Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-02-03
ECLI:NL:PHR:2026:146
Strafrecht
49,995 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:146 text/xml public 2026-04-14T12:50:45 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-02-03 25/00080 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:623 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:146 text/html public 2026-02-03T13:44:32 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:146 Parket bij de Hoge Raad , 03-02-2026 / 25/00080 Conclusie AG. Caribische zaak. Onderzoek Avestrus. Medeplegen oplichting, passieve ambtelijke omkoping, misbruik van functie en verduistering. Eerste middel klaagt o.a. over bewezenverklaarde oplichting. Verdachte zou als toenmalig minister moeten worden vereenzelvigd met Land Aruba en zou Land dus niet hebben kunnen oplichten. Tweede middel klaagt over grondslagverlating ten aanzien van bewezenverklaarde omkoping. Derde middel klaagt over bewezenverklaarde verduistering, onder meer over delictsbestanddeel 'onder zich hebben'. Alle middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/02922 C en 25/00078 C. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00080 C Zitting 3 februari 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de verdachte. 1. Inleiding 1.1 De verdachte is bij vonnis van 12 juli 2024 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) wegens - onder 1 “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, - onder 3 “als ambtenaar een gift aannemen wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd, en als ambtenaar een gift aannemen wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige bediening is gedaan, meermalen gepleegd”. - onder 4 “als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen of nalaten iets te doen ten einde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd”, - onder 5 “verduistering” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het Hof de verdachte ontzet van het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden en van het recht om verkozen te worden als lid van de algemeen vertegenwoordigde organen, telkens voor de duur van zes jaren. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/02922 C en 25/00078 C. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. 2. Het eerste middel 2.1 Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring onder 1, 3 en 4. 2.2 Ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde oplichting wordt geklaagd dat: - uit het vonnis volgt dat het Hof van oordeel is geweest dat de verdachte als vertegenwoordiger van het land Aruba degene is die door oplichting tot afgifte is bewogen, zodat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het Hof verder heeft geoordeeld dat de verdachte samen met anderen de oplichting heeft gepleegd ( deelklacht 1 ); - het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van erfpacht niet kan worden beschouwd als afgifte van enig goed ( deelklacht 2 ); - uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachten en deze heeft medegepleegd ( deelklacht 3 ) en - de in de bewezenverklaring genoemde handelingen van de verdachte mede hebben bestaan uit gedragingen die zijn verricht nadat tot afgifte van de (opties tot) erfpachtrechten is overgegaan, zodat deze niet kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van oplichting ( deelklacht 4 ). 2.3 Daarnaast wordt ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde nog geklaagd dat: - het Hof een aantal verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl deze getuige slechts werkzaam is geweest bij de Dienst Infrastructurele Projecten (hierna: DIP) tot april 2014; zijn verklaringen kunnen dus niet redengevend zijn voor de rest van de bewezenverklaarde periode ( deelklacht 5 ) en vi) het Hof, naast de verklaring van [getuige 1] , ook andere bewijsmiddelen heeft gebezigd die niet redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring, omdat zij omstandigheden behelzen die (ruim) voor de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden ( deelklacht 6 ). 2.4 Ten laste van de verdachte is onder 1, 3 en 4 bewezenverklaard: “ 1.
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:146 text/xml public 2026-04-14T12:50:45 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-02-03 25/00080 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:623 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:146 text/html public 2026-02-03T13:44:32 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:146 Parket bij de Hoge Raad , 03-02-2026 / 25/00080 Conclusie AG. Caribische zaak. Onderzoek Avestrus. Medeplegen oplichting, passieve ambtelijke omkoping, misbruik van functie en verduistering. Eerste middel klaagt o.a. over bewezenverklaarde oplichting. Verdachte zou als toenmalig minister moeten worden vereenzelvigd met Land Aruba en zou Land dus niet hebben kunnen oplichten. Tweede middel klaagt over grondslagverlating ten aanzien van bewezenverklaarde omkoping. Derde middel klaagt over bewezenverklaarde verduistering, onder meer over delictsbestanddeel 'onder zich hebben'. Alle middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/02922 C en 25/00078 C. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00080 C Zitting 3 februari 2026 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de verdachte. 1. Inleiding 1.1 De verdachte is bij vonnis van 12 juli 2024 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) wegens - onder 1 “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, - onder 3 “als ambtenaar een gift aannemen wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd, en als ambtenaar een gift aannemen wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem of een ander gedaan, verleend of aangeboden wordt naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige bediening is gedaan, meermalen gepleegd”. - onder 4 “als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen of nalaten iets te doen ten einde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd”, - onder 5 “verduistering” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het Hof de verdachte ontzet van het recht om het ambt van ambtenaar te bekleden en van het recht om verkozen te worden als lid van de algemeen vertegenwoordigde organen, telkens voor de duur van zes jaren. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/02922 C en 25/00078 C. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. 2. Het eerste middel 2.1 Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring onder 1, 3 en 4. 2.2 Ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde oplichting wordt geklaagd dat: - uit het vonnis volgt dat het Hof van oordeel is geweest dat de verdachte als vertegenwoordiger van het land Aruba degene is die door oplichting tot afgifte is bewogen, zodat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het Hof verder heeft geoordeeld dat de verdachte samen met anderen de oplichting heeft gepleegd ( deelklacht 1 ); - het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van erfpacht niet kan worden beschouwd als afgifte van enig goed ( deelklacht 2 ); - uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachten en deze heeft medegepleegd ( deelklacht 3 ) en - de in de bewezenverklaring genoemde handelingen van de verdachte mede hebben bestaan uit gedragingen die zijn verricht nadat tot afgifte van de (opties tot) erfpachtrechten is overgegaan, zodat deze niet kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van oplichting ( deelklacht 4 ). 2.3 Daarnaast wordt ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde nog geklaagd dat: - het Hof een aantal verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl deze getuige slechts werkzaam is geweest bij de Dienst Infrastructurele Projecten (hierna: DIP) tot april 2014; zijn verklaringen kunnen dus niet redengevend zijn voor de rest van de bewezenverklaarde periode ( deelklacht 5 ) en vi) het Hof, naast de verklaring van [getuige 1] , ook andere bewijsmiddelen heeft gebezigd die niet redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring, omdat zij omstandigheden behelzen die (ruim) voor de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden ( deelklacht 6 ). 2.4 Ten laste van de verdachte is onder 1, 3 en 4 bewezenverklaard: “ 1.
Volledig
Oplichting hij op meer tijdstippen in de periode van 15 februari 2014 tot en met maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het land Aruba, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten: (zaaksdossier [betrokkene 5] ) - de afgifte van een Ministeriële Beschikking waarbij een optierecht op twee percelen domeingrond gelegen te [locatie 1] , kadastraal bekend als T- […] en T- […] , wordt verleend en/of - het aangaan van een overeenkomst met [betrokkene 5] tot vestiging van erfpacht op de percelen gelegen te [locatie 1] , kadastraal bekend als T- […] en T- […] , (zaaksdossier [betrokkene 6] ) - de afgifte van een Ministeriële Beschikking waarbij een optierecht op het perceel, kadastraal bekend als K- […] te [locatie 2] , wordt verleend en/of - het aangaan van een overeenkomst met [betrokkene 6] tot vestiging van erfpacht op het perceel, kadastraal bekend als K- […] te [locatie 2] , hebbende hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), (telkens) met bovenomschreven oogmerk, zakelijk weergegeven, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld: - namens [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zijn aanvragen voor het verkrijgen van een erfpacht op genoemde percelen ingediend en - namens [betrokkene 5] en [betrokkene 6] stukken ingediend ter onderbouwing van deze aanvragen waarmee zij valselijk de indruk hebben gewekt dat zij, [medeverdachte 2] , zelf als eigenaar van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] een project op de genoemde percelen wilde en ging ontwikkelen en - verdachte heeft geld ontvangen van [medeverdachte 2] en - door [medeverdachte 3] en/of de Directie infrastructuur & Planning (DIP) werd niet onderzocht of deze aanvragen voldeden aan de voorwaarden , zoals omschreven in het destijds geldende beleid, zoals omschreven in de brochure “optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden” die daarvoor door de DIP was opgesteld en - door verdachte werd niet onderzocht of getoetst of deze aanvragen voldeden aan genoemde voorwaarden voor de optieverlening en/of erfpachtvestiging en werden deze aanvragen op dezelfde dag althans zeer korte tijd na binnenkomst van de aanvragen geaccordeerd door verdachte en ter verdere afhandeling naar [medeverdachte 3] gestuurd en - door [medeverdachte 3] werd vervolgens medewerking verleend aan het akkoord geven door verdachte op genoemde aanvragen en een Ministeriële Beschikking voor een optierecht en/of een overeenkomst tot vestiging van erfpacht opgesteld met betrekking tot genoemde percelen en ter accordering en ondertekening aan verdachte voorgelegd, en - door verdachte werd een Ministeriële Beschikking voor een optierecht verleend aan en namens het land Aruba een overeenkomst tot vestiging erfpacht aangegaan met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] met betrekking tot genoemde percelen, waardoor de aandelen in en de waarde van de bedrijven [betrokkene 5] en [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] aanzienlijk stegen en/of [medeverdachte 2] aanzienlijk werd verrijkt terwijl [medeverdachte 2] nimmer de intentie had de projecten zelf uit te voeren en de percelen zelf te ontwikkelen en de percelen ook nimmer zelf heeft ontwikkeld en verdachte en [medeverdachte 3] nimmer hebben gecontroleerd en/of onderzocht of aan de genoemde voorwaarden werd voldaan, en aldus doende heeft verdachte zich voorgedaan als een betrouwbare en integere Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur, waardoor het land Aruba werd bewogen tot de afgifte van bovengenoemde goederen. 3. Passieve omkoping hij op meer tijdstippen in de periode van 15 februari 2014 tot en met 19 oktober 2019 te Aruba in zijn hoedanigheid van Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening van personen en/ of aan die personen gelieerde rechtspersonen , namelijk: Zaaksdossier [betrokkene 5] [medeverdachte 2] en Zaaksdossier [medeverdachte 1] en/of [A] NV een of meer giften, namelijk, een geldbedrag en betalingen voor de aanleg/bouw van een gym, een toegangshek en een andere verbouwing aan zijn woning (de tuin) aan de [a-straat 1] , heeft aangenomen terwijl hij telkens wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat deze giften, hem werden gedaan, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in strijd met zijn plicht, in zijn huidige bediening is gedaan namelijk (telkens) (a) het verstrekken dan wel wijzigen van opties op (commerciële) erfpachtrechten en/of het uitvaardingen van Ministeriele beschikking waarbij een optie voor een erfpacht wordt verstrekt en/of het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van een erfpacht door verdachte als Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening, althans het Land Aruba, en/of (b) het (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan voormelde (rechts)personen en/of het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en/of verbeteren van een relatie tussen hem en voormelde (rechts)personen waarin hij niet meer zo vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en/of objectief was/kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voormelde (rechts)personen als in het geval dat hij die giften, niet had aangenomen; 4. Misbruik van functie hij in de periode van 15 februari 2014 tot en met 1 september 2017 te Aruba, in zijn hoedanigheid van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur, opzettelijk met misbruik van zijn functie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, namelijk: - giften aangenomen van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [A] NV die hem werden gegeven met de bedoeling een voorkeursbehandeling te krijgen bij het verlenen en/of wijzigen van optierechten en/of erfpachtrechten en/of - een voorkeursbehandeling gegeven door een aanvraagbrief en/of een Ministeriele Beschikking voor het verlenen en/of wijzigen van een optierecht van erfpacht op de aangevraagde percelen zonder (enige) controle en/of (enig) onderzoek te (laten) verrichten om te controleren of deze aanvragen voldeden aan de in de (pre)optiefase gestelde voorwaarden geaccordeerd en/of ondertekend ten gunste van en/of - een overeenkomst tot vestiging en/of wijziging van een erfpacht op de verzochte percelen aangegaan met Zaaksdossier [betrokkene 5] en/of [medeverdachte 2] Zaaksdossier [betrokkene 6] en/of [medeverdachte 2] Zaaksdossier [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 7] en/of [A] NV en/of [C] NV en/of [E] en/of [B] en/of [D] N.V waardoor aan genoemde perso(o)n(en) en/of bedrij(f)(ven) telkens een of meer optierecht(en) werd(en) verleend en/of gewijzigd en/of een erfpachtrecht werd(en) verstrekt en/of waardoor deze perso(o)n(en) en/of bedrijven onrechtvaardig en/of aanzienlijk werd(en) verrijkt.” 2.5 Het Hof heeft ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde overwogen (met weglating van een voetnoot): “11. Bewijsoverwegingen 11.1 Feit 1 (medeplegen van oplichting), 3 partieel (passieve omkoping) en 4 partieel (misbruik van functie) inzake zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5] De verdenking zoals weergegeven in de tenlastelegging, gelezen tegen de achtergrond van het dossier, is dat hij tezamen en in vereniging met de aan de AVP gelieerde en hem goed bekende [medeverdachte 2] (en de vennootschappen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , waarvan [medeverdachte 2] de aandelen hield) het Land Aruba heeft opgelicht, in die zin dat in onderlinge afstemming, volgens een zelfde werkwijze waaraan zij ieder hun bijdrage leverden, als volgt is gehandeld. [verdachte] heeft (tegen een wettelijk vastgesteld, relatief zeer laag tarief) op aanvraag van de (lege) vennootschappen van [medeverdachte 2] opties op de uitgifte van zogeheten commerciële percelen verleend. Daarbij werd niet onderzocht of aan de daarvoor gestelde voorwaarden werd voldaan.
