Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-02-13
ECLI:NL:PHR:2026:177
Civiel recht; Personen- en familierecht
11,262 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:177 text/xml public 2026-04-11T00:01:12 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-02-13 25/01116 Conclusie NL Civiel recht; Personen- en familierecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:578 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:177 text/html public 2026-02-17T13:43:29 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:177 Parket bij de Hoge Raad , 13-02-2026 / 25/01116 Wzd. Machtiging tot voorzetting inbewaringstelling. Psychiater als een ter zake kundige arts in de zin van de Wzd. Medische verklaring en het daarop gebaseerde oordeel van de rechter. Second opinion? PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/01116 Zitting 13 februari 2026 CONCLUSIE L.M. Coenraad In de zaak [betrokkene] , verzoeker tot cassatie, hierna: betrokkene, advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers tegen Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder in cassatie, hierna: CIZ. 1 Inleiding en samenvatting 1.1 In deze Wzd-zaak heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend voor de duur van zes weken. In de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater wordt als vermoedelijke diagnose een verstandelijke beperking vermeld. 1.2 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat een psychiater in deze Wzd-zaak een medische verklaring mocht afgeven, dat zij geen reden ziet om te twijfelen aan de conclusie van de psychiater over de diagnose en dat zij dan ook geen reden ziet om een second opinion te laten uitvoeren. Tegen deze beslissingen richt zich het middel. 1.3 De klacht dat een psychiater onder de Wzd niet de diagnose verstandelijke handicap mag stellen, slaagt gelet op de wetsgeschiedenis niet. De overige klachten die betrekking hebben op het op de medische verklaring gebaseerde oordeel van de rechtbank over de diagnose en in verband daarmee het afwijzen van het verzoek om een second opinion, slagen grotendeels wel. 2 Feiten en procesverloop 2.1 Op 11 februari 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Maashorst ten aanzien van betrokkene een beschikking tot inbewaringstelling gegeven. Betrokkene is vervolgens opgenomen. 2.2 Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) op 12 februari 2025, heeft het CIZ de rechtbank verzocht een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor de duur van zes weken te verlenen. Onder de bijlagen bij dit verzoekschrift bevindt zich een medische verklaring van de onafhankelijk psychiater van 11 februari 2025. 2.3 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 februari 2025. Daarbij zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een verpleegkundig specialist en een zorgmedewerker gehoord. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. 2.4 Bij beschikking van 14 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van betrokkene verleend tot en met 28 maart 2025. De rechtbank heeft daarin, voor zover in cassatie van belang, overwogen: “4.2. De advocaat heeft primair namens betrokkene betwist dat sprake is van een verstandelijke beperking. Zij voert aan dat een psychiater de verstandelijke beperking niet had mogen vaststellen. Dit had moeten gebeuren door een arts verstandelijk gehandicapten. De rechtbank stelt vast dat de medische verklaring is opgesteld door een psychiater, die door de wet als een ter zake kundige arts aangemerkt wordt en derhalve een verklaring mocht afgeven. 4.3. De advocaat voert verder aan dat de psychiater zich niet had mogen baseren op een onderzoek naar de verstandelijke vermogens van betrokkene van zeven jaar geleden. Dit zou volgens haar een momentopname kunnen zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is de psychiater echter uitgegaan van een combinatie van zijn eigen onderzoek aan betrokkene en het psychologisch onderzoek van zeven jaar geleden. Daaruit heeft hij de conclusie getrokken dat sprake is van een verstandelijke beperking. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om, zoals de advocaat subsidiair heeft verzocht, een second opinion te laten uitvoeren. (…) 4.7. Om die reden stelt de rechtbank vast dat vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een verstandelijke handicap.” 2.5 Namens betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. Het CIZ heeft geen verweerschrift ingediend. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen. Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank een psychiater ten onrechte heeft aangemerkt als een ter zake kundige arts in de zin van artikel 26 lid 6 sub d Wzd. Onderdeel 2 bestaat uit twee subonderdelen, waarbij subonderdeel 2.1 klaagt dat onbegrijpelijk is hoe de rechtbank heeft kunnen oordelen dat bij betrokkene sprake is van een verstandelijke handicap, nu de medische verklaring geen inzicht verschaft in de actuele medische situatie van betrokkene. Subonderdeel 2.2 klaagt dat genoemd oordeel van de rechtbank onjuist, althans onbegrijpelijk is omdat betrokkene aan zijn verweer de ondeugdelijkheid van de diagnose “verstandelijke beperking” ten grondslag heeft gelegd, alsmede het ontbreken van het vereiste van de actualiteit daarvan en onduidelijk is of, en zo ja, op welk verweer de rechtbank heeft gerespondeerd. Onderdeel 3 klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen reden ziet om een second opinion te laten uitvoeren. Onderdeel 4 klaagt dat indien (een van) de voorgaande onderdelen (slaagt) slagen, daarmee ook artikel 5 aanhef sub e EVRM en artikel 14 lid 1 sub b van het VN Gehandicaptenverdrag zijn geschonden. Onderdeel 5 bevat een veegklacht. 3.2 Onderdeel 1 richt zich tegen r.o. 4.2 van de bestreden beschikking. Geklaagd wordt dat de rechtbank ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat een psychiater is aan te merken als een ter zake kundige arts in de zin van artikel 26 lid 6 sub d Wzd. Op grond van genoemd artikel dient dat immers een arts voor verstandelijk gehandicapten, een specialist ouderengeneeskunde of een andere deskundige arts te zijn. Nergens blijkt uit waarom de psychiater in kwestie als een andere deskundige arts zou kunnen worden gekwalificeerd. Door niet nader gemotiveerd de beoordeling van een verstandelijke handicap door een psychiater aan haar oordeel ten grondslag te leggen, heeft de rechtbank geen zorgvuldige procedure leidend tot een gedwongen opname gewaarborgd en heeft de rechtbank miskend dat de medische verklaring door een ‘medical expert’ moet zijn opgesteld, aldus dit eerste onderdeel. 3.3 Bij de bespreking van het eerste onderdeel stel ik het volgende voorop. 3.4 Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2018 volgt dat onder de Wet Bopz zowel de arts voor verstandelijk gehandicapten als de psychiater bevoegd was een medische verklaring op te stellen als de stoornis het gevolg is een verstandelijke handicap (mijn onderstreping; A-G): “3.4 Art. 16 lid 2 Wet Bopz in verbinding met art. 5 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz bepaalt dat het geneeskundige onderzoek wordt uitgevoerd door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Art. 1 lid 6 Wet Bopz bepaalt dat voor de toepassing van het bij of krachtens de Wet Bopz bepaalde, met een psychiater wordt gelijkgesteld een arts voor verstandelijk gehandicapten voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft, of een specialist ouderengeneeskunde voor zover het de opname of het verblijf van een patiënt met een psychogeriatrische aandoening betreft. Hieruit volgt dat het in art. 16 lid 2 Wet Bopz in verbinding met art. 5 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz bedoelde onderzoek door een psychiater mag worden verricht in alle gevallen waarin sprake is van een stoornis van de geestvermogens, ook als die stoornis het gevolg is van een verstandelijke handicap of van een psychogeriatrische aandoening. Het voorgaande strookt met het doel van de Wet van 4 december 2013, Stb.
