Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-02-27
ECLI:NL:PHR:2026:197
Civiel recht
24,342 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:197 text/xml public 2026-03-05T08:00:16 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-02-27 25/01274 Conclusie NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:197 text/html public 2026-03-03T13:48:32 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:197 Parket bij de Hoge Raad , 27-02-2026 / 25/01274 Aansprakelijkheidsrecht. Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Aansprakelijkheid van geïnterviewde letselschadeadvocaat voor door journalist verwerkte citaten in krantenartikel over schadeafwikkeling schietincident Alphen aan de Rijn jegens belangenbehartiger slachtoffers? Recht op vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM). Recht op bescherming van reputatie (art. 8 EVRM). PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01274 Zitting 27 februari 2026 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak 1 [eiser 1] 2. Corpocon Legal/Letselschadeclaim.NL B.V. (hierna afzonderlijk: ‘ [eiser 1] ’ respectievelijk ‘Corpocon’, en gezamenlijk: ‘ [eisers] ’) tegen [verweerder] (hierna: ‘ [verweerder] ’) Deze zaak draait om uitlatingen van letselschadeadvocaat [verweerder] in een artikel in het Algemeen Dagblad (hierna: ‘AD’) dat gaat over de (lange) duur van de schadeafwikkeling van het schietincident op 9 april 2011 in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn en de rol die [eiser 1] als belangenbehartiger van benadeelden daarin speelt. Een journalist, tevens de auteur van het artikel, heeft [verweerder] hierover telefonisch vragen gesteld en de daaropvolgende uitlatingen van [verweerder] in het artikel verwerkt. [eisers] menen dat [verweerder] met zijn uitlatingen onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en vorderen onder andere rectificatie en schadevergoeding. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zijn de vorderingen van [eisers] afgewezen. Zowel de rechtbank Den Haag (hierna: de ‘rechtbank’) als het hof Den Haag (hierna: het ‘hof’) is na een weging van de relevante omstandigheden van het geval tot het oordeel gekomen dat [verweerder] niet onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. In cassatie voeren [eisers] in essentie aan dat het hof bepaalde relevante omstandigheden van het geval ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten en een verkeerd gewicht heeft toegekend aan bepaalde andere relevante omstandigheden van het geval. 1 Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 1.2 [eiser 1] is een belangenbehartiger die onder meer benadeelden bijstaat bij de afwikkeling van (massa)schadeclaims. [eiser 1] is indirect, via Corpocon Holding B.V., enig aandeelhouder en bestuurder van Corpocon. 1.3 [verweerder] is een gespecialiseerd letselschadeadvocaat en lid van een aantal verenigingen op dit terrein, waaronder de Vereniging van Letselschade Advocaten (hierna: de ‘LSA’). Hij is daarnaast docent personenschade en publiceert artikelen op dit vakgebied. De Ridderhof 1.4 Op 9 april 2011 vond in winkelcentrum ‘De Ridderhof’ in Alphen aan den Rijn een schietincident plaats waarbij doden en gewonden vielen. [eiser 1] behartigt via Corpocon de belangen van een groep slachtoffers van dit schietincident. In dat kader heeft Corpocon een aantal rechtszaken gefinancierd, waaronder een civiele procedure tegen de Nationale Politie, Regionale Eenheid Den Haag (hierna: de ‘Politie’). 1.5 Bij arrest van 20 september 2019 heeft Uw Raad, kort gezegd, geoordeeld dat de Politie aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het schietincident. De Politie en haar verzekeraar hebben daarop de Stichting vergoeding schade slachtoffers Schietincident Alphen aan den Rijn (hierna: de ‘VSSA’) opgericht voor de afwikkeling van de schade. De publicatie in het AD en de ontwikkelingen daarna 1.6 Op 7 april 2021 verscheen in het AD een artikel (hierna ook: het ‘artikel’) van de hand van [de journalist] (hierna: de ‘journalist’), met als kop: “ Wie vertraagt de schadevergoeding voor de slachtoffers schietdrama Alphen? Ruim honderd overlevenden en nabestaanden van de schietpartij in Alphen aan den Rijn wachten nog altijd op smartengeld. Werkt de politie tegen? Of is hun belangenbehartiger te inhalig? ” 1.7 Daarna vervolgt het artikel met onder meer de volgende passages: “ Maar als ook Nederlands hoogste rechtsorgaan de Hoge Raad in 2019 besluit dat de politie aansprakelijk is, is er echter geen weg meer terug. De politie richt een fonds op voor de afwikkeling van schadeclaims: de VSSA (Vergoeding Schade Slachtoffers Alphen). Maar opnieuw ontstaat een probleem: raadsman [eiser 1] wil niets van die stichting weten. Volgens hem traineert de door de politie opgerichte VSSA bewust de uitkering van claims. [eiser 1] , wiens cliënten volgens hem elk recht hebben op minstens 25.000 euro, raadt iedereen af om een machtiging te tekenen, die nodig is om schadedossiers over te dragen: „Die stichting wil mijn mensen afschepen met een fooi. Laat ze eerst met een voorschot komen van 10.000 euro. Dan komt er vertrouwen.” Boos Het niet overdragen van dossiers is een ongekende stap, zeggen alle andere betrokkenen. „Met bijna 30 jaar claimervaring heb ik dit nog nooit meegemaakt”, zegt [betrokkene 1] van [A] . Dat bureau is door verzekeraar Centraal Beheer Achmea aangewezen om alle schadezaken afzonderlijk vast te stellen voor de politie. Tot dusver gaat dat om grofweg 150 dossiers. „Mensen hebben een verwachting en het recht dat hun zaak beoordeeld wordt. Dat dat niet kan omdat machtigingen achterblijven of zelfs worden ingetrokken, dat maakt me boos. Waar ben je dan mee bezig als belangenbehartiger?” Ook VSSA-secretaris [betrokkene 2] noemt de situatie ‘uniek in Nederland’. „Ik had in 2019 gedacht binnen de kortste keren te kunnen beschikken over honderden dossiers. Ergens is kennelijk een reden voor een belangenbehartiger om dossiers niet aan de stichting te geven maar ondertussen ook niet naar de rechter te stappen, omdat hij het niet eens is met de gang van zaken. We realiseren ons allemaal dat die mensen tien jaar wachten op duidelijkheid. Dat is extreem lang.” (…) Negentien van de momenteel 63 overgedragen dossiers, zijn inmiddels wél afgehandeld door de stichting. Advocaten die mensen met Alphense claims onder hun hoede hebben, zorgden voor machtigingen en daarmee overdracht van dossiers. Zo staat Christa Wijnakker (Beer advocaten) vijftien mensen bij en verloopt de afhandeling volgens haar goed. Tevreden Ook advocaat Thomas van Dijk is tevreden. „Er wordt meegedacht.” Hij zegt ‘conflictueuze situaties’ te vermijden. Volgens hem volgen oplossingen mede door niet een zo hoog mogelijke vergoeding na te streven. „Daar zijn cliënten ook niet op uit.” Zij willen alles volgens hem vooral afsluiten. „Mijn cliënten hebben daar klanten levenloos in de gang van het winkelcentrum zien liggen.” Daarom maken zij aanspraak op shockschade. Daarnaast willen ze vergoeding voor omscholing en opleiding, om een nieuw leven op te pakken. „Daardoor missen zij misschien wel 4 jaar inkomen en dus kan hun claim oplopen tot tonnen.” (…)” 1.8 Na deze passages volgen twee passages waar [verweerder] en [betrokkene 3] , een andere letselschade-expert, in voorkomen: “ Dat de zaak voor veel anderen nog steeds voortduurt, is volgens veel betrokkenen te wijten aan de houding van [eiser 1] . Letselschadeadvocaat [verweerder] spreekt van ‘secundaire victimisatie’: de slachtoffers worden na het schietdrama nu ook nog eens de dupe van hun belangenbehartiger. „Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers. Er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand hebben van zaken of in hun eigen belang werken, in plaats van in dat van hun cliënt. Mensen worden gouden bergen beloofd.” Ook vooraanstaand letselschade-expert [betrokkene 3] , die het dossier goed kent, spreekt van cowboys. „Er is tegenwoordig een Nationaal Keurmerk Letselschade, met professionele partijen die voldoen aan strenge kwaliteitseisen. Ik raad iedereen aan hier naar te kijken, alvorens met iemand in zee te gaan.” ” 1.9 Bij het artikel was een foto van [eiser 1] geplaatst.