Volledig
Oplichting hij op meer tijdstippen in de periode van 15 februari 2014 tot en met maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het land Aruba, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten: (zaaksdossier [betrokkene 5] ) - de afgifte van een Ministeriële Beschikking waarbij een optierecht op twee percelen domeingrond gelegen te [locatie 1] , kadastraal bekend als T- […] en T- […] , wordt verleend en/of - het aangaan van een overeenkomst met [betrokkene 5] tot vestiging van erfpacht op de percelen gelegen te [locatie 1] , kadastraal bekend als T- […] en T- […] , (zaaksdossier [betrokkene 6] ) - de afgifte van een Ministeriële Beschikking waarbij een optierecht op het perceel, kadastraal bekend als K- […] te [locatie 2] , wordt verleend en/of - het aangaan van een overeenkomst met [betrokkene 6] tot vestiging van erfpacht op het perceel, kadastraal bekend als K- […] te [locatie 2] , hebbende hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n), (telkens) met bovenomschreven oogmerk, zakelijk weergegeven, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld: - namens [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zijn aanvragen voor het verkrijgen van een erfpacht op genoemde percelen ingediend en - namens [betrokkene 5] en [betrokkene 6] stukken ingediend ter onderbouwing van deze aanvragen waarmee zij valselijk de indruk hebben gewekt dat zij, [medeverdachte 2] , zelf als eigenaar van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] een project op de genoemde percelen wilde en ging ontwikkelen en - verdachte heeft geld ontvangen van [medeverdachte 2] en - door [medeverdachte 3] en/of de Directie infrastructuur & Planning (DIP) werd niet onderzocht of deze aanvragen voldeden aan de voorwaarden , zoals omschreven in het destijds geldende beleid, zoals omschreven in de brochure “optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden” die daarvoor door de DIP was opgesteld en - door verdachte werd niet onderzocht of getoetst of deze aanvragen voldeden aan genoemde voorwaarden voor de optieverlening en/of erfpachtvestiging en werden deze aanvragen op dezelfde dag althans zeer korte tijd na binnenkomst van de aanvragen geaccordeerd door verdachte en ter verdere afhandeling naar [medeverdachte 3] gestuurd en - door [medeverdachte 3] werd vervolgens medewerking verleend aan het akkoord geven door verdachte op genoemde aanvragen en een Ministeriële Beschikking voor een optierecht en/of een overeenkomst tot vestiging van erfpacht opgesteld met betrekking tot genoemde percelen en ter accordering en ondertekening aan verdachte voorgelegd, en - door verdachte werd een Ministeriële Beschikking voor een optierecht verleend aan en namens het land Aruba een overeenkomst tot vestiging erfpacht aangegaan met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] met betrekking tot genoemde percelen, waardoor de aandelen in en de waarde van de bedrijven [betrokkene 5] en [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] aanzienlijk stegen en/of [medeverdachte 2] aanzienlijk werd verrijkt terwijl [medeverdachte 2] nimmer de intentie had de projecten zelf uit te voeren en de percelen zelf te ontwikkelen en de percelen ook nimmer zelf heeft ontwikkeld en verdachte en [medeverdachte 3] nimmer hebben gecontroleerd en/of onderzocht of aan de genoemde voorwaarden werd voldaan, en aldus doende heeft verdachte zich voorgedaan als een betrouwbare en integere Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur, waardoor het land Aruba werd bewogen tot de afgifte van bovengenoemde goederen. 3. Passieve omkoping hij op meer tijdstippen in de periode van 15 februari 2014 tot en met 19 oktober 2019 te Aruba in zijn hoedanigheid van Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening van personen en/ of aan die personen gelieerde rechtspersonen , namelijk: Zaaksdossier [betrokkene 5] [medeverdachte 2] en Zaaksdossier [medeverdachte 1] en/of [A] NV een of meer giften, namelijk, een geldbedrag en betalingen voor de aanleg/bouw van een gym, een toegangshek en een andere verbouwing aan zijn woning (de tuin) aan de [a-straat 1] , heeft aangenomen terwijl hij telkens wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat deze giften, hem werden gedaan, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in strijd met zijn plicht, in zijn huidige bediening is gedaan namelijk (telkens) (a) het verstrekken dan wel wijzigen van opties op (commerciële) erfpachtrechten en/of het uitvaardingen van Ministeriele beschikking waarbij een optie voor een erfpacht wordt verstrekt en/of het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van een erfpacht door verdachte als Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening, althans het Land Aruba, en/of (b) het (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan voormelde (rechts)personen en/of het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en/of verbeteren van een relatie tussen hem en voormelde (rechts)personen waarin hij niet meer zo vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en/of objectief was/kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voormelde (rechts)personen als in het geval dat hij die giften, niet had aangenomen; 4. Misbruik van functie hij in de periode van 15 februari 2014 tot en met 1 september 2017 te Aruba, in zijn hoedanigheid van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur, opzettelijk met misbruik van zijn functie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, namelijk: - giften aangenomen van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [A] NV die hem werden gegeven met de bedoeling een voorkeursbehandeling te krijgen bij het verlenen en/of wijzigen van optierechten en/of erfpachtrechten en/of - een voorkeursbehandeling gegeven door een aanvraagbrief en/of een Ministeriele Beschikking voor het verlenen en/of wijzigen van een optierecht van erfpacht op de aangevraagde percelen zonder (enige) controle en/of (enig) onderzoek te (laten) verrichten om te controleren of deze aanvragen voldeden aan de in de (pre)optiefase gestelde voorwaarden geaccordeerd en/of ondertekend ten gunste van en/of - een overeenkomst tot vestiging en/of wijziging van een erfpacht op de verzochte percelen aangegaan met Zaaksdossier [betrokkene 5] en/of [medeverdachte 2] Zaaksdossier [betrokkene 6] en/of [medeverdachte 2] Zaaksdossier [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 7] en/of [A] NV en/of [C] NV en/of [E] en/of [B] en/of [D] N.V waardoor aan genoemde perso(o)n(en) en/of bedrij(f)(ven) telkens een of meer optierecht(en) werd(en) verleend en/of gewijzigd en/of een erfpachtrecht werd(en) verstrekt en/of waardoor deze perso(o)n(en) en/of bedrijven onrechtvaardig en/of aanzienlijk werd(en) verrijkt.” 2.5 Het Hof heeft ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde overwogen (met weglating van een voetnoot): “11. Bewijsoverwegingen 11.1 Feit 1 (medeplegen van oplichting), 3 partieel (passieve omkoping) en 4 partieel (misbruik van functie) inzake zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5] De verdenking zoals weergegeven in de tenlastelegging, gelezen tegen de achtergrond van het dossier, is dat hij tezamen en in vereniging met de aan de AVP gelieerde en hem goed bekende [medeverdachte 2] (en de vennootschappen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , waarvan [medeverdachte 2] de aandelen hield) het Land Aruba heeft opgelicht, in die zin dat in onderlinge afstemming, volgens een zelfde werkwijze waaraan zij ieder hun bijdrage leverden, als volgt is gehandeld. [verdachte] heeft (tegen een wettelijk vastgesteld, relatief zeer laag tarief) op aanvraag van de (lege) vennootschappen van [medeverdachte 2] opties op de uitgifte van zogeheten commerciële percelen verleend. Daarbij werd niet onderzocht of aan de daarvoor gestelde voorwaarden werd voldaan.