Volledig
2013, 560, waarbij het hiervoor genoemde zesde lid aan art. 1 Wet Bopz is toegevoegd. Met die wet is beoogd een wettelijke basis in de Wet Bopz op te nemen voor beoordelingen door de arts voor verstandelijk gehandicapten en de specialist ouderengeneeskunde, elk op zijn eigen deskundigheidsterrein en hen daarvan niet langer uit te sluiten. Het is niet de doelstelling van die wet de bevoegdheden van de psychiater te beperken . (Kamerstukken II 2012/13, 33507, nr. 6, p. 14).” 3.5 In zijn conclusie voor deze uitspraak schetste voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer de achtergrond van de wettelijke gelijkstelling onder de Wet Bopz van de arts voor verstandelijk gehandicapten met de psychiater, waarbij laatstgenoemde als generalist onverminderd deskundig blijft om de diagnose verstandelijke beperking te stellen: “2.11 Tot de inwerkingtreding van de wet van 4 december 2013, Stb. 560, was het begrip ‘psychiater’ in art. 1 lid 1 Wet Bopz beperkt tot de arts die bevoegd is de titel van ‘psychiater’ of ‘zenuwarts’ te voeren. Een (BIG-geregistreerde) psychiater kon dus het in art. 16 in verbinding met art. 5 lid 1 Wet Bopz bedoelde medisch onderzoek van de patiënt verrichten, ook als het ging om een patiënt ten aanzien van wie ‘verstandelijke handicap’ de enige of de voornaamste diagnose is. In de loop der jaren hebben zich nieuwe medische specialismen ontwikkeld, te weten de arts verstandelijk gehandicapten en de specialist ouderengeneeskunde. De vraag is naar voren gekomen, in het bijzonder vanuit deze beroepsgroepen zelf, of ook zij het in de Wet Bopz bedoelde medisch onderzoek mogen verrichten. De wetgever heeft deze wens ingewilligd, vanuit de gedachte dat deze nieuwe specialisaties in de geneeskunde op hun eigen deskundigheidsterrein net zo goed als een (BIG-geregistreerde) psychiater kunnen worden aangemerkt als de medical expert die door art. 5, lid 1 onder e, EVRM wordt vereist. Uit de tekst van het zesde lid van art. 1 Wet Bopz blijkt niet dat de wetgever de voordien bestaande algemene bevoegdheid van (BIG-geregistreerde) psychiaters heeft beperkt. Anders dan annotator Frederiks (Jgz 2017/11, punt 3 en 4 van de annotatie) heeft afgeleid uit de in alinea 2.5 hiervoor geciteerde passage uit de memorie van toelichting, maak ik uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet slechts op dat de wetgever de arts verstandelijk gehandicapten heeft ‘gelijkgesteld’ met een psychiater ‘voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft’. De in de parlementaire geschiedenis genoemde en in HR 1 september 2017 bedoelde beperking tot het ‘eigen deskundigheidsterrein’ geldt dus voor de specialist ouderengeneeskunde en voor de gespecialiseerde arts verstandelijk gehandicapten. Het deskundigheidsterrein van de algemene psychiater omvat ook de beoordeling van verstandelijk gehandicapten.” 3.6 Onder de Wzd is de constructie van met de psychiater gelijkgestelde specialistische artsen losgelaten. Op grond van artikel 26 lid 6 sub d Wzd legt het CIZ bij het verzoek tot het verlenen van een machtiging een verklaring over van een ter zake kundige arts die de betrokkene met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar die ten minste gedurende één jaar geen zorg heeft verleend aan de betrokkene en ten opzichte van de zorgaanbieder onafhankelijk functioneert. 3.7 Uit de memorie van toelichting bij de Wzd blijkt ten aanzien van de vraag wie een ter zake kundige arts in de zin van de Wzd is, het volgende (onderstrepingen van mij; A-G): “Verder dient een medische verklaring worden afgelegd door een onafhankelijk oordelend, dat wil zeggen, niet bij de behandeling betrokken, ter zake deskundige arts. Deze eis vloeit voor uit jurisprudentie van het Europees Hof, waarin wordt gesproken van «objective medical expertise». (…) Wanneer het gaat om iemand met een psychogeriatrische aandoening – vaak dementie – is een verpleeghuisarts of sociaal geriater deskundig, terwijl de medische verklaring voor iemand met een verstandelijke beperking door een arts voor verstandelijk gehandicapten