Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:275
Strafrecht
11,705 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:275 text/xml public 2026-05-20T10:22:41 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03345 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:275 text/html public 2026-05-20T10:22:04 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:275 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03345 Conclusie AG. Telen “grote hoeveelheid hennepplanten” (art. 3 onder B jo. art. 11 lid 5 Opiumwet). Middel komt op tegen bewezenverklaarde “grote hoeveelheid hennepplanten”. Falende klacht dat hof UOS op onbegrijpelijke wijze heeft verworpen; falende klacht dat het hof, door te verwijzen naar ontnemingsrapport in de voetnoot van de bewijsoverweging, niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid heeft verwezen naar de redengevende feiten en omstandigheden. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/03346. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03345 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 22 augustus 2024 (parketnr. 23-003364-23) veroordeeld wegens 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”. Het hof heeft daarvoor 1 maand gevangenisstraf opgelegd, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en 100 uren taakstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Voorts heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven ruimlijst. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/03346. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij een “grote hoeveelheid hennepplanten” (360) heeft geteeld in een door hem gehuurde bovenwoning. Het middel richt zijn pijlen op de bewezenverklaarde grote hoeveelheid hennepplanten. Het middel bestaat uit twee deelklachten. Volgens de eerste daarvan heeft het hof een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op onbegrijpelijke wijze verworpen. De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid heeft verwezen naar de redengevende feiten en omstandigheden. 2.2 De conclusie strekt tot verwerping van het middel. 3 Het middel 3.1 Het middel houdt in dat het onder 1 primair bewezenverklaarde, in het bijzonder dat sprake was van “een grote hoeveelheid hennepplanten” onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het middel bestaat uit twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat “de lege potten door de politie niet zijn geteld, terwijl op de foto's in het dossier slechts 93 potten kunnen worden geteld, zodat geen sprake is van een grote hoeveelheid (van 360 hennepplanten)”, door het hof op onbegrijpelijke wijze is verworpen, omdat het in een strafzaak niet gaat om de vraag of het “aannemelijk” is dat sprake is geweest van een grote hoeveelheid hennepplanten – waar het hof volgens de steller van het middel vanuit gaat – en voorts niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat sprake is geweest van een grote hoeveelheid hennepplanten. 3.2 Het hof heeft onder 1 primair ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een grote hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep”. 3.3 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd en in dat kader onder meer medegedeeld: “Het procesdossier bevat op pagina 24 foto’s van de woning; ik tel op die foto’s 93 potten: met aarde (zonder plant). In de ontnemingsprocedure is de hoeveelheid planten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen”. 3.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 augustus 2024 heeft de raadsman van de verdachte ook het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “1.19. Subsidiair verzoek ik u vrij te spreken van de grote hoeveelheid als verweten onder feit 1. 1.20. Er waren kennelijk twee kweekruimten. In de ene ruimte waren 13 armaturen en in de tweede waren 11 armaturen. Op basis daarvan is het aantal potten geschat op resp. 195 en 165 potten, oftewel 15 potten per armatuur. Het aantal potten is niet geteld. Ik heb de foto’s bekeken en geprobeerd het aantal potten te tellen waarin ik ook daadwerkelijk aarde zie. Er zijn op de foto's ook potten te zien waarvan de bovenzijde niet zichtbaar is. Ik meen dat bij die potten niet kan worden vastgesteld of ze gevuld en dus gebruikt waren. Verder zijn bij sommige foto’s delen van de vloer aan het zicht onttrokken door rommel. Mogelijk stonden onder die rommel potten, maar ik ben daar niet vanuit gegaan. De foto's zijn redelijk duidelijk. Ik kom tot het volgende: - pdf p. 24: ongeveer 38 potten met aarde; - Pdf p. 26: ongeveer 15 potten met aarde; - Pdf p. 27: ongeveer 40 potten met aarde. Alles bij elkaar zijn dat 93 potten en wat de verdediging betreft moet dus ook worden uitgegaan van 93 planten, nu niet blijkt van meerdere planten per pot. 1.21. Het Opiumwetbesluit gaat voor wat betreft de ‘grote hoeveelheid’ in de zin van art. 11 lid 5 OW uit van 200 hennepplanten. Daar zit deze kwekerij duidelijk onder, zodat cliënt van dat onderdeel dient te worden vrijgesproken”. 