Volledig
Ook werden daarbij stukken ingediend waarmee door [medeverdachte 2] /haar vennootschappen de indruk werd gewekt zij de intentie hadden om zelf projecten op de desbetreffende percelen te ontwikkelen, terwijl het eigenlijke doel was om, zodra de opties waren verleend, de aandelen van de vennootschappen te verkopen. Op die manier zou het Land zijn bewogen tot afgifte van de optie en later het recht van erfpacht, en zou – zoals bij de verkoop van de aandelen van de vennootschappen aan derden op basis van de werkelijke marktwaarde van de desbetreffende opties bleek - de waarde van die aandelen aanzienlijk zijn gestegen, waardoor [medeverdachte 2] aanzienlijk is verrijkt, van welke verrijking ook [verdachte] heeft geprofiteerd. Het resultaat van deze werkwijze, waarbij genoemde vennootschappen – als lege huls - tussen de minister als optieverlener en de feitelijke ontwikkelaars van de percelen werden gepositioneerd, is dat de werkelijke ontwikkelaars een aanzienlijk hoger bedrag voor de optie/erfpachtrechten hebben moeten betalen dan het geval was geweest zonder de tussenkomst van deze vennootschappen, gelden die niet aan de te ontwikkelen projecten zelf hebben kunnen worden besteed, maar in de zak van [medeverdachte 2] en [verdachte] zelf zijn gevloeid. Uitgifteproces opties Alvorens in te gaan op de concrete gang van zaken in de desbetreffende zaaksdossiers acht het Hof het dienstig om het uitgifteproces van optie-/erfpachtrechten tijdens het bewind van [verdachte] als minister weer te geven. Burgers en ondernemers die in aanmerking wensten te komen voor een erfpachtrecht op domeingrond moesten zich volgens artikel 4 Landsverordening uitgifte eigendommen (LUE), met een verzoekschrift wenden tot de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid. Ingevolge artikel 25a jo. 25c LUE werd een optie op een erfpachtrecht verleend onder de voorwaarden door de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid in elk afzonderlijk geval te stellen. Het optierecht gaf de optiehouder het recht van eerste keuze om een erfpachtovereenkomst met het Land te sluiten voor een bepaald perceel. De betreffende minister, [verdachte] (na een herverdeling van portefeuilles), was op grond van de LUE eindverantwoordelijk en bevoegd om (commerciële) opties/erfpachtrechten op domeingrond uit te geven. In 2006 is de Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkeling (LRO) in werking getreden met als doel het gebruik van de grond en ruimte in Aruba beter te kunnen sturen. In deze Landsverordening werd de mogelijkheid geboden om een Ruimtelijk Ontwikkelingsplan (ROP) in te voeren, waarin de overheid de gewenste ontwikkeling voor de komende 10 jaar aan kon geven. In 2009 is het eerste ROP vastgesteld. Het Hof stelt vast dat noch in de LUE, noch in de LRO, noch in het ROP 2009 wordt voorgeschreven aan welke eisen moest worden voldaan om in aanmerking te komen voor een optie-/erfpachtrecht. In de ambtsperiode van [verdachte] was de Directie Infrastructuur en Planning (hierna: DIP) als ambtelijke organisatie belast met het in behandeling nemen en het begeleiden van het proces rondom de uitgifte van opties/erfpachtrechten. In de brochure van de DIP staat dat aanvragers hun verzoek moeten richten aan de minister van Onderwijs, Sociale Zaken en Infrastructuur, [verdachte] (na wederom een herverdeling van portefeuilles), door tussenkomst van de directeur van de DIP. Verder wordt in deze brochure weergegeven dat in het verzoek tot het verlenen van een optie de volgende punten moeten worden geadresseerd: 1. een beschrijving van het project (op twee A4-tjes); 2. type project; 3. de grootte van het benodigde terrein; 4. locatie voorkeur; 5. gemoeide investering; 6. wijze van financiering; 7. eventuele schetstekeningen. Deze voorwaarden stonden ook vermeld op het formulier optie/erfpacht van de DIP. Na verlening van de optie dienden volgens deze brochure binnen de eerste optietermijn van zes maanden de volgende documenten ter goedkeuring aan de Minister te worden overgelegd: a. een situatie-indeling (‘lay-out’) van het project; b. de gedetailleerde bouwtekeningen; c. een haalbaarheidsstudie; d. een specificatie van de investering die met het project gemoeid is; e. een omschrijving van de wijze waarop de financiering van het project zal geschieden en authentieke bewijsstukken dat deze financiering gegarandeerd is; f. een bouwtijdschema; g. een Milieu Effecten Rapport; h. een Social Economic Impact Assessment. [getuige 1] , vanaf 2010 tot april 2014 als team coördinator Instellingen, Commercie, Toerisme, Recreatie en ‘Niet-verleenbaar’ (verder: ICTRN) bij de DIP belast met commerciële terreinen, heeft verklaard dat dit beleid is opgesteld om grondspeculatie te voorkomen. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris over de pre-optiefase, dus de fase voorafgaand aan de optieverlening, verklaard dat de DIP in die fase nog niet heel streng is, maar dat dit wel een belangrijke fase is waarin serieuze en niet-serieuze aanvragers worden gefilterd. Getuige [getuige 2] , van 2005 tot en met 2010 directeur van de DIP, heeft over deze brochure verklaard: “Het is eigenlijk een standaard beleid dat al jaren ingevoerd is, al in 2008. Het probleem is niet dat er geen beleid is, het probleem is dat men zich niet aan het beleid houdt.” Het Hof concludeert dat er weliswaar beleid bestond met betrekking tot de punten die in de aanvraag van een optie moesten worden geadresseerd en de voorwaarden waaraan binnen de eerste optiefase moest worden voldaan, maar dat noch de LUE, noch de LRO, noch het ROP, noch het beleid terzake optie/erfpacht aanvragen regels bevatten over de wijze waarop bij de verlening van opties op de uitgifte van gronden in erfpacht de keuze wordt gemaakt tussen verschillende in aanmerking komende aanvragers. Dat dit, zoals door [verdachte] is betoogd, en ook in genoemde brochure staat vermeld, zonder aanzien des persoons gebeurde op basis van een systeem van ‘first in, first out’, in die zin dat de eerste in aanmerking komende optie-aanvraag voor een bepaald terrein werd toegewezen indien aan de optievoorwaarden werd voldaan, is in het geheel niet aannemelijk geworden. Buiten het feit dat zich geen enkel document of andere verklaring in het dossier bevindt waaruit dat zou kunnen worden afgeleid, wordt dit weersproken door de hierna te bespreken verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 8] , waaruit volgt dat de minister in feite een discretionaire bevoegdheid had – en benutte - om tot optieverlening over te gaan aan de aanvrager van zijn keuze. Dit blijkt ook uit een e-mailbericht van [betrokkene 9] , de Chief of Staff van [verdachte] , aan [medeverdachte 2] van 18 september 2014: “ [medeverdachte 2] , de terreinen die beschikbaar zijn: nummers 143, 144, 145 en 156. Volgens mij is elk ongeveer 5.000m2. Ik heb tegen [verdachte] en [medeverdachte 3] (Het Hof begrijpt: [verdachte] en [medeverdachte 3] ) gezegd om nummer […] voor jou te houden. Laat me weten of dat goed is en begin je brief op te stellen en doe een officiële aanvraag bij DIP.” Het Hof leidt hieruit af dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 9] samenwerkten bij het reserveren van specifieke percelen voor specifieke personen en dat deze niet op basis van first in, first out op eerlijke wijze aan aanvragers werden toebedeeld. In de praktijk bestonden er twee routes voor de indiening van optie/erfpachtaanvragen: route 1: burgers/ondernemers vulden bij het kantoor van de DIP een aanvraagformulier voor een erfpachtrecht in; route 2: burgers/ondernemers wendden zich met een aanvraagbrief direct tot (het kantoor van) de minister, die een notitie op de brief zette, deze ondertekende en de verzoekbrief vervolgens doorstuurde naar de DIP. Volgens getuige [betrokkene 8] , directeur van de DIP sinds 2018, wordt in de brochure over het indienen van verzoeken om een erfpachtrecht aan de minister bedoeld met “tussenkomst van de directeur van de DIP” dat een aanvraag die bij de directeur van de DIP binnenkomt wordt doorverwezen naar de minister en dat de minister bij een aanvraag die bij hem het advies van de directeur van de DIP vraagt.
Volledig
Ook werden daarbij stukken ingediend waarmee door [medeverdachte 2] /haar vennootschappen de indruk werd gewekt zij de intentie hadden om zelf projecten op de desbetreffende percelen te ontwikkelen, terwijl het eigenlijke doel was om, zodra de opties waren verleend, de aandelen van de vennootschappen te verkopen. Op die manier zou het Land zijn bewogen tot afgifte van de optie en later het recht van erfpacht, en zou – zoals bij de verkoop van de aandelen van de vennootschappen aan derden op basis van de werkelijke marktwaarde van de desbetreffende opties bleek - de waarde van die aandelen aanzienlijk zijn gestegen, waardoor [medeverdachte 2] aanzienlijk is verrijkt, van welke verrijking ook [verdachte] heeft geprofiteerd. Het resultaat van deze werkwijze, waarbij genoemde vennootschappen – als lege huls - tussen de minister als optieverlener en de feitelijke ontwikkelaars van de percelen werden gepositioneerd, is dat de werkelijke ontwikkelaars een aanzienlijk hoger bedrag voor de optie/erfpachtrechten hebben moeten betalen dan het geval was geweest zonder de tussenkomst van deze vennootschappen, gelden die niet aan de te ontwikkelen projecten zelf hebben kunnen worden besteed, maar in de zak van [medeverdachte 2] en [verdachte] zelf zijn gevloeid. Uitgifteproces opties Alvorens in te gaan op de concrete gang van zaken in de desbetreffende zaaksdossiers acht het Hof het dienstig om het uitgifteproces van optie-/erfpachtrechten tijdens het bewind van [verdachte] als minister weer te geven. Burgers en ondernemers die in aanmerking wensten te komen voor een erfpachtrecht op domeingrond moesten zich volgens artikel 4 Landsverordening uitgifte eigendommen (LUE), met een verzoekschrift wenden tot de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid. Ingevolge artikel 25a jo. 25c LUE werd een optie op een erfpachtrecht verleend onder de voorwaarden door de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid in elk afzonderlijk geval te stellen. Het optierecht gaf de optiehouder het recht van eerste keuze om een erfpachtovereenkomst met het Land te sluiten voor een bepaald perceel. De betreffende minister, [verdachte] (na een herverdeling van portefeuilles), was op grond van de LUE eindverantwoordelijk en bevoegd om (commerciële) opties/erfpachtrechten op domeingrond uit te geven. In 2006 is de Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkeling (LRO) in werking getreden met als doel het gebruik van de grond en ruimte in Aruba beter te kunnen sturen. In deze Landsverordening werd de mogelijkheid geboden om een Ruimtelijk Ontwikkelingsplan (ROP) in te voeren, waarin de overheid de gewenste ontwikkeling voor de komende 10 jaar aan kon geven. In 2009 is het eerste ROP vastgesteld. Het Hof stelt vast dat noch in de LUE, noch in de LRO, noch in het ROP 2009 wordt voorgeschreven aan welke eisen moest worden voldaan om in aanmerking te komen voor een optie-/erfpachtrecht. In de ambtsperiode van [verdachte] was de Directie Infrastructuur en Planning (hierna: DIP) als ambtelijke organisatie belast met het in behandeling nemen en het begeleiden van het proces rondom de uitgifte van opties/erfpachtrechten. In de brochure van de DIP staat dat aanvragers hun verzoek moeten richten aan de minister van Onderwijs, Sociale Zaken en Infrastructuur, [verdachte] (na wederom een herverdeling van portefeuilles), door tussenkomst van de directeur van de DIP. Verder wordt in deze brochure weergegeven dat in het verzoek tot het verlenen van een optie de volgende punten moeten worden geadresseerd: 1. een beschrijving van het project (op twee A4-tjes); 2. type project; 3. de grootte van het benodigde terrein; 4. locatie voorkeur; 5. gemoeide investering; 6. wijze van financiering; 7. eventuele schetstekeningen. Deze voorwaarden stonden ook vermeld op het formulier optie/erfpacht van de DIP. Na verlening van de optie dienden volgens deze brochure binnen de eerste optietermijn van zes maanden de volgende documenten ter goedkeuring aan de Minister te worden overgelegd: a. een situatie-indeling (‘lay-out’) van het project; b. de gedetailleerde bouwtekeningen; c. een haalbaarheidsstudie; d. een specificatie van de investering die met het project gemoeid is; e. een omschrijving van de wijze waarop de financiering van het project zal geschieden en authentieke bewijsstukken dat deze financiering gegarandeerd is; f. een bouwtijdschema; g. een Milieu Effecten Rapport; h. een Social Economic Impact Assessment. [getuige 1] , vanaf 2010 tot april 2014 als team coördinator Instellingen, Commercie, Toerisme, Recreatie en ‘Niet-verleenbaar’ (verder: ICTRN) bij de DIP belast met commerciële terreinen, heeft verklaard dat dit beleid is opgesteld om grondspeculatie te voorkomen. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris over de pre-optiefase, dus de fase voorafgaand aan de optieverlening, verklaard dat de DIP in die fase nog niet heel streng is, maar dat dit wel een belangrijke fase is waarin serieuze en niet-serieuze aanvragers worden gefilterd. Getuige [getuige 2] , van 2005 tot en met 2010 directeur van de DIP, heeft over deze brochure verklaard: “Het is eigenlijk een standaard beleid dat al jaren ingevoerd is, al in 2008. Het probleem is niet dat er geen beleid is, het probleem is dat men zich niet aan het beleid houdt.” Het Hof concludeert dat er weliswaar beleid bestond met betrekking tot de punten die in de aanvraag van een optie moesten worden geadresseerd en de voorwaarden waaraan binnen de eerste optiefase moest worden voldaan, maar dat noch de LUE, noch de LRO, noch het ROP, noch het beleid terzake optie/erfpacht aanvragen regels bevatten over de wijze waarop bij de verlening van opties op de uitgifte van gronden in erfpacht de keuze wordt gemaakt tussen verschillende in aanmerking komende aanvragers. Dat dit, zoals door [verdachte] is betoogd, en ook in genoemde brochure staat vermeld, zonder aanzien des persoons gebeurde op basis van een systeem van ‘first in, first out’, in die zin dat de eerste in aanmerking komende optie-aanvraag voor een bepaald terrein werd toegewezen indien aan de optievoorwaarden werd voldaan, is in het geheel niet aannemelijk geworden. Buiten het feit dat zich geen enkel document of andere verklaring in het dossier bevindt waaruit dat zou kunnen worden afgeleid, wordt dit weersproken door de hierna te bespreken verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 8] , waaruit volgt dat de minister in feite een discretionaire bevoegdheid had – en benutte - om tot optieverlening over te gaan aan de aanvrager van zijn keuze. Dit blijkt ook uit een e-mailbericht van [betrokkene 9] , de Chief of Staff van [verdachte] , aan [medeverdachte 2] van 18 september 2014: “ [medeverdachte 2] , de terreinen die beschikbaar zijn: nummers 143, 144, 145 en 156. Volgens mij is elk ongeveer 5.000m2. Ik heb tegen [verdachte] en [medeverdachte 3] (Het Hof begrijpt: [verdachte] en [medeverdachte 3] ) gezegd om nummer […] voor jou te houden. Laat me weten of dat goed is en begin je brief op te stellen en doe een officiële aanvraag bij DIP.” Het Hof leidt hieruit af dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 9] samenwerkten bij het reserveren van specifieke percelen voor specifieke personen en dat deze niet op basis van first in, first out op eerlijke wijze aan aanvragers werden toebedeeld. In de praktijk bestonden er twee routes voor de indiening van optie/erfpachtaanvragen: route 1: burgers/ondernemers vulden bij het kantoor van de DIP een aanvraagformulier voor een erfpachtrecht in; route 2: burgers/ondernemers wendden zich met een aanvraagbrief direct tot (het kantoor van) de minister, die een notitie op de brief zette, deze ondertekende en de verzoekbrief vervolgens doorstuurde naar de DIP. Volgens getuige [betrokkene 8] , directeur van de DIP sinds 2018, wordt in de brochure over het indienen van verzoeken om een erfpachtrecht aan de minister bedoeld met “tussenkomst van de directeur van de DIP” dat een aanvraag die bij de directeur van de DIP binnenkomt wordt doorverwezen naar de minister en dat de minister bij een aanvraag die bij hem het advies van de directeur van de DIP vraagt.