Volledig
1.10 Naar aanleiding van de publicatie in het AD heeft [eiser 1] op 1 september 2021 een klacht tegen het AD en de journalist ingediend bij de Raad voor de Journalistiek. Op 16 december 2021 concludeerde de Raad voor de Journalistiek dat het AD en de journalist onzorgvuldig hebben gehandeld. In de uitspraak staat onder meer: “ DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN (…) Hij maakt in het bijzonder bezwaar tegen de uitlatingen van [verweerder] en [betrokkene 3] , door wie hij is afgeschilderd als ‘cowboy’, die zijn cliënten ‘dupeert’, ‘geen verstand van zaken heeft’ en ‘in zijn eigen belang werkt’. (…) Door deze aantijgingen is hij gediskwalificeerd; de publicatie schaadt zijn reputatie als persoon en als belangenbehartiger. Dit brengt mee dat wederhoor bij hem toegepast had moeten worden. Dat is ten onrechte niet gebeurd. (…) Doordat geen wederhoor is toegepast is klager de mogelijkheid ontnomen om de beschuldigingen – en de personen die de beschuldigingen uiten – in de juiste context te plaatsen en de beschuldigingen te nuanceren of te ontkrachten. (…) Het AD stelt hier, eveneens samengevat, het volgende tegenover. (…) Dat het lijkt alsof klager ‘niet weet hoe verder te gaan met zijn dossiers’, is geen beschuldiging van het AD, maar een persoonlijke mening van [verweerder] . Hierop is weliswaar geen gericht wederhoor geweest, maar uit de in het artikel opgenomen reactie van klager “Die stap naar de rechter zit eraan te komen (...) ” is op te maken dat hij wel degelijk weet hoe nu verder te gaan. Wat [verweerder] en [betrokkene 3] voor het overige beweren is algemeen van aard en betreft een problematiek die onderwerp is van een breder maatschappelijk debat. Klager betrekt dit ten onrechte op zichzelf. Het was dan ook niet nodig om daarover wederhoor bij hem toe te passen. (…) BEOORDELING VAN DE KLACHT (…) In dit geval wordt klager duidelijk gediskwalificeerd door het artikel en de daarin geuite beschuldigingen. Al in de intro wordt opgeworpen dat het mogelijk aan de belangenbehartiger van de slachtoffers – te weten: klager – te wijten is dat de slachtoffers nog geen schadevergoeding hebben ontvangen. Verder wordt in het artikel uitdrukkelijk vermeld dat ‘anderen naar hem wijzen’ als oorzaak in de vertraging van de schadevergoeding. In een latere passage staat wederom dat ‘volgens veel betrokkenen het voortduren van de zaak te wijzen is aan de houding van klager’. De direct daarop volgende uitlatingen van [verweerder] en [betrokkene 3] over ‘cowboys’ die ‘geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken’ zullen – ook al zijn zij mogelijk in algemene zin gedaan – door de opzet en strekking van het artikel door de gemiddelde lezer worden opgevat als kritiek op klager. (…)” 1.11 Op 1 oktober 2021 heeft (de advocaat van) [eisers] [verweerder] aansprakelijk gesteld voor zijn uitlatingen in het artikel van het AD en hem gesommeerd tot rectificatie. Bij brief van 3 oktober 2021 heeft [verweerder] de aansprakelijkheid en het verzoek om rectificatie afgewezen. 1.12 In mei 2022 is het artikel in stilte van de website van het AD verdwenen. 2 Procesverloop Eerste aanleg 2.1 Bij dagvaarding van 29 december 2021 hebben [eisers] [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank. Volgens [eisers] heeft [verweerder] onrechtmatig inbreuk gemaakt op hun eer en goede naam dan wel reputatie door in het AD stellig en zonder voorbehoud ernstige beschuldigingen te uiten, die onvoldoende steun vinden in de feiten. Mede gelet op de maatschappelijke positie van [verweerder] als advocaat en specialist op het gebied van letselschade, zijn persoonlijke belang als concurrent van [eisers] en de ernst van de (te verwachten) gevolgen voor [eisers] , zijn de uitlatingen van [verweerder] volgens [eisers] jegens hen onrechtmatig. [eisers] hebben gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat: (I) voor recht wordt verklaard dat [verweerder] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld met zijn uitlatingen in de publicatie van het AD; (II) [verweerder] wordt bevolen om zich binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis te onthouden van het hiervoor bedoelde onrechtmatig handelen en hem wordt verboden zich in soortgelijke bewoordingen over hen uit te laten; (III) [verweerder] wordt bevolen om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis de in de dagvaarding omschreven rectificatie te publiceren via het Algemeen Nederlands Persbureau, onder overlegging van een kopie van het aangeboden persbericht aan de advocaat van [eisers] ; (IV) [verweerder] wordt veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis het AD schriftelijk te verzoeken de in de dagvaarding omschreven rectificatie te publiceren op de homepage van het AD en bij het openen van de online publicatie van het AD, onder overlegging van een kopie van het verzoek aan de advocaat van [eisers] ; (V) [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag dat hij verzuimt de bevelen bedoeld onder II, III en IV na te komen; (VI) [verweerder] wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [eisers] geleden schade als gevolg van het onder (I) omschreven onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat; en (VII) [verweerder] wordt veroordeeld in de kosten van het geding. 2.2 [verweerder] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van Corpocon in haar vorderingen en tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] 2.3 Bij vonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank de vorderingen van [eisers] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld. Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden met zijn tegenover de journalist gedane uitlatingen niet onrechtmatig ten opzichte van [eisers] heeft gehandeld. Daarbij heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op de context waarin de aan [verweerder] verweten uitlatingen zijn gedaan en het doel dat hij daarmee wilde bereiken, de van de journalist te verwachten zorgvuldigheid voordat hij tot publicatie van het artikel overging en de mate waarin [verweerder] op naleving daarvan mocht vertrouwen en heeft zij in de gegeven omstandigheden geen aanleiding gezien voor door [verweerder] te nemen van verstrekkender controlemaatregelen dan hij heeft genomen. Hoger beroep 2.4 Bij appeldagvaarding van 20 maart 2023 hebben [eisers] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 december 2022. Bij memorie van grieven van 13 juni 2023 hebben [eisers] zes grieven geformuleerd. [eisers] hebben in hoger beroep, samengevat, gevorderd dat het hof het vonnis van 21 december 2022 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, alle vorderingen toewijst, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten in beide instanties, inclusief de nakosten. 2.5 [verweerder] heeft de grieven bestreden en, samengevat, geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 21 december 2022 en tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten in beide instanties, inclusief de nakosten. 2.6 Bij arrest van 7 januari 2025 (hierna: het ‘bestreden arrest’) heeft het hof geconcludeerd dat het hoger beroep van [eisers] niet slaagt, het vonnis van 21 december 2022 bekrachtigd en [eisers] veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. 2.7 Het hof heeft eerst de litigieuze passage in het AD aangehaald en de voorliggende rechtsvraag in beeld gebracht: “6.1 Deze zaak draait om de volgende passage uit het artikel van 7 april 2021 in het AD van de journalist: “ Dat de zaak voor veel andere nog steeds voortduurt, is volgens veel betrokkenen te wijten aan de houding van [eiser 1] . Letselschadeadvocaat [verweerder] spreekt van ‘secundaire victimisatie’: de slachtoffers worden na het schietdrama nu ook nog eens de dupe van hun belangenbehartiger. „Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers. Er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand hebben van zaken of in hun eigen belang werken, in plaats van in dat van hun cliënt. Mensen worden gouden bergen beloofd. ” 6.2 Deze passage heeft de journalist geschreven na een telefoongesprek met [verweerder] .
Volledig
Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om de vraag of door [verweerder] tijdens dat telefoongesprek gedane uitlatingen leiden tot schending van het grondrecht van [eisers] op bescherming van hun eer en goede naam, of dat [verweerder] een beroep toekomt op vrijheid van meningsuiting.” 2.8 Het hof heeft daarna de standpunten van partijen in grote lijnen weergegeven: “ De standpunten van [eisers] in grote lijnen 6.3 [eisers] hebben in de toelichting op grief 1 tot en met 4 naar voren gebracht dat en waarom [verweerder] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld. De redenen daarvoor komen, samengevat, op het volgende neer. Er was geen sprake van het signaleren van een missstand door [verweerder] . De rechtbank heeft in haar oordeel ten onrechte aangeknoopt bij rechtspraak die gaat over de informerende rol van de pers, maar [verweerder] is geen journalist. [verweerder] is geïnterviewd in hoedanigheid van senior advocaat en letselschadespecialist met een belang dat commercieel van aard is. Van [verweerder] wordt, als deskundige en gezien de bijzondere positie van een advocaat, een hoge mate van zorgvuldigheid vereist ten aanzien van feiten en zijn oordelen daarover. Die zorgvuldigheid heeft [verweerder] niet in acht genomen. Alles wat [verweerder] tegen de journalist heeft gezegd ging over [eisers] Dit blijkt ook uit het oordeel van de Raad voor de Journalistiek, die oordeelde dat [eisers] door [verweerder] worden gediskwalificeerd. De Raad voor de Journalistiek wijst expliciet op het feit dat de uitingen van [verweerder] , ook al zouden deze in algemene zin zijn gedaan, door de gemiddelde lezer worden opgevat als kritiek op [eisers] Dat [verweerder] op voorhand geen duidelijk beeld zou hebben gekregen van het AD-artikel doet niet ter zake, want [verweerder] had van tevoren al een voorbehoud kunnen en moeten maken. Juridisch is de wijze waarop het publiek de uitspraken opvat immers bepalend. Bovendien ontbreekt de feitelijke onderbouwing van de uitlatingen van [verweerder] , omdat de feiten uitwijzen dat [eisers] op geen enkele wijze tekortgeschoten zijn in de dienstverlening. [eisers] hebben cliënten nooit geadviseerd niet samen te werken met de VSSA of om niet over te gaan tot overdracht van schadedossiers. [eisers] betwisten de door [verweerder] gestelde gang van zaken tijdens en na het telefoongesprek met de journalist. [verweerder] had achteraf kunnen en moeten optreden indien hij het met de inhoud van het artikel niet eens was. [verweerder] heeft onvoldoende terughoudendheid betracht bij het doen van zijn uitlatingen en diende rekening te houden met de gevolgen daarvan, aldus [eisers] De weerspreking van de standpunten van [eisers] door [verweerder] 6.4 [verweerder] heeft de standpunten van [eisers] gemotiveerd weersproken. Volgens [verweerder] mogen ook anderen dan journalisten zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uitlaten over misstanden die de samenleving raken. [verweerder] is verantwoordelijk voor zijn eigen uitlatingen in de context waarin hij deze heeft gedaan. Het is juist dat [verweerder] tegen de journalist heeft gezegd dat het erop lijkt dat deze belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers; de journalist heeft deze uitspraak vervolgens in een breder kader geplaatst. [verweerder] is niet verantwoordelijk voor het artikel of de opzet daarvan, daarom is de tekst van het artikel niet leidend om te achterhalen wat [verweerder] precies heeft gezegd. [verweerder] betwist dat een gemiddelde krantenlezer begrijpt dat wat aan [verweerder] wordt toegeschreven ziet op [eisers] , maar zelfs als dit zo is dan kunnen die uitlatingen niet aan [verweerder] worden toegerekend, want [verweerder] mocht erop vertrouwen dat de journalist zijn werk zorgvuldig zou doen. Dat is niet gebeurd. Als toch zou moeten worden aangenomen dat [verweerder] met de gewraakte tekst specifiek op [eisers] gedoeld zou hebben, dan is het niet zo dat voor de beschuldigingen feitelijke grondslag ontbrak. De stelling van [eisers] dat zij hun cliënten nooit hebben geadviseerd om hun dossiers niet te delen met de VSSA staat haaks op de feiten. Er was voor [verweerder] geen aanleiding om na verschijnen van het artikel actie te ondernemen, hij heeft zijn daarin weergegeven uitlatingen begrepen zoals hij ze zelf had bedoeld. Hij heeft de nodige terughoudendheid betracht bij het doen van zijn uitlatingen. [verweerder] mocht ervan uitgaan dat adequaat hoor en wederhoor bij [eisers] zou plaatsvinden. Als wederhoor zou hebben plaatsgevonden dan waren [eisers] bekend geworden met de inhoud en dan hadden zij zelf kunnen ageren of toen contact kunnen opnemen met [verweerder] , aldus [verweerder] .” 2.9 Het hof heeft vervolgens het relevante toetsingscriterium gegeven: “ Toetsingscriterium 6.5 Het gaat in deze zaak om een botsing van twee rechten: het recht op de vrijheid van meningsuiting van [verweerder] en het recht op bescherming van de eer en goede naam van [eisers] Het eerste recht wordt beschermd door artikel 10 EVRM dat betrekking heeft op de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zoals ook gewaarborgd in artikel 7 Grondwet. Het recht op bescherming van de eer en goede naam, ook van commerciële ondernemingen, valt onder het recht op privacy van artikel 8 EVRM, zoals ook gewaarborgd in artikel 10 Grondwet. 6.6 Toewijzing van de vorderingen van [eisers] zou een beperking inhouden van het hiervoor bedoelde recht op vrijheid van meningsuiting van [verweerder] . Uitgangspunt is dat dit recht alleen kan worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake wanneer de uitlatingen van [verweerder] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. 6.7 Bij de te maken afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan één van voornoemde rechten. Bij de beantwoording van de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer, goede naam en reputatie – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Welke van de belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. De toetsing dient dus in één keer (…) te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle van belang zijnde omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 10 lid 2 EVRM, dan wel van artikel 8 lid 2 EVRM (Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627). In uitspraken van het EHRM en van de Hoge Raad zijn voor de te maken afweging gezichtspunten ontwikkeld die in het algemeen van belang kunnen voor de beoordeling van zaken als deze. Deze gezichtspunten zijn niet limitatief. Er kunnen ook andere gezichtspunten relevant zijn in het kader van de beoordeling.” 2.10 In het kader van de te verrichten belangenafweging heeft het hof eerst de wederzijdse belangen van partijen in kaart gebracht: “ Wederzijdse belangen van partijen 6.8 Tussen partijen is niet in geschil dat het belang van [eisers] erin is gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan beschuldigingen en aantasting van hun eer en goede naam. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het belang van [verweerder] erin is gelegen, dat hij zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uit moet kunnen laten over misstanden die de samenleving raken. Anders dan [eisers] stellen, is dat belang niet voorbehouden aan de pers. 6.9 Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] vanwege zijn achtergrond als gespecialiseerd letselschadeadvocaat door de journalist is benaderd om als deskundige uitlatingen te doen over de schadeafhandeling van het schietincident in Alphen aan den Rijn. Verder geldt dat deskundigen een wezenlijke functie hebben ter ondersteuning van een open, publiek debat over kwesties van algemeen belang.
