Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:PHR:2026:258
Strafrecht
4,019 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:258 text/xml public 2026-03-19T12:41:28 2026-03-15 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-17 23/05057 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:258 text/html public 2026-03-19T12:41:11 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:258 Parket bij de Hoge Raad , 17-03-2026 / 23/05057 Conclusie AG. Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep. In Nederlandse taal opgestelde dagvaarding in persoon uitgereikt aan verdachte die Nederlandse taal niet machtig is. Levert verzuim art. 260 lid 5 Sv verontschuldigbare termijnoverschrijding op? Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/05057 Zitting 17 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 12 december 2023 (parketnr. 21-004232-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 19 augustus 2022, waarbij hij wegens " bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.I. L'Ghdas, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep. Het procesverloop 4. Uit de stukken van het geding blijkt dat de inleidende dagvaarding op 21 juli 2022 in persoon aan de verdachte is uitgereikt. De verdachte is bij vonnis van 19 augustus 2022 door de politierechter in de rechtbank Gelderland bij verstek veroordeeld. Tegen dat vonnis is namens de verdachte op 4 oktober 2022 hoger beroep ingesteld. 5. De aantekening mondeling arrest houdt, voor zover relevant, het volgende in: “Ontvankelijkheid van het hoger beroep De dagvaarding om ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 augustus 2022 te verschijnen is op 21 juli 2022 aan verdachte in persoon uitgereikt. Verdachte is bij vonnis van 19 augustus 2022 bij verstek veroordeeld. Ingevolge artikel 408, eerste lid aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering had verdachte binnen veertien dagen ha de uitspraak van 19 augustus 2022 hoger beroep moeten instellen. De verdachte heeft eerst na het verstrijken van die termijn, op 4 oktober 2022, hoger beroep ingesteld. Door de verdediging is aangevoerd dat sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de appeltermijn, nu de uitreiking van de dagvaarding heeft plaatsgevonden zonder vertaling van de stukken. Uit de uitreiking van de dagvaarding op 21 juli 2022 blijkt niet dat gebruik is gemaakt van een tolk en/of vertaling. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het een voorwaarde is, in het geval verdachte de Nederlandse taal niet machtig is, de dagvaarding in diens eigen taal te vertalen. Het hoger beroep is ingesteld binnen 14 dagen nadat aan verdachte de mededeling uitspraak is uitgereikt. Volgens de verdediging is verdachte dan ook ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof overweegt hieromtrent als volgt: Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent in de regel dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. In het onderhavige geval is verdachte - die de Nederlandse taal niet machtig is - op 21 juli 2022 om 03.44 uur door twee BOA’s op heterdaad aangehouden ter zake van bedreiging en overgedragen aan de politie. Verdachte is diezelfde dag door de politie met telefonische bijstand van een tolk verhoord van 11.45 uur tot 12.30 uur. Vervolgens is aan de verdachte nog op het politiebureau de dagvaarding om ter terechtzitting van 19 augustus 2022 te verschijnen in persoon uitgereikt en is verdachte om 16.20 uur heengezonden. Achter de akte van uitreiking zit een voorgedrukt formulier ‘Bijlage vertalen dagvaarding - bij akte van uitreiking’ gevoegd, waarop door de uitreikende verbalisant het vakje is aangekruist waarachter staat vermeld ‘de verdachte heeft aangegeven dat hij of zij de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen’. Daarnaast bevindt zich bij de stukken een in de Arabische taal opgestelde vertaling van de dagvaarding. Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij van een concreet (in plaats en tijd eenvoudig af te bakenen) strafbaar feit werd verdacht en dat hij daaromtrent stukken uitgereikt heeft gekregen, waarvan het alleszins in de rede ligt te veronderstellen dat deze het gevolg van de justitiële interventie zouden betreffen dan wel duiden. Hoewel het dossier daartoe geen concrete aanknopingspunten biedt, ligt het alleszins voor de hand dat de verdachte bij de uitreiking c.q. de betekening de nodige uitleg zal zijn gegeven over de status en de betekenis van de dagvaarding. Het hof vindt daarvoor steun in de (ondertekende) mededeling van de uitreikende verbalisant dat verdachte heeft aangegeven de inhoud van de dagvaarding te hebben begrepen, terwijl het hof geen reden heeft om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen, mede gelet op het feit dat de uitreiking heeft plaatsgevonden