moet worden opgesteld . Ook wanneer de diagnose al wel reeds is gesteld, kan de medische verklaring het beste door een ter zake deskundige arts worden opgesteld, wat de keuze voor de desbetreffende bepaling mede motiveert. Immers, in de verklaring moet worden ingegaan op het ernstig nadeel dat zich voordoet of dreigt voor te doen. Nu kennen zowel dementie als een verstandelijke beperking vele uitingsvormen. Zo heeft iemand met dementie vaak al jaren zijn geheugenproblemen verborgen. Om dan achter de façade te kunnen kijken en te kunnen beoordelen of er sprake is van ernstig nadeel is grondige kennis van de doelgroep noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor jongeren met een lichte verstandelijke beperking, die bijzonder «streetwise» kunnen overkomen maar het soms toch niet redden zonder een (tijdelijke) opname. Tegelijkertijd kunnen zich ook bepaalde omstandigheden voordoen die voor een leek als ernstig nadelig kunnen overkomen, maar waarvan een deskundig arts weet dat zij horen bij een bepaalde aandoening of beperking en niet noodzakelijkerwijs tot opname hoeven te leiden. Tot slot wordt de keuze voor een arts ingegeven door het feit dat alleen deze discipline kan uitsluiten dat er een medische oorzaak voor bepaald probleemgedrag is. Wij menen dus dat de positie van de doelgroepen waar het wetsvoorstel op ziet, het beste wordt beschermd door de keuze voor een ter zake deskundig arts. Uiteraard staat het de arts vrij een andere discipline te consulteren, zoals een orthopedagoog of andere gedragsdeskundige. De verklaring kan pas worden opgemaakt na een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de cliënt door de bewuste arts. Het is niet voldoende indien bijvoorbeeld de verpleeghuisarts het onderzoek laat verrichten door een arts-assistent, huisarts of indicatiesteller en vervolgens de verklaring tekent.” 3.8 Uit deze passage mag mijns inziens niet afgeleid worden dat onder de Wzd uitsluitend een arts voor verstandelijk gehandicapten de diagnose verstandelijke beperking in een medische verklaring zou mogen stellen. Ik wijs daartoe op de latere nota naar aanleiding van het verslag inzake het voorstel tot wijziging van onder andere de Wzd waarin het volgende staat: “Daarnaast vraagt de KNMG wie volgens de Wzd als «ter zake kundige arts» wordt beschouwd. In de toelichting bij de tweede nota van wijziging van de Wvggz wordt op pagina 92 aangegeven dat volgens de regering een ter zake kundige arts in de regel een specialist ouderengeneeskunde of een arts verstandelijk gehandicapten zal zijn. Deze ter zake kundige artsen kunnen zijn aangesteld als Wzd-functionaris, maar ter zake kundige artsen kunnen ook betrokken zijn bij het afgeven van een medische verklaring op basis waarvan een cliënt wordt aangemerkt als een cliënt die onder de Wzd valt en op grond daarvan (in het uiterste geval) onvrijwillige zorg kan krijgen. ” 3.9 Uit deze latere passage uit de lange wetsgeschiedenis van de Wzd volgt dat een ter zake kundige arts voor een betrokkene met een verstandelijke handicap “in de regel” een arts voor verstandelijk gehandicapten zal zijn. Dit sluit mijns inziens echter niet uit dat, net als onder de Wet Bopz, ook een psychiater als onafhankelijke ter zake kundige arts in de zin van de Wzd een medische verklaring mag opstellen en daarin de diagnose verstandelijke handicap kan stellen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt immers niet dat de psychiater hiertoe onder de Wzd niet meer bevoegd zou zijn. Indien op dit punt in de Wzd sprake zou zijn van een breuk met de Wet Bopz, zou mijns inziens verwacht mogen worden dat deze afwijking als zodanig benoemd en nader toegelicht zou zijn in de wetsgeschiedenis bij de Wzd, maar daarvan is geen sprake. Ik ga er dus van uit dat ook onder de Wzd de psychiater een ter zake kundige arts in de zin van artikel 26 lid 6 Wzd is. 3.10 Ook in de literatuur wordt aangenomen dat de medische verklaring voor een betrokkene met een verstandelijke handicap door een arts voor verstandelijk gehandicapten of een psychiater kan worden opgesteld.
