Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-10
ECLI:NL:PHR:2026:204
Strafrecht
48,102 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:204 text/xml public 2026-03-13T12:10:57 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/02580 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:204 text/html public 2026-03-13T12:09:54 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:204 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/02580 Conclusie AG. Onderzoek 13Koelruit. Deelnemen (als leider) aan criminele organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet en art. 140 Sr. M1 klaagt over oordeel dat medeverdachte niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord (art. 288 lid 1 aanhef en onder a jo. art. 415 lid 1 Sv). M2 komt met vijf deelklachten over grondslagverlating, innerlijke tegenstrijdigheid, bewijsleemtes en samenloop op tegen bewezenverklaarde deelneming criminele (drugs)organisatie. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/02535, 24/02518 en 24/02516. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02580 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [plaats] (Colombia) op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004362-17) veroordeeld wegens het in zaak A onder 2. “voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid, inlichtingen en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”, het in zaak A onder 3. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. en als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en in zaak B “medeplegen van witwassen”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof een tweetal Blackberry telefoons verbeurd verklaard en de teruggave aan de verdachte gelast van een groot aantal in beslag genomen nog niet teruggegeven voorwerpen. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/02518, 24/02516 en 24/02535. In de eerste twee zaken concludeer ik vandaag ook. In de samenhangende zaak met het nummer 24/02535 is het cassatieberoep op 10 januari 2025 ingetrokken. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam , hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek 13Koelruit (ook wel: Koelruit) dat voortvloeit uit het onderzoek Cumana. De verdachte wordt verweten dat zij als een van de leiders deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en/of (gewoonte)witwassen. Ook is de verdachte veroordeeld wegens het verrichten van voorbereidingshandelingen met betrekking tot die cocaïnehandel en het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van € 89.230,-. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat [medeverdachte 1] (zus van de [verdachte] ) niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Het tweede middel komt met een vijftal deelklachten over grondslagverlating, innerlijke tegenstrijdigheid, bewijsleemtes en samenloop op tegen het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel is gericht tegen de beslissing van het hof om af te zien van oproeping van getuige [medeverdachte 1] , omdat niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. 3.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “Zaak A: 2. zij in de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 in in Nederland, tezamen en in vereniging met aderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen et grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen zich en/of anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen door: - veelvuldig (onderling en met anderen) telefonisch/ping contacten te hebben en te onderhouden. 3. zij in de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en zij in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededaders: - [medeverdachte 2] en - [medeverdachte 3] en - [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 5] en - [medeverdachte 6] en - [medeverdachte 7] en En een of meer ander(e) persoon(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen danwel het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en - het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig zulks terwijl zij, verdachte, een van de leiders van voormelde organisatie was. Zaak B: 1. zij op 12 juni 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met een anderen een geldbedrag (totale waarde 89 230 euro) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen , terwijl zij wist dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.” 3.3 Het hof heeft op 5 april en 3 mei 2019 zitting gehouden. Op de terechtzitting van 5 april 2019 is [medeverdachte 1] als verdachte verschenen (net als haar zus [verdachte] , de verdachte in de onderhavige zaak). Op de terechtzitting van 3 mei 2019 (waarop de zussen overigens niet zijn verschenen) heeft het hof kort gezegd het (in een andere, samenhangende zaak gedane) verzoek tot het doen oproepen van onder anderen [medeverdachte 1] als getuige toegewezen. Het hof heeft daarbij ambtshalve beslist dat onder anderen [medeverdachte 1] ook als getuige wordt opgeroepen in de zaken van de verdachten waarin daartoe geen verzoek was gedaan, zoals geldt voor de onderhavige zaak. Het hof heeft daarbij de oproeping bevolen van [medeverdachte 1] om als getuige ter terechtzitting te verschijnen om alsdan te worden gehoord. 3.4 Het hof heeft op 4 april 2024 zitting gehouden. [medeverdachte 1] was opgeroepen als verdachte, maar was niet ter terechtzitting aanwezig. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “De voorzitter maakt melding van de navolgende nieuw ingekomen stukken die bij de processtukken worden gevoegd: […] In de zaak van [medeverdachte 1] : ■ een e-mailwisseling van 27 februari 2024 met de advocaat-generaal over de aanhouding van de verdachte in Colombia; ■ een e-mailbericht van de raadsman van 21 maart 2024 waarin hij het hof verzoekt tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling, gelet op de uitleveringsprocedure van de verdachte in Colombia; ■ een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 25 maart 2024 met daarin zijn standpunt met betrekking tot het aanhoudingsverzoek van de verdediging; ■ een e-mailbericht van het hof aan de raadsman van 26 maart 2024 met daarin de mededeling dat het hof voornemens is op 4 april 2024 de getuigenverhoren te laten plaatsvinden en daarna het aanhoudingsverzoek te bespreken.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:204 text/xml public 2026-05-19T15:21:01 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-10 24/02580 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:627 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:204 text/html public 2026-03-13T12:09:54 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:204 Parket bij de Hoge Raad , 10-03-2026 / 24/02580 Conclusie AG. Onderzoek 13Koelruit. Deelnemen (als leider) aan criminele organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet en art. 140 Sr. M1 klaagt over oordeel dat medeverdachte niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord (art. 288 lid 1 aanhef en onder a jo. art. 415 lid 1 Sv). M2 komt met vijf deelklachten over grondslagverlating, innerlijke tegenstrijdigheid, bewijsleemtes en samenloop op tegen bewezenverklaarde deelneming criminele (drugs)organisatie. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/02535, 24/02518 en 24/02516. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/02580 Zitting 10 maart 2026 CONCLUSIE P.H.P.H.M.C. van Kempen In de zaak [verdachte] , geboren in [plaats] (Colombia) op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 2 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004362-17) veroordeeld wegens het in zaak A onder 2. “voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid, inlichtingen en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”, het in zaak A onder 3. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. en als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en in zaak B “medeplegen van witwassen”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof een tweetal Blackberry telefoons verbeurd verklaard en de teruggave aan de verdachte gelast van een groot aantal in beslag genomen nog niet teruggegeven voorwerpen. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/02518, 24/02516 en 24/02535. In de eerste twee zaken concludeer ik vandaag ook. In de samenhangende zaak met het nummer 24/02535 is het cassatieberoep op 10 januari 2025 ingetrokken. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam , hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2 Waar het in cassatie om gaat 2.1 Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek 13Koelruit (ook wel: Koelruit) dat voortvloeit uit het onderzoek Cumana. De verdachte wordt verweten dat zij als een van de leiders deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en/of (gewoonte)witwassen. Ook is de verdachte veroordeeld wegens het verrichten van voorbereidingshandelingen met betrekking tot die cocaïnehandel en het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van € 89.230,-. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat [medeverdachte 1] (zus van de [verdachte] ) niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Het tweede middel komt met een vijftal deelklachten over grondslagverlating, innerlijke tegenstrijdigheid, bewijsleemtes en samenloop op tegen het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde. 2.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen. 3 Het eerste middel 3.1 Het middel is gericht tegen de beslissing van het hof om af te zien van oproeping van getuige [medeverdachte 1] , omdat niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. 3.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “Zaak A: 2. zij in de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 in in Nederland, tezamen en in vereniging met aderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen et grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen zich en/of anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen door: - veelvuldig (onderling en met anderen) telefonisch/ping contacten te hebben en te onderhouden. 3. zij in de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en zij in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededaders: - [medeverdachte 2] en - [medeverdachte 3] en - [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 5] en - [medeverdachte 6] en - [medeverdachte 7] en En een of meer ander(e) persoon(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen danwel het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en - het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig zulks terwijl zij, verdachte, een van de leiders van voormelde organisatie was. Zaak B: 1. zij op 12 juni 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met een anderen een geldbedrag (totale waarde 89 230 euro) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen , terwijl zij wist dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.” 3.3 Het hof heeft op 5 april en 3 mei 2019 zitting gehouden. Op de terechtzitting van 5 april 2019 is [medeverdachte 1] als verdachte verschenen (net als haar zus [verdachte] , de verdachte in de onderhavige zaak). Op de terechtzitting van 3 mei 2019 (waarop de zussen overigens niet zijn verschenen) heeft het hof kort gezegd het (in een andere, samenhangende zaak gedane) verzoek tot het doen oproepen van onder anderen [medeverdachte 1] als getuige toegewezen. Het hof heeft daarbij ambtshalve beslist dat onder anderen [medeverdachte 1] ook als getuige wordt opgeroepen in de zaken van de verdachten waarin daartoe geen verzoek was gedaan, zoals geldt voor de onderhavige zaak. Het hof heeft daarbij de oproeping bevolen van [medeverdachte 1] om als getuige ter terechtzitting te verschijnen om alsdan te worden gehoord. 3.4 Het hof heeft op 4 april 2024 zitting gehouden. [medeverdachte 1] was opgeroepen als verdachte, maar was niet ter terechtzitting aanwezig. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “De voorzitter maakt melding van de navolgende nieuw ingekomen stukken die bij de processtukken worden gevoegd: […] In de zaak van [medeverdachte 1] : ■ een e-mailwisseling van 27 februari 2024 met de advocaat-generaal over de aanhouding van de verdachte in Colombia; ■ een e-mailbericht van de raadsman van 21 maart 2024 waarin hij het hof verzoekt tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling, gelet op de uitleveringsprocedure van de verdachte in Colombia; ■ een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 25 maart 2024 met daarin zijn standpunt met betrekking tot het aanhoudingsverzoek van de verdediging; ■ een e-mailbericht van het hof aan de raadsman van 26 maart 2024 met daarin de mededeling dat het hof voornemens is op 4 april 2024 de getuigenverhoren te laten plaatsvinden en daarna het aanhoudingsverzoek te bespreken.
Volledig
[…] De voorzitter vraagt de advocaat-generaal naar de stand van zaken met betrekking tot de komst van de verdachte [medeverdachte 1] naar Nederland, die thans in uitleveringsdetentie in Colombia verblijft. De advocaat-generaal deelt desgevraagd mee: Ik heb navraag gedaan bij de Officier van Justitie, maar er is geen nieuws uit Colombia. Er is een rechtshulpverzoek gedaan aan Colombia voor de uitlevering van de verdachte in een andere strafzaak. Bij dat rechtshulpverzoek is ook toestemming gevraagd om de verdachte in deze strafzaak uit te leveren. Colombia kent geen verkorte procedures. De inschatting van AIRS[ ] is dat de uitlevering een paar maanden tot een jaar duurt. De raadsvrouw van de verdachte [medeverdachte 1] deelt mee: Mr. [betrokkene 1] heeft mij verteld dat het onmogelijk is contact te krijgen met [medeverdachte 1] en dat hij eind april 2024 naar Colombia gaat om haar op te zoeken. Hij hoopt dat er dan een en ander geregeld is en dat hij haar in detentie kan bezoeken. Er is eerder geprobeerd contact met haar te krijgen, maar dit is niet gelukt. Het is heel lastig de verdediging te voeren zonder contact. De voorzitter vraagt de aanwezige raadslieden of zij persisteren bij het horen van de verdachte [medeverdachte 1] als getuige. De raadsvrouw van de verdachte [medeverdachte 1] deelt mee: Mijn cliënte is van plan in hoger beroep ter zitting een verklaring af te leggen en vragen te beantwoorden. Dit heeft zij ook in eerst aanleg gedaan. Er is nog niet met haar besproken of zij als getuige een verklaring gaat afleggen. De raadsman van de verdachte [medeverdachte 6] deelt mee: De raadsvrouw van [medeverdachte 1] heeft net aangegeven dat haar cliënte een verklaring gaat afleggen. In eerste aanleg heeft zij dit ook gedaan. Er mag niet vooruit worden gelopen op de inhoud van de verklaring van een getuige en er kan niet nu al worden gezegd dat haar verhoor zinloos is. Deze getuige is door het hof geplaatst op de getuigenlijst. Als een getuige op zo’n lijst staat moeten er hele bijzondere zaken spelen om een getuige weer van die lijst af te krijgen. Een aanhouding in het buitenland is niet zo’n bijzondere zaak. Het liefst zou de verdediging deze getuige op zitting horen, maar misschien zijn er ook mogelijkheden om een videoverhoor te organiseren? Dat de getuige gedetineerd is in het buitenland betekent niet dat zij niet binnen een aanvaardbare termijn gehoord kan worden. Een vertraging van een paar maanden afgezet tegen de gehele duur van deze procedure is niet lang. Er is geen juridisch argument om deze getuige niet te horen. In een zaak van het Gerechtshof Arnhem (ECLI:NL:GHARN.2010:BM1856) speelde een soortgelijke vraag. Het hof heeft toen geoordeeld dat een getuige die in Turkije gedetineerd zat gehoord moest worden en met Turkije lopen de contacten stroever dan met Colombia. Ik verzoek u de behandeling van de zaak aan te houden zodat de getuige op een volgende zitting gehoord kan worden. […] De raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: Ik heb niet verzocht om deze getuige, maar ook in mijn zaak is het verzoek deze getuige te horen toegewezen. Ik sluit mij aan bij de al eerder naar voren gebrachte argumenten. Wij kunnen niet vooruitlopen op hoe het zal gaan. Als deze getuige bijvoorbeeld gaat verklaren over ping-gesprekken die mijn cliënte in een negatief daglicht stellen dan wil ik daar vragen over stellen. Het heeft mijn voorkeur deze getuige in persoon te horen. […] De advocaat-generaal deelt – gevraagd naar zijn standpunt – mee: Wat mij betreft worden er zoveel mogelijk zaken afgedaan, want deze procedure duurt al heel lang. Er is geen eenduidig antwoord op de vraag of [medeverdachte 1] gaat verklaren en ik kan niet zeggen dat het onmogelijk is haar binnen afzienbare termijn als getuige te horen. Ik zal mij dan ook niet verzetten tegen de verzoeken tot aanhouding in de zaken waarin daar om is verzocht, zodat [medeverdachte 1] alsnog als getuige ter zitting kan worden gehoord. De voorzitter vraagt de advocaat-generaal of hij zich kan uitlaten over de eventuele duur van de behandeling van een rechtshulpverzoek om de verdachte [medeverdachte 1] als getuige via een videoverhoor te horen. De advocaat-generaal deelt desgevraagd mee: Ik kan mij niet uitlaten over dingen waarvan ik onvoldoende op de hoogte ben. Als er de nodige druk wordt uitgeoefend gaat het wel goed met de contacten met Colombia. Het baart mij wel zorgen dat ik geen snelle reactie heb gekregen van de autoriteiten in Colombia op mijn rechtshulpverzoek de verdachte ook ten aanzien van deze zaak uit te leveren. Ik heb ook wel eens meegemaakt dat binnen enkele weken een verhoor kon worden geregeld met de Colombiaanse autoriteiten. […] De raadsvrouw van de verdachte [medeverdachte 1] deelt mee: Ik verzoek u de behandeling van de zaak van mijn cliënte aan te houden. Mijn cliënte zit in Colombia en het is niet mogelijk contact met haar te krijgen. Zij wil graag gebruik maken van haar aanwezigheidsrecht en zij wil ter zitting een verklaring afleggen. De verdediging heeft de zaak niet inhoudelijk met haar kunnen voorbereiden en ook geen verklaring van haar op papier kunnen zetten. Zoals ik al eerder heb aangegeven gaat mr. [betrokkene 1] proberen om haar te bezoeken, maar hij weet niet of dat gaat lukken. Ik verwacht niet dat de zaak met mijn cliënte kan worden voorbereid voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling op 21 mei 2024. De raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: Ik sluit mij aan bij het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw van de [medeverdachte 1] . Het zou niet juist zijn het aanhoudingsverzoek af te wijzen om de reden dat de zaak al lang duurt. Ook voor mijn cliënte geldt dat het wachten haar zwaar valt, maar er hangt enorm veel boven haar hoofd. De zaken van de [medeverdachte 1] en mijn cliënte zijn te veel aan elkaar verknocht om apart te behandelen. Ik weet ook niet wat de [medeverdachte 1] zal gaan verklaren ter terechtzitting. Wellicht dat daar nieuwe dingen naar voren komen waarbij het in het belang is van mijn cliënte daar vragen over te stellen. Veel getuigen halen de zusters overigens ook door elkaar, dus het is ook in het belang van de waarheidsvinding dat zij beiden tegelijk op zitting verschijnen. […] De advocaat-generaal deelt mee: Ik zie geen mogelijkheden om het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak van [medeverdachte 1] af te wijzen. Het verzoek moet dan ook worden toegewezen. Ten aanzien van de aanhoudingsverzoeken in de andere zaken wil ik opmerken dat de enkele ‘verknochtheid’ van zaken onvoldoende reden is om de zaken aan te houden. Daar staat tegenover dat meerdere verdachten hebben aangegeven dat zij [medeverdachte 1] als getuige willen horen en dat niet kan worden gesteld dat er geen mogelijkheden meer zijn om dat te doen. Ik zal mij daarom ook niet verzetten tegen de verzoeken tot aanhouding in de zaken van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] . De zaak van [medeverdachte 5] kan worden afgesplitst van de andere zaken. […] De voorzitter deelt het volgende mee over de beslissingen en de overwegingen van het hof: - Het verzoek tot aanhouding in de zaak van de verdachte [medeverdachte 1] wordt toegewezen , gelet op het feit dat zij gebruik wenst te maken van haar aanwezigheidsrecht en de zaak met haar moet kunnen worden voorbereid. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het er geenszins naar uit ziet dat de verdachte voor de geplande inhoudelijke behandeling van 21 mei 2024 in Nederland zal zijn. Het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van de verdachte [medeverdachte 1] wordt voor onbepaalde tijd geschorst , met bevel tot oproeping van de verdachte en haar raadsman. Het hof verzoekt de advocaat-generaal het hof op de hoogte te houden van ontwikkelingen omtrent de komst van de verdachte [medeverdachte 1] naar Nederland. - Het verzoek tot aanhouding in de zaken van de verdachten [verdachte] […] wordt afgewezen . Het hof heeft een belangenafweging gemaakt tussen de gestelde belangen van de verdachten, namelijk de verknochtheid van de zaken en de mogelijke verklaringen die [medeverdachte 1] zal afleggen, en het belang dat de zaak binnen een redelijke termijn wordt afgedaan.
