Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-05-12
ECLI:NL:PHR:2026:271
Strafrecht
38,580 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:271 text/xml public 2026-05-15T11:05:54 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/00687 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:271 text/html public 2026-05-15T11:05:36 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:271 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/00687 Conclusie AG. Witwassen. M1 & M2: klacht dat in zaak A resp. in zaak B niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. M3: klacht over gebruik door het hof van deskundigenrapport. M4: motivering oplegging gevangenisstraf. Middelen falen. Ambtshalve: schending redelijke termijn, constatering kan volstaan. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00687 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 27 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003363-22) wegens in zaak A “witwassen” en in zaak B “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Daarnaast heeft het hof de in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen verbeurd verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat te [plaats] , heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De verdachte is bij twee verschillende gelegenheden met zijn auto stilgehouden en daarbij zijn grote geldbedragen aangetroffen, namelijk € 113.530,- in zaak A en € 19.935,- in zaak B. In hoger beroep is de verdachte voor beide zaken wegens witwassen veroordeeld. In cassatie wordt in het eerste en tweede middel geklaagd dat in zaak A respectievelijk in zaak B niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daarnaast bestrijdt het derde middel het gebruik door het hof van een deskundigenrapport. Het vierde middel richt zich tegen de strafmotivering. 2.2 Het eerste en het tweede middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 2.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel en het tweede middel 3.1 Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring in zaak A van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het middel voert daartoe aan dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld, namelijk dat hij het aangetroffen geldbedrag deels heeft gepind van de rekening van zijn eigen onderneming, terwijl het hof in de beoordeling niet is ingegaan op deze door de verdachte gestelde herkomst van het geld. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring in zaak B en voert aan dat de bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De verdachte zou hebben verklaard dat een deel van het geld “van zijn bedrijf is”. Het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte concreet verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, terwijl de beoordeling door het hof geen weerlegging van de aldus gestelde herkomst oplevert. 3.2 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “ zaak A hij op 6 januari 2020 te [plaats] een contant geldbedrag van in totaal € 113.530,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; zaak B hij op 9 juli 2020 te [plaats] een contant geldbedrag van in totaal € 19.935,- (bestaande uit € 10.970 en € 7.000,- en € 580,- en € 1.385,-) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.” 3.3 De bewezenverklaring steunt op de volgende in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): “ Ten aanzien van zaak A 1. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Op 6 januari 2020 hebben wij een voertuig met [kenteken 1] doen stilhouden op de carpoolplaats aan de [a-straat] (het hof begrijpt: te [plaats] , gemeente [plaats] ). De bestuurder bleek te zijn [verdachte] . De bijrijder bleek te zijn [medeverdachte] . 2. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Op 6 januari 2020 gingen wij ter ondersteuning naar collegae op de carpoolplaats aan de [a-straat] te [plaats] . Ter plaatse zagen wij een voertuig met [kenteken 1] . Ik [verbalisant 3] zag dat de broekzakken van [verdachte] bol stonden. Ik zag dat de broekzakken zo bol stonden dat de bovenzijde open stond. Ik hoorde collega [verbalisant 1] tegen mij zeggen dat er een grote hoeveelheid geld in zijn broekzakken zat. 3. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Onder de [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985, werd 18.530 euro inbeslaggenomen. Dit geld is aangetroffen in de broekzakken van verdachte. Dit geld bestond uit de volgende bankbiljetten: 2 biljetten van 500 euro 41 biljetten van 200 euro 40 biljetten van 100 euro 82 biljetten van 50 euro 47 biljetten van 20 euro 28 biljetten van 10 euro 2 biljetten van 5 euro Onder de [verdachte] werd 95.000 euro inbeslaggenomen. Dit geld is aangetroffen in de schoudertas van de verdachte. Dit geld bestond uit de volgende bankbiljetten: 475 biljetten van 200 euro. 4. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 6 januari 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 juli 2020 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte: Het is mijn eigen geld. Bij de aanhouding had ik tussen de 112.000 en 113.000 euro bij me. Ten aanzien van zaak B 5. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Op 9 juli 2020 bevond ik mij te [plaats] . Ik gaf het voertuig met [kenteken 2] een volgteken. De bestuurder bleek te zijn [verdachte] . [verdachte] liet zijn schoudertas zien die in de kofferbak lag. Hierin zag ik een stapel met 50 euro biljetten. De […] heeft in de auto gekeken. Hierbij troffen ze een sok met geld aan. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat dit ongeveer 7.000 euro was. 6. Een kennisgeving van inbeslagneming […]. Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Gevonden in het voertuig van de verdachte [verdachte] . 130 biljetten van 50 euro / 1 biljet van 500 euro. 7. Een kennisgeving van inbeslagneming […]. Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Auto doorzocht van [verdachte] . In het voertuig geld aangetroffen. 2 x 10 eurobiljet, 23 x 20 eurobiljet, 2 x 50 eurobiljet. Totale hoeveelheid: 580 euro. 8. Een kennisgeving van inbeslagneming […].
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:271 text/xml public 2026-05-15T11:05:54 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/00687 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:271 text/html public 2026-05-15T11:05:36 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:271 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/00687 Conclusie AG. Witwassen. M1 & M2: klacht dat in zaak A resp. in zaak B niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. M3: klacht over gebruik door het hof van deskundigenrapport. M4: motivering oplegging gevangenisstraf. Middelen falen. Ambtshalve: schending redelijke termijn, constatering kan volstaan. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00687 Zitting 12 mei 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 27 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003363-22) wegens in zaak A “witwassen” en in zaak B “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Daarnaast heeft het hof de in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen verbeurd verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat te [plaats] , heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 De verdachte is bij twee verschillende gelegenheden met zijn auto stilgehouden en daarbij zijn grote geldbedragen aangetroffen, namelijk € 113.530,- in zaak A en € 19.935,- in zaak B. In hoger beroep is de verdachte voor beide zaken wegens witwassen veroordeeld. In cassatie wordt in het eerste en tweede middel geklaagd dat in zaak A respectievelijk in zaak B niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daarnaast bestrijdt het derde middel het gebruik door het hof van een deskundigenrapport. Het vierde middel richt zich tegen de strafmotivering. 2.2 Het eerste en het tweede middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 2.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel en het tweede middel 3.1 Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring in zaak A van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het middel voert daartoe aan dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld, namelijk dat hij het aangetroffen geldbedrag deels heeft gepind van de rekening van zijn eigen onderneming, terwijl het hof in de beoordeling niet is ingegaan op deze door de verdachte gestelde herkomst van het geld. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring in zaak B en voert aan dat de bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De verdachte zou hebben verklaard dat een deel van het geld “van zijn bedrijf is”. Het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte concreet verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, terwijl de beoordeling door het hof geen weerlegging van de aldus gestelde herkomst oplevert. 3.2 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “ zaak A hij op 6 januari 2020 te [plaats] een contant geldbedrag van in totaal € 113.530,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; zaak B hij op 9 juli 2020 te [plaats] een contant geldbedrag van in totaal € 19.935,- (bestaande uit € 10.970 en € 7.000,- en € 580,- en € 1.385,-) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.” 3.3 De bewezenverklaring steunt op de volgende in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): “ Ten aanzien van zaak A 1. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Op 6 januari 2020 hebben wij een voertuig met [kenteken 1] doen stilhouden op de carpoolplaats aan de [a-straat] (het hof begrijpt: te [plaats] , gemeente [plaats] ). De bestuurder bleek te zijn [verdachte] . De bijrijder bleek te zijn [medeverdachte] . 2. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Op 6 januari 2020 gingen wij ter ondersteuning naar collegae op de carpoolplaats aan de [a-straat] te [plaats] . Ter plaatse zagen wij een voertuig met [kenteken 1] . Ik [verbalisant 3] zag dat de broekzakken van [verdachte] bol stonden. Ik zag dat de broekzakken zo bol stonden dat de bovenzijde open stond. Ik hoorde collega [verbalisant 1] tegen mij zeggen dat er een grote hoeveelheid geld in zijn broekzakken zat. 3. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Onder de [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985, werd 18.530 euro inbeslaggenomen. Dit geld is aangetroffen in de broekzakken van verdachte. Dit geld bestond uit de volgende bankbiljetten: 2 biljetten van 500 euro 41 biljetten van 200 euro 40 biljetten van 100 euro 82 biljetten van 50 euro 47 biljetten van 20 euro 28 biljetten van 10 euro 2 biljetten van 5 euro Onder de [verdachte] werd 95.000 euro inbeslaggenomen. Dit geld is aangetroffen in de schoudertas van de verdachte. Dit geld bestond uit de volgende bankbiljetten: 475 biljetten van 200 euro. 4. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 6 januari 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 juli 2020 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte: Het is mijn eigen geld. Bij de aanhouding had ik tussen de 112.000 en 113.000 euro bij me. Ten aanzien van zaak B 5. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten: Op 9 juli 2020 bevond ik mij te [plaats] . Ik gaf het voertuig met [kenteken 2] een volgteken. De bestuurder bleek te zijn [verdachte] . [verdachte] liet zijn schoudertas zien die in de kofferbak lag. Hierin zag ik een stapel met 50 euro biljetten. De […] heeft in de auto gekeken. Hierbij troffen ze een sok met geld aan. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat dit ongeveer 7.000 euro was. 6. Een kennisgeving van inbeslagneming […]. Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Gevonden in het voertuig van de verdachte [verdachte] . 130 biljetten van 50 euro / 1 biljet van 500 euro. 7. Een kennisgeving van inbeslagneming […]. Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Auto doorzocht van [verdachte] . In het voertuig geld aangetroffen. 2 x 10 eurobiljet, 23 x 20 eurobiljet, 2 x 50 eurobiljet. Totale hoeveelheid: 580 euro. 8. Een kennisgeving van inbeslagneming […].
Volledig
Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Aangetroffen in tas verdachte [verdachte] . 10.970 euro. 9. Een kennisgeving van inbeslagneming […]. Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Aangetroffen in broekzak verdachte [verdachte] . 1.385 euro. 10. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 10 juli 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 juli 2020 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte: A: Er lag geld in de auto. Er lag een pakket geld in een sok. Het is mijn eigen geld. V: Hoeveel geld zat er in de sok? A: Ik meen 7.000 euro. V: Wat zat er in de tas? A: Bijna 11.000 euro. V: De collega's troffen ook nog een geldbedrag van 580 euro aan in uw auto. A: Dat zat in de armleuning.” 3.4 De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2024 het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in: “1) Verzoek cliënt integraal vrij te spreken, omdat ik van mening dat er sprake is van te weinig wettig en overtuigend bewijs. 2) De feiten. 3) Eén ding lijkt zeker waarover geen verschillende gedachten zijn: bij cliënt is twee keer een fors groot contant geldbedrag aangetroffen. 4) Bij die stand van zaken en het feit dat er geen gronddelict is (waarover later meer) geldt als vanzelfsprekend nog steeds het bekende 6 stappenplan-arrest met oorspronkelijke vindplaats ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481 Gerechtshof Amsterdam, datum 11-01-2013. Ik loop de stappen door. a) Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dot zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Hier gaat de verdediging niet moeilijk over doen. Als zojuist gezegd: er is sprake van een tweetal grote contante geldbedragen. Met name in een land als Nederland kan je dan wel al heel snel in redelijkheid stellen dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. We hebben het over een bedrag van ruim een ton en een bedrag van bijna twintigduizend euro. Nogmaals, hier ga ik niet moeilijk over doen, maar dat zou bijvoorbeeld in Duitsland (maar ook bijvoorbeeld in grote delen van Zuid-Europa) helemaal niet bijzonder gek zijn. Mercedessen − overdreven gesteld maar niet minder waar - worden gewoon nog regelmatig daar cash afgerekend. Als gezegd dit is Nederland en probeer maar eens cash te betalen in een Amsterdamse koffietent; dat is tegenwoordig schier onmogelijk. Dat vermoeden is er dus wel. Of daar “zonder meer sprake van is” laat ik uiteindelijk aan uw beoordeling. b) Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Hier begint eigenlijk de echte verdediging van cliënt. Al vanaf de aanhouding na het casino-bezoek in Duitsland werkt cliënt mee. Hij verklaart ter plaatse hoeveel geld hij bij zich heeft en hij wijst het tasje aan waar de grootste hoeveelheid in ligt. Ook geeft hij de code van zijn telefoon; toch wel een unicum in dit soort zaken (code klopt wel, zie relaas!). Vanaf dat moment blijft hij verklaren bij elke gelegenheid. Elk verhoor in beide zaken, elke raadkamer in het kader van het klaagschrift. Dat mag je dus gerust benoemen als van meet af aan verklaren en naar mijn mening ook steeds consistent. Zijn lezing is steeds uiterst simpel. Ik heb een goed lopend bedrijf en ik gok ontzettend veel, met name in de casino's Jack’s, Fairplay en het Duitse casino. Ter onderbouwing hiervan zijn al vanaf klaagschrift 1 foto's en filmpjes toegestuurd van casinospelen, bonnetjes etc. Bij het eerst klaagschrift was dit zoveel dat het fysiek naar de griffie moest worden gebracht. Ik vind deze verklaring concreet, min of meer verifieerbaar (waarover later meer) en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. De rechtbank denkt daar in zaak B anders over. Zij vindt die te algemeen en niet specifiek toegespitst. Ik zeg het maar direct: wat vond ik dit een ontzettend flauwe en zwakke overweging. -) ook in zaak B verklaart cliënt direct over de herkomst en hoe het komt dat het contant is. Wat is nou het wezenlijke verschil met de andere zaak? En bovendien was het een standaard eerste politie-verhoor, zie de vragen s.vp. -) En veel belangrijker: daarna is cliënt nog uitgebreid gehoord n.a.v. beide zaken, namelijk over ondere andere zijn gokgedrag. Het verbaast mij dan ook niets dat de officier in eerste aanleg dit punt helemaal niet benoemde en iedereen weet beroepshalve dat deze officier nimmer iets laat liggen. Kortom: volstrekt oneens met deze overweging. c) Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Nader onderzoek wordt inderdaad door het OM verricht. Wat blijkt? 1) Aanvankelijk wordt het OM voorzien van onjuiste informatie vanuit Duitsland, althans de politie leest het verkeerd. Aanvankelijk denkt de politie namelijk dat men in de casino's in Duitsland alleen maar wisselt. Niet waar achteraf, dat bleek een onjuiste lezing. Wat blijkt wel vanuit Duitsland? Winsten of verliezen worden niet geregistreerd en inzetten/uitbetalingen vinden contant plaats. Ook blijkt uit het onderzoek dat cliënt daar vaak komt. Overigens geldt dit ook voor de casino's Jacks en Fairplay, zie het p-v van bevindingen van 15 september 2020 (Jacks) en 20 oktober 2020 (Fairplay) van [verbalisant 8] : winnaars blijven altijd anoniem, er worden geen persoonsgegevens vastgelegd, winsten worden cash uitbetaald en in het bijzonder voor Fairplay: ook geen sprake van bezoekersregistratie en van iedere speelwinst boven de EUR 200,00 komt er een bon waarop staat van welke kast het komt (dus zonder naam weer!). Kennelijk mag dit allemaal, maar hoe kan cliënt nou bewijzen dat hij daar zoveel en zo lang heeft gewonnen? Politie stelt verder over Duitsland: mogelijk sprake van een afwijkend startbedrag dan verklaard? Mogelijk maar ik zie geen harde onderbouwing. 2) Politie doet onderzoek naar de telefoon. Ze vinden de foto’s van casinospelen en bonnetjes, ook van cliënt met zijn hoofd op de foto. 3) Daadwerkelijke geldopnamen. Politie stelt vast dat er opnames in de casino's zelf zijn verricht, zeer forse bedragen ook. Waarom zou je in het casino opnemen als je niet gokt? 4) De herkomst van het geld en de feitelijke stroom. Het blijkt inderdaad dat cliënt een succesvolle onderneming heeft en dat hij ook daadwerkelijk pint. En hoe! Wat een pin bedragen noemt het dossier! Er is dus zowel een onderbouwing voor de herkomst als de feitelijke stroom en er wordt zelfs in de casino's gepind. Wat wil je nog meer? - als je twijfelt aan zijn gokgedrag. Client noemt in zijn verhoren steeds de casino's waar hij komt. Waarom niet een foto tonen aan de medewerkers? 5) Vanaf dit moment komt het grote geschut van het OM. Mijn gedachte: ook het OM voelt wel aan dat deze verdachte een verklaring heeft voor het geld. 6) Getuige-deskundige [deskundige 1] . Eerste opmerking: [deskundige 1] is van Novomatic (de roulette-machine) zelf. Ja, dan is de kans niet groot dat hij zegt dat er mogelijk een lek kan zijn. ‘Het kan niet’ is zijn stelling. Het kan niet dat gokkers een systeem hebben om winst te vergroten en hij voorziet ons van een ingewikkelde technische uitleg. Maar de deskundige stelt ook dat de door cliënt benoemde afleggers geen rol kunnen hebben? Waarom bestaan ze dan, vraag ik mij af? Als ze nutteloos waren, had niemand ze ooit ingeschakeld. Plus en dan kom ik terug op het feit dat de [deskundige 1] van Novomatic is: eigenaren van banken, eigenaren van encrypted telefoons, ze zeggen allemaal dat het niet te kraken is, maar zie wat er gebeurt.