Volledig
Daarbij merkt psychiater Van den Bosch in zijn JGz -noot onder de hier bestreden beschikking over de deskundigheid van de psychiater op het terrein van de verstandelijke handicap het volgende op: “Naast dat de verstandelijke beperking als dusdanig een in de DSM-5 opgenomen diagnose is en daarmee dus binnen het domein van de psychiater ligt, wordt er binnen de psychiatrie veel gewerkt met mensen met een verstandelijke beperking als primaire diagnose of co-morbiditeit.” 3.11 Ik keer terug naar de bespreking van onderdeel 1 . 3.12 Daarin wordt kort gezegd geklaagd dat de rechtbank ten onrechte een psychiater als ter zake kundige arts heeft aangemerkt, nu daaronder ingevolge artikel 26 lid 6 sub d Wzd een arts voor verstandelijk gehandicapten, een specialist ouderengeneeskunde of een andere kundige arts moet worden verstaan. 3.13 Ik lees de klacht ook als een uitnodiging aan de Hoge Raad om duidelijkheid te verschaffen over de vraag of de psychiater, net als onder de Wet Bopz, ook onder Wzd een ter zake kundige arts is, naast de specialistische artsen voor verstandelijk gehandicapten en ouderengeneeskunde. Deze zaak leent zich inderdaad goed voor het verschaffen van die duidelijkheid. 3.14 Uit hetgeen ik hiervoor onder 3.6-3.10 heb weergegeven, volgt mijns inziens dat de psychiater ook onder de Wzd onverminderd bevoegd is als onafhankelijke ter zake kundige arts de diagnose verstandelijke handicap te stellen. Daarmee slaagt de klacht niet. 3.15 Overigens komt mij de keuze voor een psychiater om betrokkene te onderzoeken in dit geval ook niet onlogisch voor. Bij de bespreking van de volgende onderdelen zal immers blijken dat bij betrokkene geen sprake is van een duidelijke diagnose, zodat de generalistische blik van de psychiater als onafhankelijke arts juist ook nuttig kan zijn. 3.16 Dan kom ik toe aan de onderdelen 2 en 3 , die zich voor een gezamenlijke bespreking lenen. 3.17 Het tweede onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen. 3.18 Subonderdeel 2.1 klaagt dat de rechtbank in r.o. 4.3 en 4.7 ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusie van de psychiater dat bij betrokkene sprake is van een verstandelijke beperking, omdat de psychiater is uitgegaan van een combinatie van zijn eigen onderzoek en het psychologisch onderzoek van zeven jaar geleden. De medische verklaring vermeldt immers niet meer dan dat betrokkene op 11 februari 2025 om 18.15 uur is onderzocht, de diagnose, zijnde een verstandelijke beperking, en de toelichting dat de psychiater hiertoe is gekomen omdat betrokkene een IQ van 56 heeft, welk IQ slechts blijkt uit een psychologisch onderzoek uit 2017. Daarmee is geen inzicht verschaft in de (actuele) situatie van betrokkene, althans is niet duidelijk hoe de psychiater tot zijn diagnose is gekomen en is onbegrijpelijk hoe de rechtbank (kennelijk impliciet) heeft kunnen oordelen dat bij betrokkene sprake is van een verstandelijke handicap. 3.19 Subonderdeel 2.2 klaagt dat het oordeel van de rechtbank ook onjuist, dan wel onbegrijpelijk, is, omdat namens betrokkene verweer is gevoerd waarbij er is gewezen op de ondeugdelijkheid van de diagnose “verstandelijke beperking” en het ontbreken van de actualiteit van die diagnose. Met het enkele oordeel dat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusie van een verstandelijke beperking is onduidelijk of, en zo ja, op welk verweer de rechtbank heeft gerespondeerd: dat überhaupt geen verstandelijke beperking kon worden vastgesteld of dat die niet kon worden vastgesteld omdat de medische verklaring geen inzicht verschaft in de actuele situatie van betrokkene in de zin van artikel 27 lid 2 Wzd, aldus het tweede subonderdeel. 3.20 Onderdeel 3 klaagt dat de rechtbank in r.o. 4.3 ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat zij geen reden ziet om een second opinion te laten uitvoeren. Immers noopten de omstandigheden van het geval, te weten het onderzoek door een (onbevoegde) psychiater en/of een oud psychologisch rapport uit 2017 en/of het ontbreken van een duidelijke diagnose tot een nader onderzoek. Dat onderzoek zou moeten zien op een duidelijke en actuele diagnose van betrokkene (conform artikel 27 lid 2 Wzd), zoals de advocaat van betrokkene bij de rechtbank ook heeft gesteld, aldus het derde onderdeel. 3.21 Bij de bespreking van de onderdelen 2 en 3 stel ik het volgende voorop. 3.22 Op grond van artikel 37 lid 1 Wzd in verbinding met artikel 29 lid 2, onder c, Wzd is, voor zover hier relevant, voor het verlenen door de rechter van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van een betrokkene vereist dat het ernstige vermoeden bestaat dat het onmiddellijk dreigende ernstige nadeel wordt veroorzaakt door het gedrag van die betrokkene als gevolg van zijn verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie hiervan. 3.23 Artikel 27 lid 2 Wzd bepaalt dat de medische verklaring inzicht verschaft in de actuele situatie van de betrokkene, met redenen omkleed en ondertekend is. In de wet of wetsgeschiedenis worden geen nadere eisen gesteld aan de motivering van de bevindingen van de onafhankelijke arts in de medische verklaring. Het is dus ter beoordeling van de rechter of de medische verklaring voldoende met redenen omkleed is. 3.24 In mijn conclusie van 14 november 2025, in eveneens een Wzd-zaak, ben ik ingegaan op eisen die gelden voor de inhoud van de medische verklaring en de wijze waarop de onafhankelijke arts zijn bevindingen presenteert. Onder verwijzing naar Dijkers heb ik onder meer gewezen op het belang van draagkrachtigheid van de medische verklaring, waarbij mijn inziens voor de onderbouwing van de bevindingen van de onafhankelijke arts in de medische verklaring geldt: hoe concreter, hoe beter. Ook heb ik in die conclusie betoogd dat een summiere onderbouwing van een medische verklaring een formeel gebrek kan opleveren, indien niet is voldaan aan de eis van artikel 27 lid 2 Wzd dat de medische verklaring met redenen omkleed wordt. Dat gebrek kan naar mijn idee gerepareerd worden door het verschaffen van aanvullende schriftelijke of mondelinge informatie ter zitting door de onafhankelijke arts. Op vergelijkbare wijze kan een medische verklaring die niet meer actueel is (art. 27 lid 2 Wzd) schriftelijk of mondeling geactualiseerd worden door de onafhankelijke arts. 3.25 Ik keer terug naar de bespreking van de onderdelen 2 en 3 . 3.26 Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg maak ik op dat er sprake is van onduidelijkheid over de diagnose van betrokkene. 3.27 Bij de stukken bevindt zich een verslag van een psychologisch onderzoek van betrokkene dat in 2017 heeft plaatsgevonden. Betrokkene was toen 64 jaar. Daaruit komt, samengevat, naar voren dat de cognitieve vermogens van betrokkene zich op licht verstandelijk beperkt niveau bevinden. In dit onderzoek is een IQ van 56 vastgesteld. Daarnaast komen in het onderzoek aanwijzingen naar voren voor een autismespectrumstoornis, maar daarnaar is geen uitgebreid onderzoek verricht. 3.28 Op 6 februari 2025 heeft het CIZ ten aanzien van betrokkene op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) een indicatiebesluit voor onbepaalde tijd afgegeven. Hoewel gevraagd was om zorgprofiel VG 07 (Verstandelijk gehandicapt (Besloten) wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering) is het zorgprofiel VV 07 (Verpleging en Verzorging Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met nadruk op begeleiding) vastgesteld voor betrokkene. In het indicatiebesluit is ter onderbouwing van dit zorgprofiel, voor zover van belang, het volgende opgenomen (onderstrepingen van mij; A-G): “(…) Er worden door eerder betrokken psycholoog aanwijzing voor ASS (autismespectrumstoornis, A-G) beschreven, maar geadviseerde nadere diagnostiek is niet verricht waardoor een grondslag psychische stoornis niet kan worden gesteld . Er wordt gesproken van een licht verstandelijke beperking en een score uit een intelligentieonderzoek wijst op een TIQ van 56. Echter, dit is voor het eerst bij een leeftijd van 64 jaar afgenomen.
