Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-13
ECLI:NL:PHR:2026:253
Civiel recht; Arbeidsrecht
16,174 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:253 text/xml public 2026-05-22T10:30:28 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-13 25/01811 Conclusie NL Civiel recht; Arbeidsrecht Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:794 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:253 text/html public 2026-03-19T10:07:56 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:253 Parket bij de Hoge Raad , 13-03-2026 / 25/01811 Arbeidsrecht. Procesrecht. Vervolg op HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1276. Waarschuwingsplicht werkgever o.g.v. art. 7:611 BW voor wijziging belastingverdrag waardoor werknemers in Nederland belastingplichtig werden. Verwijzingshof wijst vorderingen vliegers af, omdat zij niet onbekend waren met verdragswijziging. Feit van algemene bekendheid. Motiveringsklachten. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01811 Zitting 13 maart 2026 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak 1. [vlieger 1] 2. [vlieger 2] (hierna gezamenlijk: de vliegers) advocaat: mr. J.P. van den Berg tegen Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (KLM) advocaat: mr. W.H. van Hemel 1 Inleiding en samenvatting 1.1 In deze zaak vorderen twee vliegers schadevergoeding van hun (voormalige) werkgeefster KLM op de grond dat KLM hen niet tijdig heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van een wijziging van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. 1.2 Na cassatie en verwijzing (HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1276) heeft het hof Den Haag de vorderingen van de vliegers afgewezen, omdat de vliegers niet kunnen worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM-inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. De vliegers kunnen zich er daarom niet met succes op beroepen dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Het hof neemt daarbij voor zover nodig in aanmerking dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn. 1.3 De vliegers klagen in cassatie onder meer dat van een feit van algemene bekendheid geen sprake is, omdat dit niet altijd opgaat. M.i. is het middel tevergeefs voorgesteld. 2 Feiten In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan rov. 3 van het arrest van het hof Den Haag van 11 februari 2025. 2.1 De vliegers zijn in 1990, respectievelijk 1991, als verkeersvlieger in dienst getreden van KLM. 2.2 De vliegers hebben de Zwitserse nationaliteit. 2.3 Omdat de vliegers in Zwitserland woonachtig en belastingplichtig waren, heeft de belastingdienst in 1991 voor beiden een vrijstellingsverklaring afgegeven ter voorkoming van dubbele belasting. 2.4 Met ingang van 1 januari 2012 is het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland gewijzigd (hierna: de verdragswijziging). Op grond van de verdragswijziging heeft de belastingdienst in 2017 en 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren vanaf 2012 aan de vliegers opgelegd (in totaal respectievelijk € 1,1 miljoen en € 600.000,-). 2.5 KLM heeft (ook) in de jaren 2012-2017 geen loonbelasting ingehouden op de door haar aan de vliegers betaalde bruto salarissen. 2.6 [vlieger 2] is per 1 juli 2016 met pensioen gegaan en uit dienst getreden. 3. Procesverloop 3.1 In deze procedure hebben de vliegers, samengevat en voor zover in deze cassatieprocedure van belang, gevorderd dat KLM wordt veroordeeld tot (primair) betaling van de bedragen die zij op grond van de opgelegde of nog op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2017 ( [vlieger 1] ) respectievelijk 2012 tot en met 2016 ( [vlieger 2] ) aan de Belastingdienst moeten betalen over het door hen ontvangen loon, te vermeerderen met de wettelijke rente, dan wel (subsidiair) tot vergoeding van de als gevolg van de opgelegde c.q. op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting geleden schade, te vermeerderen met wettelijke rente, eventueel nader op te maken bij staat. Meer subsidiair vorderen de vliegers dat KLM wordt veroordeeld tot de eerder geformuleerde schadevergoeding onder de voorwaarde dat deze schade zich openbaart. Voor het geval de belastingdienst zich op het standpunt stelt dat over de gevorderde netto vergoeding(en) loon/inkomstenbelasting en sociale premies verschuldigd zijn, vorderden de vliegers daarnaast veroordeling van KLM tot het afdragen van inkomstenbelasting en sociale premies aan de belastingdienst, met een verbod aan KLM de door haar af te dragen loon/inkomstenbelasting en premies in mindering te brengen op hetgeen KLM aan de vliegers dient te betalen. 3.2 De vliegers hebben aan deze vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat KLM in strijd heeft gehandeld met de eisen van goed werkgeverschap, door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. 3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 oktober 2020 voor recht verklaard dat KLM aansprakelijk is voor 50% van de door de vliegers geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en KLM veroordeeld in de proceskosten. 3.4 Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 24 mei 2022 de vorderingen van de vliegers alsnog afgewezen, met veroordeling van de vliegers in de proceskosten van beide instanties. Het hof heeft onder meer geoordeeld, kort samengevat, dat de werknemer een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen en voor kennisneming van de daarvoor relevante informatie en dat de zorgplicht van KLM als werkgeefster niet zover reikt dat zij op dit punt een adviserende taak heeft. Het hof oordeelt dat de fiscale gevolgen van de verdragswijziging volledig dienen te worden toegerekend aan de vliegers zelf (rov. 3.3.1-3.11). 3.5 Bij arrest van 22 september 2023 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd en het geding naar het hof Den Haag verwezen ter verdere behandeling en beslissing, met veroordeling van KLM in de kosten van het geding in cassatie. 3.6 De Hoge Raad overwoog daartoe dat, hoewel juist is dat, zoals het hof heeft overwogen, een werknemer zelf verantwoordelijk is voor correcte nakoming van zijn fiscale verplichtingen en dat de werkgever daarbij in beginsel geen adviserende taak heeft, laatstgenoemde uit hoofde van goed werkgeverschap onder omstandigheden wel gehouden kan zijn de werknemer in kennis te stellen van een wijziging van regelgeving die voor diens fiscale positie van belang is. Dat zal in het bijzonder het geval kunnen zijn als de desbetreffende informatie evenzeer van belang is voor de verplichting tot inhouding en afdracht van loonbelasting, die op de werkgever rust. Een werkgever behoort uit hoofde van die verplichting immers van dergelijke informatie op de hoogte te zijn. Ook is van belang of en in hoeverre de werknemer nadelige gevolgen kan ondervinden van onbekendheid met bedoelde informatie. Het hof heeft met zijn oordeel dat op KLM geen waarschuwings- of informatieplicht jegens de vliegers rustte dan ook ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, in het licht van de in het middel genoemde – vaststaande – omstandigheden dat i) KLM een grote professionele werkgever is met een eigen fiscale afdeling en vele in het buitenland wonende werknemers, (ii) het ging om een verdragswijziging die mogelijk tot gevolg zou hebben dat, anders dan voorheen, sommige van haar werknemers inkomstenbelasting in Nederland verschuldigd zouden worden en KLM loonbelasting op het loon van deze werknemers zou moeten inhouden en afdragen en (iii) KLM van de verdragswijziging op de hoogte was en overigens (in verband met haar verantwoordelijkheid voor inhouding van loonbelasting) ook behoorde te zijn (rov. 3.1-3.2). 3.7 Beide partijen hebben een memorie na verwijzing ingediend. 