Volledig
Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Aangetroffen in tas verdachte [verdachte] . 10.970 euro. 9. Een kennisgeving van inbeslagneming […]. Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Aangetroffen in broekzak verdachte [verdachte] . 1.385 euro. 10. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 10 juli 2020 […], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] […]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 juli 2020 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte: A: Er lag geld in de auto. Er lag een pakket geld in een sok. Het is mijn eigen geld. V: Hoeveel geld zat er in de sok? A: Ik meen 7.000 euro. V: Wat zat er in de tas? A: Bijna 11.000 euro. V: De collega's troffen ook nog een geldbedrag van 580 euro aan in uw auto. A: Dat zat in de armleuning.” 3.4 De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2024 het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in: “1) Verzoek cliënt integraal vrij te spreken, omdat ik van mening dat er sprake is van te weinig wettig en overtuigend bewijs. 2) De feiten. 3) Eén ding lijkt zeker waarover geen verschillende gedachten zijn: bij cliënt is twee keer een fors groot contant geldbedrag aangetroffen. 4) Bij die stand van zaken en het feit dat er geen gronddelict is (waarover later meer) geldt als vanzelfsprekend nog steeds het bekende 6 stappenplan-arrest met oorspronkelijke vindplaats ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481 Gerechtshof Amsterdam, datum 11-01-2013. Ik loop de stappen door. a) Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dot zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Hier gaat de verdediging niet moeilijk over doen. Als zojuist gezegd: er is sprake van een tweetal grote contante geldbedragen. Met name in een land als Nederland kan je dan wel al heel snel in redelijkheid stellen dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. We hebben het over een bedrag van ruim een ton en een bedrag van bijna twintigduizend euro. Nogmaals, hier ga ik niet moeilijk over doen, maar dat zou bijvoorbeeld in Duitsland (maar ook bijvoorbeeld in grote delen van Zuid-Europa) helemaal niet bijzonder gek zijn. Mercedessen − overdreven gesteld maar niet minder waar - worden gewoon nog regelmatig daar cash afgerekend. Als gezegd dit is Nederland en probeer maar eens cash te betalen in een Amsterdamse koffietent; dat is tegenwoordig schier onmogelijk. Dat vermoeden is er dus wel. Of daar “zonder meer sprake van is” laat ik uiteindelijk aan uw beoordeling. b) Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Hier begint eigenlijk de echte verdediging van cliënt. Al vanaf de aanhouding na het casino-bezoek in Duitsland werkt cliënt mee. Hij verklaart ter plaatse hoeveel geld hij bij zich heeft en hij wijst het tasje aan waar de grootste hoeveelheid in ligt. Ook geeft hij de code van zijn telefoon; toch wel een unicum in dit soort zaken (code klopt wel, zie relaas!). Vanaf dat moment blijft hij verklaren bij elke gelegenheid. Elk verhoor in beide zaken, elke raadkamer in het kader van het klaagschrift. Dat mag je dus gerust benoemen als van meet af aan verklaren en naar mijn mening ook steeds consistent. Zijn lezing is steeds uiterst simpel. Ik heb een goed lopend bedrijf en ik gok ontzettend veel, met name in de casino's Jack’s, Fairplay en het Duitse casino. Ter onderbouwing hiervan zijn al vanaf klaagschrift 1 foto's en filmpjes toegestuurd van casinospelen, bonnetjes etc. Bij het eerst klaagschrift was dit zoveel dat het fysiek naar de griffie moest worden gebracht. Ik vind deze verklaring concreet, min of meer verifieerbaar (waarover later meer) en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. De rechtbank denkt daar in zaak B anders over. Zij vindt die te algemeen en niet specifiek toegespitst. Ik zeg het maar direct: wat vond ik dit een ontzettend flauwe en zwakke overweging. -) ook in zaak B verklaart cliënt direct over de herkomst en hoe het komt dat het contant is. Wat is nou het wezenlijke verschil met de andere zaak? En bovendien was het een standaard eerste politie-verhoor, zie de vragen s.vp. -) En veel belangrijker: daarna is cliënt nog uitgebreid gehoord n.a.v. beide zaken, namelijk over ondere andere zijn gokgedrag. Het verbaast mij dan ook niets dat de officier in eerste aanleg dit punt helemaal niet benoemde en iedereen weet beroepshalve dat deze officier nimmer iets laat liggen. Kortom: volstrekt oneens met deze overweging. c) Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Nader onderzoek wordt inderdaad door het OM verricht. Wat blijkt? 1) Aanvankelijk wordt het OM voorzien van onjuiste informatie vanuit Duitsland, althans de politie leest het verkeerd. Aanvankelijk denkt de politie namelijk dat men in de casino's in Duitsland alleen maar wisselt. Niet waar achteraf, dat bleek een onjuiste lezing. Wat blijkt wel vanuit Duitsland? Winsten of verliezen worden niet geregistreerd en inzetten/uitbetalingen vinden contant plaats. Ook blijkt uit het onderzoek dat cliënt daar vaak komt. Overigens geldt dit ook voor de casino's Jacks en Fairplay, zie het p-v van bevindingen van 15 september 2020 (Jacks) en 20 oktober 2020 (Fairplay) van [verbalisant 8] : winnaars blijven altijd anoniem, er worden geen persoonsgegevens vastgelegd, winsten worden cash uitbetaald en in het bijzonder voor Fairplay: ook geen sprake van bezoekersregistratie en van iedere speelwinst boven de EUR 200,00 komt er een bon waarop staat van welke kast het komt (dus zonder naam weer!). Kennelijk mag dit allemaal, maar hoe kan cliënt nou bewijzen dat hij daar zoveel en zo lang heeft gewonnen? Politie stelt verder over Duitsland: mogelijk sprake van een afwijkend startbedrag dan verklaard? Mogelijk maar ik zie geen harde onderbouwing. 2) Politie doet onderzoek naar de telefoon. Ze vinden de foto’s van casinospelen en bonnetjes, ook van cliënt met zijn hoofd op de foto. 3) Daadwerkelijke geldopnamen. Politie stelt vast dat er opnames in de casino's zelf zijn verricht, zeer forse bedragen ook. Waarom zou je in het casino opnemen als je niet gokt? 4) De herkomst van het geld en de feitelijke stroom. Het blijkt inderdaad dat cliënt een succesvolle onderneming heeft en dat hij ook daadwerkelijk pint. En hoe! Wat een pin bedragen noemt het dossier! Er is dus zowel een onderbouwing voor de herkomst als de feitelijke stroom en er wordt zelfs in de casino's gepind. Wat wil je nog meer? - als je twijfelt aan zijn gokgedrag. Client noemt in zijn verhoren steeds de casino's waar hij komt. Waarom niet een foto tonen aan de medewerkers? 5) Vanaf dit moment komt het grote geschut van het OM. Mijn gedachte: ook het OM voelt wel aan dat deze verdachte een verklaring heeft voor het geld. 6) Getuige-deskundige [deskundige 1] . Eerste opmerking: [deskundige 1] is van Novomatic (de roulette-machine) zelf. Ja, dan is de kans niet groot dat hij zegt dat er mogelijk een lek kan zijn. ‘Het kan niet’ is zijn stelling. Het kan niet dat gokkers een systeem hebben om winst te vergroten en hij voorziet ons van een ingewikkelde technische uitleg. Maar de deskundige stelt ook dat de door cliënt benoemde afleggers geen rol kunnen hebben? Waarom bestaan ze dan, vraag ik mij af? Als ze nutteloos waren, had niemand ze ooit ingeschakeld. Plus en dan kom ik terug op het feit dat de [deskundige 1] van Novomatic is: eigenaren van banken, eigenaren van encrypted telefoons, ze zeggen allemaal dat het niet te kraken is, maar zie wat er gebeurt.
Volledig
7) Rapport [deskundige 2] Ik begin direct bij het begin: Algemeen [verdachte] schetst in de verschillende verhoren een tamelijk chaotisch beeld van zijn financiële transacties. Hij blijft zeer vaag over de vraag waar de verschillende geldbedragen vandaan komen, hoeveel hij precies ingezet heeft, en hoe veel hij precies heeft gespeeld in de diverse casino's. Mijn opmerking: hoezo? Hij verklaart gewoon dat zijn inkomsten komen uit werk, gokken en in het verleden een enkele lening/loterijwinst. Precieze inzetten? Klager gokt heel de week; onmogelijke opdracht. Dit kan beter worden gezegd over de door de overheid toegestane casino's Jack's en Fairplay in welke casino's feitelijk NUL wordt geregistreerd. Er is daardoor geen sprake van dat er een exacte wiskundige berekening kan worden uitgevoerd die antwoord zou geven op de vraag hoe groot de kans (ongeveer) is dat verdachte zoveel geld heeft gewonnen op specifieke dagen zoals bijvoorbeeld op 1, 2, 3 en 5 januari 2020 in [plaats] . Immers, om dat uit te kunnen rekenen is het nodig om inzicht te hebben in begin- en eindkapitaal, als ook in het aantal rondes dat hij gespeeld zou hebben. Die gegevens zijn er simpelweg niet eens bij benadering. Mijn opmerking: er kan dus (en ook niet door [deskundige 2] ) geen wiskundige berekening worden uitgevoerd. Ik maak de lezer erop attent dat ik geen uitspraak zal doen in de trant van dat "de kans op dergelijke winstmarges is bij eerlijk spel zo klein, dat ik niet meer geloof dat er eerlijk spel is gespeeld". Wellicht zou dat een uitspraak zijn waarop u had gehoopt, maar het punt is niet of een bepaalde gebeurtenis kleine kans heeft of niet. Het zou immers best kunnen zijn dat een gebeurtenis kleine kans heeft onder zowel de schuld- als de onschuldhypothese. Het gaat erom welke van de mogelijke hypotheses de beste verklaring biedt voor de waargenomen feiten. Mijn opmerking: in dit onderzoek van [deskundige 2] speelt kennelijk het dikgedrukte, maar met betrekking tot de verdenking in deze strafzaak gaat het er alleen maar om of 1) de verklaring over de herkomst van het voorwerp concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is; 2) het OM hiernaar onderzoek heeft gedaan en 3) indien op basis van het onderzoek met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft. In het verhoor van 26 maart 2021 beweert [verdachte] dat hij een patroon kon zien op een live tafel: “Ik herken wel bepaalde series”, vertelde hij, en dat al na drie keer. Dit is dus echt onmogelijk en volkomen ongeloofwaardig. Mijn opmerking: [deskundige 2] benoemt dit in verband met live-roulette-tafels. Klager verklaart over de electronische kasten! Het valt ook op dat [verdachte] alleen maar over zijn strategie spreekt, maar er verder op geen enkele manier inhoudelijk op in is gegaan. Hij vertelt hoe ingewikkeld deze strategie is, en dat eigenlijk niemand buiten hemzelf de strategie snapt, en dat hij gedeeltes ervan heeft gedeeld met anderen. Op basis van de getuigenis van [deskundige 1] is dat opnieuw volkomen ongeloofwaardig, daar waar het de roulettekasten betreft. Als zo'n strategie werkelijk zou bestaan, dan zou [verdachte] natuurlijk hebben kunnen voorstellen om deze uit de doeken te doen. Dat heeft hij niet gedaan. Mijn opmerking: dit gedeelte van de verklaring komt voort uit het verhoor in [plaats] . Ik ben daar zelf bij geweest. Klager heeft daar ronduit gesproken over zijn systeem. Dit was onnavolgbaar voor iedereen (rechercheurs en ik) wegens de technische aard ervan. De indruk ontstond dat alleen een beroepsgokker dit zou kunnen volgen. Om die reden is dit in samengevatte versie op papier gekomen. Welnu, iemand die gewoon legaal speelt en wint zal niet snel geneigd zijn foto's te maken van de bonnetjes, want wat zou de reden daarvoor zijn? Als je echter aan het witwassen bent, dan is het vrij logisch om die foto's te maken als ‘bewijs’ dat je het geld echt in het casino hebt gewonnen. Ik zet het woord ‘bewijs’ hier tussen aanhalingstekens omdat uit de verhoren blijkt dat een dergelijk bonnetje ook geproduceerd kan wordt als je helemaal geen winst hebt gemaakt, maar gewoon enkele ronden speelt en daarna je gehele oorspronkelijke (hoge) inzet terugvraagt. Dus hoewel [verdachte] die foto's lijkt te beschouwen als ontlastend bewijs, zie ik dat anders. Het feit dat hij deze foto's überhaupt heeft gemaakt zie ik juist als belastend: onder de onschuldhypothese zouden de foto's waarschijnlijk niet gemaakt zijn, maar onder de schuldhypothese zijn ze tamelijk logisch. Hoe belastend ze zijn is lastig te zeggen, maar ik leg er enige nadruk op om te benadrukken dat ze het zeer belastende feit 1 niet nuanceren. Gezamenlijk zijn de twee feiten zeer belastend. Mijn opmerking: ik kan het niet anders zeggen maar deze passage duidt op een − mogelijk niet aan [deskundige 2] te wijten - gebrek aan dossierkennis. Klager komt voor in twee witwaszaken. N.a.v. de eerste witwaszaak (waarin hij zijn geld kwijtraakte) is klager meer foto's en filmpjes gaan maken van gokwinsten, omdat hij zodoende kan aantonen dat hij daadwerkelijk gokt! Van Jack’s en Fairplay moet hij het niet hebben, want deze casino's registreren niets, hoe opmerkelijk ook. Klager gokt vrijwel dagelijks; moet hij dan elke keer maar zijn contante geld inleveren, omdat hij niet kan aantonen dat hij in het casino is geweest en aldaar heeft gewonnen? Ten slotte vraag ik mij af of een dergelijke motivering behoort tot de deskundigheid van deze deskundige. De motivering doet mij eerder denken aan een onderdeel van een requisitoir. Er zijn een aantal omstandigheden die relevant zijn voor de zaak, die niet direct met de geclaimde gokwinst te maken hebben maar die wel degelijk onderdeel van het juridisch bewijs kunnen vormen. Ik noem er een paar: [verdachte] voert een zeer chaotische financiële huishouding, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen privé en werk, en waarin de meeste transacties cash afgehandeld werden. Hij pint en stort grote bedragen, zonder dat hij kan vertellen waarom precies, hij bewaart om zijn moverende reden ook veel geld cash, en niet op een bankrekening. Het is, kortom, niet te achterhalen waar al dat geld vandaan komt. Bovendien is het zo dat zijn gokpartner “ [betrokkene 1] ” al eerder met justitie in aanraking is geweest inzake witwassen . Mijn opmerking: ten eerste ontgaat mij de directe relevantie van dit betoog. Ten tweede kan klager precies vertellen waarom hij pint en terugstort: hij gokt buitengewoon veel en hij stort het terug om zijn kosten giraal te betalen. Cash? Zie bevindingen n.a.v. het onderzoek naar Jack's en Fairplay: alles gaat contant. Opmerkelijk, mogelijk kwalijk maar niet aan klager te wijten. Kennelijk werkt het zo met casino's in Nederland en vinden we dat allemaal maar goed. Ten vierde: “ [betrokkene 1] ” is kennelijk een persoon die met justitie in aanraking is geweest. Ik zie niet in − zonder feiten en omstandigheden die duiden op een crimineel verband met “ [betrokkene 1] ” − hoe dit van belang is m.b.t. de strafzaak van klager: 8) De encro bevindingen: Geen formele verweren want zinloos bezien tegen de stand van de jurisprudentie. Ik haal uit de toevoeging van deze stukken dat het OM van mening is dat cliënt handelt in verdovende middelen. Ik zie wel dat dit hem niet wordt ten laste gelegd waardoor je naar mijn mening niet kan spreken van een grondfeit. Inhoudelijk over de encro-gegevens. Identificatie: Een turk […] met een bmw en een yamaha motor uit [plaats] . Niet heel overtuigend, zie wel eens hardere identificaties. Maar ook al is het wel zo, ook al is cliënt wel een handelaar. Dan nog vind ik het aannemelijk dat het met gokken is gewonnen. Laatste stap. d) Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Volledig