Volledig
In het geval de DIP op een aanvraag positief adviseerde, werd een concept van de ministeriële beschikking (hierna: MB) opgesteld waarin de optie aan de aanvrager werd verleend, waarna deze door de DIP met een begeleidende brief ter ondertekening naar de minister werd gestuurd. Hoewel het volgens [medeverdachte 3] niet gebruikelijk was om deze stukken met spoed naar (het bureau van) de minister te versturen, kon dat alleen op instructie van de minister. Indien de minister de MB ondertekende, en daarmee de optie aan de aanvrager werd verleend, werd pas door de DIP aan de aanvrager een kopie van de MB verstrekt nadat de aanvrager de kosten van de optie had voldaan en het betalingsbewijs bij de DIP had ingediend. De MB werd dan voorzien van de nodige leges en zegels. Het akkoord conform van de minister In beide onderhavige zaken was sprake van rechtstreeks bij [verdachte] binnengekomen optie aanvragen, waarop [verdachte] de handgeschreven aantekening: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking” respectievelijk “akkoord […] , gaarne uw medewerking” plaatste of liet plaatsen. [verdachte] heeft verklaard dat hij de aanvraagbrieven altijd doornam voordat hij deze ondertekende. [betrokkene 9] heeft dat ook verklaard: “Je gaat niets zo blindelings ondertekenen. Zeker hij niet.” [betrokkene 9] heeft voorts verklaard dat hij alles met [verdachte] besprak voordat hij iets uitvoerde. Hij handelt alleen op instructie van [verdachte] en geeft ook instructies van [verdachte] door aan [medeverdachte 3] , de directeur van de DIP. Ook [betrokkene 13] , de secretaresse van [verdachte] , heeft verklaard dat [betrokkene 9] alleen in opdracht van [verdachte] kon handelen als het over het aanvragen van terreinen ging. Tot slot wordt dit ook bevestigd door [medeverdachte 3] , die heeft verklaard dat hij alleen instructies opvolgt van de minister. [getuige 1] was van 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen. Hij heeft verklaard dat hij met minister [verdachte] het gevoel had dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. [getuige 1] : “Door de jaren heen zag ik telkens dat we alleen zijn mensen moesten helpen. Ik begon vragen te stellen waarom we weer precies deze mensen moesten helpen. Ik heb aangegeven dat ik niet kon werken op de manier die [medeverdachte 3] wilde. Toen kreeg ik geen projecten meer en werd in de hoek gezet. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpacht moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering kon krijgen. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat het normaal gesproken lang duurde om het akkoord van de minister te krijgen, soms wel jaren. [getuige 1] : “Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen, maar je hebt niet zomaar een afspraak met de minister.” Over de manier waarop de minister bepaalde wie wel en wie niet in aanmerking kwam voor een optie verklaart [getuige 1] : “Als de minister aan de DIP schreef: gaarne advies, dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Stond er echter al dat de minister akkoord gaf, dan wilde hij geen advies. De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst. Voor mij betekende het een instructie. Ik kon wel toetsen, maar dat was heel moeilijk. Ik zou een contra advies kunnen uitbrengen, maar dat was eigenlijk onbegonnen werk.” [medeverdachte 3] had wekelijks contact met de minister over commerciële erfpachtterreinen. Hij heeft evenals [getuige 1] over de rol van [verdachte] verklaard dat als de minister “Dir DIP akoord […] , gaarne uw medewerking” op de aanvraagbrief schreef, dit voor hem een duidelijke instructie was: “De accordering geeft aan dat de minister geen problemen heeft met deze aanvraag en hij zegt hiermee dat wij hiermee aan de gang moeten gaan. De minister zegt hiermee: ‘geef ze een optie’.” De aanvraag werd dan ook niet meer – zo blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 3] – getoetst aan de voorwaarden van de DIP in de pre-optiefase. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat er veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank lagen en dat er een achterstand was bij de erfpachtuitgifte van commerciële terreinen. Op de vraag hoe het kwam dat [medeverdachte 2] zo snel aan een terrein kwam terwijl het op Aruba algemeen bekend is dat het jaren duurde om een terrein te krijgen, antwoordt [medeverdachte 3] : “Het is meer dan duidelijk. Als je naar al de stukken kijkt, de accordering/instructie van de minister, kan je een conclusie trekken.” Alleen [medeverdachte 3] en [getuige 1] konden een positief advies opstellen. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij op een gegeven moment aan de kant werd gezet, omdat [getuige 1] geen positief advies wilde geven als niet alle stukken aanwezig waren. [medeverdachte 3] heeft daarover verklaard dat [getuige 1] de opdrachten van de minister niet wilde uitvoeren, waarmee hij de aanvraagbrieven bedoelt waarop de accordering van de minister stond. Volgens [getuige 1] stelde [medeverdachte 3] in dat geval het positieve advies op, wat ook door [medeverdachte 3] is bevestigd. [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij bij zijn aantreden als directeur van de DIP in 2018 een lijst ontving van gevallen waarin men bezig was om terreinen in te trekken, omdat deze niet op de juiste wijze aan personen waren gegeven. Er werd met deze terreinen gespeculeerd. Men wilde deze hebben om door te verkopen. Hij kreeg bij DIP te horen dat men in het verleden “plat” was en dat de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie men ze wilden geven. Het ging allemaal om geld, aldus [betrokkene 8] . Het viel hem op dat daarbij steeds bepaalde namen terugkwamen, waaronder de familie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Je kon een briefje sturen naar de minister. Op dezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. Er werd niet aan de optievoorwaaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen. Het kan niet dat – zoals bij de vorige minister (het Hof begrijpt: [verdachte] ) gebeurde, dat direct akkoord werd gegeven en er geen advies werd gevraagd. Tenminste niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur. De minister weet niet of alles is ingeleverd, want hij krijgt alleen het aanvraagformulier. Normaal zou je zeggen: gaarne advies, want je weet nog niet of alles klopt. De minister kon niet akkoord geven want hij wist de details niet. Er had moeten staan: ‘gaarne advies’.” Het Hof leidt uit de verklaringen van deze getuigen af dat de minister door middel van zijn geschreven “akkoord conform” op de aanvraagbrieven die rechtstreeks bij hem inkwamen, bepaalde welke aanvrager wel en welke niet in aanmerking kwam voor verlening van een optie, in welk geval niet of nauwelijks werd getoetst of de desbetreffende aanvragen al dan niet voldeden aan de volgens het beleid geldende voorwaarden. Ook leidt het Hof uit deze verklaringen af dat het, vanwege de achterstand in de behandeling van optie-aanvragen, uitzonderlijk was dat deze snel werden behandeld. Illustratief is in dit verband ook de verklaring van getuige [betrokkene 16] die een aanvraag voor een erfpachtrecht indiende bij de minister, welke aanvraag niet tot een optie heeft geleid: “Bij mij staat alleen "gaarne uw medewerking", dat is bedrog in verkiezingstijd. “Gaarne uw medewerking is een truc, dat zegt niks”. Ik was hiermee naar de DIP gegaan en die jongen achter de balie zei: "Weet je hoeveel we van die hebben gezien." Ze lachten me ongeveer uit. Hij legde mij uit dat dit alleen wil zeggen dat zij moeten kijken of ze me kunnen helpen met de aanvraag. Op de aanvraag namens [betrokkene 5] staat "akkoord […] , gaarne uw medewerking", dat woordje akkoord maakt het verschil.” [verdachte] heeft steeds ontkend dat hij aan bepaalde personen een voorkeursbehandeling gaf.