Volledig
Er zijn onvoldoende geobjectiveerde gegevens bekend over uw adaptief functioneren (vastgelegd door een terzake kundige) en er zijn onvoldoende objectieve gegevens bekend over functioneren gedurende de vroege ontwikkelingsleeftijd. Ook ontbreekt een professioneel oordeel over de samenhang tussen cognitief en adaptief functioneren door een terzake kundige. Een VG (Verstandelijk gehandicapt; A-G) grondslag kan zodoende niet worden vastgesteld . (…) Gevraagd wordt een zorgprofiel VG07. Er ontbreekt echter een onderbouwde conclusie (in de vorm van een CEP-score en behandelplan) om de zwaarte van het probleemgedrag in te schatten als passend bij het gevraagde zorgprofiel. Een VG-grondslag wordt eveneens niet vastgesteld . Kijkend naar uw zorgbehoefte en de gestelde grondslagen, sluit een VV07 aan bij uw zorgbehoefte. (…).” Uit het indicatiebesluit volgt derhalve dat bij betrokkene een psychische stoornis-grondslag noch een verstandelijke handicap-grondslag kon worden vastgesteld. 3.29 Vervolgens is betrokkene op 11 februari 2025 onderzocht door de onafhankelijke psychiater, die wel tot de vermoedelijke diagnose verstandelijke beperking komt. In de medische verklaring van die datum is, voor zover in cassatie relevant, ten aanzien van het onderzoek door de psychiater en de diagnose van betrokkene het volgende verklaard: “3. GERAADPLEEGDE HULPVERLENERS Heeft u overleg gevoerd met de zorgaanbieder die de betrokkene zorg verleent of met de huisarts? Ja Met wie heeft u overleg gevoerd? Zorgaanbieder (…) 5. ONDERZOEK Wanneer heeft u de betrokkene onderzocht? 11/02/2025 18:15 a. Is er naar uw oordeel sprake van een psychogeriatrische aandoening, een verstandelijke beperking of een daaraan gelijkgestelde aandoening? Ja b. Tot welke vermoedelijke diagnose bent u gekomen> X Verstandelijke beperking (…) Wat is de belangrijkste vermoedelijke diagnose? Verstandelijke beperking (…) c. Op grond waarvan bent u tot deze vermoedelijke diagnose gekomen? Patiënt heeft een IQ van 56. (…) 8. OVERIGE INFORMATIE Welke overige informatie acht u nog van belang? Patiënt heeft een WLZ 7 ” 3.30 Tijdens de mondelinge behandeling op 14 februari 2025 blijkt evident van een behoefte aan zorg van betrokkene, maar blijkt ook dat geen sprake is van een duidelijke diagnose en dat hiervoor nader onderzoek is vereist, zoals de verpleegkundig specialist verklaart. Om recht te doen aan de discussie ter zitting citeer ik redelijk uitvoerig uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (onderstrepingen van mij; A-G): “(…) Verpleegkundig specialist: Er is sprake van een langer lopend probleem in de thuissituatie. U kunt zelf niet uit bed komen. U kunt zelf niet voor eten en drinken zorgen. Er is ook geen thuiszorg beschikbaar. Dus u moet ergens opgenomen worden om de juiste zorg te krijgen. Nu moest u telkens de huisarts of 112 bellen. Dan moet de deur soms ingetrapt worden. Het is lastig om een passende plek te vinden. We willen hier ook diagnostiek uitvoeren om te weten te komen waar het gedrag vandaan komt. We zijn al vier maanden aan het kijken voor een goede plek, maar dat is nog niet gelukt. (…) Rechter Vanwege de zorgen en verstandelijke beperkingen is aangestreept dat meneer binnen de reikwijdte van de Wzd valt. Heeft u nog vragen? Advocaat Ja, ik strand op artikel 1 Wzd. In de medische verklaring is aangestreept dat meneer een verstandelijke handicap heeft, maar deze verklaring is afgegeven door een psychiater, kan dat? Of moet dat een geriater of arts verstandelijk gehandicapten zijn? Verpleegkundig specialist Een psychiater kan dat ook zeggen. Het is lastig, want de IBS is in november aangevraagd op basis van een verstandelijk gehandicaptenstoornis, maar toen is de IBS afgewezen omdat de diagnose niet voor zijn achttiende levensjaar is gesteld. De IBS is uiteindelijk vier keer afgewezen omdat er geen duidelijke diagnose is. Advocaat Nu zitten we hier wel. Onderzoek in 2017 heeft uitgewezen dat hij een IQ van 56 heeft, maar is dat voldoende? Verpleegkundig specialist Dat is de vraag. Er is een laag IQ, gedragsproblematiek en veel aan de hand. Daarom