7) Rapport [deskundige 2] Ik begin direct bij het begin: Algemeen [verdachte] schetst in de verschillende verhoren een tamelijk chaotisch beeld van zijn financiële transacties. Hij blijft zeer vaag over de vraag waar de verschillende geldbedragen vandaan komen, hoeveel hij precies ingezet heeft, en hoe veel hij precies heeft gespeeld in de diverse casino's. Mijn opmerking: hoezo? Hij verklaart gewoon dat zijn inkomsten komen uit werk, gokken en in het verleden een enkele lening/loterijwinst. Precieze inzetten? Klager gokt heel de week; onmogelijke opdracht. Dit kan beter worden gezegd over de door de overheid toegestane casino's Jack's en Fairplay in welke casino's feitelijk NUL wordt geregistreerd. Er is daardoor geen sprake van dat er een exacte wiskundige berekening kan worden uitgevoerd die antwoord zou geven op de vraag hoe groot de kans (ongeveer) is dat verdachte zoveel geld heeft gewonnen op specifieke dagen zoals bijvoorbeeld op 1, 2, 3 en 5 januari 2020 in [plaats] . Immers, om dat uit te kunnen rekenen is het nodig om inzicht te hebben in begin- en eindkapitaal, als ook in het aantal rondes dat hij gespeeld zou hebben. Die gegevens zijn er simpelweg niet eens bij benadering. Mijn opmerking: er kan dus (en ook niet door [deskundige 2] ) geen wiskundige berekening worden uitgevoerd. Ik maak de lezer erop attent dat ik geen uitspraak zal doen in de trant van dat "de kans op dergelijke winstmarges is bij eerlijk spel zo klein, dat ik niet meer geloof dat er eerlijk spel is gespeeld". Wellicht zou dat een uitspraak zijn waarop u had gehoopt, maar het punt is niet of een bepaalde gebeurtenis kleine kans heeft of niet. Het zou immers best kunnen zijn dat een gebeurtenis kleine kans heeft onder zowel de schuld- als de onschuldhypothese. Het gaat erom welke van de mogelijke hypotheses de beste verklaring biedt voor de waargenomen feiten. Mijn opmerking: in dit onderzoek van [deskundige 2] speelt kennelijk het dikgedrukte, maar met betrekking tot de verdenking in deze strafzaak gaat het er alleen maar om of 1) de verklaring over de herkomst van het voorwerp concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is; 2) het OM hiernaar onderzoek heeft gedaan en 3) indien op basis van het onderzoek met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft. In het verhoor van 26 maart 2021 beweert [verdachte] dat hij een patroon kon zien op een live tafel: “Ik herken wel bepaalde series”, vertelde hij, en dat al na drie keer. Dit is dus echt onmogelijk en volkomen ongeloofwaardig. Mijn opmerking: [deskundige 2] benoemt dit in verband met live-roulette-tafels. Klager verklaart over de electronische kasten! Het valt ook op dat [verdachte] alleen maar over zijn strategie spreekt, maar er verder op geen enkele manier inhoudelijk op in is gegaan. Hij vertelt hoe ingewikkeld deze strategie is, en dat eigenlijk niemand buiten hemzelf de strategie snapt, en dat hij gedeeltes ervan heeft gedeeld met anderen. Op basis van de getuigenis van [deskundige 1] is dat opnieuw volkomen ongeloofwaardig, daar waar het de roulettekasten betreft. Als zo'n strategie werkelijk zou bestaan, dan zou [verdachte] natuurlijk hebben kunnen voorstellen om deze uit de doeken te doen. Dat heeft hij niet gedaan. Mijn opmerking: dit gedeelte van de verklaring komt voort uit het verhoor in [plaats] . Ik ben daar zelf bij geweest. Klager heeft daar ronduit gesproken over zijn systeem. Dit was onnavolgbaar voor iedereen (rechercheurs en ik) wegens de technische aard ervan. De indruk ontstond dat alleen een beroepsgokker dit zou kunnen volgen. Om die reden is dit in samengevatte versie op papier gekomen. Welnu, iemand die gewoon legaal speelt en wint zal niet snel geneigd zijn foto's te maken van de bonnetjes, want wat zou de reden daarvoor zijn? Als je echter aan het witwassen bent, dan is het vrij logisch om die foto's te maken als ‘bewijs’ dat je het geld echt in het casino hebt gewonnen. Ik zet het woord ‘bewijs’ hier tussen aanhalingstekens omdat uit de verhoren blijkt dat een dergelijk bonnetje ook geproduceerd kan wordt als je helemaal geen winst hebt gemaakt, maar gewoon enkele ronden speelt en daarna je gehele oorspronkelijke (hoge) inzet terugvraagt. Dus hoewel [verdachte] die foto's lijkt te beschouwen als ontlastend bewijs, zie ik dat anders. Het feit dat hij deze foto's überhaupt heeft gemaakt zie ik juist als belastend: onder de onschuldhypothese zouden de foto's waarschijnlijk niet gemaakt zijn, maar onder de schuldhypothese zijn ze tamelijk logisch. Hoe belastend ze zijn is lastig te zeggen, maar ik leg er enige nadruk op om te benadrukken dat ze het zeer belastende feit 1 niet nuanceren. Gezamenlijk zijn de twee feiten zeer belastend. Mijn opmerking: ik kan het niet anders zeggen maar deze passage duidt op een − mogelijk niet aan [deskundige 2] te wijten - gebrek aan dossierkennis. Klager komt voor in twee witwaszaken. N.a.v. de eerste witwaszaak (waarin hij zijn geld kwijtraakte) is klager meer foto's en filmpjes gaan maken van gokwinsten, omdat hij zodoende kan aantonen dat hij daadwerkelijk gokt! Van Jack’s en Fairplay moet hij het niet hebben, want deze casino's registreren niets, hoe opmerkelijk ook. Klager gokt vrijwel dagelijks; moet hij dan elke keer maar zijn contante geld inleveren, omdat hij niet kan aantonen dat hij in het casino is geweest en aldaar heeft gewonnen? Ten slotte vraag ik mij af of een dergelijke motivering behoort tot de deskundigheid van deze deskundige. De motivering doet mij eerder denken aan een onderdeel van een requisitoir. Er zijn een aantal omstandigheden die relevant zijn voor de zaak, die niet direct met de geclaimde gokwinst te maken hebben maar die wel degelijk onderdeel van het juridisch bewijs kunnen vormen. Ik noem er een paar: [verdachte] voert een zeer chaotische financiële huishouding, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen privé en werk, en waarin de meeste transacties cash afgehandeld werden. Hij pint en stort grote bedragen, zonder dat hij kan vertellen waarom precies, hij bewaart om zijn moverende reden ook veel geld cash, en niet op een bankrekening. Het is, kortom, niet te achterhalen waar al dat geld vandaan komt. Bovendien is het zo dat zijn gokpartner “ [betrokkene 1] ” al eerder met justitie in aanraking is geweest inzake witwassen . Mijn opmerking: ten eerste ontgaat mij de directe relevantie van dit betoog. Ten tweede kan klager precies vertellen waarom hij pint en terugstort: hij gokt buitengewoon veel en hij stort het terug om zijn kosten giraal te betalen. Cash? Zie bevindingen n.a.v. het onderzoek naar Jack's en Fairplay: alles gaat contant. Opmerkelijk, mogelijk kwalijk maar niet aan klager te wijten. Kennelijk werkt het zo met casino's in Nederland en vinden we dat allemaal maar goed. Ten vierde: “ [betrokkene 1] ” is kennelijk een persoon die met justitie in aanraking is geweest. Ik zie niet in − zonder feiten en omstandigheden die duiden op een crimineel verband met “ [betrokkene 1] ” − hoe dit van belang is m.b.t. de strafzaak van klager: 8) De encro bevindingen: Geen formele verweren want zinloos bezien tegen de stand van de jurisprudentie. Ik haal uit de toevoeging van deze stukken dat het OM van mening is dat cliënt handelt in verdovende middelen. Ik zie wel dat dit hem niet wordt ten laste gelegd waardoor je naar mijn mening niet kan spreken van een grondfeit. Inhoudelijk over de encro-gegevens. Identificatie: Een turk […] met een bmw en een yamaha motor uit [plaats] . Niet heel overtuigend, zie wel eens hardere identificaties. Maar ook al is het wel zo, ook al is cliënt wel een handelaar. Dan nog vind ik het aannemelijk dat het met gokken is gewonnen. Laatste stap. d) Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Volledig
In deze laatste stap zit voor mij de crux en dan doel ik met name op het gedeelte dat sprake moet zijn van de omstandigheid dat een criminele herkomst als ENIGE aanvaardbare verklaring kan gelden. Ja, hier stokt het echt. Er is vermogen, er is gepind van dat vermogen en er is gegokt. Dan kan je niet meer zeggen naar mijn mening dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Vrijspraak. […]” 3.5 Het bestreden arrest houdt over het bewijs van het witwassen in zaak A en B het volgende in: “Oordeel van het hof Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 6 januari 2020 in totaal een bedrag van € 113.530,- is aangetroffen (zaak A) en op 9 juli 2020 in totaal een bedrag van € 19.935,- (zaak B). Het hof stelt vast dat in het dossier geen bewijs aanwezig is op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de geldbedragen, die in de voertuigen waarin de verdachte zich bevond en die bij de verdachte zelf zijn aangetroffen, en een concreet aan te duiden misdrijf. Niettemin kan bewezen worden dat deze geldbedragen ‘uit enig misdrijf afkomstig zijn, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Vermoeden van witwassen In zaak A is in de auto waarin de verdachte reed in een tas € 95.000,- aangetroffen in 475 biljetten van € 200,-. In de broekzakken van de verdachte zat € 18.530,-, onder meer bestaande uit twee biljetten van € 500,- en 41 biljetten van € 200,-. Gelet op de hoogte van deze geldbedragen, de hoeveelheid en soort biljetten en de risico’s die deze wijze van vervoer met zich brengt, is naar het oordeel van het hof zonder meer sprake van een vermoeden dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. In zaak B lag in de kofferbak van de auto waarin de verdachte reed een tas met daarin € 10.970,‑. Daarnaast werd in een sok € 7.000,- aangetroffen, waaronder een biljet van € 500,-; in een armleuning van de auto werd € 580,- gevonden en in de broekzakken van de verdachte € 1.385,‑. Het hof is van oordeel dat voor het totaalbedrag een witwasvermoeden aanwezig is, gezien het aantreffen van de geldbedragen een paar maanden eerder in zaak A, de hoeveelheid biljetten en de locaties waar het geld is aangetroffen. Ook in zaak B geldt dat het op deze manier vervoeren van geld behoorlijke risico’s met zich brengt. Verklaring van de verdachte In zaak A heeft de verdachte verklaard dat hij in de dagen voor de aanhouding naar het casino is geweest. Op die dagen heeft hij steeds winsten gemaakt, die hij het volgende casinobezoek weer heeft ingezet. Zo is het bedrag in de laatste week van de oorspronkelijke inzet van ongeveer € 19.000,- gegroeid tot het bedrag als aangetroffen bij de aanhouding. De oorspronkelijke inzet was geld uit eerdere casinowinsten. De verdachte heeft de laatste jaren netto flinke winst gemaakt bij het casino met het spelen op roulette automaten. Hij heeft daarvoor een systeem, waarmee hij kan voorspellen wanneer een automaat wel of niet gaat uitbetalen. Hij krijgt daarbij soms hulp van anderen die de automaten in de gaten houden. Voor de onderbouwing van de winsten heeft de verdachte verwezen naar een aantal foto’s waarop te zien is dat het casino bedragen heeft uitgekeerd. In zaak B heeft de verdachte verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf is en deels van winsten die hij in casino’s heeft behaald. Over de casinowinst heeft hij in zijn algemeenheid hetzelfde verklaard als hiervoor omschreven in zaak A. Het hof acht de verklaring van de verdachte in de zaken A en B voldoende concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Onderzoek door het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft nader onderzoek gedaan naar de verklaring van de verdachte over de structurele winsten in het casino. Uit navraag bij casino’s en uit de bonnetjes waarvan de verdachte veel foto’s heeft overhandigd, blijkt dat de verdachte regelmatig in diverse casino’s is geweest en daar transacties heeft verricht. Uit de namens de verdachte overgelegde foto’s van afgebeelde bonnetjes kan worden afgeleid dat op dat moment een bedrag is uitbetaald. Omdat niet bekend is wat de inleg is geweest en evenmin aan wie is uitbetaald, kan op basis van die bonnetjes niet worden vastgesteld (of uitgesloten) dat door de verdachte grote winsten zijn behaald. Voorts is onderzoek gedaan naar het systeem dat de verdachte stelt te hebben ontwikkeld waarmee hij naar eigen zeggen zeer omvangrijke winsten met gokken kan genereren. In dit verband is getuige [deskundige 1] (CEO van Novomatic Nederland, het merk van de roulettemachines waarop de verdachte zou hebben gespeeld) op 30 augustus 2022 bij de rechter-commissaris gehoord. Voorts heeft [deskundige 2] (onderzoeksterrein forensische kansberekening en statistiek) een rapportage opgesteld. [deskundige 1] verklaart onder meer dat casino-automaten geen geheugen hebben. Het is een kansspel zonder patronen. Iedere trekking staat op zichzelf en is “random”, aldus [deskundige 1] . [deskundige 2] concludeert - kort gezegd - dat het onmogelijk is om bij de betreffende roulettekasten structureel geld te winnen. Conclusie Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat het door de verdachte geschetste systeem om op de lange termijn winst te maken niet mogelijk is. Daarmee heeft het onderzoek van het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de herkomst van de bedragen ontkracht. Het hof is van oordeel dat - nu geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden - het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.” 3.6 In HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1153 heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld: “3.3 Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” (als bedoeld in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Volledig