3.5 Het hof heeft inzake het bewijs van het onder 1 primair bewezenverklaarde het volgende overwogen (met alle voetnoten behalve 1): “ Redengevende feiten en omstandigheden Uit de inhoud van het dossier kan worden afgeleid dat op 4 maart 2019 een hennepkwekerij met twee kweekruimtes is aangetroffen in een woning aan de [a-straat 1] , die werd gehuurd door de verdachte. In de kwekerij werd een (grote) hoeveelheid potten met potgrond aangetroffen; de planten waren geoogst. In ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen. Geconstateerd is dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen; vanuit de hoofdverzekeringenkast is een kabel aangebracht buiten de meter om. De verbalisant trof omstandigheden aan die wijzen op één of meerdere opbrengsten uit de hennepkwekerij, zoals gedroogde resten van hennepplanten, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen. Er zijn wortelresten van hennepplanten aangetroffen (in de plantenpotten) en lege verpakkingen van hennepstekken. Liander NV heeft aangifte gedaan van diefstal van stroom. De fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Na het verwijderen van het deksel zag hij dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze aansluiting buiten de meter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:275 text/xml public 2026-05-20T10:22:41 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03345 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:275 text/html public 2026-05-20T10:22:04 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:275 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03345 Conclusie AG. Telen “grote hoeveelheid hennepplanten” (art. 3 onder B jo. art. 11 lid 5 Opiumwet). Middel komt op tegen bewezenverklaarde “grote hoeveelheid hennepplanten”. Falende klacht dat hof UOS op onbegrijpelijke wijze heeft verworpen; falende klacht dat het hof, door te verwijzen naar ontnemingsrapport in de voetnoot van de bewijsoverweging, niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid heeft verwezen naar de redengevende feiten en omstandigheden. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/03346. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03345 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 22 augustus 2024 (parketnr. 23-003364-23) veroordeeld wegens 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”. Het hof heeft daarvoor 1 maand gevangenisstraf opgelegd, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en 100 uren taakstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Voorts heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven ruimlijst. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaak 24/03346. In deze zaak concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij een “grote hoeveelheid hennepplanten” (360) heeft geteeld in een door hem gehuurde bovenwoning. Het middel richt zijn pijlen op de bewezenverklaarde grote hoeveelheid hennepplanten. Het middel bestaat uit twee deelklachten. Volgens de eerste daarvan heeft het hof een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op onbegrijpelijke wijze verworpen. De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid heeft verwezen naar de redengevende feiten en omstandigheden. 2.2 De conclusie strekt tot verwerping van het middel. 3 Het middel 3.1 Het middel houdt in dat het onder 1 primair bewezenverklaarde, in het bijzonder dat sprake was van “een grote hoeveelheid hennepplanten” onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het middel bestaat uit twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat “de lege potten door de politie niet zijn geteld, terwijl op de foto's in het dossier slechts 93 potten kunnen worden geteld, zodat geen sprake is van een grote hoeveelheid (van 360 hennepplanten)”, door het hof op onbegrijpelijke wijze is verworpen, omdat het in een strafzaak niet gaat om de vraag of het “aannemelijk” is dat sprake is geweest van een grote hoeveelheid hennepplanten – waar het hof volgens de steller van het middel vanuit gaat – en voorts niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat sprake is geweest van een grote hoeveelheid hennepplanten. 3.2 Het hof heeft onder 1 primair ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een grote hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep”. 3.3 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd en in dat kader onder meer medegedeeld: “Het procesdossier bevat op pagina 24 foto’s van de woning; ik tel op die foto’s 93 potten: met aarde (zonder plant). In de ontnemingsprocedure is de hoeveelheid planten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen”. 3.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 augustus 2024 heeft de raadsman van de verdachte ook het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “1.19. Subsidiair verzoek ik u vrij te spreken van de grote hoeveelheid als verweten onder feit 1. 