Volledig
In het geval de DIP op een aanvraag positief adviseerde, werd een concept van de ministeriële beschikking (hierna: MB) opgesteld waarin de optie aan de aanvrager werd verleend, waarna deze door de DIP met een begeleidende brief ter ondertekening naar de minister werd gestuurd. Hoewel het volgens [medeverdachte 3] niet gebruikelijk was om deze stukken met spoed naar (het bureau van) de minister te versturen, kon dat alleen op instructie van de minister. Indien de minister de MB ondertekende, en daarmee de optie aan de aanvrager werd verleend, werd pas door de DIP aan de aanvrager een kopie van de MB verstrekt nadat de aanvrager de kosten van de optie had voldaan en het betalingsbewijs bij de DIP had ingediend. De MB werd dan voorzien van de nodige leges en zegels. Het akkoord conform van de minister In beide onderhavige zaken was sprake van rechtstreeks bij [verdachte] binnengekomen optie aanvragen, waarop [verdachte] de handgeschreven aantekening: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking” respectievelijk “akkoord […] , gaarne uw medewerking” plaatste of liet plaatsen. [verdachte] heeft verklaard dat hij de aanvraagbrieven altijd doornam voordat hij deze ondertekende. [betrokkene 9] heeft dat ook verklaard: “Je gaat niets zo blindelings ondertekenen. Zeker hij niet.” [betrokkene 9] heeft voorts verklaard dat hij alles met [verdachte] besprak voordat hij iets uitvoerde. Hij handelt alleen op instructie van [verdachte] en geeft ook instructies van [verdachte] door aan [medeverdachte 3] , de directeur van de DIP. Ook [betrokkene 13] , de secretaresse van [verdachte] , heeft verklaard dat [betrokkene 9] alleen in opdracht van [verdachte] kon handelen als het over het aanvragen van terreinen ging. Tot slot wordt dit ook bevestigd door [medeverdachte 3] , die heeft verklaard dat hij alleen instructies opvolgt van de minister. [getuige 1] was van 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen. Hij heeft verklaard dat hij met minister [verdachte] het gevoel had dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. [getuige 1] : “Door de jaren heen zag ik telkens dat we alleen zijn mensen moesten helpen. Ik begon vragen te stellen waarom we weer precies deze mensen moesten helpen. Ik heb aangegeven dat ik niet kon werken op de manier die [medeverdachte 3] wilde. Toen kreeg ik geen projecten meer en werd in de hoek gezet. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpacht moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering kon krijgen. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat het normaal gesproken lang duurde om het akkoord van de minister te krijgen, soms wel jaren. [getuige 1] : “Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen, maar je hebt niet zomaar een afspraak met de minister.” Over de manier waarop de minister bepaalde wie wel en wie niet in aanmerking kwam voor een optie verklaart [getuige 1] : “Als de minister aan de DIP schreef: gaarne advies, dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Stond er echter al dat de minister akkoord gaf, dan wilde hij geen advies. De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst. Voor mij betekende het een instructie. Ik kon wel toetsen, maar dat was heel moeilijk. Ik zou een contra advies kunnen uitbrengen, maar dat was eigenlijk onbegonnen werk.” [medeverdachte 3] had wekelijks contact met de minister over commerciële erfpachtterreinen. Hij heeft evenals [getuige 1] over de rol van [verdachte] verklaard dat als de minister “Dir DIP akoord […] , gaarne uw medewerking” op de aanvraagbrief schreef, dit voor hem een duidelijke instructie was: “De accordering geeft aan dat de minister geen problemen heeft met deze aanvraag en hij zegt hiermee dat wij hiermee aan de gang moeten gaan. De minister zegt hiermee: ‘geef ze een optie’.” De aanvraag werd dan ook niet meer – zo blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 3] – getoetst aan de voorwaarden van de DIP in de pre-optiefase. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat er veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank lagen en dat er een achterstand was bij de erfpachtuitgifte van commerciële terreinen. Op de vraag hoe het kwam dat [medeverdachte 2] zo snel aan een terrein kwam terwijl het op Aruba algemeen bekend is dat het jaren duurde om een terrein te krijgen, antwoordt [medeverdachte 3] : “Het is meer dan duidelijk. Als je naar al de stukken kijkt, de accordering/instructie van de minister, kan je een conclusie trekken.” Alleen [medeverdachte 3] en [getuige 1] konden een positief advies opstellen. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij op een gegeven moment aan de kant werd gezet, omdat [getuige 1] geen positief advies wilde geven als niet alle stukken aanwezig waren. [medeverdachte 3] heeft daarover verklaard dat [getuige 1] de opdrachten van de minister niet wilde uitvoeren, waarmee hij de aanvraagbrieven bedoelt waarop de accordering van de minister stond. Volgens [getuige 1] stelde [medeverdachte 3] in dat geval het positieve advies op, wat ook door [medeverdachte 3] is bevestigd. [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij bij zijn aantreden als directeur van de DIP in 2018 een lijst ontving van gevallen waarin men bezig was om terreinen in te trekken, omdat deze niet op de juiste wijze aan personen waren gegeven. Er werd met deze terreinen gespeculeerd. Men wilde deze hebben om door te verkopen. Hij kreeg bij DIP te horen dat men in het verleden “plat” was en dat de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie men ze wilden geven. Het ging allemaal om geld, aldus [betrokkene 8] . Het viel hem op dat daarbij steeds bepaalde namen terugkwamen, waaronder de familie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Je kon een briefje sturen naar de minister. Op dezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. Er werd niet aan de optievoorwaaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen. Het kan niet dat – zoals bij de vorige minister (het Hof begrijpt: [verdachte] ) gebeurde, dat direct akkoord werd gegeven en er geen advies werd gevraagd. Tenminste niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur. De minister weet niet of alles is ingeleverd, want hij krijgt alleen het aanvraagformulier. Normaal zou je zeggen: gaarne advies, want je weet nog niet of alles klopt. De minister kon niet akkoord geven want hij wist de details niet. Er had moeten staan: ‘gaarne advies’.” Het Hof leidt uit de verklaringen van deze getuigen af dat de minister door middel van zijn geschreven “akkoord conform” op de aanvraagbrieven die rechtstreeks bij hem inkwamen, bepaalde welke aanvrager wel en welke niet in aanmerking kwam voor verlening van een optie, in welk geval niet of nauwelijks werd getoetst of de desbetreffende aanvragen al dan niet voldeden aan de volgens het beleid geldende voorwaarden. Ook leidt het Hof uit deze verklaringen af dat het, vanwege de achterstand in de behandeling van optie-aanvragen, uitzonderlijk was dat deze snel werden behandeld. Illustratief is in dit verband ook de verklaring van getuige [betrokkene 16] die een aanvraag voor een erfpachtrecht indiende bij de minister, welke aanvraag niet tot een optie heeft geleid: “Bij mij staat alleen "gaarne uw medewerking", dat is bedrog in verkiezingstijd. “Gaarne uw medewerking is een truc, dat zegt niks”. Ik was hiermee naar de DIP gegaan en die jongen achter de balie zei: "Weet je hoeveel we van die hebben gezien." Ze lachten me ongeveer uit. Hij legde mij uit dat dit alleen wil zeggen dat zij moeten kijken of ze me kunnen helpen met de aanvraag. Op de aanvraag namens [betrokkene 5] staat "akkoord […] , gaarne uw medewerking", dat woordje akkoord maakt het verschil.” [verdachte] heeft steeds ontkend dat hij aan bepaalde personen een voorkeursbehandeling gaf.
Volledig
Naar eigen zeggen gaf hij op alle aanvragen/verzoeken die bij hem binnenkwamen akkoord en had bij hem iedereen een gelijke kans om een optie/erfpachtrecht te verkrijgen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging een lijst overgelegd met de verzoeken die in de periode 2009-2017 langs de minister zijn gegaan. Het Hof acht deze verklaring van [verdachte] niet aannemelijk geworden en in strijd met de hierboven weergegeven bewijsmiddelen. Het Hof constateert aan de hand van de lijst dat de minister slechts op enkele initiële aanvraagbrieven voor opties, die rechtstreeks bij hem binnenkwamen, “akkoord conform” noteerde en voorzag van zijn handtekening. Zo werd blijkens die lijst in de periode 2009-2017 slechts op 6 van de in totaal 205 initiële optie-aanvragen de ministeriële mededeling “akkoord […] ” geplaatst en in 5 gevallen: “akkoord […] tekening”. Op een aantal aanvraagbrieven vroeg de minister de DIP om advies en op de meeste aanvraagbrieven schreef hij: “dezerzijds geen bezwaar”. Het Hof laat hierbij de akkoorden op andere dan initiële optie-aanvragen buiten beschouwing, aangezien het in die gevallen blijkens de lijst veelal ging om kwesties waarin de DIP, anders dan bij de initiële optie aanvragen in de onderhavige gevallen, de minister na toetsing aan het vigerende beleid, vooraf positief had geadviseerd. Het Gerecht in eerste aanleg heeft uit het feit dat op de aanvraagbrief van 8 april 2014 van [betrokkene 10] namens [H] N.V. eveneens de aantekening: ”akkoord […] , gaarne uw medewerking” werd geplaatst, terwijl deze aanvraag niet heeft geleid tot verlening van een optierecht aan [H] , moet worden geconcludeerd dat aan die aantekening, in weerwil van hetgeen [getuige 1] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 8] hebben verklaard, niet zonder meer de betekenis kan worden ontleend dat [verdachte] opdracht gaf aan de DIP om een optierecht uit te geven. Het Hof ziet dit anders, omdat dat akkoord volledig kan worden verklaard door het feit dat de aanvraag van [betrokkene 10] plaatsvond in het kader van een door [medeverdachte 2] – als medepleger van de ten laste gelegde oplichting, ondernomen traject tot aanvragen van een optierecht op het terrein, en deze aanvraag voorts, blijkens het ontbreken van een verzenddatum alsook de stempels van de BID en/of DIP, door [verdachte] in het geheel niet is doorgestuurd naar de DIP en daardoor niet tot optieverlening kon leiden, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat het in dit geval de bedoeling was dat de vennootschap van [medeverdachte 2] het optierecht op het perceel zou krijgen in plaats van de vennootschap van [betrokkene 10] . Dit geldt temeer nu niet valt in te zien waarom [verdachte] – die naar eigen zeggen volgens het ‘first in, first out’ principe handelde – eerst de aanvraagbrief van [betrokkene 10] heeft ondertekend met akkoord conform, terwijl hij ongeveer vier weken later de vrijwel identieke aanvraagbrief van [betrokkene 6] voor hetzelfde perceel eveneens ondertekent met akkoord conform. Ter beoordeling staat of de concrete gang van zaken bij de aanvragen van het optie/erfpachtrecht in de zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , gekwalificeerd kan worden als oplichting van het Land. Het Hof overweegt hierover als volgt. Zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5] [verdachte] en [medeverdachte 2] kennen elkaar al heel lang. [verdachte] is lid van de AVP en [medeverdachte 2] werd betaald om in haar radioprogramma de bevolking te overtuigen om voor de AVP te stemmen. Zij zijn in 2010 en 2013 ook samen met hun families op vakantie gegaan en zijn [medeverdachte 2] en de vrouw van [verdachte] een paar keer bij elkaar thuis geweest. Dat [medeverdachte 2] goede contacten had met de minister en deze inzette om aan optierechten te komen blijkt ook uit de verklaring van [betrokkene 11] , de oprichter van [betrokkene 6] , inhoudend dat hij de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] op verzoek van [medeverdachte 2] heeft ondertekend en dat [medeverdachte 2] ook de aanvraagbrief zou indienen omdat zij de persoon was die de contacten had met de minister. Daarnaast blijkt ook uit de Sale and Purchase agreement (SPA) tussen [medeverdachte 2] en de koper van de aandelen in [betrokkene 5] dat zij zijn overeengekomen dat [medeverdachte 2] zich – ná de verkoop van de aandelen – via haar contacten met de overheid en/of de minister zal inspannen om te assisteren en mee te werken aan het verkrijgen van de benodigde vergunningen en, indien nodig, een verlenging van het optierecht. [verdachte] wist ook dat [medeverdachte 2] achter [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zat. [betrokkene 9] , die de aanvragen van [medeverdachte 2] altijd met [verdachte] besprak, heeft dit met zoveel woorden verklaard. [betrokkene 9] heeft voorts verklaard dat er zowel aanhangers als andere personen bij hem op kantoor kwamen om te klagen over het feit dat er alweer terreinen aan de familie [medeverdachte 2] werden afgegeven, terwijl zij ook aanvragen hadden gedaan op bepaalde terreinen. Deze klachten heeft hij altijd doorgegeven aan de minister. Verder heeft [betrokkene 9] verklaard dat [verdachte] over de aanvraagbrief van [betrokkene 6] , vertegenwoordigd door de dochter van [medeverdachte 2] , zei: “Nu zet zij haar dochter”, terwijl [verdachte] ook heeft verklaard dat hij weet dat [dochter medeverdachte 2] de dochter is van [medeverdachte 2] . [betrokkene 6] De rechtspersoon [betrokkene 6] is op 2 mei 2013 opgericht door [betrokkene 11] . Hij was bij de oprichting enig aandeelhouder en directeur van die rechtspersoon. Nog vóór de oprichting van [betrokkene 6] , wordt [betrokkene 11] door [medeverdachte 2] benaderd om als directeur namens [betrokkene 6] een eerste aanvraagbrief te ondertekenen voor een terrein aan de Sazakiweg (met perceelnummer […] ) met als bestemming ‘horeca activiteiten’. Op 22 januari 2014 heeft [medeverdachte 2] alle aandelen in [betrokkene 6] van [betrokkene 11] gekocht voor – volgens de ‘share purchase agreement’ – AWG 10.000,-. Volgens [betrokkene 11] had [betrokkene 6] niets, geen enkele bezitting. Nadat [medeverdachte 2] de enig aandeelhouder van [betrokkene 6] is geworden, komt op 10 maart 2014 de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks bij de minister binnen. Diezelfde dag wordt de aanvraagbrief door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”. De originele brief, met handtekening van [verdachte] , maar zonder volgnummer en stempels, is aangetroffen bij een huiszoeking in de woning van [medeverdachte 2] . Daarnaast is (een kopie van) de brief niet in het beslag van de DIP aangetroffen. Het Hof leidt hieruit af dat deze brief niet naar de DIP is verzonden, en dus vanuit (het bureau van) de minister bij [medeverdachte 2] terecht is gekomen. Een paar dagen later, op 15 maart 2014, wordt een tweede aanvraagbrief namens [betrokkene 6] opgemaakt, dit keer vertegenwoordigd door [dochter medeverdachte 2] , de toen 19-jarige dochter van [medeverdachte 2] . Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste aanvraagbrief, behalve dan dat hetzelfde perceel dit keer wordt aangevraagd voor het verkrijgen van een ‘commercieel terrein’ in plaats van ‘horeca activiteiten’. In diezelfde periode, op 8 april 2014, wordt namens [H] , vertegenwoordigd door [betrokkene 10] , een aanvraagbrief opgemaakt voor hetzelfde perceel als de aanvragen van [betrokkene 6] . [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij mensen helpt bij het zoeken naar een terrein om op te bouwen. Hij heeft het bedrijf [H] opgericht voor een groep uit Curaçao. Zij waren bezig om een terrein van [medeverdachte 2] te kopen om daarop een winkelcentrum te ontwikkelen. [betrokkene 10] denkt dat de aanvraagbrief door de advocaat van [medeverdachte 2] is opgemaakt. Dit wordt ook ondersteund door de inhoud en de opmaak van de aanvraagbrief die vrijwel identiek is aan de aanvraagbrieven van [betrokkene 6] . Het Hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] niet alleen bezig was met het verkrijgen van een optie op het terrein middels [betrokkene 6] , maar ook middels [H] .
