maar zonder een genoegzame toelichting verklaart dit geenszins de opgegeven of werkelijke waarde ervan per 8 december 2019. Hoewel in het tussenarrest (rov. 3.17) reeds is aangegeven dat dit verduidelijking behoeft en [Erfgenaam] dient aan te geven waarop de waardering berust, laat [Erfgenaam] dit nu volledig na, wordt niet duidelijk waarop die waardering berust en onderbouwt [Erfgenaam] zelfs niet dat en waarom de waarde per participatie/certificaat in de loop der jaren vrijwel gelijk zou zijn gebleven. Dit verbaast des te meer nu blijkens (artikel 14 lid 1 onder b. en c. en artikel 18 lid 2 van) de ingebrachte Fondsvoorwaarden over ieder boekjaar steeds de balans en de winst- en verliesrekening met een toelichting worden vastgesteld, tevens jaarlijks de koerswaarde van een participatie wordt vastgesteld en in die toelichting ook steeds de intrinsieke waarde(ontwikkeling) van het fonds wordt weergegeven. Dat [Erfgenaam] over dit alles geen enkele informatie verschaft, is te meer opmerkelijk omdat [Erfgenaam] als beheerder van het fonds en als enig bestuurder van Stichting Montfleuri zonder meer over die informatie moet (kunnen) beschikken.
Volledig
Ook is niet duidelijk welke stukken over aflossingen moeten worden overgelegd als er geen aflossingen gedaan zijn anders dan de reeds erkende aflossing aan [dochter] van € 257.500,- noch welke stukken ter zake de nalatenschap-moeder en berekende erfdelen moeten worden overgelegd, nu de door de notaris destijds gemaakte berekeningen reeds waren overgelegd. 4.80 Op grond van art. 22 Rv kan de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat een bevel tot het toelichten van stellingen – al dan niet gestaafd met stukken – niet mogelijk is, berust het dan ook op een onjuiste rechtsopvatting. 4.81 Blijkens de tekst van art. 22 Rv moet het bevel betrekking hebben op ‘bepaalde stellingen’ en ‘bepaalde bescheiden’. Wettekst en parlementaire geschiedenis bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt van Erfgenaam dat met ‘bepaalde bescheiden’ wordt gedoeld op concreet aangeduide bescheiden, in die zin dat de rechter zou moeten opsommen welke stukken moeten worden overgelegd. Dat zal vaak ook niet mogelijk zijn, De rechter weet immers niet over welke bescheiden een partij beschikt en met welke bescheiden een partij een nog te geven toelichting zou kunnen onderbouwen. Wel dient voor de partij waaraan de rechter het bevel op grond van art. 22 Rv richt voldoende duidelijk te zijn welke toelichting en bescheiden voor de rechter en de wederpartij relevant zouden kunnen zijn. Een partij heeft op dit punt echter ook een eigen verantwoordelijkheid: verwacht mag worden dat hij of zij zich heeft verdiept in het geschil, in de context van de zaak en in de vraag of de feiten, zoals die hem of haar voor ogen staan, kloppen en volledig zijn. Illustratief is in dit verband de overweging van de Hoge Raad in een arrest van 19 mei 2017, dat de rechter op grond van art. 22 Rv een partij die niet voldoet aan die stelplicht kan bevelen ‘ haar stellingen zodanig toe te lichten dat de rechter in het verdelingsgeschil kan beoordelen of de vereffening is voltooid’ . 4.82 Het bevel in rov. 3.22, aanhef en uitwerking onder a t/m h van het tussenarrest ziet zowel op het toelichten van stellingen als het overleggen van stukken. Het dient in samenhang met de daaraan voorafgaande rov. 3.17 t/m 3.21.2 te worden gelezen, zo blijkt ook uit de in rov. 3.22 gebruikte woorden ‘omtrent de hiervoor bedoelde:’. Het hof heeft zijn verbod zo van een uitgebreide motivering voorzien. 