Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:PHR:2026:256
Strafrecht
20,035 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:256 text/xml public 2026-03-20T10:22:48 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-17 24/01751 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:256 text/html public 2026-03-20T10:22:30 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:256 Parket bij de Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/01751 Conclusie AG. Verkrachting. M1 verdachte klaagt over motivering afwijzing uos tot vrijspraak omdat camerabeelden verklaring getuige zouden ontkrachten. Verwerping verweer is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd nu hof heeft vastgesteld dat er verschillende hiaten in camerabeelden zitten en door getuige omschreven gedragingen tijdens hiaten hebben kunnen plaatsvinden. Bovendien vindt verklaring getuige bevestiging in verschillende bewijsmiddelen. M2 bevat falende klacht dat hof ten onrechte verweer heeft verworpen dat OM niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden om schending art. 14 lid 5 IVBPR te voorkomen. Middel bp klaagt tevergeefs over begroting immateriële schade en hoogte toegewezen vergoeding. Conclusie strekt tot verwerping beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01751 Zitting 17 maart 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 23 april 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001227-21) wegens "verkrachting", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en de verdachte in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat in Maastricht , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft F.E.L. Teerling een schriftuur met daarin één middel ingediend. Middels een verweerschrift is daarop namens de verdachte gereageerd. 1.3 De middelen van de verdachte gaan over de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak en over de verwerping van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Het middel van de benadeelde partij klaagt over de hoogte van de toegewezen vergoeding voor immateriële schade. 2 De middelen die namens de verdachte zijn voorgesteld 3. Het eerste middel 3.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het ten laste gelegde feit niet heeft plaatsgevonden zodat vrijspraak had moeten volgen, althans dat de afwijking daarvan onbegrijpelijk is. In de toelichting wordt daartoe gewezen op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de camerabeelden in relatie tot de verklaring van de [getuige 1] . Meer specifiek acht de steller van het middel het onbegrijpelijk dat het hof heeft geredeneerd dat de door de [getuige 1] beschreven gedragingen die niet op de camerabeelden zijn waar te nemen, hebben kunnen plaatsvinden gedurende de hiaten in die camerabeelden. De bewijsvoering van het hof en het verweer van de verdediging 3.2 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat: “hij op 20 september 2020 in [plaats] door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld hieruit dat hij, verdachte, - boven op die [slachtoffer] is gaan liggen en - met een vuist slaande bewegingen tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gemaakt en - kleding over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken en - die [slachtoffer] heeft vastgehouden en - (met kracht) de benen van die [slachtoffer] uit elkaar heeft geduwd, althans doende is geweest die benen uit elkaar te duwen.” 3.3 Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen opgenomen: “ 1. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen) d.d. 21 september 2020, pagina 14 en 15 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Op 20 september 2020, om 22.47 uur, kwamen wij ter plaatse op de [a-straat] te [plaats] . Wij zagen dat er, ter hoogte van huisnummer [… ] , een man naar ons zwaaide. Dit bleek de later te noemen melder en [getuige 1] . Hij bracht ons naar de portiek van het gebouw op huisnummer [… ] . Wij zagen dat daar een vrouw op de grond zat. Dit bleek het later te noemen [slachtoffer] ( het hof begrijpt: [slachtoffer] ) te zijn. Wij zagen dat zij bloed op haar gezicht had. Wij hoorden dat zij een onsamenhangend verhaal vertelde. Wij hoorden dat zij zei: "hij heeft mijn broek afgetrokken”. [slachtoffer] maakte een erg verwarde indruk op ons. Wij spraken met [getuige 1] . Wij hoorden dat hij zei dat hij een roep om hulp hoorde. Toen hij ging kijken zag hij dat de verdachte zijn broek op zijn knieën had. Hij zag dat de verdachte probeerde de kleding van het slachtoffer uit te trekken. Hij zag daarbij dat de verdachte het slachtoffer meerdere malen in het gezicht sloeg. Wij hoorden dat [getuige 1] zei dat hij de verdachte herkende als [verdachte] ( het hof begrijpt: [verdachte] ). Om 22.54 uur kwam de ambulance ter plaatse. Na onderzoek van het slachtoffer besloten zij haar mee te nemen naar het [ziekenhuis] te [plaats] . Wij hoorden dat de verpleegkundige van de ambulance zei dat [slachtoffer] aangaf daadwerkelijk verkracht te zijn. 2. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen) d.d. 21 september 2020, pagina 29 en 30 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] : Op 20 september 2020, omstreeks 00.25 uur, waren wij, verbalisanten, in het [ziekenhuis] te [plaats] . Naar de huisartsenpost van het [ziekenhuis] was per ambulance overgebracht de later volledig te noemen [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1986. Wij, verbalisanten, zagen dat [slachtoffer] bloeduitstortingen in haar gezicht had. 3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 september 2020, pagina 34 tot en met 36 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 5] : Op maandag 21 september was ik als zeden rechercheur aanwezig in het [ziekenhuis] te [plaats] . Wij werden opgevangen door de dienstdoende verpleegkundige en gynaecoloog. Door hen werd aan mij medegedeeld dat: Door de verpleging was gezien dat [slachtoffer] een bloedneus, wondjes aan haar gezicht en een hematoom aan de rechterzijde van haar hoofd had. Door de dienstdoende psychiater was [slachtoffer] bezocht. Deze gaf aan dat vanuit de gegevens van [slachtoffer] bekend was dat zij gediagnosticeerd was met psychoses en een persoonlijkheidsstoornis. In dit geval was dat borderline. Mogelijk zat [slachtoffer] nu in een psychose. Zij weigerde medisch onderzoek en hulp. Dit had als gevolg dat zij de morning afterpil zou krijgen en ontslagen zou worden omdat verdere behandeling niet mogelijk zou zijn. Op de vraag of zij in eigen woorden wilde vertellen wat er gebeurd was, verklaarde zij dat ze haar vrijdag bij het D&O (het hof begrijpt: de dag- en nachtopvang) niet op straat hadden moeten laten slapen waardoor er zoiets kon gebeuren. Ze had van te voren met die jongen normaal gepraat. Dat het niet normaal was dat ze haar op straat hadden laten slapen. 4. Het proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen) d.d. 21 september 2020, pagina 37 van het eindproces-verbaal. Voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 5] : Op maandag 21 september 2020 werd door mij gesproken met [slachtoffer] . Tijdens het gesprek had [slachtoffer] zichtbaar letsel in haar gezicht. Te zien was dat zij een duidelijke verkleuring had rondom haar linkeroog en onder haar linkeroog. Ook was te zien dat zij een bult, verdikking, had welke rood gekleurd was, boven haar rechterslaap. Op haar rechterwang had zij een kleine snede. Op haar linkerwang, bij haar mond, had zij een kleine verwonding.