Volledig
Naar eigen zeggen gaf hij op alle aanvragen/verzoeken die bij hem binnenkwamen akkoord en had bij hem iedereen een gelijke kans om een optie/erfpachtrecht te verkrijgen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging een lijst overgelegd met de verzoeken die in de periode 2009-2017 langs de minister zijn gegaan. Het Hof acht deze verklaring van [verdachte] niet aannemelijk geworden en in strijd met de hierboven weergegeven bewijsmiddelen. Het Hof constateert aan de hand van de lijst dat de minister slechts op enkele initiële aanvraagbrieven voor opties, die rechtstreeks bij hem binnenkwamen, “akkoord conform” noteerde en voorzag van zijn handtekening. Zo werd blijkens die lijst in de periode 2009-2017 slechts op 6 van de in totaal 205 initiële optie-aanvragen de ministeriële mededeling “akkoord […] ” geplaatst en in 5 gevallen: “akkoord […] tekening”. Op een aantal aanvraagbrieven vroeg de minister de DIP om advies en op de meeste aanvraagbrieven schreef hij: “dezerzijds geen bezwaar”. Het Hof laat hierbij de akkoorden op andere dan initiële optie-aanvragen buiten beschouwing, aangezien het in die gevallen blijkens de lijst veelal ging om kwesties waarin de DIP, anders dan bij de initiële optie aanvragen in de onderhavige gevallen, de minister na toetsing aan het vigerende beleid, vooraf positief had geadviseerd. Het Gerecht in eerste aanleg heeft uit het feit dat op de aanvraagbrief van 8 april 2014 van [betrokkene 10] namens [H] N.V. eveneens de aantekening: ”akkoord […] , gaarne uw medewerking” werd geplaatst, terwijl deze aanvraag niet heeft geleid tot verlening van een optierecht aan [H] , moet worden geconcludeerd dat aan die aantekening, in weerwil van hetgeen [getuige 1] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 8] hebben verklaard, niet zonder meer de betekenis kan worden ontleend dat [verdachte] opdracht gaf aan de DIP om een optierecht uit te geven. Het Hof ziet dit anders, omdat dat akkoord volledig kan worden verklaard door het feit dat de aanvraag van [betrokkene 10] plaatsvond in het kader van een door [medeverdachte 2] – als medepleger van de ten laste gelegde oplichting, ondernomen traject tot aanvragen van een optierecht op het terrein, en deze aanvraag voorts, blijkens het ontbreken van een verzenddatum alsook de stempels van de BID en/of DIP, door [verdachte] in het geheel niet is doorgestuurd naar de DIP en daardoor niet tot optieverlening kon leiden, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat het in dit geval de bedoeling was dat de vennootschap van [medeverdachte 2] het optierecht op het perceel zou krijgen in plaats van de vennootschap van [betrokkene 10] . Dit geldt temeer nu niet valt in te zien waarom [verdachte] – die naar eigen zeggen volgens het ‘first in, first out’ principe handelde – eerst de aanvraagbrief van [betrokkene 10] heeft ondertekend met akkoord conform, terwijl hij ongeveer vier weken later de vrijwel identieke aanvraagbrief van [betrokkene 6] voor hetzelfde perceel eveneens ondertekent met akkoord conform. Ter beoordeling staat of de concrete gang van zaken bij de aanvragen van het optie/erfpachtrecht in de zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , gekwalificeerd kan worden als oplichting van het Land. Het Hof overweegt hierover als volgt. Zaaksdossiers [betrokkene 6] en [betrokkene 5] [verdachte] en [medeverdachte 2] kennen elkaar al heel lang. [verdachte] is lid van de AVP en [medeverdachte 2] werd betaald om in haar radioprogramma de bevolking te overtuigen om voor de AVP te stemmen. Zij zijn in 2010 en 2013 ook samen met hun families op vakantie gegaan en zijn [medeverdachte 2] en de vrouw van [verdachte] een paar keer bij elkaar thuis geweest. Dat [medeverdachte 2] goede contacten had met de minister en deze inzette om aan optierechten te komen blijkt ook uit de verklaring van [betrokkene 11] , de oprichter van [betrokkene 6] , inhoudend dat hij de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] op verzoek van [medeverdachte 2] heeft ondertekend en dat [medeverdachte 2] ook de aanvraagbrief zou indienen omdat zij de persoon was die de contacten had met de minister. Daarnaast blijkt ook uit de Sale and Purchase agreement (SPA) tussen [medeverdachte 2] en de koper van de aandelen in [betrokkene 5] dat zij zijn overeengekomen dat [medeverdachte 2] zich – ná de verkoop van de aandelen – via haar contacten met de overheid en/of de minister zal inspannen om te assisteren en mee te werken aan het verkrijgen van de benodigde vergunningen en, indien nodig, een verlenging van het optierecht. [verdachte] wist ook dat [medeverdachte 2] achter [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zat. [betrokkene 9] , die de aanvragen van [medeverdachte 2] altijd met [verdachte] besprak, heeft dit met zoveel woorden verklaard. [betrokkene 9] heeft voorts verklaard dat er zowel aanhangers als andere personen bij hem op kantoor kwamen om te klagen over het feit dat er alweer terreinen aan de familie [medeverdachte 2] werden afgegeven, terwijl zij ook aanvragen hadden gedaan op bepaalde terreinen. Deze klachten heeft hij altijd doorgegeven aan de minister. Verder heeft [betrokkene 9] verklaard dat [verdachte] over de aanvraagbrief van [betrokkene 6] , vertegenwoordigd door de dochter van [medeverdachte 2] , zei: “Nu zet zij haar dochter”, terwijl [verdachte] ook heeft verklaard dat hij weet dat [dochter medeverdachte 2] de dochter is van [medeverdachte 2] . [betrokkene 6] De rechtspersoon [betrokkene 6] is op 2 mei 2013 opgericht door [betrokkene 11] . Hij was bij de oprichting enig aandeelhouder en directeur van die rechtspersoon. Nog vóór de oprichting van [betrokkene 6] , wordt [betrokkene 11] door [medeverdachte 2] benaderd om als directeur namens [betrokkene 6] een eerste aanvraagbrief te ondertekenen voor een terrein aan de Sazakiweg (met perceelnummer […] ) met als bestemming ‘horeca activiteiten’. Op 22 januari 2014 heeft [medeverdachte 2] alle aandelen in [betrokkene 6] van [betrokkene 11] gekocht voor – volgens de ‘share purchase agreement’ – AWG 10.000,-. Volgens [betrokkene 11] had [betrokkene 6] niets, geen enkele bezitting. Nadat [medeverdachte 2] de enig aandeelhouder van [betrokkene 6] is geworden, komt op 10 maart 2014 de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks bij de minister binnen. Diezelfde dag wordt de aanvraagbrief door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”. De originele brief, met handtekening van [verdachte] , maar zonder volgnummer en stempels, is aangetroffen bij een huiszoeking in de woning van [medeverdachte 2] . Daarnaast is (een kopie van) de brief niet in het beslag van de DIP aangetroffen. Het Hof leidt hieruit af dat deze brief niet naar de DIP is verzonden, en dus vanuit (het bureau van) de minister bij [medeverdachte 2] terecht is gekomen. Een paar dagen later, op 15 maart 2014, wordt een tweede aanvraagbrief namens [betrokkene 6] opgemaakt, dit keer vertegenwoordigd door [dochter medeverdachte 2] , de toen 19-jarige dochter van [medeverdachte 2] . Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste aanvraagbrief, behalve dan dat hetzelfde perceel dit keer wordt aangevraagd voor het verkrijgen van een ‘commercieel terrein’ in plaats van ‘horeca activiteiten’. In diezelfde periode, op 8 april 2014, wordt namens [H] , vertegenwoordigd door [betrokkene 10] , een aanvraagbrief opgemaakt voor hetzelfde perceel als de aanvragen van [betrokkene 6] . [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij mensen helpt bij het zoeken naar een terrein om op te bouwen. Hij heeft het bedrijf [H] opgericht voor een groep uit Curaçao. Zij waren bezig om een terrein van [medeverdachte 2] te kopen om daarop een winkelcentrum te ontwikkelen. [betrokkene 10] denkt dat de aanvraagbrief door de advocaat van [medeverdachte 2] is opgemaakt. Dit wordt ook ondersteund door de inhoud en de opmaak van de aanvraagbrief die vrijwel identiek is aan de aanvraagbrieven van [betrokkene 6] . Het Hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] niet alleen bezig was met het verkrijgen van een optie op het terrein middels [betrokkene 6] , maar ook middels [H] .