4.83 Ten aanzien van de post Montfleuri-fonds heeft het hof in rov. 3.17 overwogen dat Erfgenaam heeft nagelaten aan te geven waarop de waardering van die post berust. In rov. 3.22, aanhef en onder a, vraagt het hof om een toelichting van die waardering en voor zover mogelijk onderbouwing met stukken. Dat is voldoende duidelijk, te meer nu Legataris bij dagvaarding al vroeg om een beschrijving van de activiteiten van het fonds en de vraag stelde hoe is gekomen tot de waardering van € 480.476,31. Ten aanzien van de aflossingen heeft het hof in rov. 3.20.5 overwogen dat Erfgenaam niet voldoende eenduidig is over de kwestie of al eerder bedragen zijn uitgekeerd terzake de vorderingen van [dochter] en Erfgenaam in nalatenschap-moeder. Het hof heeft Erfgenaam dus verzocht om duidelijker te zijn en stellingen over eventuele nog niet vermelde aflossingen met stukken te onderbouwen. Dat had Erfgenaam duidelijk moeten zijn op basis van hetgeen het hof heeft overwogen. Ten aanzien van de berekeningen geldt dat het hof die niet met elkaar kon rijmen. Het ging het hof hier dus niet (alleen) om het overleggen van stukken, maar ook om een nadere toelichting. Dat blijkt voldoende duidelijk uit rov. 3.20.1 t/m 3.20.3 tussenarrest. Het subonderdeel slaagt niet. Beoordeling voldoen aan bevel art. 22 Rv en waarheidsplicht 4.84 Onderdeel 3 richt zich tegen rov. 6.5.1 t/m 6.8.1 van het eindarrest. Het onderdeel begint met de overkoepelende klacht dat het hof heeft miskend dat de vraag of is voldaan aan een bevel op de voet van art. 22 lid 1 Rv dient te worden beoordeeld binnen de rechtsstrijd van partijen – de grenzen die art. 24 Rv stelt aan de taakuitoefening van de rechter –, dat een dergelijk bevel slechts is bedoeld om de bewuste leugen uit te bannen en dat het niet aan het hof is om ‘mee te procederen’. Tevens bevat het onderdeel een motiveringsklacht. Zowel de rechts- als de motiveringsklacht wordt in de navolgende subonderdelen nader uitgewerkt. 4.85 De rechtsklacht dat een bevel op de voet van art. 22 Rv slechts bedoeld is om de bewuste leugen uit te bannen vormt een herhaling van onderdeel 2 (aanhef) en faalt in het voetspoor daarvan. 4.86 De klacht dat het hof binnen de rechtsstrijd van partijen moet beoordelen of een partij aan een tot hem gericht bevel op grond van art. 22 Rv heeft voldaan faalt indien daarmee wordt bedoeld dat de rechter bij zijn beslissing op dit punt gebonden is aan wat de wederpartij daarover heeft aangevoerd. Het staat de rechter immers vrij om aan een ongerechtvaardigde weigering tot voldoen aan een bevel op grond van art. 22 Rv ambtshalve de gevolgen te verbinden die hij geraden acht (zie onder 4.36). Dit is anders indien de wederpartij ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat een bepaald onderwerp waarop het bevel betrekking had niet langer onderwerp van debat tussen partijen vormt. Verder kan bij de beoordeling of de partij aan het tot hem gerichte bevel heeft voldaan van belang zijn wat de inhoud van het bevel was, het partijdebat op dat punt en de relevantie van de gegevens waarop het bevel betrekking heeft en in hoeverre de partij die relevantie kende en behoorde te kennen. 