Volledig
Als deskundigen zich daarover niet zouden mogen uitlaten, levert dit in beginsel een ongewenste belemmering op voor een open debat waarin alle invalshoeken aan de orde komen. Dat [verweerder] vanwege zijn achtergrond bij het doen van zijn uitlatingen (ook) enig commercieel belang zou kunnen hebben, zoals [eisers] stellen, brengt niet mee dat [verweerder] zich niet zou mogen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Bovendien heeft [verweerder] voldoende weersproken dat daar in het kader van het schietincident sprake van was. Dat incident vond immers plaats in 2011. Het ligt daarom in de rede, zoals [verweerder] naar voren brengt, dat alle slachtoffers al een belangenbehartiger hadden toen hij zijn uitlatingen deed in 2021. Als er slachtoffers waren die ontevreden waren met de dienstverlening van [eisers] , ligt het bovendien veeleer voor de hand dat deze zouden overstappen naar Beer Advocaten, het kantoor dat bij de rechtszaak tegen de Politie betrokken was geweest. 6.10 Dat [verweerder] , gelet op zijn achtergrond, als deskundig kan worden gezien op het gebied van het letselschaderecht, brengt wel mee dat van hem mag worden verwacht dat hij met de nodige zorgvuldigheid en met kennis van zaken uitspraken doet over de met deze deskundigheid verband houdende kwesties die de samenleving raken. De lezers van het artikel van het AD, waarin hij als letselschadeadvocaat wordt gepresenteerd, zullen er immers ook vanuit gaan dat hij deskundig is. Het hof zal hierna beoordelen of [verweerder] bij het doen van zijn uitlatingen de nodige zorgvuldigheid heeft betracht.” 2.11 Het hof heeft daarna vooropgesteld dat hij alle van belang zijnde omstandigheden in zijn oordeelsvorming moet betrekken en heeft in dit verband zes algemene en specifieke gezichtspunten geformuleerd waarop hij de door hem te maken afweging heeft gebaseerd: “ Afweging van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval 6.11 Bij de afweging welke van de voornoemde belangen prevaleert moet het hof alle van belang zijnde omstandigheden betrekken. Vooropgesteld wordt dat het hier gaat om een situatie waarin [verweerder] niet rechtstreeks in de media uitlatingen heeft gedaan. [verweerder] deed zijn uitlatingen aan een journalist tijdens een (onaangekondigd) telefoongesprek. De journalist heeft de uitlatingen van [verweerder] vervolgens verwerkt in de gewraakte passage van het artikel. 6.12 Dit betekent dat het hof zich voor de te maken afweging niet alleen baseert op de gezichtspunten die in het algemeen van belang kunnen voor de beoordeling van zaken als deze, maar ook een aantal specifieke gezichtspunten van belang acht. Het gaat om de volgende gezichtspunten, die het hof hieronder zal bespreken en vervolgens zal wegen: (a) In welke context zijn de uitlatingen gedaan? (b) Vinden de uitlatingen van [verweerder] voldoende steun in de feiten? (c) Dragen de uitlatingen bij aan een debat van maatschappelijk belang? (d) Heeft [verweerder] voldoende (controle)maatregelen getroffen? (e) Wat is de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt? (f) Wat is de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eisers] ?” 2.12 Het hof heeft vervolgens de door hem aangeduide gezichtspunten afzonderlijk besproken. 2.13 Het hof heeft in het kader van gezichtspunt (a) – in welke context zijn de uitlatingen gedaan? – vooropgesteld dat de wijze waarop de uitlatingen van [verweerder] door de journalist in het artikel zijn verwerkt in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist is en dat [verweerder] in beginsel alleen verantwoordelijk is voor zijn eigen uitlatingen in de context waarin hij deze heeft gedaan. Volgens het hof heeft [verweerder] slechts één uitlating gedaan die rechtstreeks betrekking op [eiser 1] heeft en heeft hij de rest van zijn uitlatingen in algemene zin gedaan: “ (a) In welke context zijn de uitlatingen gedaan? 6.13 Volgens [eisers] hebben de rechtbank en ook de Raad voor de Journalistiek geoordeeld dat de uitlatingen van [verweerder] – ook al zouden ze in algemene zin zijn gedaan – door de gemiddelde lezer zullen worden opgevat als kritiek op [eisers] Voor de vraag of de uitlatingen onrechtmatig zijn, is de wijze waarop het publiek de uitlatingen opvat bepalend, aldus [eisers] Het hof ziet dit anders. De context waarin de uitlatingen die [verweerder] tijdens het telefoongesprek deed in het artikel terecht zijn gekomen, is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist. Dat hebben [eisers] op zich ook onderkend door het indienen van een klacht tegen de journalist en het AD bij de Raad voor de Journalistiek. 6.14 [verweerder] is in beginsel alleen verantwoordelijk voor zijn eigen uitlatingen in de context waarin hij deze heeft gedaan. Dit zou anders kunnen zijn als hij voor publicatie van het artikel, bepaalde maatregelen had kunnen en moeten treffen (bv. het maken van voorbehouden, het vragen om voorinzage) en dit heeft nagelaten of ten onrechte niet heeft opgetreden na de publicatie van het artikel (als hij van mening was dat zijn woorden verdraaid waren). Op dit punt zal het hof hierna ingaan (onder 6.33 e.v.). 6.15 Deze zaak wordt erdoor gekenmerkt dat [verweerder] de – volgens [eisers] onrechtmatige – uitlatingen heeft gedaan in een telefoongesprek tussen [verweerder] en de journalist. Van dat gesprek is geen opname of iets dergelijks beschikbaar. Dat betekent echter niet dat het aan [verweerder] is om de juistheid te bewijzen van wat volgens hem de inhoud van dit gesprek is geweest. De stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden die maken dat sprake is van een onrechtmatig handelen van [verweerder] rusten op [eisers] beroepen zich immers op de rechtsgevolgen van die uitlatingen. Hierbij komt nog dat de stellingen van [verweerder] over de inhoud van het gesprek met de journalist aannemelijk zijn in het licht van de tekst van het artikel en hetgeen overigens vaststaat. Het hof zal dit hierna toelichten. 6.16 Volgens [eisers] volgt uit de gewraakte passage van het artikel dat alles wat [verweerder] tegen de journalist heeft gezegd ontegenzeggelijk specifiek betrekking had op [eisers] De passage staat volgens [eisers] bol van ernstige beschuldigingen die toe te rekenen zijn aan [verweerder] , namelijk: het voortduren van de zaak is volgens betrokkenen te wijten aan de houding van [eiser 1] ; secundaire victimisatie; na het schietdrama ook nog eens de dupe van hun belangenbehartiger; de belangenbehartiger weet niet hoe verder te gaan; teveel cowboys in de markt; geen verstand van zaken; werken in het eigen belang in plaats van het belang van de cliënt; gouden bergen beloven. 6.17 [verweerder] brengt daar tegenin dat alleen zijn uitlating “ Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers ” specifiek gaat over [eiser 1] , maar dat hij de rest van de geciteerde uitlatingen in de passage heeft gedaan in een algemene context. [verweerder] brengt verder naar voren dat hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel onverwacht is gebeld door de journalist en de journalist hem heeft gevraagd naar zijn ervaringen met de afwikkeling van de schade van de slachtoffers van het schietincident. Volgens [verweerder] vertelde de journalist hem dat hij een publicatie in voorbereiding had over het Alphense schietincident, met name over de ervaringen van slachtoffers en nabestaanden bij de afhandeling van hun schade. Onder verwijzing naar eerdere gesprekken met anderen over dit onderwerp, vertelde de journalist vervolgens dat hij had vernomen dat [eiser 1] zijn cliënten afraadde om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA, tenzij hun eerst een royaal voorschot zou worden betaald. Daarop reageerde [verweerder] tijdens het telefoongesprek, zo voert [verweerder] aan, met de letterlijk in de passage gepubliceerde worden: “ Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers ”. [verweerder] heeft die uitspraak daarna geplaatst in een breder kader van belangenbehartigers die wél de aansprakelijkheid rondkrijgen, maar vervolgens vastlopen in het taaie schaderegelingstraject.
Volledig
In deze algemene zin heeft hij gesproken van secundaire victimisatie en in algemene context de uitspraak gedaan: “ Er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand van [z] aken hebben of in hun eigen belang werken, in plaats van dat van hun cliënt. Mensen worden gouden bergen beloofd ”. De door [eisers] aan hem toegedichte uitlating “ de slachtoffers worden na het schietdrama nu ook nog eens de dupe van hun belangenbehartiger ” is niet van hem afkomstig, maar is een toevoeging van de journalist. Door [verweerder] is niet gezegd dat bij de cliënten van [eisers] sprake is van secundaire victimisatie, aldus [verweerder] . 6.18 Naar het oordeel van het hof kan niet aan de hand van (enkel) de tekst van de gewraakte passage worden vastgesteld wat [verweerder] precies tegen de journalist heeft gezegd. De journalist heeft immers de uitlatingen van [verweerder] tijdens het telefoongesprek deels in eigen woorden verwerkt in deze passage, die onderdeel is van een omvangrijk artikel. 6.19 Dat [verweerder] de uitlating “ Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers ” heeft gedaan in vervolg op het verhaal van de journalist over de gesprekken met anderen en in reactie op de mededeling van de journalist dat [eisers] cliënten afraadden om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA tenzij hun eerst een royaal voorschot zou worden betaald, is aannemelijk. Dat het zo is gegaan sluit aan bij de opzet van het artikel: eerst is in het artikel de vraag geponeerd “ Wie vertraagt de schadevergoeding voor de slachtoffers schietdrama Alphen? Ruim honderd overlevenden en nabestaanden van de schietpartij in Alphen aan den Rijn wachten nog altijd op smartengeld. Werkt de politie tegen of is hun belangenbehartiger te inhalig? ” (zie 3.5). Daarna is weergegeven dat [eiser 1] zijn cliënten afraadde om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA, tenzij hun eerst een voorschot van € 10.000,- zou worden betaald. Vervolgens komt er een stuk over wat [betrokkene 1] van [A] en VSSA-secretaris [betrokkene 2] hiervan vinden en wordt weergegeven wat de ervaringen van andere advocaten zijn met de schadeafhandeling met de VVSA (zie 3.6). 6.20 Dat alleen de zin “ Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers ” een persoonlijke mening is van [verweerder] en hij die uitspraak daarna in een algemeen kader heeft geplaatst van belangenbehartigers die geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken, is gelet op de bewoordingen van het citaat, evenzeer aannemelijk. Dat “ cowboys ” niet terugverwijst naar [eisers] blijkt uit het feit dat cowboys in meervoud wordt weergegeven, terwijl [eisers] in de passage als “ de belangenbehartiger ” en dus in enkelvoud wordt aangeduid. 6.21 Dat [verweerder] eerst een persoonlijke mening heeft gegeven en daarna in een breder kader uitlatingen heeft gedaan, sluit ook aan bij hetgeen aan de orde is gekomen tijdens de zitting bij de Raad voor de Journalistiek. Uit de uitspraak van de Raad voor de Journalistiek blijkt namelijk dat het AD in die procedure het standpunt heeft ingenomen “ Dat het lijkt alsof klager ‘niet weet hoe verder te gaan met zijn dossiers’, [ ] geen beschuldiging van het AD [is], maar een persoonlijke mening van [verweerder] ” en verder “ Wat [verweerder] en [betrokkene 3] voor het overige beweren is algemeen van aard en betreft een problematiek die onderwerp is van een breder maatschappelijk debat. Klager betrekt dit ten onrechte op zichzelf ” (zie 3.8). 6.22 Hoewel het, gelet op de onderbouwde betwisting van [verweerder] over het verloop van het telefoongesprek, op de weg van [eisers] had gelegen, hebben [eisers] geen bewijsaanbod gedaan toegespitst op de stelling dat de uitlatingen van [verweerder] tijdens het telefoongesprek allemaal gericht waren tegen [eisers] in beschuldigende zin. [eisers] hadden hierover de journalist en/of [verweerder] kunnen (doen) horen. Deze stelling is daarom niet komen vast te staan. Nu bovendien – zoals volgt uit het voorgaande – aannemelijk is wat [verweerder] naar voren heeft gebracht over de inhoud van het telefoongesprek neemt het hof de lezing van [verweerder] hierover tot uitgangspunt.” 