In deze laatste stap zit voor mij de crux en dan doel ik met name op het gedeelte dat sprake moet zijn van de omstandigheid dat een criminele herkomst als ENIGE aanvaardbare verklaring kan gelden. Ja, hier stokt het echt. Er is vermogen, er is gepind van dat vermogen en er is gegokt. Dan kan je niet meer zeggen naar mijn mening dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Vrijspraak. […]” 3.5 Het bestreden arrest houdt over het bewijs van het witwassen in zaak A en B het volgende in: “Oordeel van het hof Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 6 januari 2020 in totaal een bedrag van € 113.530,- is aangetroffen (zaak A) en op 9 juli 2020 in totaal een bedrag van € 19.935,- (zaak B). Het hof stelt vast dat in het dossier geen bewijs aanwezig is op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de geldbedragen, die in de voertuigen waarin de verdachte zich bevond en die bij de verdachte zelf zijn aangetroffen, en een concreet aan te duiden misdrijf. Niettemin kan bewezen worden dat deze geldbedragen ‘uit enig misdrijf afkomstig zijn, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Vermoeden van witwassen In zaak A is in de auto waarin de verdachte reed in een tas € 95.000,- aangetroffen in 475 biljetten van € 200,-. In de broekzakken van de verdachte zat € 18.530,-, onder meer bestaande uit twee biljetten van € 500,- en 41 biljetten van € 200,-. Gelet op de hoogte van deze geldbedragen, de hoeveelheid en soort biljetten en de risico’s die deze wijze van vervoer met zich brengt, is naar het oordeel van het hof zonder meer sprake van een vermoeden dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. In zaak B lag in de kofferbak van de auto waarin de verdachte reed een tas met daarin € 10.970,‑. Daarnaast werd in een sok € 7.000,- aangetroffen, waaronder een biljet van € 500,-; in een armleuning van de auto werd € 580,- gevonden en in de broekzakken van de verdachte € 1.385,‑. Het hof is van oordeel dat voor het totaalbedrag een witwasvermoeden aanwezig is, gezien het aantreffen van de geldbedragen een paar maanden eerder in zaak A, de hoeveelheid biljetten en de locaties waar het geld is aangetroffen. Ook in zaak B geldt dat het op deze manier vervoeren van geld behoorlijke risico’s met zich brengt. Verklaring van de verdachte In zaak A heeft de verdachte verklaard dat hij in de dagen voor de aanhouding naar het casino is geweest. Op die dagen heeft hij steeds winsten gemaakt, die hij het volgende casinobezoek weer heeft ingezet. Zo is het bedrag in de laatste week van de oorspronkelijke inzet van ongeveer € 19.000,- gegroeid tot het bedrag als aangetroffen bij de aanhouding. De oorspronkelijke inzet was geld uit eerdere casinowinsten. De verdachte heeft de laatste jaren netto flinke winst gemaakt bij het casino met het spelen op roulette automaten. Hij heeft daarvoor een systeem, waarmee hij kan voorspellen wanneer een automaat wel of niet gaat uitbetalen. Hij krijgt daarbij soms hulp van anderen die de automaten in de gaten houden. Voor de onderbouwing van de winsten heeft de verdachte verwezen naar een aantal foto’s waarop te zien is dat het casino bedragen heeft uitgekeerd. In zaak B heeft de verdachte verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf is en deels van winsten die hij in casino’s heeft behaald. Over de casinowinst heeft hij in zijn algemeenheid hetzelfde verklaard als hiervoor omschreven in zaak A. Het hof acht de verklaring van de verdachte in de zaken A en B voldoende concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Onderzoek door het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft nader onderzoek gedaan naar de verklaring van de verdachte over de structurele winsten in het casino. Uit navraag bij casino’s en uit de bonnetjes waarvan de verdachte veel foto’s heeft overhandigd, blijkt dat de verdachte regelmatig in diverse casino’s is geweest en daar transacties heeft verricht. Uit de namens de verdachte overgelegde foto’s van afgebeelde bonnetjes kan worden afgeleid dat op dat moment een bedrag is uitbetaald. Omdat niet bekend is wat de inleg is geweest en evenmin aan wie is uitbetaald, kan op basis van die bonnetjes niet worden vastgesteld (of uitgesloten) dat door de verdachte grote winsten zijn behaald. Voorts is onderzoek gedaan naar het systeem dat de verdachte stelt te hebben ontwikkeld waarmee hij naar eigen zeggen zeer omvangrijke winsten met gokken kan genereren. In dit verband is getuige [deskundige 1] (CEO van Novomatic Nederland, het merk van de roulettemachines waarop de verdachte zou hebben gespeeld) op 30 augustus 2022 bij de rechter-commissaris gehoord. Voorts heeft [deskundige 2] (onderzoeksterrein forensische kansberekening en statistiek) een rapportage opgesteld. [deskundige 1] verklaart onder meer dat casino-automaten geen geheugen hebben. Het is een kansspel zonder patronen. Iedere trekking staat op zichzelf en is “random”, aldus [deskundige 1] . [deskundige 2] concludeert - kort gezegd - dat het onmogelijk is om bij de betreffende roulettekasten structureel geld te winnen. Conclusie Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat het door de verdachte geschetste systeem om op de lange termijn winst te maken niet mogelijk is. Daarmee heeft het onderzoek van het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de herkomst van de bedragen ontkracht. Het hof is van oordeel dat - nu geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden - het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.” 3.6 In HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1153 heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld: “3.3 Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” (als bedoeld in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Volledig
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)” 3.7 Binnen de op een witwasvermoeden gebaseerde bewijsconstructie van witwassen speelt de verklaring van de verdachte een belangrijke rol. Het is aan het openbaar ministerie om feiten en omstandigheden aan te dragen die een witwasvermoeden rechtvaardigen, maar indien sprake is van een zodanig vermoeden is de verdachte aan zet. Op de verdachte rust uitdrukkelijk niet de plicht om aannemelijk te maken dat het voorwerp een legale herkomst heeft. Het gaat erom dat de verdachte een alternatief scenario aanreikt dat het gerezen witwasvermoeden kan ontkrachten. Om de verklaring die daarvoor nodig als concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te kunnen aanmerken, kan het van belang zijn of de verklaring met bijvoorbeeld stukken is onderbouwd (dit impliceert niet het vereiste dat de gehele verklaring onderbouwing in stukken of ander materiaal moet vinden). Wanneer de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is, komt het openbaar ministerie weer aan de beurt, omdat dan een verplichting tot nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte ontstaat. Als de verdachte niet slaagt in deze opdracht blijft het vermoeden van witwassen bestaan en is er geen beletsel meer om tot een bewezenverklaring te komen. 3.8 Volgens de toelichting op het eerste middel – dus over zaak A – moet de rechter gelet op HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, r.o. 2.3.3 op basis van de resultaten van het door het openbaar ministerie gedane onderzoek naar de verklaring van de verdachte over de herkomst van de witwasvoorwerpen een beoordeling geven. Uit HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:167, r.o. 2.4 zou volgen dat de rechter in beginsel elk onderdeel van die verklaring moet onderzoeken. In zaak A is een onderzoek naar een deel van de verklaring volgens de steller van het middel uitgebleven althans heeft het hof hier geen overwegingen aan gewijd, namelijk de verklaring van de verdachte dat het geldbedrag deels afkomstig is van pintransacties uit het legale vermogen van zijn onderneming. Het oordeel dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn zou zonder nadere motivering niet begrijpelijk zijn. 3.9 De steller van het middel voert in het tweede middel – over zaak B – aan dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf afkomstig is en deels van casinowinsten. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verklaring “in de zaken A en B” voldoende concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, maar heeft niets vastgesteld over het onderzoek door het openbaar ministerie naar het legale vermogen van de onderneming. Om die reden zou de bewezenverklaring in zaak B onbegrijpelijk zijn. De steller van het middel verwijst hierbij naar dezelfde jurisprudentie als genoemd onder 3.8. 3.10 Uit de onder 3.4 weergegeven pleitnota blijkt dat de raadsman in hoger beroep voor beide feiten onder meer heeft aangevoerd dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd voor de herkomst van het geld. Volgens de raadsman is de lezing van de verdachte “uiterst simpel”: de verdachte heeft verklaard dat hij “een goed lopend bedrijf” heeft en dat hij “ontzettend veel” gokt. Volgens de raadsman zou uit het onderzoek van het openbaar ministerie inderdaad blijken dat de verdachte een succesvolle onderneming heeft, dat er forse geldbedragen door hem zijn gepind en dat hij heeft gegokt. Op basis hiervan zou niet kunnen worden gezegd dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Dit zou moeten leiden tot vrijspraak. 3.11 In het bestreden arrest stelt het hof onder het kopje “Oordeel van het hof” ten eerste vast dat ten aanzien van beide zaken sprake is van een witwasvermoeden. Bij de verdachte en in zijn auto is in zaak A in totaal € 113.530,- aangetroffen en in zaak B in totaal € 19.935,-. Ten tweede stelt het hof vast dat de verdachte over zaak A heeft verklaard dat hij in de dagen voor de aanhouding steeds winsten heeft gemaakt in het casino die hij bij een volgend casinobezoek weer inzette, dat zo het bedrag is gegroeid tot het bedrag als aangetroffen bij de aanhouding, dat de oorspronkelijke inzet geld uit eerdere casinowinsten was en dat hij de laatste jaren door een door hem ontwikkeld systeem flinke winst heeft gemaakt op rouletteautomaten. De verdachte heeft ter onderbouwing van de winsten verwezen naar een aantal foto’s waarop te zien is dat het casino bedragen heeft uitgekeerd. Voor zaak B stelt het hof vast dat de verdachte heeft verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf is en deels van winsten die hij in casino’s heeft behaald. Ten aanzien van de casinowinsten stelt het hof vast dat de verdachte daarover in zijn algemeenheid hetzelfde heeft verklaard als in zaak A. Op basis van deze vaststellingen komt het hof tot het oordeel dat “de verklaring van de verdachte in de zaken A en B voldoende concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk” is. Vervolgens stelt het hof vast dat het openbaar ministerie nader onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte over de structurele winsten in het casino en dat daaruit is gebleken dat de verdachte regelmatig in diverse casino’s is geweest, daar transacties heeft verricht en dat in die casino’s − blijkend uit onder andere bonnetjes − een bedrag is uitbetaald. Omdat niet bekend is wat de inleg is geweest en aan wie is uitbetaald, kan volgens het hof niet worden vastgesteld of uitgesloten dat door de verdachte grote winsten zijn behaald. Ook heeft het hof ten aanzien van het door de verdachte gestelde systeem op de roulettemachines vastgesteld dat getuige [deskundige 1] (CEO van het bedrijf van de roulettemachines waarop de verdachte zou hebben gespeeld) bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat casinoautomaten geen geheugen hebben, dat roulette een kansspel is zonder patronen en dat elke trekking op zichzelf staat en “random” is. In dat verband heeft het hof ook vastgesteld dat [deskundige 2] (onderzoeksterrein forensische kansberekening en statistiek) in zijn rapport concludeert dat het onmogelijk is om bij roulettekasten structureel geld te winnen. Op basis van “voornoemde feiten en omstandigheden” komt het hof tot het oordeel dat het door de verdachte geschetste systeem niet mogelijk is en ook dat het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de herkomst van de bedragen heeft ontkracht en “dat – nu geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden – het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn”. Beoordeling eerste middel (zaak A) 3.12 De steller van het middel voert aan dat de verdachte in zaak A heeft verklaard dat het geld deels afkomstig is van pintransacties van de rekening van zijn eigen onderneming. In het bestreden arrest onder het kopje “Verklaring van de verdachte” noemt het hof dit deel van de verklaring niet (het hof noemt de verklaring over de inkomsten uit eigen bedrijf enkel bij zaak B). Kennelijk is het hof van oordeel dat de verdachte deze verklaring over de herkomst van aangetroffen geldbedragen niet heeft afgelegd in zaak A. Dit feitelijke oordeel is in cassatie slechts in beperkte mate toetsbaar. Gelet daarop en gezien het verhandelde ter terechtzitting is het kennelijke oordeel dat de verdachte een dergelijke verklaring niet heeft afgelegd in zaak A niet onbegrijpelijk. Van belang daartoe is dat in het vonnis van de rechtbank naar voren komt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte in zaak B heeft verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf is en deels van winsten die hij bij casino’s heeft behaald, terwijl de verdachte zich in zaak A alleen heeft beroepen op casinowinsten. In hoger beroep is niet aangevoerd dat deze vaststellingen door de rechtbank – waartoe later ook het hof komt – onjuist zouden zijn wat betreft zaak A.
