Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-02-27
ECLI:NL:PHR:2026:209
Civiel recht; Personen- en familierecht
30,999 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:209 text/xml public 2026-03-05T10:36:16 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-02-27 25/02681 Conclusie NL Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:209 text/html public 2026-03-05T10:35:56 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:209 Parket bij de Hoge Raad , 27-02-2026 / 25/02681 Familierecht. Kinderalimentatie. Toepassing maatstaf door hof bij wijziging kinderalimentatie met terugwerkende kracht? Terugbetalingsverplichting? PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02681 Zitting 27 februari 2026 CONCLUSIE L.M. Coenraad In de zaak [de vrouw] , verzoekster tot cassatie, hierna: de vrouw, advocaat: mr. J.E. Strengholt-Geitenbeek, tegen [de man] , verweerder in cassatie, hierna: de man, advocaat: mr. M.E. Bruning. Als belanghebbende is aangemerkt: [belanghebbende] . 1. Inleiding en samenvatting 1.1 In deze kinderalimentatiezaak heeft de rechtbank op verzoek van de man de kinderalimentatie met terugwerkende kracht gewijzigd, en bepaald dat de vrouw de onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man moet terugbetalen. 1.2 In hoger beroep wijzigt ook het hof de kinderalimentatie met terugwerkende kracht en bepaalt het deze op nagenoeg dezelfde bedragen als de rechtbank. Ook acht het hof het evenals de rechtbank redelijk dat de vrouw het door de man te veel betaalde bedrag aan kinderalimentatie aan hem terugbetaalt, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan. 1.3 In cassatie komt de vrouw op tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de ingangsdatum van de wijziging en de daardoor voor haar in het leven geroepen terugbetalingsverplichting. Zij klaagt in de kern dat het hof de maatstaf heeft miskend die moet worden aangelegd wanneer de rechter met ingang van een voor de uitspraak gelegen datum een wijziging aanbrengt in een alimentatieverplichting. Mijns inziens kan geen van de aangevoerde klachten tot cassatie leiden. 2. Feiten en procesverloop 2.1 De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van 15 september 2006 tot 26 juli 2013. 2.2 Zij zijn de ouders van: - [belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [plaats] (hierna: [belanghebbende] ); - [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] (hierna: [kind 1] ), en; - [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [plaats] (hierna: [kind 2] ), hierna gezamenlijk: de kinderen. 2.3 [belanghebbende] heeft zijn hoofverblijfplaats bij de man en [kind 1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Sinds de hierna onder 2.11 te noemen beschikking heeft [kind 2] ook zijn hoofdverblijfplaats bij de man. 2.4 De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. 2.5 De vrouw heeft met haar huidige partner nog twee minderjarige kinderen. 2.6 Bij beschikking van 10 juli 2013 van de rechtbank Den Haag is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarbij is verder bepaald dat het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. 2.7 In het echtscheidingsconvenant is – voor zover thans van belang – opgenomen: “Artikel 1. Kinderen 1.1 Partijen hebben als ouders van hun kinderen afspraken vastgelegd in een ouderschapsplan, dat als bijlage 1 aan dit convenant wordt gehecht en daarvan onlosmakelijk deel uit maakt. 1.2 Met betrekking tot de kosten van de kinderen zijn partijen het volgende overeengekomen. Partijen hebben de kosten van de kinderen op € 500,00 per maand per kind vastgesteld. 1.3 Gelet op het feit dat partijen een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen, hebben zij het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bepaald op € 581,00 per maand per kind (een bijtelling van 16% als extra woonlast). Uit de onderlinge draagkrachtverhouding ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant blijkt een verhouding van 3 (de man) : 1 (de vrouw). 1.4 Op basis van de uitgevoerde berekeningen in de rekenmodule co-ouderschap zal de man vanaf 1 juni 2013 maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage voor de twee kinderen die bij de vrouw staan ingeschreven, van € 393,50 per kind betalen. De vrouw zal aan de man voor het op zijn adres ingeschreven staande kind € 136,00 per maand betalen. Deze bijdragen zullen zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2014.” 2.8 Bij inleidend verzoekschrift, op 23 juni 2023 ingekomen bij de griffie van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank), heeft de man de rechtbank verzocht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, te bepalen dat [kind 2] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man en op zijn adres mag worden ingeschreven. Daarnaast heeft de man de rechtbank verzocht: - te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum beschikking een bedrag aan alimentatie zal voldoen voor [kind 1] van € 242,- per maand; - te bepalen dat de alimentatie voor [kind 2] met ingang van primair 1 december 2021, subsidiair 28 januari 2023, meer subsidiair datum indiening verzoekschrift, op nihil komt te staan, waarbij de vrouw wordt veroordeeld om de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie aan de man terug te betalen; - te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag aan alimentatie zal voldoen voor [belanghebbende] van € 171,- per maand, vanaf primair 1 februari 2020, subsidiair 1 oktober 2022, meer subsidiair datum indiening verzoekschrift, en voor [kind 2] een bedrag van € 119,- per maand, vanaf primair 1 december 2021, subsidiair 28 januari 2023 en meer subsidiair datum indiening verzoekschrift. 2.9 De vrouw heeft een verweerschrift met zelfstandige verzoeken ingediend. De vrouw heeft zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek van de man met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en verweer gevoerd tegen de overige verzoeken van de man. De vrouw heeft verder, voor zover thans van belang en kort weergegeven, de rechtbank verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen tot betaling van € 828,- per maand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. 2.10 Op 21 november 2023 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 2.11 In haar beschikking van 19 december 2023 heeft de rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie (1 januari 2023) en de daarmee gepaard gaande terugbetalingsverplichting overwogen (p. 4 onderscheidenlijk p. 7 van de beschikking): “ Ingangsdatum met terugwerkende kracht De man heeft de rechtbank verzocht om de beschikking van deze rechtbank van 10 juli 2013 met daarin opgenomen het convenant/ouderschapsplan dan wel de onderling gemaakte afspraken voor [kind 2] primair met ingang van 1 december 2021, subsidiair 28 januari 2023, meer subsidiair datum indiening verzoekschrift te wijzigen en voor [belanghebbende] primair met ingang van 1 februari 2020, subsidiair 1 oktober 2022 en meer subsidiair datum indiening verzoekschrift te wijzigen. De vrouw heeft gemotiveerd bestreden dat eventuele wijzigingen met terugwerkende kracht zullen worden vastgesteld. Uit de stukken, de kindgesprekken die de rechter met [kind 2] en [belanghebbende] heeft gevoerd en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank gebleken dat [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven. Ondanks dat [kind 2] iedere maandag en dinsdag na school tot het eten nog naar de vrouw gaat, heeft de vrouw al langere tijd geen verblijfskosten meer voor [belanghebbende] en nauwelijks meer verblijfskosten voor [kind 2] gehad. Gelet hierop acht de rechtbank alles afwegende het redelijk de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting voor [kind 2] en [belanghebbende] te bepalen op 1 januari 2023. Voor [kind 1] heeft de man verzocht de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van de datum van de beschikking.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:209 text/xml public 2026-04-18T00:01:00 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-02-27 25/02681 Conclusie NL Civiel recht; Personen- en familierecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:682 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:209 text/html public 2026-03-05T10:35:56 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:209 Parket bij de Hoge Raad , 27-02-2026 / 25/02681 Familierecht. Kinderalimentatie. Toepassing maatstaf door hof bij wijziging kinderalimentatie met terugwerkende kracht? Terugbetalingsverplichting? PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/02681 Zitting 27 februari 2026 CONCLUSIE L.M. Coenraad In de zaak [de vrouw] , verzoekster tot cassatie, hierna: de vrouw, advocaat: mr. J.E. Strengholt-Geitenbeek, tegen [de man] , verweerder in cassatie, hierna: de man, advocaat: mr. M.E. Bruning. Als belanghebbende is aangemerkt: [belanghebbende] . 1. Inleiding en samenvatting 1.1 In deze kinderalimentatiezaak heeft de rechtbank op verzoek van de man de kinderalimentatie met terugwerkende kracht gewijzigd, en bepaald dat de vrouw de onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man moet terugbetalen. 1.2 In hoger beroep wijzigt ook het hof de kinderalimentatie met terugwerkende kracht en bepaalt het deze op nagenoeg dezelfde bedragen als de rechtbank. Ook acht het hof het evenals de rechtbank redelijk dat de vrouw het door de man te veel betaalde bedrag aan kinderalimentatie aan hem terugbetaalt, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan. 1.3 In cassatie komt de vrouw op tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de ingangsdatum van de wijziging en de daardoor voor haar in het leven geroepen terugbetalingsverplichting. Zij klaagt in de kern dat het hof de maatstaf heeft miskend die moet worden aangelegd wanneer de rechter met ingang van een voor de uitspraak gelegen datum een wijziging aanbrengt in een alimentatieverplichting. Mijns inziens kan geen van de aangevoerde klachten tot cassatie leiden. 2. Feiten en procesverloop 2.1 De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van 15 september 2006 tot 26 juli 2013. 2.2 Zij zijn de ouders van: - [belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [plaats] (hierna: [belanghebbende] ); - [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] (hierna: [kind 1] ), en; - [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [plaats] (hierna: [kind 2] ), hierna gezamenlijk: de kinderen. 2.3 [belanghebbende] heeft zijn hoofverblijfplaats bij de man en [kind 1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Sinds de hierna onder 2.11 te noemen beschikking heeft [kind 2] ook zijn hoofdverblijfplaats bij de man. 2.4 De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. 2.5 De vrouw heeft met haar huidige partner nog twee minderjarige kinderen. 2.6 Bij beschikking van 10 juli 2013 van de rechtbank Den Haag is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarbij is verder bepaald dat het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. 2.7 In het echtscheidingsconvenant is – voor zover thans van belang – opgenomen: “Artikel 1. Kinderen 1.1 Partijen hebben als ouders van hun kinderen afspraken vastgelegd in een ouderschapsplan, dat als bijlage 1 aan dit convenant wordt gehecht en daarvan onlosmakelijk deel uit maakt. 1.2 Met betrekking tot de kosten van de kinderen zijn partijen het volgende overeengekomen. Partijen hebben de kosten van de kinderen op € 500,00 per maand per kind vastgesteld. 1.3 Gelet op het feit dat partijen een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen, hebben zij het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bepaald op € 581,00 per maand per kind (een bijtelling van 16% als extra woonlast). Uit de onderlinge draagkrachtverhouding ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant blijkt een verhouding van 3 (de man) : 1 (de vrouw). 1.4 Op basis van de uitgevoerde berekeningen in de rekenmodule co-ouderschap zal de man vanaf 1 juni 2013 maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage voor de twee kinderen die bij de vrouw staan ingeschreven, van € 393,50 per kind betalen. De vrouw zal aan de man voor het op zijn adres ingeschreven staande kind € 136,00 per maand betalen. Deze bijdragen zullen zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2014.” 2.8 Bij inleidend verzoekschrift, op 23 juni 2023 ingekomen bij de griffie van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank), heeft de man de rechtbank verzocht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, te bepalen dat [kind 2] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man en op zijn adres mag worden ingeschreven. Daarnaast heeft de man de rechtbank verzocht: - te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum beschikking een bedrag aan alimentatie zal voldoen voor [kind 1] van € 242,- per maand; - te bepalen dat de alimentatie voor [kind 2] met ingang van primair 1 december 2021, subsidiair 28 januari 2023, meer subsidiair datum indiening verzoekschrift, op nihil komt te staan, waarbij de vrouw wordt veroordeeld om de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie aan de man terug te betalen; - te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag aan alimentatie zal voldoen voor [belanghebbende] van € 171,- per maand, vanaf primair 1 februari 2020, subsidiair 1 oktober 2022, meer subsidiair datum indiening verzoekschrift, en voor [kind 2] een bedrag van € 119,- per maand, vanaf primair 1 december 2021, subsidiair 28 januari 2023 en meer subsidiair datum indiening verzoekschrift. 2.9 De vrouw heeft een verweerschrift met zelfstandige verzoeken ingediend. De vrouw heeft zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek van de man met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en verweer gevoerd tegen de overige verzoeken van de man. De vrouw heeft verder, voor zover thans van belang en kort weergegeven, de rechtbank verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen tot betaling van € 828,- per maand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. 2.10 Op 21 november 2023 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 2.11 In haar beschikking van 19 december 2023 heeft de rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie (1 januari 2023) en de daarmee gepaard gaande terugbetalingsverplichting overwogen (p. 4 onderscheidenlijk p. 7 van de beschikking): “ Ingangsdatum met terugwerkende kracht De man heeft de rechtbank verzocht om de beschikking van deze rechtbank van 10 juli 2013 met daarin opgenomen het convenant/ouderschapsplan dan wel de onderling gemaakte afspraken voor [kind 2] primair met ingang van 1 december 2021, subsidiair 28 januari 2023, meer subsidiair datum indiening verzoekschrift te wijzigen en voor [belanghebbende] primair met ingang van 1 februari 2020, subsidiair 1 oktober 2022 en meer subsidiair datum indiening verzoekschrift te wijzigen. De vrouw heeft gemotiveerd bestreden dat eventuele wijzigingen met terugwerkende kracht zullen worden vastgesteld. Uit de stukken, de kindgesprekken die de rechter met [kind 2] en [belanghebbende] heeft gevoerd en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank gebleken dat [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven. Ondanks dat [kind 2] iedere maandag en dinsdag na school tot het eten nog naar de vrouw gaat, heeft de vrouw al langere tijd geen verblijfskosten meer voor [belanghebbende] en nauwelijks meer verblijfskosten voor [kind 2] gehad. Gelet hierop acht de rechtbank alles afwegende het redelijk de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting voor [kind 2] en [belanghebbende] te bepalen op 1 januari 2023.