2.14 Het hof heeft in het kader van gezichtspunt (b) – vinden de uitlatingen van [verweerder] voldoende steun in de feiten? – geoordeeld dat de uitlating van [verweerder] , die rechtstreeks betrekking op [eiser 1] heeft, voldoende steun vindt in de (door de journalist aan [verweerder] voorgehouden) feiten, waarvan [verweerder] de juistheid niet behoefde te betwijfelen: “ (b) Vinden de uitlatingen van [verweerder] voldoende steun in de feiten? 6.23 Een belangrijke factor is of de uitlatingen van [verweerder] voldoende steun hebben in de feiten waarover [verweerder] op het moment van de uitlatingen beschikte of (als deskundige) kon worden geacht te beschikken. 6.24 In de omstandigheden van deze zaak is bepalend op welke door de journalist aan hem voorgehouden informatie [verweerder] zijn uitlating “ Het lijkt er op dat… ” baseerde. [verweerder] mocht uitgaan van de juistheid wat hem door de journalist werd voorgehouden, en mocht daarop reageren, tenzij hij goede reden had te twijfelen aan de juistheid van wat de journalist hem vertelde. Volgens [verweerder] heeft de journalist hem voorgehouden dat [eiser 1] cliënten afraadde om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA, tenzij hun eerst een voorschot van € 10.000,- zou worden betaald. Hiervan uitgaande vindt de uitlating van [verweerder] dat “ Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossier ” voldoende steun in de feiten. Het is, zoals [verweerder] ook stelt, bij de afhandeling van personenschade niet gebruikelijk dat eerst wordt betaald en dat daarna pas de schade hoeft te worden aangetoond. Bovendien, zo blijkt uit het artikel, kwamen andere belangenbehartigers van slachtoffers van het schietincident die wel overgingen tot het overdragen van de schadedossiers aan de VSSA tot een succesvolle schadeafhandeling voor hun cliënt. [verweerder] mocht op basis van deze aan hem door de journalist voorgehouden informatie, het advies van [eiser 1] dus geen goed advies vinden. Zeker nu dit advies, indien dit zou worden opgevolgd, schadelijke gevolgen voor slachtoffers en nabestaanden kon hebben. Bovendien heeft [verweerder] zijn uitlating in reactie op de hem door de journalist voorgehouden informatie door de woorden “ Het lijkt erop dat… ” met gepaste terughoudendheid vormgegeven. 6.25 Bij het voorgaande komt nog dat de informatie die de journalist [verweerder] naar zijn zeggen heeft voorgehouden, ook overigens voldoende steun vindt in de feiten. Er was dus ook geen sprake van een situatie waarin [verweerder] goede reden had moeten hebben te twijfelen aan de juistheid van die informatie. 6.26 De informatie vindt allereerst steun in het artikel zelf, waarin staat:: “ (…) raadsman [eiser 1] wil niets van die stichting weten. (…) [eiser 1] , wiens cliënten volgens hem elk recht hebben op minstens 25.000 euro, raadt iedereen af om een machtiging te tekenen, die nodig is om schadedossiers over te dragen: „Die stichting wil mijn mensen afschepen met een fooi. Laat ze eerst met een voorschot komen van 10.000 euro. Dan komt er vertrouwen ”. Als [eisers] de inhoud van deze passage, of het daarin opgenomen citaat, feitelijk onjuist hadden gevonden, dan had het voor de hand gelegen dat zij daar bij de Raad voor de Journalistiek tegen opgekomen waren. Dit is niet het geval geweest. Bovendien blijkt uit het artikel dat zowel [betrokkene 1] van [A] als [betrokkene 2] van de VSSA bevestigen dat machtigingen achterwege bleven of werden ingetrokken. [betrokkene 1] koppelt dit ook aan de belangenbehartiger, doordat hij in het citaat zegt “ Waar ben je dan mee bezig als belangenbehartiger? ” (zie 3.6). 6.27 De informatie die de journalist [verweerder] naar zijn zeggen heeft voorgehouden vindt daarnaast steun in eerdere uitingen van [eiser 1] zelf in de media.
Volledig
[verweerder] heeft gewezen op een artikel van 29 februari 2020 in het AD waarin staat: “ De politie begrijpt dat dit hele proces voor betrokkenen lang duurt en dat het korps nu opnieuw een beroep doet op hun geduld”, reageerde een politiewoordvoerder vrijdag. Die benadrukte ook dat het fonds voorlopig niet tot uitkering van schade kan overgaan en kaatste daarbij de bal terug richting [eiser 1] : “De belangenbehartiger van de grootste groep slachtoffers wordt al sinds september gevraagd om documenten waarmee de omvang van individuele schades kan worden bepaald. Die zijn tot op heden niet ontvangen. Zonder kan het fonds geen claims beoordelen.” Volgens [eiser 1] zijn op dit moment twee schadestaten van cliënten volledig. “Politie en Achmea brengen dit naar buiten om verdeeldheid te zaaien tussen mij en mijn cliënten. Het is één van hun vieze trucjes. ” In datzelfde artikel zegt [eiser 1] over het door de Politie en Achmea ingestelde fonds: “ Wij erkennen het door politie en Achmea opgezette fonds niet, want wij zitten er niet in. Desnoods stappen we naar de rechter om af te dwingen dat onze belangen op de juiste wijze zullen worden bewaakt”, kondigt de Alphense letselschadejurist aan ”. 6.28 [eiser 1] bevestigt hier het verhaal van de Politie dat de schadeomvang van veel slachtoffers niet in kaart is gebracht. Hij geeft aan dat er op dat moment twee schadestaten van cliënten volledig waren. Bovendien zegt [eiser 1] zelf de VSSA niet te erkennen; dat [eisers] cliënten afraadden om hun schadedossiers over te dragen aan de VSSA ligt daarmee in lijn. 6.29 De door [eisers] overlegde machtigingsformulieren waarmee [eisers] willen onderbouwen het advies niet aan hun cliënten te hebben gegeven, maakt het voorgaande niet anders. Eén formulier is niet ingevuld. Van het tweede formulier, de ingevulde machtiging, is de authenticiteit niet vast te stellen. Bovendien is niet duidelijk of dat formulier ook daadwerkelijk is verzonden aan de VSSA. 6.30 Verder merkt het hof nog op dat [eisers] hun opstelling ten opzichte van de VSSA blijkens voorgaande citaten zelf ook naar buiten gebracht hebben gebracht. Dat, zoals [eisers] stellen, [verweerder] geen enkele kennis kon hebben van het schadeafhandelingstraject, is dus niet juist. 6.31 In hoeverre het gebruik van de term “ secundaire victimisatie ” en de uitlatingen van [verweerder] over “ cowboys ” die “ geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken ” steun vinden in de feiten, is niet van belang. Uitgangspunt is immers dat deze uitlatingen niet specifiek betrekking hadden op [eisers] [verweerder] deed deze uitlatingen in algemene context.” 2.15 In het kader van gezichtspunt (c) – dragen de uitlatingen bij aan een debat van maatschappelijk belang? – heeft het hof overwogen dat de uitlatingen van [verweerder] , zowel die met betrekking tot [eiser 1] als die in algemene zin, onderdeel vormen van een debat over een kwestie van maatschappelijk belang, wat meebrengt dat veel ruimte en gewicht aan de vrijheid van meningsuiting toekomt en dat er zwaarwegende redenen moeten zijn om daarin in te grijpen: “ (c) Dragen de uitlatingen bij aan een debat van maatschappelijk belang? 6.32 De uitlatingen van [verweerder] , zowel de uitlating betrekking hebbend op [eiser 1] zelf als de uitlatingen gedaan in een algemene context, gaan over de wijze waarop door belangenbehartigers wordt opgetreden in letselschadezaken. Deze is al langer onderdeel van het publieke debat. Dit blijkt uit de artikelen waarnaar [verweerder] heeft verwezen. [verweerder] heeft, zo volgt uit een door hem geschreven artikel, zich al eerder in deze discussie gemengd. Verder heeft [verweerder] naar voren gebracht dat ook de politiek deze kwestie ter harte neemt, volgens [verweerder] laatstelijk tijdens het notaoverleg Slachtofferbeleid op 28 oktober 2020, waarin een groot aantal moties is aangenomen waarmee de Tweede Kamer de Minister opdraagt om verregaand in te grijpen in de bestaande praktijk rond de afwikkeling van letselschade. [verweerder] heeft daarmee voldoende toegelicht dat de publicatie in het Algemeen Dagblad en de uitlatingen van [verweerder] onderdeel vormen van een debat van maatschappelijk belang. Dit brengt mee dat veel ruimte en gewicht toekomt aan de vrijheid van meningsuiting en er zwaarwegende redenen moeten zijn om daarin in te grijpen. Een open en kritisch publiek debat is immers wezenlijk voor een democratische samenleving. Dat een advocaat zich, zoals [eisers] hebben aangevoerd, volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens “discreet, eerlijk en waardig” dient uit te laten maakt het voorgaande niet anders. Ook een advocaat mag (kritisch) deelnemen aan het maatschappelijk debat.” 2.16 In het kader van gezichtspunt (d) – heeft [verweerder] voldoende (controle)maatregelen getroffen? – heeft het hof geoordeeld dat [verweerder] geen verder voorbehoud behoefde te maken dan dat hij heeft gedaan (“ Het lijkt erop dat… ”), dat hij niet onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door na de publicatie van het artikel niet (alsnog) in te grijpen en dat hij mocht verwachten dat de journalist zijn werk goed zou doen en ervan mocht uitgaan dat adequaat hoor en wederhoor bij [eisers] zou plaatsvinden: “ (d) Heeft [verweerder] voldoende (controle)maatregelen getroffen? 6.33 De Raad voor Journalistiek heeft geoordeeld dat de uitlatingen van [verweerder] en [betrokkene 3] over “ cowboys ” die “ geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken ” – ook al zijn zij mogelijk in algemene zin gedaan – door de opzet en strekking van het artikel door de gemiddelde lezer zullen worden opgevat als kritiek op klager. Zoals overwogen is [verweerder] in beginsel alleen verantwoordelijk voor zijn eigen uitlatingen in de context waarin hij deze heeft gedaan, maar zou dit zou anders kunnen als hij maatregelen had moeten treffen voor publicatie van het artikel (bv. het maken van voorbehouden, het vragen om voorinzage) en dit heeft nagelaten of ten onrechte niet heeft opgetreden na de publicatie van het artikel (als hij van mening was dat zijn woorden verdraaid waren). Tegen deze achtergrond komt de vraag op of [verweerder] voldoende (controle)maatregelen heeft getroffen. 6.34 [eisers] verwijten [verweerder] tijdens het telefoongesprek geen voorbehoud te hebben gemaakt. Dat had hij moeten doen, omdat hij de feiten niet kende. In elk geval had [verweerder] na de publicatie van het artikel moeten protesteren bij het AD. Dit heeft [verweerder] ten onrechte niet gedaan, aldus [eisers] 6.35 [verweerder] heeft daar tegenin gebracht dat hij de journalist aan het eind van het telefoongesprek om de toezegging heeft gevraagd dat het artikel, voor zover daarin het gesprek met hem is aangehaald, aan hem ter goedkeuring zou worden voorgelegd voor publicatie. De journalist heeft vervolgens, aldus [verweerder] , alleen de volgende citaten voorgelegd “ Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers. ” en “ Er zijn teveel cowboys in de markt, die geen verstand van zaken hebben of in hun eigen belang werken, in plaats van in dat van hun cliënt. Mensen worden gouden bergen beloofd. ” De passage over secundaire victimisatie die hij algemeen had bedoeld en de link die in de publicatie van het AD wordt gelegd met de slachtoffers van het schietincident zijn volgens [verweerder] niet door de journalist voorafgaand aan de publicatie van het artikel aan hem voorgelegd. Verder heeft [verweerder] naar voren gebracht dat er bij lezing van het artikel voor hem geen aanleiding was actie te ondernemen. Hij heeft de passage waarin hij voorkomt begrepen overeenkomstig wat hij naar voren heeft gebracht. Het deel van de passage over dat “ het niet weten hoe verder te gaan ” sloeg op [eisers] en het overige had een algemenere strekking. 6.36 Dat [verweerder] voorinzage heeft gevraagd en gekregen in het artikel, voor zover dit de weergave betrof van het door de journalist met hem gevoerde telefoongesprek, wordt door [eisers] weersproken. [verweerder] heeft aangegeven niet meer te beschikken over de e-mail waarmee de voorinzage is gegeven.