Volledig
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)” 3.7 Binnen de op een witwasvermoeden gebaseerde bewijsconstructie van witwassen speelt de verklaring van de verdachte een belangrijke rol. Het is aan het openbaar ministerie om feiten en omstandigheden aan te dragen die een witwasvermoeden rechtvaardigen, maar indien sprake is van een zodanig vermoeden is de verdachte aan zet. Op de verdachte rust uitdrukkelijk niet de plicht om aannemelijk te maken dat het voorwerp een legale herkomst heeft. Het gaat erom dat de verdachte een alternatief scenario aanreikt dat het gerezen witwasvermoeden kan ontkrachten. Om de verklaring die daarvoor nodig als concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te kunnen aanmerken, kan het van belang zijn of de verklaring met bijvoorbeeld stukken is onderbouwd (dit impliceert niet het vereiste dat de gehele verklaring onderbouwing in stukken of ander materiaal moet vinden). Wanneer de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is, komt het openbaar ministerie weer aan de beurt, omdat dan een verplichting tot nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte ontstaat. Als de verdachte niet slaagt in deze opdracht blijft het vermoeden van witwassen bestaan en is er geen beletsel meer om tot een bewezenverklaring te komen. 3.8 Volgens de toelichting op het eerste middel – dus over zaak A – moet de rechter gelet op HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, r.o. 2.3.3 op basis van de resultaten van het door het openbaar ministerie gedane onderzoek naar de verklaring van de verdachte over de herkomst van de witwasvoorwerpen een beoordeling geven. Uit HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:167, r.o. 2.4 zou volgen dat de rechter in beginsel elk onderdeel van die verklaring moet onderzoeken. In zaak A is een onderzoek naar een deel van de verklaring volgens de steller van het middel uitgebleven althans heeft het hof hier geen overwegingen aan gewijd, namelijk de verklaring van de verdachte dat het geldbedrag deels afkomstig is van pintransacties uit het legale vermogen van zijn onderneming. Het oordeel dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn zou zonder nadere motivering niet begrijpelijk zijn. 3.9 De steller van het middel voert in het tweede middel – over zaak B – aan dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf afkomstig is en deels van casinowinsten. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verklaring “in de zaken A en B” voldoende concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, maar heeft niets vastgesteld over het onderzoek door het openbaar ministerie naar het legale vermogen van de onderneming. Om die reden zou de bewezenverklaring in zaak B onbegrijpelijk zijn. De steller van het middel verwijst hierbij naar dezelfde jurisprudentie als genoemd onder 3.8. 3.10 Uit de onder 3.4 weergegeven pleitnota blijkt dat de raadsman in hoger beroep voor beide feiten onder meer heeft aangevoerd dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd voor de herkomst van het geld. Volgens de raadsman is de lezing van de verdachte “uiterst simpel”: de verdachte heeft verklaard dat hij “een goed lopend bedrijf” heeft en dat hij “ontzettend veel” gokt. Volgens de raadsman zou uit het onderzoek van het openbaar ministerie inderdaad blijken dat de verdachte een succesvolle onderneming heeft, dat er forse geldbedragen door hem zijn gepind en dat hij heeft gegokt. Op basis hiervan zou niet kunnen worden gezegd dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Dit zou moeten leiden tot vrijspraak. 3.11 In het bestreden arrest stelt het hof onder het kopje “Oordeel van het hof” ten eerste vast dat ten aanzien van beide zaken sprake is van een witwasvermoeden. Bij de verdachte en in zijn auto is in zaak A in totaal € 113.530,- aangetroffen en in zaak B in totaal € 19.935,-. Ten tweede stelt het hof vast dat de verdachte over zaak A heeft verklaard dat hij in de dagen voor de aanhouding steeds winsten heeft gemaakt in het casino die hij bij een volgend casinobezoek weer inzette, dat zo het bedrag is gegroeid tot het bedrag als aangetroffen bij de aanhouding, dat de oorspronkelijke inzet geld uit eerdere casinowinsten was en dat hij de laatste jaren door een door hem ontwikkeld systeem flinke winst heeft gemaakt op rouletteautomaten. De verdachte heeft ter onderbouwing van de winsten verwezen naar een aantal foto’s waarop te zien is dat het casino bedragen heeft uitgekeerd. Voor zaak B stelt het hof vast dat de verdachte heeft verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf is en deels van winsten die hij in casino’s heeft behaald. Ten aanzien van de casinowinsten stelt het hof vast dat de verdachte daarover in zijn algemeenheid hetzelfde heeft verklaard als in zaak A. Op basis van deze vaststellingen komt het hof tot het oordeel dat “de verklaring van de verdachte in de zaken A en B voldoende concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk” is. Vervolgens stelt het hof vast dat het openbaar ministerie nader onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte over de structurele winsten in het casino en dat daaruit is gebleken dat de verdachte regelmatig in diverse casino’s is geweest, daar transacties heeft verricht en dat in die casino’s − blijkend uit onder andere bonnetjes − een bedrag is uitbetaald. Omdat niet bekend is wat de inleg is geweest en aan wie is uitbetaald, kan volgens het hof niet worden vastgesteld of uitgesloten dat door de verdachte grote winsten zijn behaald. Ook heeft het hof ten aanzien van het door de verdachte gestelde systeem op de roulettemachines vastgesteld dat getuige [deskundige 1] (CEO van het bedrijf van de roulettemachines waarop de verdachte zou hebben gespeeld) bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat casinoautomaten geen geheugen hebben, dat roulette een kansspel is zonder patronen en dat elke trekking op zichzelf staat en “random” is. In dat verband heeft het hof ook vastgesteld dat [deskundige 2] (onderzoeksterrein forensische kansberekening en statistiek) in zijn rapport concludeert dat het onmogelijk is om bij roulettekasten structureel geld te winnen. Op basis van “voornoemde feiten en omstandigheden” komt het hof tot het oordeel dat het door de verdachte geschetste systeem niet mogelijk is en ook dat het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de herkomst van de bedragen heeft ontkracht en “dat – nu geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden – het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn”. Beoordeling eerste middel (zaak A) 3.12 De steller van het middel voert aan dat de verdachte in zaak A heeft verklaard dat het geld deels afkomstig is van pintransacties van de rekening van zijn eigen onderneming. In het bestreden arrest onder het kopje “Verklaring van de verdachte” noemt het hof dit deel van de verklaring niet (het hof noemt de verklaring over de inkomsten uit eigen bedrijf enkel bij zaak B). Kennelijk is het hof van oordeel dat de verdachte deze verklaring over de herkomst van aangetroffen geldbedragen niet heeft afgelegd in zaak A. Dit feitelijke oordeel is in cassatie slechts in beperkte mate toetsbaar. Gelet daarop en gezien het verhandelde ter terechtzitting is het kennelijke oordeel dat de verdachte een dergelijke verklaring niet heeft afgelegd in zaak A niet onbegrijpelijk. Van belang daartoe is dat in het vonnis van de rechtbank naar voren komt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte in zaak B heeft verklaard dat het geld deels van zijn bedrijf is en deels van winsten die hij bij casino’s heeft behaald, terwijl de verdachte zich in zaak A alleen heeft beroepen op casinowinsten. In hoger beroep is niet aangevoerd dat deze vaststellingen door de rechtbank – waartoe later ook het hof komt – onjuist zouden zijn wat betreft zaak A.
Volledig
Door de verdediging wordt in hoger beroep over de verklaring van de verdachte inzake het bedrijfsgeld zelfs vrijwel niets opgemerkt en in elk geval wordt dat bedrijfsgeld daarin niet nadrukkelijk in verband gebracht met zaak A. De raadsman maakt ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep over de verklaring van de verdachte geen onderscheid tussen zaak A en zaak B en over de inkomsten uit het eigen bedrijf heeft hij in essentie niet meer aangevoerd dan dat de verdachte heeft verklaard dat hij “een goed lopend bedrijf” heeft en dat “inderdaad [blijkt] dat cliënt een succesvolle onderneming heeft en dat hij ook daadwerkelijk pint” en dat daarmee “zowel een onderbouwing [is] voor de herkomst als de feitelijke stroom […]”. 3.13 Het voorgaande impliceert ook dat het hof voor zaak A in elk geval niet heeft geoordeeld dat daarin wat betreft de bedrijfsgelden sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Wanneer het hof dit uitdrukkelijk zou hebben overwogen, zou dat ondertussen evenmin onbegrijpelijk zijn, mede erop gelet dat de verdediging c.q. de verdachte de stelling omtrent de bedrijfsgelden vrijwel niet heeft geconcretiseerd en evenmin wezenlijk verifieerbaar heeft gemaakt. 3.14 Ook overigens is het eindoordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen in zaak A uit enig misdrijf afkomstig zijn niet onbegrijpelijk, mede gelet op hetgeen ik hierna bij de tweede deelklacht van het derde middel opmerk. 3.15 Het eerste middel faalt. Beoordeling tweede middel (zaak B) 3.16 In zaak B heeft het hof wel vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat het geld (behalve uit casinowinsten ook) deels afkomstig is van zijn bedrijf. Bovendien heeft het hof geoordeeld dat de verklaring in zaak B voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het hof heeft geoordeeld dat de verklaring over de gokwinsten door het onderzoek is ontkracht en uiteindelijk ook geoordeeld dat “geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden”, hetgeen dus ook een legale herkomst uit bedrijfsgelden uitsluit. De vraag is hoe het hof wat betreft de bedrijfsgelden tot dit oordeel is gekomen. Zoals volgt uit de onder 3.6 geciteerde rechtspraak zal het openbaar ministerie immers nader onderzoek moeten hebben gedaan naar de (als voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk aangemerkte) verklaring van de verdachte en zal rechter mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten hebben beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte de criminele herkomst van het voorwerp bewezen kan worden. Vanwege het volgende meen ik dat aan deze voorwaarden is voldaan. 3.17 Allereerst is dan van belang dat de verklaring van de verdachte voor wat betreft de bedrijfsgelden niet veel meer inhoudt dan de in verschillende bewoordingen geformuleerde blote stelling dat het geld mede afkomstig is uit zijn zaak en dat hij dit kan bewijzen via zijn mobiele telefoon. Dat het hof de verklaring over de bedrijfsgelden niet als onvoldoende concreet en verifieerbaar ter zijde heeft geschoven (vgl. onder 3.13) doet niet eraan af dat die verklaring met hetgeen de verdachte daarbij heeft aangedragen nog altijd weinig concreet en lastig verifieerbaar is en dat dit van invloed is op hetgeen in dit opzicht van het openbaar ministerie en verder onderzoek kan worden verwacht. 3.18 Door de politie is onderzoek aan de telefoon gedaan. Onder meer zijn ook (foto’s van) bonnetjes en (daarmee) transacties in casino’s in het onderzoek betrokken. Volgens de verdediging in zowel eerste aanleg als in hoger beroep is dit relevant in verband met de “herkomst van het geld en de feitelijke stroom. Het blijkt inderdaad dat cliënt een succesvolle onderneming heeft én dat hij ook daadwerkelijk pint. En hoe! Wat een pinbedragen noemt het dossier! Er is dus zowel een onderbouwing voor de herkomst als de feitelijke stroom én er wordt zelfs in de casino's gepind.” Omdat het standpunt van de verdediging impliceert dat het gokken mede vanuit inkomsten uit het bedrijf van de verdachte werd gefinancierd en dat dit de aanwezigheid van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen mede kan verklaren, staan de verklaringen omtrent gokwinsten en bedrijfsgelden met elkaar in verband. Verder is van belang dat in het rapport van [deskundige 2] van 2 november 2021 onder meer is opgenomen dat de verdachte in de verschillende verhoren “een tamelijk chaotisch beeld van zijn financiële transacties” schetst en dat hij zeer vaag blijft over de vraag waar de verschillende geldbedragen vandaan komen, hoeveel hij precies ingezet heeft, en hoeveel hij precies heeft gespeeld in de diverse casino's. Het rapport bevat voorts de passage: “Er zijn een aantal omstandigheden die relevant zijn voor de zaak, die niet direct met de geclaimde gokwinst te maken hebben maar die wel degelijk onderdeel van het juridisch bewijs kunnen vormen. Ik noem er een paar: [verdachte] voert een zeer chaotische financiële huishouding, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen privé en werk, en waarin de meeste transacties cash afgehandeld werden. Hij pint en stort grote bedragen, zonder dat hij kan vertellen waarom precies, hij bewaart om zijn moverende reden ook veel geld cash, en niet op een bankrekening. Het is, kortom, niet te achterhalen waar al dat geld vandaan komt.” 3.19 De verdediging heeft zich in zowel eerste aanleg als in hoger beroep voor het overgrote deel gericht op de verklaring over de casinogelden en slechts marginaal aandacht besteed aan de verklaring over de bedrijfsgelden. In reactie op hetgeen door de verdediging is aangevoerd hebben ook de overwegingen van het hof hoofdzakelijk betrekking op de verklaring over de gokwinsten. Daarbij heeft het hof overwogen dat het openbaar ministerie nader onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte over de structurele winsten in het casino. Het hof heeft dit niet ook uitdrukkelijk overwogen over de verklaring inzake bedrijfsgelden. Hoewel een dergelijke overweging misverstanden had kunnen voorkomen, laat een en ander onverlet dat – zoals blijkt onder 3.18 – ook onderzoek heeft plaatsgevonden dat relevant is voor de verklaring inzake de bedrijfsgelden. Nu uit het arrest blijkt dat het hof van dit onderzoek kennis heeft genomen, heeft het hof het oordeel dat ook “geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden” kennelijk mede op dat onderzoek gebaseerd. Dat oordeel impliceert bovendien dat het hof de verklaring van de verdachte inzake bedrijfsgelden uiteindelijk niet aanvaardt. Gelet op hetgeen de verdachte over de herkomst uit bedrijfsgelden heeft verklaard en gezien wat daarover door de verdediging is aangevoerd, was het openbaar ministerie mijns inziens niet gehouden tot verdergaand onderzoek dan heeft plaatsgevonden (zie onder 3.17) en is de weerlegging door het hof van de verklaring van de verdachte inzake bedrijfsgelden niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Daarmee heeft het hof – zonder het in HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1153 gegeven schema (zie onder 3.6) te hebben miskend – kunnen oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. 3.20 Ook het tweede middel strandt. 4 Het derde middel 4.1 Het middel is gericht tegen het gebruik door het hof van het rapport van [deskundige 2] . Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof zonder nadere motivering gebruik heeft gemaakt van het deskundigenrapport ofschoon de verdediging over dat rapport een betrouwbaarheidsverweer heeft gevoerd.