Volledig
De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Echter, de rechtbank zal gemakshalve voor alle drie de kinderen de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting bepalen op 1 januari 2023. De rechtbank betrekt daarbij dat de wijziging van de omstandigheden voor [kind 1] al op die datum bestond. (…) Conclusie kinderalimentatie (…) De rechtbank ziet in het voorgaande en de door partijen gewisselde standpunten tevens aanleiding om het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen om de onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man terug te betalen.” 2.12 Bij genoemde beschikking van 19 december 2023 heeft de rechtbank, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 10 juli 2013 met daarin opgenomen het tussen partijen overeengekomen convenant en ouderschapsplan, in de eerste plaats bepaald dat [kind 2] de hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben. Het dictum luidt verder voor zover thans van belang als volgt: “(…) * bepaalt de door de vrouw met ingang van 1 januari 2023 te betalen alimentatie voor de minderjarige [belanghebbende] (…) op € 143,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen; bepaalt de door de vrouw met ingang van 1 januari 2023 te betalen alimentatie voor de minderjarige [kind 2] (…) op € 82,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen; * bepaalt dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen; * bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2023 te betalen alimentatie voor de minderjarige [kind 1] (…) op € 281,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de man [klaarblijkelijk is bedoeld “aan de vrouw”; A-G] te voldoen; * verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; (…)” 2.13 De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). De vrouw heeft het hof verzocht, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, die beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw ten behoeve van [kind 1] een kinderalimentatie van € 492,- per maand en ten behoeve van [kind 2] een kinderalimentatie van € 134,- per maand dient te voldoen, althans een bijdrage die het hof juist acht, met ingang van de datum van de beschikking van het hof althans met ingang van de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift. 2.14 De man heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. De vrouw heeft een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.15 De man heeft bij e-mailbericht van 13 januari 2025 aan het hof te kennen gegeven dat hij vanaf de meerderjarigheid van [belanghebbende] ook [belanghebbende] in de procedure in hoger beroep vertegenwoordigt. 2.16 De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 2.17 In zijn beschikking van 14 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof met betrekking tot de ingangsdatum van de wijziging en de terugbetalingsverplichting van de vrouw in r.o. 5.3-5.8 het volgende overwogen: “5.3 In geschil is de ingangsdatum voor de wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de ingangsdatum bepaald op 1 januari 2023, omdat [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven en de vrouw sindsdien geen verblijfkosten meer voor [belanghebbende] en nauwelijks meer verblijfkosten voor [kind 2] heeft gehad. 5.4 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald en ten onrechte heeft beslist dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen. De vrouw stelt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende verplichting met terugwerkende kracht in redelijkheid kan worden aanvaard. De vrouw stelt dat zij de door haar ontvangen onderhoudsbijdragen daadwerkelijk aan de kinderen heeft besteed. Door de terugbetalingsverplichting van de onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen vanaf 1 januari 2023 is de vrouw geconfronteerd met een aanzienlijke terugbetalingsverplichting. 5.5 De man stelt dat het onjuist is dat de vrouw de door haar ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed en stelt verder dat de vrouw al lange tijd rekening heeft kunnen houden met een wijziging omdat [belanghebbende] en [kind 2] niet meer, dan wel minder bij de vrouw verblijven. 5.6 Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. 5.7 Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald. Het hof neemt deze gronden over en maakt die, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. Het hof voegt hier het volgende aan toe. 5.8 De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet onderbouwd dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed, noch onderbouwd dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen. Immers in hoger beroep is komen vast te staan dat de vrouw met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen en dat zij inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald.” 2.18 Nadat het hof in r.o. 5.9-5.48 de door partijen te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen heeft vastgesteld, heeft het hof onder het kopje ‘terugbetalingsverplichting’ overwogen: “5.49 Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.
Volledig
Voor [kind 1] heeft de man verzocht de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van de datum van de beschikking. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Echter, de rechtbank zal gemakshalve voor alle drie de kinderen de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting bepalen op 1 januari 2023. De rechtbank betrekt daarbij dat de wijziging van de omstandigheden voor [kind 1] al op die datum bestond. (…) Conclusie kinderalimentatie (…) De rechtbank ziet in het voorgaande en de door partijen gewisselde standpunten tevens aanleiding om het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen om de onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man terug te betalen.” 2.12 Bij genoemde beschikking van 19 december 2023 heeft de rechtbank, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 10 juli 2013 met daarin opgenomen het tussen partijen overeengekomen convenant en ouderschapsplan, in de eerste plaats bepaald dat [kind 2] de hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben. Het dictum luidt verder voor zover thans van belang als volgt: “(…) * bepaalt de door de vrouw met ingang van 1 januari 2023 te betalen alimentatie voor de minderjarige [belanghebbende] (…) op € 143,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen; bepaalt de door de vrouw met ingang van 1 januari 2023 te betalen alimentatie voor de minderjarige [kind 2] (…) op € 82,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen; * bepaalt dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen; * bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2023 te betalen alimentatie voor de minderjarige [kind 1] (…) op € 281,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de man [klaarblijkelijk is bedoeld “aan de vrouw”; A-G] te voldoen; * verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; (…)” 2.13 De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). De vrouw heeft het hof verzocht, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, die beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw ten behoeve van [kind 1] een kinderalimentatie van € 492,- per maand en ten behoeve van [kind 2] een kinderalimentatie van € 134,- per maand dient te voldoen, althans een bijdrage die het hof juist acht, met ingang van de datum van de beschikking van het hof althans met ingang van de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift. 2.14 De man heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. De vrouw heeft een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.15 De man heeft bij e-mailbericht van 13 januari 2025 aan het hof te kennen gegeven dat hij vanaf de meerderjarigheid van [belanghebbende] ook [belanghebbende] in de procedure in hoger beroep vertegenwoordigt. 2.16 De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 2.17 In zijn beschikking van 14 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof met betrekking tot de ingangsdatum van de wijziging en de terugbetalingsverplichting van de vrouw in r.o. 5.3-5.8 het volgende overwogen: “5.3 In geschil is de ingangsdatum voor de wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de ingangsdatum bepaald op 1 januari 2023, omdat [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven en de vrouw sindsdien geen verblijfkosten meer voor [belanghebbende] en nauwelijks meer verblijfkosten voor [kind 2] heeft gehad. 5.4 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald en ten onrechte heeft beslist dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen. De vrouw stelt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende verplichting met terugwerkende kracht in redelijkheid kan worden aanvaard. De vrouw stelt dat zij de door haar ontvangen onderhoudsbijdragen daadwerkelijk aan de kinderen heeft besteed. Door de terugbetalingsverplichting van de onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen vanaf 1 januari 2023 is de vrouw geconfronteerd met een aanzienlijke terugbetalingsverplichting. 5.5 De man stelt dat het onjuist is dat de vrouw de door haar ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed en stelt verder dat de vrouw al lange tijd rekening heeft kunnen houden met een wijziging omdat [belanghebbende] en [kind 2] niet meer, dan wel minder bij de vrouw verblijven. 5.6 Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. 5.7 Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald. Het hof neemt deze gronden over en maakt die, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. Het hof voegt hier het volgende aan toe. 5.8 De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet onderbouwd dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed, noch onderbouwd dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen. Immers in hoger beroep is komen vast te staan dat de vrouw met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen en dat zij inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald.” 2.18 Nadat het hof in r.o. 5.9-5.48 de door partijen te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen heeft vastgesteld, heeft het hof onder het kopje ‘terugbetalingsverplichting’ overwogen: “5.49 Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.
Volledig
5.50 Zoals overwogen onder rechtsoverweging 5.7 en 5.8 van deze beschikking, acht het hof het redelijk dat de vrouw het door de man te veel betaalde aan kinderalimentatie aan hem terugbetaalt, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan.” 2.19 In de bestreden beschikking heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover die ziet op de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank van 10 juli 2013 met daarin opgenomen het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan: - de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [belanghebbende] met ingang van 1 januari 2023 op € 140,- per maand bepaald, geïndexeerd naar 2024 € 149,- per maand en geïndexeerd naar 2025 € 158,- per maand, en bepaald dat deze bijdrage met ingang van [geboortedatum] 2025 door de vrouw aan [belanghebbende] dient te worden betaald als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie; - de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] met ingang van 1 januari 2023 op € 79,- per maand bepaald, geïndexeerd naar 2024 € 84,- per maand en geïndexeerd naar 2025 € 89,- per maand; - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van 1 januari 2023 op € 284,- per maand bepaald, geïndexeerd naar 2024 € 302,- per maand en geïndexeerd naar 2025 € 321,- per maand. Het hof heeft voorts bepaald dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen en zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.20 De vrouw heeft tegen deze beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De man heeft een verweerschrift strekkende tot referte ingediend. De man is van mening dat het hof in de bestreden beschikking niet, om de in de procesinleiding aangevoerde gronden en redenen, het recht heeft geschonden en op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen heeft verzuimd. De man ziet ervan af inhoudelijk verweer te voeren tegen de cassatieklachten en acht het in het belang van de kinderen om zich in cassatie te refereren aan het oordeel van de Hoge Raad. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het middel bestaat uit twee onderdelen. 3.2 Onderdeel 1 richt zich tegen r.o. 5.7-5.8 en r.o. 5.50 van de bestreden beschikking waar het hof oordeelt over de ingangsdatum van de wijziging van de kinderalimentatie en de daaruit voor de vrouw voortvloeiende terugbetalingsverplichting. Het onderdeel betrekt daarbij ook het oordeel van de rechtbank over die ingangsdatum op p. 4 van haar beschikking van 19 december 2023 (hiervoor onder 2.11 geciteerd), bij welk oordeel het hof zich in r.o. 5.7 bij heeft aangesloten. Het hof heeft in r.o. 5.7 geoordeeld dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald en het heeft deze gronden overgenomen en, na een eigen afweging, tot de zijne gemaakt. Het eerste onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen. 3.3 Onderdeel 2 behelst een voortbouwklacht. Onderdeel 1 3.4 Bij de bespreking van de onderdeel 1 stel ik het volgende voorop. 3.5 Artikel 1:402 lid 1 BW bepaalt voor zover thans van belang dat de rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud wijzigt, tevens de dag vaststelt van welke dit bedrag verschuldigd is. Deze bepaling laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting. De rechter heeft daarbij ook de mogelijkheid om een reeds bestaande onderhoudsverplichting over een in het verleden liggende periode te wijzigen. 3.6 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting en een eventuele terugbetalingsverplichting de volgende regels: “(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. (ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. (iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering. In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.” 3.7 Over de bij die beoordeling in aanmerking te nemen omstandigheden heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “(…) Bij die beoordeling is onder meer van belang: de omvang van de eventuele terugbetalingsverplichting, hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, in hoeverre de eerder betaalde bijdragen reeds zijn verbruikt, of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte, en het belang van de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde bijdragen (…).” 3.8 De rechter moet de hiervoor onder 3.6 genoemde regels kenbaar toepassen en kenbaar onderzoeken of een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. 3.9 De rechter is gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie bij de beoordeling van de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op de terugbetaling betrekking hebbend verweer. Dat neemt niet weg dat een beslissing die ertoe strekt dat de alimentatiegerechtigde gehouden is tot terugbetaling van het te veel ontvangene in het bijzonder toereikend dient te worden gemotiveerd als verweer is gevoerd dat erop neerkomt dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de alimentatiegerechtigde daartoe niet in staat is. De omvang van de motiveringsplicht van de rechter is afhankelijk van wat partijen naar voren hebben gebracht en van hoe ingrijpend de beslissing is. 3.10 Voorafgaand aan de bespreking van onderdeel 1 maak ik nog twee opmerkingen over deze zaak. 3.11 In de eerste plaats is op te merken dat tussen de man en de vrouw in feitelijke instanties niet in geschil lijkt te zijn geweest dat zij na het sluiten van het echtscheidingsconvenant afwijkende afspraken hebben gemaakt over de kosten van hun kinderen. De man heeft in zijn inleidende verzoekschrift gesteld, kort weergegeven, dat partijen in 2014 in onderling overleg nieuwe bedragen met elkaar hebben afgesproken, dat de man vanaf dat moment alleen nog maar alimentatie aan de vrouw betaalde voor alle drie de kinderen, dat partijen het bedrag in maart 2017 in onderling overleg hebben verlaagd en dat de man een bijdrage in de kosten van de kinderen voldoet ter hoogte van € 651,32 per maand voor alle drie de kinderen, dus € 217,- per kind per maand. De vrouw heeft eveneens naar voren gebracht dat partijen van het echtscheidingsconvenant afwijkende afspraken hebben gemaakt.