Volledig
[…] De voorzitter vraagt de advocaat-generaal naar de stand van zaken met betrekking tot de komst van de verdachte [medeverdachte 1] naar Nederland, die thans in uitleveringsdetentie in Colombia verblijft. De advocaat-generaal deelt desgevraagd mee: Ik heb navraag gedaan bij de Officier van Justitie, maar er is geen nieuws uit Colombia. Er is een rechtshulpverzoek gedaan aan Colombia voor de uitlevering van de verdachte in een andere strafzaak. Bij dat rechtshulpverzoek is ook toestemming gevraagd om de verdachte in deze strafzaak uit te leveren. Colombia kent geen verkorte procedures. De inschatting van AIRS[ ] is dat de uitlevering een paar maanden tot een jaar duurt. De raadsvrouw van de verdachte [medeverdachte 1] deelt mee: Mr. [betrokkene 1] heeft mij verteld dat het onmogelijk is contact te krijgen met [medeverdachte 1] en dat hij eind april 2024 naar Colombia gaat om haar op te zoeken. Hij hoopt dat er dan een en ander geregeld is en dat hij haar in detentie kan bezoeken. Er is eerder geprobeerd contact met haar te krijgen, maar dit is niet gelukt. Het is heel lastig de verdediging te voeren zonder contact. De voorzitter vraagt de aanwezige raadslieden of zij persisteren bij het horen van de verdachte [medeverdachte 1] als getuige. De raadsvrouw van de verdachte [medeverdachte 1] deelt mee: Mijn cliënte is van plan in hoger beroep ter zitting een verklaring af te leggen en vragen te beantwoorden. Dit heeft zij ook in eerst aanleg gedaan. Er is nog niet met haar besproken of zij als getuige een verklaring gaat afleggen. De raadsman van de verdachte [medeverdachte 6] deelt mee: De raadsvrouw van [medeverdachte 1] heeft net aangegeven dat haar cliënte een verklaring gaat afleggen. In eerste aanleg heeft zij dit ook gedaan. Er mag niet vooruit worden gelopen op de inhoud van de verklaring van een getuige en er kan niet nu al worden gezegd dat haar verhoor zinloos is. Deze getuige is door het hof geplaatst op de getuigenlijst. Als een getuige op zo’n lijst staat moeten er hele bijzondere zaken spelen om een getuige weer van die lijst af te krijgen. Een aanhouding in het buitenland is niet zo’n bijzondere zaak. Het liefst zou de verdediging deze getuige op zitting horen, maar misschien zijn er ook mogelijkheden om een videoverhoor te organiseren? Dat de getuige gedetineerd is in het buitenland betekent niet dat zij niet binnen een aanvaardbare termijn gehoord kan worden. Een vertraging van een paar maanden afgezet tegen de gehele duur van deze procedure is niet lang. Er is geen juridisch argument om deze getuige niet te horen. In een zaak van het Gerechtshof Arnhem (ECLI:NL:GHARN.2010:BM1856) speelde een soortgelijke vraag. Het hof heeft toen geoordeeld dat een getuige die in Turkije gedetineerd zat gehoord moest worden en met Turkije lopen de contacten stroever dan met Colombia. Ik verzoek u de behandeling van de zaak aan te houden zodat de getuige op een volgende zitting gehoord kan worden. […] De raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: Ik heb niet verzocht om deze getuige, maar ook in mijn zaak is het verzoek deze getuige te horen toegewezen. Ik sluit mij aan bij de al eerder naar voren gebrachte argumenten. Wij kunnen niet vooruitlopen op hoe het zal gaan. Als deze getuige bijvoorbeeld gaat verklaren over ping-gesprekken die mijn cliënte in een negatief daglicht stellen dan wil ik daar vragen over stellen. Het heeft mijn voorkeur deze getuige in persoon te horen. […] De advocaat-generaal deelt – gevraagd naar zijn standpunt – mee: Wat mij betreft worden er zoveel mogelijk zaken afgedaan, want deze procedure duurt al heel lang. Er is geen eenduidig antwoord op de vraag of [medeverdachte 1] gaat verklaren en ik kan niet zeggen dat het onmogelijk is haar binnen afzienbare termijn als getuige te horen. Ik zal mij dan ook niet verzetten tegen de verzoeken tot aanhouding in de zaken waarin daar om is verzocht, zodat [medeverdachte 1] alsnog als getuige ter zitting kan worden gehoord. De voorzitter vraagt de advocaat-generaal of hij zich kan uitlaten over de eventuele duur van de behandeling van een rechtshulpverzoek om de verdachte [medeverdachte 1] als getuige via een videoverhoor te horen. De advocaat-generaal deelt desgevraagd mee: Ik kan mij niet uitlaten over dingen waarvan ik onvoldoende op de hoogte ben. Als er de nodige druk wordt uitgeoefend gaat het wel goed met de contacten met Colombia. Het baart mij wel zorgen dat ik geen snelle reactie heb gekregen van de autoriteiten in Colombia op mijn rechtshulpverzoek de verdachte ook ten aanzien van deze zaak uit te leveren. Ik heb ook wel eens meegemaakt dat binnen enkele weken een verhoor kon worden geregeld met de Colombiaanse autoriteiten. […] De raadsvrouw van de verdachte [medeverdachte 1] deelt mee: Ik verzoek u de behandeling van de zaak van mijn cliënte aan te houden. Mijn cliënte zit in Colombia en het is niet mogelijk contact met haar te krijgen. Zij wil graag gebruik maken van haar aanwezigheidsrecht en zij wil ter zitting een verklaring afleggen. De verdediging heeft de zaak niet inhoudelijk met haar kunnen voorbereiden en ook geen verklaring van haar op papier kunnen zetten. Zoals ik al eerder heb aangegeven gaat mr. [betrokkene 1] proberen om haar te bezoeken, maar hij weet niet of dat gaat lukken. Ik verwacht niet dat de zaak met mijn cliënte kan worden voorbereid voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling op 21 mei 2024. De raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: Ik sluit mij aan bij het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw van de [medeverdachte 1] . Het zou niet juist zijn het aanhoudingsverzoek af te wijzen om de reden dat de zaak al lang duurt. Ook voor mijn cliënte geldt dat het wachten haar zwaar valt, maar er hangt enorm veel boven haar hoofd. De zaken van de [medeverdachte 1] en mijn cliënte zijn te veel aan elkaar verknocht om apart te behandelen. Ik weet ook niet wat de [medeverdachte 1] zal gaan verklaren ter terechtzitting. Wellicht dat daar nieuwe dingen naar voren komen waarbij het in het belang is van mijn cliënte daar vragen over te stellen. Veel getuigen halen de zusters overigens ook door elkaar, dus het is ook in het belang van de waarheidsvinding dat zij beiden tegelijk op zitting verschijnen. […] De advocaat-generaal deelt mee: Ik zie geen mogelijkheden om het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak van [medeverdachte 1] af te wijzen. Het verzoek moet dan ook worden toegewezen. Ten aanzien van de aanhoudingsverzoeken in de andere zaken wil ik opmerken dat de enkele ‘verknochtheid’ van zaken onvoldoende reden is om de zaken aan te houden. Daar staat tegenover dat meerdere verdachten hebben aangegeven dat zij [medeverdachte 1] als getuige willen horen en dat niet kan worden gesteld dat er geen mogelijkheden meer zijn om dat te doen. Ik zal mij daarom ook niet verzetten tegen de verzoeken tot aanhouding in de zaken van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] . De zaak van [medeverdachte 5] kan worden afgesplitst van de andere zaken. […] De voorzitter deelt het volgende mee over de beslissingen en de overwegingen van het hof: - Het verzoek tot aanhouding in de zaak van de verdachte [medeverdachte 1] wordt toegewezen , gelet op het feit dat zij gebruik wenst te maken van haar aanwezigheidsrecht en de zaak met haar moet kunnen worden voorbereid. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het er geenszins naar uit ziet dat de verdachte voor de geplande inhoudelijke behandeling van 21 mei 2024 in Nederland zal zijn. Het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van de verdachte [medeverdachte 1] wordt voor onbepaalde tijd geschorst , met bevel tot oproeping van de verdachte en haar raadsman. Het hof verzoekt de advocaat-generaal het hof op de hoogte te houden van ontwikkelingen omtrent de komst van de verdachte [medeverdachte 1] naar Nederland. - Het verzoek tot aanhouding in de zaken van de verdachten [verdachte] […] wordt afgewezen . Het hof heeft een belangenafweging gemaakt tussen de gestelde belangen van de verdachten, namelijk de verknochtheid van de zaken en de mogelijke verklaringen die [medeverdachte 1] zal afleggen, en het belang dat de zaak binnen een redelijke termijn wordt afgedaan.
Volledig
Het hof heeft daarbij acht geslagen op de ouderdom van de feiten, de duur van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, de omvang van de zaak, het feit dat het veel moeite heeft gekost deze zaken in te plannen en in aanmerking genomen dat nader uitstel van de zaak tot een aanzienlijke vertraging zal leiden. Het belang van het afdoen van de zaken binnen een redelijke termijn weegt naar het oordeel van het hof in de zaken van deze verdachten zwaarder dan de belangen die de verdachten hebben bij aanhouding van hun zaken. In dat kader is ook de hierna opgenomen beslissing met betrekking tot het horen van de verdachte [medeverdachte 1] als getuige van belang. - De zaken van de verdachten [verdachte] […] worden verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van de [medeverdachte 1] als getuige door middel van een videoverhoor. Het hof verzoekt de raadsheer-commissaris uiterlijk 17 mei 2024 te berichten over de stand van zaken in verband met de inhoudelijke behandeling die volgens de planning zal aanvangen op 21 mei 2024. Het hof onderbreekt het onderzoek in voornoemde zaken tot 21 mei 2024 te 09.00 uur.” 3.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21, 24, 29 mei en 2 juli 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “ Nieuw ingekomen stukken De voorzitter maakt melding van de navolgende nieuw ingekomen stukken die bij de processtukken worden gevoegd: In alle zaken: […] ■ een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024 over de voortgang van het rechtshulpverzoek aan Colombia om de [medeverdachte 1] als getuige te horen. […] Aanhoudingsverzoeken De raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: Ik verzoek het hof de zaak van mijn cliënt aan te houden, zodat de [medeverdachte 1] als getuige kan worden gehoord. De verdediging heeft aan de raadsheer-commissaris al een lijst met vragen aangeleverd voor de [medeverdachte 1] . Deze vragen zien met name op het bevragen van de getuige over de verklaring van de [getuige] . Als de [medeverdachte 1] als getuige wordt gehoord in hoger beroep kan zij een totaal nieuw licht werpen op de rol van mijn cliënt. De getuige is bereid te gaan verklaren en zij kan in ontlastende zin voor mijn cliënt verklaren. Het belang van mijn cliënt om de [medeverdachte 1] als getuige te horen is enorm. De raadsheer-commissaris heeft in het proces-verbaal van bevindingen van 16 mei 2024 geschreven dat er nog een aantal administratieve stappen moeten worden ondernomen, maar dat het rechtshulpverzoek al wel definitief is. De raadsman van [medeverdachte 1] zit momenteel in het vliegtuig naar Colombia en gaat het met haar hebben over haar proceshouding. Aan alle kanten wordt er dus gewerkt om een verhoor van de getuige mogelijk te maken. Het is bovendien duidelijk waar de getuige is en zij kan via een videoverbinding worden gehoord. Het zou niet houdbaar zijn in cassatie als u niet toestaat de zaak aan te houden om de [medeverdachte 1] als getuige te horen. Het is ook niet zo dat aanhouding van de zaak een onaanvaardbare vertraging gaat opleveren, want deze zaak loopt al 6,5 jaar. […] De advocaat-generaal deelt gevraagd naar zijn standpunt mee: Het hof heeft mij verzocht informatie te vergaren met betrekking tot de uitlevering van de [medeverdachte 1] van Colombia naar Nederland. Ik heb navraag gedaan bij de Officier van Justitie, maar zij wist mij te melden dat er nog geen informatie is binnengekomen van de Colombiaanse autoriteiten over het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek. Achter het e-mailbericht van de raadsvrouw van de [verdachte] waarin zij om aanhouding verzoekt zit ook een e-mailbericht gevoegd van de raadsman van de [medeverdachte 1] . Uit deze mail heb ik begrepen dat de [medeverdachte 1] een inhoudelijke verklaring wil gaan afleggen. Dit was eerder nog niet bekend. Uit een arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:466) volgt dat bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek om een getuige te horen de aanvaardbaarheid van de termijn waarbinnen de getuige kan worden gehoord van belang is. Ook de mogelijkheden die zijn gegeven om de procesvoering te bespoedigen zijn van belang. Verder moet worden beoordeeld of de procedure in zijn geheel eerlijk is geweest en voldoet aan de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Bij de vorige zitting is de zaak aangehouden om te onderzoeken of de [medeverdachte 1] kon worden gehoord in Colombia via een videoverbinding. Soms gaat zo’n videoverhoor buitengewoon en verrassend snel. Vervelend is wel dat er veel administratief in werking moet worden gezet voordat uitvoering kan worden gegeven aan een zodanig rechtshulpverzoek. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris begrijp ik dat er al een en ander is gebeurd. Er lopen wel nog een aantal formaliteiten. Daardoor is er nog geen gelegenheid geweest voor de Colombiaanse autoriteiten om te reageren op het rechtshulpverzoek. Ik vind het daarom niet redelijk en houdbaar om na zo’n korte termijn al te zeggen dat er geen uitzicht is op het horen van de [medeverdachte 1] als getuige. Ik zal mij dan ook niet tegen aanhouding verzetten op deze grond. […] Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer. Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mee als beslissingen van het hof dat: […] - het verzoek tot aanhouding in de zaken van de verdachten [verdachte] […] wordt afgewezen . Op de zitting van 4 april 2024 heeft het hof de zaken naar de raadsheer-commissaris verwezen om de [medeverdachte 1] in Colombia als getuige te horen middels een videoverbinding. Op dat moment was er geen informatie beschikbaar over de termijn waarbinnen de getuige zou kunnen worden gehoord. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting op 4 april 2024 te kennen gegeven dat het horen van een getuige in Colombia via een videoverbinding soms binnen enkele weken mogelijk is. Het hof heeft de raadsheer-commissaris verzocht het hof voor de inhoudelijk behandeling en uiterlijk 17 mei 2024 over de stand van zaken te berichten. De raadsheer-commissaris heeft het volgende gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen van 16 mei 2024: ‘Ten aanzien van het verdere verloop van de procedure geldt het volgende. Nadat het dias-nummer is ontvangen, zal een Spaanse beëdigde vertaling van het rechtshulpverzoek inclusief de vragenlijsten worden aangevraagd. Na ontvangst van de vertaling zal een apostillestempel bij de rechtbank Amsterdam dienen te worden aangevraagd. Vervolgens zal het rechtshulpverzoek inclusief de vragenlijsten, Spaanse beëdigde vertaling en apostille worden verzonden naar AIRS, die het rechtshulpverzoek zullen doorgeleiden naar Colombia. Op dit moment kan niet worden aangegeven op welke termijn het rechtshulpverzoek daadwerkelijk ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.’ Gelet op deze beschikbaar gekomen informatie en bij deze stand van zaken is het hof thans van oordeel dat de [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Gelet op de informatie van de raadsheer-commissaris is het aannemelijk dat er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord. Het hof betrekt bij zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de termijn dat het gaat om feiten van 10 jaar geleden, dat de zaken al sinds 2017 in hoger beroep lopen, dat het gaat om een zaak met meerdere verdachten, er nu veel dagen staan gepland voor de inhoudelijke behandeling en dat met een aanhouding ten behoeve van het horen van de getuige wederom een aanzienlijk tijdsverloop zal optreden, ook doordat vervolgens weer opnieuw zittingsdagen met meerdere advocaten moeten worden ingepland. Het hof bepaalt dat de raadsheer-commissaris door deze beslissing geen gevolg meer hoeft te geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek. Het hof zal zich bij de eindbeoordeling, als het zou overwegen tot een bewezenverklaring te komen in de zaken van de voornoemde verdachten, rekenschap geven van het bepaalde in artikel 6 EVRM in verband met het niet kunnen horen van de [medeverdachte 1] als getuige.
Volledig
Het hof heeft daarbij acht geslagen op de ouderdom van de feiten, de duur van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, de omvang van de zaak, het feit dat het veel moeite heeft gekost deze zaken in te plannen en in aanmerking genomen dat nader uitstel van de zaak tot een aanzienlijke vertraging zal leiden. Het belang van het afdoen van de zaken binnen een redelijke termijn weegt naar het oordeel van het hof in de zaken van deze verdachten zwaarder dan de belangen die de verdachten hebben bij aanhouding van hun zaken. In dat kader is ook de hierna opgenomen beslissing met betrekking tot het horen van de verdachte [medeverdachte 1] als getuige van belang. - De zaken van de verdachten [verdachte] […] worden verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van de [medeverdachte 1] als getuige door middel van een videoverhoor. Het hof verzoekt de raadsheer-commissaris uiterlijk 17 mei 2024 te berichten over de stand van zaken in verband met de inhoudelijke behandeling die volgens de planning zal aanvangen op 21 mei 2024. Het hof onderbreekt het onderzoek in voornoemde zaken tot 21 mei 2024 te 09.00 uur.” 3.5 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21, 24, 29 mei en 2 juli 2024 houdt voor zover van belang het volgende in: “ Nieuw ingekomen stukken De voorzitter maakt melding van de navolgende nieuw ingekomen stukken die bij de processtukken worden gevoegd: In alle zaken: […] ■ een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024 over de voortgang van het rechtshulpverzoek aan Colombia om de [medeverdachte 1] als getuige te horen. […] Aanhoudingsverzoeken De raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: Ik verzoek het hof de zaak van mijn cliënt aan te houden, zodat de [medeverdachte 1] als getuige kan worden gehoord. De verdediging heeft aan de raadsheer-commissaris al een lijst met vragen aangeleverd voor de [medeverdachte 1] . Deze vragen zien met name op het bevragen van de getuige over de verklaring van de [getuige] . Als de [medeverdachte 1] als getuige wordt gehoord in hoger beroep kan zij een totaal nieuw licht werpen op de rol van mijn cliënt. De getuige is bereid te gaan verklaren en zij kan in ontlastende zin voor mijn cliënt verklaren. Het belang van mijn cliënt om de [medeverdachte 1] als getuige te horen is enorm. De raadsheer-commissaris heeft in het proces-verbaal van bevindingen van 16 mei 2024 geschreven dat er nog een aantal administratieve stappen moeten worden ondernomen, maar dat het rechtshulpverzoek al wel definitief is. De raadsman van [medeverdachte 1] zit momenteel in het vliegtuig naar Colombia en gaat het met haar hebben over haar proceshouding. Aan alle kanten wordt er dus gewerkt om een verhoor van de getuige mogelijk te maken. Het is bovendien duidelijk waar de getuige is en zij kan via een videoverbinding worden gehoord. Het zou niet houdbaar zijn in cassatie als u niet toestaat de zaak aan te houden om de [medeverdachte 1] als getuige te horen. Het is ook niet zo dat aanhouding van de zaak een onaanvaardbare vertraging gaat opleveren, want deze zaak loopt al 6,5 jaar. […] De advocaat-generaal deelt gevraagd naar zijn standpunt mee: Het hof heeft mij verzocht informatie te vergaren met betrekking tot de uitlevering van de [medeverdachte 1] van Colombia naar Nederland. Ik heb navraag gedaan bij de Officier van Justitie, maar zij wist mij te melden dat er nog geen informatie is binnengekomen van de Colombiaanse autoriteiten over het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek. Achter het e-mailbericht van de raadsvrouw van de [verdachte] waarin zij om aanhouding verzoekt zit ook een e-mailbericht gevoegd van de raadsman van de [medeverdachte 1] . Uit deze mail heb ik begrepen dat de [medeverdachte 1] een inhoudelijke verklaring wil gaan afleggen. Dit was eerder nog niet bekend. Uit een arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:466) volgt dat bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek om een getuige te horen de aanvaardbaarheid van de termijn waarbinnen de getuige kan worden gehoord van belang is. Ook de mogelijkheden die zijn gegeven om de procesvoering te bespoedigen zijn van belang. Verder moet worden beoordeeld of de procedure in zijn geheel eerlijk is geweest en voldoet aan de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Bij de vorige zitting is de zaak aangehouden om te onderzoeken of de [medeverdachte 1] kon worden gehoord in Colombia via een videoverbinding. Soms gaat zo’n videoverhoor buitengewoon en verrassend snel. Vervelend is wel dat er veel administratief in werking moet worden gezet voordat uitvoering kan worden gegeven aan een zodanig rechtshulpverzoek. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris begrijp ik dat er al een en ander is gebeurd. Er lopen wel nog een aantal formaliteiten. Daardoor is er nog geen gelegenheid geweest voor de Colombiaanse autoriteiten om te reageren op het rechtshulpverzoek. Ik vind het daarom niet redelijk en houdbaar om na zo’n korte termijn al te zeggen dat er geen uitzicht is op het horen van de [medeverdachte 1] als getuige. Ik zal mij dan ook niet tegen aanhouding verzetten op deze grond. […] Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer. Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mee als beslissingen van het hof dat: […] - het verzoek tot aanhouding in de zaken van de verdachten [verdachte] […] wordt afgewezen . Op de zitting van 4 april 2024 heeft het hof de zaken naar de raadsheer-commissaris verwezen om de [medeverdachte 1] in Colombia als getuige te horen middels een videoverbinding. Op dat moment was er geen informatie beschikbaar over de termijn waarbinnen de getuige zou kunnen worden gehoord. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting op 4 april 2024 te kennen gegeven dat het horen van een getuige in Colombia via een videoverbinding soms binnen enkele weken mogelijk is. Het hof heeft de raadsheer-commissaris verzocht het hof voor de inhoudelijk behandeling en uiterlijk 17 mei 2024 over de stand van zaken te berichten. De raadsheer-commissaris heeft het volgende gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen van 16 mei 2024: ‘Ten aanzien van het verdere verloop van de procedure geldt het volgende. Nadat het dias-nummer is ontvangen, zal een Spaanse beëdigde vertaling van het rechtshulpverzoek inclusief de vragenlijsten worden aangevraagd. Na ontvangst van de vertaling zal een apostillestempel bij de rechtbank Amsterdam dienen te worden aangevraagd. Vervolgens zal het rechtshulpverzoek inclusief de vragenlijsten, Spaanse beëdigde vertaling en apostille worden verzonden naar AIRS, die het rechtshulpverzoek zullen doorgeleiden naar Colombia. Op dit moment kan niet worden aangegeven op welke termijn het rechtshulpverzoek daadwerkelijk ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.’ Gelet op deze beschikbaar gekomen informatie en bij deze stand van zaken is het hof thans van oordeel dat de [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Gelet op de informatie van de raadsheer-commissaris is het aannemelijk dat er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord. Het hof betrekt bij zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de termijn dat het gaat om feiten van 10 jaar geleden, dat de zaken al sinds 2017 in hoger beroep lopen, dat het gaat om een zaak met meerdere verdachten, er nu veel dagen staan gepland voor de inhoudelijke behandeling en dat met een aanhouding ten behoeve van het horen van de getuige wederom een aanzienlijk tijdsverloop zal optreden, ook doordat vervolgens weer opnieuw zittingsdagen met meerdere advocaten moeten worden ingepland. Het hof bepaalt dat de raadsheer-commissaris door deze beslissing geen gevolg meer hoeft te geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek. Het hof zal zich bij de eindbeoordeling, als het zou overwegen tot een bewezenverklaring te komen in de zaken van de voornoemde verdachten, rekenschap geven van het bepaalde in artikel 6 EVRM in verband met het niet kunnen horen van de [medeverdachte 1] als getuige.