Volledig
Hoewel de aanvraagbrief van [betrokkene 6] voor het perceel aan de [b-straat] nog niet bij de minister was ingekomen en [betrokkene 6] dus nog niet over een optie kon beschikken, wist [medeverdachte 2] op 7 oktober 2014 al dat [betrokkene 6] – en dus niet [H] – de optie op het perceel aan de [b-straat] zou krijgen. Op die datum wordt er namelijk een ‘non-disclosure agreement’ (hierna: NDA) tussen [betrokkene 6] en [H] door [betrokkene 10] , [dochter medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] ondertekend. Uit de inhoud van deze overeenkomst blijkt dat het de bedoeling was van [medeverdachte 2] om de aandelen in [betrokkene 6] , dat over het optierecht op het perceel aan de [b-straat] zou beschikken, te verkopen aan [H] ( [betrokkene 10] ), zodat [H] de optie op het perceel in handen zou krijgen. [medeverdachte 2] kon de zekerheid dat [betrokkene 6] – niettegenstaande de gebruikelijke zeer lange wachttijden - op korte termijn zou beschikken over het optierecht alleen ontlenen aan de persoonlijke inmenging van de minister, die zijn akkoord gaf aan iedere aanvraag van de kant van [medeverdachte 2] terzake het perceel in kwestie. Ook al vóór het sluiten van de NDA tussen [betrokkene 6] en [H] was [medeverdachte 2] in onderhandelingen met derden over de overdracht van aandelen in [betrokkene 6] . Op 25 september 2014 wordt namelijk een ‘Finder Fee Agreement’ (hierna: FFA) opgemaakt. Uit de inhoud van de FFA volgt dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 2] haar aandelen in [betrokkene 6] , dat over het optierecht aan de [b-straat] zou beschikken, wilde verkopen aan een derde. Op 11 november 2014 komt de tweede aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks bij de minister binnen. Deze brief wordt door de minister ondertekend en is voorzien van de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”. Net als de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] wordt ook deze aanvraagbrief – in tegenstelling tot de normale gang van zaken – niet ingeboekt en naar de DIP verstuurd. Een paar dagen later, op 15 november 2014, wordt een derde aanvraagbrief namens [betrokkene 6] , vertegenwoordigd door [dochter medeverdachte 2] , opgemaakt. Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste en tweede aanvraagbrief van [betrokkene 6] , behalve dan dat het perceel dit keer wordt aangevraagd voor ‘commerciële doeleinden gecombineerd met luxe appartementen’. Kort daarna komt [betrokkene 12] , de uiteindelijke koper van de aandelen in [betrokkene 6] , in beeld. Zij was op zoek naar een commercieel terrein om daar een kledingwinkel op te bouwen. Via [getuige 4] komt zij terecht bij [betrokkene 6] , dat over een optie op het terrein zou beschikken. [betrokkene 12] heeft verklaard dat de onderhandelingen in december 2014 zijn begonnen en dat [betrokkene 6] haar bij de overdracht van de aandelen geen enkele beschrijving heeft gegeven van het project dat [betrokkene 6] van plan zou zijn geweest te ontwikkelen, het type project, de gemoeide investering, de wijze van financiering of eventuele schetstekeningen. Zij zegt letterlijk: “Nee, niks had dit bedrijf.” De [getuige 4] heeft eveneens verklaard dat [medeverdachte 2] helemaal niets heeft gedaan om het (perceel) te ontwikkelen. “Dit is gewoon onzin”, aldus [getuige 4] . Aan het einde van die maand, namelijk op 29 december 2014, komt de derde aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks binnen bij de minister. De minister heeft ook deze brief nog op dezelfde dag ondertekend en voorzien van de notitie: “Akkoord […] , gaarne uw medewerking”. In tegenstelling tot de eerste en twee aanvraagbrief van [betrokkene 6] , die niet waren gevolgd door een concreet zicht op daadwerkelijke verkoop, wordt deze aanvraagbrief wel nog dezelfde dag door het bureau van de minister ingeboekt en naar de DIP verstuurd. Hieruit volgt dat de minister persoonlijk heeft beslist om eerst nadat [medeverdachte 2] een koper had gevonden, niet alleen zijn akkoord te geven, maar de aanvraag ook door te (laten) sturen naar DIP, zodat de optie zou worden verleend. Anders dan het beleid eiste, werden in de brief niet de zeven in het beleid genoemde punten voor de pre-optiefase geadresseerd, welke fase volgens [getuige 1] belangrijk was om de serieuze van de niet serieuze aanvragers te onderscheiden. Nu deze punten niet werden geadresseerd, is ook de conclusie gerechtvaardigd dat [verdachte] zijn akkoord gaf, zonder enig onderzoek naar deze uit het beleid voortvloeiende voorwaarden. Ongeveer twee weken later, op 14 januari 2015, stuurt [betrokkene 9] een wijzigingsbrief aan [medeverdachte 3] , inhoudende dat [medeverdachte 3] het akkoord van de minister op de (derde) aanvraagbrief van [betrokkene 6] als ingetrokken moet beschouwen en uitvoering moet geven aan de nieuwe brief en het akkoord van de minister van 14 januari 2015. Uit de verklaring van [betrokkene 9] blijkt dat hij aan [verdachte] de wensen van [betrokkene 6] tot wijziging van perceelnummer […] in […] had voorgelegd en dat [verdachte] de verzoekbrief daartoe had geaccordeerd, die als bijlage bij de wijzigingsbrief was gevoegd. Door [medeverdachte 3] wordt vervolgens binnen een paar dagen, op 22 januari 2015, een brief opgesteld, waarin [medeverdachte 3] aan de minister schrijft dat de minister hem heeft geïnstrueerd om [betrokkene 6] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op het terrein aan de [b-straat] met perceelnummer […] . [medeverdachte 3] biedt middels die brief de concept MB ten name van [betrokkene 6] aan de minister aan, waarin het optierecht op dat perceelnummer aan [betrokkene 6] wordt verleend. Voorts wordt in de brief vermeld dat het verzoek van [betrokkene 6] tot het bouwen van luxe appartementen op het bewuste perceel niet is overgenomen. Het Hof stelt vast dat de (concept) MB daarmee in overeenstemming is gebracht met de wensen van de koper van de aandelen in [betrokkene 6] , nu de koper alleen een commercieel terrein wilde hebben en niet een terrein om ook luxe appartementen te ontwikkelen. Verder wordt op de brief een spoedstempel geplaatst die alleen op instructie van de minister daarop kan worden gezet. De brief en de bijgevoegde concept MB zijn een dag later verstuurd en bij het bureau van de minister ingekomen. De minister heeft de brief en de concept MB op 27 januari 2015 ondertekend. Art. I.3 van de MB vermeldt als te betalen optievergoeding het bedrag van Afl. 3.946,-, op grond van art. 25c van de LUE berekend naar 3% van de grondwaarde van Afl. 50,- per vierkante meter. Drie dagen nadat de minister de MB heeft getekend, op 30 januari 2015, heeft [medeverdachte 2] middels een ‘share purchase agreement’ (hierna: SPA) al haar aandelen in [betrokkene 6] verkocht aan [betrokkene 12] voor een bedrag van Afl. 555.000,-. [betrokkene 12] zegt dat ze dat bedrag nooit zou hebben betaald als [betrokkene 6] niet de optie had gehad, maar dat “de hele familie van [medeverdachte 2] samen [werkte] met [verdachte] toen hij als minister fungeerde. Je wordt kwaad hierover omdat ik ook het recht heb om een terrein van de overheid te krijgen.” Als bijlage bij de SPA was een kopie van de MB gevoegd, terwijl [betrokkene 6] op dat moment nog niet aan de betalingsplicht had voldaan en een kopie van de MB dus ook nog niet door de DIP was verstrekt. Het Hof leidt uit de verklaringen van [betrokkene 13] en [betrokkene 9] af dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 2] deze kopie heeft gekregen van [verdachte] , dan wel [betrokkene 9] in opdracht van [verdachte] . Het bedrag van Afl. 555.000,- is conform de afspraken in de SPA betaald aan [medeverdachte 2] en [I] (de bemiddelaar). [dochter medeverdachte 2] is op 30 januari 2015 ontslagen als directeur van [betrokkene 6] . [betrokkene 12] werd op die datum directeur van [betrokkene 6] . [betrokkene 12] heeft vervolgens in de optieperiode namens [betrokkene 6] stukken ingediend, waaronder verzoeken tot verlenging van de optieperiode. Deze verzoeken zijn door [verdachte] steeds geaccordeerd. De overeenkomst tot erfpacht is door [verdachte] en [betrokkene 12] ondertekend. Het project is uiteindelijk volledig uitgevoerd en betaald door [betrokkene 12] .