Volledig
5.50 Zoals overwogen onder rechtsoverweging 5.7 en 5.8 van deze beschikking, acht het hof het redelijk dat de vrouw het door de man te veel betaalde aan kinderalimentatie aan hem terugbetaalt, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan.” 2.19 In de bestreden beschikking heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover die ziet op de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank van 10 juli 2013 met daarin opgenomen het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan: - de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [belanghebbende] met ingang van 1 januari 2023 op € 140,- per maand bepaald, geïndexeerd naar 2024 € 149,- per maand en geïndexeerd naar 2025 € 158,- per maand, en bepaald dat deze bijdrage met ingang van [geboortedatum] 2025 door de vrouw aan [belanghebbende] dient te worden betaald als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie; - de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] met ingang van 1 januari 2023 op € 79,- per maand bepaald, geïndexeerd naar 2024 € 84,- per maand en geïndexeerd naar 2025 € 89,- per maand; - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van 1 januari 2023 op € 284,- per maand bepaald, geïndexeerd naar 2024 € 302,- per maand en geïndexeerd naar 2025 € 321,- per maand. Het hof heeft voorts bepaald dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de man dient terug te betalen en zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.20 De vrouw heeft tegen deze beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De man heeft een verweerschrift strekkende tot referte ingediend. De man is van mening dat het hof in de bestreden beschikking niet, om de in de procesinleiding aangevoerde gronden en redenen, het recht heeft geschonden en op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen heeft verzuimd. De man ziet ervan af inhoudelijk verweer te voeren tegen de cassatieklachten en acht het in het belang van de kinderen om zich in cassatie te refereren aan het oordeel van de Hoge Raad. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het middel bestaat uit twee onderdelen. 3.2 Onderdeel 1 richt zich tegen r.o. 5.7-5.8 en r.o. 5.50 van de bestreden beschikking waar het hof oordeelt over de ingangsdatum van de wijziging van de kinderalimentatie en de daaruit voor de vrouw voortvloeiende terugbetalingsverplichting. Het onderdeel betrekt daarbij ook het oordeel van de rechtbank over die ingangsdatum op p. 4 van haar beschikking van 19 december 2023 (hiervoor onder 2.11 geciteerd), bij welk oordeel het hof zich in r.o. 5.7 bij heeft aangesloten. Het hof heeft in r.o. 5.7 geoordeeld dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald en het heeft deze gronden overgenomen en, na een eigen afweging, tot de zijne gemaakt. Het eerste onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen. 3.3 Onderdeel 2 behelst een voortbouwklacht. Onderdeel 1 3.4 Bij de bespreking van de onderdeel 1 stel ik het volgende voorop. 3.5 Artikel 1:402 lid 1 BW bepaalt voor zover thans van belang dat de rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud wijzigt, tevens de dag vaststelt van welke dit bedrag verschuldigd is. Deze bepaling laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting. De rechter heeft daarbij ook de mogelijkheid om een reeds bestaande onderhoudsverplichting over een in het verleden liggende periode te wijzigen. 3.6 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting en een eventuele terugbetalingsverplichting de volgende regels: “(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. (ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. (iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering. In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.” 3.7 Over de bij die beoordeling in aanmerking te nemen omstandigheden heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: “(…) Bij die beoordeling is onder meer van belang: de omvang van de eventuele terugbetalingsverplichting, hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, in hoeverre de eerder betaalde bijdragen reeds zijn verbruikt, of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte, en het belang van de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde bijdragen (…).” 3.8 De rechter moet de hiervoor onder 3.6 genoemde regels kenbaar toepassen en kenbaar onderzoeken of een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. 3.9 De rechter is gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie bij de beoordeling van de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op de terugbetaling betrekking hebbend verweer. Dat neemt niet weg dat een beslissing die ertoe strekt dat de alimentatiegerechtigde gehouden is tot terugbetaling van het te veel ontvangene in het bijzonder toereikend dient te worden gemotiveerd als verweer is gevoerd dat erop neerkomt dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de alimentatiegerechtigde daartoe niet in staat is. De omvang van de motiveringsplicht van de rechter is afhankelijk van wat partijen naar voren hebben gebracht en van hoe ingrijpend de beslissing is. 3.10 Voorafgaand aan de bespreking van onderdeel 1 maak ik nog twee opmerkingen over deze zaak. 3.11 In de eerste plaats is op te merken dat tussen de man en de vrouw in feitelijke instanties niet in geschil lijkt te zijn geweest dat zij na het sluiten van het echtscheidingsconvenant afwijkende afspraken hebben gemaakt over de kosten van hun kinderen. De man heeft in zijn inleidende verzoekschrift gesteld, kort weergegeven, dat partijen in 2014 in onderling overleg nieuwe bedragen met elkaar hebben afgesproken, dat de man vanaf dat moment alleen nog maar alimentatie aan de vrouw betaalde voor alle drie de kinderen, dat partijen het bedrag in maart 2017 in onderling overleg hebben verlaagd en dat de man een bijdrage in de kosten van de kinderen voldoet ter hoogte van € 651,32 per maand voor alle drie de kinderen, dus € 217,- per kind per maand. De vrouw heeft eveneens naar voren gebracht dat partijen van het echtscheidingsconvenant afwijkende afspraken hebben gemaakt.
Volledig
Volgens haar zijn partijen in 2017 overeengekomen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging zal voldoen van in totaal € 584,80 per maand, en bedraagt de actuele bijdrage na indexering € 673,46 per maand. In de door het hof vastgestelde feiten wordt van afwijkende afspraken over de kinderalimentatie geen melding gemaakt, maar wordt slechts gerefereerd aan de afspraken uit het echtscheidingsconvenant. Gelet op de hiervoor weergegeven stellingen van partijen over hun nadere afspraken ga ik ervan uit dat de man kinderalimentatie voor alle drie de kinderen betaalde aan de vrouw. 3.12 In de tweede plaats is op te merken dat de terugbetalingsverplichting voor de vrouw beperkt is tot de periode 1 januari 2023 (ingangsdatum wijziging) tot 19 december 2023 (datum beschikking rechtbank), ervan uitgaand dat de man na de beschikking van de rechtbank geen kinderalimentatie meer heeft betaald voor [belanghebbende] en [kind 2] . De door het hof in de bestreden beschikking vastgestelde bedragen wijken immers nauwelijks af van de door de rechtbank in eerste aanleg vastgestelde bedragen, en die afwijkingen zijn bovendien in het voordeel van de vrouw, in die zin dat zij op basis van de bestreden beschikking van het hof voor [belanghebbende] en [kind 2] enkele euro’s per maand minder betaalt en voor [kind 1] enkele euro’s meer per maand ontvangt dan op basis van de beschikking van de rechtbank het geval was, waardoor van een terugbetalingsverplichting van de vrouw op grond van de bestreden beschikking (van het hof) over de periode na de beschikking van de rechtbank geen sprake kan zijn. Bij de terugbetalingsverplichting van de vrouw waar het in deze zaak om gaat, gaat het dus om hetgeen de vrouw – achteraf bezien, gelet op de door het hof vastgestelde bijdragen – in de periode 1 januari 2023 tot 19 december 2023 te veel aan kinderalimentatie heeft ontvangen. 3.13 Ik keer terug naar de bespreking van onderdeel 1 van het middel. Subonderdeel 1-1 3.14 Subonderdeel 1-1 stelt voorop dat de hiervoor onder 3.6 vermelde maatstaf in de rechtspraak van de Hoge Raad veronderstelt dat de rechter die met ingang van een in het verleden gelegen datum een wijziging aanbrengt in de alimentatieverplichting, zich vooraf een beeld vormt van de terugbetalingsverplichting die daaruit voor de alimentatiegerechtigde voortvloeit en vervolgens toetst of deze terugbetalingsverplichting, gelet op alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid kan worden aanvaard. Volgens het subonderdeel heeft het hof hetzij dat alles achterwege gelaten, hetzij daarvan in zijn motivering geen blijk gegeven. Het subonderdeel klaagt dat het hof de juridische maatstaf heeft miskend door na te laten zich een beeld te vormen van de terugbetalingsverplichting en te toetsen of die in redelijkheid kan worden aanvaard, maar in plaats daarvan in r.o. 5.50 te oordelen dat het hof ‘het redelijk acht’ dat de vrouw het door de man te veel betaalde bedrag aan kinderalimentatie aan hem terugbetaald. De juridische maatstaf is immers niet of het hof de terugbetaling redelijk acht, maar of de terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard, aldus het subonderdeel. 3.15 De klachten van subonderdeel 1-1 kunnen niet tot cassatie leiden. 3.16 Uit r.o. 5.49 van de bestreden beschikking volgt dat het hof het uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad voortvloeiende beoordelingskader bij wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht op het oog heeft gehad. Het hof heeft dit beoordelingskader mijns inziens ook toegepast. Ten eerste heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank op juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald, deze gronden overgenomen en na een eigen afweging tot de zijne gemaakt (r.o. 5.7 in verbinding met de beschikking van de rechtbank, p. 4). In r.o. 5.8 voegt het hof daaraan toe dat de vrouw naar het oordeel van het hof niet onderbouwd heeft dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed noch onderbouwd heeft dat zij niet in staat is tot terugbetaling van hetgeen zij te veel heeft ontvangen, waarbij het hof meeweegt dat in appel is komen vast te staan dat de vrouw een betalingsregeling met de deurwaarder is overeengekomen en dat zij inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald. Ten tweede heeft het hof geoordeeld dat het redelijk is dat de vrouw het door de man te veel betaalde bedrag aan kinderalimentatie aan hem terugbetaalt (r.o. 5.50 in verbinding met r.o. 5.7-5.8). 3.17 Het hof heeft zich daarbij klaarblijkelijk ook een beeld gevormd van de omvang van het te veel betaalde bedrag. Het hof heeft namelijk aan het slot van r.o. 5.8 overwogen dat – zoals in appel is komen vast te staan – de vrouw inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald. Het hof kwantificeert dat niet, maar kennelijk is het hof daarbij uitgegaan van de door de vrouw gestelde “betalingsachterstand” als gevolg van het dictum van de beschikking van de rechtbank van € 5.850,-. Die stelling is weliswaar gebaseerd op de bedragen in het dictum van de rechtbank, maar nu de door het hof vastgestelde bedragen als gezegd daarmee nagenoeg overeenkomen (zie hiervoor onder 3.12), is het beeld ten aanzien van de omvang van de terugbetalingsverplichting over het jaar 2023 op basis van de beschikking van het hof nauwelijks anders dan op basis van de beschikking van de rechtbank. De genoemde overweging dat de vrouw de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald, is, afgezien van de terminologie die het hof daar heeft gebruikt , in cassatie niet bestreden. 3.18 Voor zover subonderdeel 1-1 tot slot beoogt te klagen dat het hof, met het oordeel in r.o. 5.50 dat het hof “het redelijk acht” dat de vrouw het door de man te veel betaalde aan hem terugbetaalt, heeft miskend dat de toepasselijke maatstaf is of de terugbetalingsverplichting “in redelijkheid kan worden aanvaard”, faalt het, nu de door de rechter te verrichten beoordeling mijns inziens neerkomt op, en niets meer behelst dan, beantwoording van de vraag of, en in hoeverre de verplichting tot terugbetaling redelijk is. Subonderdeel 1-2 3.19 Subonderdeel 1-2 richt zich tegen het oordeel in r.o. 5.8 dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed, noch dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen. Het subonderdeel bevat ten eerste de klachten dat het hof met dit oordeel “voormelde rechtsregel” (naar ik begrijp: de regels uit de vaste rechtspraak zoals weergegeven onder 3.6) heeft miskend en dat dat oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het is niet de vrouw die moet onderbouwen dat zij de ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed en dat zij niet in staat is de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, aldus het subonderdeel. Het is het hof dat, gelet op de te betrachten behoedzaamheid bij het laten ingaan van een wijziging op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, moet onderzoeken of een terugbetalingsplicht van hetgeen in overeenstemming met de behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven in redelijkheid kan worden aanvaard, waarbij het hof niet afhankelijk is van een door de vrouw gevoerd verweer, zo voert het subonderdeel aan. 3.20 Deze eerste klachten van het subonderdeel falen. Het is juist dat de rechter die een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht verlaagt steeds moet beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard en bij die beoordeling niet afhankelijk is van een op die terugbetaling betrekking hebbend verweer. Zoals hiervoor onder 3.16-3.17 bleek, heeft het hof deze regels ook toegepast. Bij die beoordeling mag de rechter meewegen dat een bepaalde stelling door de ene partij niet voldoende is onderbouwd, in het licht van wat de andere partij daartegenover heeft gesteld.