1.20. Er waren kennelijk twee kweekruimten. In de ene ruimte waren 13 armaturen en in de tweede waren 11 armaturen. Op basis daarvan is het aantal potten geschat op resp. 195 en 165 potten, oftewel 15 potten per armatuur. Het aantal potten is niet geteld. Ik heb de foto’s bekeken en geprobeerd het aantal potten te tellen waarin ik ook daadwerkelijk aarde zie. Er zijn op de foto's ook potten te zien waarvan de bovenzijde niet zichtbaar is. Ik meen dat bij die potten niet kan worden vastgesteld of ze gevuld en dus gebruikt waren. Verder zijn bij sommige foto’s delen van de vloer aan het zicht onttrokken door rommel. Mogelijk stonden onder die rommel potten, maar ik ben daar niet vanuit gegaan. De foto's zijn redelijk duidelijk. Ik kom tot het volgende: - pdf p. 24: ongeveer 38 potten met aarde; - Pdf p. 26: ongeveer 15 potten met aarde; - Pdf p. 27: ongeveer 40 potten met aarde. Alles bij elkaar zijn dat 93 potten en wat de verdediging betreft moet dus ook worden uitgegaan van 93 planten, nu niet blijkt van meerdere planten per pot. 1.21. Het Opiumwetbesluit gaat voor wat betreft de ‘grote hoeveelheid’ in de zin van art. 11 lid 5 OW uit van 200 hennepplanten. Daar zit deze kwekerij duidelijk onder, zodat cliënt van dat onderdeel dient te worden vrijgesproken”. 3.5 Het hof heeft inzake het bewijs van het onder 1 primair bewezenverklaarde het volgende overwogen (met alle voetnoten behalve 1): “ Redengevende feiten en omstandigheden Uit de inhoud van het dossier kan worden afgeleid dat op 4 maart 2019 een hennepkwekerij met twee kweekruimtes is aangetroffen in een woning aan de [a-straat 1] , die werd gehuurd door de verdachte. In de kwekerij werd een (grote) hoeveelheid potten met potgrond aangetroffen; de planten waren geoogst. In ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen. Geconstateerd is dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen; vanuit de hoofdverzekeringenkast is een kabel aangebracht buiten de meter om. De verbalisant trof omstandigheden aan die wijzen op één of meerdere opbrengsten uit de hennepkwekerij, zoals gedroogde resten van hennepplanten, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen. Er zijn wortelresten van hennepplanten aangetroffen (in de plantenpotten) en lege verpakkingen van hennepstekken. Liander NV heeft aangifte gedaan van diefstal van stroom. De fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Na het verwijderen van het deksel zag hij dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze aansluiting buiten de meter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten.
Volledig
Op de ING bankrekening op naam van de verdachte zijn in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,- Verklaringen verdachte De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard, dat hij staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] en dat hij zijn woning sinds juni 2018 onderverhuurde aan een Aziatische man, die hij via zijn werkgever bij een project had ontmoet. In een huurovereenkomst die de verdachte bij zich had toen hij op 4 maart 2019 naar de politie ging, is de naam van [betrokkene 1] , een geboortedatum en telefoonnummer vermeld. De verdachte heeft verklaard dat hij de gegevens van de identiteitskaart van de onderhuurder heeft overgenomen, maar daar geen kopie van heeft gemaakt. Als huurprijs is vermeld € 627,- per maand. Verdachte heeft verklaard dat hij in die tijd bij zijn toenmalige vriendin woonde. De verdachte heeft 5 jaar gewerkt bij [A] en heeft verklaard uit die periode een bedrag van € 6.000,- te hebben gespaard. Hij bewaarde dat geldbedrag contant in huis. Als zijn bankrekening moest worden aangevuld, stortte hij daar contant geld op, afkomstig van spaargeld en van de huuropbrengsten. Sinds 1 juli 2018 is de verdachte gestopt met werken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich een jaar voor 1 juli 2018 ziek heeft gemeld bij [A] . Ter zitting verklaarde hij dat hij in de tenlastegelegde periode schulden had van tenminste € 45.000,- en BKR geregistreerd stond. Er was ook sprake van loonbeslag. Hij nam zijn salaris op van zijn bankrekening, bewaarde dat in huis en stortte bij op zijn rekening als dat nodig was. De verdachte heeft verder verklaard, dat hij tot september 2018 nog af en toe in de woning is geweest; toen zag het er nog normaal uit. De huur ontving hij aanvankelijk contant van de huurder, daarna legde de huurder het geld in de brievenbus in het portiek waar de verdachte het dan uithaalde. Het contact werd steeds minder en op enig moment ontdekte de verdachte dat het slot van de woning was veranderd. De laatste keer dat hij huur heeft ontvangen was eind januari 2019. Overwegingen De verdachte, die huurder was van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] en die als enige in de Basisregistratie Personen op dit adres stond ingeschreven, had over deze woning de