3.8 Ter zitting van 10 januari 2025 hebben partijen hun standpunten doen toelichten aan de hand van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:253 text/xml public 2026-05-22T10:30:28 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-13 25/01811 Conclusie NL Civiel recht; Arbeidsrecht Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:794 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:253 text/html public 2026-03-19T10:07:56 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:253 Parket bij de Hoge Raad , 13-03-2026 / 25/01811 Arbeidsrecht. Procesrecht. Vervolg op HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1276. Waarschuwingsplicht werkgever o.g.v. art. 7:611 BW voor wijziging belastingverdrag waardoor werknemers in Nederland belastingplichtig werden. Verwijzingshof wijst vorderingen vliegers af, omdat zij niet onbekend waren met verdragswijziging. Feit van algemene bekendheid. Motiveringsklachten. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01811 Zitting 13 maart 2026 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak 1. [vlieger 1] 2. [vlieger 2] (hierna gezamenlijk: de vliegers) advocaat: mr. J.P. van den Berg tegen Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (KLM) advocaat: mr. W.H. van Hemel 1 Inleiding en samenvatting 1.1 In deze zaak vorderen twee vliegers schadevergoeding van hun (voormalige) werkgeefster KLM op de grond dat KLM hen niet tijdig heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van een wijziging van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. 1.2 Na cassatie en verwijzing (HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1276) heeft het hof Den Haag de vorderingen van de vliegers afgewezen, omdat de vliegers niet kunnen worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM-inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. De vliegers kunnen zich er daarom niet met succes op beroepen dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Het hof neemt daarbij voor zover nodig in aanmerking dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn. 1.3 De vliegers klagen in cassatie onder meer dat van een feit van algemene bekendheid geen sprake is, omdat dit niet altijd opgaat. M.i. is het middel tevergeefs voorgesteld. 2 Feiten In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan rov. 3 van het arrest van het hof Den Haag van 11 februari 2025. 2.1 De vliegers zijn in 1990, respectievelijk 1991, als verkeersvlieger in dienst getreden van KLM. 2.2 De vliegers hebben de Zwitserse nationaliteit. 2.3 Omdat de vliegers in Zwitserland woonachtig en belastingplichtig waren, heeft de belastingdienst in 1991 voor beiden een vrijstellingsverklaring afgegeven ter voorkoming van dubbele belasting. 2.4 Met ingang van 1 januari 2012 is het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland gewijzigd (hierna: de verdragswijziging). Op grond van de verdragswijziging heeft de belastingdienst in 2017 en 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren vanaf 2012 aan de vliegers opgelegd (in totaal respectievelijk € 1,1 miljoen en € 600.000,-). 2.5 KLM heeft (ook) in de jaren 2012-2017 geen loonbelasting ingehouden op de door haar aan de vliegers betaalde bruto salarissen. 2.6 [vlieger 2] is per 1 juli 2016 met pensioen gegaan en uit dienst getreden. 3. Procesverloop 3.1 In deze procedure hebben de vliegers, samengevat en voor zover in deze cassatieprocedure van belang, gevorderd dat KLM wordt veroordeeld tot (primair) betaling van de bedragen die zij op grond van de opgelegde of nog op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2017 ( [vlieger 1] ) respectievelijk 2012 tot en met 2016 ( [vlieger 2] ) aan de Belastingdienst moeten betalen over het door hen ontvangen loon, te vermeerderen met de wettelijke rente, dan wel (subsidiair) tot vergoeding van de als gevolg van de opgelegde c.q. op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting geleden schade, te vermeerderen met wettelijke rente, eventueel nader op te maken bij staat. Meer subsidiair vorderen de vliegers dat KLM wordt veroordeeld tot de eerder geformuleerde schadevergoeding onder de voorwaarde dat deze schade zich openbaart. Voor het geval de belastingdienst zich op het standpunt stelt dat over de gevorderde netto vergoeding(en) loon/inkomstenbelasting en sociale premies verschuldigd zijn, vorderden de vliegers daarnaast veroordeling van KLM tot het afdragen van inkomstenbelasting en sociale premies aan de belastingdienst, met een verbod aan KLM de door haar af te dragen loon/inkomstenbelasting en premies in mindering te brengen op hetgeen KLM aan de vliegers dient te betalen. 3.2 De vliegers hebben aan deze vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat KLM in strijd heeft gehandeld met de eisen van goed werkgeverschap, door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. 3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 oktober 2020 voor recht verklaard dat KLM aansprakelijk is voor 50% van de door de vliegers geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en KLM veroordeeld in de proceskosten. 3.4 Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 24 mei 2022 de vorderingen van de vliegers alsnog afgewezen, met veroordeling van de vliegers in de proceskosten van beide instanties. Het hof heeft onder meer geoordeeld, kort samengevat, dat de werknemer een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen en voor kennisneming van de daarvoor relevante informatie en dat de zorgplicht van KLM als werkgeefster niet zover reikt dat zij op dit punt een adviserende taak heeft. Het hof oordeelt dat de fiscale gevolgen van de verdragswijziging volledig dienen te worden toegerekend aan de vliegers zelf (rov. 3.3.1-3.11). 3.5 Bij arrest van 22 september 2023 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd en het geding naar het hof Den Haag verwezen ter verdere behandeling en beslissing, met veroordeling van KLM in de kosten van het geding in cassatie. 3.6 De Hoge Raad overwoog daartoe dat, hoewel juist is dat, zoals het hof heeft overwogen, een werknemer zelf verantwoordelijk is voor correcte nakoming van zijn fiscale verplichtingen en dat de werkgever daarbij in beginsel geen adviserende taak heeft, laatstgenoemde uit hoofde van goed werkgeverschap onder omstandigheden wel gehouden kan zijn de werknemer in kennis te stellen van een wijziging van regelgeving die voor diens fiscale positie van belang is. Dat zal in het bijzonder het geval kunnen zijn als de desbetreffende informatie evenzeer van belang is voor de verplichting tot inhouding en afdracht van loonbelasting, die op de werkgever rust. Een werkgever behoort uit hoofde van die verplichting immers van dergelijke informatie op de hoogte te zijn. Ook is van belang of en in hoeverre de werknemer nadelige gevolgen kan ondervinden van onbekendheid met bedoelde informatie. Het hof heeft met zijn oordeel dat op KLM geen waarschuwings- of informatieplicht jegens de vliegers rustte dan ook ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, in het licht van de in het middel genoemde – vaststaande – omstandigheden dat i) KLM een grote professionele werkgever is met een eigen fiscale afdeling en vele in het buitenland wonende werknemers, (ii) het ging om een verdragswijziging die mogelijk tot gevolg zou hebben dat, anders dan voorheen, sommige van haar werknemers inkomstenbelasting in Nederland verschuldigd zouden worden en KLM loonbelasting op het loon van deze werknemers zou moeten inhouden en afdragen en (iii) KLM van de verdragswijziging op de hoogte was en overigens (in verband met haar verantwoordelijkheid voor inhouding van loonbelasting) ook behoorde te zijn (rov. 3.1-3.2). 3.7 Beide partijen hebben een memorie na verwijzing ingediend. 3.8 Ter zitting van 10 januari 2025 hebben partijen hun standpunten doen toelichten aan de hand van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd.