Volledig
Volgens haar zijn partijen in 2017 overeengekomen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging zal voldoen van in totaal € 584,80 per maand, en bedraagt de actuele bijdrage na indexering € 673,46 per maand. In de door het hof vastgestelde feiten wordt van afwijkende afspraken over de kinderalimentatie geen melding gemaakt, maar wordt slechts gerefereerd aan de afspraken uit het echtscheidingsconvenant. Gelet op de hiervoor weergegeven stellingen van partijen over hun nadere afspraken ga ik ervan uit dat de man kinderalimentatie voor alle drie de kinderen betaalde aan de vrouw. 3.12 In de tweede plaats is op te merken dat de terugbetalingsverplichting voor de vrouw beperkt is tot de periode 1 januari 2023 (ingangsdatum wijziging) tot 19 december 2023 (datum beschikking rechtbank), ervan uitgaand dat de man na de beschikking van de rechtbank geen kinderalimentatie meer heeft betaald voor [belanghebbende] en [kind 2] . De door het hof in de bestreden beschikking vastgestelde bedragen wijken immers nauwelijks af van de door de rechtbank in eerste aanleg vastgestelde bedragen, en die afwijkingen zijn bovendien in het voordeel van de vrouw, in die zin dat zij op basis van de bestreden beschikking van het hof voor [belanghebbende] en [kind 2] enkele euro’s per maand minder betaalt en voor [kind 1] enkele euro’s meer per maand ontvangt dan op basis van de beschikking van de rechtbank het geval was, waardoor van een terugbetalingsverplichting van de vrouw op grond van de bestreden beschikking (van het hof) over de periode na de beschikking van de rechtbank geen sprake kan zijn. Bij de terugbetalingsverplichting van de vrouw waar het in deze zaak om gaat, gaat het dus om hetgeen de vrouw – achteraf bezien, gelet op de door het hof vastgestelde bijdragen – in de periode 1 januari 2023 tot 19 december 2023 te veel aan kinderalimentatie heeft ontvangen. 3.13 Ik keer terug naar de bespreking van onderdeel 1 van het middel. Subonderdeel 1-1 3.14 Subonderdeel 1-1 stelt voorop dat de hiervoor onder 3.6 vermelde maatstaf in de rechtspraak van de Hoge Raad veronderstelt dat de rechter die met ingang van een in het verleden gelegen datum een wijziging aanbrengt in de alimentatieverplichting, zich vooraf een beeld vormt van de terugbetalingsverplichting die daaruit voor de alimentatiegerechtigde voortvloeit en vervolgens toetst of deze terugbetalingsverplichting, gelet op alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid kan worden aanvaard. Volgens het subonderdeel heeft het hof hetzij dat alles achterwege gelaten, hetzij daarvan in zijn motivering geen blijk gegeven. Het subonderdeel klaagt dat het hof de juridische maatstaf heeft miskend door na te laten zich een beeld te vormen van de terugbetalingsverplichting en te toetsen of die in redelijkheid kan worden aanvaard, maar in plaats daarvan in r.o. 5.50 te oordelen dat het hof ‘het redelijk acht’ dat de vrouw het door de man te veel betaalde bedrag aan kinderalimentatie aan hem terugbetaald. De juridische maatstaf is immers niet of het hof de terugbetaling redelijk acht, maar of de terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard, aldus het subonderdeel. 3.15 De klachten van subonderdeel 1-1 kunnen niet tot cassatie leiden. 3.16 Uit r.o. 5.49 van de bestreden beschikking volgt dat het hof het uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad voortvloeiende beoordelingskader bij wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht op het oog heeft gehad. Het hof heeft dit beoordelingskader mijns inziens ook toegepast. Ten eerste heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank op juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald, deze gronden overgenomen en na een eigen afweging tot de zijne gemaakt (r.o. 5.7 in verbinding met de beschikking van de rechtbank, p. 4). In r.o. 5.8 voegt het hof daaraan toe dat de vrouw naar het oordeel van het hof niet onderbouwd heeft dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed noch onderbouwd heeft dat zij niet in staat is tot terugbetaling van hetgeen zij te veel heeft ontvangen, waarbij het hof meeweegt dat in appel is komen vast te staan dat de vrouw een betalingsregeling met de deurwaarder is overeengekomen en dat zij inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald. Ten tweede heeft het hof geoordeeld dat het redelijk is dat de vrouw het door de man te veel betaalde bedrag aan kinderalimentatie aan hem terugbetaalt (r.o. 5.50 in verbinding met r.o. 5.7-5.8). 3.17 Het hof heeft zich daarbij klaarblijkelijk ook een beeld gevormd van de omvang van het te veel betaalde bedrag. Het hof heeft namelijk aan het slot van r.o. 5.8 overwogen dat – zoals in appel is komen vast te staan – de vrouw inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald. Het hof kwantificeert dat niet, maar kennelijk is het hof daarbij uitgegaan van de door de vrouw gestelde “betalingsachterstand” als gevolg van het dictum van de beschikking van de rechtbank van € 5.850,-. Die stelling is weliswaar gebaseerd op de bedragen in het dictum van de rechtbank, maar nu de door het hof vastgestelde bedragen als gezegd daarmee nagenoeg overeenkomen (zie hiervoor onder 3.12), is het beeld ten aanzien van de omvang van de terugbetalingsverplichting over het jaar 2023 op basis van de beschikking van het hof nauwelijks anders dan op basis van de beschikking van de rechtbank. De genoemde overweging dat de vrouw de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald, is, afgezien van de terminologie die het hof daar heeft gebruikt , in cassatie niet bestreden. 3.18 Voor zover subonderdeel 1-1 tot slot beoogt te klagen dat het hof, met het oordeel in r.o. 5.50 dat het hof “het redelijk acht” dat de vrouw het door de man te veel betaalde aan hem terugbetaalt, heeft miskend dat de toepasselijke maatstaf is of de terugbetalingsverplichting “in redelijkheid kan worden aanvaard”, faalt het, nu de door de rechter te verrichten beoordeling mijns inziens neerkomt op, en niets meer behelst dan, beantwoording van de vraag of, en in hoeverre de verplichting tot terugbetaling redelijk is. Subonderdeel 1-2 3.19 Subonderdeel 1-2 richt zich tegen het oordeel in r.o. 5.8 dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed, noch dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen. Het subonderdeel bevat ten eerste de klachten dat het hof met dit oordeel “voormelde rechtsregel” (naar ik begrijp: de regels uit de vaste rechtspraak zoals weergegeven onder 3.6) heeft miskend en dat dat oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het is niet de vrouw die moet onderbouwen dat zij de ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed en dat zij niet in staat is de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, aldus het subonderdeel. Het is het hof dat, gelet op de te betrachten behoedzaamheid bij het laten ingaan van een wijziging op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, moet onderzoeken of een terugbetalingsplicht van hetgeen in overeenstemming met de behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven in redelijkheid kan worden aanvaard, waarbij het hof niet afhankelijk is van een door de vrouw gevoerd verweer, zo voert het subonderdeel aan. 3.20 Deze eerste klachten van het subonderdeel falen. Het is juist dat de rechter die een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht verlaagt steeds moet beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard en bij die beoordeling niet afhankelijk is van een op die terugbetaling betrekking hebbend verweer. Zoals hiervoor onder 3.16-3.17 bleek, heeft het hof deze regels ook toegepast. Bij die beoordeling mag de rechter meewegen dat een bepaalde stelling door de ene partij niet voldoende is onderbouwd, in het licht van wat de andere partij daartegenover heeft gesteld.
Volledig
Het is immers, ook in dit verband, aan partijen om de feiten en omstandigheden aan te voeren die relevant kunnen zijn voor de door de rechter te verrichten beoordeling of een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. De rechter kan zo’n gesteld feit of gestelde omstandigheid slechts bij zijn beoordeling betrekken als deze als vaststaand kan worden beschouwd. Andersom is er dan ook niets op tegen dat de rechter bij de motivering van zijn redelijkheidsoordeel constateert dat bepaalde feiten of omstandigheden weliswaar zijn gesteld, maar niet zijn komen vast te staan. 3.21 Daar komt bij dat voor het hof, in navolging van de rechtbank, bij de bepaling van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie op 1 januari 2023, beslissend is dat [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven en dat de vrouw al langere tijd dus geen verblijfskosten meer voor [belanghebbende] heeft en nauwelijks meer verblijfskosten voor [kind 2] heeft gehad (r.o. 5.7 in verbinding met de beschikking van de rechtbank, p. 4). Bij deze stand van zaken is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof van de vrouw verlangt dat zij haar stellingen dat zij de ontvangen kinderalimentatie – naar ik begrijp vanaf 1 januari 2023 – daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed en dat zij niet in staat is de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen onderbouwt en haar afrekent op het gebrek aan deze onderbouwing. De vrouw heeft immers na 1 januari 2023 een kinderbijdrage van de man ontvangen, terwijl daar tegenover voor [belanghebbende] en [kind 2] geen tot nauwelijks verblijfskosten meer stonden, en zij, volgens rechtbank en hof, vanaf genoemde datum juist een kinderbijdrage voor [belanghebbende] en [kind 2] aan de man verschuldigd was (zie hierover ook nader bij de bespreking van subonderdelen 1-4 en 1-5). 3.22 Subonderdeel 1-2 bevat ten tweede de klachten dat het oordeel van het hof dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, nu zij met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen, onbegrijpelijk is, aangezien de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, waardoor de deurwaarder kon executeren en onder meer beslag had kunnen leggen. Het is volgens het subonderdeel in strijd met de redelijkheid en billijkheid om het voldoen aan een uitspraak mee te wegen bij het oordeel of terugbetaling in redelijkheid kan worden aanvaard. 3.23 Ook deze klachten falen. 3.24 De vrouw heeft in deze procedure onder meer gesteld, kort weergegeven, dat zij door wijziging van de alimentatie met terugwerkende kracht zich geconfronteerd ziet met een aanzienlijke betalingsachterstand en dat zij daardoor zou komen te verkeren in een financiële noodtoestand en impasse. 3.25 Als in de procedure komt vast te staan dat de ouder die alimentatie heeft ontvangen niet in staat is het te veel ontvangene terug te betalen, kan dat een relevant gegeven zijn bij de beoordeling of in redelijkheid terugbetaling kan worden verlangd (vgl. hiervoor onder 3.7). 3.26 Het hof heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, en heeft daarbij in aanmerking genomen dat in hoger beroep is komen vast te staan dat de vrouw met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen en dat zij inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald. 3.27 Het subonderdeel moet nagegeven worden dat de vaststelling dat de vrouw een betalingsregeling heeft en reeds de helft heeft afgelost, als zodanig niet veel gewicht in de schaal legt waar het gaat om de vraag of de vrouw in staat is terug te betalen. Bedacht moet immers worden dat de vrouw “wel moest betalen”, nu de man de beschikking van de rechtbank kon executeren. Dat de vrouw feitelijk aflost, zegt niet zonder meer iets over haar financiële situatie of over mogelijke problemen die door dat aflossen voor haar zouden kunnen ontstaan. 3.28 Toch meen ik dat de tegen de bestreden overweging aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Ik lees r.o. 5.8 zo dat het hof, in het licht van het feit dat de vrouw een betalingsregeling heeft en zo reeds de helft heeft afgelost, een nadere onderbouwing verlangt van de vrouw van haar stelling dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen. Dat oordeel acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de financiële gegevens die de vrouw in deze alimentatieprocedure in het geding heeft gebracht en de op basis daarvan door het hof berekende draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie volgt dat de vrouw daadwerkelijk ruimte heeft om af te lossen. Het hof heeft immers – in cassatie onbestreden – de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie berekend op € 580,- per maand (r.o. 5.32 van de bestreden beschikking), terwijl de vrouw van dit bedrag slechts een deel, namelijk € 510,- per maand, dient aan te wenden voor een bijdrage in de kosten van de kinderen (r.o. 5.38 van de bestreden beschikking). 3.29 Ook kan ik het oordeel van het hof ten aanzien van het vermogen van de vrouw om terug te betalen niet los zien van de omstandigheid dat het hof de vrouw ook niet volgt in haar stelling dat zij de ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed. Dat laatste oordeel moet mijns inziens immers worden begrepen in het licht van de motivering die de rechtbank heeft gegeven voor de wijziging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2023, namelijk, kort gezegd, dat per oktober 2022 en 28 januari 2023 de verblijfskosten aan de zijde van de vrouw voor [belanghebbende] en [kind 2] geheel of grotendeels zijn weggevallen. De vrouw heeft dus een bijdrage ontvangen, terwijl zij een deel van de kosten waarvoor ze die bijdrage ontving helemaal niet heeft gehad. 3.30 Op het voorgaande stuiten de klachten van subonderdeel 1-2, tweede deel, af. Subonderdeel 1-3 3.31 Subonderdeel 1-3 klaagt dat het oordeel in r.o. 5.8 tevens in strijd is met het recht waar het hof het heeft over ‘de onverschuldigd ontvangen’ kinderalimentatie. Op het moment van de betaling bestond er immers wel degelijk een verplichting tot betaling, die achteraf gewijzigd wordt, waardoor er geen sprake is van onverschuldigde betaling, aldus het subonderdeel. 3.32 Dit subonderdeel faalt wegens een gebrek aan belang. Wanneer een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht op grond van artikel 1:401 BW op een lager bedrag wordt vastgesteld, heeft die wijziging – in beginsel – een verplichting tot terugbetaling van het te veel betaalde tot gevolg. Die verplichting tot terugbetaling is de crux in de hiervoor onder 3.6 aangehaalde vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Niet blijkt dat het voor de toepassing van de uit die rechtspraak voortvloeiende regels relevant is of die verplichting tot terugbetaling al of niet zijn grondslag vindt in onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). 3.33 Overigens merk ik op dat daar waar het hof in r.o. 5.8 (en de rechtbank op p. 7) het heeft over “onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie” dit mijns inziens niet anders kan worden begrepen dan dat het hof (en de rechtbank) daarmee bedoelt dat er door de wijziging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht, achteraf beschouwd, vanaf 1 januari 2023 geen titel was voor de door de man aan de vrouw betaalde kinderalimentatie voor [belanghebbende] en [kind 2] . Daardoor is een terugbetalingsverplichting voor de vrouw ontstaan, voor zover de man voor [belanghebbende] en [kind 2] ook na genoemde datum heeft betaald. Dat op het moment van betalen door de man nog een verplichting daartoe bestond, is juist, maar doet aan het achteraf komen ontvallen van de titel en het ontstaan van die terugbetalingsverplichting niet af. Zo beschouwd, is er dus geen sprake van strijd met het recht, gelet op artikel 1:401 BW en het beoordelingskader volgens de vaste rechtspraak, zoals weergegeven onder 3.6.