willen we verder onderzoek doen. Wellicht nemen zijn cognitieve vermogens ook af. Ik snap wat u zegt. Nu is de IBS alleen aangevraagd vanwege het lage IQ. (…) Advocaat Meneer toont duidelijk verzet. Dan moeten we terugvallen op de wet. Die stelt dat er sprake moet zijn van een verstandelijke handicap of er moet een indicatiebesluit zijn waaruit blijkt dat sprake is van een verstandelijke handicap. Er is wel een indicatiebesluit. Dat is een VV7, maar niet een VG. Verpleegkundig specialist Ze hebben er een VV7 van gemaakt, omdat ze nog een stukje diagnostiek misten. Het stellen van de diagnose vóór zijn 18e jaar gaat niet meer lukken. Advocaat Ik heb de VV7 uitgeprint en daar staat dat sprake moet zijn van een psychogeriatrische aandoening of gerontopsychiatrische of neuropsychiatrische problematiek. Dat weet ik niet. Dat is niet een gelijkgestelde aandoening op basis waarvan de Wzd van toepassing kan worden verklaard. Dus ik blijf haken op de vraag of de Wzd wel van toepassing is. Ik zeg dat dat niet het geval is, want er is geen diagnose waaruit blijkt dat sprake is van een verstandelijke beperking. Meneer betwist het ook. Op basis van enkel en alleen psychiatrisch onderzoek wordt een IQ genoemd en dat toont geen verstandelijke beperking aan. Verpleegkundig specialist Ja. Ik denk dat dat punt helemaal terecht is, maar… Ja… (…) Advocaat Op moment dat sprake is van een IBS zie ik vaak dat ik naar Ostrom moet, maar daar zijn we nu niet. Hoe komt dat? Verpleegkundig specialist Die hebben hem afgewezen. Dat was de eerste plek waar hij geschikt voor werd geacht. Ze wezen hem af vanwege het ontbreken van de diagnose. Advocaat Ik hoor u zeggen dat hij hier passend zit, ondanks dat hij geen psychogeriatrische aandoening heeft. Dat wil ik als mens aannemen, maar ik vraag me af of is voldaan aan de criteria van de Wzd. Volgens mij hebben we alles nu benoemd. (...) Verpleegkundig specialist Ik snap dat dit niet de gebruikelijke route is. Ik las ook in het huisartsdossier terug dat de geriater heeft gezegd dat hij niet wilsbekwaam ter zake is. Hij heeft geen ziekte-inzicht en heeft ook gezegd dat hij naar huis wil. We doen hem te kort als we hem naar huis laten gaan. (…) Advocaat Meneer betwist dat sprake is van een verstandelijke beperking. Psychologisch onderzoek van zeven jaar geleden laat zien dat sprake is van een IQ van 56. Dat kan een momentopname zijn geweest. Daaruit blijkt niet dat sprake is van een verstandelijke beperking. Er moet ook sprake zijn van ondersteuningsbehoefte naast een laag IQ, maar een ondersteuningsbehoefte heeft meneer nooit gehad. Hij heeft allerlei dingen uitgevoerd en uit niks blijkt dat sprake is van een verstandelijke beperking. Dus dat betwist ik. Dan kom ik niet verder, want artikel 1 Wzd geeft aan dat sprake moet zijn van een verstandelijke beperking. Het staat weliswaar aangekruist in de medische verklaring, maar die is opgesteld door een psychiater en niet door een arts verstandelijk gehandicapten of een geriater. Dit is ook alleen gebaseerd op het onderzoek in 2017, dus niet op eigen onderzoek. Dus primair afwijzing en subsidiair aanhouding om een ter zake kundig arts te laten beoordelen of wel of niet sprake is van een verstandelijke beperking. (…). (…) Rechter Ik zal de IBS wel verlengen, want een psychiater mag te allen tijden een diagnose geven en die heeft aangekruist, op basis van eigen onderzoek en de ontvangen stukken, dat sprake is van een verstandelijke beperking . U bent het daar niet mee eens, maar ik ga uit van het professionele oordeel van deze psychiater. Daarbij staat in de ontslagbrief van Bernhoven dat u niet wilsbekwaam bent en niet goed voor uzelf kunt zorgen. Dat zien ze hier op de afdeling ook. Daarbij geeft u aan zorg in te kopen, maar bent u een maandlang opgenomen in het ziekenhuis met uitgebreide problematiek vanwege onderkoeling en vervuiling. Dit duidt erop dat u niet goed voor uzelf kunt zorgen. De vraag is of er verdere geriatrische problematiek speelt. Op dit moment is er evident levensgevaar, los van wilsbekwaamheid, want het ging meteen mis toen u thuis was.