Volledig
Ook hebben de vliegers twee producties en KLM één productie in het geding gebracht. 3.9 Bij arrest van 11 februari 2025 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover na verwijzing aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vorderingen afgewezen met veroordeling van de vliegers in de kosten van het geding in eerste aanleg en in het hoger beroep voor en na verwijzing. 3.10 Daartoe heeft het hof samengevat als volgt overwogen: - De vliegers kunnen niet worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting (rov. 4.14). - De vliegers kunnen zich er daarom niet met succes op beroepen dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden (rov. 4.15). - Het hierop gerichte betoog van KLM bij de mondelinge behandeling in hoger beroep slaagt (rov. 4.16). - De grieven in incidenteel hoger beroep voor zover na verwijzing nog aan de orde, kunnen verder onbesproken blijven (rov. 4.17). - Het hof laat het beroep van KLM op schending van de waarheidsplicht door de vliegers rusten, omdat bij bespreking hiervan en van de eventueel daaraan te verbinden gevolgen geen belang bestaat (rov. 4.19). 3.11 De vliegers hebben bij procesinleiding ingekomen op 10 mei 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 11 februari 2025. KLM heeft verweer gevoerd en haar standpunt schriftelijk toegelicht. De vliegers hebben afgezien van het nemen van een schriftelijke toelichting, maar wel gerepliceerd. 4 Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het middel omvat drie onderdelen: a, b en c. De onderdelen a en b zijn gericht tegen rov. 4.14, waarin het hof “voor zover nodig” in aanmerking neemt “dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn.” Onderdeel c bevat alleen een voortbouwklacht. 4.2 Ten behoeve van de beoordeling van de onderdelen a en b volgt hier een weergave van rov. 4.7 t/m 4.15 (met mijn onderstreping): “4.7. De vliegers hebben in dit geding gesteld dat zij niet bedacht hadden behoeven te zijn op het door hen ondervonden nadeel bestaande uit het alsnog betalen van Nederlandse belastingaanslagen. Ook hebben zij gesteld dat zij in Zwitserland over hun inkomen, ook over het KLM inkomen, belasting hebben betaald. (…) 4.8. Het hof constateert dat KLM in alle instanties van deze procedure en bij herhaling heeft gevraagd om overlegging van documenten over onder meer de fiscale positie van de vliegers in Zwitserland. Bij memorie na verwijzing heeft KLM melding gemaakt van de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 februari 2023 in de fiscale zaken van de vliegers (ECLI:NL:RBZWB:2023:1017 en ECLI:NL:RBZWB:2023:1018). KLM heeft daarbij aangevoerd dat uit deze uitspraken blijkt dat Zwitserland hen voor de relevante jaren 2012-2017 heeft vrijgesteld voor belasting over hun loon bij KLM en dat Zwitserland die vrijstelling ook daadwerkelijk heeft toegepast en dat (in ieder geval) [vlieger 2] weliswaar in Zwitserland belasting heeft betaald maar dat hem die is terugbetaald. 4.9. Met het oog op de mondelinge behandeling na verwijzing hebben de vliegers de hiervóór onder 2 genoemde producties toegestuurd. Het betreft “Steuererklärungen” over 2011 t/m 2014 van zowel [vlieger 1] als [vlieger 2] ( [vlieger 1] in Kanton Zürich, [vlieger 2] in Kanton Luzern). 4.10. KLM heeft deze “Steuererklärungen” laten beoordelen door EY Switzerland en in een brief van 19 december 2024 is daarover het volgende vermeld: “(…) [vlieger 1] – tax filings 2011-2014 (…) So, [vlieger 1] declared CHF 25,704 as taxable income in Switzerland in 2011, whilst CHF 234,298 was declared as non-taxable in Switzerland but taxable abroad. [vlieger 1] applied the same approach in his taks filings for 2012, 2013 and 2014. (…)” 4.11. In de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de fiscale zaken is inderdaad overwogen dat het loon van de vliegers in de jaren vanaf 2012 in Zwitserland is opgenomen in de heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting en vrijgesteld met progressievoorbehoud. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is dat namens de vliegers ook erkend. Een en ander komt erop neer dat het KLM inkomen van de vliegers slechts in zoverre van invloed is geweest op de door hen in Zwitserland betaalde inkomstenbelasting dat dit enkel is betrokken bij het bepalen van het tarief dat in Zwitserland is toegepast op de in Zwitserland opgegeven en in Zwitserland genoten inkomsten. Het KLM inkomen is in Zwitserland niet zelfstandig belast. Zo valt uit de Steuererklärung 2012 van [vlieger 1] af te leiden dat het "Steuerbares Einkommen Gesamt” bedroeg CHF 291,754 en dat hiervan CHF 271,042 is opgegeven bij “Auf Steuerbare Einkünfte im Ausland” en CHF 20,712 als “Steuerbares Einkommen im Kanton Zürich bzw. In der Schweiz”. Hoewel de door [vlieger 2] overgelegde Steuererklärungen een dergelijk inzicht niet bieden (de formulieren van het Kanton Luzern verschillen van die van het Kanton Zürich), gaat het hof ervan uit dat de systematiek bij diens belastingaangifte in Zwitserland niet wezenlijk verschilt van die bij [vlieger 1] . 4.12. Het hof trekt hieruit de conclusie dat het standpunt van de vliegers dat zij in Zwitserland ook over het KLM inkomen belasting hebben betaald, niet juist is. De omstandigheid dat zij in Zwitserland over het in Zwitserland genoten inkomen volgens een hoger tarief inkomstenbelasting hebben betaald als gevolg van het KLM inkomen, betekent niet dat zij in Zwitserland over het KLM inkomen belasting hebben betaald. 4.13. De vliegers hebben dus in Zwitserland vrijstelling genoten van belasting over hun KLM inkomen. Daarnaast heeft [vlieger 1] het KLM inkomen in Zwitserland opgegeven bij “Auf steuerbare Einkünfte im Ausland”. Naar het hof begrijpt, geldt dat in vergelijkbare zin voor [vlieger 2] . 4.14. Onder deze omstandigheden kunnen de vliegers niet worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. Het hof neemt daarbij voor zover nodig in aanmerking dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn . Het hof verwerpt daarom de stellingname van de vliegers (pleitnota hoger beroep onder 14.3) dat het toepassen van de vrijstelling in Zwitserland niet betekent dat men behoorde te weten dat er in Nederland belasting betaald zou moeten worden. De vliegers hebben nog gesteld (pleitnota hoger beroep onder 14.4) dat hun aangiftes na 2012 niet anders gebeurden dan daarvoor, maar deze stelling leidt niet tot een ander oordeel. Er valt hoogstens uit af te leiden dat zij ook in de jaren vóór 2012 geen belasting hebben betaald over hun KLM inkomen. 4.15. De voorgaande overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat de vliegers zich niet met succes erop kunnen beroepen dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. 4.16. Het hierop gerichte betoog van KLM bij de mondelinge behandeling in hoger beroep (pleitnota onder 11 t/m 25) slaagt dus. (…)” 4.3 Onderdeel a klaagt ten eerste dat de overweging dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende begrijpelijk is. Voor een feit (van algemene bekendheid) als bedoeld in art. 149 lid 2 Rv geldt onder andere dat het altijd moet opgaan. Voor het door het hof genoemde feit is dat niet het geval, laat staan dat dit een feit van algemene bekendheid zou zijn.
