Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-03-03
ECLI:NL:PHR:2026:189
Strafrecht
4,044 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:189 text/xml public 2026-05-12T12:45:20 2026-02-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-03 25/00590 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:754 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:189 text/html public 2026-05-12T10:58:10 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:189 Parket bij de Hoge Raad , 03-03-2026 / 25/00590 Conclusie AG. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid van 16-jarig slachtoffer (art. 246 Sr (oud)). Jaddoe. Middel verdachte gericht tegen de bewezenverklaring. Middel benadeelde partij over vaststelling van omvang immateriële schade. Beide middelen falen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00590 Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 14 februari 2025 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001623-24) wegens "feitelijke aanranding van de eerbaarheid", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr, en een taakstraf voor de duur van 40 uren (subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis). Daarnaast heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 300,- ter zake van immateriële schade en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Aan de verdachte is ter zake van de immateriële schade een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van het toegewezen bedrag. Tot slot heeft het hof beslist op twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van (in eerdere strafzaken) voorwaardelijke opgelegde straffen. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.R. Mantz, advocaat in Voorburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 1.3 Namens de benadeelde partij heeft M.P. de Klerk, advocaat in Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het namens de verdachte voorgestelde middel 2.1 Met het middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring. 2.2 Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat: “hij op 2 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2006) door andere feitelijkheden, te weten door - onverhoeds te handelen en - zijn, verdachtes, armen om die [slachtoffer] heen te slaan en vervolgens - die [slachtoffer] naar zich toe te trekken, heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten - het betasten van en wrijven over en vasthouden van de billen van die [slachtoffer] en - het zoenen op de mond van die [slachtoffer] waarbij verdachte voorbij is gegaan aan signalen van verbaal verzet door die [slachtoffer] .” 2.3 Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen: “ 1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 december 2022 van politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2022362916-5 (blz. 5 tot en met 7 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2022362916): als de op 2 december 2022 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006: Op 2 december 2022 werkte ik bij [A] in [plaats] . Ik ging buiten roken. Iets voor 20.30 uur liep een man naar mij toe. Die man raakte ineens mijn kont aan met zijn handen. Hij wreef met zijn handen over mijn kont heen. Dit was heen en weer over mijn billen, dus wrijven en vasthouden. Ik stapte weg en zei: "hou op". Dat deed hij niet. Hij ging door. Hij deed het heel kleverig. Toen ging hij mij aanraken bij mijn middel en bij mijn kont. Hij had zijn armen om mij heen boven mijn middel. Hij kneep strakker en trok mij dichter naar hem toe. Hij ging met zijn hoofd naar mijn hoofd en ik ging naar achter. Toen zoende hij mij op mijn lippen. Ik voelde alleen zijn lippen en zijn baard. Hij heeft dit wel meerdere keren gedaan. Ondertussen wreef hij met zijn beide handen over mijn billen. Ik zei nogmaals: "laat mij los". Toen heeft hij mij losgelaten. Ik ben [A] binnengelopen. Ik ben naar de WC gegaan want ik was in shock en trillerig. Dit is gebeurd tegen mijn zin in. 2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 december 2022 van politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2022362916-9 (blz. 26 tot en met 29 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2022362916): als de op 3 december 2022 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van de verdachte : Ik was gisterenavond buiten in [plaats] . Ik gaf een vrouw een knuffel. Ik gaf haar een kus. Ik ken haar niet. 3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2022 van politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500 2022362916-3 (blz. 8 en 9 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2022362916): als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar: Op 2 december 2022 omstreeks 20.30 uur hoorde ik dat een man een meisje onvrijwillig had aangeraakt en haar had gezoend. Ik ben richting restaurant [A] in [plaats] gereden waar het slachtoffer zou werken. Ter plaatse stond een vrouw voor de deur, die bleek te zijn genaamd [betrokkene 1] . Ik hoorde dat het meisje dat aangerand zou zijn, binnen in het restaurant zat. Ik hoorde dat [betrokkene 1] zei dat ze een collega was van het meisje. Zij vertelde dat zij het meisje wit zag wegtrekken en dat ze door had dat er iets niet klopte. Ik zag dat het meisje naar buiten kwam. Dit bleek te zijn het slachtoffer en aangever [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 2006. Ik hoorde dat aangever verklaarde dat ze aangifte wilde doen. Ik zag en hoorde dat aangever moest huilen en dat zij daarna het volgende verklaarde: “Die man zat aan mijn kont. Eerste raakte hij mijn kont alleen aan en daarna kneep hij in mijn kont. Daarna omhelsde hij mij van voren en hield mij stevig tegen hem aan. Ik kon daardoor nergens heen. Ik vond dit niet fijn en zei dat ik het niet wilde. De man gaf mij een kus op mijn lippen. 