Volledig
Onder haar neus, op haar bovenlip, was een verkleuring zichtbaar. 5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 september 2020, pagina 41 en 42 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] : Op 20 september 2020, omstreeks 22.30 uur, kwam ik met mijn auto aan bij de dag- en nachtopvang gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik moest daar de nachtdienst werken als sociaal pedagogisch medewerker. Toen ik mijn auto op de [a-straat] had geparkeerd en uitstapte, ben ik op het geluid afgegaan. Ik zag vervolgens op de parkeerplaats van [… ] links, bij de zijingang van de receptie van [… ] , twee personen op de grond liggen. Ik hoorde dat het gekerm luider werd. Ik liep over het grasveldje dichterbij. Ik zag dat de mij bekende cliënt genaamd [verdachte] ( het hof begrijpt telkens: de [verdachte] ) boven op een ander persoon lag. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechter gebalde vuist slaande bewegingen maakte naar de persoon die onder hem lag. Ik zag dat de onderste persoon zich hevig verzette. Ik zag en hoorde dat [verdachte] de persoon onder zich op het hoofd sloeg en hoorde die persoon roepen: "Nee niet doen, help help”. Ik hoorde toen aan de stem dat het een vrouw betrof. Ik zag dat de vrouw een trui of een hemd over het hoofd had. Ik zag dat de armen van deze vrouw hierin verstrikt waren. Ik zag dat [verdachte] met zijn linkerhand haar bij het hoofd aan haar trui of T-shirt vasthield, hij met zijn rechtervuist twee of drie maal op het hoofd sloeg en met zijn rechterhand weer probeerde de benen van de vrouw uit elkaar te krijgen. Toen dat niet lukte zag ik dat [verdachte] haar weer sloeg op haar hoofd. Ik zag dat [verdachte] zijn broek en onderbroek tot zijn knieën had afgetrokken. Ik zag dat [verdachte] met zijn middel tussen de benen van de vrouw lag. Ik besefte toen dat er iets ergs aan de hand was. Ik heb [verdachte] vervolgens van het slachtoffer afgetrokken. Ik zag toen dat [verdachte] een erectie had. Ik riep tegen [verdachte] dat wanneer hij iets zou doen ik hem zou slaan. [verdachte] heeft toen snel zijn broek en onderbroek opgetrokken en is weggerend. Ik liep naar het slachtoffer toe en zag dat het bovenlichaam ontbloot was. Ik zag dat haar eigen trui en jas over haar hoofd was getrokken. Ik zag dat de kraag van de jas onder het bloed zat. Ik zag dat haar armen nog steeds verstrengeld waren in de jas en trui. Ik zag dat het onderlichaam van de vrouw geheel ontbloot was. Ik zag dat zij diverse zichtbare verwondingen in haar gezicht had. Ik heb haar uit deze positie bevrijd. Ik zag toen dat het ook een cliënt van mij is. Zij is genaamd [slachtoffer] . Ik kan u het navolgende signalement van [verdachte] geven: - man - donkere huidskleur - rood trainingsjasje - zwarte trainingsbroek met aan beide zijden een dubbele witte streep. 6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 september 2020, pagina 43 tot en met 48 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] : Toen ik buiten stond met [getuige 2] ( het hof begrijpt: [getuige 2] , bewijsmiddel 7 ), toen de politie er was voor onderzoek en de verdachte weg was en voor [slachtoffer] de ambulance er was, stond een van de cliënten van de Dag en Nacht opvang bij ons. Dit was [getuige 4] ( het hof begrijpt: [getuige 4] , bewijsmiddel 9 ). Hij vertelde ons: " [bijnaam verdachte] heeft verteld, hij heeft haar geslagen en geneukt." [getuige 2] heeft nog langer met [getuige 4] gesproken. Ik ken [verdachte] al minimaal een jaar, vanaf dat hij bij ons binnen is. [slachtoffer] heeft een laag IQ. Ze is niet zelf redzaam. Ze heeft het niveau van een klein kind. Ik heb een intake met haar gedaan. Ze had zich misdragen. Daardoor mocht ze dus ook niet bij ons binnen komen tot maandag 21 september 2020. Dat is de reden dat ze buiten bij de portiek lag te slapen. Toen [verdachte] weg was schreeuwde [slachtoffer] nog steeds in paniek. Ze riep: "Ga weg, ik ben verkracht, hou op.". Ze praatte tegen zich zelf, van "nee, ik wil dit niet". Ze hoort thuis in de verstandelijk gehandicapten zorg. 7. Het proces-verbaal van verhoor getuige (met bijlagen) d.d. 29 september 2020, pagina 52 tot en met 55 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] : V: Vraag verbalisant A: Antwoord getuige O: Opmerking verbalisant O: Ik wil je graag horen over de avond van zondag 20 september 2020 op maandag 21 september 2020 naar aanleiding van het voorval bij de dag- en nachtopvang te [plaats] , alwaar jij werkzaam bent. V: Wat kun je vertellen over die avond? A: Ik kwam die avond aan met mijn auto. Het zal omstreeks 23.00 uur geweest zijn. Ik zag toen politie en een ambulance aan de overzijde van de [… ] staan, daar bij de [… ] bussen. Ik zag daar ook twee collega’s van mij staan, [getuige 1] en [betrokkene 1] . Ik liep gelijk in hun richting om te kijken wat er aan de hand was. [getuige 1] vertelde mij gelijk toen ik bij hun was aangekomen: “ [verdachte] was volle bak [slachtoffer] aan het verkrachten.” Hij vertelde dat [verdachte] was weggerend. Ik zag [slachtoffer] zitten met ambulancepersoneel erbij. Ik heb hun verteld dat [slachtoffer] niet in staat is een fatsoenlijke verklaring af te leggen. [slachtoffer] is heel erg psychotisch, Ze is pas recent hier bij ons gekomen en toen heeft ze door haar gedrag al een sanctie gekregen. [verdachte] wordt door sommigen [bijnaam verdachte] genoemd. Hij is van [… ] afkomst. Ik ken hem een jaar. V: Wat is er verder gebeurd die avond? A: (..).We wilden weer samen naar binnen lopen en wilden de weg oversteken, toen zagen we rechts op het einde van de straat twee personen staan. Toen we bij hun kwamen zagen wij dat het [getuige 4] (het hof begrijpt telkens: [getuige 4] ) was en de onbekende [… ] waar ik de naam niet van ken. Toen gingen we een praatje met [verdachte] en de [… ] maken. [getuige 4] antwoordde: "Ik vertel jullie in vertrouwen, ze zoeken [verdachte] ". Wij vroegen: "waar is [verdachte] dan?". [getuige 4] antwoordde: "Ik heb hem verstopt". Wij vroegen: "Waarom?". [getuige 4] antwoordde: " [verdachte] kwam naar ons toe gerend en hij zei tegen mij: "Ik heb haar geslagen en ik heb haar geneukt.”. 8. Het proces-verbaal van verhoor getuige (met bijlagen) d.d. 8 oktober 2020, pagina 59 tot en met 63 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3] : V: Vraag verbalisant A: Antwoord getuige O: Opmerking verbalisant O: We wiIlen je graag horen over de avond van zondag 20 september 2020 op maandag 21 september 2020 naar aanleiding van het voorval met [bijnaam verdachte] oftewel [verdachte] , bij de DNO, dag- en nachtopvang, te [plaats] , alwaar jij ook verblijft. V: Hoe noem jij hem? A: [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] of [verdachte] . V: Wat kun je ons vertellen over die nacht van 20 op 21 september 2020? A: Wij waren hier binnen en gingen naar buiten. Wij zagen de [bijnaam verdachte] met dat meisje zitten en ik dacht dat zij iets met elkaar hadden. [verdachte] zei tegen mij dat wij zouden gaan omdat zij misschien privacy wilde. Wij zijn weggegaan en zijn naar de tent gegaan. V: Waarom gingen jullie weg? A: Wij hadden eerder de [bijnaam verdachte] en dat meisje gezien. Daarna zijn wij naar de tent gegaan. Wij zagen de [bijnaam verdachte] en dat meisje, bij de bushalte. Daar heb je links een parkeerplaats en rechts naast het gebouw een portiekje, daar zat de [bijnaam verdachte] met dat meisje. Volgens mij was dat meisje niet goed. Als ik haar zag dan was er iets met haar. Dat kan je meteen zien. Ze leek in de war. V: Wat voor kleding droeg jij die avond? A: Spijkerbroek en shirt van Max Verstappen. De [bijnaam verdachte] droeg een rode jas en een zwarte trainingsbroek. 9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2020, pagina 67 en 68 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] : Op 28 september 2020 bevonden wij, verbalisanten, ons in een pand van het Leger des Heils, gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats] . Aldaar bevond zich een getuige van een verkrachting welke had plaatsgevonden op 20 september 2020.