Volledig
Door de verdediging wordt in hoger beroep over de verklaring van de verdachte inzake het bedrijfsgeld zelfs vrijwel niets opgemerkt en in elk geval wordt dat bedrijfsgeld daarin niet nadrukkelijk in verband gebracht met zaak A. De raadsman maakt ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep over de verklaring van de verdachte geen onderscheid tussen zaak A en zaak B en over de inkomsten uit het eigen bedrijf heeft hij in essentie niet meer aangevoerd dan dat de verdachte heeft verklaard dat hij “een goed lopend bedrijf” heeft en dat “inderdaad [blijkt] dat cliënt een succesvolle onderneming heeft en dat hij ook daadwerkelijk pint” en dat daarmee “zowel een onderbouwing [is] voor de herkomst als de feitelijke stroom […]”. 3.13 Het voorgaande impliceert ook dat het hof voor zaak A in elk geval niet heeft geoordeeld dat daarin wat betreft de bedrijfsgelden sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Wanneer het hof dit uitdrukkelijk zou hebben overwogen, zou dat ondertussen evenmin onbegrijpelijk zijn, mede erop gelet dat de verdediging c.q. de verdachte de stelling omtrent de bedrijfsgelden vrijwel niet heeft geconcretiseerd en evenmin wezenlijk verifieerbaar heeft gemaakt. 3.14 Ook overigens is het eindoordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen in zaak A uit enig misdrijf afkomstig zijn niet onbegrijpelijk, mede gelet op hetgeen ik hierna bij de tweede deelklacht van het derde middel opmerk. 3.15 Het eerste middel faalt. Beoordeling tweede middel (zaak B) 3.16 In zaak B heeft het hof wel vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat het geld (behalve uit casinowinsten ook) deels afkomstig is van zijn bedrijf. Bovendien heeft het hof geoordeeld dat de verklaring in zaak B voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het hof heeft geoordeeld dat de verklaring over de gokwinsten door het onderzoek is ontkracht en uiteindelijk ook geoordeeld dat “geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden”, hetgeen dus ook een legale herkomst uit bedrijfsgelden uitsluit. De vraag is hoe het hof wat betreft de bedrijfsgelden tot dit oordeel is gekomen. Zoals volgt uit de onder 3.6 geciteerde rechtspraak zal het openbaar ministerie immers nader onderzoek moeten hebben gedaan naar de (als voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk aangemerkte) verklaring van de verdachte en zal rechter mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten hebben beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte de criminele herkomst van het voorwerp bewezen kan worden. Vanwege het volgende meen ik dat aan deze voorwaarden is voldaan. 3.17 Allereerst is dan van belang dat de verklaring van de verdachte voor wat betreft de bedrijfsgelden niet veel meer inhoudt dan de in verschillende bewoordingen geformuleerde blote stelling dat het geld mede afkomstig is uit zijn zaak en dat hij dit kan bewijzen via zijn mobiele telefoon. Dat het hof de verklaring over de bedrijfsgelden niet als onvoldoende concreet en verifieerbaar ter zijde heeft geschoven (vgl. onder 3.13) doet niet eraan af dat die verklaring met hetgeen de verdachte daarbij heeft aangedragen nog altijd weinig concreet en lastig verifieerbaar is en dat dit van invloed is op hetgeen in dit opzicht van het openbaar ministerie en verder onderzoek kan worden verwacht. 3.18 Door de politie is onderzoek aan de telefoon gedaan. Onder meer zijn ook (foto’s van) bonnetjes en (daarmee) transacties in casino’s in het onderzoek betrokken. Volgens de verdediging in zowel eerste aanleg als in hoger beroep is dit relevant in verband met de “herkomst van het geld en de feitelijke stroom. Het blijkt inderdaad dat cliënt een succesvolle onderneming heeft én dat hij ook daadwerkelijk pint. En hoe! Wat een pinbedragen noemt het dossier! Er is dus zowel een onderbouwing voor de herkomst als de feitelijke stroom én er wordt zelfs in de casino's gepind.” Omdat het standpunt van de verdediging impliceert dat het gokken mede vanuit inkomsten uit het bedrijf van de verdachte werd gefinancierd en dat dit de aanwezigheid van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen mede kan verklaren, staan de verklaringen omtrent gokwinsten en bedrijfsgelden met elkaar in verband. Verder is van belang dat in het rapport van [deskundige 2] van 2 november 2021 onder meer is opgenomen dat de verdachte in de verschillende verhoren “een tamelijk chaotisch beeld van zijn financiële transacties” schetst en dat hij zeer vaag blijft over de vraag waar de verschillende geldbedragen vandaan komen, hoeveel hij precies ingezet heeft, en hoeveel hij precies heeft gespeeld in de diverse casino's. Het rapport bevat voorts de passage: “Er zijn een aantal omstandigheden die relevant zijn voor de zaak, die niet direct met de geclaimde gokwinst te maken hebben maar die wel degelijk onderdeel van het juridisch bewijs kunnen vormen. Ik noem er een paar: [verdachte] voert een zeer chaotische financiële huishouding, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen privé en werk, en waarin de meeste transacties cash afgehandeld werden. Hij pint en stort grote bedragen, zonder dat hij kan vertellen waarom precies, hij bewaart om zijn moverende reden ook veel geld cash, en niet op een bankrekening. Het is, kortom, niet te achterhalen waar al dat geld vandaan komt.” 3.19 De verdediging heeft zich in zowel eerste aanleg als in hoger beroep voor het overgrote deel gericht op de verklaring over de casinogelden en slechts marginaal aandacht besteed aan de verklaring over de bedrijfsgelden. In reactie op hetgeen door de verdediging is aangevoerd hebben ook de overwegingen van het hof hoofdzakelijk betrekking op de verklaring over de gokwinsten. Daarbij heeft het hof overwogen dat het openbaar ministerie nader onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de verdachte over de structurele winsten in het casino. Het hof heeft dit niet ook uitdrukkelijk overwogen over de verklaring inzake bedrijfsgelden. Hoewel een dergelijke overweging misverstanden had kunnen voorkomen, laat een en ander onverlet dat – zoals blijkt onder 3.18 – ook onderzoek heeft plaatsgevonden dat relevant is voor de verklaring inzake de bedrijfsgelden. Nu uit het arrest blijkt dat het hof van dit onderzoek kennis heeft genomen, heeft het hof het oordeel dat ook “geen andere (legale) herkomst aannemelijk is geworden” kennelijk mede op dat onderzoek gebaseerd. Dat oordeel impliceert bovendien dat het hof de verklaring van de verdachte inzake bedrijfsgelden uiteindelijk niet aanvaardt. Gelet op hetgeen de verdachte over de herkomst uit bedrijfsgelden heeft verklaard en gezien wat daarover door de verdediging is aangevoerd, was het openbaar ministerie mijns inziens niet gehouden tot verdergaand onderzoek dan heeft plaatsgevonden (zie onder 3.17) en is de weerlegging door het hof van de verklaring van de verdachte inzake bedrijfsgelden niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Daarmee heeft het hof – zonder het in HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1153 gegeven schema (zie onder 3.6) te hebben miskend – kunnen oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. 3.20 Ook het tweede middel strandt. 4 Het derde middel 4.1 Het middel is gericht tegen het gebruik door het hof van het rapport van [deskundige 2] . Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof zonder nadere motivering gebruik heeft gemaakt van het deskundigenrapport ofschoon de verdediging over dat rapport een betrouwbaarheidsverweer heeft gevoerd.
Volledig
De tweede deelklacht betwist dat de uit het deskundigenrapport gebezigde conclusie dat het onmogelijk is om met roulettespel structureel winst te maken, redengevend is voor het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de op twee momenten onder de verdachte aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, aangezien de verdachte niet heeft verklaard dat het aangetroffen geld afkomstig is uit structurele winst. Eerste deelklacht 4.2 Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de feitenrechter beslist welk bewijsmateriaal hij betrouwbaar en bruikbaar acht en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Hij hoeft de beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders wanneer door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. Wanneer de rechter dit standpunt niet aanvaardt, moet hij dit ingevolge art. 359 lid 2 tweede volzin Sv in de uitspraak beargumenteerd weerleggen. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. De motiveringsplicht van de feitenrechter gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. 4.3 Verder is van belang dat betrouwbaarheidsverweren ook onder het bereik vallen van art. 359 lid 2 tweede volzin en dat voor die verweren de zware stelplicht geldt van het onder 4.2 besproken uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Een betrouwbaarheidsverweer moet derhalve serieus de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aanvechten, voordat de feitenrechter tot een uitdrukkelijke weerlegging is gehouden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdediging aan de hand van wetenschappelijke literatuur gemotiveerd aanvoert dat de door de deskundige gehanteerde methode onbetrouwbaar is. Of bij een verweer waarin gemotiveerd de vakbekwaamheid van de deskundige ter discussie staat. Hoe zwaar de stelplicht is kan afhankelijk zijn van het onderwerp, waarbij geldt dat bij betwisting van bijvoorbeeld algemeen aanvaarde onderzoeksmethoden meer nodig zal zijn dan bij nieuwe onderzoeksmethode waarvan de betrouwbaarheid en validiteit nog niet onomstreden zijn. Niettemin lijkt mij dat in het laatste geval in beginsel duidelijk zal moeten worden gemaakt dat de onderzoeksmethode nog niet algemeen is geaccepteerd en hoe dat van belang is voor de onderzoeksresultaten. 4.4 De toelichting op de eerste deelklacht houdt onder meer het volgende in: “Hoewel de raadsman in hoger beroep niet met zoveel woorden de conclusie heeft getrokken dat, op grond van het door hem aangevoerde, het rapport van [deskundige 2] onbetrouwbaar is en daarvan dus geen gebruik kan worden gemaakt, is dat evident wel de strekking van zijn verweer”, nu de raadsman onder meer heeft gesteld dat de deskundige wegens gebrek aan dossierkennis feitelijke aannames doet, buiten zijn deskundigheid is getreden en een verkeerde methodologie heeft gebruikt. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het rapport van [deskundige 2] ten grondslag ligt aan het eindoordeel van het hof. Volgens het middel had het hof gelet op het gevoerde verweer nader moeten motiveren waarom het zich heeft gebaseerd op het rapport. Zonder nadere motivering zou de bewezenverklaring onder A en B onbegrijpelijk zijn. 4.5 Uit de onder 3.4 weergegeven pleitnota blijkt dat de raadsman over het deskundigenrapport onder meer heeft ingebracht dat [deskundige 2] stelt dat het erom gaat welke van de hypotheses (schuld of onschuld) de beste verklaring biedt voor de waargenomen feiten, terwijl het volgens de raadsman gaat om een ander beoordelingskader, dat [deskundige 2] conclusie dat het maken van foto’s van casinobonnetjes belastend is, is gebaseerd op een gebrek van dossierkennis en dat [deskundige 2] conclusies trekt die buiten de relevantie van het rapport liggen. 4.6 Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje “Onderzoek door het openbaar ministerie” overwogen dat onderzoek is gedaan naar het door de verdachte gestelde systeem waarmee hij naar eigen zeggen “zeer omvangrijke” gokwinsten kan genereren. Het hof heeft daarbij vastgesteld dat getuige [deskundige 1] (CEO van het bedrijf van de roulettemachines waarop de verdachte zou hebben gespeeld) heeft verklaard dat casinoautomaten geen geheugen hebben, het een kansspel zonder patronen is en elke trekking op zichzelf staat en dus “random” is. Daarnaast stelt het hof vast dat [deskundige 2] (onderzoeksterrein forensische kansberekening en statistiek) een rapportage heeft opgesteld waarin hij concludeert dat het onmogelijk is om bij de betreffende roulettekasten structureel geld te winnen. Het hof komt ten slotte onder het kopje “Conclusie” tot het oordeel dat het door de verdachte geschetste systeem om op de lange termijn winst te maken niet mogelijk is. 4.7 Hoewel het onder 4.2-4.3 weergegeven kader van toepassing is op verweren die de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aanvechten terwijl het rapport van [deskundige 2] niet als bewijsmiddel is opgenomen in zaak A en in zaak B, is deze motiveringsplicht mijns inziens óók in dit geval van belang nu het hof de conclusie uit het rapport van [deskundige 2] mede ten grondslag legt aan het oordeel dat het niet anders kan zijn dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Het rapport draagt daarmee op indirecte wijze bij aan het bewijsoordeel van het hof. Het ligt dus voor de hand om het onder 4.2 en 4.3 weergegeven kader ook toe te passen op het verweer van de raadsman over het deskundigenrapport. 4.8 Uit het bestreden arrest (zie onder 3.5) blijkt dat het hof het onder 4.5 aangevoerde kennelijk niet heeft opgevat als een responsieplichtig verweer. Dat is niet onbegrijpelijk gelet op de eisen waaraan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet voldoen, en in het bijzonder een verweer dat de betrouwbaarheid van een deskundigenrapport betwist. Daartoe is allereerst van belang dat het standpunt van de verdediging niet is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Verder telt dat de verdediging slechts heeft aangevoerd dat in het onderzoek van [deskundige 2] onterecht “kennelijk het dikgedrukte speelt” (waarbij de raadsman doelt op de volgende passage uit het rapport: “Het gaat erom welke van de mogelijke hypotheses de beste verklaring biedt voor de waargenomen feiten”) zonder daarbij toe te lichten of en waarom de deskundige hierbij van een verkeerde methodologie uitgaat en welke gevolgen dit heeft voor de beoordeling op grond van art. 348 en 350 Sv, terwijl de verdediging over de deskundigheid van [deskundige 2] slechts stelt dat sprake is van “gebrek aan dossierkennis” en de vraag opwerpt of “een dergelijke motivering tot de deskundigheid van deze deskundige behoort” en niet motiveert wat de aard en de omvang van de expertise inhoudt en waarom de deskundige buiten zijn bevoegdheid treedt met de bedoelde motivering. 4.9 De eerste deelklacht faalt. Tweede deelklacht 4.10 De toelichting bij de tweede deelklacht houdt in dat het door het hof aan het rapport van de [deskundige 2] ontleende conclusie dat “het onmogelijk is om bij de betreffende roulettekasten structureel geld te winnen” niet redengevend is voor het oordeel dat het onderzoek van het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de herkomst van de geldbedragen ontkracht. Ook wanneer het structureel winst maken met roulettespelen voor onmogelijk moet worden gehouden, is niet uitgesloten dat de verdachte (incidenteel) winst heeft gemaakt. De steller van het middel verwijst daarbij naar de vaststellingen door het hof dat uit onderzoek is gebleken dat de verdachte regelmatig in diverse casino’s is geweest, daar (pin)transacties heeft verricht en dat uit namens hem overgelegde foto’s van afgebeelde bonnetjes kan worden afgeleid dat telkens op dat moment een bedrag is uitbetaald. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn daarom onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
Volledig