Volledig
Het is immers, ook in dit verband, aan partijen om de feiten en omstandigheden aan te voeren die relevant kunnen zijn voor de door de rechter te verrichten beoordeling of een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. De rechter kan zo’n gesteld feit of gestelde omstandigheid slechts bij zijn beoordeling betrekken als deze als vaststaand kan worden beschouwd. Andersom is er dan ook niets op tegen dat de rechter bij de motivering van zijn redelijkheidsoordeel constateert dat bepaalde feiten of omstandigheden weliswaar zijn gesteld, maar niet zijn komen vast te staan. 3.21 Daar komt bij dat voor het hof, in navolging van de rechtbank, bij de bepaling van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie op 1 januari 2023, beslissend is dat [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven en dat de vrouw al langere tijd dus geen verblijfskosten meer voor [belanghebbende] heeft en nauwelijks meer verblijfskosten voor [kind 2] heeft gehad (r.o. 5.7 in verbinding met de beschikking van de rechtbank, p. 4). Bij deze stand van zaken is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof van de vrouw verlangt dat zij haar stellingen dat zij de ontvangen kinderalimentatie – naar ik begrijp vanaf 1 januari 2023 – daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed en dat zij niet in staat is de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen onderbouwt en haar afrekent op het gebrek aan deze onderbouwing. De vrouw heeft immers na 1 januari 2023 een kinderbijdrage van de man ontvangen, terwijl daar tegenover voor [belanghebbende] en [kind 2] geen tot nauwelijks verblijfskosten meer stonden, en zij, volgens rechtbank en hof, vanaf genoemde datum juist een kinderbijdrage voor [belanghebbende] en [kind 2] aan de man verschuldigd was (zie hierover ook nader bij de bespreking van subonderdelen 1-4 en 1-5). 3.22 Subonderdeel 1-2 bevat ten tweede de klachten dat het oordeel van het hof dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, nu zij met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen, onbegrijpelijk is, aangezien de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, waardoor de deurwaarder kon executeren en onder meer beslag had kunnen leggen. Het is volgens het subonderdeel in strijd met de redelijkheid en billijkheid om het voldoen aan een uitspraak mee te wegen bij het oordeel of terugbetaling in redelijkheid kan worden aanvaard. 3.23 Ook deze klachten falen. 3.24 De vrouw heeft in deze procedure onder meer gesteld, kort weergegeven, dat zij door wijziging van de alimentatie met terugwerkende kracht zich geconfronteerd ziet met een aanzienlijke betalingsachterstand en dat zij daardoor zou komen te verkeren in een financiële noodtoestand en impasse. 3.25 Als in de procedure komt vast te staan dat de ouder die alimentatie heeft ontvangen niet in staat is het te veel ontvangene terug te betalen, kan dat een relevant gegeven zijn bij de beoordeling of in redelijkheid terugbetaling kan worden verlangd (vgl. hiervoor onder 3.7). 3.26 Het hof heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, en heeft daarbij in aanmerking genomen dat in hoger beroep is komen vast te staan dat de vrouw met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen en dat zij inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald. 3.27 Het subonderdeel moet nagegeven worden dat de vaststelling dat de vrouw een betalingsregeling heeft en reeds de helft heeft afgelost, als zodanig niet veel gewicht in de schaal legt waar het gaat om de vraag of de vrouw in staat is terug te betalen. Bedacht moet immers worden dat de vrouw “wel moest betalen”, nu de man de beschikking van de rechtbank kon executeren. Dat de vrouw feitelijk aflost, zegt niet zonder meer iets over haar financiële situatie of over mogelijke problemen die door dat aflossen voor haar zouden kunnen ontstaan. 3.28 Toch meen ik dat de tegen de bestreden overweging aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Ik lees r.o. 5.8 zo dat het hof, in het licht van het feit dat de vrouw een betalingsregeling heeft en zo reeds de helft heeft afgelost, een nadere onderbouwing verlangt van de vrouw van haar stelling dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen. Dat oordeel acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de financiële gegevens die de vrouw in deze alimentatieprocedure in het geding heeft gebracht en de op basis daarvan door het hof berekende draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie volgt dat de vrouw daadwerkelijk ruimte heeft om af te lossen. Het hof heeft immers – in cassatie onbestreden – de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie berekend op € 580,- per maand (r.o. 5.32 van de bestreden beschikking), terwijl de vrouw van dit bedrag slechts een deel, namelijk € 510,- per maand, dient aan te wenden voor een bijdrage in de kosten van de kinderen (r.o. 5.38 van de bestreden beschikking). 3.29 Ook kan ik het oordeel van het hof ten aanzien van het vermogen van de vrouw om terug te betalen niet los zien van de omstandigheid dat het hof de vrouw ook niet volgt in haar stelling dat zij de ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed. Dat laatste oordeel moet mijns inziens immers worden begrepen in het licht van de motivering die de rechtbank heeft gegeven voor de wijziging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2023, namelijk, kort gezegd, dat per oktober 2022 en 28 januari 2023 de verblijfskosten aan de zijde van de vrouw voor [belanghebbende] en [kind 2] geheel of grotendeels zijn weggevallen. De vrouw heeft dus een bijdrage ontvangen, terwijl zij een deel van de kosten waarvoor ze die bijdrage ontving helemaal niet heeft gehad. 3.30 Op het voorgaande stuiten de klachten van subonderdeel 1-2, tweede deel, af. Subonderdeel 1-3 3.31 Subonderdeel 1-3 klaagt dat het oordeel in r.o. 5.8 tevens in strijd is met het recht waar het hof het heeft over ‘de onverschuldigd ontvangen’ kinderalimentatie. Op het moment van de betaling bestond er immers wel degelijk een verplichting tot betaling, die achteraf gewijzigd wordt, waardoor er geen sprake is van onverschuldigde betaling, aldus het subonderdeel. 3.32 Dit subonderdeel faalt wegens een gebrek aan belang. Wanneer een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht op grond van artikel 1:401 BW op een lager bedrag wordt vastgesteld, heeft die wijziging – in beginsel – een verplichting tot terugbetaling van het te veel betaalde tot gevolg. Die verplichting tot terugbetaling is de crux in de hiervoor onder 3.6 aangehaalde vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Niet blijkt dat het voor de toepassing van de uit die rechtspraak voortvloeiende regels relevant is of die verplichting tot terugbetaling al of niet zijn grondslag vindt in onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). 3.33 Overigens merk ik op dat daar waar het hof in r.o. 5.8 (en de rechtbank op p. 7) het heeft over “onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie” dit mijns inziens niet anders kan worden begrepen dan dat het hof (en de rechtbank) daarmee bedoelt dat er door de wijziging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht, achteraf beschouwd, vanaf 1 januari 2023 geen titel was voor de door de man aan de vrouw betaalde kinderalimentatie voor [belanghebbende] en [kind 2] . Daardoor is een terugbetalingsverplichting voor de vrouw ontstaan, voor zover de man voor [belanghebbende] en [kind 2] ook na genoemde datum heeft betaald. Dat op het moment van betalen door de man nog een verplichting daartoe bestond, is juist, maar doet aan het achteraf komen ontvallen van de titel en het ontstaan van die terugbetalingsverplichting niet af. Zo beschouwd, is er dus geen sprake van strijd met het recht, gelet op artikel 1:401 BW en het beoordelingskader volgens de vaste rechtspraak, zoals weergegeven onder 3.6.
Volledig
Subonderdeel 1-4 3.34 Subonderdeel 1-4 klaagt dat het oordeel in r.o. 5.8 in strijd met het recht en onbegrijpelijk is, nu er geen regel bestaat dat een alimentatiegerechtigde zou moeten onderbouwen dat de ‘onverschuldigd’ ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen is besteed. Volgens het subonderdeel is het een feit van algemene bekendheid dat gezinnen één huishouden vormen, met gezamenlijke kosten zoals huisvesting, boodschappen, gas, elektra, vervoer, vakanties etc. Daarnaast zijn er specifieke kosten zoals school, kleding, sport, hobby’s, zakgeld, uitgaan van de kinderen etc. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat ouders geen kasboek plegen bij te houden en in de regel ook geen bonnetjes bewaren als kleding niet behoeft te worden geruild. Het subonderdeel betoogt kort gezegd dat van de vrouw, behoudens bijzondere, niet door de man gestelde, omstandigheden, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij in retrospectief aantoont hoe de kinderalimentatie is besteed. Het is standaardjurisprudentie dat de alimentatiegerechtigde ouder niet aan de alimentatieplichtige ouder hoeft te verantwoorden op welke wijze de kinderalimentatie is besteed en er bestaat geen wettelijke verplichting om rekening en verantwoording af te leggen over de kinderalimentatie, aldus het subonderdeel. 3.35 Ook subonderdeel 1-4 faalt. 3.36 De hoofdverzorgende ouder heeft ontegenzeggelijk kosten, zowel kosten die verband houden met het verblijf van de kinderen, als die daarvan los staan (de zogeheten verblijfsoverstijgende kosten, bijvoorbeeld schoolgeld, contributie voor sportclubs en kleding). Deze hoofdverzorgende ouder zal in de regel niet hoeven aantonen hoe de kinderalimentatie is uitgegeven en dat deze daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen is besteed. Aangenomen zal dan worden dat kinderalimentatie die de behoefte niet overstijgt, zal zijn verbruikt ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. 3.37 Als de feitelijke zorgverdeling verandert, dan verandert daarmee de mate waarin elk van de ouders in natura in de kosten van de kinderen voorziet en dat werkt door in de hoogte van de kinderalimentatie. Als de feitelijke zorgverdeling is veranderd in die zin dat de ouder die kinderalimentatie ontvangt, minder van de zorg voor zijn rekening neemt, dan zal dat grond vormen voor verlaging van de kinderalimentatie. Als in dat geval evenwel nog gedurende enige tijd op de oude voet kinderalimentatie wordt doorbetaald, terwijl dus de kosten zijn afgenomen, dan behoeft de stelling van de alimentatiegerechtigde dat de kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen is besteed wel nadere uitleg. 3.38 In dit geval heeft zich een dergelijke wijziging voorgedaan in de zorgverdeling. De man heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat partijen in het ouderschapsplan co-ouderschap hebben afgesproken, inhoudende een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedtaken, waarbij de kinderen ongeveer evenveel tijd bij beide ouders zouden verblijven. Aan zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie heeft de man onder meer ten grondslag gelegd dat er wijzigingen zijn geweest in de zorgregeling en in het hoofdverblijf. In dit kader heeft de man aangevoerd, kort weergegeven en voor zover thans van belang, dat [kind 2] in december 2021 in een gesloten jeugdzorginstelling is geplaatst en dat vanaf dat moment allang geen sprake meer is van een regeling die lijkt op co-ouderschap, alsmede dat [kind 2] vanaf 28 januari 2023 na beëindiging van de uithuisplaatsing bij zijn vader is komen wonen, en doordeweeks alleen op maandag en dinsdag vanuit school tot na het eten bij zijn moeder is. Ook heeft de man aangevoerd dat [belanghebbende] vanaf februari 2022 voornamelijk bij zijn vader is, en sinds oktober 2022 helemaal niet meer bij zijn moeder komt. [belanghebbende] fietst wel eens langs het huis van zijn moeder, maar zij laat hem dan niet naar binnen, aldus de man. Voorts heeft de man onder meer gesteld dat het niet is te zien dat de kinderalimentatie aan de kinderen wordt uitgegeven en dat de moeder nalaat om nieuwe kleding en schoeisel te kopen, alsmede dat hij ook al lange tijd een fors bedrag ter zake de verblijfsoverstijgende kosten voldoet. 3.39 De vrouw heeft in haar verweerschrift in eerste aanleg onder meer gesteld dat zij de door haar ontvangen onderhoudsbijdragen geheel aan de kinderen besteedt en dat zij steeds zowel de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen als haar eigen verblijfskosten van de kinderen heeft voldaan. De vrouw heeft verder gesteld, kort weergegeven, dat zij nimmer heeft geweigerd nieuwe kleding en schoeisel voor de kinderen te kopen en dat zij de man ter zake de wijze van besteding geen enkele rekening en verantwoording verschuldigd is. Wat betreft de door de man gestelde gewijzigde omstandigheden in de zorg- en contactregeling heeft de vrouw, kort weergegeven, gesteld dat [kind 2] vanaf 28 januari 2023 noodgedwongen bij de man woont, omdat [kind 2] in de instelling niet passend kon worden behandeld, en dat [belanghebbende] dagelijks/veelvuldig bij haar langskomt en bij haar verblijft, maar vanaf oktober 2022 niet meer bij haar overnacht. 3.40 Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank blijkt onder meer het volgende: “R: ik begrijp dat [kind 2] niet bij u eet? V: klopt, dat was wel de afspraak. [kind 2] kon zijn telefoon niet loslaten en toen op advies van de GI afgesproken dat hij niet meer bij mij eet. Werd een te groot punt. (…) Nog reactie op de pleitnota van de advocaat van de man: (…) Er wordt eigenlijk de vrouw verweten dat zij weinig geld besteedt aan de kinderen. R: welke verblijfskosten maakt u voor [kind 2] en [belanghebbende] ? V: [belanghebbende] komt nu langs. R: maar hij zei zelf dat hij al sinds oktober 2022 niet meer bij u binnen is geweest? V: nu niet veel, maar het is wel de bedoeling. R: en voor [kind 2] ? V: nu ook geen verblijfkosten. R: uw advocaat zegt dat u geen of niet genoeg geld hebt voor verblijfkosten. Av [advocaat van de vrouw; A-G]: maar als ze daar eten? R: maar ze eten nu niet bij haar. V: is wel de bedoeling. [kind 2] eet nu niet bij me. R: begrijp wat u zegt, het is de bedoeling. In de tussentijd hebt u geen kosten voor de jongens en hebt u wel het LBIO ingeschakeld. V: maar ik heb wel een fiets gekocht en kleding. (…) Am [advocaat van de man; A-G]: (…) Er zijn geen verblijfkosten voor [kind 2] en [belanghebbende] nu en als dat wel aan de orde komt, dan kinderalimentatie wijzigen. (…)” 3.41 De rechtbank heeft overwogen dat de man als wijziging van omstandigheden heeft gesteld, voor zover thans van belang, dat anders dan in het ouderschapsplan werd beoogd, [belanghebbende] niet meer bij de moeder, maar volledig bij de vader verblijft en dat [kind 2] in december 2021 in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp is geplaatst en sinds 28 januari 2023 volledig bij de vader verblijft en dat nu de man voldoende heeft gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, hij ontvankelijk is in zijn verzoek. De rechtbank heeft vervolgens de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting voor [kind 2] en [belanghebbende] bepaald op 1 januari 2023. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat haar uit de stukken, de kindgesprekken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat [belanghebbende] sinds 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven en dat, ondanks dat [kind 2] iedere maandag en dinsdag na school tot na het eten nog naar de vrouw gaat, de vrouw al langere tijd geen verblijfskosten meer voor [belanghebbende] en nauwelijks meer verblijfskosten voor [kind 2] heeft gehad.