Volledig
Ook hebben de vliegers twee producties en KLM één productie in het geding gebracht. 3.9 Bij arrest van 11 februari 2025 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover na verwijzing aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vorderingen afgewezen met veroordeling van de vliegers in de kosten van het geding in eerste aanleg en in het hoger beroep voor en na verwijzing. 3.10 Daartoe heeft het hof samengevat als volgt overwogen: - De vliegers kunnen niet worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting (rov. 4.14). - De vliegers kunnen zich er daarom niet met succes op beroepen dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden (rov. 4.15). - Het hierop gerichte betoog van KLM bij de mondelinge behandeling in hoger beroep slaagt (rov. 4.16). - De grieven in incidenteel hoger beroep voor zover na verwijzing nog aan de orde, kunnen verder onbesproken blijven (rov. 4.17). - Het hof laat het beroep van KLM op schending van de waarheidsplicht door de vliegers rusten, omdat bij bespreking hiervan en van de eventueel daaraan te verbinden gevolgen geen belang bestaat (rov. 4.19). 3.11 De vliegers hebben bij procesinleiding ingekomen op 10 mei 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 11 februari 2025. KLM heeft verweer gevoerd en haar standpunt schriftelijk toegelicht. De vliegers hebben afgezien van het nemen van een schriftelijke toelichting, maar wel gerepliceerd. 4 Bespreking van het cassatiemiddel 4.1 Het middel omvat drie onderdelen: a, b en c. De onderdelen a en b zijn gericht tegen rov. 4.14, waarin het hof “voor zover nodig” in aanmerking neemt “dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn.” Onderdeel c bevat alleen een voortbouwklacht. 4.2 Ten behoeve van de beoordeling van de onderdelen a en b volgt hier een weergave van rov. 4.7 t/m 4.15 (met mijn onderstreping): “4.7. De vliegers hebben in dit geding gesteld dat zij niet bedacht hadden behoeven te zijn op het door hen ondervonden nadeel bestaande uit het alsnog betalen van Nederlandse belastingaanslagen. Ook hebben zij gesteld dat zij in Zwitserland over hun inkomen, ook over het KLM inkomen, belasting hebben betaald. (…) 4.8. Het hof constateert dat KLM in alle instanties van deze procedure en bij herhaling heeft gevraagd om overlegging van documenten over onder meer de fiscale positie van de vliegers in Zwitserland. Bij memorie na verwijzing heeft KLM melding gemaakt van de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 februari 2023 in de fiscale zaken van de vliegers (ECLI:NL:RBZWB:2023:1017 en ECLI:NL:RBZWB:2023:1018). KLM heeft daarbij aangevoerd dat uit deze uitspraken blijkt dat Zwitserland hen voor de relevante jaren 2012-2017 heeft vrijgesteld voor belasting over hun loon bij KLM en dat Zwitserland die vrijstelling ook daadwerkelijk heeft toegepast en dat (in ieder geval) [vlieger 2] weliswaar in Zwitserland belasting heeft betaald maar dat hem die is terugbetaald. 4.9. Met het oog op de mondelinge behandeling na verwijzing hebben de vliegers de hiervóór onder 2 genoemde producties toegestuurd. Het betreft “Steuererklärungen” over 2011 t/m 2014 van zowel [vlieger 1] als [vlieger 2] ( [vlieger 1] in Kanton Zürich, [vlieger 2] in Kanton Luzern). 4.10. KLM heeft deze “Steuererklärungen” laten beoordelen door EY Switzerland en in een brief van 19 december 2024 is daarover het volgende vermeld: “(…) [vlieger 1] – tax filings 2011-2014 (…) So, [vlieger 1] declared CHF 25,704 as taxable income in Switzerland in 2011, whilst CHF 234,298 was declared as non-taxable in Switzerland but taxable abroad. [vlieger 1] applied the same approach in his taks filings for 2012, 2013 and 2014. (…)” 4.11. In de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de fiscale zaken is inderdaad overwogen dat het loon van de vliegers in de jaren vanaf 2012 in Zwitserland is opgenomen in de heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting en vrijgesteld met progressievoorbehoud. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is dat namens de vliegers ook erkend. Een en ander komt erop neer dat het KLM inkomen van de vliegers slechts in zoverre van invloed is geweest op de door hen in Zwitserland betaalde inkomstenbelasting dat dit enkel is betrokken bij het bepalen van het tarief dat in Zwitserland is toegepast op de in Zwitserland opgegeven en in Zwitserland genoten inkomsten. Het KLM inkomen is in Zwitserland niet zelfstandig belast. Zo valt uit de Steuererklärung 2012 van [vlieger 1] af te leiden dat het "Steuerbares Einkommen Gesamt” bedroeg CHF 291,754 en dat hiervan CHF 271,042 is opgegeven bij “Auf Steuerbare Einkünfte im Ausland” en CHF 20,712 als “Steuerbares Einkommen im Kanton Zürich bzw. In der Schweiz”. Hoewel de door [vlieger 2] overgelegde Steuererklärungen een dergelijk inzicht niet bieden (de formulieren van het Kanton Luzern verschillen van die van het Kanton Zürich), gaat het hof ervan uit dat de systematiek bij diens belastingaangifte in Zwitserland niet wezenlijk verschilt van die bij [vlieger 1] . 4.12. Het hof trekt hieruit de conclusie dat het standpunt van de vliegers dat zij in Zwitserland ook over het KLM inkomen belasting hebben betaald, niet juist is. De omstandigheid dat zij in Zwitserland over het in Zwitserland genoten inkomen volgens een hoger tarief inkomstenbelasting hebben betaald als gevolg van het KLM inkomen, betekent niet dat zij in Zwitserland over het KLM inkomen belasting hebben betaald. 4.13. De vliegers hebben dus in Zwitserland vrijstelling genoten van belasting over hun KLM inkomen. Daarnaast heeft [vlieger 1] het KLM inkomen in Zwitserland opgegeven bij “Auf steuerbare Einkünfte im Ausland”. Naar het hof begrijpt, geldt dat in vergelijkbare zin voor [vlieger 2] . 4.14. Onder deze omstandigheden kunnen de vliegers niet worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. Het hof neemt daarbij voor zover nodig in aanmerking dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn . Het hof verwerpt daarom de stellingname van de vliegers (pleitnota hoger beroep onder 14.3) dat het toepassen van de vrijstelling in Zwitserland niet betekent dat men behoorde te weten dat er in Nederland belasting betaald zou moeten worden. De vliegers hebben nog gesteld (pleitnota hoger beroep onder 14.4) dat hun aangiftes na 2012 niet anders gebeurden dan daarvoor, maar deze stelling leidt niet tot een ander oordeel. Er valt hoogstens uit af te leiden dat zij ook in de jaren vóór 2012 geen belasting hebben betaald over hun KLM inkomen. 4.15. De voorgaande overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat de vliegers zich niet met succes erop kunnen beroepen dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. 4.16. Het hierop gerichte betoog van KLM bij de mondelinge behandeling in hoger beroep (pleitnota onder 11 t/m 25) slaagt dus. (…)” 4.3 Onderdeel a klaagt ten eerste dat de overweging dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende begrijpelijk is. Voor een feit (van algemene bekendheid) als bedoeld in art. 149 lid 2 Rv geldt onder andere dat het altijd moet opgaan. Voor het door het hof genoemde feit is dat niet het geval, laat staan dat dit een feit van algemene bekendheid zou zijn.