Volledig
[…] 29 mei 2024 […] Pleidooien in de zaak van [verdachte] Mr. [betrokkene 2] , de raadsvrouw van de [verdachte] voert het woord ter verdediging aan de hand van haar pleitnota, die zij aan het hof overlegt en welke in het dossier wordt gevoegd. […] De jongste raadsheer merkt op dat de voorwaardelijke verzoeken die door mr. [betrokkene 2] zijn gedaan gekoppeld zijn aan de voorwaarde dat deze moeten worden ingewilligd als de verdachte niet wordt vrijgesproken. De jongste raadsheer merkt tevens op dat de verzoeken erg samenhangen met de verklaringen van de [getuige] . De jongste raadsheer vraagt de raadsvrouw of de voorwaarden aan die verzoeker niet specifieker moeten zijn, namelijk dat zij worden gedaan in het geval dat de verklaringen van de [getuige] voor het bewijs worden gebruikt. Mr. [betrokkene 2] , de raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: Uit de verklaringen van [getuige] kan eventueel ook ontlastend bewijs volgen. De verzoeken gelden dus ook als de verklaringen van [getuige] niet voor het bewijs worden gebruikt. […] 2 juli 2024 […] Verzoek in de zaak van de [verdachte] […] De voorzitter maakt melding van de navolgende nieuw ingekomen stukken die bij de processtukken in de zaak van de [verdachte] worden gevoegd: ■ een e-mailbericht van de raadsvrouw van 30 juni 2024 waarin zij wederom heeft verzocht de [medeverdachte 1] te horen als getuige per videoverbinding op basis van nieuwe informatie; ■ een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 1 juli 2024 met de mededeling dat hij contact heeft gehad met de officier van justitie in verband met voornoemd e-mailbericht van de raadsvrouw en dat daaromtrent een proces-verbaal zal worden opgemaakt; ■ een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 1 juli 2024 met als bijlage een proces-verbaal van bevindingen van de politie omtrent het nog te plannen verdachtenverhoor van de [medeverdachte 1] in Colombia door de Nederlandse politie in het kader van een andere strafzaak. De voorzitter vraagt de raadsvrouw van de [verdachte] of haar verzoek van 30 juni 2024 als een nadere onderbouwing moet worden beschouwd van het op 29 mei 2024 voorwaardelijk gedane verzoek om de [medeverdachte 1] als getuige te horen, in die zin dat de getuige volgens de verdediging wel binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De voorzitter merkt op dat het hof nog op dit voorwaardelijke verzoek dient te beslissen. De raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: U kunt hetgeen ik hier naar voren breng inderdaad beschouwen als een nadere onderbouwing van genoemd voorwaardelijk verzoek. Het hof heeft op 29 mei 2024 heel nadrukkelijk het onderzoek ter terechtzitting nog niet gesloten. Ik kreeg vorige week van de raadsman van de [medeverdachte 1] nieuwe informatie en ik kon daar niet niets mee doen. Gisteren heb ik telefonisch contact gehad met de raadsman van de [medeverdachte 1] naar aanleiding van de reactie van de advocaat-generaal van 1 juli 2024. De raadsman van de [medeverdachte 1] deelde mij mee dat hij een datum moest voorleggen voor de maand augustus dat hij beschikbaar was en dat het verdachtenverhoor van [medeverdachte 1] in Colombia daarna zou gaan plaatsvinden. Het leek heel gemakkelijk te gaan en het lijkt erop alsof het niet ingewikkeld is iets te regelen met de Colombiaanse autoriteiten. De liason officer was ook erg behulpzaam. Bij de raadsheer-commissaris is het rechtshulpverzoek in deze zaak waarschijnlijk anders gegaan dan het rechtshulpverzoek voor het politieverhoor in augustus. Ik merk op dat het hof het logisch vond dat de [medeverdachte 1] als getuige zou worden gehoord, maar dat het tijdsperspectief niet concreet genoeg was. Het is in het belang van deze zaak en in het belang van mijn cliënte dat de [medeverdachte 1] als getuige zal worden gehoord. Ik verzoek u gebruik te maken van de kanalen die openstaan en die gebruikt worden om het politieverhoor in augustus te regelen. Ik verwijt niemand iets, maar het is jammer dat er niet is samengewerkt. Ik heb mijn vragen voor de getuige al ingeleverd bij de raadsheer-commissaris en vanuit de verdediging wordt er alles aan gedaan om mee te werken. De advocaat-generaal deelt gevraagd naar zijn reactie mee: Het verhoor van de [medeverdachte 1] dat mogelijk in augustus in Colombia zal gaan plaatsvinden betreft een verdachtenverhoor in een ander strafrechtelijk onderzoek. Het gaat hierbij niet om een videoverhoor. Dit verdachtenverhoor vindt plaats in het kader van rechtshulpverkeer tussen Nederland en Colombia. Het is logisch dat dit verdachtenverhoor er tussendoor is gefietst. Ik hoef hier niet van op de hoogte te zijn. In onze zaak ging het rechtshulpverzoek via de raadsheer-commissaris. Een getuigenverhoor is anders dan een verdachtenverhoor. Ik heb een proces-verbaal laten opstellen na overleg met de Officier van Justitie in de andere zaak, waarin staat vermeld wat er in die zaak is gebeurd. Ik kan niet voorspellen binnen welke termijn een getuigenverhoor via de raadsheer-commissaris zou kunnen gaan plaatsvinden. Ik zie niet in waarom het hof op basis van deze nieuwe ontwikkelingen op de eerdere beslissing dat de [medeverdachte 1] niet binnen een redelijke termijn gehoord kan worden, zou moeten terugkomen. Er is niets veranderd. De belangenafweging die het hof eerder gemaakt heeft is ook niet veranderd. Soms kunnen dingen snel geregeld worden, maar er kunnen geen garanties worden gegeven. Er zijn dingen gebeurd, maar niet in deze zaak. Aan de raadsvrouw van de [verdachte] wordt het recht gelaten om namens haar cliënte het laatst te spreken. Zij deelt in dat verband mee: Mijn cliënte hecht er belang aan dat haar zuster gehoord kan worden als getuige, zeker gelet op de ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in hoger beroep. Zij wil graag dat het onderzoek zo compleet mogelijk is.” 3.6 De door de raadsvrouw van de verdachte op 29 mei 2024 overgelegde pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in: “ F. Uitdrukkelijk voorwaardelijke verzoeken. Althans meent de verdediging, dat indien u cliënte niet vrijspreekt, dat u alsnog: […] - Alsnog [medeverdachte 1] te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding ” 3.7 Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in: “De verdediging heeft, voor zover het hof [verdachte] niet vrijspreekt, ook het volgende verzoek gedaan: ‘7. Alsnog [medeverdachte 1] te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding’. Het hof heeft ter terechtzitting van 3 mei 2019 beslist dat de getuige [medeverdachte 1] diende te worden gehoord in de zaak van [verdachte] en bepaald dat dat verhoor ter terechtzitting zal plaatsvinden. Voorafgaand aan de zitting van 4 april 2024 is gebleken dat de getuige [medeverdachte 1] is aangehouden in Colombia. Ter terechtzitting van het hof van 4 april 2024 is [medeverdachte 1] niet als getuige verschenen en is de situatie met betrekking tot de mogelijkheid om de getuige te horen besproken. Nadat de advocaat-generaal had medegedeeld dat het mogelijk zou kunnen zijn om de getuige binnen een paar weken middels een videoverbinding te horen, heeft het hof de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van [medeverdachte 1] met het verzoek om – met het oog op de geplande inhoudelijke behandeling – uiterlijk 17 mei 2024 het hof te berichten over de stand van zaken. Ter terechtzitting van het hof van 21 mei 2024 heeft het hof, gelet op het beschikbaar gekomen proces verbaal van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024, geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de getuige [medeverdachte 1] binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord en dat de raadsheer-commissaris niet langer gevolg hoefde te geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek. Het hof beschouwt deze beslissing als hier herhaald en ingelast en verwijst naar de motivering van die beslissing in het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 mei 2024.
Volledig
[…] 29 mei 2024 […] Pleidooien in de zaak van [verdachte] Mr. [betrokkene 2] , de raadsvrouw van de [verdachte] voert het woord ter verdediging aan de hand van haar pleitnota, die zij aan het hof overlegt en welke in het dossier wordt gevoegd. […] De jongste raadsheer merkt op dat de voorwaardelijke verzoeken die door mr. [betrokkene 2] zijn gedaan gekoppeld zijn aan de voorwaarde dat deze moeten worden ingewilligd als de verdachte niet wordt vrijgesproken. De jongste raadsheer merkt tevens op dat de verzoeken erg samenhangen met de verklaringen van de [getuige] . De jongste raadsheer vraagt de raadsvrouw of de voorwaarden aan die verzoeker niet specifieker moeten zijn, namelijk dat zij worden gedaan in het geval dat de verklaringen van de [getuige] voor het bewijs worden gebruikt. Mr. [betrokkene 2] , de raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: Uit de verklaringen van [getuige] kan eventueel ook ontlastend bewijs volgen. De verzoeken gelden dus ook als de verklaringen van [getuige] niet voor het bewijs worden gebruikt. […] 2 juli 2024 […] Verzoek in de zaak van de [verdachte] […] De voorzitter maakt melding van de navolgende nieuw ingekomen stukken die bij de processtukken in de zaak van de [verdachte] worden gevoegd: ■ een e-mailbericht van de raadsvrouw van 30 juni 2024 waarin zij wederom heeft verzocht de [medeverdachte 1] te horen als getuige per videoverbinding op basis van nieuwe informatie; ■ een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 1 juli 2024 met de mededeling dat hij contact heeft gehad met de officier van justitie in verband met voornoemd e-mailbericht van de raadsvrouw en dat daaromtrent een proces-verbaal zal worden opgemaakt; ■ een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 1 juli 2024 met als bijlage een proces-verbaal van bevindingen van de politie omtrent het nog te plannen verdachtenverhoor van de [medeverdachte 1] in Colombia door de Nederlandse politie in het kader van een andere strafzaak. De voorzitter vraagt de raadsvrouw van de [verdachte] of haar verzoek van 30 juni 2024 als een nadere onderbouwing moet worden beschouwd van het op 29 mei 2024 voorwaardelijk gedane verzoek om de [medeverdachte 1] als getuige te horen, in die zin dat de getuige volgens de verdediging wel binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De voorzitter merkt op dat het hof nog op dit voorwaardelijke verzoek dient te beslissen. De raadsvrouw van de [verdachte] deelt mee: U kunt hetgeen ik hier naar voren breng inderdaad beschouwen als een nadere onderbouwing van genoemd voorwaardelijk verzoek. Het hof heeft op 29 mei 2024 heel nadrukkelijk het onderzoek ter terechtzitting nog niet gesloten. Ik kreeg vorige week van de raadsman van de [medeverdachte 1] nieuwe informatie en ik kon daar niet niets mee doen. Gisteren heb ik telefonisch contact gehad met de raadsman van de [medeverdachte 1] naar aanleiding van de reactie van de advocaat-generaal van 1 juli 2024. De raadsman van de [medeverdachte 1] deelde mij mee dat hij een datum moest voorleggen voor de maand augustus dat hij beschikbaar was en dat het verdachtenverhoor van [medeverdachte 1] in Colombia daarna zou gaan plaatsvinden. Het leek heel gemakkelijk te gaan en het lijkt erop alsof het niet ingewikkeld is iets te regelen met de Colombiaanse autoriteiten. De liason officer was ook erg behulpzaam. Bij de raadsheer-commissaris is het rechtshulpverzoek in deze zaak waarschijnlijk anders gegaan dan het rechtshulpverzoek voor het politieverhoor in augustus. Ik merk op dat het hof het logisch vond dat de [medeverdachte 1] als getuige zou worden gehoord, maar dat het tijdsperspectief niet concreet genoeg was. Het is in het belang van deze zaak en in het belang van mijn cliënte dat de [medeverdachte 1] als getuige zal worden gehoord. Ik verzoek u gebruik te maken van de kanalen die openstaan en die gebruikt worden om het politieverhoor in augustus te regelen. Ik verwijt niemand iets, maar het is jammer dat er niet is samengewerkt. Ik heb mijn vragen voor de getuige al ingeleverd bij de raadsheer-commissaris en vanuit de verdediging wordt er alles aan gedaan om mee te werken. De advocaat-generaal deelt gevraagd naar zijn reactie mee: Het verhoor van de [medeverdachte 1] dat mogelijk in augustus in Colombia zal gaan plaatsvinden betreft een verdachtenverhoor in een ander strafrechtelijk onderzoek. Het gaat hierbij niet om een videoverhoor. Dit verdachtenverhoor vindt plaats in het kader van rechtshulpverkeer tussen Nederland en Colombia. Het is logisch dat dit verdachtenverhoor er tussendoor is gefietst. Ik hoef hier niet van op de hoogte te zijn. In onze zaak ging het rechtshulpverzoek via de raadsheer-commissaris. Een getuigenverhoor is anders dan een verdachtenverhoor. Ik heb een proces-verbaal laten opstellen na overleg met de Officier van Justitie in de andere zaak, waarin staat vermeld wat er in die zaak is gebeurd. Ik kan niet voorspellen binnen welke termijn een getuigenverhoor via de raadsheer-commissaris zou kunnen gaan plaatsvinden. Ik zie niet in waarom het hof op basis van deze nieuwe ontwikkelingen op de eerdere beslissing dat de [medeverdachte 1] niet binnen een redelijke termijn gehoord kan worden, zou moeten terugkomen. Er is niets veranderd. De belangenafweging die het hof eerder gemaakt heeft is ook niet veranderd. Soms kunnen dingen snel geregeld worden, maar er kunnen geen garanties worden gegeven. Er zijn dingen gebeurd, maar niet in deze zaak. Aan de raadsvrouw van de [verdachte] wordt het recht gelaten om namens haar cliënte het laatst te spreken. Zij deelt in dat verband mee: Mijn cliënte hecht er belang aan dat haar zuster gehoord kan worden als getuige, zeker gelet op de ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in hoger beroep. Zij wil graag dat het onderzoek zo compleet mogelijk is.” 3.6 De door de raadsvrouw van de verdachte op 29 mei 2024 overgelegde pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in: “ F. Uitdrukkelijk voorwaardelijke verzoeken. Althans meent de verdediging, dat indien u cliënte niet vrijspreekt, dat u alsnog: […] - Alsnog [medeverdachte 1] te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding ” 3.7 Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in: “De verdediging heeft, voor zover het hof [verdachte] niet vrijspreekt, ook het volgende verzoek gedaan: ‘7. Alsnog [medeverdachte 1] te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding’. Het hof heeft ter terechtzitting van 3 mei 2019 beslist dat de getuige [medeverdachte 1] diende te worden gehoord in de zaak van [verdachte] en bepaald dat dat verhoor ter terechtzitting zal plaatsvinden. Voorafgaand aan de zitting van 4 april 2024 is gebleken dat de getuige [medeverdachte 1] is aangehouden in Colombia. Ter terechtzitting van het hof van 4 april 2024 is [medeverdachte 1] niet als getuige verschenen en is de situatie met betrekking tot de mogelijkheid om de getuige te horen besproken. Nadat de advocaat-generaal had medegedeeld dat het mogelijk zou kunnen zijn om de getuige binnen een paar weken middels een videoverbinding te horen, heeft het hof de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van [medeverdachte 1] met het verzoek om – met het oog op de geplande inhoudelijke behandeling – uiterlijk 17 mei 2024 het hof te berichten over de stand van zaken. Ter terechtzitting van het hof van 21 mei 2024 heeft het hof, gelet op het beschikbaar gekomen proces verbaal van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024, geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de getuige [medeverdachte 1] binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord en dat de raadsheer-commissaris niet langer gevolg hoefde te geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek. Het hof beschouwt deze beslissing als hier herhaald en ingelast en verwijst naar de motivering van die beslissing in het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 mei 2024.
Volledig
Op zondag 30 juni 2024 heeft de verdediging een mail aan het hof gezonden met de informatie dat [medeverdachte 1] in Colombia in haar eigen in Nederland lopende nieuwe strafprocedure is gehoord door de Nederlandse politie per video en dat “kennelijk (..) een videoverhoor en in dat kader verzonden verzoek vanuit Nederland met voortvarendheid (is) gerealiseerd, namelijk op 25 juni 2024”. Uit een proces-verbaal van 1 juli 2024 blijkt dat in het kader van onderzoek 26Nimes een rechtshulpverzoek is gericht aan Colombia, dat het politieverhoor van [medeverdachte 1] omvatte. In verband hiermee bevond de Nederlandse politie zich op 25 juni 2024 in [plaats] , Colombia. Het verhoor zou worden uitgevoerd door de autoriteiten van Colombia. Voorafgaand aan het verhoor verklaarde [verdachte] , samengevat, dat zij graag wilde worden gehoord in de hoop dat zij snel kon worden uitgeleverd aan Nederland. Echter kort hierop verklaarde zij, samengevat en bij monde van haar raadsman, dat het verhoor geen doorgang kon vinden omdat de raadsman niet in persoon aanwezig was in Colombia. Het verhoor heeft niet plaatsgevonden maar zal mogelijk in augustus 2024 plaatsvinden. Ter terechtzitting van het hof van 2 juli 2024 is door de verdediging naar voren gebracht dat het gelet op de thans beschikbaar gekomen informatie wel mogelijk blijkt dat op korte termijn een verhoor van de getuige [medeverdachte 1] kan worden gerealiseerd. Het hof overweegt dat het verhoor waarop de raadsvrouw doelt een politieverhoor in de eigen (nieuwe) strafzaak van [medeverdachte 1] betreft, dat in het kader van een rechtshulpverzoek van Nederland aan Colombia uitgevoerd zou worden door de Colombiaanse autoriteiten . Dat dit verhoor op 25 juni 2024 had kunnen plaatsvinden, ware het niet dat [medeverdachte 1] niet gehoord wilde worden omdat haar raadsman niet fysiek aanwezig was, en nu mogelijk in augustus 2024 zal plaatsvinden, doet niet af aan de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris. Het hof overweegt voorts dat het hier een getuige betreft wiens verhoor het hof ruim vijf jaar heeft bevolen en dat het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen en het moment van een toekomstig verhoor nog steeds speculatief is. Het hof betrekt verder bij zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de termijn dat de nadere – en niet geheel juist gebleken – informatie per mail van 30 juni 2024 bij het hof is ingebracht en dat de nadere onderbouwing door de verdediging van het voorwaardelijke verzoek ter terechtzitting van 2 juli 2024, anderhalf uur voordat de zaak samen met de zaken van de medeverdachten voor uitspraak stond gepland, is gegeven. Toewijzing van het verzoek zou ertoe leiden dat de uitspraak van [verdachte] zou moeten worden uitgesteld en er een nieuwe zittingscombinatie haar zaak opnieuw zou moeten behandelen, terwijl de procedure in hoger beroep thans al ruim zesenenhalf jaar duurt. Het hof is, gelet op de inhoud van voornoemd proces-verbaal van de raadsheer-commissaris in combinatie met de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing van het hof van 21 mei 2024 en met de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, nog steeds van oordeel dat de getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het voorwaardelijke verzoek om [medeverdachte 1] te horen wordt afgewezen. f. Eerlijk proces De rechter beoordeelt ambtshalve of het proces als geheel eerlijk is verlopen en dient te responderen op een verweer ter zake. Het hof ziet aanleiding om in het kader van deze beoordeling overwegingen te wijden aan de omstandigheid dat de getuige [medeverdachte 1] niet in hoger beroep is gehoord, hoewel een dergelijk verweer in verband met deze omstandigheid niet is gevoerd. Feitelijke gang van zaken De getuige [medeverdachte 1] is op 29 april 2015 in de zaak van [verdachte] bij de rechter- commissaris gehoord. Mr. [betrokkene 3] was daar bij aanwezig. De getuige heeft toen de aan haar gestelde vragen beantwoord. Het hof heeft ter terechtzitting van 3 mei 2019 ambtshalve beslist dat deze getuige, die in de zaken van medeverdachten was verzocht en werd toegewezen, ook in de zaak van [verdachte] zou worden gehoord. Ter terechtzitting van het hof van 20 september 2022 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het verstrekken van een aantal stukken terzake van de [getuige] toegewezen. Ter terechtzitting van het hof van 4 april 2024 is de situatie met betrekking tot de mogelijkheid om de getuige [medeverdachte 1] te horen besproken. Door de verdediging is toen met betrekking tot de reden om deze getuige te willen horen het volgende naar voren gebracht: Ik heb niet verzocht om deze getuige, maar ook in mijn zaak is het verzoek deze getuige te horen toegewezen. Ik sluit mij aan bij de al eerder naar voren gebrachte argumenten ( hof: zijnde: De raadsvrouw van [medeverdachte 1] heeft net aangegeven dat haar cliënte een verklaring gaat afleggen. In eerste aanleg heeft zij dit ook gedaan. Er mag niet vooruit worden gelopen op de inhoud van de verklaring van een getuige en er kan niet nu al worden gezegd dat haar verhoor zinloos is.) Wij kunnen niet vooruitlopen op hoe het zal gaan. Als deze getuige bijvoorbeeld gaat verklaren over pinggesprekken die mijn cliënte in een negatief daglicht stellen dan wil ik daar vragen over stellen. Het heeft mijn voorkeur deze getuige in persoon te horen. Ter terechtzitting van het hof van 21 mei 2024 is door de verdediging het volgende naar voren gebracht: Ik verzoek het hof de zaak van mijn cliënt aan te houden, zodat de [medeverdachte 1] als getuige kan worden gehoord. De verdediging heeft aan de raadsheer-commissaris al een lijst met vragen aangeleverd voor de [medeverdachte 1] . Deze vragen zien met name op het bevragen van de getuige over de verklaring van de [getuige] . Als de [medeverdachte 1] als getuige wordt gehoord in hoger beroep kan zij een totaal nieuw licht werpen op de rol van mijn cliënt. De getuige is bereid te gaan verklaren en zij kan in ontlastende zin voor mijn cliënt verklaren. Overwegingen van het hof Het hof overweegt dat de verdediging [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris heeft kunnen ondervragen. In hoger beroep heeft de verdediging – in eerste instantie – niet zelf verzocht om deze getuige. Vastgesteld kan worden dat de getuige niet in hoger beroep is gehoord en [verdachte] dus niet in een negatief daglicht heeft gesteld. De verdediging heeft voorts kenbaar gemaakt dat zij de getuige met name wilde bevragen over de – na de behandeling in eerste aanleg beschikbaar gekomen – verklaring van [getuige] . In dit verband acht het hof van belang dat de verdediging de [getuige] zelf bij de raadsheer-commissaris heeft kunnen bevragen op 6 september 2023, dat deze antwoord heeft gegeven op de hem gestelde vragen alsmede dat aan de verdediging de door haar verzochte stukken terzake van deze getuige zijn verstrekt. Het hof stelt verder vast dat de bewezenverklaring, naast op de verklaringen van [getuige] – die de verdediging dus heeft kunnen ondervragen – steunt op vele andere onderzoeksbevindingen, zoals die hiervoor zijn uiteengezet. Het hof bezigt geen door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen voor het bewijs. Tegen deze achtergrond leiden de beslissing van het hof van 21 mei 2024 en de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om [medeverdachte 1] te horen niet tot een situatie waarin niet langer sprake is geweest van een eerlijk proces.” 3.8 Art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, luidt: “De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat: a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.” 3.9 Voor de beoordeling van het middel is van belang dat in HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466, NJ 2022/156 is overwogen dat bij toepassing van art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv de vraag voorop staat of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen.