Volledig
Subonderdeel 1-4 3.34 Subonderdeel 1-4 klaagt dat het oordeel in r.o. 5.8 in strijd met het recht en onbegrijpelijk is, nu er geen regel bestaat dat een alimentatiegerechtigde zou moeten onderbouwen dat de ‘onverschuldigd’ ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen is besteed. Volgens het subonderdeel is het een feit van algemene bekendheid dat gezinnen één huishouden vormen, met gezamenlijke kosten zoals huisvesting, boodschappen, gas, elektra, vervoer, vakanties etc. Daarnaast zijn er specifieke kosten zoals school, kleding, sport, hobby’s, zakgeld, uitgaan van de kinderen etc. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat ouders geen kasboek plegen bij te houden en in de regel ook geen bonnetjes bewaren als kleding niet behoeft te worden geruild. Het subonderdeel betoogt kort gezegd dat van de vrouw, behoudens bijzondere, niet door de man gestelde, omstandigheden, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij in retrospectief aantoont hoe de kinderalimentatie is besteed. Het is standaardjurisprudentie dat de alimentatiegerechtigde ouder niet aan de alimentatieplichtige ouder hoeft te verantwoorden op welke wijze de kinderalimentatie is besteed en er bestaat geen wettelijke verplichting om rekening en verantwoording af te leggen over de kinderalimentatie, aldus het subonderdeel. 3.35 Ook subonderdeel 1-4 faalt. 3.36 De hoofdverzorgende ouder heeft ontegenzeggelijk kosten, zowel kosten die verband houden met het verblijf van de kinderen, als die daarvan los staan (de zogeheten verblijfsoverstijgende kosten, bijvoorbeeld schoolgeld, contributie voor sportclubs en kleding). Deze hoofdverzorgende ouder zal in de regel niet hoeven aantonen hoe de kinderalimentatie is uitgegeven en dat deze daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen is besteed. Aangenomen zal dan worden dat kinderalimentatie die de behoefte niet overstijgt, zal zijn verbruikt ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. 3.37 Als de feitelijke zorgverdeling verandert, dan verandert daarmee de mate waarin elk van de ouders in natura in de kosten van de kinderen voorziet en dat werkt door in de hoogte van de kinderalimentatie. Als de feitelijke zorgverdeling is veranderd in die zin dat de ouder die kinderalimentatie ontvangt, minder van de zorg voor zijn rekening neemt, dan zal dat grond vormen voor verlaging van de kinderalimentatie. Als in dat geval evenwel nog gedurende enige tijd op de oude voet kinderalimentatie wordt doorbetaald, terwijl dus de kosten zijn afgenomen, dan behoeft de stelling van de alimentatiegerechtigde dat de kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen is besteed wel nadere uitleg. 3.38 In dit geval heeft zich een dergelijke wijziging voorgedaan in de zorgverdeling. De man heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat partijen in het ouderschapsplan co-ouderschap hebben afgesproken, inhoudende een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedtaken, waarbij de kinderen ongeveer evenveel tijd bij beide ouders zouden verblijven. Aan zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie heeft de man onder meer ten grondslag gelegd dat er wijzigingen zijn geweest in de zorgregeling en in het hoofdverblijf. In dit kader heeft de man aangevoerd, kort weergegeven en voor zover thans van belang, dat [kind 2] in december 2021 in een gesloten jeugdzorginstelling is geplaatst en dat vanaf dat moment allang geen sprake meer is van een regeling die lijkt op co-ouderschap, alsmede dat [kind 2] vanaf 28 januari 2023 na beëindiging van de uithuisplaatsing bij zijn vader is komen wonen, en doordeweeks alleen op maandag en dinsdag vanuit school tot na het eten bij zijn moeder is. Ook heeft de man aangevoerd dat [belanghebbende] vanaf februari 2022 voornamelijk bij zijn vader is, en sinds oktober 2022 helemaal niet meer bij zijn moeder komt. [belanghebbende] fietst wel eens langs het huis van zijn moeder, maar zij laat hem dan niet naar binnen, aldus de man. Voorts heeft de man onder meer gesteld dat het niet is te zien dat de kinderalimentatie aan de kinderen wordt uitgegeven en dat de moeder nalaat om nieuwe kleding en schoeisel te kopen, alsmede dat hij ook al lange tijd een fors bedrag ter zake de verblijfsoverstijgende kosten voldoet. 3.39 De vrouw heeft in haar verweerschrift in eerste aanleg onder meer gesteld dat zij de door haar ontvangen onderhoudsbijdragen geheel aan de kinderen besteedt en dat zij steeds zowel de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen als haar eigen verblijfskosten van de kinderen heeft voldaan. De vrouw heeft verder gesteld, kort weergegeven, dat zij nimmer heeft geweigerd nieuwe kleding en schoeisel voor de kinderen te kopen en dat zij de man ter zake de wijze van besteding geen enkele rekening en verantwoording verschuldigd is. Wat betreft de door de man gestelde gewijzigde omstandigheden in de zorg- en contactregeling heeft de vrouw, kort weergegeven, gesteld dat [kind 2] vanaf 28 januari 2023 noodgedwongen bij de man woont, omdat [kind 2] in de instelling niet passend kon worden behandeld, en dat [belanghebbende] dagelijks/veelvuldig bij haar langskomt en bij haar verblijft, maar vanaf oktober 2022 niet meer bij haar overnacht. 3.40 Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank blijkt onder meer het volgende: “R: ik begrijp dat [kind 2] niet bij u eet? V: klopt, dat was wel de afspraak. [kind 2] kon zijn telefoon niet loslaten en toen op advies van de GI afgesproken dat hij niet meer bij mij eet. Werd een te groot punt. (…) Nog reactie op de pleitnota van de advocaat van de man: (…) Er wordt eigenlijk de vrouw verweten dat zij weinig geld besteedt aan de kinderen. R: welke verblijfskosten maakt u voor [kind 2] en [belanghebbende] ? V: [belanghebbende] komt nu langs. R: maar hij zei zelf dat hij al sinds oktober 2022 niet meer bij u binnen is geweest? V: nu niet veel, maar het is wel de bedoeling. R: en voor [kind 2] ? V: nu ook geen verblijfkosten. R: uw advocaat zegt dat u geen of niet genoeg geld hebt voor verblijfkosten. Av [advocaat van de vrouw; A-G]: maar als ze daar eten? R: maar ze eten nu niet bij haar. V: is wel de bedoeling. [kind 2] eet nu niet bij me. R: begrijp wat u zegt, het is de bedoeling. In de tussentijd hebt u geen kosten voor de jongens en hebt u wel het LBIO ingeschakeld. V: maar ik heb wel een fiets gekocht en kleding. (…) Am [advocaat van de man; A-G]: (…) Er zijn geen verblijfkosten voor [kind 2] en [belanghebbende] nu en als dat wel aan de orde komt, dan kinderalimentatie wijzigen. (…)” 3.41 De rechtbank heeft overwogen dat de man als wijziging van omstandigheden heeft gesteld, voor zover thans van belang, dat anders dan in het ouderschapsplan werd beoogd, [belanghebbende] niet meer bij de moeder, maar volledig bij de vader verblijft en dat [kind 2] in december 2021 in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp is geplaatst en sinds 28 januari 2023 volledig bij de vader verblijft en dat nu de man voldoende heeft gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, hij ontvankelijk is in zijn verzoek. De rechtbank heeft vervolgens de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting voor [kind 2] en [belanghebbende] bepaald op 1 januari 2023. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat haar uit de stukken, de kindgesprekken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat [belanghebbende] sinds 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven en dat, ondanks dat [kind 2] iedere maandag en dinsdag na school tot na het eten nog naar de vrouw gaat, de vrouw al langere tijd geen verblijfskosten meer voor [belanghebbende] en nauwelijks meer verblijfskosten voor [kind 2] heeft gehad.