Volledig
De identiteitsgegevens van de getuige waren genoteerd aan de hand van zijn identiteitsbewijs. Aansluitend begon de verdachte ( het hof begrijpt: de getuige ) navolgende te vertellen: - op zondagavond zat ik met [getuige 3] ( het hof begrijpt telkens: [getuige 3] ), twee Hollanders en twee Turken bier te drinken bij het kantoor van de bus; - wij zaten buiten; - die [bijnaam verdachte] was daar ook bij, maar op een gegeven moment misten wij hem en gingen kijken waar hij was; - ik ging samen met [verdachte] om de hoek van het kantoor van de bus kijken; - ik zag een meisje op de grond liggen met haar ogen open; - de [bijnaam verdachte] lag achter tegen het meisje aan, had haar vastgepakt en streelde over haar haar; - ik ben toen met [verdachte] teruggegaan naar mijn tent; - tijdje later komt die [bijnaam verdachte] en zegt "ruik eens aan mijn vingers” en steekt wijs- en middelvinger van zijn rechterhand naar mij toe; - [bijnaam verdachte] zegt “vingers in kut en geneukt”; - de [bijnaam verdachte] was zondag gekleed in een rood trainingsvest en zwarte broek. Getuige: [getuige 4] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] . 10. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 juli 2021, pagina 161 tot en met 166 van het dossier hoger beroep, voor zover inhoudende als verklaring van de [getuige 1] : O: Wij laten getuige via de laptop de camerabeelden zien. V: Benoem maar wat je ziet. A: Ik herken het portaal van [… ] . Ik zie dat er 2 personen op de grond zitten. Ik zie dat [verdachte] weg loopt. Hierna zie ik [slachtoffer] daar lopen. Daarna zie ik dat [verdachte] weer terug komt. Daarna komen 2 mannen aanlopen, richting het portaaltje dit zijn [getuige 4] en [getuige 3] . Dat komt [verdachte] weer om de hoek, hij loopt weer naar het portaal terug. [getuige 4] en [getuige 3] lopen weer weg uit het portaal. [verdachte] blijft in het portaal. Ik zie mezelf aankomen. Ik ben me aan het bedenken: Wat is dit wat gebeurt hier? Dat sta ik te bekijken en dan ga ik handelen. Ik ga daarna bellen, 112. Hierna zie ik dat [verdachte] mij voorbij wil lopen. Het meisje bleef zitten en schreeuwen. Op het moment dat ik aankwam wist ik nog niet dat het [slachtoffer] was. Dat kwam omdat de voorkant van haar trui of jas over haar hoofd was getrokken. Haar armen waren daar helemaal in verstrengeld. Vervolgens liep [verdachte] weg. Ik ben nog achter [verdachte] aangelopen en heb hem nog nageroepen dat hij terug moest komen. Ik zag dat [verdachte] doorliep, voor het gebouw langs. Toen hij een stuk verder was, zag ik dat hij ging rennen. Ik was nog steeds aan het bellen. Ik ben weer teruggelopen naar [slachtoffer] . Ik zag dat ze heel erg gedesoriënteerd was. Ik hoorde dat ze riep: "dit mag niet”. Ik zag dat ze opstond en ik zei haar dat ze haar broek op moest trekken. Ik zei dat de hulpverlening onderweg was. Ik hoorde dat ze riep: "ik ben verkracht, ik ben verkracht, ik wilde dit niet”. Ze was ook bebloed in haar gezicht, voornamelijk rondom haar neus en bij de lippen. 11. De verklaring van de [getuige 1] zoals afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof in hoger beroep d.d. 9 april 2024, voor zover inhoudende: U houdt mij voor dat het NFI onderzoek heeft gedaan naar de camerabeelden en dat er binnen film 1 en film 2 periodes zijn dat er geen beelden beschikbaar zijn. Er zitten hiaten in de beelden en er zijn (kleine) inconsistenties aangetroffen in het verloop van de tijdstempels. De missende beelden zijn niet aangetroffen in de aangeleverde videobestanden en kunnen daarom niet worden hersteld. Ik blijf bij mijn eerdere verklaringen. Ik parkeerde mijn auto om naar mijn werk te gaan. Ik hoorde een geluid en ging kijken. Ik zag dat [verdachte] bovenop iemand lag. Hij had zijn broek naar beneden. Hij sloeg de andere persoon. Ik blijf er bij dat ik hem van [slachtoffer] heb afgetrokken ook al staat dat niet op de beelden. Dat niet te zien is dat hij voorbij rent klopt omdat hij pas verderop is gaan rennen, buiten beeld van de camera. Dat ik een beetje op afstand blijf van [slachtoffer] is omdat zij aan het schreeuwen was en onvoorspelbaar is. 12. Het proces-verbaal forensisch onderzoek verdachte zedenzaak d.d. 23 november 2020, pagina 76 tot en met 78 van het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] : Op 21 september 2020 om 16.45 uur kwamen wij voor forensisch onderzoek aan de verdachte op districtsbureau politie Maastricht te Maastricht . Verdachte Achternaam : [verdachte] Geboren : [geboortedatum] 1980 Geboorteplaats : [geboorteplaats] Op 21 september 2020 heeft forensisch arts [deskundige 1] in ons bijzijn een zedenset afgenomen van de verdachte. Sporendragers Goednummer : PL2300-2020152076-1352653 SIN : ZAAD1615NL Object : Zedenkit Bijzonderheden : Zedenset verdachte 13. Het rapport van The Maastricht Forensisc Institute te Maastricht d.d. 10 juni 2021, opgemaakt door TMFI-deskundige [deskundige 2] , pagina 184 tot en met 187 van het dossier hoger beroep, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur: Ontvangen materiaal Tabel 1 Ontvangen sporenmateriaal SIN-nummer Beschrijving item ZAAD1615NL Zedenkit van verdachte: - onderzijde rand eikel/slijmvlies voorhuid nat en droog - penishuid nat en droog - liezen en scrotum nat en droog Tabel 2 Ontvangen referentiemateriaal SIN-nummer Beschrijving item Rol/persoon Geboren op WAAD2056NL Wangslijmvlies [verdachte] [geboortedatum] 1980 Interpretatie DNA-resultaten Tabel 3 Resultaat van het DNA-onderzoek Bemonstering DNA-profiel Mogelijke donor van celmateriaal Onderzijde rand eikel/slijmvlies ZAAD1615NL#01 DNA-profiel van een man. De frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Er is een gering aantal, zwak aanwezige, additionele kenmerken aangetoond. Deze zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] . Penishuid ZAAD1615NL#02 DNA-profiel van een man. De frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] . Liezen en scrotum ZAAD1615NL DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA- hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard. De additionele kenmerken van de minder prominent aanwezige donoren zijn geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek met het DNA-profiel van een persoon Het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [verdachte] . [slachtoffer] kan donor zijn van een relatief geringe, hoeveelheid celmateriaal in de bemonstering. Berekening van de bewijskracht donorschap Om een uitspraak te doen over het mogelijke donorschap van celmateriaal van [slachtoffer] in de bemonstering liezen en scrotum ZAAD1615NL#03 is de likelihood-ratio methode toegepast. Hypothese 1 : de bemonstering van het spoor bevat DNA van [verdachte] en [slachtoffer] . Hypothese 2 : de bemonstering van het spoor bevat DNA van [verdachte] en één onbekende, niet verwante persoon. De resultaten van het onderzoek aan de bemonstering zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. Er wordt gebruik gemaakt van de volgende reeks waarschijnlijkheidstermen met bijbehorende likelihood ratio: Extreem veel waarschijnlijker > 1.000.000 14. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] , afgelegd op 31 oktober 2023: Ik had last van psychoses in het verleden. Daarom zit ik langdurig gesloten bij [instelling 1] . Ik heb last van PTSS en bipolaire stoornis en ben depressief geweest. Ik zit er sinds anderhalf jaar, daarna ga ik naar een beschermde woonvorm. Zo’n man kwam van hoe gaat het. Die man heette [verdachte] . Die kwam met twee vrienden en een blikje bier. Die man kwam opeens de hoek om terwijl ik mijn slaapspullen aan het klaar leggen was. Toen zei die hoi tegen me. En toen waren we gewoon aan het praten met elkaar. En tijdens het praten werd die agressief en toen is het gebeurd. Het klopt dat ik help riep. Het klopt dat ik riep ik ben verkracht. Hij heeft me geslagen.
Volledig
Ik ben verkracht. Mijn broek is naar beneden getrokken. Verkrachten is als je tegen je wil in seks hebt gehad. Dat hij zijn penis in mij heeft gestoken. Dat is de seks geweest die ik tegen mijn wil heb gehad.” 3.4 Met betrekking tot het bewijs heeft het hof als volgt overwogen: “ Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, in de kern aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De verklaringen van [getuige 1] worden weerlegd door de camerabeelden en zijn dus in strijd met de waarheid. Bovendien dient de verklaring van de anonieme getuige uitgesloten te worden van het bewijs, nu de verdediging deze getuige, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet heeft kunnen horen. Voorts zijn de verklaringen van het beweerdelijke slachtoffer niet betrouwbaar nu zij wisselend heeft verklaard en zij pas ruim drie jaren na het tenlastegelegde heeft verklaard dat zij zou zijn mishandeld en verkracht. Tot slot vormt het uitgevoerde DNA-onderzoek evenmin wettig en overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde, nu daaruit niet meer volgt dan dat er in de bemonstering van het scrotum en de liezen van de verdachte, naast het DNA van de verdachte, DNA is aangetroffen van een willekeurig ander levend wezen, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1] Door de raadsman van de verdachte is bepleit dat de 112-melding, welke is gedaan door [getuige 1] , de verklaring welke [getuige 1] op 21 september 2020 heeft afgelegd, alsmede de verklaringen die hij in een later stadium nog heeft afgelegd, feitelijk onjuist zijn en dat [getuige 1] over essentiële punten heeft gelogen, onder andere over dat het beweerdelijke slachtoffer werd verkracht en werd geslagen, dat zij deels ontbloot was, dat hij [getuige 1] , de beweerdelijke dader van het beweerdelijke slachtoffer zou hebben afgetrokken en dat de beweerdelijke dader zou zijn weggerend. Op de camerabeelden zijn deze handelingen immers geen van alle te zien. De verklaringen van [getuige 1] worden aldus weerlegd door de camerabeelden. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Door [getuige 1] is op 20 september 2020 omstreeks 22.40 uur via het alarmnummer melding gedaan van aanranding. Deze melding is woordelijk uitgewerkt en deze uitwerking maakt onderdeel uit van het procesdossier. Vervolgens is [getuige 1] kort na het incident, op 21 september 2020 om 01.19 uur, door de politie als getuige gehoord en vervolgens nogmaals op 25 september 2020. Door de politie zijn ook de beelden van de camera’s welke zicht hadden op de portiek alwaar het strafbare feit zich zou hebben afgespeeld, veiliggesteld en bekeken. Op 22 juli 2021 is [getuige 1] nogmaals als getuige gehoord waarbij hij is geconfronteerd met deze camerabeelden, omdat bepaalde handelingen waarover de getuige in zijn eerdere verklaringen heeft verklaard, niet op de camerabeelden waar te nemen zijn. [getuige 1] heeft bij gelegenheid van dit verhoor onder andere verklaard dat op de camerabeelden inderdaad niet te zien is dat hij de verdachte van het slachtoffer aftrekt, maar dat hij zeker weet dat hij dit heeft gedaan. Op verzoek van de verdediging is in hoger beroep aan het NFI opdracht gegeven om de kwaliteit van de camerabeelden te verbeteren. Door het NFI zijn uitsneden gemaakt van de relevante gebieden in de beelden en zijn de beelden van de twee verschillende camerapunten (‘film 1’ en ‘film 2‘) in tijd gesynchroniseerd. Hierbij is geconstateerd dat zowel in film 1 als in film 2 perioden aanwezig zijn waarin geen beelden beschikbaar zijn, waarbij de lengte van de perioden waarin geen beelden beschikbaar zijn kan oplopen tot enkele minuten. Er zitten dus hiaten in de camerabeelden. Ter terechtzitting in hoger beroep is de [getuige 1] onder ede gehoord, waarbij tevens de door het NFI ingezoomde en in tijd gesynchroniseerde beelden zijn bekeken. Hierbij is geconstateerd dat in de camerabeelden verschillende perioden aanwezig zijn waarin geen beelden beschikbaar zijn. Het hof heeft geconstateerd dat vanaf het moment dat [getuige 1] in beeld komt omstreeks 21:23:22 uur, tot het moment dat de verdachte wegloopt in de richting van de [b-straat] en uit beeld verdwijnt omstreeks 21:24:30 uur, in de camerabeelden vijf perioden aanwezig zijn waarin geen beelden beschikbaar zijn, waarbij de lengte van die perioden oploopt van ongeveer viertiende van een seconde tot ruim tien seconden. Vanaf het moment dat de verdachte uit beeld is verdwenen tot het moment dat de politie omstreeks 21:30:57 uur aan komt rijden, zijn in de camerabeelden nog eens twaalf perioden aanwezig waarin geen beelden beschikbaar zijn. De lengte van deze perioden loopt op van ruim ééntiende van een seconde tot ruim één minuut. Het hof is van oordeel dat [getuige 1] in zijn verschillende verklaringen in de kern telkens consistent heeft verklaard over hetgeen hij heeft waargenomen. Daarnaast vinden de verklaringen van [getuige 1] steun in andere bewijsmiddelen, zoals onder andere het DNA-onderzoek en de waarnemingen van verschillende verbalisanten dat het slachtoffer bloed(uitstortingen) in haar gezicht had. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar zijn en derhalve tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Dat de verklaringen van [getuige 1] op onderdelen niet ondersteund worden door de camerabeelden, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt zijn verklaringen niet ongeloofwaardig en onbetrouwbaar aangezien in de camerabeelden, zoals hiervoor is vastgesteld, vanaf het moment dat [getuige 1] in beeld komt tot het moment dat de verdachte uit beeld verdwijnt, hiaten aanwezig zijn, oplopend tot ruim, tien seconden. Over het wegrennen door de verdachte heeft de [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit gebeurde buiten het bereik van de camera’s. De camerabeelden sluiten de juistheid van de verklaringen van [getuige 1] derhalve niet uit.” 3.5 In de toelichting op het middel verwijst de steller van het middel naar een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de camerabeelden in relatie tot de verklaringen van de hulpverlener [getuige 1] . Vervolgens worden verschillende onderdelen uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en uit de pleitnota aangehaald. Het hof heeft hetgeen de raadsman heeft aangevoerd op dit punt kennelijk aangemerkt als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en heeft dit standpunt samengevat in de eerste alinea onder het kopje ‘Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1] ’. Tegen die lezing van het verweer wordt in cassatie niet opgekomen, zodat ik daarvan uitga. De bespreking van het eerste middel 3.6 Het standpunt van de verdediging in hoger beroep houdt in, kort gezegd, dat de camerabeelden de verklaring van [getuige 1] weerspreken nu bepaalde essentiële handelingen waarover de getuige heeft verklaard daarop niet terug te zien zijn, zodat hij daarover heeft gelogen en zijn verklaring dus niet betrouwbaar is. De onderdelen van de verklaring die bedoeld worden zijn: dat de verdachte het slachtoffer heeft verkracht, dat hij haar heeft geslagen, dat hij bovenop haar lag, dat zij deels ontbloot was, dat de getuige de verdachte van het slachtoffer heeft afgetrokken en dat de verdachte is weggerend. Het hof heeft dit standpunt verworpen en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de camerabeelden de juistheid van de verklaringen van [getuige 1] niet uitsluiten omdat verschillende handelingen hebben kunnen plaatsvinden binnen het tijdsbestek van de hiaten in de camerabeelden. Daarnaast vinden de verklaringen van [getuige 1] voldoende steun in overige bewijsmiddelen, aldus het hof. 3.7 Mijns inziens heeft het hof daarmee toereikend gemotiveerd waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdediging.
Volledig
Wat betreft de begrijpelijkheid daarvan merk ik op dat het oordeel van het hof dat de verklaringen van [getuige 1] (zoals opgenomen in de bewijsmiddelen 5, 6, 10 en 11) voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen geenszins onbegrijpelijk is. Uit die bewijsmiddelen kan immers worden opgemaakt dat het slachtoffer net na het delict heeft gezegd dat haar broek was afgetrokken en dat zij verkracht was (bewijsmiddel 1), dat zij later vergelijkbaar heeft verklaard (bewijsmiddel 14), dat het slachtoffer letsel aan haar hoofd had (bewijsmiddelen 2, 3 en 4), dat een omstander heeft gezien dat het slachtoffer op de grond lag en de verdachte tegen haar aan lag, haar had vastgepakt en haar haar streelde (bewijsmiddel 9), dat de verdachte tegen omstanders heeft gezegd “ik heb haar geslagen en ik heb haar geneukt” (bewijsmiddel 7) en “ruik eens aan mijn vingers”, waarna de verdachte zijn wijs- en middelvinger omhooghield en zei “vingers in kut en geneukt” (bewijsmiddel 9), dat op de liezen en het scrotum van de verdachte DNA is aangetroffen waarvan het extreem veel waarschijnlijker is dat het afkomstig is van de verdachte en het slachtoffer dan van de verdachte en een onbekende, niet verwante persoon (bewijsmiddel 13). Deze bewijsmiddelen bevestigen de verklaringen van [getuige 1] aldus op verschillende onderdelen. Gelet op het feit dat het hof heeft vastgesteld dat er vanaf het moment dat [getuige 1] komt aanlopen tot het moment dat de verdachte wegloopt verschillende hiaten in de camerabeelden zitten die oplopen tot ruim tien seconden, is het bovendien niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de door [getuige 1] omschreven en door de verdediging betwiste gedragingen tijdens die hiaten hebben kunnen plaatsvinden. 3.8 Het eerste middel van de verdachte faalt. Het tweede middel 3.9 Het tweede middel klaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep ten onrechte heeft verworpen althans heeft verworpen op gronden die die verwerping niet kunnen dragen. In de toelichting op het middel wordt in de kern aangevoerd dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren om daarmee een schending van art. 14 lid 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) te voorkomen. Daarbij lijkt de steller van het middel de Hoge Raad ertoe aan te willen zetten zijn standaardjurisprudentie zoals die volgt uit HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer (Post-Jaddoe), te herzien. De overwegingen van het hof en het verweer van de verdediging 3.10 Het hof heeft het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep samengevat. Die lezing van het verweer wordt door de steller van het middel in cassatie niet bestreden zodat daarvan mag worden uitgegaan. Het hof heeft als volgt overwogen (met weglating van voetnoten): “ Ontvankelijkheid van het hoger beroep De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, bepleit het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep. Daartoe is in de kern, onder verwijzing naar de beslissing van het VN-Mensenrechtencomité van 2 september 2022 in de zaak Jaddoe versus Nederland, aangevoerd dat in situaties als de onderhavige, waarbij de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en het Openbaar Ministerie hoger beroep instelt, het Nederlandse strafproces niet voldoet aan artikel 14, vijfde lid, IVBPR. De Nederlandse cassatieprocedure is namelijk niet bedoeld als een procedure waarbij een verdachte zijn veroordeling en schuldigverklaring opnieuw aan een feitenrechter kan voorleggen. Het hof overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn ‘post Jaddoe’ arrest van 24 januari 2023 overwogen dat het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe tegen Nederland een schending van artikel 14, vijfde lid van het IVBPR heeft aangenomen en bij die zienswijze heeft betrokken dat de Hoge Raad het cassatieberoep had verworpen met een verkorte, aan artikel 81, eerste lid van de Wet RO ontleende motivering. Volgens het VN-Mensenrechtencomité had deze wijze van afdoening "in these specific circumstances" tot gevolg dat er geen ‘review’ had plaatsgevonden die voldoet aan de eisen van artikel 14, vijfde lid, IVBPR, "due to the lack of evidence that the Supreme Court sufficiently reviewed the facts and evidence in the author’s case”. In het licht van het voorgaande begrijpt de Hoge Raad de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe aldus dat de uitkomst daarvan berust op de door de Hoge Raad gebruikte verkorte motivering. De strekking van de zienswijze is niet dat bij zaken waarin in hoger beroep een veroordeling is gevolgd voor een of meer feiten waarvan in eerste aanleg is vrijgesproken, de cassatieprocedure, zoals deze is vormgegeven in het Nederlandse stelsel van rechtsmiddelen, als zodanig niet voldoet aan de eisen die voortvloeien uit artikel 14, vijfde lid, IVBPR. Aangenomen moet worden dat het VN-Mensenrechtencomité met de zienswijze in de zaak Jaddoe niet heeft willen afwijken van de wijze waarop het VN-Mensenrechtencomité invulling geeft aan het recht op een ‘review’, zoals deze naar voren komt in de ‘General Comment No. 32’ en eerdere zienswijzen. Daaruit, volgt onder meer dat niet is vereist dat het in artikel 14, vijfde lid, IVBPR bedoelde hogere rechtscollege “a factual retrial” verricht. Anders dan op onderdelen door het VN-Mensenrechtencomité in de zienswijze in de zaak Jaddoe tot uitgangspunt lijkt te worden genomen, vindt in de cassatieprocedure ook in gevallen waarin een verkorte motivering wordt toegepast, een inhoudelijke beoordeling plaats van zowel de juridische als de feitelijke gronden van een schuldigverklaring en veroordeling. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat in de onderhavige zaak ten tijde van de behandeling in hoger beroep op basis van het Nederlandse systeem van strafvordering geen sprake is van een schending van artikel 14, vijfde lid, IVBPR. Het verweer van de raadsman strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het ingestelde hoger beroep wordt derhalve verworpen.” Het beoordelingskader 3.11 In HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer (Post-Jaddoe), heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld over de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité van 26 juli 2022: “ 2. Voorafgaande beschouwing Inleiding 2.1 De Hoge Raad gaat in dit arrest in op de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité van 26 juli 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018 in de zaak van Jaddoe tegen Nederland en op de afdoening van zaken met toepassing van artikel 80a en 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO) in het licht van die zienswijze in gevallen waarin zich de situatie voordoet dat de verdachte (i) in hoger beroep is veroordeeld (ii) ter zake van een of meer feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Juridisch kader 2.2.1 Artikel 14 lid 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) luidt in de Nederlandse vertaling: “Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.” 2.2.2 ‘ General Comment No. 32’ van het VN-Mensenrechtencomité over ‘Article 14: Right to equality before courts and tribunals and to a fair trial’, CCPR/C/GC/32, houdt onder meer in: “45. Article 14, paragraph 5 of the Covenant provides that anyone convicted of a crime shall have the right to have their conviction and sentence reviewed by a higher tribunal according to law. As the different language versions (crime, infraction, delito) show, the guarantee is not confined to the most serious offences. The expression “according to law” in this provision is not intended to leave the very existence of the right of review to the discretion of the States parties, since this right is recognised by the Covenant, and not merely by domestic law.
Volledig
The term according to law rather relates to the determination of the modalities by which the review by a higher tribunal is to be carried out, as well as which court is responsible for carrying out a review in accordance with the Covenant. Article 14, paragraph 5 does not require States parties to provide for several instances of appeal. However, the reference to domestic law in this provision is to be interpreted to mean that if domestic law provides for further instances of appeal, the convicted person must have effective access to each of them. (...) 47. Article 14, paragraph 5 is violated not only if the decision by the court of first instance is final, but also where a conviction imposed by an appeal court or a court of final instance, following acquittal by a lower court, according to domestic law, cannot be reviewed by a higher court. (...) 48. The right to have one’s conviction and sentence reviewed by a higher tribunal established under article 14, paragraph 5, imposes on the State party a duty to review substantively, both on the basis of sufficiency of the evidence and of the law, the conviction and sentence, such that the procedure allows for due consideration of the nature of the case. A review that is limited to the formal or legal aspects of the conviction without any consideration whatsoever of the facts is not sufficient under the Covenant. However, article 14, paragraph 5 does not require a full retrial or a “hearing”, as long as the tribunal carrying out the review can look at the factual dimensions of the case. Thus, for instance, where a higher instance court looks at the allegations against a convicted person in great detail, considers the evidence submitted at the trial and referred to in the appeal, and finds that there was sufficient incriminating evidence to justify a finding of guilt in the specific case, the Covenant is not violated.” 2.2.3 De hiervoor onder 2.1 genoemde zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe houdt, voor zover deze betrekking heeft op de inhoudelijke beoordeling van de klacht, het volgende in: “Consideration of the merits (...) 11.2 The Committee notes the author’s claim that his rights under article 14(5) of the Covenant were violated, since the Court of Appeal convicted him on 26 April 2013 for the murder of Mr. Stein, after he had been acquitted for this offense by the First Instance Court, and since he did not have access to an effective review of his conviction and sentence by a higher tribunal in accordance with the law. 11.3 The Committee recalls that, while States parties are free to determine the modalities of appeal, under article 14(5) of the Covenant, they are under an obligation to review substantially the conviction and sentence. The Committee also recalls that the right to have one’s conviction and sentence reviewed by a higher tribunal imposes on the State party a duty to review substantively, both on the basis of sufficiency of the evidence and of the law, the conviction and sentence, such that the procedure allows for due consideration of the nature of the case. A review that is limited to the formal or legal aspects of the conviction without any consideration whatsoever of the facts is not sufficient under the Covenant. According to the jurisprudence of the Committee, article 14(5) does not require a full retrial or a “hearing”, as long as the tribunal carrying out the review can look at the factual dimensions of the case. The Committee further recalls that the right to an appeal also applies to the case of aggravation of sentence by the appellate court; the absence of any right of review in a higher court of a sentence handed down by an appeal court, where the person was found not guilty by a lower court, is a violation of article 14(5) of the Covenant. 11.4 The Committee notes the State party’s argument that the author appealed each conviction (by the First Instance Court and the Court of Appeal), and enjoyed effective remedies at two instances (before the Court of Appeal and the Supreme Court). The Committee notes also the State party’s claim that the Supreme Court, in its decision on the author’s cassation appeal, considered the application of legislation also in respect of the facts and sufficiency of evidence and of the reasons for decision on evidence in this case, and the author therefore had his conviction and sentence reviewed by a higher factual legal instance. Furthermore, the Committee notes the author’s objection that the State party did not enter a reservation to article 14(5) of the Covenant, that the scope of the review by the Supreme Court is determined by the grounds of appeal in cassation, and that the severity of the crime is an important determining factor for a review by a higher tribunal. The Committee also observes the author’s argument that the review by the Supreme Court in itself is not factual because it only makes a legal review of the evidence used, and that the cassation is a check on the quality of contested judgments given by the courts of appeal as regards both the application of law and the legal reasoning behind it, which is not sufficient to state that the Supreme Court looks at factual dimensions. 11.5 The Committee observes that the author’s appeal in cassation of 31 December 2014 has stated that the law was misapplied, entailing nullity, as the Court of Appeal based its ruling on an incorrect understanding or application of the concepts of complicity (‘together and in association with others’), premeditation, use of witness statement to the author’s detriment or the length of conviction, and that the court findings of fact could not be made from the evidence and evidential grounds used. The Committee further observes that on 29 September 2015, the Supreme Court set aside the contested judgment of the Court of Appeal exclusively in relation to the claims of damages by injured parties and to the imposed prison sentence, decreasing its duration to 29 years; the Court rejected the rest of the author’s appeal in cassation, considering that “the argued grounds do not lead to cassation and that with reference to art. 81.1 of the Judiciary Act, this requires no further reasoning since the grounds do not demand any answers with regard to legal questions in the interests of the unity of law or the development of the law”. In that regard, the Committee observes that the Court’s decision did not contain any reference or assessment of the facts or evidence used by the Court of Appeal to convict the author for the murder of Mr. Stein, but on the contrary explicitly stated that no further reasoning, in addition to the conclusion that there are no grounds demanding any answers, is required. 11.6 In light of the above, the Committee considers that the Supreme Court did not provide adequate details of its considerations of the lawfulness and sufficiency of the facts and evidence used and the reasoning of its re-assessments. The Committee therefore considers that in the present case, the Supreme Court did not properly assess the sufficiency of facts and incriminating evidence which supported the author’s conviction for a second murder on appeal, since the main reasons for rejection of the author’s cassation appeal related to the legal considerations, taking into account the nature of the cassation proceedings and the absence of any reasoning to the contrary, and not the review of facts, as required by the Committee’s jurisprudence. Accordingly, in these specific circumstances, the Committee finds that, due to the lack of evidence that the Supreme Court sufficiently reviewed the facts and evidence in the author’s case, he was deprived of the effective exercise of his right to have his conviction and sentence reviewed by a higher tribunal, as required by article 14 (5) of the Covenant. 12.