beschikking. De verdachte heeft evenwel betrokkenheid bij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij ontkend en heeft daartoe een alternatief scenario gegeven, namelijk dat een Aziatische man, aan wie hij de woning heeft onderverhuurd, de kwekerij heeft opgezet. Het hof is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is. De summiere informatie die de verdachte over de onderhuurder heeft verstrekt, is door de politie onderzocht in de beschikbare politiesystemen. Deze persoon, alsmede het telefoonnummer dat op het huurcontract stond, kwamen hier niet in voor. Het telefoonnummer is door de politie gebeld, maar werd niet beantwoord en uit onderzoek bleek dat het nummer niet geregistreerd stond op naam en een prepaid nummer was. Een buurtbewoner heeft desgevraagd verklaard, dat hij geen Aziatische mensen in het trapportaal heeft gezien. Over de ontmoeting met de Aziatische man heeft de verdachte verklaard, dat hij met hem in contact is gekomen door zijn vorige werkgever. Hij werkte volgens de verdachte op hetzelfde terrein als waar hij werkte voor [A] . De politie heeft navraag gedaan bij [A] , maar dat heeft niets opgeleverd. Voor welk bedrijf de man werkte of waar hij woonde, wist de verdachte niet. Het hof acht deze verklaring van de verdachte over de manier waarop hij in contact zou zijn gekomen met de onderhuurder, ongeloofwaardig. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte namelijk verklaard, dat hij een jaar voordat hij ontslag nam bij [A] , in juli 2018, was ziekgemeld vanwege rugklachten. Daarom is niet aannemelijk, dat hij de man via zijn werk heeft ontmoet. Verder zou de verdachte niets hebben ondernomen toen hij ontdekte dat het slot van zijn woning was veranderd en de huur na eind januari niet meer werd betaald. Verder is in de periode van 25 juni 2018 tot en met 3 januari 2019 in totaal een bedrag van € 10.660,- contant gestort op de rekening van de verdachte. Deze stortingen zijn onregelmatig en meermaals betreft dit een bedrag van € 1.000,- ineens. Hierin ziet het hof een belangrijke aanwijzing dat de verdachte, die in die periode volgens zijn eigen verklaring schulden had en leefde van een uitkering, inkomen kreeg uit de hennepkwekerij. Een andere verklaring voor de contante stortingen is niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het hof is de verdachte, die als enige stond ingeschreven in de woning en daarover de beschikkingsmacht had, degene geweest die de hennepplanten heeft gekweekt. Dat hij de woning zou hebben onderverhuurd aan een Aziatische man, is niet aannemelijk. Het door hem overgelegde huurcontract is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, volstrekt onvoldoende. Het alternatieve scenario kan daarom niet worden gevolgd. […] Hoeveelheid hennepplanten In de kwekerij zijn geen hennepplanten aangetroffen en de aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De raadsman stelt dat op de foto’s in het dossier 93 potten met aarde kunnen worden geteld. De raadsman gaat er bij deze manier om het aantal potten te tellen aan voorbij, dat niet kan worden aangenomen dat op de foto’s alle in de woning aanwezige potten te zien zijn. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich daarom op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel in de gelijktijdig behandelde ontnemingszaak tegen de verdachte. Hierin is het aantal hennepplanten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken, omdat niet aannemelijk is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Daarom wordt uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2. In totaal komt dat op 360 hennepplanten en het hof zal, gelet op dit aantal, het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten bewezen verklaren”. 3.6 Het hof heeft de strafoplegging onder meer als volgt gemotiveerd: “De verdachte heeft in een woonwijk in een kleine bovenwoning een hennepkwekerij in werking gehad met een groot aantal planten. Hij heeft voor de kwekerij stroom gestolen door het aanleggen van een illegale elektriciteitsaansluiting. […] Het hof acht dit twee ernstige feiten en is daarom van oordeel dat een straf zoals opgelegd door de politierechter niet passend is. […] Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, passend en geboden”. Eerste deelklacht 3.7 Bij de bespreking van de eerst deelklacht is het volgende van belang. De feitenrechter beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behoudens een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. Dit heeft tot gevolg dat in cassatie niet wordt beoordeeld of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld c.q. de juiste uitleg heeft gegeven aan het bewijsmateriaal, en dat slechts kan worden getoetst of de rechter bij zijn onderzoek en beslissing de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. Bij de bespreking van de deelklacht is voorts van belang dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.