Volledig
Dit volgt alleen al uit de stellingen van de vliegers dat hun aangiftes na 2012 niet anders gebeurden dan daarvoor en dat Zwitserland hun KLM-loon ook voor 2012 vrijstelde van belasting, terwijl vaststaat dat de vliegers voor 2012 ook in Nederland geen belasting verschuldigd waren over hun KLM inkomen. Deze stellingen zijn door KLM niet weersproken en het hof heeft de juistheid ervan in de laatste twee zinnen van rov. 4.14 in het midden gelaten, zodat in cassatie van de juistheid van de stelling moet worden uitgaan dat de vliegers voor 2012 geen belasting verschuldigd waren in Zwitserland en ook niet in Nederland. Het is dus geen feit dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden over het KLM inkomen altijd ergens belasting verschuldigd zou zijn. In ieder geval valt – mede gelet op het feit dat de vliegers voor 2012 geen belasting verschuldigd waren over hun KLM inkomen, noch in Zwitserland, noch in Nederland, zonder nadere motivering niet in te zien dat het van algemene bekendheid zou zijn dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn. Daarbij is van belang dat het in vergelijkbare situaties als de situatie waarin de vliegers verkeerden vaker voorkomt dat de toepassing van de vrijstellingsmethode er toe leidt dat inkomen niet wordt belast (dubbele niet-heffing c.q. dubbele vrijstelling). Het onderdeel verwijst bij dit laatste punt naar de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020, de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2025, het Golfstatenbesluit en een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2024. 4.4 Het hof komt aan het begin van rov. 4.14 tot het oordeel dat ‘onder deze omstandigheden’ de vliegers niet gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. ‘De omstandigheden’ waarop het hof hier doelt, zijn dat uit de door KLM overgelegde uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in fiscale zaken en de door de vliegers overgelegde “Steuererklärungen” blijkt dat het standpunt van de vliegers dat zij in Zwitserland ook over het KLM inkomen belasting hebben betaald, niet juist is (rov. 4.12); dat zij (juist) vrijstelling hebben genoten van belasting over hun KLM inkomen en dat zij dat inkomen in Zwitserland hebben opgegeven bij ‘Auf steuerbare Einkünfte im Ausland” (rov. 4.11, 4.13), oftewel als belastbaar in het buitenland. Het hof sluit hiermee aan bij het betoog van KLM in haar pleitnota na verwijzing (zie rov. 4.16). In die pleitnota heeft KLM onder meer aangevoerd dat uit de “Steuererklärungen” blijkt dat het KLM-inkomen volgens [vlieger 1] zelf in de jaren 2011 t/m 2014 gold als belastbaar inkomen in het buitenland en niet in Zwitserland, dat [vlieger 1] was vrijgesteld in Zwitserland omdat hij over zijn KLM-inkomen in het buitenland belasting zou betalen, terwijl hij in Nederland ook was vrijgesteld en dat uit de aangifte 2011 van [vlieger 1] in Zwitserland blijkt dat hij in 2012 wist, of er al rekening mee hield, dat hij in Nederland inkomstenbelasting moest betalen en dat KLM ervan uitgaat dat voor [vlieger 2] hetzelfde geldt. 4.5 De overwegingen van het hof in rov. 4.11 t/m 4.13 zijn niet onbegrijpelijk en de daarin genoemde omstandigheden kunnen het oordeel van het hof aan het begin van rov. 4.14 zelfstandig dragen. De vliegers hebben daarom geen belang bij behandeling van onderdeel a. 4.6 Overigens heeft het hof de stellingen van de vliegers uit par. 14.4 van de pleitnota na verwijzing wel in de beoordeling betrokken, maar verworpen. Uit het feit dat de vliegers hun aangiftes na 2012 niet anders deden dan daarvoor en de stelling dat Zwitserland hun KLM-loon ook voor 2012 vrijstelde van belasting leidt het hof – anders dan het onderdeel – niet af dat de vliegers voor 2012 geen belasting verschuldigd waren in Zwitserland, althans niet verschuldigd zouden moeten zijn. Uit het feit dat de wijze van belastingaangifte doen door de vliegers in beide landen ertoe leidde dat het KLM inkomen in beide landen is vrijgesteld van belasting, leidt het hof hoogstens af dat zij ook in de jaren vóór 2012 geen belasting hebben betaald over hun KLM inkomen (rov. 4.14, laatste zin). Dat is ook wat KLM opmerkt in haar pleitnota na verwijzing. Dat de vliegers voor 2012 geen belasting verschuldigd waren in Zwitserland hebben zij ook niet nader onderbouwd. 4.7 Verder zijn de bronnen waaruit volgens het onderdeel blijkt dat het in vergelijkbare situaties als de situatie waarin de vliegers verkeerden vaker voorkomt dat de toepassing van de vrijstellingsmethode ertoe leidt dat inkomen niet wordt belast zien niet op vergelijkbare situaties. 4.8 De passage uit de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 waarnaar het onderdeel verwijst ziet blijkens de kop van die paragraaf op “Het in specifieke gevallen toepassen van de verrekenings- in plaats van de vrijstellingsmethode” als maatregel om te voorkomen dat toepassing van de vrijstellingsmethode er onbedoeld toe leidt dat inkomen in het geheel niet of lager wordt belast. De passage heeft betrekking op specifieke gevallen, bijvoorbeeld waar sprake is van verschillen in interpretatie van het belastingverdrag tussen Nederland en de verdragspartner of omdat er tussen verdragspartners geen overeenstemming bestaat over de relevante feiten en het woonland en bronland die feiten verschillend kwalificeren. Dat zo’n situatie zich in het geval van de vliegers heeft voorgedaan is in het onderdeel niet aangevoerd. 4.9 De passage uit het Belastingplan 2025, waarnaar het onderdeel verwijst, ziet op de reparatie van een heffingslek in “een specifieke situatie”, waarin Nederland diens heffingsrecht niet kan effectueren. Het “heffingslek” en de reparatie daarvan worden als volgt toegelicht: “Een kennisgroep van de Belastingdienst heeft met betrekking tot een inwoner van België die volledig buiten Nederland werkzaam is als zeevarende in het internationaal verkeer voor een Nederlandse inhoudingsplichtige werkgever, en waarbij het belastingverdrag tussen Nederland en België het heffingsrecht over het loon van de zeevarende aan Nederland toewijst, het standpunt ingenomen dat geen belasting verschuldigd is in Nederland. Dit betekent tevens dat in situaties als de onderhavige waarin ter voorkoming van dubbele belasting de vrijstellingsmethode wordt toegepast van een dubbele vrijstelling sprake is. Hoewel het beeld is dat deze situatie zich zelden voordoet, vindt het kabinet het ongewenst dat op basis van de huidige wet het aan Nederland toegewezen heffingsrecht niet kan worden geëffectueerd en zeker voor zover daarmee situaties van dubbele vrijstelling ontstaan. Dit geldt temeer omdat de inhoudingsplichtige werkgever wel in aanmerking kan komen voor de afdrachtvermindering zeevaart. Daarom wordt voorgesteld dat ook als de dienstbetrekking volledig buiten Nederland wordt vervuld deze dienstbetrekking wordt geacht in Nederland te zijn vervuld voor zover het heffingsrecht over het loon ter zake van die dienstbetrekking op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht aan Nederland is toegewezen.” 4.10 Iets vergelijkbaars is niet aan de orde in de situatie waarin de vliegers verkeerden, althans dat is niet aangevoerd. De vliegers hebben hun KLM inkomen zelf ook voor 2012, althans in 2011, in Zwitserland als ‘belastbaar in het buitenland’ opgegeven. Niet is gebleken zij feitelijk gedurende meerdere jaren geen belasting over hun KLM inkomen hebben betaald als gevolg van de wijze waarop Zwitserland en/of Nederland het toepasselijke belastingverdrag hebben uitgelegd. 4.11 De strekking van de hiervoor besproken bronnen is overigens juist dat (de bedoeling is dat) altijd ergens belasting wordt betaald.