Volledig
Op zondag 30 juni 2024 heeft de verdediging een mail aan het hof gezonden met de informatie dat [medeverdachte 1] in Colombia in haar eigen in Nederland lopende nieuwe strafprocedure is gehoord door de Nederlandse politie per video en dat “kennelijk (..) een videoverhoor en in dat kader verzonden verzoek vanuit Nederland met voortvarendheid (is) gerealiseerd, namelijk op 25 juni 2024”. Uit een proces-verbaal van 1 juli 2024 blijkt dat in het kader van onderzoek 26Nimes een rechtshulpverzoek is gericht aan Colombia, dat het politieverhoor van [medeverdachte 1] omvatte. In verband hiermee bevond de Nederlandse politie zich op 25 juni 2024 in [plaats] , Colombia. Het verhoor zou worden uitgevoerd door de autoriteiten van Colombia. Voorafgaand aan het verhoor verklaarde [verdachte] , samengevat, dat zij graag wilde worden gehoord in de hoop dat zij snel kon worden uitgeleverd aan Nederland. Echter kort hierop verklaarde zij, samengevat en bij monde van haar raadsman, dat het verhoor geen doorgang kon vinden omdat de raadsman niet in persoon aanwezig was in Colombia. Het verhoor heeft niet plaatsgevonden maar zal mogelijk in augustus 2024 plaatsvinden. Ter terechtzitting van het hof van 2 juli 2024 is door de verdediging naar voren gebracht dat het gelet op de thans beschikbaar gekomen informatie wel mogelijk blijkt dat op korte termijn een verhoor van de getuige [medeverdachte 1] kan worden gerealiseerd. Het hof overweegt dat het verhoor waarop de raadsvrouw doelt een politieverhoor in de eigen (nieuwe) strafzaak van [medeverdachte 1] betreft, dat in het kader van een rechtshulpverzoek van Nederland aan Colombia uitgevoerd zou worden door de Colombiaanse autoriteiten . Dat dit verhoor op 25 juni 2024 had kunnen plaatsvinden, ware het niet dat [medeverdachte 1] niet gehoord wilde worden omdat haar raadsman niet fysiek aanwezig was, en nu mogelijk in augustus 2024 zal plaatsvinden, doet niet af aan de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris. Het hof overweegt voorts dat het hier een getuige betreft wiens verhoor het hof ruim vijf jaar heeft bevolen en dat het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen en het moment van een toekomstig verhoor nog steeds speculatief is. Het hof betrekt verder bij zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de termijn dat de nadere – en niet geheel juist gebleken – informatie per mail van 30 juni 2024 bij het hof is ingebracht en dat de nadere onderbouwing door de verdediging van het voorwaardelijke verzoek ter terechtzitting van 2 juli 2024, anderhalf uur voordat de zaak samen met de zaken van de medeverdachten voor uitspraak stond gepland, is gegeven. Toewijzing van het verzoek zou ertoe leiden dat de uitspraak van [verdachte] zou moeten worden uitgesteld en er een nieuwe zittingscombinatie haar zaak opnieuw zou moeten behandelen, terwijl de procedure in hoger beroep thans al ruim zesenenhalf jaar duurt. Het hof is, gelet op de inhoud van voornoemd proces-verbaal van de raadsheer-commissaris in combinatie met de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing van het hof van 21 mei 2024 en met de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, nog steeds van oordeel dat de getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het voorwaardelijke verzoek om [medeverdachte 1] te horen wordt afgewezen. f. Eerlijk proces De rechter beoordeelt ambtshalve of het proces als geheel eerlijk is verlopen en dient te responderen op een verweer ter zake. Het hof ziet aanleiding om in het kader van deze beoordeling overwegingen te wijden aan de omstandigheid dat de getuige [medeverdachte 1] niet in hoger beroep is gehoord, hoewel een dergelijk verweer in verband met deze omstandigheid niet is gevoerd. Feitelijke gang van zaken De getuige [medeverdachte 1] is op 29 april 2015 in de zaak van [verdachte] bij de rechter- commissaris gehoord. Mr. [betrokkene 3] was daar bij aanwezig. De getuige heeft toen de aan haar gestelde vragen beantwoord. Het hof heeft ter terechtzitting van 3 mei 2019 ambtshalve beslist dat deze getuige, die in de zaken van medeverdachten was verzocht en werd toegewezen, ook in de zaak van [verdachte] zou worden gehoord. Ter terechtzitting van het hof van 20 september 2022 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het verstrekken van een aantal stukken terzake van de [getuige] toegewezen. Ter terechtzitting van het hof van 4 april 2024 is de situatie met betrekking tot de mogelijkheid om de getuige [medeverdachte 1] te horen besproken. Door de verdediging is toen met betrekking tot de reden om deze getuige te willen horen het volgende naar voren gebracht: Ik heb niet verzocht om deze getuige, maar ook in mijn zaak is het verzoek deze getuige te horen toegewezen. Ik sluit mij aan bij de al eerder naar voren gebrachte argumenten ( hof: zijnde: De raadsvrouw van [medeverdachte 1] heeft net aangegeven dat haar cliënte een verklaring gaat afleggen. In eerste aanleg heeft zij dit ook gedaan. Er mag niet vooruit worden gelopen op de inhoud van de verklaring van een getuige en er kan niet nu al worden gezegd dat haar verhoor zinloos is.) Wij kunnen niet vooruitlopen op hoe het zal gaan. Als deze getuige bijvoorbeeld gaat verklaren over pinggesprekken die mijn cliënte in een negatief daglicht stellen dan wil ik daar vragen over stellen. Het heeft mijn voorkeur deze getuige in persoon te horen. Ter terechtzitting van het hof van 21 mei 2024 is door de verdediging het volgende naar voren gebracht: Ik verzoek het hof de zaak van mijn cliënt aan te houden, zodat de [medeverdachte 1] als getuige kan worden gehoord. De verdediging heeft aan de raadsheer-commissaris al een lijst met vragen aangeleverd voor de [medeverdachte 1] . Deze vragen zien met name op het bevragen van de getuige over de verklaring van de [getuige] . Als de [medeverdachte 1] als getuige wordt gehoord in hoger beroep kan zij een totaal nieuw licht werpen op de rol van mijn cliënt. De getuige is bereid te gaan verklaren en zij kan in ontlastende zin voor mijn cliënt verklaren. Overwegingen van het hof Het hof overweegt dat de verdediging [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris heeft kunnen ondervragen. In hoger beroep heeft de verdediging – in eerste instantie – niet zelf verzocht om deze getuige. Vastgesteld kan worden dat de getuige niet in hoger beroep is gehoord en [verdachte] dus niet in een negatief daglicht heeft gesteld. De verdediging heeft voorts kenbaar gemaakt dat zij de getuige met name wilde bevragen over de – na de behandeling in eerste aanleg beschikbaar gekomen – verklaring van [getuige] . In dit verband acht het hof van belang dat de verdediging de [getuige] zelf bij de raadsheer-commissaris heeft kunnen bevragen op 6 september 2023, dat deze antwoord heeft gegeven op de hem gestelde vragen alsmede dat aan de verdediging de door haar verzochte stukken terzake van deze getuige zijn verstrekt. Het hof stelt verder vast dat de bewezenverklaring, naast op de verklaringen van [getuige] – die de verdediging dus heeft kunnen ondervragen – steunt op vele andere onderzoeksbevindingen, zoals die hiervoor zijn uiteengezet. Het hof bezigt geen door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen voor het bewijs. Tegen deze achtergrond leiden de beslissing van het hof van 21 mei 2024 en de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om [medeverdachte 1] te horen niet tot een situatie waarin niet langer sprake is geweest van een eerlijk proces.” 3.8 Art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, luidt: “De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat: a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.” 3.9 Voor de beoordeling van het middel is van belang dat in HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466, NJ 2022/156 is overwogen dat bij toepassing van art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv de vraag voorop staat of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen.
Volledig
De Hoge Raad overwoog voorts: “2.4.4 Toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Deze rechtspraak houdt, voor zover hier van belang, het navolgende in. 2.4.5 Waar het gaat om zogenoemde ‘prosecution witnesses’ houdt de rechtspraak van het EHRM in, kort gezegd, dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat elk (herhaald) verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Er kan een ‘good reason for the witness’s non-attendance’ bestaan. Zo’n goede reden kan zijn gelegen in ‘the witness’s absence owing to unreachability’. Het bestaan van deze laatstgenoemde reden is niet afhankelijk van het belang van de verklaring, maar wordt bepaald door — kort gezegd — de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Het EHRM heeft hierover het volgende overwogen in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10): "120. In cases concerning a witness’s absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness’s attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/05, § 78, 10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Poland, no. 14932/09, §§ 65 and 66, 4 June 2013). The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which require the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lučić v. Croatia, no. 5699/11, § 79, 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness’s absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lučić, cited above, § 79). 121. It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Prăjină v. Romania, no. 5592/05, § 47, 7 January 2014; and Lučić, cited above, § 79) and must, as a rule, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, cited above, § 83; Fąfrowicz, cited above, § 56; Lučić, cited above, § 80; and Nikolitsas, cited above, § 35). 2.4.6 Als de rechter een door een getuige al afgelegde belastende verklaring voor het bewijs wil gebruiken, terwijl de verdediging ondanks het nodige initiatief niet het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, moet de rechter nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Van belang hierbij zijn, naast (i) het bestaan van een goede reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragings-gelegenheid. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2.) 2.4.7 Waar het gaat om zogenoemde “defence witnesses” moet, als een toereikend gemotiveerd verzoek wordt gedaan om een getuige te horen, de relevantie van een verklaring van die getuige worden betrokken bij de beslissing of de getuige wordt gehoord. Dat staat er echter niet aan in de weg dat, als erop zichzelf toereikende gronden zijn om de getuige te horen, het oproepen van de getuige toch achterwege blijft vanwege “the witness’s unreachability”. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat daarbij andere maatstaven zouden gelden dan onder 2.4.5 zijn geciteerd. Wel zal de rechter in dat geval moeten beoordelen of, gegeven het ontbreken van de mogelijkheid om die getuige te (doen) ondervragen, de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (zie onder meer EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 42-43 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931).” 3.10 In de zaak die in cassatie voorlag in HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466, NJ 2022/156 ging het om getuigen in Zuid-Afrika en de Verenigde Arabische Emiraten. De Hoge Raad oordeelde in zijn tussenarrest dat de afwijzende beslissingen niet onbegrijpelijk waren. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat de getuigen zich in voornoemde landen bevonden, dat rechtshulpverzoeken aan de autoriteiten van die landen er niet toe hadden geleid dat de getuigen door de raadsheer-commissaris in het bijzijn van de verdediging konden worden gehoord, terwijl de verdediging geen informatie had verschaft en ook anderszins geen informatie naar voren was gekomen waaruit zou kunnen blijken dat een nieuw rechtshulpverzoek ertoe zou leiden dat de betreffende getuigen binnen afzienbare tijd wel zouden kunnen worden gehoord, en dat sinds het hof de getuigenverzoeken had toegewezen een aanzienlijke tijd was verstreken. 3.11 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof aan zijn oordeel dat het onaannemelijk is dat de toegewezen getuige binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord in de kern ten grondslag heeft gelegd dat het volgens de op 16 mei 2024 gegeven informatie van de raadsheer-commissaris aannemelijk is dat er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord. Volgens de stellers van het middel is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk, omdat de betreffende getuige traceerbaar is en gedetineerd is en uit hetgeen door de advocaat-generaal en de verdediging is aangevoerd volgt dat de getuige kennelijk door de Nederlandse politie in een andere (“er tussen door gefietste”) strafzaak reeds op 25 juni 2024 zou worden gehoord, hetgeen wegens het niet kunnen bijwonen van het verhoor door de advocaat is uitgesteld tot augustus 2024. De omstandigheid dat het verhoor zou plaatsvinden in een ander kader doet daar volgens de stellers van het middel niet aan af, omdat ook voor een dergelijk verhoor een rechtshulpverzoek nodig is. Een en ander zou temeer klemmen nu de advocaat-generaal ook heeft aangevoerd dat diens ervaring is dat binnen enkele weken een verhoor kon worden geregeld met de Colombiaanse autoriteiten. Het bestreden arrest zou om deze redenen niet in stand kunnen blijven.
Volledig
De Hoge Raad overwoog voorts: “2.4.4 Toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Deze rechtspraak houdt, voor zover hier van belang, het navolgende in. 2.4.5 Waar het gaat om zogenoemde ‘prosecution witnesses’ houdt de rechtspraak van het EHRM in, kort gezegd, dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat elk (herhaald) verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Er kan een ‘good reason for the witness’s non-attendance’ bestaan. Zo’n goede reden kan zijn gelegen in ‘the witness’s absence owing to unreachability’. Het bestaan van deze laatstgenoemde reden is niet afhankelijk van het belang van de verklaring, maar wordt bepaald door — kort gezegd — de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Het EHRM heeft hierover het volgende overwogen in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10): "120. In cases concerning a witness’s absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness’s attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/05, § 78, 10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Poland, no. 14932/09, §§ 65 and 66, 4 June 2013). The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which require the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lučić v. Croatia, no. 5699/11, § 79, 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness’s absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lučić, cited above, § 79). 121. It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Prăjină v. Romania, no. 5592/05, § 47, 7 January 2014; and Lučić, cited above, § 79) and must, as a rule, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, cited above, § 83; Fąfrowicz, cited above, § 56; Lučić, cited above, § 80; and Nikolitsas, cited above, § 35). 2.4.6 Als de rechter een door een getuige al afgelegde belastende verklaring voor het bewijs wil gebruiken, terwijl de verdediging ondanks het nodige initiatief niet het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, moet de rechter nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Van belang hierbij zijn, naast (i) het bestaan van een goede reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragings-gelegenheid. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2.) 2.4.7 Waar het gaat om zogenoemde “defence witnesses” moet, als een toereikend gemotiveerd verzoek wordt gedaan om een getuige te horen, de relevantie van een verklaring van die getuige worden betrokken bij de beslissing of de getuige wordt gehoord. Dat staat er echter niet aan in de weg dat, als erop zichzelf toereikende gronden zijn om de getuige te horen, het oproepen van de getuige toch achterwege blijft vanwege “the witness’s unreachability”. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat daarbij andere maatstaven zouden gelden dan onder 2.4.5 zijn geciteerd. Wel zal de rechter in dat geval moeten beoordelen of, gegeven het ontbreken van de mogelijkheid om die getuige te (doen) ondervragen, de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (zie onder meer EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 42-43 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931).” 3.10 In de zaak die in cassatie voorlag in HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466, NJ 2022/156 ging het om getuigen in Zuid-Afrika en de Verenigde Arabische Emiraten. De Hoge Raad oordeelde in zijn tussenarrest dat de afwijzende beslissingen niet onbegrijpelijk waren. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat de getuigen zich in voornoemde landen bevonden, dat rechtshulpverzoeken aan de autoriteiten van die landen er niet toe hadden geleid dat de getuigen door de raadsheer-commissaris in het bijzijn van de verdediging konden worden gehoord, terwijl de verdediging geen informatie had verschaft en ook anderszins geen informatie naar voren was gekomen waaruit zou kunnen blijken dat een nieuw rechtshulpverzoek ertoe zou leiden dat de betreffende getuigen binnen afzienbare tijd wel zouden kunnen worden gehoord, en dat sinds het hof de getuigenverzoeken had toegewezen een aanzienlijke tijd was verstreken. 3.11 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof aan zijn oordeel dat het onaannemelijk is dat de toegewezen getuige binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord in de kern ten grondslag heeft gelegd dat het volgens de op 16 mei 2024 gegeven informatie van de raadsheer-commissaris aannemelijk is dat er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord. Volgens de stellers van het middel is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk, omdat de betreffende getuige traceerbaar is en gedetineerd is en uit hetgeen door de advocaat-generaal en de verdediging is aangevoerd volgt dat de getuige kennelijk door de Nederlandse politie in een andere (“er tussen door gefietste”) strafzaak reeds op 25 juni 2024 zou worden gehoord, hetgeen wegens het niet kunnen bijwonen van het verhoor door de advocaat is uitgesteld tot augustus 2024. De omstandigheid dat het verhoor zou plaatsvinden in een ander kader doet daar volgens de stellers van het middel niet aan af, omdat ook voor een dergelijk verhoor een rechtshulpverzoek nodig is. Een en ander zou temeer klemmen nu de advocaat-generaal ook heeft aangevoerd dat diens ervaring is dat binnen enkele weken een verhoor kon worden geregeld met de Colombiaanse autoriteiten. Het bestreden arrest zou om deze redenen niet in stand kunnen blijven.