4.87 Subonderdeel 3.a klaagt dat het hof in rov. 3.5.2 van het eindarrest buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het hof overweegt in rov. 6.5.2: “6.5.2 Aldus volgt uit de stellingen en stukken van [Erfgenaam] dat erflater vanaf december 2017 in het fonds is gaan participeren tot uiteindelijk 6.000 certificaten met een waarde van € 600.000,--, dat hij in april 2019 1.200 certificaten ter waarde van € 120.000,-- aan [Erfgenaam] heeft geschonken en dat de resterende 4800 certificaten ter waarde van € 480.476,31 nog tot zijn op 8 december 2019 opengevallen nalatenschap behoren. Hiermee suggereert [Erfgenaam] dat de waarde per participatie/certificaat sinds de oprichting van het fonds vrijwel ongewijzigd is gebleven, namelijk zo’n € 100,--. [Erfgenaam] verduidelijkt evenwel geenszins hoe of op basis waarvan tot een dergelijke waarde per 8 december 2019 precies is gekomen. Het hof kan aan de hand van de door [Erfgenaam] ingebrachte Fondsvoorwaarden vaststellen dat ingevolge artikel 1 onder participatie wordt verstaan een deelname in het fondskapitaal met een nominale waarde van € 100,--, maar zonder een genoegzame toelichting verklaart dit geenszins de opgegeven of werkelijke waarde ervan per 8 december 2019. Hoewel in het tussenarrest (rov. 3.17) reeds is aangegeven dat dit verduidelijking behoeft en [Erfgenaam] dient aan te geven waarop de waardering berust, laat [Erfgenaam] dit nu volledig na, wordt niet duidelijk waarop die waardering berust en onderbouwt [Erfgenaam] zelfs niet dat en waarom de waarde per participatie/certificaat in de loop der jaren vrijwel gelijk zou zijn gebleven. Dit verbaast des te meer nu blijkens (artikel 14 lid 1 onder b. en c. en artikel 18 lid 2 van) de ingebrachte Fondsvoorwaarden over ieder boekjaar steeds de balans en de winst- en verliesrekening met een toelichting worden vastgesteld, tevens jaarlijks de koerswaarde van een participatie wordt vastgesteld en in die toelichting ook steeds de intrinsieke waarde(ontwikkeling) van het fonds wordt weergegeven. Dat [Erfgenaam] over dit alles geen enkele informatie verschaft, is te meer opmerkelijk omdat [Erfgenaam] als beheerder van het fonds en als enig bestuurder van Stichting Montfleuri zonder meer over die informatie moet (kunnen) beschikken.
Volledig
Het hof concludeert dat [Erfgenaam] met betrekking tot de opgevoerde aandelen Montfleurie niet de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd en niet heeft voldaan aan het op de voet van artikel 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de daartoe benodigde toelichting of verduidelijking.” 4.88 Het subonderdeel voert ten eerste aan dat partijen voor het tussenarrest geen debat hebben gevoerd over de waardering van de aandelen Montfleuri. Van Legataris mocht verwacht worden dat zij haar verzoek in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding nader had toegelicht, omdat Erfgenaam reeds een waardebepaling had overgelegd en aangiften inkomstenbelasting waaruit de waarde van het aandeel van erflater in het fonds bleek. 4.89 De eerste subklacht ziet eraan voorbij dat Legataris in de inleidende dagvaarding (randnr. 31) heeft gevraagd ‘hoe is gekomen tot een waardebepaling’ van het Montfleuri-fonds. Ook heeft zij gevraagd om een beschrijving van de activiteiten van Stichting Montfleuri en om de laatste drie jaarrekeningen c.q. financiële jaaroverzichten over de jaren 2015 tot en met 2019. Het afschrift uit het participantenregister en de aangiften inkomstenbelasting bevatten wel de waarde van het aandeel van erflater in het fonds, maar geen toelichting waarop die waardering berust. Aangezien tussen partijen in geschil is of de omvang van de nalatenschap uitbetaling van het legaat toelaat, had het Erfgenaam duidelijk moeten zijn dat voor Legataris relevant is waarop de op het afschrift en de aangiften vermelde waarde berust en behoorde dit geschilpunt ook tot de rechtsstrijd tussen partijen. 