Volledig
Dit volgt alleen al uit de stellingen van de vliegers dat hun aangiftes na 2012 niet anders gebeurden dan daarvoor en dat Zwitserland hun KLM-loon ook voor 2012 vrijstelde van belasting, terwijl vaststaat dat de vliegers voor 2012 ook in Nederland geen belasting verschuldigd waren over hun KLM inkomen. Deze stellingen zijn door KLM niet weersproken en het hof heeft de juistheid ervan in de laatste twee zinnen van rov. 4.14 in het midden gelaten, zodat in cassatie van de juistheid van de stelling moet worden uitgaan dat de vliegers voor 2012 geen belasting verschuldigd waren in Zwitserland en ook niet in Nederland. Het is dus geen feit dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden over het KLM inkomen altijd ergens belasting verschuldigd zou zijn. In ieder geval valt – mede gelet op het feit dat de vliegers voor 2012 geen belasting verschuldigd waren over hun KLM inkomen, noch in Zwitserland, noch in Nederland, zonder nadere motivering niet in te zien dat het van algemene bekendheid zou zijn dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden over het KLM inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn. Daarbij is van belang dat het in vergelijkbare situaties als de situatie waarin de vliegers verkeerden vaker voorkomt dat de toepassing van de vrijstellingsmethode er toe leidt dat inkomen niet wordt belast (dubbele niet-heffing c.q. dubbele vrijstelling). Het onderdeel verwijst bij dit laatste punt naar de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020, de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2025, het Golfstatenbesluit en een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2024. 4.4 Het hof komt aan het begin van rov. 4.14 tot het oordeel dat ‘onder deze omstandigheden’ de vliegers niet gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. ‘De omstandigheden’ waarop het hof hier doelt, zijn dat uit de door KLM overgelegde uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in fiscale zaken en de door de vliegers overgelegde “Steuererklärungen” blijkt dat het standpunt van de vliegers dat zij in Zwitserland ook over het KLM inkomen belasting hebben betaald, niet juist is (rov. 4.12); dat zij (juist) vrijstelling hebben genoten van belasting over hun KLM inkomen en dat zij dat inkomen in Zwitserland hebben opgegeven bij ‘Auf steuerbare Einkünfte im Ausland” (rov. 4.11, 4.13), oftewel als belastbaar in het buitenland. Het hof sluit hiermee aan bij het betoog van KLM in haar pleitnota na verwijzing (zie rov. 4.16). In die pleitnota heeft KLM onder meer aangevoerd dat uit de “Steuererklärungen” blijkt dat het KLM-inkomen volgens [vlieger 1] zelf in de jaren 2011 t/m 2014 gold als belastbaar inkomen in het buitenland en niet in Zwitserland, dat [vlieger 1] was vrijgesteld in Zwitserland omdat hij over zijn KLM-inkomen in het buitenland belasting zou betalen, terwijl hij in Nederland ook was vrijgesteld en dat uit de aangifte 2011 van [vlieger 1] in Zwitserland blijkt dat hij in 2012 wist, of er al rekening mee hield, dat hij in Nederland inkomstenbelasting moest betalen en dat KLM ervan uitgaat dat voor [vlieger 2] hetzelfde geldt. 4.5 De overwegingen van het hof in rov. 4.11 t/m 4.13 zijn niet onbegrijpelijk en de daarin genoemde omstandigheden kunnen het oordeel van het hof aan het begin van rov. 4.14 zelfstandig dragen. De vliegers hebben daarom geen belang bij behandeling van onderdeel a. 4.6 Overigens heeft het hof de stellingen van de vliegers uit par. 14.4 van de pleitnota na verwijzing wel in de beoordeling betrokken, maar verworpen. Uit het feit dat de vliegers hun aangiftes na 2012 niet anders deden dan daarvoor en de stelling dat Zwitserland hun KLM-loon ook voor 2012 vrijstelde van belasting leidt het hof – anders dan het onderdeel – niet af dat de vliegers voor 2012 geen belasting verschuldigd waren in Zwitserland, althans niet verschuldigd zouden moeten zijn. Uit het feit dat de wijze van belastingaangifte doen door de vliegers in beide landen ertoe leidde dat het KLM inkomen in beide landen is vrijgesteld van belasting, leidt het hof hoogstens af dat zij ook in de jaren vóór 2012 geen belasting hebben betaald over hun KLM inkomen (rov. 4.14, laatste zin). Dat is ook wat KLM opmerkt in haar pleitnota na verwijzing. Dat de vliegers voor 2012 geen belasting verschuldigd waren in Zwitserland hebben zij ook niet nader onderbouwd. 4.7 Verder zijn de bronnen waaruit volgens het onderdeel blijkt dat het in vergelijkbare situaties als de situatie waarin de vliegers verkeerden vaker voorkomt dat de toepassing van de vrijstellingsmethode ertoe leidt dat inkomen niet wordt belast zien niet op vergelijkbare situaties. 4.8 De passage uit de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 waarnaar het onderdeel verwijst ziet blijkens de kop van die paragraaf op “Het in specifieke gevallen toepassen van de verrekenings- in plaats van de vrijstellingsmethode” als maatregel om te voorkomen dat toepassing van de vrijstellingsmethode er onbedoeld toe leidt dat inkomen in het geheel niet of lager wordt belast. De passage heeft betrekking op specifieke gevallen, bijvoorbeeld waar sprake is van verschillen in interpretatie van het belastingverdrag tussen Nederland en de verdragspartner of omdat er tussen verdragspartners geen overeenstemming bestaat over de relevante feiten en het woonland en bronland die feiten verschillend kwalificeren. Dat zo’n situatie zich in het geval van de vliegers heeft voorgedaan is in het onderdeel niet aangevoerd. 4.9 De passage uit het Belastingplan 2025, waarnaar het onderdeel verwijst, ziet op de reparatie van een heffingslek in “een specifieke situatie”, waarin Nederland diens heffingsrecht niet kan effectueren. Het “heffingslek” en de reparatie daarvan worden als volgt toegelicht: “Een kennisgroep van de Belastingdienst heeft met betrekking tot een inwoner van België die volledig buiten Nederland werkzaam is als zeevarende in het internationaal verkeer voor een Nederlandse inhoudingsplichtige werkgever, en waarbij het belastingverdrag tussen Nederland en België het heffingsrecht over het loon van de zeevarende aan Nederland toewijst, het standpunt ingenomen dat geen belasting verschuldigd is in Nederland. Dit betekent tevens dat in situaties als de onderhavige waarin ter voorkoming van dubbele belasting de vrijstellingsmethode wordt toegepast van een dubbele vrijstelling sprake is. Hoewel het beeld is dat deze situatie zich zelden voordoet, vindt het kabinet het ongewenst dat op basis van de huidige wet het aan Nederland toegewezen heffingsrecht niet kan worden geëffectueerd en zeker voor zover daarmee situaties van dubbele vrijstelling ontstaan. Dit geldt temeer omdat de inhoudingsplichtige werkgever wel in aanmerking kan komen voor de afdrachtvermindering zeevaart. Daarom wordt voorgesteld dat ook als de dienstbetrekking volledig buiten Nederland wordt vervuld deze dienstbetrekking wordt geacht in Nederland te zijn vervuld voor zover het heffingsrecht over het loon ter zake van die dienstbetrekking op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht aan Nederland is toegewezen.” 4.10 Iets vergelijkbaars is niet aan de orde in de situatie waarin de vliegers verkeerden, althans dat is niet aangevoerd. De vliegers hebben hun KLM inkomen zelf ook voor 2012, althans in 2011, in Zwitserland als ‘belastbaar in het buitenland’ opgegeven. Niet is gebleken zij feitelijk gedurende meerdere jaren geen belasting over hun KLM inkomen hebben betaald als gevolg van de wijze waarop Zwitserland en/of Nederland het toepasselijke belastingverdrag hebben uitgelegd. 4.11 De strekking van de hiervoor besproken bronnen is overigens juist dat (de bedoeling is dat) altijd ergens belasting wordt betaald.