Volledig
Dus data maakt dat er allerlei redenen zijn. Er is sprake van een verstandelijke beperking en ernstig nadeel kan niet anders afgewend worden dan door een opname hier.” 3.31 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank in r.o. 4.3 (hiervoor onder 2.4 geciteerd) geoordeeld dat zij geen reden ziet om te twijfelen aan de conclusie van de onafhankelijke psychiater dat bij betrokkene sprake is van een verstandelijke beperking. Daartoe overweegt de rechtbank dat de psychiater deze conclusie heeft getrokken uit een combinatie van zijn eigen onderzoek aan betrokkene en het psychologisch onderzoek van zeven jaar geleden. Nu de rechtbank geen reden ziet te twijfelen aan de conclusie van de onafhankelijke psychiater dat sprake is van een verstandelijke beperking van betrokkene, ziet de rechtbank ook geen reden voor een second opinion, aldus de rechtbank in r.o. 4.3. 3.32 Naar mijn mening stellen de onderdelen 2 en 3 terecht aan de orde dat de rechtbank ten onrechte dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusie van een verstandelijke beperking van betrokkene en dus ook geen reden ziet voor een second opinion. De conclusie van de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring roept immers – mede in het licht van de Wlz-indicatie en het verhandelde ter zitting – vragen op over de diagnose van betrokkene. Dat betekent echter niet dat alle in deze onderdelen aangevoerde klachten slagen, zoals hierna zal blijken. 3.33 In subonderdeel 2.1 wordt mijns inziens terecht geklaagd dat de medische verklaring geen inzicht verschaft in de actuele situatie van betrokkene, althans dat niet duidelijk is hoe de psychiater tot zijn diagnose is gekomen en dat – dus, zou ik zeggen – onbegrijpelijk is hoe de rechtbank (kennelijk impliciet) heeft kunnen oordelen tot een verstandelijke handicap. 3.34 De rechtbank overweegt in r.o. 4.3 dat de onafhankelijke psychiater de conclusie heeft getrokken dat sprake is van een verstandelijke beperking en oordeelt dat zij geen reden ziet hieraan te twijfelen. Daarmee geeft de rechtbank mijns inziens haar oordeel over de (vermoedelijke) diagnose van betrokkene. Dit oordeel is blijkens r.o. 4.3 echter uitsluitend gebaseerd op de summierlijk onderbouwde conclusie dienaangaande van de onafhankelijke psychiater. 3.35 In de medische verklaring is de vermoedelijke diagnose onderbouwd door uitsluitend te verwijzen naar het IQ van betrokkene van 56. Met deze enkele grondslag van de vermoedelijke diagnose lijkt de onafhankelijke psychiater terug te grijpen op het verslag van het psychologisch onderzoek uit 2017, waarin bij betrokkene een dergelijk IQ is vastgesteld. Dat verslag heeft echter een beperkte geldigheidsduur en is dus inmiddels niet meer actueel. Ook blijkt uit de medische verklaring slechts dát en wanneer de psychiater betrokkene heeft onderzocht, maar blijkt niet waaruit dat onderzoek heeft bestaan en hoe dit heeft bijgedragen aan zijn conclusie dat sprake is van de vermoedelijke diagnose van een verstandelijke beperking. 3.36 Kortom: uit de medische verklaring valt niet op te maken hoe de psychiater tot zijn vermoedelijke diagnose is gekomen, anders dan door te wijzen op het IQ van 56. Nu de rechtbank zich voor haar kennelijke oordeel over de (vermoedelijke) diagnose van betrokkene uitsluitend baseert op de conclusie van de onafhankelijke psychiater die op zijn beurt ter onderbouwing daarvan slechts verwijst naar het in 2017 vastgestelde IQ van betrokkene, slaagt subonderdeel 2.1. In het licht van de bestaande onduidelijkheid over de diagnose van betrokkene had meer verwacht mogen worden van zowel de medische verklaring als het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank. 3.37 Overigens merk ik op dat de rechtbank overweegt dat de onafhankelijke psychiater de conclusie heeft getrokken dat “sprake is” van een verstandelijke beperking. Dit is denk ik een wat onnauwkeurig gebezigde formulering, nu in de medische verklaring, conform de hiervoor genoemde wettelijke eis (zie hiervoor onder 3.22) voor de (voortzetting van de) inbewaringstelling een vermoedelijke diagnose wordt gesteld. De rechtbank stelt vervolgens in de eveneens in onderdeel 2 bestreden r.o. 4.7 wel vast dat vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een verstandelijke handicap. 3.38 Subonderdeel 2.2 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het subonderdeel miskent immers dat de rechtbank in r.o. 4.3 niet louter heeft geoordeeld dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de door de onafhankelijk psychiater getrokken conclusie van een verstandelijke beperking van betrokkene. De rechtbank overweegt daarnaast immers dat de psychiater is uitgegaan van een combinatie van eigen onderzoek (waaruit de actuele situatie van betrokkene blijkt, zo begrijp ik de rechtbank) en het psychologisch onderzoek uit 2017. Ik begrijp het oordeel van de rechtbank aldus, dat zij in de bestreden r.o. 4.3 zowel respondeert op het verweer dat überhaupt geen verstandelijke beperking kon worden vastgesteld als op het verweer dat de medische verklaring geen inzicht verschaft in de actuele situatie van betrokkene. Dat het bestreden oordeel als zodanig in het licht van de summiere inhoud van de medische verklaring onvoldoende begrijpelijk is (zie hiervoor onder 3.33-3.36), maakt het voorgaande niet anders. 3.39 Onderdeel 3 klaagt dat de rechtbank in r.o. 4.3 ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat zij geen reden ziet om een second opinion te laten uitvoeren. Immers noopten de omstandigheden van het geval, te weten het onderzoek door een (onbevoegde) psychiater en/of een oud psychologisch rapport uit 2017 en/of het ontbreken van een duidelijke diagnose tot een nader onderzoek. Dat onderzoek zou moeten zien op een duidelijke en actuele diagnose van betrokkene, zoals ook in eerste aanleg aangevoerd, aldus dit onderdeel. 3.40 Nu de klacht van subonderdeel 2.1 slaagt, slaagt ook onderdeel 3. De rechtbank heeft in r.o. 4.3 het subsidiaire verzoek van de advocaat om een second opinion te gelasten afgewezen, voortbouwend op haar oordeel dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de door de onafhankelijke psychiater gestelde diagnose “verstandelijke beperking” (onderstreping door mij, A-G): “4.3. (…) Daaruit heeft hij (de onafhankelijke psychiater; A-G) de conclusie getrokken dat sprake is van een verstandelijke beperking. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om, zoals de advocaat subsidiair heeft verzocht, een second opinion te laten uitvoeren. ” 3.41 Nu de rechtbank in de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd heeft dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de conclusie van de onafhankelijke psychiater over de vermoedelijke diagnose verstandelijke beperking, is de op dit oordeel voortbouwende afwijzing van het verzoek om een second opinion eveneens onvoldoende gemotiveerd. 3.42 Daar komt blijkens de toelichting bij deze klacht bij dat uit het verhandelde ter zitting blijkt dat juist zoveel twijfel bestond over de diagnose van betrokkene (zie hiervoor onder 3.30), waardoor inderdaad nader onderzoek aangewezen was. Dit nadere onderzoek door de rechtbank zou mijns inziens echter ook kunnen plaatsvinden door het schriftelijk of mondeling stellen van aanvullende vragen aan de onafhankelijke psychiater naar aanleiding van de summierlijk onderbouwde medische verklaring (zie hiervoor onder 3.24). Dat de afwijzing van het verzoek om een second opinion in de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd, betekent mijns inziens dus niet dat ook zonder meer een second opinion had moeten plaatsvinden. 3.43 In de JGz -noot van psychiater Van den Bosch onder de hier bestreden beschikking ligt de nadruk op het belang van betrokkene om de zorg te krijgen die hij nodig heeft. Dat is uiteraard een groot belang van een betrokkene.