4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 januari 2023 van politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500 2022362916-11 (blz. 13 tot en met 15 van het proces verbaal met registratienummer PL1500-2022362916): als de op 11 januari 2023 afgelegde verklaring zakelijk weergegeven - van [betrokkene 2] : [slachtoffer] is mijn dochter. Op de bewuste avond belde ze mij dat ze naar de politie ging. Ze was aan het huilen. [slachtoffer] kwam huilend het politiebureau binnen. Ze vertelde dat er een man aan haar had gezeten. Ze was erg bang. [slachtoffer] heeft tegen mij gezegd dat hij aan haar billen had gezeten en aan haar mond. Zij vertelde dat hij haar meerdere kusjes had gegeven. Ze heeft ook verteld dat hij steeds dichterbij kwam.” 2.4 Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat aan het gestelde bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is voldaan, nu voor de aangifte van aangeefster [slachtoffer] voldoende steunbewijs voorhanden is, te weten het proces-verbaal van bevindingen, de verklaring van haar moeder en de verklaring van de verdachte, een en ander zoals is uitgewerkt in de bij dit arrest gevoegde bewijsmiddelenbijlage. Het hof acht dan ook, anders dan de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.” 2.5 Bij lezing van de schriftuur komt de vraagt op of sprake is van een middel van cassatie als bedoeld in de wet. Voor het overgrote deel is dit wat mij betreft niet het geval, zodat deze klachten buiten bespreking kunnen blijven. Voor zover wordt geklaagd over – zo begrijp ik, met enige moeite, uit de schriftuur – de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de verdachte voorbij is gegaan aan signalen van verbaal verzet door de aangeefster geldt dat dit rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt. Ik wijs op de aangifte, waarin de aangeefster onder meer heeft verklaard dat ze meermalen heeft gezegd dat de verdachte moest ophouden en de verdachte dit niet deed. Het middel faalt.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:189 text/xml public 2026-05-12T12:45:20 2026-02-18 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-03-03 25/00590 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:754 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:189 text/html public 2026-05-12T10:58:10 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:189 Parket bij de Hoge Raad , 03-03-2026 / 25/00590 Conclusie AG. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid van 16-jarig slachtoffer (art. 246 Sr (oud)). Jaddoe. Middel verdachte gericht tegen de bewezenverklaring. Middel benadeelde partij over vaststelling van omvang immateriële schade. Beide middelen falen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00590 Zitting 3 maart 2026 CONCLUSIE V.M.A. Sinnige In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte 1 Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 14 februari 2025 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001623-24) wegens "feitelijke aanranding van de eerbaarheid", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr, en een taakstraf voor de duur van 40 uren (subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis). Daarnaast heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 300,- ter zake van immateriële schade en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Aan de verdachte is ter zake van de immateriële schade een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van het toegewezen bedrag. Tot slot heeft het hof beslist op twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van (in eerdere strafzaken) voorwaardelijke opgelegde straffen. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.R. Mantz, advocaat in Voorburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 1.3 Namens de benadeelde partij heeft M.P. de Klerk, advocaat in Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. 2 Het namens de verdachte voorgestelde middel 2.1 Met het middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring. 2.2 Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat: “hij op 2 december 2022 te [plaats] , [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2006) door andere feitelijkheden, te weten door - onverhoeds te handelen en - zijn, verdachtes, armen om die [slachtoffer] heen te slaan en vervolgens - die [slachtoffer] naar zich toe te trekken, heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten - het betasten van en wrijven over en vasthouden van de billen van die [slachtoffer] en - het zoenen op de mond van die [slachtoffer] waarbij verdachte voorbij is gegaan aan signalen van verbaal verzet door die [slachtoffer] .” 