4.90 Ten tweede was voor Erfgenaam niet duidelijk tot waar de informatieplicht in het licht van het door het hof gegeven bevel rijkt. Volgens het subonderdeel heeft het hof in rov. 3.22 onder a van het tussenarrest overwogen dat Erfgenaam ‘zoveel als mogelijk (1) haar stellingen eenduidig en begrijpelijk dient toe te lichten en te voorzien van (een) deugdelijke specificatie(s) van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen en (2) alle beschikbare en nog opvraagbare stukken dient te overleggen met betrekking de (overeenkomst inzake het) Mont Fleuri-fonds en de waardering daarvan op € 450.476,31 per 8 december 2019.’ 4.91 Erfgenaam mocht ervan uitgaan dat zij had voldaan aan het door het hof gegeven bevel nu zij de fondsvoorwaarden, de overeenkomst van toetreding, de overeenkomst van schenking en het door de belastingadviseur ondertekende participantenregister met daarop vermeld de waarde van de certificaten per datum overlijden had overgelegd. Zij mocht erop vertrouwen dat de belastingadviseur een juiste waarde heeft toegekend. 4.92 Van belang bij de beoordeling van deze klacht is dat het hof eerder, in rov. 3.17 van het tussenarrest, overweegt dat Erfgenaam nalaat de post Montfleuri-fonds op de boedelbeschrijving te verduidelijken en aan te geven waarop de waardering berust. In rov. 3.22 aanhef en onder a vraagt het hof Erfgenaam haar stellingen omtrent het daarvoor bedoelde Montfleuri-fonds ‘en de waardering daarvan’ toe te lichten en van een deugdelijke onderbouwing te voorzien. Het hof heeft dus expliciet naar een toelichting op de waardering gevraagd. Ik merk nog op dat uit de weergave in het subonderdeel van rov. 3.22 onder a van het tussenarrest lijkt te volgen dat die overweging zo wordt gelezen dat de verwijzing naar ‘de hiervoor bedoelde:’ onderwerpen, waaronder de onder a. vermelde waardering van het Montfleuri-fonds alleen betrekking heeft op het in het subonderdeel onder 2 genoemde bevel tot overlegging van stukken. De vraag rijst dan welke stukken Erfgenaam moest overleggen. Logischerwijs ziet die verwijzing naar de hiervoor bedoelde onderwerpen eveneens op het bevel tot het toelichtingen van haar stellingen en voorzien van deugdelijke specificaties. Het bevel bij het eerste liggende streepje zou anders op alle stellingen van Erfgenaam betrekking hebben, terwijl het hof in de daaraan voorafgaande overwegingen een aantal stellingen uitlicht. Deze subklacht slaagt niet. 4.93 Het subonderdeel klaagt ten derde dat als het hof (nieuwe) stellingen van Legataris uit de memorie van antwoord na tussenarrest in de beoordeling wilde betrekken, het hof Erfgenaam in de gelegenheid had moeten stellen om daarop te reageren. Ten vierde is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door de inhoud van de overgelegde fondsvoorwaarden in zijn beoordeling te betrekken. Dit klemt te meer nu Erfgenaam uitdrukkelijk heeft aangeboden eventuele nog bestaande onduidelijkheden nader toe te lichten, alsook om de belastingadviseur die de waardebepaling had ondertekend te horen. 