Volledig
The Committee, acting under article 5 (4) of the Optional Protocol, is of the view that the facts before it reveal a violation by the State party of article 14 (5) of the Covenant.” (…) De inhoud van de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe 2.3.1 In de zaak Jaddoe, die ten grondslag ligt aan de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité, is de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor onder meer het medeplegen van twee moorden, nadat hij in eerste aanleg van het medeplegen van één van deze moorden was vrijgesproken. Het VN-Mensenrechtencomité nam in die zaak een schending van artikel 14 lid 5 IVBPR aan en betrok bij die zienswijze dat de Hoge Raad – ondanks het hiervoor genoemde procesverloop – het cassatieberoep had verworpen met een verkorte, aan artikel 81 lid 1 RO ontleende, motivering. Volgens het VN-Mensenrechtencomité had deze wijze van afdoening “in these specific circumstances” tot gevolg dat er geen ‘review’ had plaatsgevonden die voldoet aan de eisen van artikel 14 lid 5 IVBPR, “due to the lack of evidence that the Supreme Court sufficiently reviewed the facts and evidence in the author’s case”. 2.3.2 In het licht van het voorgaande begrijpt de Hoge Raad de zienswijze in de zaak Jaddoe aldus dat de uitkomst daarvan berust op de door de Hoge Raad gebruikte verkorte motivering. De strekking van de zienswijze is niet dat – bij zaken waarin in hoger beroep een veroordeling is gevolgd voor een of meer feiten waarvan in eerste aanleg is vrijgesproken – de cassatieprocedure, zoals deze is vormgegeven in het Nederlandse stelsel van rechtsmiddelen, als zodanig niet voldoet aan de eisen die voortvloeien uit artikel 14 lid 5 IVBPR. Aangenomen moet worden dat het VN-Mensenrechtencomité met de zienswijze in de zaak Jaddoe niet heeft willen afwijken van de wijze waarop het VNMensenrechtencomité invulling geeft aan het recht op een ‘review’, zoals naar voren komt in de onder 2.2.2 weergegeven ‘General Comment No. 32’ en eerdere – deels in de conclusie van de procureur-generaal onder 31 en 32 aangehaalde – zienswijzen. Daaruit volgt onder meer dat niet is vereist dat het in artikel 14 lid 5 IVBPR bedoelde hogere rechtscollege “a factual retrial” verricht. (Vgl. onder meer de zienswijzen en beslissingen van het VN-Mensenrechtencomité van 1 november 2013, nr. 1856/2008 (Sevostyanov/Rusland), van 28 oktober 2014, nr. 2105/2011 (S.S.F. e.a./Spanje), van 23 juli 2015, nr. 2437/2014 (V.S./Litouwen) en van 18 juli 2019, nr. 2541/2015 (Pozo/Spanje).) De Nederlandse cassatieprocedure en de toepassing van artikel 80a RO en 81 lid 1 RO 2.4.1 In cassatie beoordeelt de Hoge Raad – na een behandeling van de strafzaak door twee feitelijke instanties – op basis van de tegen de bestreden uitspraak ingediende klachten en op grond van alle voor de beoordeling relevante stukken van het geding, of de bestreden uitspraak moet worden vernietigd wegens schending van het recht of verzuim van vormen. Daaronder zijn begrepen de wettelijke bewijsregels, onder meer die inzake de bewijsmotivering. De controle door de Hoge Raad van de bewijsvoering van de feitenrechter kan zich niet alleen uitstrekken tot de beoordeling of sprake is van wettig bewijs (vgl. bijvoorbeeld artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering) maar ook of de bewezenverklaring kan worden afgeleid uit de door de feitenrechter gebruikte bewijsmiddelen. Daarbij kan de Hoge Raad ook onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. Bovendien kan de Hoge Raad beoordelen of de feitenrechter toereikend heeft gereageerd op door of namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over de bewijsbeslissing, zoals standpunten over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de aannemelijkheid van door de verdachte geschetste alternatieve scenario’s. Als de Hoge Raad oordeelt dat de bewijsvoering niet toereikend is, leidt dat in de regel tot vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe behandeling van de zaak door de feitenrechter. (Vgl. HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:285.) 2.4.2 Artikel 80a RO biedt de Hoge Raad, nadat de procureur-generaal bij de Hoge Raad de gelegenheid heeft gekregen een advies uit te brengen, de mogelijkheid om – in het kader van een selectie aan de poort – het cassatieberoep af te handelen in de vorm van een niet-ontvankelijkverklaring wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Het gaat, kort gezegd, om zaken waarbij na beoordeling blijkt dat deze duidelijk kansloos zijn, en die daarom versneld worden afgedaan. Is het cassatieberoep wel ontvankelijk, dan biedt artikel 81 lid 1 RO de Hoge Raad de mogelijkheid om – nadat de procureur-generaal zijn conclusie heeft genomen en de raadsman van de verdachte schriftelijk daarop heeft kunnen reageren – het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van een verkorte motivering. Zowel artikel 80a RO als 81 lid 1 RO heeft als doel om de werklast van de Hoge Raad beheersbaar te houden en de Hoge Raad in staat te stellen zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken, te weten het bewaken van de rechtseenheid, het bevorderen van de rechtsontwikkeling en het verlenen van rechtsbescherming. (Vgl. Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 5-7 en de onder 2.2.5 weergegeven uitspraak van het EHRM in de zaak Baydar tegen Nederland, § 47.) De inhoudelijke beoordeling door de strafkamer van de Hoge Raad – die ook bij toepassing van artikel 80a RO of 81 lid 1 RO plaatsvindt door een zetel van (ten minste) drie raadsheren – is in het geval dat aan die bepalingen toepassing wordt gegeven niet anders dan wanneer daaraan geen toepassing wordt gegeven. (Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1732.) 2.5 Anders dan op onderdelen door het VN-Mensenrechtencomité in de zienswijze in de zaak Jaddoe tot uitgangspunt lijkt te worden genomen, vindt dus – gelet op wat onder 2.4.1 en 2.4.2 is overwogen – in de cassatieprocedure ook in gevallen waarin een verkorte motivering wordt toegepast, een inhoudelijke beoordeling plaats van zowel de juridische als de feitelijke gronden van een schuldigverklaring en veroordeling. De Hoge Raad vindt desalniettemin in deze zienswijze aanleiding om in zaken waarin in hoger beroep een veroordeling is gevolgd voor een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken en in cassatie tevergeefs wordt geklaagd over de bewijsvoering van dat feit, het cassatieberoep vaker af te doen met een motivering die meer is toegesneden op de concrete zaak en wat is aangevoerd in (de toelichting op) het cassatiemiddel, in plaats van met een motivering zoals bedoeld in de zienswijze.” De bespreking van het tweede middel 3.12 In de kern wordt zowel in hoger beroep als in cassatie aangevoerd dat het Nederlandse strafproces niet voldoet aan de eisen die art. 14 lid 5 IVBPR daaraan stelt in situaties waarin in eerste aanleg is vrijgesproken, maar in hoger beroep een veroordeling volgt. Reden daarvoor is volgens de verdediging c.q. steller van het middel dat die veroordeling niet beoordeeld kan worden door een feitelijke beroepsinstantie omdat in cassatie geen ‘review of the evidence’ plaatsvindt. Deze schending van art. 14 lid 5 IVBPR had het hof enkel kunnen voorkomen door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat het hof dit heeft miskend, zou de verwerping van het verweer onterecht of onbegrijpelijk zijn. 3.13 Allereerst is van belang dat de klacht berust op de onjuiste opvatting dat het Nederlandse strafproces in geval van – kort gezegd – een vrijspraak in eerste aanleg en een (eerste) veroordeling in hoger beroep niet voldoet aan de eisen van art. 14 lid 5 IVBPR. Die stelling is, zo volgt uit rov. 2.5 van het Post-Jaddoe arrest dat hierboven is weergegeven, door de Hoge Raad in 2023 reeds weerlegd. Het hof heeft het verweer in navolging daarvan op begrijpelijke gronden verworpen. Het middel stuit hier al op af.