Volledig
3.42 In hoger beroep heeft de vrouw onder meer een grief gericht tegen deze beslissing van de rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie, en in dat verband heeft zij opgemerkt (mijn onderstreping; A-G): “De vrouw wijst op het feit dat zij alle door haar ontvangen onderhoudsbijdragen daadwerkelijk heeft besteed ten behoeve van de kinderen ( conform het consumptieve karakter van kinderalimentatie ).” 3.43 De man heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep daar het volgende tegenover gesteld: “1. De man is van mening dat de rechtbank destijds terecht heeft overwogen/beslist dat zij het redelijk acht de ingangsdatum voor de wijziging van de alimentatieplicht voor [kind 2] en [belanghebbende] te bepalen op 1 januari 2023. Voorts is de man van mening dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd door de man aan haar betaalde alimentatie dient terug te betalen. (…) 3. De vrouw stelt dat zij alle door haar ontvangen onderhoudsbijdragen daadwerkelijk heeft besteed ten behoeve van de kinderen. Dit is bewezen onjuist. Ter gelegenheid van de zitting heeft de rechter de vrouw persoonlijk nog gevraagd om toe te lichten waar zij het geld aan had uitgegeven. De vrouw kwam niet veel verder dan het bekostigen van een kopje thee. Dit heeft de rechter er voldoende van overtuigd dat de ontvangen kinderalimentatie juist niet is uitgegeven aan de kinderen. Bovendien wist de vrouw al lange tijd, door de grote wijzigingen in de situatie, dat het niet terecht was dat zij nog alimentatie ontving voor [belanghebbende] en [kind 2] , die al lange tijd vrijwel volledig bij de man verbleven.” 3.44 In de pleitnota van de advocaat van de man in hoger beroep staat het volgende: “ [kind 2] heeft sinds december 2021 niet meer bij zijn moeder geslapen. In heel 2023 en 2024 is [kind 2] nauwelijks bij zijn moeder geweest en heeft hij daar ook nauwelijks tot niet gegeten, hooguit een koekje. In maart 2023 heeft moeder zelf de omgang beëindigd, zo is ook terug te lezen in de documenten van Jeugdbescherming west. Pogingen om omgang weer op gang te krijgen worden keer op keer door moeder zelf gestaakt.” 3.45 Het oordeel van het hof dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed, moet in het licht van dit partijdebat worden begrepen. In dat licht is mijns inziens niet, zoals het subonderdeel betoogt, in strijd met het recht en onbegrijpelijk dat het hof in dit geval een nadere onderbouwing heeft verlangd van de stelling van de vrouw dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed. Door de feitelijke wijziging in de zorg- en contactregeling ten aanzien van [belanghebbende] en [kind 2] zijn de verblijfskosten voor [belanghebbende] en [kind 2] in de betreffende periode immers praktisch weggevallen, omdat zij in die periode vrijwel volledig bij de man verbleven. Anders gezegd: de vrouw heeft in 2023 een bijdrage gekregen in kosten die zij, naar is komen vast te staan, toen niet meer had. De verwijzing naar het consumptieve karakter van kinderalimentatie kan de vrouw dan ook niet baten. Subonderdeel 1-5 3.46 Subonderdeel 1-5 is gericht tegen r.o. 5.7 van de bestreden beschikking, waar het hof onder meer heeft geoordeeld dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald en, kort gezegd, die gronden overneemt en na een eigen afweging tot de zijne maakt. Het subonderdeel bevat ten eerste de klacht dat, voor zover het hof heeft meegewogen dat – zoals de rechtbank had overwogen – [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven, het hof daarmee buiten het partijdebat is getreden dan wel dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het subonderdeel wijst er daarbij op dat de man in zijn inleidend verzoekschrift heeft gesteld dat partijen na het echtscheidingsconvenant van 2013 in 2014 nieuwe bedragen met elkaar hebben afgesproken en dat hij de vrouw vanaf dat moment alimentatie voor alle drie de kinderen betaalde, bij de aanvang van deze procedure een bedrag van € 651,32 per maand (€ 217,- per kind per maand), dus ongeacht het feit dat [belanghebbende] toen al bij de man stond ingeschreven. Met andere woorden, aldus het subonderdeel: bij welke ouder de kinderen verbleven, was niet relevant voor het betalen van kinderalimentatie en mocht het hof gelet op de eigen stellingen van de man dus niet meewegen bij zijn oordeel dat de rechtbank op juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald. 3.47 In de tweede plaats klaagt het subonderdeel dat het hof heeft miskend dat de vrouw steeds heeft gesteld dat zij steeds zowel de verblijfsoverstijgende kosten als haar eigen verblijfskosten van de kinderen heeft voldaan. Het subonderdeel vervolgt: “Het hof gaat kennelijk uit van alleen verblijfskosten, passeert daarmee een essentiële stelling van de vrouw (dat zij altijd de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen heeft voldaan) en daarmee is het oordeel onbegrijpelijk. Het oordeel in rov. 5.7 en pagina 4 van de beschikking [van de rechtbank; A-G] getuigt daarmee tevens van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op de behoedzaamheid die betracht dient te worden bij het laten ingaan van een wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud op een vóór zijn uitspraak gelegen datum.” 3.48 De klachten in het eerste deel van het subonderdeel falen, in de eerste plaats al omdat uit de op de in het subonderdeel aangehaalde plaats niet afgeleid mag worden dat door de vader de stelling is ingenomen dat voor het betalen van kinderalimentatie niet relevant was bij welke ouder de kinderen verbleven . Integendeel: het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie was juist mede erop gebaseerd dat er wijzigingen zijn geweest in de zorgregeling, dat [kind 2] in januari 2023 bij zijn vader is gaan wonen en minder bij zijn moeder komt, en dat [belanghebbende] vanaf februari 2020 voornamelijk bij zijn vader is en sinds oktober 2022 niet meer bij zijn moeder komt. De rechtbank en het hof – door de verwijzing naar de rechtbank in r.o. 5.7 van de bestreden beschikking – hebben in hun motivering dan ook waarde gehecht aan de feitelijke verdeling van de zorg voor [belanghebbende] en [kind 2] en de daarmee gepaard gaande kosten. Dat oordeel staat ook los van de inschrijving van [belanghebbende] op het adres van de man. 3.49 De klachten in het tweede deel van het subonderdeel falen ook. Het hof heeft, in het licht van het wegvallen van de verblijfskosten zoals door de rechtbank geconstateerd, een nadere onderbouwing verlangd van de stelling van de vrouw dat zij de te veel ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed. Het hof heeft kennelijk de stelling van de vrouw dat zij steeds ook de verblijfsoverstijgende kosten heeft voldaan, in dat kader niet toereikend geacht. Dit is niet onbegrijpelijk, nu in het verlengde van het debat in eerste aanleg hierover (zie hiervoor onder 3.38 en 3.39), ook in hoger beroep tussen partijen discussie is gevoerd over de vraag in hoeverre de vrouw in de periode tot aan de wijziging in 2023 de verblijfsoverstijgende kosten heeft voldaan. Ook dat was dus in geschil tussen partijen. Slotsom 3.50 De klachten van alle subonderdelen van onderdeel 1 falen dus. De wijze waarop het hof in deze zaak de maatstaf heeft toegepast die moet worden aangelegd wanneer de rechter met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een alimentatieverplichting wijzigt, is weliswaar als efficiënt aan te merken, maar is mijns inziens niet onjuist of onbegrijpelijk. 3.51 Nu de klachten van alle subonderdelen van onderdeel 1 falen, faalt ook de daarop voortbouwende klacht van onderdeel 2 . 4 Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn ontleend aan r.o. 3.2-3.7 van de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 14 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1525, tenzij anders vermeld.
Volledig
3.42 In hoger beroep heeft de vrouw onder meer een grief gericht tegen deze beslissing van de rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie, en in dat verband heeft zij opgemerkt (mijn onderstreping; A-G): “De vrouw wijst op het feit dat zij alle door haar ontvangen onderhoudsbijdragen daadwerkelijk heeft besteed ten behoeve van de kinderen ( conform het consumptieve karakter van kinderalimentatie ).” 3.43 De man heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep daar het volgende tegenover gesteld: “1. De man is van mening dat de rechtbank destijds terecht heeft overwogen/beslist dat zij het redelijk acht de ingangsdatum voor de wijziging van de alimentatieplicht voor [kind 2] en [belanghebbende] te bepalen op 1 januari 2023. Voorts is de man van mening dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat de vrouw de vanaf 1 januari 2023 onverschuldigd door de man aan haar betaalde alimentatie dient terug te betalen. (…) 3. De vrouw stelt dat zij alle door haar ontvangen onderhoudsbijdragen daadwerkelijk heeft besteed ten behoeve van de kinderen. Dit is bewezen onjuist. Ter gelegenheid van de zitting heeft de rechter de vrouw persoonlijk nog gevraagd om toe te lichten waar zij het geld aan had uitgegeven. De vrouw kwam niet veel verder dan het bekostigen van een kopje thee. Dit heeft de rechter er voldoende van overtuigd dat de ontvangen kinderalimentatie juist niet is uitgegeven aan de kinderen. Bovendien wist de vrouw al lange tijd, door de grote wijzigingen in de situatie, dat het niet terecht was dat zij nog alimentatie ontving voor [belanghebbende] en [kind 2] , die al lange tijd vrijwel volledig bij de man verbleven.” 3.44 In de pleitnota van de advocaat van de man in hoger beroep staat het volgende: “ [kind 2] heeft sinds december 2021 niet meer bij zijn moeder geslapen. In heel 2023 en 2024 is [kind 2] nauwelijks bij zijn moeder geweest en heeft hij daar ook nauwelijks tot niet gegeten, hooguit een koekje. In maart 2023 heeft moeder zelf de omgang beëindigd, zo is ook terug te lezen in de documenten van Jeugdbescherming west. Pogingen om omgang weer op gang te krijgen worden keer op keer door moeder zelf gestaakt.” 3.45 Het oordeel van het hof dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed, moet in het licht van dit partijdebat worden begrepen. In dat licht is mijns inziens niet, zoals het subonderdeel betoogt, in strijd met het recht en onbegrijpelijk dat het hof in dit geval een nadere onderbouwing heeft verlangd van de stelling van de vrouw dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed. Door de feitelijke wijziging in de zorg- en contactregeling ten aanzien van [belanghebbende] en [kind 2] zijn de verblijfskosten voor [belanghebbende] en [kind 2] in de betreffende periode immers praktisch weggevallen, omdat zij in die periode vrijwel volledig bij de man verbleven. Anders gezegd: de vrouw heeft in 2023 een bijdrage gekregen in kosten die zij, naar is komen vast te staan, toen niet meer had. De verwijzing naar het consumptieve karakter van kinderalimentatie kan de vrouw dan ook niet baten. Subonderdeel 1-5 3.46 Subonderdeel 1-5 is gericht tegen r.o. 5.7 van de bestreden beschikking, waar het hof onder meer heeft geoordeeld dat de rechtbank op de juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald en, kort gezegd, die gronden overneemt en na een eigen afweging tot de zijne maakt. Het subonderdeel bevat ten eerste de klacht dat, voor zover het hof heeft meegewogen dat – zoals de rechtbank had overwogen – [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven, het hof daarmee buiten het partijdebat is getreden dan wel dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het subonderdeel wijst er daarbij op dat de man in zijn inleidend verzoekschrift heeft gesteld dat partijen na het echtscheidingsconvenant van 2013 in 2014 nieuwe bedragen met elkaar hebben afgesproken en dat hij de vrouw vanaf dat moment alimentatie voor alle drie de kinderen betaalde, bij de aanvang van deze procedure een bedrag van € 651,32 per maand (€ 217,- per kind per maand), dus ongeacht het feit dat [belanghebbende] toen al bij de man stond ingeschreven. Met andere woorden, aldus het subonderdeel: bij welke ouder de kinderen verbleven, was niet relevant voor het betalen van kinderalimentatie en mocht het hof gelet op de eigen stellingen van de man dus niet meewegen bij zijn oordeel dat de rechtbank op juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald. 3.47 In de tweede plaats klaagt het subonderdeel dat het hof heeft miskend dat de vrouw steeds heeft gesteld dat zij steeds zowel de verblijfsoverstijgende kosten als haar eigen verblijfskosten van de kinderen heeft voldaan. Het subonderdeel vervolgt: “Het hof gaat kennelijk uit van alleen verblijfskosten, passeert daarmee een essentiële stelling van de vrouw (dat zij altijd de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen heeft voldaan) en daarmee is het oordeel onbegrijpelijk. Het oordeel in rov. 5.7 en pagina 4 van de beschikking [van de rechtbank; A-G] getuigt daarmee tevens van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op de behoedzaamheid die betracht dient te worden bij het laten ingaan van een wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud op een vóór zijn uitspraak gelegen datum.” 3.48 De klachten in het eerste deel van het subonderdeel falen, in de eerste plaats al omdat uit de op de in het subonderdeel aangehaalde plaats niet afgeleid mag worden dat door de vader de stelling is ingenomen dat voor het betalen van kinderalimentatie niet relevant was bij welke ouder de kinderen verbleven . Integendeel: het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie was juist mede erop gebaseerd dat er wijzigingen zijn geweest in de zorgregeling, dat [kind 2] in januari 2023 bij zijn vader is gaan wonen en minder bij zijn moeder komt, en dat [belanghebbende] vanaf februari 2020 voornamelijk bij zijn vader is en sinds oktober 2022 niet meer bij zijn moeder komt. De rechtbank en het hof – door de verwijzing naar de rechtbank in r.o. 5.7 van de bestreden beschikking – hebben in hun motivering dan ook waarde gehecht aan de feitelijke verdeling van de zorg voor [belanghebbende] en [kind 2] en de daarmee gepaard gaande kosten. Dat oordeel staat ook los van de inschrijving van [belanghebbende] op het adres van de man. 3.49 De klachten in het tweede deel van het subonderdeel falen ook. Het hof heeft, in het licht van het wegvallen van de verblijfskosten zoals door de rechtbank geconstateerd, een nadere onderbouwing verlangd van de stelling van de vrouw dat zij de te veel ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed. Het hof heeft kennelijk de stelling van de vrouw dat zij steeds ook de verblijfsoverstijgende kosten heeft voldaan, in dat kader niet toereikend geacht. Dit is niet onbegrijpelijk, nu in het verlengde van het debat in eerste aanleg hierover (zie hiervoor onder 3.38 en 3.39), ook in hoger beroep tussen partijen discussie is gevoerd over de vraag in hoeverre de vrouw in de periode tot aan de wijziging in 2023 de verblijfsoverstijgende kosten heeft voldaan. Ook dat was dus in geschil tussen partijen. Slotsom 3.50 De klachten van alle subonderdelen van onderdeel 1 falen dus. De wijze waarop het hof in deze zaak de maatstaf heeft toegepast die moet worden aangelegd wanneer de rechter met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een alimentatieverplichting wijzigt, is weliswaar als efficiënt aan te merken, maar is mijns inziens niet onjuist of onbegrijpelijk. 3.51 Nu de klachten van alle subonderdelen van onderdeel 1 falen, faalt ook de daarop voortbouwende klacht van onderdeel 2 . 4 Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn ontleend aan r.o. 3.2-3.7 van de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 14 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1525, tenzij anders vermeld.