Volledig
4.12 In het Golfstatenbesluit keurt de Staatssecretaris van Financiën goed dat voor bepaalde inkomsten uit dienstbetrekking van inwoners van Nederland waarvoor, onder het desbetreffende belastingverdrag, een heffingsrecht is toegewezen aan Bahrein, Koeweit, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië of de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE), een vermindering ter vermijding van dubbele belasting wordt verleend volgens de vrijstellingsmethode. Dat leidt er feitelijk toe dat inkomsten uit dienstbetrekking in de golfstaten van inwoners van Nederland niet zijn onderworpen aan belasting. Dit vindt volgens de Staatssecretaris zijn rechtvaardiging in het feit dat voor zowel inwoners als niet-inwoners inkomsten uit dienstbetrekking in de Golfststaten niet zijn onderworpen aan belasting. Zou de vrijstellingsmethode niet worden toegepast, dan zou de belastingdruk voor inwoners van Nederland die inkomsten uit dienstbetrekking ontvangen die betrekking hebben op werkzaamheden in een Golfstaat en waarvoor onder het desbetreffende belastingverdrag het heffingsrecht is toegewezen aan die Golfstaat, hoger zijn dan voor lokale werknemers aldaar. Met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse werknemers is het Nederlandse verdragsbeleid erop gericht voor actieve inkomsten zoals inkomsten uit dienstbetrekking zoveel mogelijk uit te gaan van het niveau van de lokale belastingheffing en daarom een vermindering ter vermijding van dubbele belasting te verlenen door middel van de vrijstellingsmethode, aldus de toelichting bij het besluit. Dit is dus geen voorbeeld van dubbele vrijstelling van belasting, zoals de vliegers bewerkstelligd hebben, maar een geval waarin inwoners van Nederland geen belasting betalen over hun inkomen uit dienstbetrekking in het buitenland als gevolg van de aldaar geldende regels (waar ook inwoners geen belasting over inkomsten uit dienstbetrekking verschuldigd zijn) in combinatie met de in Nederland toegepaste vrijstellingsmethode. 4.13 Dat geldt eveneens voor de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden. In die zaak doet een piloot die in Nederland woont en in Turkije werkzaam is een beroep op het Golfstatenbesluit. Op grond van het belastingverdrag met Turkije is de verrekeningsmethode van toepassing als methode ter voorkoming van dubbele belasting. De piloot heeft in zijn aangifte de vrijstellingsmethode toegepast en de Inspecteur heeft daarom navorderingsaanslagen opgelegd. Volgens de piloot is zijn situatie vergelijkbaar met die geregeld in het Golstatenbesluit en is het in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat in zijn geval niet de vrijstellingsmethode wordt toegepast. Het hof geeft de piloot gelijk en vernietigt de navorderingsaanslagen. 4.14 Onderdeel a kan dus niet slagen. 4.15 Onderdeel b klaagt ten eerste dat uit onderdeel a volgt dat de overweging van het hof in de eerste zin van rov. 4.14, dat de vliegers onder deze omstandigheden niet kunnen worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, mede gelet op de overweging van het hof in de derde zin van rov. 4.14 dat het hof daarom de stellingname van de vliegers verwerpt dat het toepassen van de vrijstelling in Zwitserland niet betekent dat men behoorde te weten dat er in Nederland belasting betaald zou moeten worden. Ook volgt volgens onderdeel b uit onderdeel a dat de derde zin van rov. 4.14 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. 4.16 Dit onderdeel bouwt grotendeels voort op onderdeel a en faalt in het voetspoor daarvan. Verder licht het onderdeel niet nader toe waarom de eerste zin van rov. 4.14 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd gelet op de derde zin van rov. 4.14, terwijl dat niet zonder meer duidelijk is. Ook in zoverre kan het onderdeel daarom niet slagen. Overigens volgt het hof het standpunt van de vliegers – dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan de inkomstenbelasting – mede niet omdat zij het KLM inkomen in Zwitserland als inkomen belastbaar in het buitenland hebben opgegeven. De vliegers hebben dus in Zwitserland vrijstelling genoten van belasting over hun KLM inkomen, omdat zij dat inkomen hebben opgegeven als belastbaar in het buitenland. Niet onbegrijpelijk is dat het hof in die situatie de stellingname van de vliegers verwerpt dat het toepassen van de vrijstelling niet betekent dat men behoorde te weten dat er in Nederland belasting betaald zou moeten worden. 5 Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Den Haag 11 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:126, JAR 2025/106, NLF 2025/0957 m.nt F. Werger, NTFR 2025/822 m.nt E. Swaving Dijkstra, V-N 2025/16.26 m.nt red. Toen trad het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten op 26 februari 2010, Trb . 2010, 98 in werking. Het verdrag is nadien nog gewijzigd bij Protocol van 12 juni 2019 ( Trb . 2019, 94). Voor zover na cassatie en verwijzing van belang. Zie voor het verdere procesverloop voor cassatie en verwijzing het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1276, JAR 2023/273, FUTD 2023/2483, NLF 2023/2464, m.nt. Frank Werger, NTFR 2023/1940, m.nt E. Swaving Dijkstra, Ondernemingsrecht 2024/21, m.nt J. Kloostra, VN 2023/42.4. In het van de zijde van KLM overgelegde procesdossier ontbreken de pleitaantekeningen en de producties die beide partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling na verwijzing (op 10 januari 2025) hebben overgelegd. Zie rov. 2 van het vonnis van de kantonrechter voor een volledige weergave van de vordering. Ktr. Rb. Amsterdam 2 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7613. Hof Amsterdam 24 mei 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1569, JAR 2022/189. Hoge Raad van 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1276, JAR 2023/273. Het onderdeel verwijst naar de noot van H.J. Snijders onder HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7929, NJ 2007/539, onder 4; conclusie A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2023:90 voor HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164, NJ 2023/283, onder 3.26. Vgl. HR 10 september 2010, ECLI:HR:2010:BM8913, NJ 2010/486, rov. 3.3.5. Verwezen wordt naar de pleitnota namens de vliegers van 10 januari 2025, onder 14.4; zie ook onder 4. 14.5, 15, 25 en 34. Verwezen wordt naar het vonnis van de kantonrechter van 2 oktober 2020, rov. 1.7 en het arrest van het hof Amsterdam van 24 mei 2022, rov. 2.1 Volgens het subonderdeel blijkt dit ook uit de laatste zin van rov. 4.14 en de pleitnota van KM na verwijzing, onder 17. Het onderdeel verwijst ter vergelijking naar HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2128, NJ 1998/415, rov. 3.4.1 en HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282, rov. 4.2.3. Ook verwijst het onderdeel naar de pleitnota namens de vliegers van 10 januari 2025, onder 14.3. Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 25 juni 2020, Kamerstukken I 2019/20,25 087, N, p. 16 (Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020). Memorie van toelichting bij het Belastingplan 2025, kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 3, p. 31, onder 5.8. Besluit Staatssecretaris van Financiën van 7 september 2017, Stcrt. 2017, 52188. Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4739, met name rov. 4.8. De uitspraken zijn in hoger beroep bekrachtigd. Zie hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1494 en ECLI:NL:GHSHE:2025:1492. In beide zaken is cassatieberoep ingesteld. De cassatieprocedure loopt nog (zaaknummers 25/02341 en 25/02340). Vgl. op dit punt ook de procesinleiding, voetnoot 9. Pleitnota KLM na verwijzing, randnr. 13, 15, 20. Pleitnota na verwijzing KLM, par. 17. Vgl. op dit punt de memorie na verwijzing van KLM, voetnoot 5, met verdere verwijzingen en de pleitnota van KLM na verwijzing, randnr. 5 en 22. Tegen de uitspraak van het hof is cassatieberoep ingesteld. A-G Pauwels geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond te verklaren en het incidenteel beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
Volledig