Volledig
Ik merk nog wel op dat de steller van het middel kennelijk van mening is dat zijn standpunt steun vindt in uitspraken van het VN-Mensenrechtencomité, maar dat in de toelichting geen enkele aandacht wordt besteed aan het Post-Jaddoe arrest van de Hoge Raad. Ook wordt niet betoogd waarom die uitspraak onjuist of wellicht achterhaald zou zijn. Ik zie in het middel en de toelichting daarop daarom geen aanleiding voor de Hoge Raad om zijn jurisprudentie op dit punt te herzien. 3.14 Het tweede middel faalt. 4 Het middel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld 4.1 Het middel van de benadeelde partij ziet in de kern op de begroting van de geleden immateriële schade en de hoogte van de toegewezen vergoeding daarvan. Volgens de steller van het middel billijken de aard en ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder dit feit plaatsvond en de normschending die daarmee gepaard ging een hoger bedrag aan schadevergoeding dan de toegekende € 7.500,-. Daartoe wordt gewezen op de bedragen genoemd in de categorie ‘meest ernstig’ uit de Rotterdamse Schaal. 4.2 Bij de stukken bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ dat is ontvangen op 12 februari 2021, met twee bijlagen. Daarin staat onder meer opgenomen dat zij een immateriële schadevergoeding vordert van in totaal € 50.000 wegens ‘mishandeling’ op 20 september 2020 in [plaats] . Onder de omschrijving van de immateriële schade staat een aantal dingen opgesomd, waaronder ‘stress’, ‘prikkels’, ‘hersenbeschadiging’, ‘slecht slapen’, ‘verstoord zelfbeeld’, angsten’ en ‘spanningen’. 4.3 De vordering in dit formulier is verder toegelicht door de advocaat van de benadeelde partij in een brief van 26 maart 2021: “Op de avond in kwestie werd cliënte de toegang geweigerd bij de dag- en nachtopvang te [plaats] waardoor zij zich genoodzaakt voelde om vlakbij de opvang in een portiek te overnachten. Op enig moment voegde zich een drietal mannen bij haar. Korte tijd later liepen twee mannen weg waarna zij alleen achter bleef met de verdachte. Vervolgens heeft de verdachte haar bij de haren gepakt, (o.a. met de vuist tegen het hoofd) geslagen en verkracht. De verdachte heeft geprobeerd cliënte weerloos te maken door haar armen in haar kleding te verstrengelen. Cliënte vindt het bijzonder frustrerend dat zij geweigerd werd door de dag- en nachtopvang en daardoor op straat moest gaan slapen en in deze situatie terecht is gekomen. Zij voelt zich daardoor in de steek gelaten door het systeem. Dat is voor cliënte ook de reden waarom zij de schadevergoeding die zij eist op haar plek vindt. Zoals cliënte aangeeft in haar vordering is zij behoorlijk aangeslagen door hetgeen haar is overkomen. Behalve het ondergaan van het strafbare feit heeft zij achter daar ook veel klachten aan overgehouden zoals stress, angst, slecht slapen, een aangetast zelfbeeld, pijn aan haar rug, hoofdpijnen en veel spanningen. Vanwege de pijn in haar rug gaat cliënt regelmatig naar de fysiotherapeut gaat. Een brief van de medische dienst hieromtrent wordt als bijlage 1 bijgevoegd. Zoals in het dossier wordt vermeld is cliënte bekend met een verleden in de GGZ. Cliënte is gediagnostiseerd met psychoses en een persoonlijkheidsstoornis. Momenteel is cliënte weer opgenomen bij de GGZ [instelling 2] te [plaats] . Onderhavige feiten vormen een zware last op haar psyche. Alleen immateriële schade Cliënte lijkt in haar vordering materiele schade ad € 150,-- op te nemen. Doch, deze schade ziet volgens haar toe op immateriële schade omdat zij met niet het openbaar vervoer durfde re reizen en maakt derhalve onderdeel uit van de totale immateriële schade die zij begroot op € 50.000,--. De immateriële schade wordt aldus door cliënte begroot op € 50.000,-- vanwege de omstandigheden voornoemd. Het spreekt voor zich dat een verkrachting gepaard gaande met geweld een afschuwelijke ervaring is voor een slachtoffer en een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit. Een en ander in samenhang bezien met de voorgeschiedenis van cliënte zelf en het feit dat zij zich in de steek gelaten voelt door de instantie die haar had moeten beschermen maakt dat zij de gevorderde schadevergoeding op zijn plek vindt. Teneinde een beeld te scheppen van de hoogte van schadevergoedingen waarin de dader werd veroordeeld vanwege een vergelijkbaar delict wordt een drietal zaken uit de smartengeldgids als bijlage 2 overgelegd. De geïndexeerde toegekende immateriële schadevergoedingen variëren van € 15.546,-- tot € 10.715,--. Een en ander zal ter zitting nader worden toegelicht. 4.4 Bijlage 1 betreft een (zeer slecht leesbaar) bericht van de medische dienst van [instelling 2] over de benadeelde partij. In Bijlage 2 zijn de volgende zaken uit de ANWB Smartengeldgids van 17 maart 2021 opgenomen: “2303 vrouw prostituée 30-09-2014 Smartengeld na voeging Letsel ten gevolge van verkrachting, incest Nummer Geïndexeerd bedrag: Oorspronkelijk toegewezen bedrag: 2303 € 15.546,- € 15.000,- Toen zij op een nacht klaar was met werken en haar kamer net had afgesloten, vroeg een man haar of ze nog tijd voor hem had en stelde voor om naar een hotel te gaan. Daar stemde ze mee in. In plaats van naar een hotel reed de man naar een afgelegen plek. Daar aangekomen heeft hij haar, nadat ze waren uitgestapt, aan haar haren getrokken en herhaaldelijk tegen haar gezicht en op haar armen geslagen. Vervolgens heeft hij haar oraal en vaginaal verkracht, zonder een condoom te gebruiken. Verdachte heeft op gewelddadige en laffe wijze zijn lusten bevredigd ten koste van de vrouw, een - gelet op haar beroep - kwetsbaar persoon. Aangezien duidelijk is dat zij als gevolg van de verkrachting psychisch letsel (PTSS) heeft opgelopen, kent de Rb het vermelde bedrag toe. (te vermeerderen met wettelijke rente van datum verkrachting, 30-9-2014) (…) 200 vrouw 24 jaar Smartengeld na ongeval Hoofd-, hersen- en zenuwletsel, psychische schade Nummer Geïndexeerd bedrag: Oorspronkelijk toegewezen bedrag: 200 € 14.131,- € 11.000,- Tijdens haar verblijf in een psychiatrische kliniek, waar zij onder meer verbleef voor behandeling in verband met seksueel misbruik tijdens haar jeugd, is zij seksueel misbruikt door een oudere man, die ongemerkt de inrichting was binnengekomen. Ten gevolge hiervan is ze in een ernstige terugval van haar toestand gekomen. Zij heeft zich (weer) ernstig verwond (automutilatie). De inrichting is verantwoordelijk voor de zorg voor haar patiënten. Hierin heeft zij wanprestatie gepleegd. Van het Schadefonds Geweldsmisdrijven had zij al een bedrag van oorspronkelijk € 3.403,- ontvangen voor de verkrachting (onbekende dader). Dit bedrag is inbegrepen in het totaal toegewezen bedrag aan smartengeld. (…) Mishandeling Geslacht vrouw Leeftijd 24 Aard Hoofd- hersen- en zenuwletsel, psychische schade Letsel algemeen letsel (psychisch) 1011 vrouw Smartengeld na mishandeling Letsel ten gevolge van verkrachting, incest Nummer Geïndexeerd bedrag: Oorspronkelijk toegewezen bedrag: 1010 € 10.715,- € 6.807,- Ze is in de omgeving van haar woning door een man met geweld verkracht. De man woont ook bij haar in de buurt. Door de verkrachting heeft de vrouw lichamelijk en geestelijk letsel opgelopen. Zij voelt zich geremd in intieme relaties, mede in seksueel opzicht. Verder is zij bang geweest voor besmetting met het HIV-virus. (conform Rb. Amsterdam d.d. 11-12-1996, rolnr. 93-1623) (…) Mishandeling Geslacht vrouw Aard Letsel ten gevolge van verkrachting incest Letsel psychisch letsel 4.5 Blijkens een wensenformulier van 14 oktober 2021 heeft de benadeelde partij haar eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep gehandhaafd. 4.6 De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepleit overeenkomstig de inhoud van de pleitnota, die ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij inhoudt: “ Vordering benadeelde partij De verdediging heeft reeds uitgebreid betoogd dat cliënt dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde verkrachting c.q. poging tot verkrachting. De verdediging verwijst hierbij naar haar voornoemde verweren en verzoekt deze hier als herhaald en ingelast te beschouwen.