Volledig
Op de ING bankrekening op naam van de verdachte zijn in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,- Verklaringen verdachte De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard, dat hij staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] en dat hij zijn woning sinds juni 2018 onderverhuurde aan een Aziatische man, die hij via zijn werkgever bij een project had ontmoet. In een huurovereenkomst die de verdachte bij zich had toen hij op 4 maart 2019 naar de politie ging, is de naam van [betrokkene 1] , een geboortedatum en telefoonnummer vermeld. De verdachte heeft verklaard dat hij de gegevens van de identiteitskaart van de onderhuurder heeft overgenomen, maar daar geen kopie van heeft gemaakt. Als huurprijs is vermeld € 627,- per maand. Verdachte heeft verklaard dat hij in die tijd bij zijn toenmalige vriendin woonde. De verdachte heeft 5 jaar gewerkt bij [A] en heeft verklaard uit die periode een bedrag van € 6.000,- te hebben gespaard. Hij bewaarde dat geldbedrag contant in huis. Als zijn bankrekening moest worden aangevuld, stortte hij daar contant geld op, afkomstig van spaargeld en van de huuropbrengsten. Sinds 1 juli 2018 is de verdachte gestopt met werken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich een jaar voor 1 juli 2018 ziek heeft gemeld bij [A] . Ter zitting verklaarde hij dat hij in de tenlastegelegde periode schulden had van tenminste € 45.000,- en BKR geregistreerd stond. Er was ook sprake van loonbeslag. Hij nam zijn salaris op van zijn bankrekening, bewaarde dat in huis en stortte bij op zijn rekening als dat nodig was. De verdachte heeft verder verklaard, dat hij tot september 2018 nog af en toe in de woning is geweest; toen zag het er nog normaal uit. De huur ontving hij aanvankelijk contant van de huurder, daarna legde de huurder het geld in de brievenbus in het portiek waar de verdachte het dan uithaalde. Het contact werd steeds minder en op enig moment ontdekte de verdachte dat het slot van de woning was veranderd. De laatste keer dat hij huur heeft ontvangen was eind januari 2019. Overwegingen De verdachte, die huurder was van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] en die als enige in de Basisregistratie Personen op dit adres stond ingeschreven, had over deze woning de beschikking. De verdachte heeft evenwel betrokkenheid bij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij ontkend en heeft daartoe een alternatief scenario gegeven, namelijk dat een Aziatische man, aan wie hij de woning heeft onderverhuurd, de kwekerij heeft opgezet. Het hof is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is. De summiere informatie die de verdachte over de onderhuurder heeft verstrekt, is door de politie onderzocht in de beschikbare politiesystemen. Deze persoon, alsmede het telefoonnummer dat op het huurcontract stond, kwamen hier niet in voor. Het telefoonnummer is door de politie gebeld, maar werd niet beantwoord en uit onderzoek bleek dat het nummer niet geregistreerd stond op naam en een prepaid nummer was. Een buurtbewoner heeft desgevraagd verklaard, dat hij geen Aziatische mensen in het trapportaal heeft gezien. Over de ontmoeting met de Aziatische man heeft de verdachte verklaard, dat hij met hem in contact is gekomen door zijn vorige werkgever. Hij werkte volgens de verdachte op hetzelfde terrein als waar hij werkte voor [A] . De politie heeft navraag gedaan bij [A] , maar dat heeft niets opgeleverd. Voor welk bedrijf de man werkte of waar hij woonde, wist de verdachte niet. Het hof acht deze verklaring van de verdachte over de manier waarop hij in contact zou zijn gekomen met de onderhuurder, ongeloofwaardig. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte namelijk verklaard, dat hij een jaar voordat hij ontslag nam bij [A] , in juli 2018, was ziekgemeld vanwege rugklachten. Daarom is niet aannemelijk, dat hij de man via zijn werk heeft ontmoet. Verder zou de verdachte niets hebben ondernomen toen hij ontdekte dat het slot van zijn woning was veranderd en de huur na eind januari niet meer werd betaald. Verder is in de periode van 25 juni 2018 tot en met 3 januari 2019 in totaal een bedrag van € 10.660,- contant gestort op de rekening van de verdachte. Deze stortingen zijn onregelmatig en meermaals betreft dit een bedrag van € 1.000,- ineens. Hierin ziet het hof een belangrijke aanwijzing dat de verdachte, die in die periode volgens zijn eigen verklaring schulden had en leefde van een uitkering, inkomen kreeg uit de hennepkwekerij. Een andere verklaring voor de contante stortingen is niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het hof is de verdachte, die als enige stond ingeschreven in de woning en daarover de beschikkingsmacht had, degene geweest die de hennepplanten heeft gekweekt. Dat hij de woning zou hebben onderverhuurd aan een Aziatische man, is niet aannemelijk. Het door hem overgelegde huurcontract is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, volstrekt onvoldoende. Het alternatieve scenario kan daarom niet worden gevolgd. […] Hoeveelheid hennepplanten In de kwekerij zijn geen hennepplanten aangetroffen en de aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De raadsman stelt dat op de foto’s in het dossier 93 potten met aarde kunnen worden geteld. De raadsman gaat er bij deze manier om het aantal potten te tellen aan voorbij, dat niet kan worden aangenomen dat op de foto’s alle in de woning aanwezige potten te zien zijn. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich daarom op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel in de gelijktijdig behandelde ontnemingszaak tegen de verdachte. Hierin is het aantal hennepplanten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken, omdat niet aannemelijk is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Daarom wordt uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2. In totaal komt dat op 360 hennepplanten en het hof zal, gelet op dit aantal, het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten bewezen verklaren”. 3.6 Het hof heeft de strafoplegging onder meer als volgt gemotiveerd: “De verdachte heeft in een woonwijk in een kleine bovenwoning een hennepkwekerij in werking gehad met een groot aantal planten. Hij heeft voor de kwekerij stroom gestolen door het aanleggen van een illegale elektriciteitsaansluiting. […] Het hof acht dit twee ernstige feiten en is daarom van oordeel dat een straf zoals opgelegd door de politierechter niet passend is. […] Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, passend en geboden”. Eerste deelklacht 3.7 Bij de bespreking van de eerst deelklacht is het volgende van belang. De feitenrechter beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behoudens een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. Dit heeft tot gevolg dat in cassatie niet wordt beoordeeld of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld c.q. de juiste uitleg heeft gegeven aan het bewijsmateriaal, en dat slechts kan worden getoetst of de rechter bij zijn onderzoek en beslissing de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. Bij de bespreking van de deelklacht is voorts van belang dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.
Volledig
3.8 Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt houdt in dat het aantal planten niet moet worden geschat aan de hand van het aantal aangetroffen assimilatielampen per kweekruimte, maar op basis van het aantal potten dat op de foto’s kan worden geteld. Gelet daarop en nu niet blijkt van meerdere planten per pot, moet volgens de raadsman worden uitgegaan van 93 hennepplanten, wat minder is dan de voor “grote hoeveelheid” vereiste drempelwaarde van 200 hennepplanten als bedoeld in art. 11 lid 5 Opiumwet jo. art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit. De verdachte moet volgens het verweer om die reden van dit bestanddeel worden vrijgesproken. 3.9 Het hof heeft onder het tussenkopje “Hoeveelheid hennepplanten” geoordeeld dat de verdachte een grote hoeveelheid hennepplanten heeft geteeld (in totaal 360 planten), nu moet worden uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en van 165 planten in ruimte 2. Daarmee is het hof van het standpunt van de raadsman afgeweken. Blijkens de bewijsoverweging heeft het hof bij dat oordeel het volgende betrokken: (i) dat de raadsman door het aantal potten te tellen eraan voorbijgaat dat niet kan worden aangenomen dat op de foto’s alle in de woning aanwezige potten te zien zijn; (ii) dat het hof voor het aantal potten van de kwekerij zich “daarom” baseert op het ontnemingsrapport; (iii) dat in dit ontnemingsrapport het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte; en (iv) dat het hof geen reden ziet van het ontnemingsrapport af te wijken, omdat niet “aannemelijk” is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. 3.10 Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen onder 3.67 is vooropgesteld is de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door het hof niet onbegrijpelijk en is de door het hof onder 1 primair bewezenverklaarde “grote hoeveelheid hennepplanten” niet ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers gemotiveerd waarom het uitgaat van de berekening van het aantal hennepplanten in het ontnemingsrapport in plaats van de door de raadsman aangevoerde berekening, die kort gezegd is gebaseerd op het tellen van potten die op foto zijn vastgelegd. Het hof heeft voorts gemotiveerd waarom het geen reden ziet om af te wijken van de berekening in het ontnemingsrapport waarbij het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte, namelijk door te overwegen dat niet “aannemelijk” is geworden dat “meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen”. 3.11 Anders dan door de steller van het middel wordt aangevoerd, gaat het hof er daarmee niet vanuit dat het (slechts) “aannemelijk” is dat sprake is geweest van een grote hoeveelheid hennepplanten en dat het hof deze hoeveelheid niet wettig en overtuigend bewezen acht. Op grond van de vaststelling in het ontnemingsrapport – welk rapport het hof in de onderhavige strafzaak tot het bewijs heeft gebezigd – waarbij het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte, heeft het hof overwogen dat geen reden ziet van het ontnemingsrapport af te wijken, omdat niet “aannemelijk” is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Met andere woorden: het hof oordeelt slechts dat een implicatie van het verweer van de verdediging niet aannemelijk is geworden. Ten overvloede merk ik op dat die gevolgtrekking niet onbegrijpelijk is. 3.12 De eerste deelklacht faalt. Tweede deelklacht 3.13 Deze klacht houdt in dat het hof door in de voetnoot “te verwijzen naar pagina 1 tot en met 11 van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid [heeft] verwezen naar de redengevende feiten en omstandigheden”. 