Volledig
6.37 Zoals hiervoor overwogen, mocht [verweerder] tijdens het gesprek afgaan op de informatie die de journalist hem voorhield. Hij behoefde bij zijn uitlatingen geen verdere voorbehouden te maken dan hij heeft gedaan (“ Het lijkt erop dat… ”). Verder kan in het midden blijven of juist is dat [verweerder] voor de publicatie van het artikel alleen de door hem genoemde passages voorgelegd heeft gekregen. Het hof is namelijk van oordeel dat [verweerder] , ook als hij toen de gehele passage voorgelegd had gekregen, niet onrechtmatig zou hebben gehandeld door niet in te grijpen. [verweerder] hoefde de passage niet te lezen vanuit het oogpunt van de gemiddelde krantenlezer. Dat was de taak van [verweerder] niet, hij is geen journalist. [verweerder] mocht de passage lezen met in zijn achterhoofd het verloop van zijn gesprek met de journalist. Aldus bezien is het begrijpelijk dat [verweerder] zijn geciteerde uitlatingen begreep zoals hij ze ook had bedoeld. Het voorgaande betekent dat ook de omstandigheid dat [verweerder] niet (alsnog) heeft ingegrepen ná de publicatie van het artikel niet meebrengt dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld. 6.38 Ook als de wijze waarop de uitlatingen van [verweerder] in de passage terecht zijn gekomen, [verweerder] hadden moeten doen twijfelen over de mogelijke gevolgen daarvan, leidt dit niet tot het oordeel dat [verweerder] daarmee de grenzen van het aanvaardbare heeft overschreden. [verweerder] mocht immers verwachten dat de journalist zijn werk goed zou doen en mocht ervan uitgaan dat adequaat hoor en wederhoor bij [eisers] zou plaatsvinden. Dat dit niet is gebeurd staat inmiddels vast, maar dat wist [verweerder] niet voor het uitkomen van het artikel en ook niet vlak erna. Als de journalist wel hoor en wederhoor had gepleegd, hadden [eisers] zelf over de in de publicatie vervatte uitlatingen van [verweerder] in discussie kunnen gaan met de journalist en zo nodig tijdig passende (rechts)maatregelen kunnen nemen om de publicatie in deze vorm te voorkomen. [eisers] zijn daarvan zelf ook uitgegaan, naar volgt uit de procedure bij de Raad voor de Journalistiek. In die procedure hebben zij immers betoogd dat hun, doordat geen wederhoor is toegepast, de mogelijkheid is ontnomen om de beschuldigingen te ontkrachten, te nuanceren of in de juiste context te plaatsen (zie 3.8).” 2.17 Het hof heeft in het kader van gezichtspunt (e) – wat is de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt? – weliswaar aangenomen dat [verweerder] er rekening mee moest houden dat zijn uitlatingen een groot publiek zouden bereiken, maar tegelijkertijd geoordeeld dat dit in het licht van de overige omstandigheden van het geval niet maakt dat [verweerder] zijn uitlatingen niet mocht doen: “ (e) Wat is de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt? 6.39 [verweerder] moest er rekening mee houden dat informatie die hij gaf aan de journalist potentieel een groot publiek zou bereiken. Zoals hierna nog zal worden toegelicht (zie 6.41), maakt dit in het licht van de overige omstandigheden niet dat [verweerder] zich van zijn uitlatingen moest onthouden.” 2.18 In het kader van gezichtspunt (f) – wat is de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eisers] ? – heeft het hof overwogen dat [verweerder] er rekening mee moest houden dat zijn uitlating, die rechtstreeks betrekking op [eiser 1] heeft, de reputatie van [eisers] zou kunnen aantasten: “ (f) Wat is de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eisers] ? 6.40 Ook was voor [verweerder] voorzienbaar dat zijn uitlating, voor zover die betrekking had op [eiser 1] zelf (te weten: “ Het lijkt erop alsof de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers ”) wanneer deze in de krant zou verschijnen de reputatie van [eisers] zou kunnen aantasten. Hierbij merkt het hof wel op dat, zoals hiervoor al overwogen, [verweerder] bij het doen van deze uitlating gelet op de woorden “ Het lijkt erop dat… ” gepaste terughoudendheid in acht heeft genomen.” 2.19 Het hof heeft ten slotte een afweging gemaakt van alle hiervoor genoemde omstandigheden en is tot de slotsom gekomen dat [verweerder] niet onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld: “ Slotsom met betrekking tot de grieven 1 t/m 4 6.41 Zoals blijkt het voorgaande is het hof, op basis van een weging van de hierboven besproken omstandigheden, van oordeel dat [verweerder] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] [verweerder] heeft zijn uitlatingen gedaan in een telefoongesprek met de journalist. De wijze waarop de uitlatingen van [verweerder] tijdens dit telefoongesprek door de journalist in het artikel zijn verwerkt, is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist. [verweerder] is in beginsel alleen verantwoordelijk voor zijn eigen uitlatingen in de context waarin hij deze heeft gedaan. Het hof neemt gezien het voorgaande tot uitgangspunt dat [verweerder] één uitlating (“ Het lijkt erop dat.. ”) heeft gedaan die rechtstreeks betrekking heeft op [eiser 1] en de rest van zijn uitlatingen in algemene zin. De uitlating die ging over [eiser 1] vindt voldoende steun in de (door de journalist aan [verweerder] voorgehouden) feiten, waarvan [verweerder] de juistheid niet behoefde te betwijfelen. Dat hij er rekening mee moest houden dat zijn uitlating, in het bijzonder de uitlating die specifiek betrekking had op [verweerder] een groot publiek zou bereiken en negatieve gevolgen kon hebben voor [eisers] , maken niet dat [verweerder] die uitlating niet mocht doen. Dit geldt te meer, nu [verweerder] die uitlating met terughoudendheid naar voren heeft gebracht. Ook weegt mee dat [verweerder] die uitlating, net als de uitlatingen die hij in algemene context heeft gedaan, als deskundige heeft gedaan in het kader van een artikel dat een onderdeel vormt van een debat over een kwestie van maatschappelijk belang. Dat betekent dat er zwaarwegende redenen moeten zijn om de uitingsvrijheid van [verweerder] te beperken. Dit alles afwegende maakt dat [verweerder] met zijn in het telefoongesprek met de journalist gedane uitlatingen de grenzen van het aanvaardbare niet heeft overschreden. Dat de wijze waarop de uitlatingen van [verweerder] in het artikel terecht zijn gekomen volgens de Raad voor de Journalistiek, door de opzet en strekking van het artikel door de gemiddelde lezer worden opgevat als (ontoelaatbare) kritiek op klager, maakt niet dat [verweerder] door het doen van zijn uitlatingen tijdens het telefoongesprek met de journalist onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] Er was geen grond waarop [verweerder] in actie had moeten komen voor of na de publicatie van het artikel. 6.42 Dit betekent dat de grieven 1 tot en met 4 falen.” Cassatie 2.20 Bij procesinleiding van 7 april 2025 hebben [eisers] tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Bij verweerschrift van 6 juni 2025 heeft [verweerder] geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eisers] hebben gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 De procesinleiding vangt aan met een ongenummerde paragraaf “ Kern van de zaak ”, waarin [eisers] schetsen waar de zaak volgens hen om draait. In paragraaf 1 “ Inleiding ” en paragraaf 2 “ Achtergrond van het geschil ” volgt een introductie, waarin [eisers] de achtergrond van en de aanloop naar de onderhavige zaak schetsen. Paragraaf 3 “ Middel van cassatie ” bevat het cassatiemiddel dat in paragraaf 4 “ Klachten ” wordt uitgewerkt. Deze laatste paragraaf vangt aan met “ Algemene uitgangspunten ”, die, gelet op randnummer 4.1 van de procesinleiding, dienen ter onderbouwing van alle klachten. Daarop volgt “ Het arrest van het hof ”, dat, gelet op randnummer 4.15 van de procesinleiding, in samenhang met klacht 1 moet worden gelezen. Er volgen vijf met Arabische cijfers aangeduide klachten. Klacht 2, 3 en 4 zijn opgedeeld in sub-klachten. 3.2 Voordat ik toekom aan de bespreking van de klachten, schets ik eerst kort het relevante juridisch kader. Juridisch kader 3.3 Het gaat in de onderhavige zaak om een botsing van het recht op privé-, familie- en gezinsleven uit art.