Volledig
Op basis van de bepleite vrijspraak, verzoekt de verdediging u primair om de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren. Mocht uw edelgrootachtbaar college echter van oordeel zijn dat cliënt zich schuldig heeft gemaakt het tenlastegelegde feit, dan stelt de verdediging zich subsidiair op het volgende standpunt. [slachtoffer] verzoekt om een totaal schadebedrag van € 50.150,00 bestaande uit € 150,00 materiële schade en € 50.000,00 immateriële schade. Het lijkt erop dat de immateriële schade ziet op vervoerskosten die [slachtoffer] heeft moeten maken nu zij niet met het openbaar vervoerde durfde te gaan ten gevolge van het voorval op 20 september 2020. Enige onderbouwende stukken zoals taxi-, tank- en/of parkeerbonnetjes ontbreken echter in zijn geheel bij de vordering. De verdediging is derhalve van mening dat deze vordering dient te worden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Dan de immateriële schade van € 50.000,00. [slachtoffer] geeft te kennen in haar vordering dat zij zowel lichamelijk- alsook psychische klachten heeft overgehouden aan het voorval op 20 september 2020. Ook deze vordering is in zijn geheel niet onderbouwd. Er zijn geen stukken van deskundige - lees; huisartsen, specialisten, hulpverleners, psychologen en/of psychiaters - gevoegd bij de vordering. Het bedrag lijkt volledig uit de lucht te zijn gegrepen. Door de advocaat van [slachtoffer] is op 26 maart 2021 een schrijven overlegd van de huisarts waaruit de beweerdelijke rugklachten en fysio hiervoor zou moeten blijken. In dit schrijven van de huisarts is echter zeer specifiek opgenomen door de huisarts dat hij zich niet wil uitlaten over de oorzaak van de rugklachten. Daarbij komt dat uit het schrijven van de huisarts blijkt dat [slachtoffer] zich pas op 24 februari 2021 - aldus ruim 5 maanden na de beweerdelijke verkrachting en mishandeling! - bij haar huisarts meld met rugklachten. Het beweerdelijke verband tussen de rugklachten - en aldus de fysio - en het incident van 20 september 2020 kan niet worden afgeleid uit dit schrijven van de huisarts. Kort en goed: de verdediging is van mening dat ook de vordering ten aanzien van de immateriële schade dient te worden afgewezen wegens gebrek aan enige onderbouwing. Mocht uw Edelgrootachtbaar College daarentegen van mening zijn dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade wel afdoende zou zijn onderbouwd, dan stelt de verdediging zich meer subsidiair op het standpunt dat de vordering aanzienlijk dient te worden gematigd nu de hoogte van vordering geheel niet in lijn is met vergoedingen in vergelijkbare zaken.” 4.7 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2024 houdt, voor zover relevant, in: “De voorzitter houdt kort de inhoud voor van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , die schriftelijke heeft medegedeeld dat zij haar vordering in hoger beroep handhaaft. Mr. Teerling licht namens de benadeelde partij [slachtoffer] de vordering tot schadevergoeding toe: [slachtoffer] verblijft tot op heden bij [instelling 2] . De € 150,- die in de vordering is opgenomen ter zake van ‘niet meer in openbaar vervoer geweest’, kan mijns inziens gezien worden als immateriële schade. De vordering tot schadevergoeding was al ingediend voordat ik betrokken raakte. Mevrouw heeft de vordering zelf ingediend en ook zelfstandig het gevorderde bedrag aan immateriële schade bepaald. Ik heb dat achteraf met haar besproken, en zij gaf aan dat ze het gevorderde bedrag aan immateriële schade terecht vindt en dat zij dit bedrag wenst te handhaven. Indien uw hof van oordeel is dat het gevorderde bedrag van € 50.000,- te veel is, dan verzoek ik uw hof aansluiting te zoeken bij de door mij toegevoegde vergelijkbare zaken. Cliënte kampt met ernstige problematiek. Ik heb ervoor gekozen geen rapportages over haar problematiek in te dienen, omdat ik het lastig vond een onderscheid te maken tussen de oude problematiek en de problematiek die voortkomt uit deze zaak. Cliënte heeft een flinke psychische klap gehad van hetgeen haar is overkomen. (…). De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] vordert de advocaat-generaal dat het hof deze zal toewijzen tot het bedrag van € 5.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren. (…) Mr. Teerling reageert, namens de benadeelde partij [slachtoffer] , op het requisitoir als volgt: € 5.000,- immateriële schadevergoeding voor een verkrachting vind ik erg weinig. Er hoeft ook geen sprake te zijn van bewezen psychisch letsel met diagnoses. In de vergelijkbare zaken die ik heb aangehaald, varieert het toegekende bedrag aan immateriële schade van € 10.000,- tot € 15.000,-. (…) Mr. Teerling reageert, namens de benadeelde partij, als volgt: Hetgeen ik in mijn eerste termijn naar voren heb gebracht, komt overeen met hetgeen ik in mijn schrijven van 26 maart 2021 heb geschetst. De gevorderde € 50.000,- aan immateriële schade is juridisch gezien aan de hoge kant als ik naar vergelijkbare zaken kijk, reden waarom ik ook voorbeelden uit de Smartengeldengids heb bijgevoegd. De voorbeelden die ik heb bijgevoegd zijn mijns inziens vergelijkbaar met de onderhavige zaak, en in die zaken zijn bedragen variërend tussen de € 10.000,- en € 15.000,- aan immateriële schade toegekend. Mocht uw hof de vordering daarop baseren, en niet op het primaire standpunt van cliënt, dan verzoek ik uw hof daarbij aansluiting te zoeken. Door de raadsman van de verdachte is gesteld dat de vordering niet is onderbouwd. Het klopt inderdaad dat de vordering niet is onderbouwd met een rapportage van een psycholoog of psychiater waarin een diagnose wordt gesteld, maar dat neemt niet weg dat sprake is van immateriële schade.” 4.8 De overwegingen en de beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde partij luiden als volgt: “Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 50.000,00, bestaande uit immateriële schade. Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vordering betwist en heeft in dat verband primair aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, wegens gebrek aan enige onderbouwing. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding voor de immateriële schade aanzienlijk dient te worden gematigd. Het hof overweegt als volgt. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Dit is onder meer het geval bij ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is.
Volledig
Het hof is van oordeel dat de laatstgenoemde omstandigheid zich hier voordoet en dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, stelt het hof een toewijsbaar te achten gedeelte van de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof is van oordeel dat de behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, omdat ten aanzien van dit gedeelte van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is veroorzaakt. De vordering zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard en het hof zal bepalen dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.” Het beoordelingskader 4.9 Art. 6:106 aanhef en onder b BW luidt: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: b. indien de benadeelde (..) op andere wijze in zijn persoon is aangetast” 4.10 Op grond van art. 6:106 aanhef en onder c BW bestaat recht op vergoeding van geleden immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van een strafbaar feit ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Daarvan is ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, maar ook de aard en de ernst van de normschending kunnen meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. In de strafrechtelijke procedure is echter slechts in beperkte mate plaats voor bewijslevering. Als zich het geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen, kan hij beslissen tot niet-ontvankelijkverklaring. Het staat de rechter vrij de vordering van de benadeeld partij te splitsen, in die zin dat deels een toe- of afwijzende beslissing wordt genomen en de vordering voor het overige vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding niet-ontvankelijk wordt verklaard. De omvang van de immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt wordt door de rechter vastgesteld op basis van ‘billijkheid’ aan de hand van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke verdachte te maken verwijt. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. , De begroting van deze schade is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zij is sterk met de feiten verweven en kan in zoverre in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst, terwijl de rechter daarbij ook niet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijs. De bespreking van het middel 4.11 Het hof heeft een immateriële schadevergoeding van € 7.500,- toegekend wegens een aantasting van de persoon als bedoeld in art. 6:108 aanhef en sub b BW. De toewijzing van de vordering is niet gebaseerd op vastgesteld ‘geestelijk letsel’. Het hof heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan meebrengen dat van een dergelijke aantasting sprake is. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, heeft het hof die schade naar billijkheid vastgesteld op € 7.500,-. Het hof sluit niet uit dat de schade mogelijk groter is, want verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk in plaats van deze af te wijzen. Het hof overweegt daartoe dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, omdat ten aanzien daarvan niet eenvoudig is vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is veroorzaakt. Ik begrijp de overwegingen van het hof aldus dat een splitsing is gemaakt tussen dat deel van de vordering dat voor toewijzing gereed lag en een deel ten aanzien waarvan partijen vanwege de beperkingen van het strafproces hun stellingen en onderbouwingen niet genoegzaam naar voren hebben kunnen brengen. Gelet op hetgeen hiervoor voorop is gesteld, stond het het hof vrij dat te doen. Het oordeel van het hof is bovendien gezien de inhoud van de vordering en de onderbouwing daarvan niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 4.12 Het middel van de benadeelde partij faalt. 5 Slotsom 5.1 Zowel de middelen van de verdachte als het middel van de benadeelde partij faalt. Omdat het eerste middel van de verdachte gaat over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand. De overige middelen kunnen wel met een dergelijke motivering worden afgedaan. 5.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 5.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt W.H. Vellinga, rov. 2.1, 2.4.4, 2.4.5, 2.8.1, 2.8.2, 2.8.3, 2.8.4, 2.8.7. Daarbij kan de rechter zich bijvoorbeeld oriënteren op jurisprudentie over soortgelijke gevallen. Ook de ‘Rotterdamse schaal. Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen’ (onderzoek door onderzoekers van Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam in opdracht van de Raad voor de Rechtspraak), WJS Uitgevers 2025 (te vinden via www.rechtspraak.nl), de ANWB Smartengeldgids (te vinden via www.smartengeld.nl), de letsellijsten van het Schadefonds Geweldsmisdrijven (te vinden via www.schadefonds.nl/schadefonds/letsellijst/) en de Letselschade Richtlijn Licht Letsel inclusief Smartengeld (te vinden via www.deletselschaderaad.nl/richtlijnen/) zijn te gebruiken als vergelijkingsmateriaal. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358, NJ 2001/215, m.nt. A.R. Bloembergen. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer (Post-Jaddoe).