2.3 Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen: “ 1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 december 2022 van politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2022362916-5 (blz. 5 tot en met 7 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2022362916): als de op 2 december 2022 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006: Op 2 december 2022 werkte ik bij [A] in [plaats] . Ik ging buiten roken. Iets voor 20.30 uur liep een man naar mij toe. Die man raakte ineens mijn kont aan met zijn handen. Hij wreef met zijn handen over mijn kont heen. Dit was heen en weer over mijn billen, dus wrijven en vasthouden. Ik stapte weg en zei: "hou op". Dat deed hij niet. Hij ging door. Hij deed het heel kleverig. Toen ging hij mij aanraken bij mijn middel en bij mijn kont. Hij had zijn armen om mij heen boven mijn middel. Hij kneep strakker en trok mij dichter naar hem toe. Hij ging met zijn hoofd naar mijn hoofd en ik ging naar achter. Toen zoende hij mij op mijn lippen. Ik voelde alleen zijn lippen en zijn baard. Hij heeft dit wel meerdere keren gedaan. Ondertussen wreef hij met zijn beide handen over mijn billen. Ik zei nogmaals: "laat mij los". Toen heeft hij mij losgelaten. Ik ben [A] binnengelopen. Ik ben naar de WC gegaan want ik was in shock en trillerig. Dit is gebeurd tegen mijn zin in. 2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 december 2022 van politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2022362916-9 (blz. 26 tot en met 29 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2022362916): als de op 3 december 2022 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van de verdachte : Ik was gisterenavond buiten in [plaats] . Ik gaf een vrouw een knuffel. Ik gaf haar een kus. Ik ken haar niet. 3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2022 van politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500 2022362916-3 (blz. 8 en 9 van het proces-verbaal met registratienummer PL1500-2022362916): als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar: Op 2 december 2022 omstreeks 20.30 uur hoorde ik dat een man een meisje onvrijwillig had aangeraakt en haar had gezoend. Ik ben richting restaurant [A] in [plaats] gereden waar het slachtoffer zou werken. Ter plaatse stond een vrouw voor de deur, die bleek te zijn genaamd [betrokkene 1] . Ik hoorde dat het meisje dat aangerand zou zijn, binnen in het restaurant zat. Ik hoorde dat [betrokkene 1] zei dat ze een collega was van het meisje. Zij vertelde dat zij het meisje wit zag wegtrekken en dat ze door had dat er iets niet klopte. Ik zag dat het meisje naar buiten kwam. Dit bleek te zijn het slachtoffer en aangever [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 2006. Ik hoorde dat aangever verklaarde dat ze aangifte wilde doen. Ik zag en hoorde dat aangever moest huilen en dat zij daarna het volgende verklaarde: “Die man zat aan mijn kont. Eerste raakte hij mijn kont alleen aan en daarna kneep hij in mijn kont. Daarna omhelsde hij mij van voren en hield mij stevig tegen hem aan. Ik kon daardoor nergens heen. Ik vond dit niet fijn en zei dat ik het niet wilde. De man gaf mij een kus op mijn lippen. 4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 januari 2023 van politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500 2022362916-11 (blz. 13 tot en met 15 van het proces verbaal met registratienummer PL1500-2022362916): als de op 11 januari 2023 afgelegde verklaring zakelijk weergegeven - van [betrokkene 2] : [slachtoffer] is mijn dochter. Op de bewuste avond belde ze mij dat ze naar de politie ging. Ze was aan het huilen. [slachtoffer] kwam huilend het politiebureau binnen. Ze vertelde dat er een man aan haar had gezeten. Ze was erg bang. [slachtoffer] heeft tegen mij gezegd dat hij aan haar billen had gezeten en aan haar mond. Zij vertelde dat hij haar meerdere kusjes had gegeven. Ze heeft ook verteld dat hij steeds dichterbij kwam.” 2.4 Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat aan het gestelde bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is voldaan, nu voor de aangifte van aangeefster [slachtoffer] voldoende steunbewijs voorhanden is, te weten het proces-verbaal van bevindingen, de verklaring van haar moeder en de verklaring van de verdachte, een en ander zoals is uitgewerkt in de bij dit arrest gevoegde bewijsmiddelenbijlage. Het hof acht dan ook, anders dan de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.” 2.5 Bij lezing van de schriftuur komt de vraagt op of sprake is van een middel van cassatie als bedoeld in de wet. Voor het overgrote deel is dit wat mij betreft niet het geval, zodat deze klachten buiten bespreking kunnen blijven. Voor zover wordt geklaagd over – zo begrijp ik, met enige moeite, uit de schriftuur – de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de verdachte voorbij is gegaan aan signalen van verbaal verzet door de aangeefster geldt dat dit rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt. Ik wijs op de aangifte, waarin de aangeefster onder meer heeft verklaard dat ze meermalen heeft gezegd dat de verdachte moest ophouden en de verdachte dit niet deed. Het middel faalt.