Volledig
8 EVRM en het recht op vrijheid van meningsuiting uit art. 10 EVRM. De vaste rechtspraak van Uw Raad over dit onderwerp is als volgt. Het antwoord op de vraag welk van beide fundamentele rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat aan een van beide rechten voorrang toekomt. Het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van, al naar gelang de situatie, art. 8 of 10 EVRM. 3.4 In de rechtspraak van Uw Raad en die van het EHRM zijn gezichtspunten te ontwaren, die van belang kunnen zijn bij de door de rechter te maken afweging. Deze gezichtspunten vormen geen limitatieve reeks. Voor zover ik weet hebben Uw Raad en het EHRM zich nog niet hoeven uitlaten over uitingen die een advocaat als geïnterviewde heeft gedaan over een zaak waarbij de advocaat niet zelf inhoudelijk betrokken is of was. Er is dus geen specifieke, precies passende, rechtspraak waaraan gezichtspunten kunnen worden ontleend of waarmee parallellen kunnen worden getrokken. De uitspraak Morice/Frankrijk , waarnaar ook in de procesinleiding wordt verwezen, komt wat de feiten van de zaak betreft in de buurt van de onderhavige zaak. Over deze uitspraak kom ik nader te spreken bij de behandeling van de klachten (randnummers 3.17-3.20). Bij de behandeling van de klachten zal ik, waar relevant, ook de overige rechtspraak, waarnaar in de procesinleiding wordt verwezen, alsmede andere rechtspraak betrekken. 3.5 Ten slotte merk ik hier nog op dat het vaste rechtspraak van Uw Raad is dat het in beginsel aan de feitenrechter is overgelaten om vast te stellen wat de ter zake dienende omstandigheden van het geval zijn en welk gewicht daaraan in onderling verband behoort te worden toegekend. De oordelen van het hof in de onderhavige zaak zijn dan ook in beperkte mate in cassatie toetsbaar. “Algemene uitgangspunten” 3.6 Onder het kopje “ Algemene uitgangspunten ” beschrijven [eisers] het toepasselijk juridisch kader. 3.7 Zij stellen voorop dat diffamerende beschuldigingen in beginsel onrechtmatig zijn en dat moet worden nagegaan of voor een beschuldiging een afdoende rechtvaardiging bestond in de zin dat de beschuldiging voldoende steun vond in de beschikbare feiten, voldoende aannemelijk was en het daartoe redelijkerwijs te verlangen onderzoek was verricht. Bij de beantwoording van de vraag of een uitlating smaad oplevert dan wel onzorgvuldig is, is volgens [eisers] niet van belang of sprake is van opzet, al is het opzettelijk doen van een onjuiste uitlating volgens hen per definitie onrechtmatig. 3.8 [eisers] stellen dat het inperken van de rechten uit art. 8 en 10 EVRM onder voorwaarden is toegestaan en dat de nationale rechter een “ fair balance ” moet vinden tussen de in deze zaak tegenover elkaar staande artikelen 8 en 10 EVRM. Welk van de twee rechten in een onderlinge verhouding prevaleert, moet volgens [eisers] worden bepaald door een afweging van alle omstandigheden van het concrete geval. In dit verband wijzen [eisers] op een arrest van Uw Raad, waarvan een bronvermelding ontbreekt. Bedoeld zal zijn het arrest Rabobank/RED c.s . Bij de afweging van alle omstandigheden van het concrete geval komt volgens [eisers] betekenis toe aan de rol van de betrokkenen in het maatschappelijk verkeer. [eisers] benadrukken de bijzondere positie van de persvrijheid en de pers, waarna zij stellen dat de rol en positie van advocaten niet dezelfde zijn als die van de pers en dat het EHRM bij de beoordeling van de reikwijdte van art. 10 EVRM dan ook onderscheid tussen beide beroepsgroepen maakt. In dit verband wijzen [eisers] op de uitspraak Morice/Frankrijk , waarin het EHRM onder andere, in de woorden van [eisers] , advocaten uitdrukkelijk geen vrijbrief verleent om te debiteren wat hen goeddunkt. 3.9 [eisers] sluiten deze beschouwing af met de opmerking dat meningsuitingen op verschillende manieren kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld in een interview. 3.10 Gelet op randnummer 4.1 van de procesinleiding dient deze inleidende beschouwing ter onderbouwing van alle klachten. De bespreking van de verschillende klachten hierna vindt daarom tegen de achtergrond van deze inleiding plaats. “Het arrest van het hof” en klacht 1 3.11 De beschouwing onder het kopje “ Het arrest van het hof ” moet gelet op randnummer 4.15 van de procesinleiding in samenhang met klacht 1 worden gelezen. De paragraaf en de klacht zijn gericht tegen rov. 6.8. Deze overweging luidt als volgt: “6.8 Tussen partijen is niet in geschil dat het belang van [eisers] erin is gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan beschuldigingen en aantasting van hun eer en goede naam. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het belang van [verweerder] erin is gelegen, dat hij zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uit moet kunnen laten over misstanden die de samenleving raken. Anders dan [eisers] stellen, is dat belang niet voorbehouden aan de pers.” 3.12 Onder het kopje “ Het arrest van het hof ” wordt aangevoerd dat het hof als uitgangspunt voor zijn verdere beoordeling van het hoger beroep heeft genomen dat het belang van [verweerder] erin is gelegen dat hij zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken en dat dit belang, anders dan [eisers] hebben gesteld, niet aan de pers is voorbehouden. Volgens [eisers] is er echter een verschil (in maatschappelijke positie) tussen een journalist en een advocaat, althans [verweerder] . 3.13 Klacht 1 stelt dat de bestreden overweging van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat de positie of rol van een advocaat, althans [verweerder] , niet op één lijn kan worden gesteld met die van een journalist. In dit verband verwijst de klacht naar de hiervoor aangehaalde uitspraak Morice/Frankrijk en randnummers 15.-18. van de memorie van grieven. 3.14 De klacht faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht suggereert, heeft het hof de positie of rol van een advocaat, althans [verweerder] , niet op één lijn gesteld met die van een journalist. Het hof heeft slechts geoordeeld dat het belang van [verweerder] erin is gelegen dat hij zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken en dat dit belang, anders dan [eisers] stellen, niet is voorbehouden aan de pers. Hiermee heeft het hof slechts erkend dat het aan de kaak stellen van misstanden die de samenleving raken niet is voorbehouden aan de pers en journalisten, maar ook aan anderen kan toekomen. 3.15 Hierbij komt dat uit het bestreden arrest volgt dat het hof zich bewust is geweest van [verweerder] hoedanigheid van deskundige en advocaat en van de in het kader van die hoedanigheden te betrachten zorgvuldigheid. Over [verweerder] hoedanigheid van deskundige heeft het hof in rov. 6.9 het volgende overwogen: “ Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] vanwege zijn achtergrond als gespecialiseerd letselschadeadvocaat door de journalist is benaderd om als deskundige uitlatingen te doen over de schadeafhandeling van het schietincident in Alphen aan den Rijn. Verder geldt dat deskundigen een wezenlijke functie hebben ter ondersteuning van een open, publiek debat over kwesties van algemeen belang. Als deskundigen zich daarover niet zouden mogen uitlaten, levert dit in beginsel een ongewenste belemmering op voor een open debat waarin alle invalshoeken aan de orde komen. ” Hieraan heeft het hof in rov. 6.10 toegevoegd dat [verweerder] deskundigheid doorwerkt in de door hem te betrachten zorgvuldigheid: “ Dat [verweerder] , gelet op zijn achtergrond, als deskundig kan worden gezien op het gebied van het letselschaderecht, brengt wel mee dat van hem mag worden verwacht dat hij met de nodige zorgvuldigheid en met kennis van zaken uitspraken doet over de met deze deskundigheid verband houdende kwesties die de samenleving raken.
Volledig
” Over de door advocaten te betrachten zorgvuldigheid heeft het hof in rov. 6.32 het volgende overwogen: “ Dat een advocaat zich, zoals [eisers] hebben aangevoerd, volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens “discreet, eerlijk en waardig” dient uit te laten maakt het voorgaande niet anders. Ook een advocaat mag (kritisch) deelnemen aan het maatschappelijk debat. ” Dit sluit aan bij de hierna (randnummers 3.17-3.20) te bespreken uitspraak Morice/Frankrijk , waarin het EHRM in punt 133 heeft overwogen dat advocaten onderworpen zijn aan “ restrictions on their professional conduct, which must be discreet, honest and dignified ”. 3.16 Gelet op de verwijzing naar randnummers 15.-18. van de memorie van grieven, waar in de kern wordt aangevoerd dat [verweerder] belang slechts commercieel van aard is, wijs ik hier nog op andere delen van de hiervoor al aangehaalde rov. 6.9 en 6.32. In rov. 6.9 heeft het hof ook geoordeeld dat [verweerder] voldoende heeft weersproken dat hij in het kader van het Alphense schietincident een commercieel belang heeft en dat als hij dat wel had gehad, dat nog niet met zich brengt dat hij zich niet zou mogen uitlaten over kwesties van algemeen belang. In rov. 6.32 heeft het hof ook geoordeeld dat [verweerder] voldoende heeft toegelicht dat de publicatie in het AD en zijn uitlatingen onderdeel vormen van een debat van maatschappelijk belang, als gevolg waarvan er veel ruimte en gewicht toekomt aan de vrijheid van meningsuiting en er zwaarwegende redenen moeten zijn om daarin in te grijpen. Kortom: het hof heeft aangenomen dat, anders dan in randnummers 15.-18. van de memorie van grieven is aangevoerd, [verweerder] geen commercieel belang heeft en zijn uitlatingen bijdragen aan een debat van maatschappelijk belang. 3.17 Overigens geeft het bestreden oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is er geen rechtsregel waaruit volgt dat het belang om zich kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken, is voorbehouden aan de pers. Een dergelijke rechtsregel kan in ieder geval niet worden afgeleid uit de in de procesinleiding aangehaalde uitspraak Morice/Frankrijk . Ik licht hierna toe wat volgens mij wel uit deze uitspraak kan worden afgeleid. 3.18 De klacht voert op zichzelf terecht aan dat de positie of rol van een advocaat niet op één lijn kan worden gesteld met die van een journalist. Daarbij verwijst de klacht naar punten 147 en 148 van de uitspraak Morice/Frankrijk . In deze zaak ging het om een advocaat, Morice, die in een krantenartikel uitlatingen had gedaan die ten doel hadden ervoor te zorgen dat er onderzoek werd gedaan naar twee rechters die de zaak van zijn cliënte hadden behandeld, maar van de zaak waren afgehaald. Voor die uitlatingen is de advocaat strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de rechters. De Grote Kamer van het EHRM heeft in punt 148 geoordeeld dat de advocaten niet gelijk kunnen worden gesteld met journalisten. De punten 147 en 148 van deze uitspraak luiden als volgt (onderstreping van mij): “147. In this connection the Court notes at the outset that the applicant has invited it to clarify its case-law concerning the exercise of freedom of expression by a lawyer, particularly outside the courtroom, and to afford the greatest possible protection to comments by lawyers (see paragraphs 96, 97 and 102 above). The Government, for their part, while taking the view that their status as officers of the court fundamentally distinguished lawyers from journalists (see paragraph 106 above), identified various situations in which freedom of expression would be “particularly broad”, “wide”, or, on the contrary, subject to “certain limits” (see paragraph 107 above). 148. The Court would refer the parties to the principles set out in its case-law, particularly with regard to the status and freedom of expression of lawyers (see paragraphs 132-39 above), with emphasis on the need to distinguish between remarks made by lawyers inside and outside the courtroom. Moreover, in view of the specific status of lawyers and their position in the administration of justice (see paragraph 132 above), the Court takes the view, contrary to the argument of the CCBE (see paragraph 116 above), that lawyers cannot be equated with journalists. Their respective positions and roles in judicial proceedings are intrinsically different. Journalists have the task of imparting, in conformity with their duties and responsibilities, information and ideas on all matters of public interest, including those relating to the administration of justice. Lawyers, for their part, are protagonists in the justice system, directly involved in its functioning and in the defence of a party. They cannot therefore be equated with an external witness whose task it is to inform the public.” 3.19 Door enkel naar punten 147 en 148 te verwijzen, doet de klacht onvoldoende recht aan andere overwegingen van het EHRM in deze uitspraak. Het gaat wat mij betreft om de volgende punten (onderstrepingen van mij): “132. The specific status of lawyers gives them a central position in the administration of justice as intermediaries between the public and the courts. They therefore play a key role in ensuring that the courts, whose mission is fundamental in a State based on the rule of law, enjoy public confidence (see Schöpfer v. Switzerland , 20 May 1998, §§ 29-30, Reports 1998-III; Nikula v. Finland , no. 31611/96, § 45, ECHR 2002-II; Amihalachioaie v. Moldova , no. 60115/00, § 27, ECHR 2004-III; Kyprianou , cited above, § 173; André and Another v. France , no. 18603/03, § 42, 24 July 2008; and Mor , cited above, § 42). However, for members of the public to have confidence in the administration of justice they must have confidence in the ability of the legal profession to provide effective representation (see Kyprianou , cited above, § 175). 133. That special role of lawyers, as independent professionals, in the administration of justice entails a number of duties, particularly with regard to their conduct (see Van der Mussele v. Belgium , 23 November 1983, Series A no. 70; Casado Coca v. Spain , 24 February 1994, § 46, Series A no. 285-A; Steur v. the Netherlands , no. 39657/98, § 38, ECHR 2003-XI; Veraart v. the Netherlands , no. 10807/04, § 51, 30 November 2006; and Coutant v. France (dec.), no. 17155/03, 24 January 2008). Whilst they are subject to restrictions on their professional conduct, which must be discreet, honest and dignified , they also enjoy exclusive rights and privileges that may vary from one jurisdiction to another – among them, usually, a certain latitude regarding arguments used in court (see Steur , cited above). 134. Consequently, freedom of expression is applicable also to lawyers. It encompasses not only the substance of the ideas and information expressed but also the form in which they are conveyed (see Foglia v. Switzerland , no. 35865/04, § 85, 13 December 2007). Lawyers are thus entitled, in particular, to comment in public on the administration of justice, provided that their criticism does not overstep certain bounds (see Amihalachioaie , cited above, §§ 27-28; Foglia , cited above, § 86; and Mor , cited above, § 43). Those bounds lie in the usual restrictions on the conduct of members of the Bar (see Kyprianou , cited above, § 173), as reflected in the ten basic principles enumerated by the CCBE for European lawyers, with their particular reference to “dignity”, “honour” and “integrity” and to “respect for ... the fair administration of justice” (see paragraph 58 above). Such rules contribute to the protection of the judiciary from gratuitous and unfounded attacks, which may be driven solely by a wish or strategy to ensure that the judicial debate is pursued in the media or to settle a score with the judges handling the particular case. 135. The question of freedom of expression is related to the independence of the legal profession , which is crucial for the effective functioning of the fair administration of justice (see Siałkowska v. Poland , no.