na het met telefonische bijstand van een tolk afgenomen verhoor van verdachte. Daarenboven had de verdachte bij de uitreiking zelf de gelegenheid om navraag te doen naar de inhoud c.q. de betekenis van de aan hem uitgereikte stukken en had hij ook nadien de mogelijkheid om zich van de inhoud van dat stuk op de hoogte te stellen of nadere informatie in te winnen. In het licht van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte in voldoende mate heeft begrepen, althans heeft kunnen begrijpen, wat de betekenis was van de hem in persoon uitgereikte dagvaarding. Het is dan ook aan verdachte zelf te wijten dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Gelet hierop is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. Dat niet blijkt dat aan verdachte onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding is uitgereikt maakt het vorenoverwogene niet anders. Dit had mogelijk de politierechter aanleiding moeten geven de behandeling van de zaak aan te houden, maar maakt de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar. ” Een nadere omschrijving van het middel 6. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat hij geen beroep kan doen op een verschoonbare termijnoverschrijding, onbegrijpelijk is. Daartoe wordt in de kern aangevoerd dat bij de uitreiking in persoon van de inleidende dagvaarding aan een verdachte die de Nederlandse taal niet machtig is de eisen van artikel 260 lid 5 Sv niet in acht zijn genomen. Het juridisch kader 7. Op grond van artikel 260 lid 5 Sv wordt aan een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst een schriftelijke vertaling van de dagvaarding verstrekt. In plaats daarvan kan ook, voor zover het geen complexe strafzaak of tenlastelegging betreft, in een voor de verdachte begrijpelijke taal schriftelijk mededeling worden gedaan van de plaats, de datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen, een korte omschrijving van het feit waarvan hij wordt verdacht en de mededelingen als bedoeld in artikel 260 lid 3, tweede volzin, en lid 4 Sv. 8. Het huidige vijfde lid van artikel 260 Sv is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures.
Volledig
Over de strekking van die richtlijn wordt, voor zover van belang, in de preambule het volgende vermeld: “(5) In artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna het „EVRM”) en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna „het Handvest”) is het recht op een eerlijk proces vastgelegd. Artikel 48, lid 2, van het Handvest garandeert de eerbiediging van de rechten van verdediging. Deze richtlijn eerbiedigt deze rechten en moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd. (…) (14) Het recht op vertolking en vertaling ten behoeve van personen die de taal van de procedure niet spreken of verstaan, is vastgelegd in artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. De bepalingen van deze richtlijn vergemakkelijken de toepassing van dit recht in de praktijk. Te dien einde strekt deze richtlijn ertoe het recht een beklaagde of verdachte op vertolking en vertaling in strafprocedures te garanderen, met het oog op het verzekeren van zijn recht op een eerlijk proces.” 9. Artikel 3 van deze richtlijn omvat de verplichting van een lidstaat om een verdachte met het oog op een eerlijk proces te garanderen dat essentiële processtukken worden vertaald. Dit artikel luidt, voor zover van belang: “Recht op vertaling van essentiële processtukken 1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. 2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen. (…) 8. Van het in dit artikel bedoelde recht op vertaling van processtukken kan alleen afstand worden gedaan, als de verdachte of beklaagde vooraf juridisch advies heeft gekregen of anderszins volledig is geïnformeerd over de gevolgen van deze afstand en als de afstand op ondubbelzinnige wijze en vrijwillig is gedaan. ” 10. Er bestaat weinig rechtspraak van de Hoge Raad over de gevolgen van het verzuim van de in artikel 260 lid 5 Sv genoemde voorschriften. In vijf zaken die de Hoge Raad hebben bereikt, is dit verzuim aan de orde gesteld. In slechts twee zaken is de veronachtzaming van de vertalingsverplichting in verband gebracht met de verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de appeltermijn. In de andere zaken is het verzuim hoofdzakelijk gekoppeld aan het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Ten aanzien van de vraag welke gevolgen het verzuim heeft voor de termijnoverschrijding in hoger beroep bespreek ik daarom de volgende twee zaken. 