Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:PHR:2026:263
Strafrecht
11,325 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:263 text/xml public 2026-03-20T11:14:18 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-17 24/04675 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:263 text/html public 2026-03-20T11:13:55 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:263 Parket bij de Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/04675 Conclusie AG. Moord op partner. M1 klaagt tevergeefs over afwijzing van (voorwaardelijke) verzoeken van de verdediging. M2 en M3 klagen over uitblijven van reactie op UOS en motivering van voorbedachte raad. Deze middelen falen eveneens. M4 dat klaagt over het oordeel van het hof m.b.t. overschrijding redelijke termijn, slaagt, maar behoeft niet tot terugwijzing te leiden. De conclusie strekt tot partiële vernietiging van uitspraak hof, tot vermindering van duur opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/04675 Zitting 17 maart 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 18 december 2024 door het gerechtshof Den Haag wegens "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast met dwangverpleging. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. 1.2 Namens de verdachte heeft I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. 2 Het eerste middel 2.1 Het middel klaagt over de afwijzing van de (voorwaardelijke) verzoeken van de verdediging tot het horen van een getuige, het identificeren van personen op camerabeelden en het verrichten van DNA-onderzoek, gedaan ter terechtzittingen in hoger beroep van 29 februari 2024 en 4 december 2024. 2.2 Voor de beoordeling van de afwijzing van deze verzoeken schets ik om te beginnen kort de voorgeschiedenis van die verzoeken. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, waarbij hij is veroordeeld wegens de moord op zijn echtgenote [slachtoffer] . Die veroordeling was hoofdzakelijk gebaseerd op verklaringen van de verdachte, waaruit volgt dat hij zijn vrouw heeft gewurgd met het ceintuur van zijn (donkerblauwe) badkamerjas, en vond verder steun in de overige bewijsmiddelen, waaruit onder meer volgt dat om de nek van het lijk van de vrouw een donkerblauw badjaskoord stevig was aangetrokken en dat zij is overleden door verwikkelingen van omsnoerend en/of (samen)drukkend geweld op de hals (ligatuurstrangulatie). Reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2022 is gebleken dat de verdachte zijn proceshouding had gewijzigd. De verdachte gaf toen op ten onrechte te zijn veroordeeld. Dit standpunt heeft hij ter terechtzitting van 29 februari 2024 herhaald. 2.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 februari 2024 vermeldt dat de raadsman het woord heeft gevoerd conform de door hem overgelegde pleitaantekeningen. Die pleitaantekeningen houden onder meer in: “Zoals aangekondigd in mijn e-mailberichten van 16 en 28 februari heb ik een aantal onderzoekswensen die het gevolg zijn van de gewijzigde proceshouding van cliënt, en (helaas pas later) bij de verdediging doordringende besef dat ik hier niet omheen kon. Het spijt mij dat ik er niet eerder mee ben gekomen, ik kan desgewenst wel een toelichting geven wat de reden daarvan is, maar een en ander doet niets af aan de noodzakelijkheid van het gevraagde onderzoek. 1. Horen [getuige] als getuige De verklaring van deze getuige staat op p. 44 van het dossier. Deze houdt onder meer in dat hij in de nacht 29 oktober 2020 wakker werd van de deurbel, veel geluid hoorde wat afkomstig was van de woning boven hem, de woning van cliënt en het slachtoffer. Hij hoorde hard geschreeuw, harde stemmen, in ieder geval mannen en vrouwen stemmen. Er werd gescholden. Er was ruzie. Ik wens deze persoon te horen als getuige ten einde a) de betrouwbaarheid daarvan te toetsen en b) mogelijk aanvullende informatie boven water te halen. De verklaring van [getuige] ondersteunt het door cliënt geschetste scenario dat er buiten de aanwezigheid van het slachtoffer, cliënt en zijn dochter, kort voordat het slachtoffer werd gewurgd, anderen in de woning aanwezig (moeten) zijn geweest. Het bevragen van deze getuige zou de betrouwbaarheid van diens verklaring kunnen versterken. Ook zou ik willen verifiëren of de woorden die van [getuige] in de krant (AD-artikel d.d. 22-10-2020) zijn opgetekend, o.a. “Ik hoorde ik drie of vier mensen praten, dat ging steeds harder. Ze hadden ruzie.” juist zijn. Het betreft aanvullende informatie ten opzichte van zijn verklaring bij de politie. Het primaire doel van het horen van deze getuige is dat ik het onschuldverweer van cliënt hiermee hoop kracht bij te zetten. Verder vormt de verklaring in elk geval een aanwijzing voor een ruzie (zo niet met betrokken derden, dan wel tussen cliënt en het slachtoffer). Dat vormt een contra-indicatie vormt voor de door de rechtbank bewezen geachte voorbedachte raad. 2. Identificatie personen Ten tweede zou ik graag zien dat de personen die op pagina 142 t/m 152 staan afgebeeld, worden geïdentificeerd. Het betreffen foto’s van camerabeelden van de ingang van cliënts flat ( [a-straat 1] te [plaats] ) die op zondag 18 oktober 2020 tussen 00.00 uur en 07.00 uur zijn gemaakt (p. 116). Cliënts standpunt is immers dat iemand anders [slachtoffer] moet hebben gedood. Die persoon zou dan op de beelden te zien moeten zijn geweest. Ik lees in het op schrift gestelde requisitoir van de officier van justitie (pv ttz d.d. 30 maart 2022) de opmerking van de Ovj “De politie heeft aan de hand van camerabeelden in het flatgebouw nog onderzocht of andere volwassenen ten tijde van de verwurging in de flat konden zijn. Hiervan is niet gebleken. Mij is van een dergelijk onderzoek in het dossier niet gebleken. Als daarvan wel sprake is geweest, ontvang ik daarvan graag een proces-verbaal. Als de inhoud daartoe aanleiding geeft, ben ik meer dan bereid mijn wens op dit punt aan te passen. 