Volledig
3.12 Het middel gaat ervan uit dat aan het bestreden oordeel dat de getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord “in de kern” het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024 ten grondslag ligt. Voornoemd proces-verbaal houdt volgens de stellers van het middel in dat “er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord”. Opmerking verdient dat uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris niet alleen deze bevinding voortvloeit, maar dat daartoe door de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk op feiten en omstandigheden is gewezen die objectief aannemelijk maken dat het verstrijken van nog een aanzienlijke tijd onvermijdelijk is. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat een dias-nummer moet worden ontvangen, dat vervolgens een Spaanse beëdigde vertaling van het rechtshulpverzoek inclusief de vragenlijsten zal moeten worden aangevraagd, dat die vertaling zal moeten worden gemaakt, dat daarna een apostillestempel bij de rechtbank moet worden aangevraagd, dat vervolgens het rechtshulpverzoek (inclusief de vragenlijsten, Spaanse beëdigde vertaling en apostille) moet worden verzonden naar de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken (verder: AIRS) en dat deze afdeling dat rechtshulpverzoek dan zal moeten doorgeleiden naar Colombia. Hoewel dit niet met zoveel woorden in het proces-verbaal staat, is de implicatie van de conclusie in het proces-verbaal (inhoudende: “Op dit moment kan niet worden aangegeven op welke termijn het rechtshulpverzoek daadwerkelijk ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.”) ook dat het rechtshulpverzoek nog zal moeten worden behandeld en gehonoreerd door Colombia en dat het daadwerkelijk laten plaatsvinden van het horen van de getuige zal moeten worden georganiseerd en gerealiseerd. Door de verwijzing naar het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris heeft het hof al deze omstandigheden mede ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Voorshands merk ik op dat er geen rechtsregel aan in de weg staat om omstandigheden zoals genoemd in en geïmpliceerd door het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris te betrekken in de beoordeling of toepassing kan worden gegeven aan art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv. 3.13 Het hof heeft aan zijn oordeel bovendien niet slechts het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris ten grondslag gelegd, maar ook – zoals blijkt uit het arrest onder het kopje “‘7. Alsnog [medeverdachte 1] te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding” – “feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing van het hof van 21 mei 2024” (zie onder 3.14) en de “hierboven weergegeven feiten en omstandigheden” (zie onder 3.15 t/m 3.19). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Ik licht dit nader toe. 3.14 Op de terechtzitting van 21 mei 2024 verzoekt de raadsvrouw van de verdachte het hof de zaak aan te houden opdat [medeverdachte 1] als getuige kan worden gehoord. Het hof wijst het verzoek tot aanhouding af omdat het hof van oordeel is dat [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Het hof overweegt daartoe dat op het moment dat de zaak werd verwezen naar de raadsheer-commissaris er geen informatie beschikbaar was over de termijn waarbinnen de getuige zou kunnen worden gehoord. Gelet op het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024 is het volgens het hof aannemelijk dat er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord. Het hof betrekt bij zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de termijn voorts de volgende omstandigheden: “dat het gaat om feiten van 10 jaar geleden, dat de zaken al sinds 2017 in hoger beroep lopen, dat het gaat om een zaak met meerdere verdachten, er nu veel dagen staan gepland voor de inhoudelijke behandeling en dat met een aanhouding ten behoeve van het horen van de getuige wederom een aanzienlijk tijdsverloop zal optreden, ook doordat vervolgens weer opnieuw zittingsdagen met meerdere advocaten moeten worden ingepland”. Het hof bepaalt voorts dat de raadsheer-commissaris door deze beslissing geen gevolg meer hoeft te geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek. 3.15 De “hierboven weergegeven feiten en omstandigheden” waar het hof in zijn arrest naar verwijst, betreft de volgende gang van zaken. Op de terechtzitting van 29 mei 2024 voert de raadsvrouw van de verdachte het woord ter verdediging aan de hand van haar pleitnota die ter terechtzitting is overgelegd. Blijkens de overgelegde pleitnota doet de raadsvrouw van de verdachte het voorwaardelijke verzoek [medeverdachte 1] “te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding” indien de verdachte niet wordt vrijgesproken. 3.16 Op de terechtzitting van 2 juli 2024 maakt de voorzitter melding van een drietal ingekomen stukken in de zaak van de verdachte. Het eerste stuk is een e-mailbericht van de raadsvrouw van de verdachte van 30 juni 2024. In dit bericht verzoekt de raadsvrouw wederom [medeverdachte 1] te horen als getuige per videoverbinding “op basis van nieuwe informatie”. Deze nieuwe informatie, zo blijkt uit het bestreden arrest, houdt in “dat [medeverdachte 1] in Colombia in haar eigen in Nederland lopende nieuwe strafprocedure is gehoord door de Nederlandse politie per video en dat ‘kennelijk (..) een videoverhoor en in dat kader verzonden verzoek vanuit Nederland met voortvarendheid (is) gerealiseerd, namelijk op 25 juni 2024’.” Het tweede stuk is een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 1 juli 2024. Dit bericht houdt in dat de advocaat-generaal “contact heeft gehad met de officier van justitie in verband met voornoemd e-mailbericht van de raadsvrouw en dat daaromtrent een proces-verbaal zal worden opgemaakt”. Het derde stuk betreft kort gezegd voornoemd proces-verbaal van bevindingen van de politie omtrent het “nog te plannen verdachtenverhoor van […] [medeverdachte 1] in Colombia door de Nederlandse politie in het kader van een andere strafzaak”. Uit dit proces-verbaal van bevindingen blijkt, zo volgt uit het bestreden arrest, dat in het kader van onderzoek 26Nimes een rechtshulpverzoek is gericht aan Colombia dat het politieverhoor van [medeverdachte 1] omvatte, dat in verband hiermee de Nederlandse politie zich op 25 juni 2024 in [plaats] bevond, dat het verhoor zou worden uitgevoerd door de autoriteiten van Colombia, dat voorafgaand aan het verhoor [medeverdachte 1] verklaarde dat zij graag wilde worden gehoord in de hoop dat zij snel kon worden uitgeleverd aan Nederland, dat zij kort hierop echter verklaarde zij dat het verhoor geen doorgang kon vinden omdat de raadsman niet in persoon aanwezig was in Colombia, dat het verhoor niet heeft plaatsgevonden maar mogelijk in augustus 2024 zal plaatsvinden. 3.17 Op de terechtzitting van 2 juli is door de raadsvrouw van de verdachte naar voren gebracht dat het “gelet op de thans beschikbaar gekomen informatie wel mogelijk blijkt dat op korte termijn een verhoor van getuige [medeverdachte 1] kan worden gerealiseerd”. 3.18 In het bestreden arrest wijst het hof het voorwaardelijk verzoek van verdachtes raadsvrouw om [medeverdachte 1] te horen als getuige in het geval de verdachte niet wordt vrijgesproken af, omdat het hof nog steeds van oordeel is dat niet aannemelijk is dat de getuige [medeverdachte 1] binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.
Volledig
3.12 Het middel gaat ervan uit dat aan het bestreden oordeel dat de getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord “in de kern” het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024 ten grondslag ligt. Voornoemd proces-verbaal houdt volgens de stellers van het middel in dat “er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord”. Opmerking verdient dat uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris niet alleen deze bevinding voortvloeit, maar dat daartoe door de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk op feiten en omstandigheden is gewezen die objectief aannemelijk maken dat het verstrijken van nog een aanzienlijke tijd onvermijdelijk is. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat een dias-nummer moet worden ontvangen, dat vervolgens een Spaanse beëdigde vertaling van het rechtshulpverzoek inclusief de vragenlijsten zal moeten worden aangevraagd, dat die vertaling zal moeten worden gemaakt, dat daarna een apostillestempel bij de rechtbank moet worden aangevraagd, dat vervolgens het rechtshulpverzoek (inclusief de vragenlijsten, Spaanse beëdigde vertaling en apostille) moet worden verzonden naar de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken (verder: AIRS) en dat deze afdeling dat rechtshulpverzoek dan zal moeten doorgeleiden naar Colombia. Hoewel dit niet met zoveel woorden in het proces-verbaal staat, is de implicatie van de conclusie in het proces-verbaal (inhoudende: “Op dit moment kan niet worden aangegeven op welke termijn het rechtshulpverzoek daadwerkelijk ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.”) ook dat het rechtshulpverzoek nog zal moeten worden behandeld en gehonoreerd door Colombia en dat het daadwerkelijk laten plaatsvinden van het horen van de getuige zal moeten worden georganiseerd en gerealiseerd. Door de verwijzing naar het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris heeft het hof al deze omstandigheden mede ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Voorshands merk ik op dat er geen rechtsregel aan in de weg staat om omstandigheden zoals genoemd in en geïmpliceerd door het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris te betrekken in de beoordeling of toepassing kan worden gegeven aan art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv. 3.13 Het hof heeft aan zijn oordeel bovendien niet slechts het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris ten grondslag gelegd, maar ook – zoals blijkt uit het arrest onder het kopje “‘7. Alsnog [medeverdachte 1] te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding” – “feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing van het hof van 21 mei 2024” (zie onder 3.14) en de “hierboven weergegeven feiten en omstandigheden” (zie onder 3.15 t/m 3.19). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Ik licht dit nader toe. 3.14 Op de terechtzitting van 21 mei 2024 verzoekt de raadsvrouw van de verdachte het hof de zaak aan te houden opdat [medeverdachte 1] als getuige kan worden gehoord. Het hof wijst het verzoek tot aanhouding af omdat het hof van oordeel is dat [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Het hof overweegt daartoe dat op het moment dat de zaak werd verwezen naar de raadsheer-commissaris er geen informatie beschikbaar was over de termijn waarbinnen de getuige zou kunnen worden gehoord. Gelet op het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024 is het volgens het hof aannemelijk dat er nog een aanzienlijke tijd overheen zal gaan voordat de getuige zou kunnen worden gehoord. Het hof betrekt bij zijn oordeel over de aanvaardbaarheid van de termijn voorts de volgende omstandigheden: “dat het gaat om feiten van 10 jaar geleden, dat de zaken al sinds 2017 in hoger beroep lopen, dat het gaat om een zaak met meerdere verdachten, er nu veel dagen staan gepland voor de inhoudelijke behandeling en dat met een aanhouding ten behoeve van het horen van de getuige wederom een aanzienlijk tijdsverloop zal optreden, ook doordat vervolgens weer opnieuw zittingsdagen met meerdere advocaten moeten worden ingepland”. Het hof bepaalt voorts dat de raadsheer-commissaris door deze beslissing geen gevolg meer hoeft te geven aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek. 3.15 De “hierboven weergegeven feiten en omstandigheden” waar het hof in zijn arrest naar verwijst, betreft de volgende gang van zaken. Op de terechtzitting van 29 mei 2024 voert de raadsvrouw van de verdachte het woord ter verdediging aan de hand van haar pleitnota die ter terechtzitting is overgelegd. Blijkens de overgelegde pleitnota doet de raadsvrouw van de verdachte het voorwaardelijke verzoek [medeverdachte 1] “te horen als getuige in het kader van de waarheidsvinding” indien de verdachte niet wordt vrijgesproken. 3.16 Op de terechtzitting van 2 juli 2024 maakt de voorzitter melding van een drietal ingekomen stukken in de zaak van de verdachte. Het eerste stuk is een e-mailbericht van de raadsvrouw van de verdachte van 30 juni 2024. In dit bericht verzoekt de raadsvrouw wederom [medeverdachte 1] te horen als getuige per videoverbinding “op basis van nieuwe informatie”. Deze nieuwe informatie, zo blijkt uit het bestreden arrest, houdt in “dat [medeverdachte 1] in Colombia in haar eigen in Nederland lopende nieuwe strafprocedure is gehoord door de Nederlandse politie per video en dat ‘kennelijk (..) een videoverhoor en in dat kader verzonden verzoek vanuit Nederland met voortvarendheid (is) gerealiseerd, namelijk op 25 juni 2024’.” Het tweede stuk is een e-mailbericht van de advocaat-generaal van 1 juli 2024. Dit bericht houdt in dat de advocaat-generaal “contact heeft gehad met de officier van justitie in verband met voornoemd e-mailbericht van de raadsvrouw en dat daaromtrent een proces-verbaal zal worden opgemaakt”. Het derde stuk betreft kort gezegd voornoemd proces-verbaal van bevindingen van de politie omtrent het “nog te plannen verdachtenverhoor van […] [medeverdachte 1] in Colombia door de Nederlandse politie in het kader van een andere strafzaak”. Uit dit proces-verbaal van bevindingen blijkt, zo volgt uit het bestreden arrest, dat in het kader van onderzoek 26Nimes een rechtshulpverzoek is gericht aan Colombia dat het politieverhoor van [medeverdachte 1] omvatte, dat in verband hiermee de Nederlandse politie zich op 25 juni 2024 in [plaats] bevond, dat het verhoor zou worden uitgevoerd door de autoriteiten van Colombia, dat voorafgaand aan het verhoor [medeverdachte 1] verklaarde dat zij graag wilde worden gehoord in de hoop dat zij snel kon worden uitgeleverd aan Nederland, dat zij kort hierop echter verklaarde zij dat het verhoor geen doorgang kon vinden omdat de raadsman niet in persoon aanwezig was in Colombia, dat het verhoor niet heeft plaatsgevonden maar mogelijk in augustus 2024 zal plaatsvinden. 3.17 Op de terechtzitting van 2 juli is door de raadsvrouw van de verdachte naar voren gebracht dat het “gelet op de thans beschikbaar gekomen informatie wel mogelijk blijkt dat op korte termijn een verhoor van getuige [medeverdachte 1] kan worden gerealiseerd”. 3.18 In het bestreden arrest wijst het hof het voorwaardelijk verzoek van verdachtes raadsvrouw om [medeverdachte 1] te horen als getuige in het geval de verdachte niet wordt vrijgesproken af, omdat het hof nog steeds van oordeel is dat niet aannemelijk is dat de getuige [medeverdachte 1] binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.
Volledig
Het hof overweegt ter onderbouwing van de afwijzing van het verzoek: - ten eerste dat het verhoor waarop de raadsvrouw ter terechtzitting van 2 juli doelde (zie onder 3.17), “een politieverhoor in de eigen (nieuwe) strafzaak van [medeverdachte 1] betreft, dat in het kader van een rechtshulpverzoek van Nederland aan Colombia uitgevoerd zou worden door de Colombiaanse autoriteiten”; - ten tweede dat de omstandigheid dat het verhoor op 25 juni 2024 had kunnen plaatsvinden, ware het niet dat [medeverdachte 1] niet gehoord wilde worden omdat haar raadsman niet fysiek aanwezig was en nu mogelijk in augustus 2024 zal plaatsvinden, niet afdoet aan de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris. Ik begrijp dat het hof doelt op de door de raadsheer-commissaris in zijn proces-verbaal gerelateerde (en verder nog geïmpliceerde) omstandigheden en diens bevinding dat niet kan worden aangegeven op welke termijn het rechtshulpverzoek daadwerkelijk ten uitvoer zou kunnen worden gelegd en, zo is daaruit af te leiden, wanneer [medeverdachte 1] als getuige in de onderhavige strafzaak kan worden gehoord (zie hiervoor onder 3.12); en - ten derde overweegt het hof dat “het hier een getuige betreft wiens verhoor het hof ruim vijf jaar heeft bevolen en dat het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen en het moment van een toekomstig verhoor nog steeds speculatief is”. 3.19 Over de aanvaardbaarheid van de termijn waarbinnen [medeverdachte 1] kan worden gehoord, overweegt het hof: - ten eerste dat de nadere informatie door de raadsvrouw op 30 juni per e-mail is ingebracht en dat is gebleken dat deze nadere informatie niet geheel juist was; - ten tweede dat de nadere onderbouwing van het verzoek door de raadsvrouw is gegeven anderhalf uur voordat de uitspraak stond gepland; en - ten derde dat toewijzing van het verzoek ertoe zou leiden dat de uitspraak in de zaak tegen de verdachte “zou moeten worden uitgesteld en er een nieuwe zittingscombinatie haar zaak opnieuw zou moeten behandelen, terwijl de procedure in hoger beroep thans al ruim zesenenhalf jaar duurt”. 3.20 Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden oordeel dat de getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord niet enkel heeft gestoeld op het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024. Daarnaast heeft het hof in de beoordeling immers ook ontwikkelingen in de zaak van latere datum betrokken, waaronder de omstandigheden dat het verhoor van 25 juni geen doorgang heeft gevonden, dat het moment van een toekomstig verhoor ten tijde van de uitspraak nog “steeds speculatief” was en dat het een getuige betreft wier verhoor het hof “ruim vijf jaar heeft bevolen en dat het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen” (zie onder 3.18). 3.21 In de toelicht op het middel wordt verder aangevoerd – zoals al bleek onder 3.11 – dat het oordeel van het hof dat de getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord onbegrijpelijk is, omdat “de betreffende getuige traceerbaar is en gedetineerd is en omdat uit hetgeen door de advocaat-generaal en de verdediging is aangevoerd volgt dat de getuige kennelijk door de Nederlandse politie in een andere (‘er tussen door gefietste’) strafzaak reeds op 25 juni 2024 zou worden gehoord, hetgeen wegens het niet kunnen bijwonen van het verhoor door de advocaat is uitgesteld tot augustus 2024”. 3.22 Allereerst moet worden opgemerkt dat uit de feiten en omstandigheden onder 3.14t/m 3.18 is af te leiden dat de grond voor toepassing door het hof van art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv niet was dat de getuige [medeverdachte 1] niet traceerbaar zou zijn of dat zij gedetineerd was, maar dat te verwachten viel dat deze getuige pas na verloop van lange tijd zou kunnen worden gehoord. Voor zover de stellers van het middel verder beogen te betogen dat art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv slechts toepasselijk kan zijn wanneer een getuige niet traceerbaar is, berust de klacht op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad kan toepassing van deze bepaling immers “onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord” (zie onder 3.9). Ook in gevallen waarin de getuige wel traceerbaar is kan zich dus de situatie voordoen dat het niet mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. 3.23 Dat de getuige op 25 juni 2024 als verdachte in een eigen strafzaak zou worden gehoord, hetgeen wegens het niet kunnen bijwonen van het verhoor door de advocaat werd uitgesteld tot augustus 2024, doet aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel niet af. Die omstandigheid neemt immers niet de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris weg, zoals het hof ook zelf uitdrukkelijk vaststelt. Evenmin doet dit afbreuk aan de overwegingen van het hof dat het hof het verhoor van [medeverdachte 1] “ruim vijf jaar heeft bevolen”, dat “het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen” en dat het moment van een toekomstig verhoor (in augustus 2024) “nog steeds speculatief is” (zie onder 3.18, derde gedachtestreepje). Daarbij komt dat een rechtshulpverzoek voor het horen van een getuige niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met een rechtshulpverzoek voor een verdachtenverhoor. Ook dat blijkt uit het arrest: dat [medeverdachte 1] niet als getuige maar als verdachte zou worden gehoord acht het hof met reden van belang omdat dit verhoor niet door Nederlandse maar door Colombiaanse autoriteiten zou worden uitgevoerd. De omstandigheid dat het verhoor op 25 juni 2024 en het mogelijke verhoor in augustus 2024 zou plaatsvinden in een ander kader, namelijk een politieverhoor in de eigen (nieuwe) strafzaak tegen [medeverdachte 1] , wordt door het hof dus meegewogen, maar anders dan voor de stellers van het middel is daarbij voor het hof niet de enkele omstandigheid dat voor beide verhoren een rechtshulpverzoek nodig is het springende punt. 3.24 Ten slotte wordt door de stellers van het middel gewag gemaakt van een op de terechtzitting van 4 april 2024 gedane mededeling van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft het volgende medegedeeld: “Ik heb ook wel eens meegemaakt dat binnen enkele weken een verhoor kon worden geregeld met de Colombiaanse autoriteiten”. Ik begrijp het gebruik van de woorden “ook wel eens” zo dat de advocaat-generaal heeft bedoeld dat het regelen van een verhoor met de Colombiaanse autoriteiten in één enkel geval of hooguit in enkele gevallen binnen enige weken kon worden geregeld. De parafrase van het citaat door de stellers van het middel – “de advocaat-generaal […] heeft aangevoerd dat diens ervaring is dat binnen enkele weken een verhoor kon worden geregeld met de Colombiaanse autoriteiten” – lijkt mij dan ook onjuist. Ondertussen is niet onbelangrijk dat de advocaat-generaal deze mededeling heeft gedaan ter terechtzitting van 4 april 2024. Nu op 2 juli 2024, bijna 3 maanden later, de getuige nog steeds niet was gehoord en het moment van een toekomstig verhoor volgens het hof “nog steeds speculatief” was, is duidelijk dat, ondanks dat de advocaat-generaal “ook wel eens” had meegemaakt dat een verhoor binnen een tijdsbestek van enkele weken met de Colombiaanse autoriteiten kon worden geregeld, een dergelijke situatie zich in de onderhavige zaak niet heeft voorgedaan. 3.25 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend met het oog op art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv uiteen heeft gezet op welke gronden moet worden aangenomen dat getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Daarbij komt dat het hof ook heeft toegelicht waarom het niet wenselijk is dat het strafproces nog verder voor een onbepaalde maar in elk geval aanzienlijke tijd zou voortduren. Tot slot merk ik op – hoewel daarover noch in cassatie noch in hoger beroep is geklaagd – dat het hof bovendien nog gemotiveerd heeft beoordeeld waarom dient te worden aangenomen dat de procedure als geheel eerlijk in de zin van art.