11. In de eerste zaak, die leidde tot het arrest van HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1607, NJ 2014/411 m.nt. T.M. Schalken, had het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat de termijnoverschrijding aan hemzelf te wijten was, terwijl aan hem geen vertaling van de inleidende dagvaarding was uitgereikt. Het hof oordeelde dat het niet aannemelijk was geworden dat de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende beheerste om te kunnen begrijpen dat hij werd gedagvaard om ter terechtzitting te verschijnen. Bij dat oordeel had het hof betrokken dat de verdachte al ruim vijf jaar in Nederland woonde en sinds een aantal jaar een bedrijf had. Daarnaast had de verdachte, die ter zitting had verklaard dat hem de inhoud van een ander processtuk door zijn echtgenote was medegedeeld, zich door zijn Nederlands sprekende echtgenote kunnen laten inlichten over de inhoud van de dagvaarding. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. 12. Ook in de tweede zaak, die leidde tot het arrest van HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1541, NJ 2020/327 m.nt. J.W. Ouwerkerk, was de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, terwijl aan hem geen vertaling van de inleidende dagvaarding was uitgereikt. In deze zaak deed zich de omstandigheid voor dat de raadsman of raadsvrouw van de verdachte één dag voorafgaand aan de mondelinge uitspraak in eerste aanleg een faxbericht had gestuurd aan de kantonrechter. Dat bericht bevatte de mededeling dat de verdachte niet ter zitting zou verschijnen, omdat de dagvaarding niet vertaald was. Het hof had bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep ten nadele van de verdachte betrokken dat hij voorafgaand aan de zitting contact had opgenomen met een advocaat die niet alleen op de hoogte moet zijn geweest van de inhoud van de dagvaarding, maar ook van de dag van de terechtzitting. De verdediging had volgens het hof dan ook tijdig moeten informeren wat de kantonrechter met de mededeling van niet-verschijnen had gedaan, om eventueel binnen de daarvoor geldende termijn hoger beroep in te stellen. Nu dat niet was gebeurd, was de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. 13. Ik meen dat uit de nationale en internationale bepalingen en de rechtspraak van de Hoge Raad het volgende voortvloeit. Een waarborg voor een eerlijk proces is dat de verdachte de inhoud van essentiële processtukken, zoals de dagvaarding, kan begrijpen. De staat is in dat kader verantwoordelijk en op grond van artikel 260 lid 5 Sv verplicht om bij de uitreiking van de dagvaarding een vertaling daarvan in een voor de verdachte begrijpelijke taal te verstrekken, althans de verdachte schriftelijk in een voor hem begrijpelijke taal te informeren over de inhoud daarvan. Als de rechter niet kan vaststellen of de verdachte, anders dan door de schriftelijke vertaling of mededelingen, alsnog voldoende geïnformeerd is over de inhoud van de dagvaarding, terwijl de verdachte ook op een later moment niet bekend is geworden met de dag van de terechtzitting, moet de overschrijding van de appeltermijn wegens een bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheid verontschuldigbaar worden geacht. Daaraan doet in de regel niet af dat de verdachte zich niet heeft ingespannen om zich te laten informeren over de inhoud van de aan hem uitgereikte stukken. Dat kan anders zijn in het geval de verdachte wordt bijgestaan door een raadsman die over de dagvaarding kon beschikken. De bespreking van het middel 14. Uit de overwegingen van het hof en de overige stukken van het geding kan het volgende worden afgeleid. Aan de verdachte, die op dat moment niet werd bijgestaan door een raadsman, is de dagvaarding – gesteld in de Nederlandse taal – in persoon uitgereikt, terwijl hij de Nederlandse taal niet machtig is. Het hof heeft desondanks verondersteld dat hij voldoende geïnformeerd was over de inhoud van de aan hem uitgereikte dagvaarding en geoordeeld dat de overschrijding van de appeltermijn niet verontschuldigbaar is. 15. De bij dat oordeel betrokken omstandigheden kunnen dat oordeel niet dragen en komen mij bovendien contra-indicatief voor. Zo blijkt uit de stukken van het geding niet dat aan de verdachte schriftelijke mededelingen als bedoeld in artikel 260 lid 5 Sv zijn gedaan en blijkt evenmin dat de verdachte op andere wijze voldoende is geïnformeerd over de inhoud van de aan hem uitgereikte dagvaarding. Voor de aanname van het hof dat de verbalisant de verdachte “ de nodige uitleg zal hebben gegeven ”, zijn, zoals het hof ook heeft overwogen, geen concrete aanknopingspunten in het dossier te vinden. De verwijzing naar de bijlage bij de kopie van de uitgereikte dagvaarding, waarin door de uitreikende verbalisant is aangekruist dat de verdachte de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen, is niet toereikend. De omstandigheid dat de verdachte eerder die dag met telefonische bijstand van een tolk is verhoord geeft immers aanleiding te veronderstellen dat de verdachte die inhoud eerder niet dan wel heeft kunnen begrijpen.