De tweede deelklacht betwist dat de uit het deskundigenrapport gebezigde conclusie dat het onmogelijk is om met roulettespel structureel winst te maken, redengevend is voor het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de op twee momenten onder de verdachte aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, aangezien de verdachte niet heeft verklaard dat het aangetroffen geld afkomstig is uit structurele winst. Eerste deelklacht 4.2 Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de feitenrechter beslist welk bewijsmateriaal hij betrouwbaar en bruikbaar acht en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Hij hoeft de beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders wanneer door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. Wanneer de rechter dit standpunt niet aanvaardt, moet hij dit ingevolge art. 359 lid 2 tweede volzin Sv in de uitspraak beargumenteerd weerleggen. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. De motiveringsplicht van de feitenrechter gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. 4.3 Verder is van belang dat betrouwbaarheidsverweren ook onder het bereik vallen van art. 359 lid 2 tweede volzin en dat voor die verweren de zware stelplicht geldt van het onder 4.2 besproken uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Een betrouwbaarheidsverweer moet derhalve serieus de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aanvechten, voordat de feitenrechter tot een uitdrukkelijke weerlegging is gehouden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdediging aan de hand van wetenschappelijke literatuur gemotiveerd aanvoert dat de door de deskundige gehanteerde methode onbetrouwbaar is. Of bij een verweer waarin gemotiveerd de vakbekwaamheid van de deskundige ter discussie staat. Hoe zwaar de stelplicht is kan afhankelijk zijn van het onderwerp, waarbij geldt dat bij betwisting van bijvoorbeeld algemeen aanvaarde onderzoeksmethoden meer nodig zal zijn dan bij nieuwe onderzoeksmethode waarvan de betrouwbaarheid en validiteit nog niet onomstreden zijn. Niettemin lijkt mij dat in het laatste geval in beginsel duidelijk zal moeten worden gemaakt dat de onderzoeksmethode nog niet algemeen is geaccepteerd en hoe dat van belang is voor de onderzoeksresultaten. 4.4 De toelichting op de eerste deelklacht houdt onder meer het volgende in: “Hoewel de raadsman in hoger beroep niet met zoveel woorden de conclusie heeft getrokken dat, op grond van het door hem aangevoerde, het rapport van [deskundige 2] onbetrouwbaar is en daarvan dus geen gebruik kan worden gemaakt, is dat evident wel de strekking van zijn verweer”, nu de raadsman onder meer heeft gesteld dat de deskundige wegens gebrek aan dossierkennis feitelijke aannames doet, buiten zijn deskundigheid is getreden en een verkeerde methodologie heeft gebruikt. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het rapport van [deskundige 2] ten grondslag ligt aan het eindoordeel van het hof. Volgens het middel had het hof gelet op het gevoerde verweer nader moeten motiveren waarom het zich heeft gebaseerd op het rapport. Zonder nadere motivering zou de bewezenverklaring onder A en B onbegrijpelijk zijn. 4.5 Uit de onder 3.4 weergegeven pleitnota blijkt dat de raadsman over het deskundigenrapport onder meer heeft ingebracht dat [deskundige 2] stelt dat het erom gaat welke van de hypotheses (schuld of onschuld) de beste verklaring biedt voor de waargenomen feiten, terwijl het volgens de raadsman gaat om een ander beoordelingskader, dat [deskundige 2] conclusie dat het maken van foto’s van casinobonnetjes belastend is, is gebaseerd op een gebrek van dossierkennis en dat [deskundige 2] conclusies trekt die buiten de relevantie van het rapport liggen. 4.6 Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje “Onderzoek door het openbaar ministerie” overwogen dat onderzoek is gedaan naar het door de verdachte gestelde systeem waarmee hij naar eigen zeggen “zeer omvangrijke” gokwinsten kan genereren. Het hof heeft daarbij vastgesteld dat getuige [deskundige 1] (CEO van het bedrijf van de roulettemachines waarop de verdachte zou hebben gespeeld) heeft verklaard dat casinoautomaten geen geheugen hebben, het een kansspel zonder patronen is en elke trekking op zichzelf staat en dus “random” is. Daarnaast stelt het hof vast dat [deskundige 2] (onderzoeksterrein forensische kansberekening en statistiek) een rapportage heeft opgesteld waarin hij concludeert dat het onmogelijk is om bij de betreffende roulettekasten structureel geld te winnen. Het hof komt ten slotte onder het kopje “Conclusie” tot het oordeel dat het door de verdachte geschetste systeem om op de lange termijn winst te maken niet mogelijk is. 4.7 Hoewel het onder 4.2-4.3 weergegeven kader van toepassing is op verweren die de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aanvechten terwijl het rapport van [deskundige 2] niet als bewijsmiddel is opgenomen in zaak A en in zaak B, is deze motiveringsplicht mijns inziens óók in dit geval van belang nu het hof de conclusie uit het rapport van [deskundige 2] mede ten grondslag legt aan het oordeel dat het niet anders kan zijn dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Het rapport draagt daarmee op indirecte wijze bij aan het bewijsoordeel van het hof. Het ligt dus voor de hand om het onder 4.2 en 4.3 weergegeven kader ook toe te passen op het verweer van de raadsman over het deskundigenrapport. 4.8 Uit het bestreden arrest (zie onder 3.5) blijkt dat het hof het onder 4.5 aangevoerde kennelijk niet heeft opgevat als een responsieplichtig verweer. Dat is niet onbegrijpelijk gelet op de eisen waaraan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet voldoen, en in het bijzonder een verweer dat de betrouwbaarheid van een deskundigenrapport betwist. Daartoe is allereerst van belang dat het standpunt van de verdediging niet is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Verder telt dat de verdediging slechts heeft aangevoerd dat in het onderzoek van [deskundige 2] onterecht “kennelijk het dikgedrukte speelt” (waarbij de raadsman doelt op de volgende passage uit het rapport: “Het gaat erom welke van de mogelijke hypotheses de beste verklaring biedt voor de waargenomen feiten”) zonder daarbij toe te lichten of en waarom de deskundige hierbij van een verkeerde methodologie uitgaat en welke gevolgen dit heeft voor de beoordeling op grond van art. 348 en 350 Sv, terwijl de verdediging over de deskundigheid van [deskundige 2] slechts stelt dat sprake is van “gebrek aan dossierkennis” en de vraag opwerpt of “een dergelijke motivering tot de deskundigheid van deze deskundige behoort” en niet motiveert wat de aard en de omvang van de expertise inhoudt en waarom de deskundige buiten zijn bevoegdheid treedt met de bedoelde motivering. 4.9 De eerste deelklacht faalt. Tweede deelklacht 4.10 De toelichting bij de tweede deelklacht houdt in dat het door het hof aan het rapport van de [deskundige 2] ontleende conclusie dat “het onmogelijk is om bij de betreffende roulettekasten structureel geld te winnen” niet redengevend is voor het oordeel dat het onderzoek van het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte over de herkomst van de geldbedragen ontkracht. Ook wanneer het structureel winst maken met roulettespelen voor onmogelijk moet worden gehouden, is niet uitgesloten dat de verdachte (incidenteel) winst heeft gemaakt. De steller van het middel verwijst daarbij naar de vaststellingen door het hof dat uit onderzoek is gebleken dat de verdachte regelmatig in diverse casino’s is geweest, daar (pin)transacties heeft verricht en dat uit namens hem overgelegde foto’s van afgebeelde bonnetjes kan worden afgeleid dat telkens op dat moment een bedrag is uitbetaald. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dat de aangetroffen geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn daarom onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
Volledig
4.11 Uit de vaststellingen door het hof onder het kopje “Verklaring van de verdachte” blijkt dat de verdachte ten aanzien van zaak A heeft verklaard dat hij in de dagen voor de aanhouding naar het casino is geweest, steeds winsten heeft gemaakt en dat die week zijn oorspronkelijke inzet van € 19.000,- uit eerdere casinowinsten is uitgegroeid naar € 113.530,-. De verdachte heeft ook verklaard dat hij de laatste jaren netto flinke winst heeft gemaakt op rouletteautomaten door een door hem ontdekt systeem. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof van oordeel is dat de lezing van de verdachte dat hij grote casinowinsten heeft behaald niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat het hof op basis van de verklaring van getuige [deskundige 1] en het rapport van [deskundige 2] tot de conclusie komt dat het door de verdachte gestelde systeem niet mogelijk is en dat de door verdachte overgelegde bonnetjes diens verklaring dat door hem casinowinsten zijn behaald niet onderbouwen nu aan de hand daarvan niet kan worden vastgesteld wat de inleg is geweest en aan wie is uitbetaald. Nu het systeem dat de verdachte stelde te hebben ontwikkeld een wezenlijk onderdeel was van verdachtes verklaring dat het geld mede afkomstig was uit gokwinsten, is de vaststelling door het hof “dat het door de verdachte geschetste systeem om op de lange termijn winst te maken niet mogelijk is” redengevend als een ontkrachting van die verklaring. 4.12 De toelichting op de deelklacht kan misschien ook zo worden gelezen dat de verklaring van de verdachte over de casinowinsten niet alleen een beroep op het systeem behelst maar ook geheel los daarvan inhoudt dat de verdachte kort voordat het geld bij hem werd gevonden een grote gokwinst had behaald. Voor zover de steller van het middel dit heeft willen aanvoeren, kan dit evenmin tot cassatie leiden. De verdachte heeft verklaard dat hij in een week een casinowinst van bijna een ton heeft behaald. Nog los van de vraag of het hof ook dit eventuele onderdeel van de verklaring zelfstandig als concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk heeft aangemerkt, mag bij een dergelijk hoog bedrag worden verwacht dat de verdachte tamelijk precies weet waar en wanneer hij dit bedrag heeft gewonnen. Daarnaar zou dan onderzoek kunnen worden gedaan. Het hof heeft – zoals opgemerkt – vastgesteld dat de door verdachte overgelegde bonnetjes diens verklaring dat door hem casinowinsten zijn behaald niet onderbouwen nu aan de hand daarvan niet kan worden vastgesteld wat de inleg is geweest en aan wie is uitbetaald. Nu vanuit de verdediging op dit punt geen wezenlijke concrete andere gegevens zijn aangereikt ten behoeve van het door het openbaar ministerie uitgevoerde onderzoek, is het oordeel van het hof dat geen andere legale herkomst aannemelijk is geworden niet onbegrijpelijk. 4.13 Ook de tweede deelklacht is tevergeefs voorgesteld. 4.14 Daarmee faalt het middel. 5 Het vierde middel 5.1 Het middel klaagt dat het hof zonder nadere motivering is afgeweken van het door de verdediging gevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte geen onvoorwaardelijke detentie moet krijgen opgelegd. 5.2 De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangaande de strafoplegging het volgende aangevoerd: “Strafmaat : 1) Verzoek die modaliteit te kiezen waardoor cliënt niet gedetineerd raakt. Volgende argumenten voor. 2) Rechtbank heeft in haar vonnis vastgesteld dat [medeverdachte] medepleger is. Zijn zaak is geponeerd wegens recente bestraffing van 14 maanden en gering aandeel. Wel een erg groot verschil met de straf van cliënt die nota bene anders dan [medeverdachte] first offender is en dat geringe aandeel zie ik eigenlijk niet. Zij zijn beiden bezig in het casino. 3) Persoonlijke omstandigheden: van te voren een aantal stukken per email toegezonden. Goed lopend bedrijf, koopwoning. Cliënt in ontzettende angst om dit kwijt te raken. 4) Bij deze stand van zaken maar ook de oudheid van de zaak én tevens dat niet is gerecidiveerd in de tussenliggende periode: Waarom niet in beslag plus boete (zie praktijk voorafgaand aan terechtzitting - de 8-10 procent procedure). Verbeurdverklaring immers ook karakter straf. Een optie zou daarbij ook kunnen zijn. Per feit 240 uur wat kan volgens de HR (ECLI:NL:HR:2022:1191) plus een voorwaardelijk deel en/of ook nog een geldboete. Ik betrek daarbij ook de situatie in penitentitair Nederland (zware tekorten personeel en het verlof verloopt sinds de nieuwe wet Straffen en Beschermen werkelijk dramatisch). 5) Verzoek: geen detentie.” 5.3 Het bestreden arrest houdt over de strafoplegging het volgende in: “ Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder de zaken A en B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen, gelet op het feit dat de strafzaak van [medeverdachte] is geseponeerd, het om een oude zaak gaat, er in de tussenliggende periode niet is gerecidiveerd en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, inhoudende dat hij een goedlopend bedrijf en een koopwoning heeft. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 113.530,- en € 19.935,-. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt. Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, hierop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 januari 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 9 maanden passend. Daarvan worden 3 maanden voorwaardelijk opgelegd om de verdachte er in het bijzonder gedurende de hieraan te verbinden proeftijd van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden. Het hof neemt daarbij de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte op 6 januari 2020 als aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank heeft op 16 december 2022 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna een jaar overschreden. Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, te weten vijf maanden. […] BESLISSING Het hof: […] Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Volledig
4.11 Uit de vaststellingen door het hof onder het kopje “Verklaring van de verdachte” blijkt dat de verdachte ten aanzien van zaak A heeft verklaard dat hij in de dagen voor de aanhouding naar het casino is geweest, steeds winsten heeft gemaakt en dat die week zijn oorspronkelijke inzet van € 19.000,- uit eerdere casinowinsten is uitgegroeid naar € 113.530,-. De verdachte heeft ook verklaard dat hij de laatste jaren netto flinke winst heeft gemaakt op rouletteautomaten door een door hem ontdekt systeem. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof van oordeel is dat de lezing van de verdachte dat hij grote casinowinsten heeft behaald niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat het hof op basis van de verklaring van getuige [deskundige 1] en het rapport van [deskundige 2] tot de conclusie komt dat het door de verdachte gestelde systeem niet mogelijk is en dat de door verdachte overgelegde bonnetjes diens verklaring dat door hem casinowinsten zijn behaald niet onderbouwen nu aan de hand daarvan niet kan worden vastgesteld wat de inleg is geweest en aan wie is uitbetaald. Nu het systeem dat de verdachte stelde te hebben ontwikkeld een wezenlijk onderdeel was van verdachtes verklaring dat het geld mede afkomstig was uit gokwinsten, is de vaststelling door het hof “dat het door de verdachte geschetste systeem om op de lange termijn winst te maken niet mogelijk is” redengevend als een ontkrachting van die verklaring. 4.12 De toelichting op de deelklacht kan misschien ook zo worden gelezen dat de verklaring van de verdachte over de casinowinsten niet alleen een beroep op het systeem behelst maar ook geheel los daarvan inhoudt dat de verdachte kort voordat het geld bij hem werd gevonden een grote gokwinst had behaald. Voor zover de steller van het middel dit heeft willen aanvoeren, kan dit evenmin tot cassatie leiden. De verdachte heeft verklaard dat hij in een week een casinowinst van bijna een ton heeft behaald. Nog los van de vraag of het hof ook dit eventuele onderdeel van de verklaring zelfstandig als concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk heeft aangemerkt, mag bij een dergelijk hoog bedrag worden verwacht dat de verdachte tamelijk precies weet waar en wanneer hij dit bedrag heeft gewonnen. Daarnaar zou dan onderzoek kunnen worden gedaan. Het hof heeft – zoals opgemerkt – vastgesteld dat de door verdachte overgelegde bonnetjes diens verklaring dat door hem casinowinsten zijn behaald niet onderbouwen nu aan de hand daarvan niet kan worden vastgesteld wat de inleg is geweest en aan wie is uitbetaald. Nu vanuit de verdediging op dit punt geen wezenlijke concrete andere gegevens zijn aangereikt ten behoeve van het door het openbaar ministerie uitgevoerde onderzoek, is het oordeel van het hof dat geen andere legale herkomst aannemelijk is geworden niet onbegrijpelijk. 4.13 Ook de tweede deelklacht is tevergeefs voorgesteld. 4.14 Daarmee faalt het middel. 5 Het vierde middel 5.1 Het middel klaagt dat het hof zonder nadere motivering is afgeweken van het door de verdediging gevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte geen onvoorwaardelijke detentie moet krijgen opgelegd. 5.2 De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangaande de strafoplegging het volgende aangevoerd: “Strafmaat : 1) Verzoek die modaliteit te kiezen waardoor cliënt niet gedetineerd raakt. Volgende argumenten voor. 2) Rechtbank heeft in haar vonnis vastgesteld dat [medeverdachte] medepleger is. Zijn zaak is geponeerd wegens recente bestraffing van 14 maanden en gering aandeel. Wel een erg groot verschil met de straf van cliënt die nota bene anders dan [medeverdachte] first offender is en dat geringe aandeel zie ik eigenlijk niet. Zij zijn beiden bezig in het casino. 3) Persoonlijke omstandigheden: van te voren een aantal stukken per email toegezonden. Goed lopend bedrijf, koopwoning. Cliënt in ontzettende angst om dit kwijt te raken. 4) Bij deze stand van zaken maar ook de oudheid van de zaak én tevens dat niet is gerecidiveerd in de tussenliggende periode: Waarom niet in beslag plus boete (zie praktijk voorafgaand aan terechtzitting - de 8-10 procent procedure). Verbeurdverklaring immers ook karakter straf. Een optie zou daarbij ook kunnen zijn. Per feit 240 uur wat kan volgens de HR (ECLI:NL:HR:2022:1191) plus een voorwaardelijk deel en/of ook nog een geldboete. Ik betrek daarbij ook de situatie in penitentitair Nederland (zware tekorten personeel en het verlof verloopt sinds de nieuwe wet Straffen en Beschermen werkelijk dramatisch). 5) Verzoek: geen detentie.” 5.3 Het bestreden arrest houdt over de strafoplegging het volgende in: “ Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder de zaken A en B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen, gelet op het feit dat de strafzaak van [medeverdachte] is geseponeerd, het om een oude zaak gaat, er in de tussenliggende periode niet is gerecidiveerd en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, inhoudende dat hij een goedlopend bedrijf en een koopwoning heeft. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 113.530,- en € 19.935,-. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt. Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, hierop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 januari 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 9 maanden passend. Daarvan worden 3 maanden voorwaardelijk opgelegd om de verdachte er in het bijzonder gedurende de hieraan te verbinden proeftijd van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden. Het hof neemt daarbij de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte op 6 januari 2020 als aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank heeft op 16 december 2022 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna een jaar overschreden. Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, te weten vijf maanden. […] BESLISSING Het hof: […] Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Volledig