3. DNA-onderzoek ‘strop’ Ten derde zou ik graag een DNA-onderzoek op het moordwapen, de strop, het badjaskoord verricht willen zien. In confesso is dat het slachtoffer is gestropt met de badjasceintuur afkomstig van de blauwe badjas van cliënt. Deze strop is in beslag genomen (p. 59 en 471). Deze strop bevat waarschijnlijk dadersporen en de uitkomst van een DNA-onderzoek kan een andere onderbouwing vormen voor het standpunt van cliënt dat niet hij maar een ander het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Ik verzoek u hiertoe het onderzoek ter terechtzitting aan te houden, het dossier in handen te stellen van de raadsheer-commissaris voor het horen van [getuige] en het benoemen van een deskundige voor het verrichten van DNA-onderzoek.” 2.4 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 februari 2024 volgt dat het hof vervolgens eerst is overgegaan tot de bespreking van de feiten en de persoonlijke omstandigheden alvorens op de onderzoekswensen te beslissen. In dat verband heeft de verdachte verklaard: “Toen ik op 18 oktober 2020 wakker werd en zag wat er gebeurd was, raakte ik in shock. Daar ben ik ongeveer anderhalf jaar geleden uitgekomen. Toen kwam het bij mij terug. Ik moest eerst met mijn advocaat spreken, voordat ik in juni 2023 een nieuwe verklaring kon afleggen. Terwijl ik in shock was, was ik veel vergeten. Ik voelde mij onder dwang gezet om de schuld op mij te nemen, omdat ik geen sporen vond in huis. Ik herinner mij het volgende van 18 oktober 2020. Om 23.00 uur ging mijn dochter naar de slaapkamer. Mijn vrouw ging achter haar aan. Ik wist wat zij van plan was. Zij kneep mijn dochter, daardoor werd mijn dochter wakker en huilde zij. Ik vroeg mijn vrouw waarom zij dit deed, zij reageerde chagrijnig en zei: "Ik heb niks gedaan". Zij ging terug naar de woonkamer. Ik ging naar de slaapkamer, maar het lukte niet om te slapen.
Volledig
Ik hoorde niets toen ik in de slaapkamer was. Ik ging naar de woonkamer. Intussen hoorde ik geluiden van enkele mannen en vrouwen, ik weet niet hoeveel. Ik vermoed dat mijn vrouw die mensen had binnengelaten via de voordeur. Toen ik de woonkamer binnenliep, hoestte mijn vrouw 10 of 12 keer. Daarom dacht ik dat er iemand op het balkon stond die zij probeerde te waarschuwen voor mijn komst. Wij wonen op de vierde verdieping. In de woonkamer lagen kleren op de grond en de gordijnen waren dicht. Ik zat naast mijn vrouw. Zij bracht twee glazen melk waar wij van dronken. Ik weet niet wat er in zat, in ieder geval viel ik in slaap. Toen ik wakker werd, zag ik wat er aan de hand was en raakte ik in shock. Ik weet niet wat er is gebeurd terwijl ik sliep. Ik zocht in het huis maar ik kon niets of niemand vinden. Toen belde ik 112. Na een tijdje ging een vrouw naar de winkel van mijn zus. Zij vertelde aan mijn zus dat [betrokkene 1] , de neef van mijn echtgenote, van plan was om mijn echtgenote en kind te verkrachten en om mij te vermoorden. Dat is bewijs dat er een complot was. Ik weet niet waarom zij dit wilden doen. Mijn vrouw heeft mij op een eerder moment ook thee geschonken waardoor ik in slaap viel. Ik hoorde toen plotseling dat mijn telefoon op de grond viel. Mijn vrouw ontkende dat zij iets met mijn telefoon had gedaan. Maar zij wist dat ik foto's en filmpjes van de mishandeling van mijn dochter maakte, daarom probeerde zij mijn telefoon stuk te maken. Zij had mijn telefoon al eerder stuk gemaakt. Zij probeerde mij ook door middel van het eten te mishandelen. Ik viel in korte tijd 25 kilo af. Ik vermoed ook dat zij een infuus bij mij heeft aangelegd. Ik had blauwe plekken bij mijn oor en een bruine plek op mijn schouder. Vanaf het moment dat zij mijn dochter begon te mishandelen, was het moeilijk voor mij. Ik kreeg overal de schuld van. Door de mishandelingen van mijn dochter, probeerde mijn vrouw mij te mishandelen. Ik kreeg lichamelijke problemen, zoals artrose in mijn handen. De telefoongesprekken met mijn zus waar u naar verwijst, over het in de val lokken van "die hoer" en het redden van [betrokkene 2] uit de handen van mijn vrouw, kloppen niet. Ik ontken dat. Ik ontken dat er is gezegd dat mijn zus wenst dat mijn vrouw pijn krijgt in haar hart. Ik heb al tegen de politie gezegd dat dit soort dingen niet in onze cultuur horen, dat wij alles overgeven aan God. Mijn zus en ik hadden besloten om de Kinderbescherming in te schakelen, maar toen gebeurde dit.” 2.5 Het hof heeft ter terechtzitting van 29 februari 2024 uiteindelijk als volgt beslist op de onderzoekswensen van de verdediging: “Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de onderzoekswensen worden afgewezen. De voorzitter licht toe dat het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario onvoldoende handen en voeten heeft gekregen, onvoldoende onderbouwd is en dat ook de verklaring van [getuige] alsmede de camerabeelden deze verklaring onvoldoende kunnen onderbouwen. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op het late tijdstip waarop het alternatieve scenario naar voren is gekomen. Gelet op de afwijzing van de onderzoekswensen wordt de inhoudelijke behandeling voortgezet.” 2.6 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2024 vermeldt dat de raadsman het woord heeft gevoerd conform de door hem overgelegde pleitnota. Die pleitnota vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende: “Kort en goed vraag ik u cliënt integraal van het tenlastegelegde vrij te spreken. Mocht u mij niet volgen en in raadkamer overwegen cliënt te veroordelen voor het hem tenlastegelegde, dan verzoek ik u de zaak aan te houden om alsnog [getuige] te horen als getuige, de personen afgebeeld op p. 142 t/m 183 van het dossier te doen identificeren, en DNA-onderzoek te laten plaatsvinden op het badjaskoord waarmee het slachtoffer is gewurgd.” 2.7 Het hof heeft daaromtrent bij arrest als volgt beslist: “Voorwaardelijke verzoeken Nu het hof gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom de verdachte kan worden aangemerkt als de dader, ziet het hof geen reden om onderzoek te doen naar eventuele (andere) mogelijke daders. De voorwaardelijke verzoeken van de verdediging in dit kader, te weten het horen van [getuige] , het identificeren van de personen op de camerabeelden en het DNA-onderzoek aan het badjaskoord, worden derhalve afgewezen.” Bespreking van het middel 2.8 Zoals al aangegeven, klaagt het middel over de afwijzing van (voorwaardelijke) verzoeken van de verdediging tot het horen van een getuige, het identificeren van personen op camerabeelden en het verrichten van DNA-onderzoek, gedaan ter terechtzittingen in hoger beroep van 29 februari en 4 december 2024. Het verzoek van 29 februari 2024 betreft een ter terechtzitting gedaan verzoek tot het horen van een getuige en het doen van nader onderzoek. Het verzoek van 4 december 2024 betreft eenzelfde verzoek, maar in voorwaardelijke zin. De steller van het middel meent dat het hof de verzoeken ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen. 2.9 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat: - het hof met zijn afwijzing op 29 februari 2024 ten aanzien van het verzoek tot het horen van [getuige] niet duidelijk heeft gemaakt op welke grond dit verzoek is afgewezen en dat de afwijzing, voor zover bedoeld is dat het verhoor van die getuige niet noodzakelijk is, onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd en het hof heeft verzuimd het toetsingskader voor verzoeken tot ondervragen van ontlastende getuigen te hanteren; - het hof een eis aan de motivering van getuigen(verzoeken) heeft gesteld die de wet en jurisprudentie niet kennen. Daarmee zou het hof ook voorbijgegaan zijn aan de omstandigheid dat de enige mogelijkheid tot het onderbouwen van het alternatieve scenario de onderzoekswensen zijn, zodat de afwijzing daarvan in strijd is met ‘equality of arms’ als bedoeld in art. 6 EVRM; - de overweging van het hof dat de verklaring van [getuige] en de camerabeelden de verklaring van de verdachte niet kunnen onderbouwen, enige motivering ontbeert en voor zover is bedoeld dat de uitkomst van dit onderzoek niet relevant is voor enige te nemen beslissing, dit oordeel niet begrijpelijk is; - de eisen van eerlijke procesvoering met zich meebrengen dat de verzoeken van de verdediging hadden behoren te worden toegewezen. 2.10 De verdachte is in hoger beroep op zijn eerder bekennende verklaringen teruggekomen. Daartoe heeft hij ter terechtzitting van 29 januari 2024 – kort gezegd – aangevoerd dat hij in de slaapkamer was toen hij geluiden hoorde van enkele mannen en vrouwen en hij vermoedt dat zijn vrouw die personen heeft binnengelaten. Op enig moment zou zijn vrouw hem een glas melk hebben gebracht, waarna hij in slaap viel. Toen hij wakker werd zag hij wat er aan de hand was en raakte hij in shock. Door de verdediging is naar aanleiding hiervan onder meer aangevoerd dat er aanwijzingen zijn voor de betrokkenheid van anderen. Teneinde het gepresenteerde alternatieve scenario te onderbouwen, dat anderen het slachtoffer om het leven hebben gebracht, is een drietal onderzoekswensen gedaan. 2.11 Aan het verzoek tot het horen van [getuige] ligt ten grondslag dat het onder meer is gedaan om ‘mogelijk’ aanvullende informatie boven water te halen, nu uit diens verklaring volgt dat hij in de nacht van 29 oktober 2020 veel geluid hoorde afkomstig uit de woning van de verdachte en het slachtoffer, dat dat geluid zou bestaan uit mannen- en vrouwenstemmen, er gescholden werd en er ruzie was. De verklaring van [getuige] zou het door de verdachte geschetste alternatieve scenario ondersteunen, inhoudende dat er buiten de aanwezigheid van het slachtoffer, verdachte en zijn dochter, kort voordat het slachtoffer werd gewurgd, anderen in de woning aanwezig (moeten) zijn geweest. 2.12 Voorts is het verzoek gedaan tot het identificeren van de personen die op zondag 18 oktober tussen 00.00 uur en 07.00 uur te zien zijn op de camerabeelden van de ingang van de flat waar de verdachte woonachtig is te zien zijn.