Volledig
Het procesverloop heb ik opgenomen voor zover in cassatie van belang. Zie aldus de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22391, onder het kopje ‘feiten’. Tegen deze feitelijke vaststelling door de rechtbank is in hoger beroep geen grief gericht. Zie hierna onder 3.11 over de door partijen gestelde latere – van dit echtscheidingsconvenant afwijkende – afspraken met betrekking tot de kinderalimentatie. Blijkens dit proces-verbaal zijn namens de man en de vrouw pleitnotities overgelegd. De pleitnotities van de advocaat van de man ontbreken evenwel in beide procesdossiers. Rechtbank Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22391. Het petitum in incidenteel hoger beroep bevat deels geen verzoeken die zich voor toewijzing in een dictum lenen (zie de onderdelen I, II (eerste) en III) en is voor het overige in cassatie niet van belang (zie onderdeel II (tweede)). Gerechtshof Den Haag 14 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1525. In het A-dossier ontbreken het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 21 november 2023 en de pleitnota’s van de advocaat van de man en van de advocaat van de vrouw in hoger beroep. Deze zijn wel in het B-dossier aanwezig. Zie o.m. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6631, NJ 2002/185, r.o. 3.4, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van artikel 1:402 BW, zie Parl. Gesch. Boek 1, p. 784, T.M. bij art. 1.17.1.11. Aldus ook S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht , art. 1:402 BW, aant. 1a (actueel t/m 01-01-2025). Meest recent HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:132, r.o. 3.3. Zie voorts o.m. HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, m.nt. red., r.o. 3.5.1; HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871, JPF 2017/127, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.4; HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:748, NJ 2020/170, m.nt. red., r.o. 3.2; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, JPF 2020/109, m.nt. P. Vlaardingerbroek en JIN 2020/152, m.nt. A.M.E. Derks, r.o. 3.2.2 en HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:594, r.o. 3.2.1. HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1742, JPF 2015/106, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.3.3, met vergelijkende verwijzing naar HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520, NJ 2015/132. Zie HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92, r.o. 5.4. Vgl. ook HR 30 januari 2026, reeds aangehaald, r.o. 3.4. Zie HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3347, NJ 2003/47, m.nt. S.F.M. Wortmann, r.o. 3.2.1 en HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6242, NJ 2006/519, r.o. 3.4. Vgl. verder ook HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5310, NJ 2011/514, r.o. 3.3. Zie aldus M.M. Verschuren & S.G. Hoijinck, ‘Ingangsdatum bij kinderalimentatie. Over terugwerkende kracht, terugbetaling en nabetaling’, EB 2024/21. Zie ook de conclusie van voormalig A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2023:1036, onder 3.46-3.48, voor HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:21. Zie het inleidend verzoekschrift onder 11-12. In de procesinleiding in cassatie wordt op deze stelling van de man gewezen onder A.i en in subonderdeel 1-5. Zie het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, p. 2, vijfde tekstblok. Zie het beroepschrift, p. 2 onderaan, waar de vrouw spreekt van een “betalingsachterstand” als gevolg van het dictum van de rechtbank van € 5.850,-. De vrouw verwijst ter onderbouwing hiervan naar productie 2, maar uit die productie is niet op te maken hoe genoemd bedrag is berekend. In het bijzonder valt daaruit niet op te maken of daarbij is uitgegaan van betaling overeenkomstig het echtscheidingsconvenant dan wel overeenkomstig de daarvan afwijkende latere financiële afspraken, en of dit bedrag slechts “terugbetaling” van te veel door de vrouw ontvangen kinderalimentatie, of ook “nabetaling” van te weinig door de vrouw betaalde kinderalimentatie omvat. Zie verder, aan de zijde van de man, het verweerschrift in appel, tevens incidenteel appel, onder 13, en productie 10 in hoger beroep, in het bijzonder de brief van de deurwaarder van 14 maart 2025, waar een hoofdsom van € 5.850,84 is vermeld en een saldo, na de gedane betalingen, van € 2.782,93. Zie subonderdeel 1-3. Het is mij als gezegd niet duidelijk geworden hoe dit bedrag is berekend; zie hiervoor voetnoot 18. Nu genoemde overweging van het hof in zoverre in cassatie niet is bestreden, blijf ik daar echter van weg. Zie in eerste aanleg het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, p. 5, vierde tot en met zesde tekstblok, met verwijzing naar de als productie 3 aan het verweerschrift gehechte aangifte IB 2022 en in hoger beroep het beroepschrift, p. 2 onderaan en p. 3 bovenaan, met verwijzing naar de als productie 3 aan het beroepschrift gehechte aangiften IB 2023 en 2022. Zie voor de stellingen van de man in hoger beroep in dit verband het verweerschrift, tevens incidenteel appel, onder 6-7, 13-15 en 36. De vrouw lijkt dat verband tussen beide ook te leggen in haar beroepschrift op p. 2, zevende tekstblok e.v. en p. 3, eerste en tweede tekstblok. Het subonderdeel verwijst voor deze standaardjurisprudentie naar een uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5820. Het Rapport Alimentatienormen hanteert het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ draagt. Zie Rapport Alimentatienormen januari 2026, par 4.3.5. Vgl. Verschuren & Hoijinck, t.a.p., onder 4, derde tekstblok. Zie Rapport Alimentatienormen januari 2026, par. 4.3.5. Vgl. hierover ook Verschuren & Hoijinck, t.a.p., onder 3.2, tweede tekstblok. Vgl. daarover ook Verschuren & Hoijinck, t.a.p. onder 3.2, tweede tekstblok, en onder 4, tweede tekstblok. Zie het inleidend verzoekschrift onder 7, 15, 16 e.v., 23 en 25. Zie het inleidend verzoekschrift onder 13 en onder 40, met verwijzing naar productie 18. Zie het verweerschrift, p. 2, achtste tekstblok, en p. 3, voorlaatste en laatste tekstblok. Zie voorts ook p. 5, derde tekstblok, waar de vrouw andermaal opmerkt dat zij alle door haar ontvangen onderhoudsbijdragen heeft besteed ten behoeve van de kinderen. Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, p. 6-8. De pleitnota van de advocaat van de man ontbreekt in beide procesdossiers. Zie voor de terugkoppeling van het kindgesprek met [belanghebbende] door de rechter p. 4 en p. 6 van dit proces-verbaal. Zie het beroepschrift, p. 2, zevende tekstblok. Zie de pleitnota van de advocaat van de man in hoger beroep, p. 1, laatste tekstblok en p. 2, eerste tekstblok. Het subonderdeel verwijst hiervoor naar het inleidend verzoekschrift, randnummers 11 en 12. Het subonderdeel verwijst hiervoor naar het verweer tevens zelfstandig verzoekschrift in eerste aanleg, p. 3. Zie het inleidend verzoekschrift onder 15 e.v. Zie met name het verweerschrift in appel, tevens incidenteel appel, van de man onder 8-11, en ook de pleitnota van de advocaat van de man, p. 5, derde tekstblok, met verwijzing naar productie 11, overgelegd bij journaalbericht van de man van 17 maart 2025.
Volledig
Het procesverloop heb ik opgenomen voor zover in cassatie van belang. Zie aldus de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22391, onder het kopje ‘feiten’. Tegen deze feitelijke vaststelling door de rechtbank is in hoger beroep geen grief gericht. Zie hierna onder 3.11 over de door partijen gestelde latere – van dit echtscheidingsconvenant afwijkende – afspraken met betrekking tot de kinderalimentatie. Blijkens dit proces-verbaal zijn namens de man en de vrouw pleitnotities overgelegd. De pleitnotities van de advocaat van de man ontbreken evenwel in beide procesdossiers. Rechtbank Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22391. Het petitum in incidenteel hoger beroep bevat deels geen verzoeken die zich voor toewijzing in een dictum lenen (zie de onderdelen I, II (eerste) en III) en is voor het overige in cassatie niet van belang (zie onderdeel II (tweede)). Gerechtshof Den Haag 14 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1525. In het A-dossier ontbreken het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 21 november 2023 en de pleitnota’s van de advocaat van de man en van de advocaat van de vrouw in hoger beroep. Deze zijn wel in het B-dossier aanwezig. Zie o.m. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6631, NJ 2002/185, r.o. 3.4, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van artikel 1:402 BW, zie Parl. Gesch. Boek 1, p. 784, T.M. bij art. 1.17.1.11. Aldus ook S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht , art. 1:402 BW, aant. 1a (actueel t/m 01-01-2025). Meest recent HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:132, r.o. 3.3. Zie voorts o.m. HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, m.nt. red., r.o. 3.5.1; HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871, JPF 2017/127, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.4; HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:748, NJ 2020/170, m.nt. red., r.o. 3.2; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, JPF 2020/109, m.nt. P. Vlaardingerbroek en JIN 2020/152, m.nt. A.M.E. Derks, r.o. 3.2.2 en HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:594, r.o. 3.2.1. HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1742, JPF 2015/106, m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.3.3, met vergelijkende verwijzing naar HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520, NJ 2015/132. Zie HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92, r.o. 5.4. Vgl. ook HR 30 januari 2026, reeds aangehaald, r.o. 3.4. Zie HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3347, NJ 2003/47, m.nt. S.F.M. Wortmann, r.o. 3.2.1 en HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6242, NJ 2006/519, r.o. 3.4. Vgl. verder ook HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5310, NJ 2011/514, r.o. 3.3. Zie aldus M.M. Verschuren & S.G. Hoijinck, ‘Ingangsdatum bij kinderalimentatie. Over terugwerkende kracht, terugbetaling en nabetaling’, EB 2024/21. Zie ook de conclusie van voormalig A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2023:1036, onder 3.46-3.48, voor HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:21. Zie het inleidend verzoekschrift onder 11-12. In de procesinleiding in cassatie wordt op deze stelling van de man gewezen onder A.i en in subonderdeel 1-5. Zie het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, p. 2, vijfde tekstblok. Zie het beroepschrift, p. 2 onderaan, waar de vrouw spreekt van een “betalingsachterstand” als gevolg van het dictum van de rechtbank van € 5.850,-. De vrouw verwijst ter onderbouwing hiervan naar productie 2, maar uit die productie is niet op te maken hoe genoemd bedrag is berekend. In het bijzonder valt daaruit niet op te maken of daarbij is uitgegaan van betaling overeenkomstig het echtscheidingsconvenant dan wel overeenkomstig de daarvan afwijkende latere financiële afspraken, en of dit bedrag slechts “terugbetaling” van te veel door de vrouw ontvangen kinderalimentatie, of ook “nabetaling” van te weinig door de vrouw betaalde kinderalimentatie omvat. Zie verder, aan de zijde van de man, het verweerschrift in appel, tevens incidenteel appel, onder 13, en productie 10 in hoger beroep, in het bijzonder de brief van de deurwaarder van 14 maart 2025, waar een hoofdsom van € 5.850,84 is vermeld en een saldo, na de gedane betalingen, van € 2.782,93. Zie subonderdeel 1-3. Het is mij als gezegd niet duidelijk geworden hoe dit bedrag is berekend; zie hiervoor voetnoot 18. Nu genoemde overweging van het hof in zoverre in cassatie niet is bestreden, blijf ik daar echter van weg. Zie in eerste aanleg het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, p. 5, vierde tot en met zesde tekstblok, met verwijzing naar de als productie 3 aan het verweerschrift gehechte aangifte IB 2022 en in hoger beroep het beroepschrift, p. 2 onderaan en p. 3 bovenaan, met verwijzing naar de als productie 3 aan het beroepschrift gehechte aangiften IB 2023 en 2022. Zie voor de stellingen van de man in hoger beroep in dit verband het verweerschrift, tevens incidenteel appel, onder 6-7, 13-15 en 36. De vrouw lijkt dat verband tussen beide ook te leggen in haar beroepschrift op p. 2, zevende tekstblok e.v. en p. 3, eerste en tweede tekstblok. Het subonderdeel verwijst voor deze standaardjurisprudentie naar een uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden van 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5820. Het Rapport Alimentatienormen hanteert het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ draagt. Zie Rapport Alimentatienormen januari 2026, par 4.3.5. Vgl. Verschuren & Hoijinck, t.a.p., onder 4, derde tekstblok. Zie Rapport Alimentatienormen januari 2026, par. 4.3.5. Vgl. hierover ook Verschuren & Hoijinck, t.a.p., onder 3.2, tweede tekstblok. Vgl. daarover ook Verschuren & Hoijinck, t.a.p. onder 3.2, tweede tekstblok, en onder 4, tweede tekstblok. Zie het inleidend verzoekschrift onder 7, 15, 16 e.v., 23 en 25. Zie het inleidend verzoekschrift onder 13 en onder 40, met verwijzing naar productie 18. Zie het verweerschrift, p. 2, achtste tekstblok, en p. 3, voorlaatste en laatste tekstblok. Zie voorts ook p. 5, derde tekstblok, waar de vrouw andermaal opmerkt dat zij alle door haar ontvangen onderhoudsbijdragen heeft besteed ten behoeve van de kinderen. Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, p. 6-8. De pleitnota van de advocaat van de man ontbreekt in beide procesdossiers. Zie voor de terugkoppeling van het kindgesprek met [belanghebbende] door de rechter p. 4 en p. 6 van dit proces-verbaal. Zie het beroepschrift, p. 2, zevende tekstblok. Zie de pleitnota van de advocaat van de man in hoger beroep, p. 1, laatste tekstblok en p. 2, eerste tekstblok. Het subonderdeel verwijst hiervoor naar het inleidend verzoekschrift, randnummers 11 en 12. Het subonderdeel verwijst hiervoor naar het verweer tevens zelfstandig verzoekschrift in eerste aanleg, p. 3. Zie het inleidend verzoekschrift onder 15 e.v. Zie met name het verweerschrift in appel, tevens incidenteel appel, van de man onder 8-11, en ook de pleitnota van de advocaat van de man, p. 5, derde tekstblok, met verwijzing naar productie 11, overgelegd bij journaalbericht van de man van 17 maart 2025.