Volledig
8932/05, § 111, 22 March 2007). It is only in exceptional cases that restriction – even by way of a lenient criminal penalty – of defence counsel’s freedom of expression can be accepted as necessary in a democratic society (see Nikula , cited above, § 55; Kyprianou , cited above, § 174; and Mor , cited above, § 44). 136. A distinction should, however, be drawn depending on whether the lawyer expresses himself in the courtroom or elsewhere. 137. As regards, firstly, the issue of “conduct in the courtroom”, since the lawyer’s freedom of expression may raise a question as to his client’s right to a fair trial, the principle of fairness thus also militates in favour of a free and even forceful exchange of argument between the parties (see Nikula , cited above, § 49, and Steur , cited above, § 37). Lawyers have the duty to “defend their clients’ interests zealously” (see Nikula , cited above, § 54), which means that they sometimes have to decide whether or not they should object to or complain of the conduct of the court (see Kyprianou , cited above, § 175). In addition, the Court takes into consideration the fact that the impugned remarks are not repeated outside the courtroom and it makes a distinction depending on the person concerned; thus, a prosecutor, who is a “party” to the proceedings, has to “tolerate very considerable criticism by ... defence counsel”, even if some of the terms are inappropriate, provided they do not concern his general professional or other qualities (see Nikula , cited above, §§ 51-52; Foglia , cited above, § 95; and Roland Dumas , cited above, § 48). 138. Turning now to remarks made outside the courtroom , the Court reiterates that the defence of a client may be pursued by means of an appearance on the television news or a statement in the press, and through such channels the lawyer may inform the public of shortcomings that are likely to undermine pre-trial proceedings (see Mor , cited above, § 59). The Court takes the view, in this connection, that a lawyer cannot be held responsible for everything published in the form of an “interview”, in particular where the press has edited the statements and he or she has denied making certain remarks (see Amihalachioaie , cited above, § 37). In the above-cited Foglia case, it also found that lawyers could not justifiably be held responsible for the actions of the press (see Foglia , cited above, § 97). Similarly, where a case is widely covered in the media on account of the seriousness of the facts and the individuals likely to be implicated, a lawyer cannot be penalised for breaching the secrecy of the judicial investigation where he or she has merely made personal comments on information which is already known to the journalists and which they intend to report, with or without those comments. Nevertheless, when making public statements, a lawyer is not exempted from his duty of prudence in relation to the secrecy of a pending judicial investigation (see Mor , cited above, §§ 55-56). 139. Lawyers cannot, moreover, make remarks that are so serious that they overstep the permissible expression of comments without a sound factual basis (see Karpetas , cited above, § 78; see also A. v. Finland (dec.), no. 44998/98, 8 January 2004), nor can they proffer insults (see Coutant , cited above). In the circumstances in Gouveia Gomes Fernandes and Freitas e Costa (cited above, § 48), the use of a tone that was not insulting but caustic, or even sarcastic, in remarks about judges was regarded as compatible with Article 10. The Court assesses remarks in their general context, in particular to ascertain whether they can be regarded as misleading or as a gratuitous personal attack (see Ormanni v. Italy , no. 30278/04, § 73, 17 July 2007, and Gouveia Gomes Fernandes and Freitas e Costa , cited above, § 51) and to ensure that the expressions used have a sufficiently close connection with the facts of the case (see Feldek v. Slovakia , no. 29032/95, § 86, ECHR 2001‑VIII, and Gouveia Gomes Fernandes and Freitas e Costa , cited above). (…) 153. Accordingly, the Court takes the view that the applicant’s impugned remarks , which also concerned, as in the said judgments in Floquet and Esménard and July and SARL Libération , the functioning of the judiciary and the handling of the Borrel case, fell within the context of a debate on a matter of public interest, thus calling for a high level of protection of freedom of expression, with a particularly narrow margin of appreciation accordingly being afforded to the authorities .” 3.20 Uit deze citaten maak ik op dat advocaten, hoewel zij niet op één lijn kunnen worden geplaatst met journalisten, wel degelijk het recht op vrijheid van meningsuiting genieten, zij het binnen de grenzen van hun gedragsrechtelijke verplichtingen en hetgeen ik hier aanduid als ‘het toelaatbare, en dat hen in het bijzonder een zeer ruime uitingsvrijheid toekomt als hun uitlatingen bijdragen aan een debat van maatschappelijk belang. Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat het hof in het bestreden oordeel van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. 3.21 Klacht 1 treft geen doel. Klacht 2 3.22 Klacht 2 is opgedeeld in klachten 2a tot en met 2c. Alle drie de klachten zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.11. Zij luidt als volgt: “6.11 Bij de afweging welke van de voornoemde belangen prevaleert moet het hof alle van belang zijnde omstandigheden betrekken. Vooropgesteld wordt dat het hier gaat om een situatie waarin [verweerder] niet rechtstreeks in de media uitlatingen heeft gedaan. [verweerder] deed zijn uitlatingen aan een journalist tijdens een (onaangekondigd) telefoongesprek. De journalist heeft de uitlatingen van [verweerder] vervolgens verwerkt in de gewraakte passage van het artikel.” 3.23 De klachten stellen voorop dat het hof bij zijn “ Afweging van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval ” ook als uitgangspunt heeft gehanteerd dat [verweerder] zijn uitlatingen niet rechtstreeks in de media heeft gedaan. 3.24 Klacht 2a voert aan dat voor zover het hof als uitgangspunt heeft genomen dat [verweerder] zijn uitlatingen niet rechtstreeks in de media heeft gedaan, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of niet voldoende en begrijpelijk is gemotiveerd. In dit verband wijst de klacht op de stellingen dat [verweerder] een specifieke maatschappelijke positie heeft ingenomen door zich als letselschadeadvocaat en -specialist te laten interviewen, dat hij wist wat de bedoeling van het interview zou zijn en dat hij geen voorbehoud heeft gemaakt en het artikel niet heeft geverifieerd. De klacht concludeert dat [verweerder] zijn uitlatingen rechtstreeks in de media heeft gedaan. 3.25 Ik meen dat de klachten falen. Ik bespreek hierna eerst de rechtsklacht en daarna de motiveringsklacht. 3.26 Ik stel bij de behandeling van de rechtsklacht het volgende voorop. In de eerste plaats is het vaste rechtspraak van Uw Raad dat het in beginsel aan de feitenrechter is overgelaten om vast te stellen wat de ter zake dienende omstandigheden van het geval zijn en welk gewicht daaraan in onderling verband behoort te worden toegekend (randnummer 3.5). De oordelen van het hof in de onderhavige zaak zijn dan ook in beperkte mate in cassatie toetsbaar. In de tweede plaats vormen de in de rechtspraak van Uw Raad en het EHRM te ontwaren gezichtspunten geen limitatieve reeks (randnummer 3.4). 3.27 Hieruit trek ik de volgende conclusies. Het maakt niet uit dat Uw Raad, voor zover ik heb kunnen nagaan, de omstandigheid dat uitingen niet rechtstreeks in de media zijn gedaan niet als zodanig als gezichtspunt heeft aangemerkt. Daarbij komt dat er geen rechtsregel is die zegt dat aan een bepaald gezichtspunt of een bepaalde omstandigheid op voorhand een bepaald (doorslaggevend of zwaarder) gewicht toekomt. In plaats daarvan is het aan de feitenrechter om hierover te oordelen. Tegen deze achtergrond treft de rechtsklacht geen doel. 3.28 Ook de motiveringsklacht faalt. Het bestreden oordeel is goed te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk. In rov.
Volledig
6.11 heeft het hof overwogen dat [verweerder] zijn uitlatingen tijdens een onaangekondigd telefoongesprek aan de journalist deed en dat de journalist de uitlatingen van [verweerder] vervolgens in de gewraakte passage van het artikel heeft verwerkt. Hieruit volgt dat het niet [verweerder] was die zijn uitlatingen zelf rechtstreeks in de media heeft gepubliceerd (of zelf de media heeft opgezocht), maar dat het de journalist was die zijn uitlatingen (en die van anderen) heeft verwerkt in het uiteindelijk gepubliceerde artikel. De bal lag dus niet bij [verweerder] maar bij de journalist. 3.29 Het bestreden oordeel vindt steun in andere overwegingen van het hof over gezichtspunt (a) (in welke context zijn de uitlatingen gedaan?). Zo heeft het hof in rov. 6.17 overwogen dat [verweerder] naar voren heeft gebracht dat hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel onverwacht door de journalist is gebeld en dat de journalist hem vertelde dat hij een publicatie in voorbereiding had over het Alphense schietincident. Verder heeft het hof in rov. 6.18 overwogen dat de journalist de uitlatingen van [verweerder] tijdens het telefoongesprek deels in eigen woorden heeft verwerkt in de gewraakte passage, die onderdeel is van een omvangrijk artikel. 3.30 Uit de aangevoerde stellingen (randnummer 3.24) volgt niet dat [verweerder] zijn uitlatingen rechtstreeks in de media heeft gedaan. Die stellingen wijzen er juist op dat [verweerder] zijn uitlatingen niet zelf rechtstreeks in de media heeft gepubliceerd (of zelf de media heeft opgezocht), maar dat het de journalist was die zijn uitlatingen (en die van anderen) heeft verwerkt in het uiteindelijk gepubliceerde artikel. 3.31 Klacht 2a treft geen doel. 3.32 Klacht 2b voert aan dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat een interview aan een journalist met het oog op een in zijn krant te plaatsen artikel geen rechtstreekse uiting in de media is, dat oordeel niet naar de eisen der wet met redenen omkleed is. In dit verband wijst de klacht op de stelling dat het artikel na optekening is gepubliceerd en daarmee direct een (groot) publiek heeft bereikt. De klacht stelt dat niet goed valt in te zien waarom geen sprake is van een rechtstreekse uitlating in de media in het geval dat iemand niet zelf een bericht plaatst maar voor een artikel door een journalist wordt geïnterviewd. 3.33 Ik meen dat het bestreden oordeel goed is te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk is en zie de klacht daarom falen. De klacht komt nagenoeg op hetzelfde neer als de motiveringsklacht van klacht 2a en daarom verwijs ik terug naar mijn behandeling daarvan in randnummers 3.28-3.29. 3.34 Uit de aangevoerde stelling (randnummer 3.32) volgt niet dat [verweerder] zijn uitlatingen rechtstreeks in de media heeft gedaan. Bovendien wijst het eerste deel van de stelling, dat het artikel na optekening is gepubliceerd, er juist op dat [verweerder] zijn uitlatingen niet zelf rechtstreeks in de media heeft gepubliceerd (of zelf de media heeft opgezocht), maar dat het de journalist was die zijn uitlatingen (en die van anderen) heeft verwerkt in het uiteindelijk gepubliceerde artikel. 