Volledig
Daaraan ligt ten grondslag dat het standpunt van de verdachte is dat een ander het slachtoffer moet hebben gedood en die persoon dan op de beelden te zien moet zijn geweest. 2.13 Tot slot ligt aan het verzoek tot het doen van DNA-onderzoek aan het badjaskoord, waarmee het slachtoffer is verwurgd, ten grondslag dat deze strop waarschijnlijk dadersporen bevat en de uitkomst van een DNA-onderzoek een andere onderbouwing kan vormen voor het alternatieve scenario van de verdachte. 2.14 Het hof heeft de verzoeken afgewezen en heeft daartoe overwogen dat het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario ‘onvoldoende handen en voeten heeft gekregen’, ‘onvoldoende onderbouwd is’ en dat ‘ook de verklaring van [getuige] alsmede de camerabeelden deze verklaring onvoldoende kunnen onderbouwen’. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op het late tijdstip waarop het alternatieve scenario naar voren is gekomen. 2.15 Uit de overwegingen van het hof volgt dat de verzoeken van de verdediging onder meer zijn afgewezen op de grond dat het alternatieve scenario dat aan het verzoek ten grondslag ligt, ‘onvoldoende handen en voeten’ heeft gekregen. In die bewoordingen ligt besloten dat het hof geoordeeld heeft dat het aan de verzoeken ten grondslag liggende alternatieve scenario een begin van aannemelijkheid ontbeert. De klacht dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt op welke grond de verzoeken zijn afgewezen, berust aldus op een onjuiste lezing van het arrest. Naar mijn oordeel heeft het hof met het bezigen van die grond voor afwijzing – anders dan de steller van het middel meent – niet een eis gesteld aan de motivering van de verzoeken die de wet en jurisprudentie niet kent, nu de rechter met betrekking tot verzoeken als die aan de orde zijn van de verdediging mag verlangen dat voor het aan die verzoeken ten grondslag liggende alternatieve scenario een ‘begin van aannemelijkheid’ wordt gegeven. Dat geldt zeker in een geval als het onderhavige, waarin het beschikbare bewijsmateriaal in een geheel andere richting wijst. 2.16 Verder acht ik het oordeel van het hof in het licht van het (in hoger beroep opdoemende) alternatieve scenario dat ‘anderen’ het slachtoffer om het leven moeten hebben gebracht, nadat de verdachte dit in eerste aanleg heeft bekend, afgezet tegen de grond waarop de verzoeken zijn afgewezen, namelijk dat dat alternatieve scenario een ‘begin van aannemelijkheid’ ontbeert, niet onbegrijpelijk. Dat het toewijzen van deze verzoeken de ‘enige mogelijkheid’ is tot het onderbouwen van het alternatieve scenario, maakt niet reeds dat de afwijzing daarvan in strijd is met ‘equality of arms’ als bedoeld in art. 6 EVRM. Mijns inziens laat dat principe onverlet dat van de verdediging mag worden verlangd dat zij het alternatieve scenario dat zij ten grondslag legt aan bepaalde verzoeken minstens voorziet van een begin van aannemelijkheid. Daarbij betrek ik dat de bewijsconstructie in eerste aanleg hoofdzakelijk gebaseerd is op de verklaringen van de verdachte, waaruit volgt dat hij zijn vrouw heeft gewurgd met het ceintuur van zijn (donkerblauwe) badkamerjas, welke verklaringen steun vinden in de overige bewijsmiddelen, waaruit onder meer volgt dat om de nek van het lijk van de vrouw een donkerblauw badjaskoord stevig was aangetrokken en zij is overleden door verwikkelingen van omsnoerend en/of (samen)drukkend geweld op de hals (ligatuurstrangulatie). 2.17 Voor zover het middel opkomt tegen de overweging van het hof dat de verklaring van [getuige] en de camerabeelden de verklaring van de verdachte ‘niet kunnen onderbouwen’, meen ik dat in die overweging besloten ligt dat het hof de verklaring van [getuige] en het onderzoek van de camerabeelden niet noodzakelijk acht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, omdat dit onvoldoende zal zijn om het beschikbare bewijsmateriaal terzijde te stellen. 