Volledig
Het hof overweegt ter onderbouwing van de afwijzing van het verzoek: - ten eerste dat het verhoor waarop de raadsvrouw ter terechtzitting van 2 juli doelde (zie onder 3.17), “een politieverhoor in de eigen (nieuwe) strafzaak van [medeverdachte 1] betreft, dat in het kader van een rechtshulpverzoek van Nederland aan Colombia uitgevoerd zou worden door de Colombiaanse autoriteiten”; - ten tweede dat de omstandigheid dat het verhoor op 25 juni 2024 had kunnen plaatsvinden, ware het niet dat [medeverdachte 1] niet gehoord wilde worden omdat haar raadsman niet fysiek aanwezig was en nu mogelijk in augustus 2024 zal plaatsvinden, niet afdoet aan de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris. Ik begrijp dat het hof doelt op de door de raadsheer-commissaris in zijn proces-verbaal gerelateerde (en verder nog geïmpliceerde) omstandigheden en diens bevinding dat niet kan worden aangegeven op welke termijn het rechtshulpverzoek daadwerkelijk ten uitvoer zou kunnen worden gelegd en, zo is daaruit af te leiden, wanneer [medeverdachte 1] als getuige in de onderhavige strafzaak kan worden gehoord (zie hiervoor onder 3.12); en - ten derde overweegt het hof dat “het hier een getuige betreft wiens verhoor het hof ruim vijf jaar heeft bevolen en dat het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen en het moment van een toekomstig verhoor nog steeds speculatief is”. 3.19 Over de aanvaardbaarheid van de termijn waarbinnen [medeverdachte 1] kan worden gehoord, overweegt het hof: - ten eerste dat de nadere informatie door de raadsvrouw op 30 juni per e-mail is ingebracht en dat is gebleken dat deze nadere informatie niet geheel juist was; - ten tweede dat de nadere onderbouwing van het verzoek door de raadsvrouw is gegeven anderhalf uur voordat de uitspraak stond gepland; en - ten derde dat toewijzing van het verzoek ertoe zou leiden dat de uitspraak in de zaak tegen de verdachte “zou moeten worden uitgesteld en er een nieuwe zittingscombinatie haar zaak opnieuw zou moeten behandelen, terwijl de procedure in hoger beroep thans al ruim zesenenhalf jaar duurt”. 3.20 Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden oordeel dat de getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord niet enkel heeft gestoeld op het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 16 mei 2024. Daarnaast heeft het hof in de beoordeling immers ook ontwikkelingen in de zaak van latere datum betrokken, waaronder de omstandigheden dat het verhoor van 25 juni geen doorgang heeft gevonden, dat het moment van een toekomstig verhoor ten tijde van de uitspraak nog “steeds speculatief” was en dat het een getuige betreft wier verhoor het hof “ruim vijf jaar heeft bevolen en dat het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen” (zie onder 3.18). 3.21 In de toelicht op het middel wordt verder aangevoerd – zoals al bleek onder 3.11 – dat het oordeel van het hof dat de getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord onbegrijpelijk is, omdat “de betreffende getuige traceerbaar is en gedetineerd is en omdat uit hetgeen door de advocaat-generaal en de verdediging is aangevoerd volgt dat de getuige kennelijk door de Nederlandse politie in een andere (‘er tussen door gefietste’) strafzaak reeds op 25 juni 2024 zou worden gehoord, hetgeen wegens het niet kunnen bijwonen van het verhoor door de advocaat is uitgesteld tot augustus 2024”. 3.22 Allereerst moet worden opgemerkt dat uit de feiten en omstandigheden onder 3.14t/m 3.18 is af te leiden dat de grond voor toepassing door het hof van art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv niet was dat de getuige [medeverdachte 1] niet traceerbaar zou zijn of dat zij gedetineerd was, maar dat te verwachten viel dat deze getuige pas na verloop van lange tijd zou kunnen worden gehoord. Voor zover de stellers van het middel verder beogen te betogen dat art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv slechts toepasselijk kan zijn wanneer een getuige niet traceerbaar is, berust de klacht op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad kan toepassing van deze bepaling immers “onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord” (zie onder 3.9). Ook in gevallen waarin de getuige wel traceerbaar is kan zich dus de situatie voordoen dat het niet mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. 3.23 Dat de getuige op 25 juni 2024 als verdachte in een eigen strafzaak zou worden gehoord, hetgeen wegens het niet kunnen bijwonen van het verhoor door de advocaat werd uitgesteld tot augustus 2024, doet aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel niet af. Die omstandigheid neemt immers niet de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris weg, zoals het hof ook zelf uitdrukkelijk vaststelt. Evenmin doet dit afbreuk aan de overwegingen van het hof dat het hof het verhoor van [medeverdachte 1] “ruim vijf jaar heeft bevolen”, dat “het tot op heden niet mogelijk is gebleken haar te horen” en dat het moment van een toekomstig verhoor (in augustus 2024) “nog steeds speculatief is” (zie onder 3.18, derde gedachtestreepje). Daarbij komt dat een rechtshulpverzoek voor het horen van een getuige niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met een rechtshulpverzoek voor een verdachtenverhoor. Ook dat blijkt uit het arrest: dat [medeverdachte 1] niet als getuige maar als verdachte zou worden gehoord acht het hof met reden van belang omdat dit verhoor niet door Nederlandse maar door Colombiaanse autoriteiten zou worden uitgevoerd. De omstandigheid dat het verhoor op 25 juni 2024 en het mogelijke verhoor in augustus 2024 zou plaatsvinden in een ander kader, namelijk een politieverhoor in de eigen (nieuwe) strafzaak tegen [medeverdachte 1] , wordt door het hof dus meegewogen, maar anders dan voor de stellers van het middel is daarbij voor het hof niet de enkele omstandigheid dat voor beide verhoren een rechtshulpverzoek nodig is het springende punt. 3.24 Ten slotte wordt door de stellers van het middel gewag gemaakt van een op de terechtzitting van 4 april 2024 gedane mededeling van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft het volgende medegedeeld: “Ik heb ook wel eens meegemaakt dat binnen enkele weken een verhoor kon worden geregeld met de Colombiaanse autoriteiten”. Ik begrijp het gebruik van de woorden “ook wel eens” zo dat de advocaat-generaal heeft bedoeld dat het regelen van een verhoor met de Colombiaanse autoriteiten in één enkel geval of hooguit in enkele gevallen binnen enige weken kon worden geregeld. De parafrase van het citaat door de stellers van het middel – “de advocaat-generaal […] heeft aangevoerd dat diens ervaring is dat binnen enkele weken een verhoor kon worden geregeld met de Colombiaanse autoriteiten” – lijkt mij dan ook onjuist. Ondertussen is niet onbelangrijk dat de advocaat-generaal deze mededeling heeft gedaan ter terechtzitting van 4 april 2024. Nu op 2 juli 2024, bijna 3 maanden later, de getuige nog steeds niet was gehoord en het moment van een toekomstig verhoor volgens het hof “nog steeds speculatief” was, is duidelijk dat, ondanks dat de advocaat-generaal “ook wel eens” had meegemaakt dat een verhoor binnen een tijdsbestek van enkele weken met de Colombiaanse autoriteiten kon worden geregeld, een dergelijke situatie zich in de onderhavige zaak niet heeft voorgedaan. 3.25 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend met het oog op art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv uiteen heeft gezet op welke gronden moet worden aangenomen dat getuige [medeverdachte 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Daarbij komt dat het hof ook heeft toegelicht waarom het niet wenselijk is dat het strafproces nog verder voor een onbepaalde maar in elk geval aanzienlijke tijd zou voortduren. Tot slot merk ik op – hoewel daarover noch in cassatie noch in hoger beroep is geklaagd – dat het hof bovendien nog gemotiveerd heeft beoordeeld waarom dient te worden aangenomen dat de procedure als geheel eerlijk in de zin van art.
Volledig
6 EVRM is verlopen ondanks dat de getuige [medeverdachte 1] niet in hoger beroep is gehoord. Daarmee is het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof omtrent deze getuige in alle opzichten afdoende gemotiveerd. 3.26 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel richt zich met een vijftal deelklachten tegen het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde. Eerste deelklacht 4.2 De klacht houdt in dat sprake is van grondslagverlating, omdat in de tenlastelegging in zaak A onder 3 tweede cumulatief/alternatief en de interpretatie door het hof van dit onderdeel van de tenlastelegging slechts deelneming aan een criminele organisatie ten laste is gelegd, terwijl bewezen is verklaard dat de verdachte leider van deze organisatie was. 4.3 Aan de verdachte is in zaak A onder 3 ten laste gelegd dat: “3. zij en/of haar medeverdachte(n) in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, hebben deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en)cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen - veelvuldig (onderling en/of met anderen) telefonisch/ping contact(en) gehad en/of onderhouden en/of - een of meerdere geldbedragen (89230 euro en/of 230000 euro) voorhanden heeft/hebben gehad en/of - een of meerdere voertuigen (een (personen)auto (merk Citroen Berlingo, met [kenteken 1] ) en/of een (personen)auto (merk Volkswagen Jetta, met [kenteken 2] ) en/of een auto (merk Mercedes Vito, met [kenteken 3] ) voorhanden heeft/hebben gehad en/of ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of - een of meerdere woningen/panden (de woning(en)/pand(en) gelegen aan de perce(e)l(en) [a-straat 1] te [plaats] en/of [b-straat 1] te [plaats] en/of [c-straat 1] te [plaats] en/of [d-straat 1] te [plaats] en/of [e-straat 1] te [plaats] en/of [f-straat 1] te [plaats] ) ter beschikking heeft/hebben gesteld waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) zulks terwijl zij, verdachte, (een van) de leider(s) van voormelde organisatie was; en/of zij (op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en/of te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededader(s): - [alias medeverdachte 2] en/of - [medeverdachte 3] en/of - [medeverdachte 4] - [medeverdachte 5] en/of - [medeverdachte 6] en/of - [medeverdachte 7] en/of een of meerdere ander perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen danwel het opzettelijk aanwezig hebben van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevatten cocaïne, in elk geval van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 ( artikel 2 Opiumwet) en/of - het (gewoonte)witwassen van een of meerdere geldbedrag(en) uit misdrijf afkomstig (artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht) zulks terwijl zij, verdachte, (een van) de leider(s) van voormelde organisatie was.” 4.4 Het hof besteedt specifiek aandacht aan de interpretatie van de tenlastelegging. Het arrest houdt daarover het volgende in: “ 5. Interpretatie van de tenlastelegging Het hof acht het aangewezen om, alvorens verder op de zaak in te gaan, zijn interpretatie van de tenlastelegging in zaak A onder 3 te expliciteren, aangezien de tenlastelegging op dit punt op meerdere manieren kan worden gelezen. Gelet op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief (deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr met als oogmerk – kort gezegd – de invoer en verkoop van cocaïne), begrijpt het hof dat de bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest om onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief de verdachte de deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet te verwijten. Met herstel van kennelijke misslagen en wegstreping van overbodige gedeelten, leest het hof de tenlastelegging onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief daarom aldus dat aan de verdachte wordt verweten dat: zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en)cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; Voor wat betreft het tenlastegelegde in zaak A onder 3, tweede cumulatief/alternatief, leest het hof de naam ‘ [alias medeverdachte 2] ’ als ‘ [medeverdachte 2] ’, nu [alias medeverdachte 2] de valse naam is van [medeverdachte 2] .” 4.5 Ten laste van de verdachte is in zaak A onder 3 bewezenverklaard dat: “3. zij in de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en zij in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededaders: - [medeverdachte 2] en - [medeverdachte 3] en - [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 5] en - [medeverdachte 6] en - [medeverdachte 7] en en een of meer ander(e) persoon(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen danwel het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en - het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig zulks terwijl zij, verdachte, een van de leiders van voormelde organisatie was.” 4.6 De tenlastelegging in zaak A onder 3 is cumulatief/alternatief van aard. Uit de toelichting die het hof omtrent de interpretatie van de tenlastelegging geeft, valt op te maken dat het hof alleen tot een aangepaste formulering is gekomen van “feit 3, eerste cumulatief/alternatief” (de deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet). Dit volgt reeds daaruit dat het hof uitdrukkelijk duidelijk maakt dat de aanpassing van de formulering van de tenlastelegging alleen betrekking heeft op dit feit (“leest het hof de tenlastelegging onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief daarom aldus dat aan de verdachte wordt verweten dat: […]”) (onderstreping PHvK ).
Volledig
6 EVRM is verlopen ondanks dat de getuige [medeverdachte 1] niet in hoger beroep is gehoord. Daarmee is het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof omtrent deze getuige in alle opzichten afdoende gemotiveerd. 3.26 Het middel faalt. 4 Het tweede middel 4.1 Het middel richt zich met een vijftal deelklachten tegen het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde. Eerste deelklacht 4.2 De klacht houdt in dat sprake is van grondslagverlating, omdat in de tenlastelegging in zaak A onder 3 tweede cumulatief/alternatief en de interpretatie door het hof van dit onderdeel van de tenlastelegging slechts deelneming aan een criminele organisatie ten laste is gelegd, terwijl bewezen is verklaard dat de verdachte leider van deze organisatie was. 4.3 Aan de verdachte is in zaak A onder 3 ten laste gelegd dat: “3. zij en/of haar medeverdachte(n) in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, hebben deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en)cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen - veelvuldig (onderling en/of met anderen) telefonisch/ping contact(en) gehad en/of onderhouden en/of - een of meerdere geldbedragen (89230 euro en/of 230000 euro) voorhanden heeft/hebben gehad en/of - een of meerdere voertuigen (een (personen)auto (merk Citroen Berlingo, met [kenteken 1] ) en/of een (personen)auto (merk Volkswagen Jetta, met [kenteken 2] ) en/of een auto (merk Mercedes Vito, met [kenteken 3] ) voorhanden heeft/hebben gehad en/of ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of - een of meerdere woningen/panden (de woning(en)/pand(en) gelegen aan de perce(e)l(en) [a-straat 1] te [plaats] en/of [b-straat 1] te [plaats] en/of [c-straat 1] te [plaats] en/of [d-straat 1] te [plaats] en/of [e-straat 1] te [plaats] en/of [f-straat 1] te [plaats] ) ter beschikking heeft/hebben gesteld waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) zulks terwijl zij, verdachte, (een van) de leider(s) van voormelde organisatie was; en/of zij (op een of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 te [plaats] en/of te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededader(s): - [alias medeverdachte 2] en/of - [medeverdachte 3] en/of - [medeverdachte 4] - [medeverdachte 5] en/of - [medeverdachte 6] en/of - [medeverdachte 7] en/of een of meerdere ander perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen danwel het opzettelijk aanwezig hebben van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevatten cocaïne, in elk geval van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 ( artikel 2 Opiumwet) en/of - het (gewoonte)witwassen van een of meerdere geldbedrag(en) uit misdrijf afkomstig (artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht) zulks terwijl zij, verdachte, (een van) de leider(s) van voormelde organisatie was.” 4.4 Het hof besteedt specifiek aandacht aan de interpretatie van de tenlastelegging. Het arrest houdt daarover het volgende in: “ 5. Interpretatie van de tenlastelegging Het hof acht het aangewezen om, alvorens verder op de zaak in te gaan, zijn interpretatie van de tenlastelegging in zaak A onder 3 te expliciteren, aangezien de tenlastelegging op dit punt op meerdere manieren kan worden gelezen. Gelet op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief (deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr met als oogmerk – kort gezegd – de invoer en verkoop van cocaïne), begrijpt het hof dat de bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest om onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief de verdachte de deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet te verwijten. Met herstel van kennelijke misslagen en wegstreping van overbodige gedeelten, leest het hof de tenlastelegging onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief daarom aldus dat aan de verdachte wordt verweten dat: zij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en)cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; Voor wat betreft het tenlastegelegde in zaak A onder 3, tweede cumulatief/alternatief, leest het hof de naam ‘ [alias medeverdachte 2] ’ als ‘ [medeverdachte 2] ’, nu [alias medeverdachte 2] de valse naam is van [medeverdachte 2] .” 4.5 Ten laste van de verdachte is in zaak A onder 3 bewezenverklaard dat: “3. zij in de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om een feit/feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te plegen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en zij in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014 in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, onder meer bestaande uit de volgende mededaders: - [medeverdachte 2] en - [medeverdachte 3] en - [medeverdachte 4] en - [medeverdachte 5] en - [medeverdachte 6] en - [medeverdachte 7] en en een of meer ander(e) persoon(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en of het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen danwel het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne en - het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig zulks terwijl zij, verdachte, een van de leiders van voormelde organisatie was.” 4.6 De tenlastelegging in zaak A onder 3 is cumulatief/alternatief van aard. Uit de toelichting die het hof omtrent de interpretatie van de tenlastelegging geeft, valt op te maken dat het hof alleen tot een aangepaste formulering is gekomen van “feit 3, eerste cumulatief/alternatief” (de deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet). Dit volgt reeds daaruit dat het hof uitdrukkelijk duidelijk maakt dat de aanpassing van de formulering van de tenlastelegging alleen betrekking heeft op dit feit (“leest het hof de tenlastelegging onder feit 3, eerste cumulatief/alternatief daarom aldus dat aan de verdachte wordt verweten dat: […]”) (onderstreping PHvK ).