4.94 In de voetnoot wordt nog toegelicht, in het besef dat het aanvoeren van nieuwe feiten in cassatie niet mogelijk is, dat het fonds feitelijk bestond uit een saldo op een bankrekening en de waarde van het fonds gelijk was aan het saldo op de gemeenschappelijke rekening die beheerd werd door een stichting. Het fonds was opgericht om fiscale redenen, namelijk om vermogen vanuit box 3 onder te brengen in box 2. Omdat dit alles zo vanzelfsprekend was voor Erfgenaam en de betrokken belastingadviseur was het niet bij haar opgekomen dit alles nader te duiden. 4.95 Ten behoeve van de derde en vierde klacht wordt het debat na het tussenarrest over de waardering van het (aandeel van erflater in) het Montfleuri-fonds weergegeven. 4.96 Erfgenaam licht in de memorie na tussenarrest onder meer toe wanneer het fonds is opgericht en overlegt daarbij de akte van oprichting. Zij stelt op welke momenten erflater certificaten verkreeg. Ook stelt zij wat de waarde van het aandeel van erflater in het fonds bedroeg per zijn overlijdensdatum, 8 december 2019 en vervolgt dan: ‘Een afschrift van het participantenregister (voor zover dit ziet op erflater) wordt overgelegd als (productie 12). Dit afschrift is mede ondertekend door [belastingadviseur] (belastingadviseur) met de aantekening: ‘ gecontroleerd en akkoord bevonden ’. 4.97 Legataris stelt in haar memorie van antwoord na tussenarrest dat genoegzame onderbouwing van de gestelde waarde van € 120.000,- van de certificaten tijdens de (ook in rov. 6.5.1 en 6.5.2 door het hof genoemde) schenking ontbreekt: “28 (…) Waarop is deze waarde gebaseerd? Opmerkelijk is dat de waarde gelijk is aan de inleg. Er is verder zelfs geen enkele toelichting, waarvoor de certificaten nu eigenlijk staan. Wat voor belegging betreft het?” Het voorafgaande geldt eveneens voor wat betreft de aard en waardering van de certificaten die 29 Vader [erflater] nog bezat bij overlijden (productie 12). Wat voor belegging is het en waarop is deze waardering van € 420.000 gebaseerd. Ook voor de waardering ontbreekt onderbouwing. (…) 31 Tot verdere toelichting en onderbouwing betreffende MontFleuri zou geïntimeerde ook in staat meten zijn mede gezien het feit dat volgens de oprichtingsakte van de stichting (productie 8) zij onderworpen is aan de heffing van Vennootschapsbelasting (artikel 3) en daarom ook aan de plicht tot boekhouden en zou zij uit hoofde daarvan ook jaarrekeningen moet hebben opgemaakt en aangifte hebben gedaan.” 4.98 De vraag van Legataris waarop de waarde van het aandeel van erflater in het fonds berust is geenszins nieuw. Zoals hiervoor al vermeld vroeg zij al in de inleidende dagvaarding om een beschrijving van de activiteiten van Stichting Montfleuri, en om jaarrekeningen en financiële overzichten en een toelichting van de waardebepaling. Wel nieuw is de toevoeging dat Erfgenaam ook tot verdere toelichting en onderbouwing van de waarde in staat zouden moeten zijn, omdat uit de oprichtingsakte volgt dat zij is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting, maar deze stelling onderstreept de mogelijkheid van de al bij dagvaarding gevraagde toelichting op de waarde en overlegging van jaarrekeningen. Van een nieuwe stelling waarvoor Legataris nog een gelegenheid zou moeten krijgen om daarop te reageren is dus geen sprake. 4.99 Verder verwijst Legataris in randnr. 31 van de memorie van antwoord na tussenarrest naar de oprichtingsakte. Daarvan maken de fondsvoorwaarden (het grootste) onderdeel uit.