3.14 Bij de bespreking van het middel dient in ogenschouw te worden gehouden dat het volgende voortvloeit uit art. 359 lid 3 Sv: “Wanneer de rechter zich – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – in een nadere overweging beroept op bepaalde feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, moeten deze feiten of omstandigheden zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Indien zij niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend”. 3.15 Het bestreden arrest bevat geen bijlage of aanvulling met bewijsmiddelen. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging, onder het tussenkopje “Hoeveelheid hennepplanten” in de voetnoot verwezen naar kortgezegd pagina’s 1 t/m 11 van het ontnemingsrapport (zie onder 3.5). Het hof heeft in de bewijsoverweging een zakelijke weergave gegeven van hetgeen voor de vaststelling van het aantal hennepplanten nodig is: “Hierin [dat wil zeggen, het ontnemingsrapport, PHvK ] is het aantal hennepplanten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. […] Daarom wordt uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2. In totaal komt dat op 360 hennepplanten”. Uit de voetnoot in samenhang bezien met de weergegeven overweging van het hof, volgt dat het hof in het bijzonder het oog had op paragraaf 4.4 (“Aantal planten”) op pagina 5 van het ontnemingsrapport. Deze paragraaf houdt onder meer in: “In de woning werden 2 kweekruimtes aangetroffen. De politieambtenaren troffen geen planten aan, doch alleen potten met aarde. De potten zijn echter niet geteld. Het aantal planten is vastgesteld aan de hand van de aangetroffen assimilatielampen waarbij is uitgegaan van 15 planten per armatuur per m2. (zie blz. 10 van de update Rapport Functioneel Afpakken). In ruimte 1 hingen 13 armaturen. Het aantal hennepplanten in ruimte 1 is derhalve vastgesteld op 13 x 15 planten = 195 hennepplanten. In ruimte 2 hingen 11 armaturen. Het aantal hennepplanten in ruimte 2 is derhalve vastgesteld op 11 x 15 planten = 165 hennepplanten”. 3.16 Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen onder 3.14 is vooropgesteld heeft het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging de redengevende feiten of omstandigheden aangeduid en het wettige bewijsmiddel aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. 3.17 Ook de tweede deelklacht faalt. Daarmee faalt het middel. 4 Afronding 4.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] , dossierpagina 1 tot en met 11. Dit betreft bestendige rechtspraak van de Hoge Raad. Zie recent bijv. HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:539, r.o. 2.3.2. Zie hierover A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken , Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 328. HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1250, NJ 2023/100 m.nt. Vellinga, r.o. 3.2. Vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, r.o. 3.3. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442, NJ 2012/204, r.o. 2.5. Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2007/80 m.nt. Borgers, r.o. 3.3.
Volledig
3.8 Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt houdt in dat het aantal planten niet moet worden geschat aan de hand van het aantal aangetroffen assimilatielampen per kweekruimte, maar op basis van het aantal potten dat op de foto’s kan worden geteld. Gelet daarop en nu niet blijkt van meerdere planten per pot, moet volgens de raadsman worden uitgegaan van 93 hennepplanten, wat minder is dan de voor “grote hoeveelheid” vereiste drempelwaarde van 200 hennepplanten als bedoeld in art. 11 lid 5 Opiumwet jo. art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit. De verdachte moet volgens het verweer om die reden van dit bestanddeel worden vrijgesproken. 3.9 Het hof heeft onder het tussenkopje “Hoeveelheid hennepplanten” geoordeeld dat de verdachte een grote hoeveelheid hennepplanten heeft geteeld (in totaal 360 planten), nu moet worden uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en van 165 planten in ruimte 2. Daarmee is het hof van het standpunt van de raadsman afgeweken. Blijkens de bewijsoverweging heeft het hof bij dat oordeel het volgende betrokken: (i) dat de raadsman door het aantal potten te tellen eraan voorbijgaat dat niet kan worden aangenomen dat op de foto’s alle in de woning aanwezige potten te zien zijn; (ii) dat het hof voor het aantal potten van de kwekerij zich “daarom” baseert op het ontnemingsrapport; (iii) dat in dit ontnemingsrapport het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte; en (iv) dat het hof geen reden ziet van het ontnemingsrapport af te wijken, omdat niet “aannemelijk” is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. 