2.18 Het middel klaagt verder over de afwijzing van voormelde verzoeken van de verdediging voor zover deze ter terechtzitting van 4 december 2024 voorwaardelijk zijn gedaan en bij arrest zijn afgewezen. Het middel bevat de klacht dat het hof de juridische grondslag van de afwijzing van de verzoeken onvermeld heeft gelaten en zich er niet (kenbaar) van heeft vergewist of ondanks de afwijzing van de (getuige)verzoeken, de procedure in haar geheel eerlijk is geweest in de zin van artikel 6 EVRM. 2.19 Met betrekking tot die voorwaardelijke verzoeken heeft het hof overwogen dat, nu het gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom de verdachte kan worden aangemerkt als de dader, het ‘geen reden’ ziet om onderzoek te doen naar eventuele (andere) mogelijke daders. In het oordeel van het hof dat er geen ‘reden’ is om onderzoek te doen naar eventuele (andere) mogelijke daders, nu het hof gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom de verdachte kan worden aangemerkt als dader, ligt besloten dat het hof de ‘noodzaak’ tot nader onderzoek niet aanwezig heeft geacht. Dat oordeel acht ik gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld, in het licht van hetgeen aan de voorwaardelijke verzoeken ten grondslag ligt, niet onbegrijpelijk. 2.20 Met betrekking tot de klacht dat het hof zich er niet (kenbaar) van heeft vergewist of ondanks de afwijzing van de verzoeken, de procedure in haar geheel eerlijk is geweest in de zin van artikel 6 EVRM, merk ik het volgende op. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de procedure, ook zonder dat de gelegenheid is geboden uitvoering te geven aan de onderzoekswensen, in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het hof uitgebreid heeft stilgestaan bij de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde bekennende verklaringen van de verdachte en de vraag naar het daderschap en zijn oordeel daaromtrent kenbaar en uitvoerig uiteengezet heeft. 2.21 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 3 Het tweede middel 3.1 Het middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat het dossier aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van derden bij de aan de verdachte verweten moord. 3.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op 18 oktober 2020 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door de hals van die [slachtoffer] te omsnoeren en/of omsnoerd te houden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op 20 oktober 2020 is overleden.” 3.3 Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen: “Betrouwbaarheid verklaringen verdachte In eerste aanleg heeft de verdachte een bekennende verklaring afgelegd. In de aanloop naar het hoger beroep heeft de verdachte een nieuwe verklaring afgelegd, waarin hij stelt niets te maken te hebben met de dood van zijn vrouw. Hij is na het drinken van een glas melk, waar zijn vrouw iets zou hebben ingedaan, in slaap gevallen. Toen hij wakker werd, zag hij haar liggen, en heeft hij 112 gebeld. Hij verklaart dat hij niet weet wat er is gebeurd. Door het aanschouwen van de toestand waarin hij zijn vrouw aantrof, raakte hij "in shock". Hij voelde zich onder dwang gezet om de schuld op zich te nemen, omdat hij geen sporen kon vinden in het huis. De raadsman voert aan dat de eerdere (bekennende) verklaringen van de verdachte niet betrouwbaar zijn. Zijn eerdere verklaringen kwamen voort uit een ziekelijke stoornis, die de verdachte zelf heeft omschreven als een periode van shock. De verklaringen bevatten verder geen daderkennis, spontaniteit of enige details. Integendeel, zij bevatten zelfs ongeloofwaardige elementen. De bekennende verklaring van de verdachte is derhalve onbetrouwbaar. Bij gebreke van enig ander bewijs moet de verdachte dan ook vrijgesproken worden, aldus de verdediging. Het hof acht de bekennende verklaringen van de verdachte betrouwbaar. Zijn bekennende verklaringen zijn consistent, gedetailleerd en bevatten wel degelijk daderkennis.