Volledig
Een zaak als deze toont echter ook aan dat op de hierbij betrokken juristen – de advocaat van een betrokkene en de rechter – de verantwoordelijk rust om ook dan kritisch aan de orde te stellen respectievelijk te onderzoeken of aan de wettelijke eisen voor het verlenen van de verzochte machtiging is voldaan, hoezeer ook blijkt dat een betrokkene zorg nodig heeft. Ook dat is een groot belang van een betrokkene. 3.44 Onderdeel 4 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en betoogt dat indien een van de vorige klachten slaagt, artikel 5, aanhef en sub e, EVRM en artikel 14 lid 1, sub b, VN Gehandicaptenverdrag zijn geschonden. Met het slagen van subonderdeel 2.1 en onderdeel 3 slaagt ook dit onderdeel. 3.45 In het licht van het voorgaande kan ook het niet dictum niet in stand blijven, zodat ook de veegklacht in onderdeel 5 slaagt. 4 Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Aldus de bestreden beschikking, r.o. 1.2. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 februari 2025 zijn verder verschenen: een arts in opleiding tot specialist ouderengeneeskunde en een zorgbegeleider. Rb. Oost-Brabant 14 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2245. Het CIZ heeft bij brief, ingekomen bij de Hoge Raad op 4 december 2025, laten weten geen verweer te zullen voeren. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:682, NJ 2018/242, JGz 2018/25, m.nt. red. ECLI:NL:PHR:2018:428, met weglating van de voetnoten in het citaat. Deze bepaling spreekt van “cliënt”. In de Wzd worden de termen “cliënt” en “betrokkene” door elkaar gebruikt. In navolging van het gebruik van de Hoge Raad hanteer ik in deze conclusie de term “betrokkene”. Kamerstukken II 2008/2009, 31 996, nr. 3, p. 65-66. Het huidige artikel 26 Wzd was destijds artikel 21 Wzd. Kamerstukken II 2018/2019, 35 087, nr. 7, p. 8-9. De voetnoot in het citaat luidt: “Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25. Bij die tweede nota van wijziging van de Wvgz is ook de Wzd aangepast.” De hier bedoelde passage uit de tweede nota van wijziging van de Wvggz gaat het om de ter zake kundige arts als zorgverantwoordelijke. De passage luidt voor zover relevant als volgt: “Eveneens uit het oogpunt van deze rechtsbescherming is in de Wzd de verantwoordelijkheid van de zorgverantwoordelijke verder verduidelijkt en aangescherpt. (…) Een ter zake deskundige arts zal in de regel een specialist ouderengeneeskunde of een arts verstandelijk gehandicapten zijn.” Vlaardingerbroek/S. McFedries, T&C PFR , art. 26 Wzd, aant. 5 (actueel t/m 1 augustus 2025); Het slot van de toelichting op onderdeel 1 luidt: “In geval de BOPZ lijn ook in Wzd zaken zou moeten worden doorgetrokken en een psychiater altijd bevoegd zou zijn, dan zou de Wzd praktijk erbij zijn gebaat als dit door de Hoge Raad wordt geëxpliciteerd.” Zie over de verhouding rechter – onafhankelijke deskundige en de toets door de rechter van de medische verklaring (onder de Wet Bopz) W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de BOPZ-machtigingsprocedure (diss. RuG), Reeks gezondheidsrecht nr. 21, Den Haag: Vermande 2003, p. 193-203 en (vooruitkijkend naar de Wvggz) W.J.A.M. Dijkers, ‘Een witte jas onder de toga. De toetsende rol van de rechter in de dwangpsychiatrie’, NJB 2018/23. ECLI:NL:PHR:2025:1254, onder 3.8-3.19, voor HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:91 (art. 81 RO). Dijkers, a.w. (diss), p. 200-201. Vgl. L.F.M. van Boxtel, W.J.A.M. Dijkers & R.P. de Roode, Teksten gedwongen zorg . Editie 2025, Sdu B.V. Den Haag, 2025, p. 239. Zie daarover vorig jaar in een Wvggz-zaak: HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:726, JGz 2025/41, m.nt. F. Westenberg, r.o. 3.2 en 3.3. Vgl. ook o.m. HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, JGz 2021/62, m.nt. R.B.M. Keurentjes. Het verslag van het psychologisch onderzoek is als productie 5 gevoegd aan het verzoekschrift van het CIZ aan de rechtbank. Verslag psychologisch onderzoek van 24 oktober 2024, p. 3 onder “Test psychologisch onderzoek, intelligentie ”. Verslag psychologisch onderzoek van 24 oktober 2024, p. 4 onder “Beschouwing”. Het indicatiebesluit is als productie 4 gevoegd aan het verzoekschrift van het CIZ aan de rechtbank. Zie voor een uitleg van de verschillende Wlz-zorgprofielen de website regelhulp.nl van het ministerie van VWS. Indicatiebesluit van 6 februari 2025, p. 2. Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 14 februari 2025, p. 2-7. Zoals ook uitdrukkelijk vermeld staat op p.1 van het verslag van dit psychologisch onderzoek uit 2017. Zie de medische verklaring onder 5, b en c.