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de geldbedragen zoals vermeld op de beslaglijsten, die zijn opgenomen in bijlage II van dit arrest.” 5.4 In HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. Ten Voorde heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld over de motiveringsvoorschriften van de strafoplegging: “3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. 3.5.1 In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen . Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. 3.5.2 De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering. 3.5.3 Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is . 3.5.4 Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.” 5.5 De toelichting op het middel houdt in dat het in hoger beroep gevoerde verweer kwalificeert als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de straftoemeting omdat beargumenteerd is aangevoerd waarom, gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan, een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. Het hof zou vervolgens een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben opgelegd zonder voldoende inzichtelijk te maken waarom de door de verdediging aangevoerde gronden niet opwegen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf. 5.6 In het bestreden arrest onder het kopje “Oplegging van straffen” overweegt het hof dat de raadsman heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen, gelet op het feit dat de strafzaak van [medeverdachte] is geseponeerd, het om een oude zaak gaat, er in de tussenperiode niet is gerecidiveerd en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, inhoudende dat hij een goedlopend bedrijf en een koopwoning heeft. Het hof overweegt daarna dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 113.530 en € 19.935, en dat “witwassen van criminele gelden een bedreiging [vormt] van de legale economie en de integriteit van het financiële en economische verkeer aan[tast], terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt”. Volgens het hof kan “gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, hierop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf”. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op “de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd”. 5.7 Het ontbreekt weliswaar aan een uitdrukkelijke weerlegging van het standpunt, tegelijkertijd volgt uit de overwegingen van het hof dat de ernst van de feiten zwaarder woog dan de door de verdediging aangevoerde gronden. Dit oordeel is mede tegen de achtergrond van hetgeen onder 5.4 is vooropgesteld niet onbegrijpelijk. Daar komt bij dat het hof ook te kennen geeft dat het hof van belang acht dat in soortgelijke zaken gevangenisstraffen van een bepaalde duur worden opgelegd. Kortom: het hof heeft uitdrukkelijk acht geslagen op het standpunt betreffende de strafoplegging en voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf. Ten overvloede wijs ik er nog op dat de raadsman in hoger beroep een aantal factoren heeft genoemd die een rol zouden moeten spelen bij de oplegging van de straf, zonder daarbij steeds in te gaan op de concrete belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan. Slechts wat betreft het eigen bedrijf en de koopwoning voert de raadsman aan dat de verdachte bang is deze kwijt te raken, maar noch uit de pleitnotities noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman dit nader heeft onderbouwd. Gelet op de eisen die aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreffende de strafoplegging worden gesteld en ook gezien de ruime straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter, noopte het verweer van de verdediging het hof niet tot een nadere motivering.
Volledig
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de geldbedragen zoals vermeld op de beslaglijsten, die zijn opgenomen in bijlage II van dit arrest.” 5.4 In HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. Ten Voorde heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld over de motiveringsvoorschriften van de strafoplegging: “3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. 3.5.1 In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen . Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. 3.5.2 De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering. 3.5.3 Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is . 3.5.4 Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.” 5.5 De toelichting op het middel houdt in dat het in hoger beroep gevoerde verweer kwalificeert als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de straftoemeting omdat beargumenteerd is aangevoerd waarom, gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan, een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. Het hof zou vervolgens een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben opgelegd zonder voldoende inzichtelijk te maken waarom de door de verdediging aangevoerde gronden niet opwegen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf. 5.6 In het bestreden arrest onder het kopje “Oplegging van straffen” overweegt het hof dat de raadsman heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen, gelet op het feit dat de strafzaak van [medeverdachte] is geseponeerd, het om een oude zaak gaat, er in de tussenperiode niet is gerecidiveerd en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, inhoudende dat hij een goedlopend bedrijf en een koopwoning heeft. Het hof overweegt daarna dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 113.530 en € 19.935, en dat “witwassen van criminele gelden een bedreiging [vormt] van de legale economie en de integriteit van het financiële en economische verkeer aan[tast], terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt”. Volgens het hof kan “gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, hierop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf”. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op “de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd”. 5.7 Het ontbreekt weliswaar aan een uitdrukkelijke weerlegging van het standpunt, tegelijkertijd volgt uit de overwegingen van het hof dat de ernst van de feiten zwaarder woog dan de door de verdediging aangevoerde gronden. Dit oordeel is mede tegen de achtergrond van hetgeen onder 5.4 is vooropgesteld niet onbegrijpelijk. Daar komt bij dat het hof ook te kennen geeft dat het hof van belang acht dat in soortgelijke zaken gevangenisstraffen van een bepaalde duur worden opgelegd. Kortom: het hof heeft uitdrukkelijk acht geslagen op het standpunt betreffende de strafoplegging en voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf. Ten overvloede wijs ik er nog op dat de raadsman in hoger beroep een aantal factoren heeft genoemd die een rol zouden moeten spelen bij de oplegging van de straf, zonder daarbij steeds in te gaan op de concrete belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan. Slechts wat betreft het eigen bedrijf en de koopwoning voert de raadsman aan dat de verdachte bang is deze kwijt te raken, maar noch uit de pleitnotities noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman dit nader heeft onderbouwd. Gelet op de eisen die aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreffende de strafoplegging worden gesteld en ook gezien de ruime straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter, noopte het verweer van de verdediging het hof niet tot een nadere motivering.
Volledig
5.8 Het middel faalt. 6 Afronding 6.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 6.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 28 februari 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. De Hoge Raad kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. A-G Aben, conclusie voor HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:798 (HR: eerste middel art. 81 lid 1 RO), randnr. 20, A-G Aben, conclusie voor HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:179 (HR: art. 81 lid 1 RO), randnr. 25-26, A-G Keulen, conclusie voor HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:367 (HR: art. 81 lid 1 RO), randnr. 19-20 en A-G Spronken, conclusie voor 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:682 (HR: art. 81 lid 1 RO), randnr. 2.10. Vgl. het schema van A-G Aben, conclusie voor HR 13 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:739, randnr. 25-26. F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen , Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 181. In zaak A is in de auto van de verdachte een tas met € 95.000,- (475 biljetten van € 200) aangetroffen en in zijn broekzakken € 18.530,- (onder meer twee biljetten van € 500,- en 41 biljetten van € 200,-). In zaak B een tas in zijn auto met € 10.970,-, een sok in zijn auto met € 7.000,-, waaronder een biljet van € 500,-; in een armleuning van de auto € 580,- en in de broekzakken van de verdachte € 1.385,-. Uit de door de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities (zie onder 3.4) blijkt dat de raadsman voor beide zaken tezamen het stappenplan van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481) doorloopt en bij de bespreking van de tweede stap, namelijk vraag of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd, stelt: “Zijn lezing is steeds uiterst simpel. Ik heb een goed lopend bedrijf en ik gok ontzettend veel, met name in de casino's Jack’s, Fairplay en het Duitse casino. […] Ik vind deze verklaring concreet, min of meer verifieerbaar (waarover later meer) en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.” Daarna vervolgt de raadsman dat “de rechtbank […] daar in zaak B anders over [denkt]. Zij vindt die te algemeen en niet specifiek toegespitst. Ik zeg het maar direct: wat vond ik dit een ontzettend flauwe en zwakke overweging. […] ook in zaak B verklaart cliënt direct over de herkomst en hoe het komt dat het contant is. Wat is nou het wezenlijke verschil met de andere zaak?”. Hier doet zich dus niet het geval voor van HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:167, waarin de Hoge Raad casseerde omdat het hof in het midden had gelaten of een bepaalde verklaring van de verdachte opging (om precies te zijn had het hof in het midden gelaten of de verklaring van de verdachte over de inkomsten uit de verkoop van Surinaamse zangvogels en over het beheer van collectegeld concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is). Zie o.a. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413, NJ 2025/123 m.nt. Ten Voorde, r.o. 2.3. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken , Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 344, G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 915 (voetnoot 691). HR 28 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3483, NJ 1989/748, r.o. 5.1-5.3. Zie ook HR 13 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0702, NJ 1998/318 , r.o. 5.2. HR 27 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0917, NJ 1998/404 m.nt. Reijntjes, r.o. 6.4. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken , Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 344. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, r.o. 3.2. Het gaat hier om het geval waarbij een vermindering op basis van de in het arrest van HR 17 juni 2008, NJ 2008/358 m.nt. Mevis in r.o. 3.6.2 vermelde percentages, uitgedrukt in weken en met afronding naar beneden, op nihil uitkomt. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf beloopt immers 4 maanden (120 dagen) waarbij een vermindering van 5% uitkomt op 6 dagen.
Volledig
5.8 Het middel faalt. 6 Afronding 6.1 De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 6.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 28 februari 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. De Hoge Raad kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. A-G Aben, conclusie voor HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:798 (HR: eerste middel art. 81 lid 1 RO), randnr. 20, A-G Aben, conclusie voor HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:179 (HR: art. 81 lid 1 RO), randnr. 25-26, A-G Keulen, conclusie voor HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:367 (HR: art. 81 lid 1 RO), randnr. 19-20 en A-G Spronken, conclusie voor 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:682 (HR: art. 81 lid 1 RO), randnr. 2.10. Vgl. het schema van A-G Aben, conclusie voor HR 13 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:739, randnr. 25-26. F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen , Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 181. In zaak A is in de auto van de verdachte een tas met € 95.000,- (475 biljetten van € 200) aangetroffen en in zijn broekzakken € 18.530,- (onder meer twee biljetten van € 500,- en 41 biljetten van € 200,-). In zaak B een tas in zijn auto met € 10.970,-, een sok in zijn auto met € 7.000,-, waaronder een biljet van € 500,-; in een armleuning van de auto € 580,- en in de broekzakken van de verdachte € 1.385,-. Uit de door de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities (zie onder 3.4) blijkt dat de raadsman voor beide zaken tezamen het stappenplan van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481) doorloopt en bij de bespreking van de tweede stap, namelijk vraag of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd, stelt: “Zijn lezing is steeds uiterst simpel. Ik heb een goed lopend bedrijf en ik gok ontzettend veel, met name in de casino's Jack’s, Fairplay en het Duitse casino. […] Ik vind deze verklaring concreet, min of meer verifieerbaar (waarover later meer) en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.” Daarna vervolgt de raadsman dat “de rechtbank […] daar in zaak B anders over [denkt]. Zij vindt die te algemeen en niet specifiek toegespitst. Ik zeg het maar direct: wat vond ik dit een ontzettend flauwe en zwakke overweging. […] ook in zaak B verklaart cliënt direct over de herkomst en hoe het komt dat het contant is. Wat is nou het wezenlijke verschil met de andere zaak?”. Hier doet zich dus niet het geval voor van HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:167, waarin de Hoge Raad casseerde omdat het hof in het midden had gelaten of een bepaalde verklaring van de verdachte opging (om precies te zijn had het hof in het midden gelaten of de verklaring van de verdachte over de inkomsten uit de verkoop van Surinaamse zangvogels en over het beheer van collectegeld concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is). Zie o.a. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413, NJ 2025/123 m.nt. Ten Voorde, r.o. 2.3. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken , Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 344, G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 915 (voetnoot 691). HR 28 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3483, NJ 1989/748, r.o. 5.1-5.3. Zie ook HR 13 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0702, NJ 1998/318 , r.o. 5.2. HR 27 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0917, NJ 1998/404 m.nt. Reijntjes, r.o. 6.4. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken , Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 344. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, r.o. 3.2. Het gaat hier om het geval waarbij een vermindering op basis van de in het arrest van HR 17 juni 2008, NJ 2008/358 m.nt. Mevis in r.o. 3.6.2 vermelde percentages, uitgedrukt in weken en met afronding naar beneden, op nihil uitkomt. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf beloopt immers 4 maanden (120 dagen) waarbij een vermindering van 5% uitkomt op 6 dagen.