Volledig
Bovendien heeft de verdachte niet alleen direct na het feit een bekennende verklaring afgelegd, maar ook nog op zes verschillende momenten daarna, namelijk op 18 oktober 2020, 19 oktober 2020, 12 november 2020, 20 oktober 2020, 6 januari 2022 en 30 maart 2022 onder meer bij de politie, de rechter-commissaris en op de zitting in eerste aanleg. Zijn latere, eerst vanaf 20 juni 2023, afgelegde ontkennende verklaringen lijken volgens de - hierna onder de overwegingen ten aanzien van de persoon van de verdachte nader te noemen en ter zitting van 29 februari 2024 gehoorde - deskundigen voort te komen uit de pathologie van de verdachte. Het hof zal de bekennende verklaringen van de verdachte dan ook als uitgangspunt nemen bij de verdere beoordeling van de zaak. Daderschap Nu het hof de bekennende verklaringen van de verdachte betrouwbaar acht, stelt het hof met de rechtbank het volgende vast: De verdachte heeft op meerdere momenten bekend dat hij [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, waarbij hij heeft toegelicht hoe hij dat heeft gedaan. Hij heeft direct tegen de meldkamer van de politie Eenheid [plaats] gezegd dat hij haar heeft gedood. Korte tijd na die melding heeft hij aan ter plaatse gekomen politieagenten verklaard: "Dit heb ik gedaan". Daarna heeft hij tijdens de politieverhoren, tegenover de rechter-commissaris en ter terechtzitting nader toegelicht hoe hij [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en waarom hij dit heeft gedaan. Uit zijn verklaringen blijkt dat hij [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar hals te omsnoeren en omsnoerd te houden met het koord van een badkamerjas. Deze verklaringen vinden steun in objectief bewijs. Een politieagent die kort na eerdergenoemde melding ter plaatste was gekomen, heeft gezien dat er een blauw badkamerjaskoord om de nek van [slachtoffer] was gestrikt en dat dit koord stevig om haar nek was aangetrokken/gekneld. Daarnaast heeft de patholoog geconcludeerd dat de sectiebevindingen niet in tegenspraak zijn met de ‘verkregen (medische) informatie waaruit onder meer blijkt dat [slachtoffer] "gestropt zou zijn met een stoffen ceintuur". Ook heeft de patholoog geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door verwikkelingen van omsnoerend en/of (samen)drukkend geweld op de hals. Gelet op dit alles acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.” 3.4 Het middel klaagt, zoals weergegeven, dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op het alternatieve scenario van de verdediging, inhoudende dat het dossier aanwijzingen bevat van betrokkenheid van derden bij de aan de verdachte verweten moord die zijn onschuldverweer onderbouwen. Naar mijn oordeel faalt het middel, omdat het hof gemotiveerd uiteen heeft gezet dat en waarom de verdachte degene is die het tenlastegelegde heeft begaan en in die overwegingen de verwerping van dat verweer besloten ligt. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, kan de betrokkenheid van de verdachte uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgen. Die bewijsmiddelen houden immers onder meer de (door het hof betrouwbaar geachte) bekennende verklaring van de verdachte in, waaruit volgt dat hij degene is die [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. 3.5 Het middel faalt. 4 Het derde middel 4.1 Het middel klaagt dat het hof het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ ontoereikend heeft gemotiveerd. 4.2 Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring van moord als volgt overwogen: “De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het bestanddeel ’voorbedachte raad’, omdat het pas vlak voor de daad in de verdachte opkwam om [slachtoffer] te doden. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ’voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op zijn genomen of te nemen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vast staat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Met de rechtbank overweegt het hof als volgt: Uit de verklaringen die de verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft afgelegd, blijkt dat hij - zoals de verdachte het zelf noemt - een besluit heeft genomen om [slachtoffer] te doden. De verdachte was ervan overtuigd dat [slachtoffer] hun dochter [betrokkene 2] mishandelde en zij moest van de verdachte dood om die mishandelingen te stoppen. De verdachte is net als zijn vrouw naar de woonkamer gegaan. Zij hebben daar samen enkele uren gezeten en toen heeft hij aldaar besloten haar te doden met het koord van een badjas. De verdachte is daartoe de woonkamer uitgelopen en naar de aangrenzende slaapkamer gegaan. Aan de achterkant van de slaapkamerdeur hing een badjas. De verdachte heeft toen het koord van die badjas losgetrokken en is met dat koord in de hand terug naar de woonkamer gegaan, waar [slachtoffer] nog voor de tv zat. In de woonkamer heeft hij [slachtoffer] achterlangs benaderd, het koord om haar nek gedaan en vervolgens - volgens zijn eigen verklaring - misschien wel 5 of 6 minuten aan dat koord getrokken. De verdachte is daarmee pas gestopt toen [slachtoffer] op de vloer viel en de verdachte dacht dat zij dood was. Hoewel de handelwijze van de verdachte zich in een korte tijdspanne heeft geopenbaard, laat dit naar het oordeel van het hof onverlet dat de verdachte doordacht, doelgericht en koelbloedig heeft gehandeld. Hij is namelijk - met een daarvoor door hem uitgekozen ‘moordwapen’ - minutenlang doorgegaan met het wurgen van [slachtoffer] . Pas toen hij dacht dat [slachtoffer] dood was, is hij daarmee gestopt. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de verdediging en acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] niet alleen opzettelijk, maar ook met voorbedachten rade van haar leven heeft beroofd. Dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een ziekelijke stoornis staat aan een bewezenverklaring van de voorbedachte raad niet in de weg.” 4.3 Voor een bewezenverklaring van moord is vereist dat sprake is van ‘voorbedachte raad’. Het gaat volgens de wetsgeschiedenis om ‘een tijdstip van kalm overleg, van bedaard nadenken; het tegenovergestelde van oogenblikkelijke gemoedsopwelling’. Voorbedachte raad beschrijft een bepaalde kwaliteit van het opzet, maar geen bijzondere, slechte motieven.