3.10 Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen onder 3.67 is vooropgesteld is de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door het hof niet onbegrijpelijk en is de door het hof onder 1 primair bewezenverklaarde “grote hoeveelheid hennepplanten” niet ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers gemotiveerd waarom het uitgaat van de berekening van het aantal hennepplanten in het ontnemingsrapport in plaats van de door de raadsman aangevoerde berekening, die kort gezegd is gebaseerd op het tellen van potten die op foto zijn vastgelegd. Het hof heeft voorts gemotiveerd waarom het geen reden ziet om af te wijken van de berekening in het ontnemingsrapport waarbij het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte, namelijk door te overwegen dat niet “aannemelijk” is geworden dat “meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen”. 3.11 Anders dan door de steller van het middel wordt aangevoerd, gaat het hof er daarmee niet vanuit dat het (slechts) “aannemelijk” is dat sprake is geweest van een grote hoeveelheid hennepplanten en dat het hof deze hoeveelheid niet wettig en overtuigend bewezen acht. Op grond van de vaststelling in het ontnemingsrapport – welk rapport het hof in de onderhavige strafzaak tot het bewijs heeft gebezigd – waarbij het aantal hennepplanten is berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte, heeft het hof overwogen dat geen reden ziet van het ontnemingsrapport af te wijken, omdat niet “aannemelijk” is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Met andere woorden: het hof oordeelt slechts dat een implicatie van het verweer van de verdediging niet aannemelijk is geworden. Ten overvloede merk ik op dat die gevolgtrekking niet onbegrijpelijk is. 3.12 De eerste deelklacht faalt. Tweede deelklacht 3.13 Deze klacht houdt in dat het hof door in de voetnoot “te verwijzen naar pagina 1 tot en met 11 van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid [heeft] verwezen naar de redengevende feiten en omstandigheden”. 3.14 Bij de bespreking van het middel dient in ogenschouw te worden gehouden dat het volgende voortvloeit uit art. 359 lid 3 Sv: “Wanneer de rechter zich – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – in een nadere overweging beroept op bepaalde feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, moeten deze feiten of omstandigheden zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Indien zij niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend”. 3.15 Het bestreden arrest bevat geen bijlage of aanvulling met bewijsmiddelen. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging, onder het tussenkopje “Hoeveelheid hennepplanten” in de voetnoot verwezen naar kortgezegd pagina’s 1 t/m 11 van het ontnemingsrapport (zie onder 3.5). Het hof heeft in de bewijsoverweging een zakelijke weergave gegeven van hetgeen voor de vaststelling van het aantal hennepplanten nodig is: “Hierin [dat wil zeggen, het ontnemingsrapport, PHvK ] is het aantal hennepplanten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. […] Daarom wordt uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2. In totaal komt dat op 360 hennepplanten”. Uit de voetnoot in samenhang bezien met de weergegeven overweging van het hof, volgt dat het hof in het bijzonder het oog had op paragraaf 4.4 (“Aantal planten”) op pagina 5 van het ontnemingsrapport. Deze paragraaf houdt onder meer in: “In de woning werden 2 kweekruimtes aangetroffen. De politieambtenaren troffen geen planten aan, doch alleen potten met aarde. De potten zijn echter niet geteld. Het aantal planten is vastgesteld aan de hand van de aangetroffen assimilatielampen waarbij is uitgegaan van 15 planten per armatuur per m2. (zie blz. 10 van de update Rapport Functioneel Afpakken). In ruimte 1 hingen 13 armaturen. Het aantal hennepplanten in ruimte 1 is derhalve vastgesteld op 13 x 15 planten = 195 hennepplanten. In ruimte 2 hingen 11 armaturen. Het aantal hennepplanten in ruimte 2 is derhalve vastgesteld op 11 x 15 planten = 165 hennepplanten”. 3.16 Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen onder 3.14 is vooropgesteld heeft het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging de redengevende feiten of omstandigheden aangeduid en het wettige bewijsmiddel aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. 3.17 Ook de tweede deelklacht faalt. Daarmee faalt het middel. 4 Afronding 4.1 Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] , dossierpagina 1 tot en met 11. Dit betreft bestendige rechtspraak van de Hoge Raad. Zie recent bijv. HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:539, r.o. 2.3.2. Zie hierover A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken , Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 328. HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1250, NJ 2023/100 m.nt. Vellinga, r.o. 3.2. Vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, r.o. 3.3. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442, NJ 2012/204, r.o. 2.5. Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2007/80 m.nt. Borgers, r.o. 3.3.