Volledig
Ten overvloede merk ik nog op dat het hof juist tot die aangepaste formulering komt “Gelet op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief”, hetgeen impliceert dat de aanpassing juist niet “feit 3, tweede cumulatief/alternatief” (onderstreping PHvK ) betreft maar alleen in het licht daarvan plaatsvindt. De tenlastelegging van feit 3 tweede cumulatief/alternatief bleef dus (ook na de interpretatie van het hof van feit 3 tweede cumulatief/alternatief) onder meer inhouden dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (als bedoeld in art. 140 Sr met als oogmerk de invoer en verkoop van cocaïne) “terwijl zij, verdachte, (een van) de leider(s) van voormelde organisatie was.” 4.7 De deelklacht berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist daardoor feitelijke grondslag, nu in zaak A onder 3 tweede cumulatief/alternatief niet enkel deelneming aan een criminele organisatie (in de zin van art. 140 Sr) doch ook het zijn van leider van die organisatie is tenlastegelegd. Door bewezen te verklaren dat de verdachte leider van die organisatie was, heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. De bewezenverklaring houdt dus niet in, zoals het middel wil, dat de verdachte (ook) leider was van de criminele organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet (zie thans art. 11b Opiumwet). 4.8 Ten overvloede – nu daarover niet wordt geklaagd in cassatie – merk ik op dat het hof het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feit onjuist heeft gekwalificeerd als het “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet”. Mede erop gelet dat (ook uit de strafmotivering) niet blijkt dat het hof de strafverzwaringsgrond van art. 11a lid 2 (oud) Opiumwet jo. art. 140 lid 4 Sr heeft toegepast, ben ik van oordeel dat het een kennelijke misslag betreft dat het hof in de kwalificatie de woorden “als leider” heeft opgenomen. De kwalificatie kan in die zin verbeterd worden gelezen. 4.9 De eerste deelklacht faalt. Tweede deelklacht 4.10 De klacht houdt in dat de bewijsvoering van het hof een innerlijke tegenstrijdigheid bevat. Uit het arrest zou volgen dat het hof het bewijs van de deelneming onder meer heeft gebaseerd op “ping gesprekken”, terwijl deze gesprekken blijkens de tenlastelegging en bewezenverklaring niet bewezen zijn. Hetzelfde zou ook gelden voor de “witwashandelingen”. 4.11 Ik begrijp dat de klacht zich richt op de in zaak A onder 3 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde deelneming aan een, kort gezegd, criminele drugsorganisatie in de zin van art. 11a (oud) Opiumwet, omdat het “veelvuldig (onderling en/of met anderen) telefonisch/ping contact(en) gehad en/of onderhouden en/of een of meerdere geldbedragen (89230 euro en/of 230000 euro) voorhanden heeft/hebben gehad” deel uitmaken van die tenlastelegging (onder 4.3). 4.12 Het hof heeft onder het kopje “5. Interpretatie van de tenlastelegging” (onder 4.4) overwogen dat het de bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest om de verdachte de deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10 Opiumwet te verwijten. Het hof heeft vervolgens zijn lezing gegeven van het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde met “wegstreping van overbodige gedeelten”. In die lezing heeft het hof het “veelvuldig (onderling en/of met anderen) telefonisch/ping contact(en) gehad en/of onderhouden en/of een of meerdere geldbedragen (89230 euro en/of 230000 euro) voorhanden heeft/hebben gehad” weggestreept. De verdachte is daarom niet, zoals door de stellers van het middel is aangevoerd, vrijgesproken van voornoemde weggestreepte gedragingen en de bewijsvoering is om die reden niet innerlijk tegenstrijdig. 4.13 De tweede deelklacht faalt. Derde deelklacht 4.14 De klacht komt op tegen de in zaak A onder 3 tweede cumulatief bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie (in de zin van art. 140 Sr), welke organisatie onder meer tot oogmerk had het plegen van het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig. De klacht richt zijn pijlen in het bijzonder op het voormelde oogmerk van de criminele organisatie. 4.15 Het bestreden arrest houdt inzake het bewijs van onder meer het in zaak A onder 3 tweede cumulatief het volgende in (met weglating van voetnoten): “ 7. Waardering van het bewijs a. Identificatie Ping-gebruikers en bijnamen Het bewijs tegen de verdachten in het onderzoek 13Koelruit bestaat voor een belangrijk deel uit berichtenverkeer (chatgesprekken via Ping) dat verschillende gebruikers hebben gevoerd met hun BlackBerry-telefoons. De politie heeft zich ten behoeve van de identificatie van Ping- en/of bijnamen gebaseerd op het onderlinge verband tussen de inhoud van chatberichten, de paallocaties (zendmastgegevens) van de (BlackBerry-)telefoons, de tijdstippen van chatberichten, observaties en de tijdstippen en locaties daarvan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachten. De volgende Ping- en/of bijnamen worden aan de verdachten toegeschreven op grond van de bewijsmiddelen: - [medeverdachte 7] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 7] , [bijnaam 2 medeverdachte 7] , [bijnaam 3 medeverdachte 7] , [bijnaam 4 medeverdachte 7] en [bijnaam 5 medeverdachte 7] . - [medeverdachte 1] heeft gebruik gemaakt van de Ping-naam [bijnaam 1 medeverdachte 1] . - [verdachte] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 verdachte] , [bijnaam 2 verdachte] , [bijnaam 3 verdachte] , [bijnaam 4 verdachte] , [bijnaam 5 verdachte] , [bijnaam 6 verdachte] , [bijnaam 7 verdachte] en [bijnaam 8 verdachte] . - [medeverdachte 5] heeft gebruik gemaakt van de Ping-naam [bijnaam medeverdachte 5] . - [medeverdachte 6] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 6] , [bijnaam 2 medeverdachte 6] en [bijnaam 3 medeverdachte 6] . - [medeverdachte 2] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 2] en [bijnaam 2 medeverdachte 2] en [bijnaam 3 medeverdachte 2] . - [medeverdachte 3] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 3] en [bijnaam 2 medeverdachte 3] . b. De bewijswaarde van de (ping)berichten Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de zich in het dossier bevindende berichten moeten worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe is aangevoerd dat slechts delen van het berichtenverkeer zijn opgenomen in het dossier en de context waarin de communicatie plaatsvindt ontbreekt. Het gaat verder om een subjectieve interpretatie van berichten die bovendien deels in een andere taal zijn. Het berichtenverkeer is daarom onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de berichten voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Oordeel van het hof Het hof stelt voorop dat met het gebruik van berichten voor het bewijs behoedzaam moet worden omgegaan. In de berichten wordt soms versluierde of een andere taal gebruikt en het betreft berichten die plaatsvinden in een context die voor de deelnemers aan die berichten bekend is, maar voor een buitenstaander moeilijker te duiden zijn. Ook beschikt het hof niet over het volledige berichtenverkeer. Het voorgaande impliceert dat een interpretatie vereist is om iets over de betekenis van de berichten te kunnen zeggen. Het hof is zich daar van bewust en is om deze reden van oordeel dat bij de interpretatie voorzichtigheid is geboden. Dat brengt mee dat aan berichten slechts dan een belastende duiding kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere te bezigen bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden.
Volledig
Ten overvloede merk ik nog op dat het hof juist tot die aangepaste formulering komt “Gelet op de tekst van de tenlastelegging en de samenhang met feit 3, tweede cumulatief/alternatief”, hetgeen impliceert dat de aanpassing juist niet “feit 3, tweede cumulatief/alternatief” (onderstreping PHvK ) betreft maar alleen in het licht daarvan plaatsvindt. De tenlastelegging van feit 3 tweede cumulatief/alternatief bleef dus (ook na de interpretatie van het hof van feit 3 tweede cumulatief/alternatief) onder meer inhouden dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (als bedoeld in art. 140 Sr met als oogmerk de invoer en verkoop van cocaïne) “terwijl zij, verdachte, (een van) de leider(s) van voormelde organisatie was.” 4.7 De deelklacht berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist daardoor feitelijke grondslag, nu in zaak A onder 3 tweede cumulatief/alternatief niet enkel deelneming aan een criminele organisatie (in de zin van art. 140 Sr) doch ook het zijn van leider van die organisatie is tenlastegelegd. Door bewezen te verklaren dat de verdachte leider van die organisatie was, heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. De bewezenverklaring houdt dus niet in, zoals het middel wil, dat de verdachte (ook) leider was van de criminele organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet (zie thans art. 11b Opiumwet). 4.8 Ten overvloede – nu daarover niet wordt geklaagd in cassatie – merk ik op dat het hof het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief bewezenverklaarde feit onjuist heeft gekwalificeerd als het “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet”. Mede erop gelet dat (ook uit de strafmotivering) niet blijkt dat het hof de strafverzwaringsgrond van art. 11a lid 2 (oud) Opiumwet jo. art. 140 lid 4 Sr heeft toegepast, ben ik van oordeel dat het een kennelijke misslag betreft dat het hof in de kwalificatie de woorden “als leider” heeft opgenomen. De kwalificatie kan in die zin verbeterd worden gelezen. 4.9 De eerste deelklacht faalt. Tweede deelklacht 4.10 De klacht houdt in dat de bewijsvoering van het hof een innerlijke tegenstrijdigheid bevat. Uit het arrest zou volgen dat het hof het bewijs van de deelneming onder meer heeft gebaseerd op “ping gesprekken”, terwijl deze gesprekken blijkens de tenlastelegging en bewezenverklaring niet bewezen zijn. Hetzelfde zou ook gelden voor de “witwashandelingen”. 4.11 Ik begrijp dat de klacht zich richt op de in zaak A onder 3 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde deelneming aan een, kort gezegd, criminele drugsorganisatie in de zin van art. 11a (oud) Opiumwet, omdat het “veelvuldig (onderling en/of met anderen) telefonisch/ping contact(en) gehad en/of onderhouden en/of een of meerdere geldbedragen (89230 euro en/of 230000 euro) voorhanden heeft/hebben gehad” deel uitmaken van die tenlastelegging (onder 4.3). 4.12 Het hof heeft onder het kopje “5. Interpretatie van de tenlastelegging” (onder 4.4) overwogen dat het de bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest om de verdachte de deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet met als oogmerk het plegen van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10 Opiumwet te verwijten. Het hof heeft vervolgens zijn lezing gegeven van het onder feit 3 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde met “wegstreping van overbodige gedeelten”. In die lezing heeft het hof het “veelvuldig (onderling en/of met anderen) telefonisch/ping contact(en) gehad en/of onderhouden en/of een of meerdere geldbedragen (89230 euro en/of 230000 euro) voorhanden heeft/hebben gehad” weggestreept. De verdachte is daarom niet, zoals door de stellers van het middel is aangevoerd, vrijgesproken van voornoemde weggestreepte gedragingen en de bewijsvoering is om die reden niet innerlijk tegenstrijdig. 4.13 De tweede deelklacht faalt. Derde deelklacht 4.14 De klacht komt op tegen de in zaak A onder 3 tweede cumulatief bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie (in de zin van art. 140 Sr), welke organisatie onder meer tot oogmerk had het plegen van het (gewoonte)witwassen van meerdere geldbedragen uit misdrijf afkomstig. De klacht richt zijn pijlen in het bijzonder op het voormelde oogmerk van de criminele organisatie. 4.15 Het bestreden arrest houdt inzake het bewijs van onder meer het in zaak A onder 3 tweede cumulatief het volgende in (met weglating van voetnoten): “ 7. Waardering van het bewijs a. Identificatie Ping-gebruikers en bijnamen Het bewijs tegen de verdachten in het onderzoek 13Koelruit bestaat voor een belangrijk deel uit berichtenverkeer (chatgesprekken via Ping) dat verschillende gebruikers hebben gevoerd met hun BlackBerry-telefoons. De politie heeft zich ten behoeve van de identificatie van Ping- en/of bijnamen gebaseerd op het onderlinge verband tussen de inhoud van chatberichten, de paallocaties (zendmastgegevens) van de (BlackBerry-)telefoons, de tijdstippen van chatberichten, observaties en de tijdstippen en locaties daarvan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachten. De volgende Ping- en/of bijnamen worden aan de verdachten toegeschreven op grond van de bewijsmiddelen: - [medeverdachte 7] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 7] , [bijnaam 2 medeverdachte 7] , [bijnaam 3 medeverdachte 7] , [bijnaam 4 medeverdachte 7] en [bijnaam 5 medeverdachte 7] . - [medeverdachte 1] heeft gebruik gemaakt van de Ping-naam [bijnaam 1 medeverdachte 1] . - [verdachte] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 verdachte] , [bijnaam 2 verdachte] , [bijnaam 3 verdachte] , [bijnaam 4 verdachte] , [bijnaam 5 verdachte] , [bijnaam 6 verdachte] , [bijnaam 7 verdachte] en [bijnaam 8 verdachte] . - [medeverdachte 5] heeft gebruik gemaakt van de Ping-naam [bijnaam medeverdachte 5] . - [medeverdachte 6] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 6] , [bijnaam 2 medeverdachte 6] en [bijnaam 3 medeverdachte 6] . - [medeverdachte 2] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 2] en [bijnaam 2 medeverdachte 2] en [bijnaam 3 medeverdachte 2] . - [medeverdachte 3] heeft gebruik gemaakt van de Ping- en/of bijnamen [bijnaam 1 medeverdachte 3] en [bijnaam 2 medeverdachte 3] . b. De bewijswaarde van de (ping)berichten Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de zich in het dossier bevindende berichten moeten worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe is aangevoerd dat slechts delen van het berichtenverkeer zijn opgenomen in het dossier en de context waarin de communicatie plaatsvindt ontbreekt. Het gaat verder om een subjectieve interpretatie van berichten die bovendien deels in een andere taal zijn. Het berichtenverkeer is daarom onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de berichten voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Oordeel van het hof Het hof stelt voorop dat met het gebruik van berichten voor het bewijs behoedzaam moet worden omgegaan. In de berichten wordt soms versluierde of een andere taal gebruikt en het betreft berichten die plaatsvinden in een context die voor de deelnemers aan die berichten bekend is, maar voor een buitenstaander moeilijker te duiden zijn. Ook beschikt het hof niet over het volledige berichtenverkeer. Het voorgaande impliceert dat een interpretatie vereist is om iets over de betekenis van de berichten te kunnen zeggen. Het hof is zich daar van bewust en is om deze reden van oordeel dat bij de interpretatie voorzichtigheid is geboden. Dat brengt mee dat aan berichten slechts dan een belastende duiding kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere te bezigen bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden.
Volledig
De enkele mogelijkheid dat de berichten gefragmenteerde informatie kunnen bevatten en er een interpretatie van die berichten plaatsvindt brengt op zichzelf genomen nog niet met zich dat zij geen bewijswaarde kunnen hebben. Het verweer wordt dan ook verworpen. c. Zaak A feit 2 (voorbereidingshandelingen Opiumwet) en feit 3 (als leider deelnemen aan een criminele organisatie) Verweer van de verdediging tot uitsluiten van het bewijs van de verklaringen van [getuige] De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de [getuige] moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat ze – kort samengevat – onbetrouwbaar zijn. Hierbij heeft de verdediging opmerkingen gemaakt over de wijze van horen van de getuige en de wijze van uitvoeren van de fotoconfrontatie waarbij [verdachte] door [getuige] is herkend. Het hof verwijst met betrekking tot de gang van zaken rond het horen van de [getuige] naar hetgeen hiervoor onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie’ is beschreven. Verder stelt het hof voorop dat het feit dat [getuige] in ruil voor het afleggen van verklaringen over de betrokkenheid van anderen bij strafbare feiten in zijn eigen strafzaak – welke strafzaak overigens niet het onderhavige onderzoek betrof – bescherming en strafkorting kreeg, niet maakt dat reeds om die reden zijn verklaringen als onbetrouwbaar zouden moeten worden aangemerkt. Ook overigens is het hof niet gebleken dat zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn. [getuige] heeft consistent verklaard. De onderhavige zaak betreft een zeer omvangrijk dossier met vele onderzoeksbevindingen. Vele onderzoeksbevindingen passen bij de door [getuige] afgelegde verklaringen. Wat betreft de door de verdediging gemaakte opmerkingen over de mogelijke sturing van de getuige, overweegt het hof dat in de verhoren niet van sturing blijkt, dat de getuige veel uit zichzelf verklaart en dat er vervolgens wordt doorgevraagd op zijn verklaringen. De gang van zaken met betrekking tot de fotoconfrontatie tijdens het verhoor door het onderzoeksteam 13Koelruit op 21 april 2018, waarbij [verdachte] door de getuige is herkend als ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’, is voldoende duidelijk. Hierbij merkt het hof op dat [verdachte] zelf heeft verklaard dat zij ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’ wordt genoemd. [getuige] heeft voorts verklaard dat ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’ en ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 7] ’, met wie hij [medeverdachte 7] bedoelt, zakenpartners waren. [verdachte] heeft zelf verklaard dat zij pingcontact had met [medeverdachte 7] en dat ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 7] ’ [medeverdachte 7] is. Ter terechtzitting bij de rechtbank op 17 oktober 2015 heeft zij erkend dat zij op 24 november 2014 met [medeverdachte 7] (die zich zowel volgens haarzelf als [getuige] – ook – bedient van de naam ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 7] ’) pinggesprekken over ‘ [betrokkene 13] ’ heeft gevoerd. Zij geeft aan ‘ [betrokkene 13] ’ een andere betekenis dan het hof hierna zal doen, maar het hof ziet in het voorgaande wel een belangrijke ondersteuning van de herkenning en verklaringen van [getuige] met betrekking tot [verdachte] . Dat [getuige] de zus van [verdachte] , [medeverdachte 1] , in zijn verklaring 21 april 2018 ‘ [naam] ’ noemt en zich daarmee kennelijk vergist in de naam van deze zus, doet niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen. Concluderend acht het hof de verklaringen van [getuige] en zijn herkenning van [verdachte] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen.s De tenlastelegging in zaak A onder 3 De steller van de tenlastelegging heeft ervoor gekozen om cumulatief/alternatief ten laste te leggen het deelnemen als leider aan criminele drugsorganisatie in de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 en/of als leider aan een organisatie ex artikel 140 Sr met het oogmerk van internationale cocaïnehandel en gewoontewitwassen in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014. Beoordelingskader deelneming aan criminele organisatie De in de strafbaarstelling van artikel 11a (oud, thans b) Opiumwet bedoelde organisatie die – kortgezegd – tot oogmerk heeft het plegen van een of meer drugsdelicten, hangt nauw samen met de organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven (in het algemeen) als bedoeld in artikel 140 (Sr). De rechtspraak van de Hoge Raad over de bestanddelen van artikel 140 lid 1 Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven. Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen. Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Bij de vaststelling van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Zaaksdossier 100 kilo In de ochtend van 5 april 2014 zijn twee dozen met cocaïne vanuit een Mercedes Vito met [kenteken 4] naar een woning aan de [f-straat 1] in [plaats] gebracht. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hebben de dozen naar binnengebracht. [medeverdachte 2] heeft de dozen in een badkamer/wc van de woning zijn gezet. In de namiddag van 5 april 2014 wordt dezelfde Mercedes Vito, na enkele uren weg te zijn geweest, weer in de nabijheid van dezelfde woning geparkeerd. [medeverdachte 3] haalt vervolgens een tas met cocaïne uit dezelfde woning. De cocaïne uit de tas is vervolgens in een verborgen ruimte in dezelfde Mercedes Vito gelegd. Vervolgens is de Mercedes Vito weggereden met [medeverdachte 6] achter het stuur en [medeverdachte 2] als bijrijder, waarna zij zijn aangehouden. In een verborgen ruimte van de Mercedes Vito wordt ongeveer 51 kilo cocaïne aangetroffen. Bij een doorzoeking van de woning is ongeveer 49 kilo cocaïne aangetroffen. De cocaïne in de auto en die in de woning is afkomstig uit één partij. De cocaïne in de pakketten bevatte onder meer merktekens van een ster. In de woning zijn een vacumeermachine en vacüumzakken aangetroffen, alsmede twee sealapparaten, sealfolie en doosjes met onderzoekshandschoenen. [medeverdachte 4] was de bewoner van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte 3] was een regelmatige bezoeker van het pand.
Volledig
De enkele mogelijkheid dat de berichten gefragmenteerde informatie kunnen bevatten en er een interpretatie van die berichten plaatsvindt brengt op zichzelf genomen nog niet met zich dat zij geen bewijswaarde kunnen hebben. Het verweer wordt dan ook verworpen. c. Zaak A feit 2 (voorbereidingshandelingen Opiumwet) en feit 3 (als leider deelnemen aan een criminele organisatie) Verweer van de verdediging tot uitsluiten van het bewijs van de verklaringen van [getuige] De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de [getuige] moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat ze – kort samengevat – onbetrouwbaar zijn. Hierbij heeft de verdediging opmerkingen gemaakt over de wijze van horen van de getuige en de wijze van uitvoeren van de fotoconfrontatie waarbij [verdachte] door [getuige] is herkend. Het hof verwijst met betrekking tot de gang van zaken rond het horen van de [getuige] naar hetgeen hiervoor onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie’ is beschreven. Verder stelt het hof voorop dat het feit dat [getuige] in ruil voor het afleggen van verklaringen over de betrokkenheid van anderen bij strafbare feiten in zijn eigen strafzaak – welke strafzaak overigens niet het onderhavige onderzoek betrof – bescherming en strafkorting kreeg, niet maakt dat reeds om die reden zijn verklaringen als onbetrouwbaar zouden moeten worden aangemerkt. Ook overigens is het hof niet gebleken dat zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn. [getuige] heeft consistent verklaard. De onderhavige zaak betreft een zeer omvangrijk dossier met vele onderzoeksbevindingen. Vele onderzoeksbevindingen passen bij de door [getuige] afgelegde verklaringen. Wat betreft de door de verdediging gemaakte opmerkingen over de mogelijke sturing van de getuige, overweegt het hof dat in de verhoren niet van sturing blijkt, dat de getuige veel uit zichzelf verklaart en dat er vervolgens wordt doorgevraagd op zijn verklaringen. De gang van zaken met betrekking tot de fotoconfrontatie tijdens het verhoor door het onderzoeksteam 13Koelruit op 21 april 2018, waarbij [verdachte] door de getuige is herkend als ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’, is voldoende duidelijk. Hierbij merkt het hof op dat [verdachte] zelf heeft verklaard dat zij ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’ wordt genoemd. [getuige] heeft voorts verklaard dat ‘ [bijnaam 3 verdachte] ’ en ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 7] ’, met wie hij [medeverdachte 7] bedoelt, zakenpartners waren. [verdachte] heeft zelf verklaard dat zij pingcontact had met [medeverdachte 7] en dat ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 7] ’ [medeverdachte 7] is. Ter terechtzitting bij de rechtbank op 17 oktober 2015 heeft zij erkend dat zij op 24 november 2014 met [medeverdachte 7] (die zich zowel volgens haarzelf als [getuige] – ook – bedient van de naam ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 7] ’) pinggesprekken over ‘ [betrokkene 13] ’ heeft gevoerd. Zij geeft aan ‘ [betrokkene 13] ’ een andere betekenis dan het hof hierna zal doen, maar het hof ziet in het voorgaande wel een belangrijke ondersteuning van de herkenning en verklaringen van [getuige] met betrekking tot [verdachte] . Dat [getuige] de zus van [verdachte] , [medeverdachte 1] , in zijn verklaring 21 april 2018 ‘ [naam] ’ noemt en zich daarmee kennelijk vergist in de naam van deze zus, doet niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen. Concluderend acht het hof de verklaringen van [getuige] en zijn herkenning van [verdachte] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen.s De tenlastelegging in zaak A onder 3 De steller van de tenlastelegging heeft ervoor gekozen om cumulatief/alternatief ten laste te leggen het deelnemen als leider aan criminele drugsorganisatie in de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juni 2014 en/of als leider aan een organisatie ex artikel 140 Sr met het oogmerk van internationale cocaïnehandel en gewoontewitwassen in de periode van 21 november 2013 tot en met 5 april 2014. Beoordelingskader deelneming aan criminele organisatie De in de strafbaarstelling van artikel 11a (oud, thans b) Opiumwet bedoelde organisatie die – kortgezegd – tot oogmerk heeft het plegen van een of meer drugsdelicten, hangt nauw samen met de organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven (in het algemeen) als bedoeld in artikel 140 (Sr). De rechtspraak van de Hoge Raad over de bestanddelen van artikel 140 lid 1 Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven. Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen. Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Bij de vaststelling van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Zaaksdossier 100 kilo In de ochtend van 5 april 2014 zijn twee dozen met cocaïne vanuit een Mercedes Vito met [kenteken 4] naar een woning aan de [f-straat 1] in [plaats] gebracht. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hebben de dozen naar binnengebracht. [medeverdachte 2] heeft de dozen in een badkamer/wc van de woning zijn gezet. In de namiddag van 5 april 2014 wordt dezelfde Mercedes Vito, na enkele uren weg te zijn geweest, weer in de nabijheid van dezelfde woning geparkeerd. [medeverdachte 3] haalt vervolgens een tas met cocaïne uit dezelfde woning. De cocaïne uit de tas is vervolgens in een verborgen ruimte in dezelfde Mercedes Vito gelegd. Vervolgens is de Mercedes Vito weggereden met [medeverdachte 6] achter het stuur en [medeverdachte 2] als bijrijder, waarna zij zijn aangehouden. In een verborgen ruimte van de Mercedes Vito wordt ongeveer 51 kilo cocaïne aangetroffen. Bij een doorzoeking van de woning is ongeveer 49 kilo cocaïne aangetroffen. De cocaïne in de auto en die in de woning is afkomstig uit één partij. De cocaïne in de pakketten bevatte onder meer merktekens van een ster. In de woning zijn een vacumeermachine en vacüumzakken aangetroffen, alsmede twee sealapparaten, sealfolie en doosjes met onderzoekshandschoenen. [medeverdachte 4] was de bewoner van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] . [medeverdachte 3] was een regelmatige bezoeker van het pand.