Volledig
Voorbedachte raad is niet beperkt tot bepaalde vormen van opzet, zodat ook voorwaardelijk opzet met voorbedachte raad samen kan gaan. Het beoordelingskader van de Hoge Raad met betrekking tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad komt er in de kern op neer dat moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Bij het bestaan van zulke tijd en gelegenheid is het redelijk om aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over een en ander. Die aanname laat onverlet dat de rechter aan contra-indicaties voor voorbedachte raad zwaarder gewicht kan toekennen. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is niet toereikend voor het oordeel dat sprake is van voorbedachte raad. Indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, moet de rechter in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht aan dit bestanddeel besteden. 4.4 Het hof heeft overwogen dat uit de verklaringen die de verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft afgelegd, blijkt dat hij een besluit heeft genomen om [slachtoffer] te doden. De verdachte was ervan overtuigd dat [slachtoffer] hun dochter [betrokkene 2] mishandelde en zij moest van de verdachte dood om die mishandelingen te stoppen. De verdachte is net als zijn vrouw naar de woonkamer gegaan. Zij hebben daar samen enkele uren gezeten en toen heeft hij aldaar besloten haar te doden met het koord van een badjas. De verdachte is daartoe de woonkamer uitgelopen en naar de aangrenzende slaapkamer gegaan. Aan de achterkant van de slaapkamerdeur hing een badjas. De verdachte heeft toen het koord van die badjas losgetrokken en is met dat koord in de hand terug naar de woonkamer gegaan, waar [slachtoffer] nog voor de tv zat. In de woonkamer heeft hij [slachtoffer] achterlangs benaderd, het koord om haar nek gedaan en vervolgens – volgens zijn eigen verklaring – misschien wel 5 of 6 minuten aan dat koord getrokken. De verdachte is daarmee pas gestopt toen [slachtoffer] op de vloer viel en de verdachte dacht dat zij dood was. Verder heeft het hof overwogen dat hoewel de handelwijze van de verdachte zich in een korte tijdspanne heeft geopenbaard, dit onverlet laat dat de verdachte doordacht, doelgericht en koelbloedig heeft gehandeld. Hij is namelijk – met een daarvoor door hem uitgekozen ‘moordwapen’ – minutenlang doorgegaan met het wurgen van [slachtoffer] . Pas toen hij dacht dat [slachtoffer] dood was, is hij daarmee gestopt. Het hof heeft gelet daarop het verweer van de verdediging verworpen. 4.5 Het middel klaagt in de eerste plaats dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt of het de door de verdediging aangevoerde contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad in zijn oordeelsvorming heeft betrokken, nu het voorbij gegaan is aan hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de aanwijzingen voor de aanwezigheid van een plotseling escalerend conflict. De verwerping van dat onderdeel van het verweer ligt echter besloten in de overweging van het hof, die er kortgezegd op neerkomt dat de verdachte – nadat hij samen met zijn echtgenote enkele uren in de woonkamer heeft gezeten – het plan heeft opgevat om zijn echtgenote van het leven te beroven, ter uitvoering van dat plan naar de slaapkamer is gegaan en daar het ceintuur van zijn kamerjas heeft gepakt, zijn echtgenote van achter heeft benaderd en haar met dat ceintuur gedurende vijf of zes minuten heeft gewurgd tot hij dacht dat ze dood was. Het hof was daarbij – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – niet gehouden om op elk onderdeel van het verweer apart in te gaan. 4.6 De klacht dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het standpunt van de verdachte in hoger beroep dat geen sprake was van voorbedachte raad, althans dat de verklaring van de verdachte over de toedracht van het hem tenlastegelegde vanwege zijn geestelijke stoornis onvoldoende betrouwbaar is te achten, mist naar ik meen feitelijke grondslag. Het hof heeft immers (onder het kopjes ‘voorbedachte raad’ en ‘betrouwbaarheid verklaringen verdachte’) in reactie op het verweer van de verdediging voldoende inzichtelijk gemaakt dat en waarom het hof de bekennende verklaringen van de verdachte betrouwbaar acht, het hof daarvan uitgaat en het mede op basis van die (betrouwbaar geachte) verklaringen tot het oordeel is gekomen dat er sprake is van voorbedachte raad. 4.7 De klacht dat het hof in het midden heeft gelaten of het moment van ‘zich beraden op het te nemen of genomen besluit’ is ontstaan tijdens- of voorafgaand aan de uitvoering, berust naar mijn oordeel op een verkeerde lezing van het arrest. Immers, in de vaststellingen van het hof ligt zonder meer als oordeel van het hof besloten dat de verdachte zich heeft ‘beraden’ voorafgaand aan de uitvoering. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de verdachte, nadat hij enkele uren met [slachtoffer] samen in de woonkamer had gezeten, heeft besloten haar te doden met het koord van zijn badjas en hij ‘daartoe’ de woonkamer is uitgelopen en de aangrenzende slaapkamer is gegaan alwaar hij het koord van de badjas heeft losgetrokken, met dat koord naar de woonkamer is gegaan en het koord om de nek van [slachtoffer] heeft gedaan en gedurende vijf of zes minuten heeft gehouden en daarmee pas stopte toen zij op de vloer viel en hij dacht dat zij dood was. 4.8 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 5 Het vierde middel 5.1 Het middel keert zich tegen het kennelijke oordeel van het hof dat een afdoening van de zaak met een eindarrest op (of kort na) 29 februari 2024 een afdoening binnen de redelijke termijn zou inhouden, omdat het hof daarbij ten onrechte een termijn van 24 maanden heeft aangehouden, terwijl de verdachte (ook) gedurende de procedure in hoger beroep in voorlopige hechtenis verbleef. 