3.35 Klacht 2b treft geen doel. 3.36 Klacht 2c voert aan dat voor de door het hof uit te voeren weging van omstandigheden niet van (beslissend) belang is of uitlatingen rechtstreeks of indirect in de media worden gedaan. Voor de beoordeling van de ernst van de aantasting van eer en goede naam maakt het volgens de klacht niet uit of degene die de uitlating heeft gedaan diens uitspraak zelf publiek maakt (bijvoorbeeld via sociale media) of in een krantenartikel aan het woord wordt gelaten of wordt geciteerd of geparafraseerd. De klacht stelt dat voor zover het hof het voorgaande heeft miskend, het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In dit verband verwijst de klacht naar de stelling dat [verweerder] wist dat hij werd geïnterviewd voor een artikel en dat hij wist waarover dit ging. 3.37 Ik meen dat de klacht faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet overwogen dat de kwetsing van een reputatie minder ernstig is wanneer uitingen indirect in de media worden gedaan. Het hof heeft in het kader van de te maken afweging acht geslagen op onder andere (e) de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt en (f) de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eisers] In dit verband heeft het hof geoordeeld dat [verweerder] er rekening mee moest houden dat de informatie die hij aan de journalist gaf, een groot publiek zou bereiken (rov. 6.39) en dat voor [verweerder] voorzienbaar was dat zijn uitlating, voor zover die betrekking had op [eiser 1] zelf, de reputatie van [eisers] zou kunnen aantasten (rov. 6.40). Op basis van een weging van de hiervoor genoemde en de overige vier relevant bevonden gezichtspunten is het hof in rov. 6.41 uiteindelijk tot het oordeel gekomen dat [verweerder] niet onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. Nergens in het bestreden arrest is de overweging of het oordeel terug te vinden of in te lezen dat de kwetsing van een reputatie minder ernstig is wanneer uitingen indirect in de media worden gedaan. Overigens blijkt uit het voorgaande dat het hof de ernst van de kwetsing van de reputatie van [eisers] in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. 3.38 De in de klacht genoemde stellingen, dat [verweerder] wist dat hij werd geïnterviewd voor een artikel en dat hij wist waarover dit ging, zijn overigens niet to-the-point . Zij haken niet in op het centrale punt dat de klacht maakt, namelijk dat de omvang van reputatieschade niet minder groot is wanneer uitingen niet direct maar indirect in de media worden gedaan. 3.39 Klacht 2c treft geen doel. Klacht 3 3.40 Klacht 3 is opgedeeld in klachten 3a en 3b. Beide klachten zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.13 van het bestreden arrest. Deze overweging luidt als volgt: “6.13 Volgens [eisers] hebben de rechtbank en ook de Raad voor de Journalistiek geoordeeld dat de uitlatingen van [verweerder] – ook al zouden ze in algemene zin zijn gedaan – door de gemiddelde lezer zullen worden opgevat als kritiek op [eisers] Voor de vraag of de uitlatingen onrechtmatig zijn, is de wijze waarop het publiek de uitlatingen opvat bepalend, aldus [eisers] Het hof ziet dit anders. De context waarin de uitlatingen die [verweerder] tijdens het telefoongesprek deed in het artikel terecht zijn gekomen, is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist. Dat hebben [eisers] op zich ook onderkend door het indienen van een klacht tegen de journalist en het AD bij de Raad voor de Journalistiek.” 3.41 Klacht 3a voert aan dat het hof heeft miskend dat voor de beoordeling of de uitlatingen onrechtmatig zijn, niet de subjectieve bedoeling van degene die de opgetekende (of geparafraseerde) uitlatingen deed, beslissend is, maar hoe die uitlatingen door het publiek (redelijkerwijs) worden opgevat. In dit verband verwijst de klacht naar het arrest Vereniging tegen de kwakzalverij/ […] alsmede lagere rechtspraak. 3.42 De klacht faalt in de eerste plaats vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht suggereert, heeft het hof niet overwogen dat niet de publieke perceptie van uitingen maar de bedoeling van degene wiens of wier uitingen zijn opgetekend of geparafraseerd, beslissend is voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de uitingen. Het hof heeft geoordeeld dat de publieke perceptie van de uitlatingen van [verweerder] in het onderhavige geval niet bepalend is bij de beoordeling van de vraag of deze uitlatingen onrechtmatig zijn. Dit omdat de context waarin deze uitlatingen in het artikel terecht zijn gekomen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist is. Nergens in het bestreden arrest is de overweging of het oordeel terug te vinden of in te lezen dat niet de publieke perceptie van uitingen maar de bedoeling van degene wiens of wier uitingen zijn opgetekend of geparafraseerd, beslissend is voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de uitingen.
Volledig
3.43 In de tweede plaats miskent de klacht dat het aan het hof was om vast te stellen wat de ter zake dienende omstandigheden van het geval zijn en welk gewicht hieraan in onderling verband moet worden toegekend (randnummer 3.5). Het oordeel van het hof, dat de publieke perceptie van de uitlatingen van [verweerder] niet bepalend is bij de beoordeling van de vraag of deze uitlatingen onrechtmatig zijn, was voorbehouden aan het hof en in cassatie slechts beperkt toetsbaar. 3.44 In lijn met wat ik zojuist schreef, kan, anders dan de klacht suggereert, uit het arrest Vereniging tegen de kwakzalverij/ […] niet worden opgemaakt dat aan de publieke perceptie van een uiting toch zwaarder gewicht toekomt dan andere omstandigheden of dat zij zelfs beslissend is voor de beoordeling van de vraag of een uiting onrechtmatig is. In deze zaak ging het om de bundel ‘ Kwakzalverij in de twintigste eeuw ’, die door de Vereniging tegen de kwakzalverij werd uitgegeven en waarin […] op de lijst van de top twintig kwakzalvers uit de twintigste eeuw staat. In de bundel was vermeld welke definitie van ‘kwakzalverij’ de vereniging aanhoudt. De lijst is overgenomen in een aantal kranten en tijdschriften zonder vermelding van de door de vereniging gehanteerde definitie van ‘kwakzalverij’. Uw Raad heeft zich eerst uitgesproken over de beoordeling door het hof van de onrechtmatigheid van de vermelding van […] (onderstreping van mij): “3.4.2 Nu vaststaat dat in de kranten en tijdschriften waarin de lijsten zijn gepubliceerd geen melding is gemaakt van de beperkte, meer neutrale betekenis van het woord "kwakzalver" die de Vereniging c.s. blijkens hun publicaties hanteren, is onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de vermelding van […] op de lijsten ervan is uitgegaan dat de gemiddelde lezer van die krant of dat tijdschrift aan dat woord de met de vermelding in Van Dale en het gangbare spraakgebruik overeenstemmende negatieve betekenis zal hechten . [Voor zover] de klachten van onderdeel 2 dit een en ander bestrijden, falen zij.” 3.45 De hiervoor geciteerde rechtsoverweging, waarop in de procesinleiding nadruk is gelegd, moet echter niet geïsoleerd worden bekeken. Uw Raad heeft namelijk in rov. 3.4.3 geoordeeld dat met hetgeen in rov. 3.4.2 is overwogen niet is gezegd dat aan de vereniging als onrechtmatig handelen kan worden toegerekend dat in de berichtgeving in kranten en tijdschriften niet is verwezen naar de neutrale door de vereniging gehanteerde definitie van het begrip en daarbij gewicht toegekend aan de (subjectieve) bedoeling van de vereniging (onderstrepingen van mij): “3.4.3 Daarmee is echter niet gezegd dat, zoals in het oordeel van het hof ligt besloten, aan de Vereniging c.s. als onrechtmatig handelen kan worden toegerekend dat in de berichtgeving in kranten en tijdschriften niet is verwezen naar de neutrale door de Vereniging c.s. bij het samenstellen van de lijst gehanteerde definitie van het begrip "kwakzalver", waardoor het grote publiek dit begrip in de negatieve, op boerenbedrog, oplichterij en knoeierij wijzende betekenis heeft opgevat. Ook valt niet zonder meer in te zien dat aan de Vereniging c.s. kan worden toegerekend dat door die berichtgeving in de media de eer en goede naam van […] bij het grote publiek ernstiger is beschadigd dan wanneer dat publiek had kennisgenomen van de toelichting die de Vereniging c.s. op de gehanteerde definitie hebben gegeven en waarin centraal staat dat opneming in de lijst van kwakzalvers allerminst impliceert of vereist dat kwade trouw of oplichting in het spel is. In het kader van het maatschappelijk debat, waarin de Vereniging c.s. zich klaarblijkelijk met hun publicaties wilden mengen, behoeven zij zich niet te laten weerhouden van het gebruik van het woord "kwakzalverij" en van het samenstellen en publiceren van lijsten met personen die zich volgens hen met "kwakzalverij" bezighouden in de daarbij door hen vermelde en toegelichte betekenis. Daarbij is in aanmerking te nemen dat de Vereniging c.s. blijkens de vaststellingen van het hof het grote publiek willen waarschuwen voor wat zij als kwakzalverij beschouwen, en dat zij zelf door de inhoud en context van hun publicaties geen onduidelijkheid laten bestaan over wat zij daarmee bedoelen. In dit verband beroepen zij zich terecht op de mede in art. 10 EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het gebruik van het woord "kwakzalver" is het hof dan ook ten onrechte voorbijgegaan aan de specifieke betekenis die daaraan volgens de door de Vereniging c.s. gehanteerde definitie toekomt, te weten de meer neutrale betekenis, die ook in Van Dale is vermeld. De op het voorgaande gerichte klachten van onderdeel 2 zijn gegrond.” 3.46 Daarmee heeft Uw Raad niet alleen acht geslagen op hoe het publiek de uitlatingen in kranten en tijdschriften (redelijkerwijs) opvat, maar ook op de (subjectieve) bedoeling van de vereniging. Uiteindelijk heeft Uw Raad (onder andere) geoordeeld dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de door de vereniging gehanteerde definitie van ‘kwakzalver’ en het bestreden arrest vernietigd. Uit het arrest kan dus slechts worden opgemaakt dat de publieke perceptie van de uiting alsmede de bedoeling van degene die de uiting doet van belang zijnde omstandigheden kunnen zijn die de rechter in zijn oordeelsvorming moet betrekken. Dat neemt niet weg dat het in een zaak als de onderhavige aan de feitenrechter is om de ter zake dienende omstandigheden van het geval vast te stellen en om te bepalen welk gewicht aan daaraan in onderling verband toekomt (randnummer 3.5). 3.47 Klacht 3a treft geen doel. 3.48 Klacht 3b voert aan dat het hof heeft miskend dat als de context waarin de uitlatingen zijn geplaatst in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist is, dat nog niet maakt dat bij de beoordeling van de onrechtmatigheid niet moet worden uitgegaan van de wijze waarop het publiek die uitlatingen (redelijkerwijs) opvat. De klacht stelt dat als zij slaagt, zij ook aan rov. 6.37 en 6.38 van het bestreden arrest raakt. 3.49 De klacht faalt in de eerste plaats vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht suggereert, heeft het hof niet geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of de uitlatingen van [verweerder] onrechtmatig zijn, niet moet worden uitgegaan van de publieke perceptie van deze uitlatingen. Het hof heeft geoordeeld dat de wijze waarop het publiek de uitlatingen van [verweerder] opvat in het onderhavige geval niet bepalend is bij de beantwoording van de vraag of deze uitlatingen onrechtmatig zijn. Dit omdat de context waarin deze uitlatingen in het artikel terecht zijn gekomen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de journalist is. Het hof heeft onder andere de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt (gezichtspunt (e)) en de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eisers] (gezichtspunt (f)) in aanmerking genomen. Hieruit volgt dat het hof in zijn oordeelsvorming wel degelijk gewicht heeft toegekend aan de publieke perceptie van de uitlatingen van [verweerder] , zij het geen doorslaggevend gewicht. 3.50 In de tweede plaats miskent ook deze klacht dat het aan het hof was om vast te stellen wat de ter zake dienende omstandigheden van het geval zijn en welk gewicht hieraan in onderling verband moet worden toegekend (randnummer 3.5). In dit verband heeft het hof onder andere de context waarin de uitlatingen zijn gedaan (gezichtspunt (a)), de omvang van het publiek dat met de uitlatingen wordt bereikt (gezichtspunt (e)) en de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eisers] (gezichtspunt (f)) als ter zake dienende omstandigheden aangemerkt en ook kunnen aanmerken. Het kon vervolgens ook oordelen dat in het onderhavige geval de publieke perceptie van de uitlatingen van [verweerder] niet bepalend is voor de beantwoording van de vraag of deze uitlatingen onrechtmatig zijn. 3.51 Klacht 3b treft geen doel. Klacht 4 3.52 Klacht 4 is opgedeeld in klachten 4a tot en met 4c. 3.53 Klacht 4a is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.14 tot en met 6.33.