Volledig
Het hof concludeert dat [Erfgenaam] met betrekking tot de opgevoerde aandelen Montfleurie niet de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd en niet heeft voldaan aan het op de voet van artikel 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de daartoe benodigde toelichting of verduidelijking.” 4.88 Het subonderdeel voert ten eerste aan dat partijen voor het tussenarrest geen debat hebben gevoerd over de waardering van de aandelen Montfleuri. Van Legataris mocht verwacht worden dat zij haar verzoek in randnr. 31 van de inleidende dagvaarding nader had toegelicht, omdat Erfgenaam reeds een waardebepaling had overgelegd en aangiften inkomstenbelasting waaruit de waarde van het aandeel van erflater in het fonds bleek. 4.89 De eerste subklacht ziet eraan voorbij dat Legataris in de inleidende dagvaarding (randnr. 31) heeft gevraagd ‘hoe is gekomen tot een waardebepaling’ van het Montfleuri-fonds. Ook heeft zij gevraagd om een beschrijving van de activiteiten van Stichting Montfleuri en om de laatste drie jaarrekeningen c.q. financiële jaaroverzichten over de jaren 2015 tot en met 2019. Het afschrift uit het participantenregister en de aangiften inkomstenbelasting bevatten wel de waarde van het aandeel van erflater in het fonds, maar geen toelichting waarop die waardering berust. Aangezien tussen partijen in geschil is of de omvang van de nalatenschap uitbetaling van het legaat toelaat, had het Erfgenaam duidelijk moeten zijn dat voor Legataris relevant is waarop de op het afschrift en de aangiften vermelde waarde berust en behoorde dit geschilpunt ook tot de rechtsstrijd tussen partijen. 4.90 Ten tweede was voor Erfgenaam niet duidelijk tot waar de informatieplicht in het licht van het door het hof gegeven bevel rijkt. Volgens het subonderdeel heeft het hof in rov. 3.22 onder a van het tussenarrest overwogen dat Erfgenaam ‘zoveel als mogelijk (1) haar stellingen eenduidig en begrijpelijk dient toe te lichten en te voorzien van (een) deugdelijke specificatie(s) van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen en (2) alle beschikbare en nog opvraagbare stukken dient te overleggen met betrekking de (overeenkomst inzake het) Mont Fleuri-fonds en de waardering daarvan op € 450.476,31 per 8 december 2019.’ 4.91 Erfgenaam mocht ervan uitgaan dat zij had voldaan aan het door het hof gegeven bevel nu zij de fondsvoorwaarden, de overeenkomst van toetreding, de overeenkomst van schenking en het door de belastingadviseur ondertekende participantenregister met daarop vermeld de waarde van de certificaten per datum overlijden had overgelegd. Zij mocht erop vertrouwen dat de belastingadviseur een juiste waarde heeft toegekend. 4.92 Van belang bij de beoordeling van deze klacht is dat het hof eerder, in rov. 3.17 van het tussenarrest, overweegt dat Erfgenaam nalaat de post Montfleuri-fonds op de boedelbeschrijving te verduidelijken en aan te geven waarop de waardering berust. In rov. 3.22 aanhef en onder a vraagt het hof Erfgenaam haar stellingen omtrent het daarvoor bedoelde Montfleuri-fonds ‘en de waardering daarvan’ toe te lichten en van een deugdelijke onderbouwing te voorzien. Het hof heeft dus expliciet naar een toelichting op de waardering gevraagd. Ik merk nog op dat uit de weergave in het subonderdeel van rov. 3.22 onder a van het tussenarrest lijkt te volgen dat die overweging zo wordt gelezen dat de verwijzing naar ‘de hiervoor bedoelde:’ onderwerpen, waaronder de onder a. vermelde waardering van het Montfleuri-fonds alleen betrekking heeft op het in het subonderdeel onder 2 genoemde bevel tot overlegging van stukken. De vraag rijst dan welke stukken Erfgenaam moest overleggen. Logischerwijs ziet die verwijzing naar de hiervoor bedoelde onderwerpen eveneens op het bevel tot het toelichtingen van haar stellingen en voorzien van deugdelijke specificaties. Het bevel bij het eerste liggende streepje zou anders op alle stellingen van Erfgenaam betrekking hebben, terwijl het hof in de daaraan voorafgaande overwegingen een aantal stellingen uitlicht. Deze subklacht slaagt niet. 4.93 Het subonderdeel klaagt ten derde dat als het hof (nieuwe) stellingen van Legataris uit de memorie van antwoord na tussenarrest in de beoordeling wilde betrekken, het hof Erfgenaam in de gelegenheid had moeten stellen om daarop te reageren. Ten vierde is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door de inhoud van de overgelegde fondsvoorwaarden in zijn beoordeling te betrekken. Dit klemt te meer nu Erfgenaam uitdrukkelijk heeft aangeboden eventuele nog bestaande onduidelijkheden nader toe te lichten, alsook om de belastingadviseur die de waardebepaling had ondertekend te horen. 