5.2 De verdachte is bij vonnis van 13 april 2022 door de rechtbank Den Haag veroordeeld. De akte instellen hoger beroep van 25 april 2022 vermeldt dat de verdachte op dat moment ‘uit anderen hoofde’ gedetineerd was in de [PI] . Uit een door mij opgevraagd detentieoverzicht d.d. 16 maart 2026 volgt evenwel dat de verdachte vanaf 21 oktober 2020 in voorlopige hechtenis heeft verkeerd wegens onderhavige zaak. 5.3 Op 18 december 2024 heeft het gerechtshof Den Haag arrest gewezen tegen de (in detentie verkerende) verdachte. 5.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2024 vermeldt dat de verdediging heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden met 16 maanden en het wrakingsincident de lange periode dat de zaak heeft stilgelegen niet rechtvaardigt. 5.5 Het hof heeft met betrekking tot de redelijke termijn als volgt overwogen: “Voor zover er een schending van de redelijke termijn in hoger beroep kan worden vastgesteld, is deze overschrijding geheel te wijten aan de verdediging. De inhoudelijke behandeling van de zaak kon immers niet reeds op 29 februari 2024 worden afgerond, nu de raadsman bij die zitting een wrakingsverzoek heeft gedaan.” 5.6 Het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Bij de berechting van de zaak is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) als de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet binnen twee jaren na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak.
Volledig
Als de verdachte gedurende een procesfase in totaal zestien maanden of langer heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis, dan moet de feitenrechter uitgaan van een duur van zestien maanden waarbinnen, na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel, de behandeling van de zaak op de terechtzitting in de betreffende instantie (eerste aanleg of hoger beroep) in de regel met een einduitspraak moet zijn afgerond. Niet (daarnaast) bepalend is of de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef op de dag dat zestien maanden zijn verstreken na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel. 5.7 Het kennelijke oordeel van het hof dat met een afgeronde behandeling van de zaak op 29 februari 2024 geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Immers in dat oordeel ligt besloten dat een redelijke termijn van 24 maanden van toepassing is, terwijl de verdachte zich in verband met deze zaak gedurende de procesfase van het hoger beroep in voorlopige hechtenis bevond en daarom een redelijke termijn van 16 maanden van toepassing is, die reeds op 25 augustus 2023 was verstreken. Daarmee slaagt het middel. 5.8 Ik meen evenwel dat het slagende middel niet tot cassatie behoeft te leiden, nu de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de opgelegde gevangenisstraf te vernietigen en deze vervolgens te verminderen. Duidelijk is immers dat de redelijke termijn – die in dit geval 16 maanden bedroeg, gerekend vanaf het instellen van het hoger beroep – in deze zaak is overschreden. In dit geval kan de Hoge Raad – evenals hij pleegt te doen ingeval van overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase – ‘naar bevind van zaken’ handelen en de straf verminderen. Daarbij meen ik dat de aard van de zaak, alsmede het belang van de nabestaanden en de samenleving dat aan de zaak een einde komt, met zich brengen dat de Hoge Raad de zaak zelf zal afdoen. 5.9 Bij de door mij voorgestelde manier van afdoening door de Hoge Raad heb ik tevens het volgende betrokken. Het hof heeft de verdachte naast de TBS-maatregel een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren opgelegd en heeft ex art. 37b lid 2 Sr geadviseerd de TBS-maatregel ‘niet later te executeren dan nadat twee derde van de gevangenisstraf is ondergaan’. Twee derde van 10 jaren resulteert in 80 maanden (zes jaren en acht maanden), zodat het advies ertoe strekt dat de behandeling wordt aangevangen ‘niet later’ dan april 2027. Terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe behandeling zou erin kunnen resulteren dat die plaatsing langer op zich laten wachten en aan het advies mogelijk geen gevolg zou kunnen worden gegeven, zodat de verdachte er bij terugwijzing mogelijk op achteruit gaat. 5.10 Het middel is terecht voorgesteld, maar behoeft niet te leiden tot cassatie. 6 Slotsom 6.1 De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. 6.2 Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 6.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar bevind van zaken en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Parketnummer 22-001194-22. Vgl. C.P.J. Scheele in: Handboek strafzaken , paragraaf 26.5.5.2 en 26.7.5. Zie in dat verband ook de conclusie van mijn ambtgenoot Aben, ECLI:NL:PHR:2020:123, punt 14. H.J. Smidt, Geschiedenis van het wetboek van strafrecht (1881-1886), deel II, p. 460. J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 284. J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 284. J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht , Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 285. Vgl. HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3426, NJ 2016/113 m.nt. N. Rozemond. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. B.F. Keulen, r.o. 3.3. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.8.4. onder d. Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.7 en 3.14-3.16. Herhaald in HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1775. HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1775, r.o. 3.3.2. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.6.4. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092, NJ 2022/278 m.nt. A.H. Klip, r.o. 3.5.