4.12 In het Golfstatenbesluit keurt de Staatssecretaris van Financiën goed dat voor bepaalde inkomsten uit dienstbetrekking van inwoners van Nederland waarvoor, onder het desbetreffende belastingverdrag, een heffingsrecht is toegewezen aan Bahrein, Koeweit, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië of de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE), een vermindering ter vermijding van dubbele belasting wordt verleend volgens de vrijstellingsmethode. Dat leidt er feitelijk toe dat inkomsten uit dienstbetrekking in de golfstaten van inwoners van Nederland niet zijn onderworpen aan belasting. Dit vindt volgens de Staatssecretaris zijn rechtvaardiging in het feit dat voor zowel inwoners als niet-inwoners inkomsten uit dienstbetrekking in de Golfststaten niet zijn onderworpen aan belasting. Zou de vrijstellingsmethode niet worden toegepast, dan zou de belastingdruk voor inwoners van Nederland die inkomsten uit dienstbetrekking ontvangen die betrekking hebben op werkzaamheden in een Golfstaat en waarvoor onder het desbetreffende belastingverdrag het heffingsrecht is toegewezen aan die Golfstaat, hoger zijn dan voor lokale werknemers aldaar. Met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse werknemers is het Nederlandse verdragsbeleid erop gericht voor actieve inkomsten zoals inkomsten uit dienstbetrekking zoveel mogelijk uit te gaan van het niveau van de lokale belastingheffing en daarom een vermindering ter vermijding van dubbele belasting te verlenen door middel van de vrijstellingsmethode, aldus de toelichting bij het besluit. Dit is dus geen voorbeeld van dubbele vrijstelling van belasting, zoals de vliegers bewerkstelligd hebben, maar een geval waarin inwoners van Nederland geen belasting betalen over hun inkomen uit dienstbetrekking in het buitenland als gevolg van de aldaar geldende regels (waar ook inwoners geen belasting over inkomsten uit dienstbetrekking verschuldigd zijn) in combinatie met de in Nederland toegepaste vrijstellingsmethode. 4.13 Dat geldt eveneens voor de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden. In die zaak doet een piloot die in Nederland woont en in Turkije werkzaam is een beroep op het Golfstatenbesluit. Op grond van het belastingverdrag met Turkije is de verrekeningsmethode van toepassing als methode ter voorkoming van dubbele belasting. De piloot heeft in zijn aangifte de vrijstellingsmethode toegepast en de Inspecteur heeft daarom navorderingsaanslagen opgelegd. Volgens de piloot is zijn situatie vergelijkbaar met die geregeld in het Golstatenbesluit en is het in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat in zijn geval niet de vrijstellingsmethode wordt toegepast. Het hof geeft de piloot gelijk en vernietigt de navorderingsaanslagen. 4.14 Onderdeel a kan dus niet slagen. 4.15 Onderdeel b klaagt ten eerste dat uit onderdeel a volgt dat de overweging van het hof in de eerste zin van rov. 4.14, dat de vliegers onder deze omstandigheden niet kunnen worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, mede gelet op de overweging van het hof in de derde zin van rov. 4.14 dat het hof daarom de stellingname van de vliegers verwerpt dat het toepassen van de vrijstelling in Zwitserland niet betekent dat men behoorde te weten dat er in Nederland belasting betaald zou moeten worden. Ook volgt volgens onderdeel b uit onderdeel a dat de derde zin van rov. 4.14 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. 4.16 Dit onderdeel bouwt grotendeels voort op onderdeel a en faalt in het voetspoor daarvan. Verder licht het onderdeel niet nader toe waarom de eerste zin van rov. 4.14 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd gelet op de derde zin van rov. 4.14, terwijl dat niet zonder meer duidelijk is. Ook in zoverre kan het onderdeel daarom niet slagen. Overigens volgt het hof het standpunt van de vliegers – dat het hun niet bekend was dat hun KLM inkomen in Nederland onderworpen was aan de inkomstenbelasting – mede niet omdat zij het KLM inkomen in Zwitserland als inkomen belastbaar in het buitenland hebben opgegeven. De vliegers hebben dus in Zwitserland vrijstelling genoten van belasting over hun KLM inkomen, omdat zij dat inkomen hebben opgegeven als belastbaar in het buitenland. Niet onbegrijpelijk is dat het hof in die situatie de stellingname van de vliegers verwerpt dat het toepassen van de vrijstelling niet betekent dat men behoorde te weten dat er in Nederland belasting betaald zou moeten worden. 5 Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Den Haag 11 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:126, JAR 2025/106, NLF 2025/0957 m.nt F. Werger, NTFR 2025/822 m.nt E. Swaving Dijkstra, V-N 2025/16.26 m.nt red. Toen trad het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, gesloten op 26 februari 2010, Trb . 2010, 98 in werking. Het verdrag is nadien nog gewijzigd bij Protocol van 12 juni 2019 ( Trb . 2019, 94). Voor zover na cassatie en verwijzing van belang. Zie voor het verdere procesverloop voor cassatie en verwijzing het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1276, JAR 2023/273, FUTD 2023/2483, NLF 2023/2464, m.nt. Frank Werger, NTFR 2023/1940, m.nt E. Swaving Dijkstra, Ondernemingsrecht 2024/21, m.nt J. Kloostra, VN 2023/42.4. In het van de zijde van KLM overgelegde procesdossier ontbreken de pleitaantekeningen en de producties die beide partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling na verwijzing (op 10 januari 2025) hebben overgelegd. Zie rov. 2 van het vonnis van de kantonrechter voor een volledige weergave van de vordering. Ktr. Rb. Amsterdam 2 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7613. Hof Amsterdam 24 mei 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1569, JAR 2022/189. Hoge Raad van 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1276, JAR 2023/273. Het onderdeel verwijst naar de noot van H.J. Snijders onder HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7929, NJ 2007/539, onder 4; conclusie A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2023:90 voor HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164, NJ 2023/283, onder 3.26. Vgl. HR 10 september 2010, ECLI:HR:2010:BM8913, NJ 2010/486, rov. 3.3.5. Verwezen wordt naar de pleitnota namens de vliegers van 10 januari 2025, onder 14.4; zie ook onder 4. 14.5, 15, 25 en 34. Verwezen wordt naar het vonnis van de kantonrechter van 2 oktober 2020, rov. 1.7 en het arrest van het hof Amsterdam van 24 mei 2022, rov. 2.1 Volgens het subonderdeel blijkt dit ook uit de laatste zin van rov. 4.14 en de pleitnota van KM na verwijzing, onder 17. Het onderdeel verwijst ter vergelijking naar HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2128, NJ 1998/415, rov. 3.4.1 en HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282, rov. 4.2.3. Ook verwijst het onderdeel naar de pleitnota namens de vliegers van 10 januari 2025, onder 14.3. Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 25 juni 2020, Kamerstukken I 2019/20,25 087, N, p. 16 (Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020). Memorie van toelichting bij het Belastingplan 2025, kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 3, p. 31, onder 5.8. Besluit Staatssecretaris van Financiën van 7 september 2017, Stcrt. 2017, 52188. Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4739, met name rov. 4.8. De uitspraken zijn in hoger beroep bekrachtigd. Zie hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1494 en ECLI:NL:GHSHE:2025:1492. In beide zaken is cassatieberoep ingesteld. De cassatieprocedure loopt nog (zaaknummers 25/02341 en 25/02340). Vgl. op dit punt ook de procesinleiding, voetnoot 9. Pleitnota KLM na verwijzing, randnr. 13, 15, 20. Pleitnota na verwijzing KLM, par. 17. Vgl. op dit punt de memorie na verwijzing van KLM, voetnoot 5, met verdere verwijzingen en de pleitnota van KLM na verwijzing, randnr. 5 en 22. Tegen de uitspraak van het hof is cassatieberoep ingesteld. A-G Pauwels geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond te verklaren en het incidenteel beroep in cassatie ongegrond te verklaren.