4.94 In de voetnoot wordt nog toegelicht, in het besef dat het aanvoeren van nieuwe feiten in cassatie niet mogelijk is, dat het fonds feitelijk bestond uit een saldo op een bankrekening en de waarde van het fonds gelijk was aan het saldo op de gemeenschappelijke rekening die beheerd werd door een stichting. Het fonds was opgericht om fiscale redenen, namelijk om vermogen vanuit box 3 onder te brengen in box 2. Omdat dit alles zo vanzelfsprekend was voor Erfgenaam en de betrokken belastingadviseur was het niet bij haar opgekomen dit alles nader te duiden. 4.95 Ten behoeve van de derde en vierde klacht wordt het debat na het tussenarrest over de waardering van het (aandeel van erflater in) het Montfleuri-fonds weergegeven. 4.96 Erfgenaam licht in de memorie na tussenarrest onder meer toe wanneer het fonds is opgericht en overlegt daarbij de akte van oprichting. Zij stelt op welke momenten erflater certificaten verkreeg. Ook stelt zij wat de waarde van het aandeel van erflater in het fonds bedroeg per zijn overlijdensdatum, 8 december 2019 en vervolgt dan: ‘Een afschrift van het participantenregister (voor zover dit ziet op erflater) wordt overgelegd als (productie 12). Dit afschrift is mede ondertekend door [belastingadviseur] (belastingadviseur) met de aantekening: ‘ gecontroleerd en akkoord bevonden ’. 4.97 Legataris stelt in haar memorie van antwoord na tussenarrest dat genoegzame onderbouwing van de gestelde waarde van € 120.000,- van de certificaten tijdens de (ook in rov. 6.5.1 en 6.5.2 door het hof genoemde) schenking ontbreekt: “28 (…) Waarop is deze waarde gebaseerd? Opmerkelijk is dat de waarde gelijk is aan de inleg. Er is verder zelfs geen enkele toelichting, waarvoor de certificaten nu eigenlijk staan. Wat voor belegging betreft het?” Het voorafgaande geldt eveneens voor wat betreft de aard en waardering van de certificaten die 29 Vader [erflater] nog bezat bij overlijden (productie 12). Wat voor belegging is het en waarop is deze waardering van € 420.000 gebaseerd. Ook voor de waardering ontbreekt onderbouwing. (…) 31 Tot verdere toelichting en onderbouwing betreffende MontFleuri zou geïntimeerde ook in staat meten zijn mede gezien het feit dat volgens de oprichtingsakte van de stichting (productie 8) zij onderworpen is aan de heffing van Vennootschapsbelasting (artikel 3) en daarom ook aan de plicht tot boekhouden en zou zij uit hoofde daarvan ook jaarrekeningen moet hebben opgemaakt en aangifte hebben gedaan.” 4.98 De vraag van Legataris waarop de waarde van het aandeel van erflater in het fonds berust is geenszins nieuw. Zoals hiervoor al vermeld vroeg zij al in de inleidende dagvaarding om een beschrijving van de activiteiten van Stichting Montfleuri, en om jaarrekeningen en financiële overzichten en een toelichting van de waardebepaling. Wel nieuw is de toevoeging dat Erfgenaam ook tot verdere toelichting en onderbouwing van de waarde in staat zouden moeten zijn, omdat uit de oprichtingsakte volgt dat zij is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting, maar deze stelling onderstreept de mogelijkheid van de al bij dagvaarding gevraagde toelichting op de waarde en overlegging van jaarrekeningen. Van een nieuwe stelling waarvoor Legataris nog een gelegenheid zou moeten krijgen om daarop te reageren is dus geen sprake. 4.99 Verder verwijst Legataris in randnr. 31 van de memorie van antwoord na tussenarrest naar de oprichtingsakte. Daarvan maken de fondsvoorwaarden (het grootste) onderdeel uit.