Volledig
Aangetroffen administratie Notitieblokje [f-straat 2] In de woning aan de [f-straat 2] is een notitieblokje aangetroffen. Daarin staan aantekeningen die verband houden met onder meer hoeveelheden “estreila” en “flor” die binnenkomen en wat er door wie wordt meegenomen. Bij 22 februari 2014 staat genoteerd: 141-W 34-pak 24-flor (hof: bloem) 1-rojo 3-estrella (hof: ster) Total 203 Bij 27 februari 2014 staat genoteerd: Meegenomen door [bijnaam 1 medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2] ): W:33 pak: 16 flor: 14 Total 63 Vervolgens staat er: 203 63 -- 140 Verder staat genoteerd dat ‘ [bijnaam 1 medeverdachte 3] ’ (hof: [medeverdachte 3] ) 8 met een […] meeneemt. Vervolgens staat er: 108 -8 --- 100 Op 7 maart 2014 neemt J 5 stuks met een […] mee waarna er 3 overblijven met het symbool van een (david) ster Ook staat genoteerd: adres [f-straat 1] Hieronder staan diverse symbolen waaronder een (david)ster en een […] . Bruna collegeblok Op 15 juni 2014 is bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 7] aan de [e-straat 1] te [plaats] in een verborgen ruimte een Bruna collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok wordt over de periode 1 februari 2014 tot en met 10 april 2014 een kasboek bijgehouden. In dit kasboek worden in die periode in- en uitgaven bijgehouden. Tevens wordt er bij elke in- en uitgave een bijschrift in de Spaanse taal geschreven. In het kasboek komen de namen [bijnaam 1 medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ), [bijnaam 2 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ), [bijnaam 3 verdachte] ( [verdachte] ), [medeverdachte 3] ) en [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) voor. Op 10 februari 2014 zit er € 1.396.672 in kas en ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 3 verdachte] ’ een bedrag van € 28.000. Ook ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 1 medeverdachte 2] ’ een bedrag van € 18.000 alsmede van ene [betrokkene 5] een bedrag van € 28.000, waarna er een bedrag van € 1.470.672 ‘in kas’ is. Uit het kasboek blijkt dat door of door namens [bijnaam 2 medeverdachte 6] veelvuldig geld wordt gestort. Zo ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 2 medeverdachte 6] ’ op 5 maart 2014 een bedrag van € 224.000, ‘brengt [bijnaam 1 medeverdachte 2] van [bijnaam 2 medeverdachte 6] ’ op 6 maart 2014 een bedrag van € 1.465.000 en ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 2 medeverdachte 6] ’ op 7 maart 2014 bedragen van € 346.000 en € 111.400. Op diezelfde dag brengt ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 1 medeverdachte 2] ’ ook een bedrag van € 60.000, ‘brengt [bijnaam 1 medeverdachte 2] 120.000 rectificatie 130.000 [bijnaam 2 medeverdachte 6] […] ’ en ‘brengt [betrokkene 4] 66.000 rectificatie 67.000 [bijnaam 2 medeverdachte 6] Estrella’. Op 5 april 2014 komt een bedrag binnen van € 2.329.330 met de omschrijving ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 6] van Estrelle’. Ook […] komt voor in dit kasboek. Op 2 maart 2014 komt er een bedrag binnen van € 224.000 met de omschrijving ‘Inkomend [bijnaam 1 medeverdachte 2] […] ’ en op 3 maart 2014 gaat er een bedrag van € 5.000 uit in verband met ‘Transport […] ’ Op 20 maart 2014 staat er bij de inkomsten een bedrag van € 50.000 vermeld met de omschrijving ‘Inkomend [bijnaam 2 medeverdachte 7] ’. Er gaan regelmatig bedragen uit naar ‘papa’ of ‘papi’, zoals op 8 maart 2014 een bedrag van € 2.000.000 en op 9 maart 2014 een bedrag van € 1.000.000. Ook gaat er geld uit naar ‘ [betrokkene 6] ’. Bij de omschrijving bij de transacties komen verder termen voor als ‘Pescado’ en ‘Pez’ (hof: vis), alsmede zijn er uitgaven voor koffers, tickets, een scanner, telefoons en Blackberry’s/BB’s. Op 25 februari 2014 staat een uitgaand bedrag van € 1600 vermeld met de omschrijving: ‘uitgaand huur appartement overhandiging [bijnaam 3 verdachte] ’. Handy collegeblok Bij de doorzoeking van de genoemde woning aan de [e-straat] is in dezelfde verborgen ruimte een Handy collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok zijn in totaal tien zijden van bladzijden beschreven. Er staan verschillende berekeningen en Spaanse teksten in. De maand januari wordt genoemd en 3 data in februari. In het collegeblok staan uitgaven vermeld en ‘verzendingen […] ’. Er is ‘100’ aan [bijnaam 1 medeverdachte 2] gegeven ‘alvorens af te reizen’. Ook staat vermeld: ‘5.398 moneytransfers naar het dorp’. Verder komen de termen ‘ […] container verdieping 50-72’ en ‘‘postzakken geregistreerd of niet geregistreerd’ voor. De naam ‘ [betrokkene 7] ’ staat een aantal keer vermeld en verder staat vermeld: ‘deze informatie voor [betrokkene 7] vertrek Braz. (het hof begrijpt: Brazilië’) aankomst hier’. Er komt bij de berekeningen een aantal symbolen/merktekens/afkortingen voor, waarbij het symbool van een stervorm meerdere malen terugkomt. Ook komen de termen ‘Fdx’/’FEDEX’, ‘ […] ’ en ‘Pez’ (vis) voor. Er staan ook telefoonnummers opgenomen. In het collegeblok komen verder voor de namen [betrokkene 8] en [betrokkene 6] , aan wie iets is gegeven. Pinggesprekken Op 21 november 2013 pingt ene [betrokkene 9] aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘hoeveel meisjes heeft hij op reis?’ [medeverdachte 7] vraagt: ‘Hoeveel Peruaanse meisjes heb je bij je?’ en ‘degene die op reis zijn, zijn Colombiaans’. [betrokkene 9] vraagt aan [medeverdachte 7] : ‘heb je met [betrokkene 10] (het hof begrijpt: [betrokkene 10] ) gesproken over hoeveel ik moet betalen voor de meisjes die onderweg zijn?’ [bijnaam 3 medeverdachte 7] antwoordt: ‘hij had het over ongeveer 6000 eu, zoiets, ik weet niet of ik je dat moest geven ofzo, wacht tot de meisjes aankomen en dan laat ik het je weten’. Op 22 november 2013 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ) naar [bijnaam 1 verdachte] ( [verdachte] ) ‘ik was het meisje met de roze jurk aan het laten zien aan een vriend die over is uit Barsa (Barca, het hof begrijpt: Barcelona). Op 25 november 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘jongen, houd voor mij een filet apart, ik kom die zo ophalen’. [medeverdachte 7] antwoordt: ‘Ok jongen, ik laat dat voor jou in dat doosje, okay’, waarop [medeverdachte 3] pingt: ‘Jongen, is er voor meerderen genoeg, Papi als dat in de smaak valt, dan bestellen zijn nog zo’n 20 maaltijden bij ons’ en ‘de documenten zijn al in orde, ze bestelden er nog een bij mij, kun je dat voor mij apart leggen alsjeblieft’. Op 28 november 2013 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘Jongen, doe mij een lol, kun je een STER aan [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3] ) geven, want die staat buiten’, waarop [medeverdachte 7] antwoordt: ‘Ok’. Op 2 december 2013 pingt [bijnaam 1 verdachte] ( [verdachte] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘is er nog wat voor de landgenoten?’ waarop deze antwoordt: ‘El pez (de vis)’. Op 24 november 2013 pingt [bijnaam 1 verdachte] ( [verdachte] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘ [betrokkene 11] , wat vind je ervan, [betrokkene 12] is me al aan het pingen vanwege de [betrokkene 13] , of jullie om 11 uur bij jou op kantoor kunnen afspreken’. [medeverdachte 7] antwoordt ‘Doe maar’ en ‘zeg tegen je vrienden dat ik dat meisje heb, die ster, die ene waar zij van houden’. Op 30 november 2013 om 14:07 uur pingt [bijnaam 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ) dat zij hem nodig heeft en pingt deze dat hij zo langs komt. Diezelfde dag vanaf 16:46 uur pingt [medeverdachte 7] aan [bijnaam 1 verdachte] ( [verdachte] ): ‘Ja [bijnaam 3 verdachte] , ben je thuis, [betrokkene 14] is me een voorstel aan het doen, met wat over is van de katten’. Om 18:27 uur pingt [verdachte] aan [medeverdachte 7] : ‘En wat voor voorstel heeft [betrokkene 14] jou gedaan over de katten’. [medeverdachte 7] reageert: ‘Ze zegt tegen me dat zij de katten geeft aan haar, als onderpand, en ze geeft ons eu’. [verdachte] vraagt: ‘voor hoeveel?’, waarop [medeverdachte 7] reageert met: ‘25’. Op 1 december 2013 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ) aan [bijnaam 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) of zij geld aan [betrokkene 8] heeft gegeven.
Volledig
Aangetroffen administratie Notitieblokje [f-straat 2] In de woning aan de [f-straat 2] is een notitieblokje aangetroffen. Daarin staan aantekeningen die verband houden met onder meer hoeveelheden “estreila” en “flor” die binnenkomen en wat er door wie wordt meegenomen. Bij 22 februari 2014 staat genoteerd: 141-W 34-pak 24-flor (hof: bloem) 1-rojo 3-estrella (hof: ster) Total 203 Bij 27 februari 2014 staat genoteerd: Meegenomen door [bijnaam 1 medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2] ): W:33 pak: 16 flor: 14 Total 63 Vervolgens staat er: 203 63 -- 140 Verder staat genoteerd dat ‘ [bijnaam 1 medeverdachte 3] ’ (hof: [medeverdachte 3] ) 8 met een […] meeneemt. Vervolgens staat er: 108 -8 --- 100 Op 7 maart 2014 neemt J 5 stuks met een […] mee waarna er 3 overblijven met het symbool van een (david) ster Ook staat genoteerd: adres [f-straat 1] Hieronder staan diverse symbolen waaronder een (david)ster en een […] . Bruna collegeblok Op 15 juni 2014 is bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 7] aan de [e-straat 1] te [plaats] in een verborgen ruimte een Bruna collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok wordt over de periode 1 februari 2014 tot en met 10 april 2014 een kasboek bijgehouden. In dit kasboek worden in die periode in- en uitgaven bijgehouden. Tevens wordt er bij elke in- en uitgave een bijschrift in de Spaanse taal geschreven. In het kasboek komen de namen [bijnaam 1 medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ), [bijnaam 2 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ), [bijnaam 3 verdachte] ( [verdachte] ), [medeverdachte 3] ) en [bijnaam 2 medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) voor. Op 10 februari 2014 zit er € 1.396.672 in kas en ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 3 verdachte] ’ een bedrag van € 28.000. Ook ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 1 medeverdachte 2] ’ een bedrag van € 18.000 alsmede van ene [betrokkene 5] een bedrag van € 28.000, waarna er een bedrag van € 1.470.672 ‘in kas’ is. Uit het kasboek blijkt dat door of door namens [bijnaam 2 medeverdachte 6] veelvuldig geld wordt gestort. Zo ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 2 medeverdachte 6] ’ op 5 maart 2014 een bedrag van € 224.000, ‘brengt [bijnaam 1 medeverdachte 2] van [bijnaam 2 medeverdachte 6] ’ op 6 maart 2014 een bedrag van € 1.465.000 en ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 2 medeverdachte 6] ’ op 7 maart 2014 bedragen van € 346.000 en € 111.400. Op diezelfde dag brengt ‘brengt [betrokkene 4] van [bijnaam 1 medeverdachte 2] ’ ook een bedrag van € 60.000, ‘brengt [bijnaam 1 medeverdachte 2] 120.000 rectificatie 130.000 [bijnaam 2 medeverdachte 6] […] ’ en ‘brengt [betrokkene 4] 66.000 rectificatie 67.000 [bijnaam 2 medeverdachte 6] Estrella’. Op 5 april 2014 komt een bedrag binnen van € 2.329.330 met de omschrijving ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 6] van Estrelle’. Ook […] komt voor in dit kasboek. Op 2 maart 2014 komt er een bedrag binnen van € 224.000 met de omschrijving ‘Inkomend [bijnaam 1 medeverdachte 2] […] ’ en op 3 maart 2014 gaat er een bedrag van € 5.000 uit in verband met ‘Transport […] ’ Op 20 maart 2014 staat er bij de inkomsten een bedrag van € 50.000 vermeld met de omschrijving ‘Inkomend [bijnaam 2 medeverdachte 7] ’. Er gaan regelmatig bedragen uit naar ‘papa’ of ‘papi’, zoals op 8 maart 2014 een bedrag van € 2.000.000 en op 9 maart 2014 een bedrag van € 1.000.000. Ook gaat er geld uit naar ‘ [betrokkene 6] ’. Bij de omschrijving bij de transacties komen verder termen voor als ‘Pescado’ en ‘Pez’ (hof: vis), alsmede zijn er uitgaven voor koffers, tickets, een scanner, telefoons en Blackberry’s/BB’s. Op 25 februari 2014 staat een uitgaand bedrag van € 1600 vermeld met de omschrijving: ‘uitgaand huur appartement overhandiging [bijnaam 3 verdachte] ’. Handy collegeblok Bij de doorzoeking van de genoemde woning aan de [e-straat] is in dezelfde verborgen ruimte een Handy collegeblok aangetroffen. In dit collegeblok zijn in totaal tien zijden van bladzijden beschreven. Er staan verschillende berekeningen en Spaanse teksten in. De maand januari wordt genoemd en 3 data in februari. In het collegeblok staan uitgaven vermeld en ‘verzendingen […] ’. Er is ‘100’ aan [bijnaam 1 medeverdachte 2] gegeven ‘alvorens af te reizen’. Ook staat vermeld: ‘5.398 moneytransfers naar het dorp’. Verder komen de termen ‘ […] container verdieping 50-72’ en ‘‘postzakken geregistreerd of niet geregistreerd’ voor. De naam ‘ [betrokkene 7] ’ staat een aantal keer vermeld en verder staat vermeld: ‘deze informatie voor [betrokkene 7] vertrek Braz. (het hof begrijpt: Brazilië’) aankomst hier’. Er komt bij de berekeningen een aantal symbolen/merktekens/afkortingen voor, waarbij het symbool van een stervorm meerdere malen terugkomt. Ook komen de termen ‘Fdx’/’FEDEX’, ‘ […] ’ en ‘Pez’ (vis) voor. Er staan ook telefoonnummers opgenomen. In het collegeblok komen verder voor de namen [betrokkene 8] en [betrokkene 6] , aan wie iets is gegeven. Pinggesprekken Op 21 november 2013 pingt ene [betrokkene 9] aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘hoeveel meisjes heeft hij op reis?’ [medeverdachte 7] vraagt: ‘Hoeveel Peruaanse meisjes heb je bij je?’ en ‘degene die op reis zijn, zijn Colombiaans’. [betrokkene 9] vraagt aan [medeverdachte 7] : ‘heb je met [betrokkene 10] (het hof begrijpt: [betrokkene 10] ) gesproken over hoeveel ik moet betalen voor de meisjes die onderweg zijn?’ [bijnaam 3 medeverdachte 7] antwoordt: ‘hij had het over ongeveer 6000 eu, zoiets, ik weet niet of ik je dat moest geven ofzo, wacht tot de meisjes aankomen en dan laat ik het je weten’. Op 22 november 2013 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ) naar [bijnaam 1 verdachte] ( [verdachte] ) ‘ik was het meisje met de roze jurk aan het laten zien aan een vriend die over is uit Barsa (Barca, het hof begrijpt: Barcelona). Op 25 november 2013 pingt [bijnaam 2 medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘jongen, houd voor mij een filet apart, ik kom die zo ophalen’. [medeverdachte 7] antwoordt: ‘Ok jongen, ik laat dat voor jou in dat doosje, okay’, waarop [medeverdachte 3] pingt: ‘Jongen, is er voor meerderen genoeg, Papi als dat in de smaak valt, dan bestellen zijn nog zo’n 20 maaltijden bij ons’ en ‘de documenten zijn al in orde, ze bestelden er nog een bij mij, kun je dat voor mij apart leggen alsjeblieft’. Op 28 november 2013 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘Jongen, doe mij een lol, kun je een STER aan [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3] ) geven, want die staat buiten’, waarop [medeverdachte 7] antwoordt: ‘Ok’. Op 2 december 2013 pingt [bijnaam 1 verdachte] ( [verdachte] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘is er nog wat voor de landgenoten?’ waarop deze antwoordt: ‘El pez (de vis)’. Op 24 november 2013 pingt [bijnaam 1 verdachte] ( [verdachte] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ): ‘ [betrokkene 11] , wat vind je ervan, [betrokkene 12] is me al aan het pingen vanwege de [betrokkene 13] , of jullie om 11 uur bij jou op kantoor kunnen afspreken’. [medeverdachte 7] antwoordt ‘Doe maar’ en ‘zeg tegen je vrienden dat ik dat meisje heb, die ster, die ene waar zij van houden’. Op 30 november 2013 om 14:07 uur pingt [bijnaam 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) aan [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ) dat zij hem nodig heeft en pingt deze dat hij zo langs komt. Diezelfde dag vanaf 16:46 uur pingt [medeverdachte 7] aan [bijnaam 1 verdachte] ( [verdachte] ): ‘Ja [bijnaam 3 verdachte] , ben je thuis, [betrokkene 14] is me een voorstel aan het doen, met wat over is van de katten’. Om 18:27 uur pingt [verdachte] aan [medeverdachte 7] : ‘En wat voor voorstel heeft [betrokkene 14] jou gedaan over de katten’. [medeverdachte 7] reageert: ‘Ze zegt tegen me dat zij de katten geeft aan haar, als onderpand, en ze geeft ons eu’. [verdachte] vraagt: ‘voor hoeveel?’, waarop [medeverdachte 7] reageert met: ‘25’. Op 1 december 2013 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 7] ( [medeverdachte 7] ) aan [bijnaam 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) of zij geld aan [betrokkene 8] heeft gegeven.