Volledig
Hoewel de aanvraagbrief van [betrokkene 6] voor het perceel aan de [b-straat] nog niet bij de minister was ingekomen en [betrokkene 6] dus nog niet over een optie kon beschikken, wist [medeverdachte 2] op 7 oktober 2014 al dat [betrokkene 6] – en dus niet [H] – de optie op het perceel aan de [b-straat] zou krijgen. Op die datum wordt er namelijk een ‘non-disclosure agreement’ (hierna: NDA) tussen [betrokkene 6] en [H] door [betrokkene 10] , [dochter medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] ondertekend. Uit de inhoud van deze overeenkomst blijkt dat het de bedoeling was van [medeverdachte 2] om de aandelen in [betrokkene 6] , dat over het optierecht op het perceel aan de [b-straat] zou beschikken, te verkopen aan [H] ( [betrokkene 10] ), zodat [H] de optie op het perceel in handen zou krijgen. [medeverdachte 2] kon de zekerheid dat [betrokkene 6] – niettegenstaande de gebruikelijke zeer lange wachttijden - op korte termijn zou beschikken over het optierecht alleen ontlenen aan de persoonlijke inmenging van de minister, die zijn akkoord gaf aan iedere aanvraag van de kant van [medeverdachte 2] terzake het perceel in kwestie. Ook al vóór het sluiten van de NDA tussen [betrokkene 6] en [H] was [medeverdachte 2] in onderhandelingen met derden over de overdracht van aandelen in [betrokkene 6] . Op 25 september 2014 wordt namelijk een ‘Finder Fee Agreement’ (hierna: FFA) opgemaakt. Uit de inhoud van de FFA volgt dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 2] haar aandelen in [betrokkene 6] , dat over het optierecht aan de [b-straat] zou beschikken, wilde verkopen aan een derde. Op 11 november 2014 komt de tweede aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks bij de minister binnen. Deze brief wordt door de minister ondertekend en is voorzien van de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”. Net als de eerste aanvraagbrief van [betrokkene 6] wordt ook deze aanvraagbrief – in tegenstelling tot de normale gang van zaken – niet ingeboekt en naar de DIP verstuurd. Een paar dagen later, op 15 november 2014, wordt een derde aanvraagbrief namens [betrokkene 6] , vertegenwoordigd door [dochter medeverdachte 2] , opgemaakt. Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste en tweede aanvraagbrief van [betrokkene 6] , behalve dan dat het perceel dit keer wordt aangevraagd voor ‘commerciële doeleinden gecombineerd met luxe appartementen’. Kort daarna komt [betrokkene 12] , de uiteindelijke koper van de aandelen in [betrokkene 6] , in beeld. Zij was op zoek naar een commercieel terrein om daar een kledingwinkel op te bouwen. Via [getuige 4] komt zij terecht bij [betrokkene 6] , dat over een optie op het terrein zou beschikken. [betrokkene 12] heeft verklaard dat de onderhandelingen in december 2014 zijn begonnen en dat [betrokkene 6] haar bij de overdracht van de aandelen geen enkele beschrijving heeft gegeven van het project dat [betrokkene 6] van plan zou zijn geweest te ontwikkelen, het type project, de gemoeide investering, de wijze van financiering of eventuele schetstekeningen. Zij zegt letterlijk: “Nee, niks had dit bedrijf.” De [getuige 4] heeft eveneens verklaard dat [medeverdachte 2] helemaal niets heeft gedaan om het (perceel) te ontwikkelen. “Dit is gewoon onzin”, aldus [getuige 4] . Aan het einde van die maand, namelijk op 29 december 2014, komt de derde aanvraagbrief van [betrokkene 6] rechtstreeks binnen bij de minister. De minister heeft ook deze brief nog op dezelfde dag ondertekend en voorzien van de notitie: “Akkoord […] , gaarne uw medewerking”. In tegenstelling tot de eerste en twee aanvraagbrief van [betrokkene 6] , die niet waren gevolgd door een concreet zicht op daadwerkelijke verkoop, wordt deze aanvraagbrief wel nog dezelfde dag door het bureau van de minister ingeboekt en naar de DIP verstuurd. Hieruit volgt dat de minister persoonlijk heeft beslist om eerst nadat [medeverdachte 2] een koper had gevonden, niet alleen zijn akkoord te geven, maar de aanvraag ook door te (laten) sturen naar DIP, zodat de optie zou worden verleend. Anders dan het beleid eiste, werden in de brief niet de zeven in het beleid genoemde punten voor de pre-optiefase geadresseerd, welke fase volgens [getuige 1] belangrijk was om de serieuze van de niet serieuze aanvragers te onderscheiden. Nu deze punten niet werden geadresseerd, is ook de conclusie gerechtvaardigd dat [verdachte] zijn akkoord gaf, zonder enig onderzoek naar deze uit het beleid voortvloeiende voorwaarden. Ongeveer twee weken later, op 14 januari 2015, stuurt [betrokkene 9] een wijzigingsbrief aan [medeverdachte 3] , inhoudende dat [medeverdachte 3] het akkoord van de minister op de (derde) aanvraagbrief van [betrokkene 6] als ingetrokken moet beschouwen en uitvoering moet geven aan de nieuwe brief en het akkoord van de minister van 14 januari 2015. Uit de verklaring van [betrokkene 9] blijkt dat hij aan [verdachte] de wensen van [betrokkene 6] tot wijziging van perceelnummer […] in […] had voorgelegd en dat [verdachte] de verzoekbrief daartoe had geaccordeerd, die als bijlage bij de wijzigingsbrief was gevoegd. Door [medeverdachte 3] wordt vervolgens binnen een paar dagen, op 22 januari 2015, een brief opgesteld, waarin [medeverdachte 3] aan de minister schrijft dat de minister hem heeft geïnstrueerd om [betrokkene 6] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op het terrein aan de [b-straat] met perceelnummer […] . [medeverdachte 3] biedt middels die brief de concept MB ten name van [betrokkene 6] aan de minister aan, waarin het optierecht op dat perceelnummer aan [betrokkene 6] wordt verleend. Voorts wordt in de brief vermeld dat het verzoek van [betrokkene 6] tot het bouwen van luxe appartementen op het bewuste perceel niet is overgenomen. Het Hof stelt vast dat de (concept) MB daarmee in overeenstemming is gebracht met de wensen van de koper van de aandelen in [betrokkene 6] , nu de koper alleen een commercieel terrein wilde hebben en niet een terrein om ook luxe appartementen te ontwikkelen. Verder wordt op de brief een spoedstempel geplaatst die alleen op instructie van de minister daarop kan worden gezet. De brief en de bijgevoegde concept MB zijn een dag later verstuurd en bij het bureau van de minister ingekomen. De minister heeft de brief en de concept MB op 27 januari 2015 ondertekend. Art. I.3 van de MB vermeldt als te betalen optievergoeding het bedrag van Afl. 3.946,-, op grond van art. 25c van de LUE berekend naar 3% van de grondwaarde van Afl. 50,- per vierkante meter. Drie dagen nadat de minister de MB heeft getekend, op 30 januari 2015, heeft [medeverdachte 2] middels een ‘share purchase agreement’ (hierna: SPA) al haar aandelen in [betrokkene 6] verkocht aan [betrokkene 12] voor een bedrag van Afl. 555.000,-. [betrokkene 12] zegt dat ze dat bedrag nooit zou hebben betaald als [betrokkene 6] niet de optie had gehad, maar dat “de hele familie van [medeverdachte 2] samen [werkte] met [verdachte] toen hij als minister fungeerde. Je wordt kwaad hierover omdat ik ook het recht heb om een terrein van de overheid te krijgen.” Als bijlage bij de SPA was een kopie van de MB gevoegd, terwijl [betrokkene 6] op dat moment nog niet aan de betalingsplicht had voldaan en een kopie van de MB dus ook nog niet door de DIP was verstrekt. Het Hof leidt uit de verklaringen van [betrokkene 13] en [betrokkene 9] af dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 2] deze kopie heeft gekregen van [verdachte] , dan wel [betrokkene 9] in opdracht van [verdachte] . Het bedrag van Afl. 555.000,- is conform de afspraken in de SPA betaald aan [medeverdachte 2] en [I] (de bemiddelaar). [dochter medeverdachte 2] is op 30 januari 2015 ontslagen als directeur van [betrokkene 6] . [betrokkene 12] werd op die datum directeur van [betrokkene 6] . [betrokkene 12] heeft vervolgens in de optieperiode namens [betrokkene 6] stukken ingediend, waaronder verzoeken tot verlenging van de optieperiode. Deze verzoeken zijn door [verdachte] steeds geaccordeerd. De overeenkomst tot erfpacht is door [verdachte] en [betrokkene 12] ondertekend. Het project is uiteindelijk volledig uitgevoerd en betaald door [betrokkene 12] .
Volledig
Ook de kosten voor het verkrijgen van de optie en het erfpachtrecht zijn door [betrokkene 12] voldaan. Zaaksdossier [betrokkene 5] De rechtspersoon [J] is op 30 september 2015 opgericht door [medeverdachte 2] . Zij was bij de oprichting enig aandeelhouder en heeft haar werkneemster [betrokkene 14] aangesteld als directeur van [betrokkene 5] . Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] haar had gevraagd om directeur voor haar te zijn, en had gezegd dat het niet moeilijk was en dat zij alleen mee moest naar de notaris om te tekenen. [medeverdachte 3] meent zich te herinneren dat [betrokkene 14] een werkster is en hij herinnert zich aan [verdachte] te hebben gevraagd hoe het mogelijk was dat zij om een terrein kon vragen. Nog vóór de oprichting van [betrokkene 5] wordt namens [betrokkene 5] een aanvraag opgemaakt en ingediend voor een erfpachtrecht op een terrein te [locatie 1] . Deze brief is op 7 augustus 2015 rechtstreeks bij de minister ingekomen en op 14 augustus 2015 door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”. Het Hof leidt uit deze gang van zaken af dat voorafgaand aan dit akkoord in ieder geval niet is onderzocht of de aanvragende partij wel bestond. Deze brief behelsde voorts slechts een verzoek om medewerking tot het verkrijgen van een commercieel terrein in de buurt van de airport tegenover de [K] , bestemd voor commerciële doeleinden, en de aankondiging dat te zijner tijd een gedetailleerd businessplan met schetsontwerp zal worden ingediend. Anders dan het beleid eiste, werden ook in dit geval niet de zeven in het beleid genoemde punten voor de pre-optiefase geadresseerd, welke fase volgens [getuige 1] belangrijk was om de serieuze van de niet serieuze aanvragers te onderscheiden. Nu deze punten niet werden geadresseerd, is ook de conclusie gerechtvaardigd dat [verdachte] zijn akkoord gaf, zonder enig onderzoek naar deze uit het beleid voortvloeiende voorwaarden. Door [medeverdachte 3] wordt op 30 oktober 2015 de concept MB ten behoeve van [betrokkene 5] naar de minister gestuurd. In de begeleidende brief schrijft [medeverdachte 3] dat [betrokkene 14] in een gesprek heeft aangegeven dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten. Hoewel er namens [betrokkene 5] geen stukken zijn ingediend waaruit enigszins de omvang van het project kan worden afgeleid, heeft [medeverdachte 3] in de brief geschreven dat er op instructie van de minister twee percelen in optie worden toegekend. De brief en de bijgevoegde concept MB zijn met spoed naar het bureau van de minister verzonden. Op diezelfde dag zijn deze stukken bij het bureau van de minister ingekomen en door de minister geaccordeerd. Art. I.3 van de MB vermeldt als te betalen optievergoeding het bedrag van Afl. 1.082,-, op grond van art. 25c van de LUE berekend naar 3% van de grondwaarde van Afl. 40,- per vierkante meter. Nadat de minister de MB heeft getekend, heeft [medeverdachte 2] op 11 november 2015 middels een SPA al haar aandelen in [betrokkene 5] verkocht aan [betrokkene 15] voor een bedrag van Awg. 356.000,-. Als bijlage bij de SPA was een kopie van de MB gevoegd, terwijl [betrokkene 5] op dat moment nog niet aan de betalingsplicht had voldaan. Het bedrag van Awg. 356.000,- is conform de afspraken in de SPA op verschillende momenten aan [medeverdachte 2] en [I] (de bemiddelaar) betaald. Uit de verklaringen van [getuige 4] , bemiddelaar bij de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] , alsmede uit de getuigenverklaring van één van de uiteindelijke kopers/nieuwe aandeelhouder van [betrokkene 5] , [betrokkene 16] , volgt dat [medeverdachte 2] al bezig was met het verkopen van het bedrijf/de optie vanaf juni/juli 2015, in ieder geval vóór het moment dat [betrokkene 5] het optierecht had verkregen. Volgens [getuige 4] ging het initiatief voor de verkoop van de aandelen uit van [medeverdachte 2] . Verder leidt het Hof uit de verklaring van [betrokkene 16] af dat [medeverdachte 2] geen businessplan had en dat het de nieuwe aandeelhouders van [betrokkene 5] zijn die aan alle optievoorwaarden hebben voldaan. Daarbij valt op dat de stukken die in de optieperiode namens [betrokkene 5] zijn ingediend, zien op het – conform de plannen van de koper van de aandelen – bouwen van een carwash, terwijl de aanvraag en de verleende optie zien op het ontwikkelen van luxe appartementen en winkelruimten. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat in dat geval niet is voldaan aan de voorwaarden, omdat de bestemming niet klopt. Desondanks wordt door [medeverdachte 3] op 24 maart 2016 een brief naar de minister gestuurd, waarin staat dat [betrokkene 5] heeft voldaan aan de optievoorwaarden. In de bijlage heeft hij de concept overeenkomst tot erfpacht gevoegd, waarin eveneens als bestemming het ontwikkelen van luxe appartementen en winkelruimten is opgenomen. Diezelfde dag is de brief bij het bureau van de minister ingekomen en door de minister geaccordeerd. De overeenkomst tot erfpacht is door [verdachte] en [betrokkene 14] op 1 april 2016 ondertekend. Het project is uiteindelijk volledig uitgevoerd en betaald door [betrokkene 15] . Ook de kosten voor het verkrijgen van de optie en het erfpachtrecht zijn door [betrokkene 15] voldaan. Vereenzelviging met rechtspersonen [medeverdachte 2] was ten tijde van het indienen van de aanvragen voor een commercieel erfpachtrecht 100% aandeelhouder van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] . Vanaf het moment dat deze vennootschappen zijn opgericht tot het moment waarop de aanvragen bij de minister zijn ingediend, waren beide rechtspersonen leeg: zij hadden geen bezittingen of liquide middelen. Met andere woorden: de rechtspersonen hadden ten tijde van de aanvragen geen enkele financiële waarde en dus ook geen mogelijkheid om projecten te ontwikkelen. De bedrijfsactiviteiten waren tot het moment van de verkoop van de aandelen uitsluitend gericht op het verkrijgen van een optie-/erfpachtrecht. Daarbij heeft [medeverdachte 2] anderen aangesteld als directeur van haar vennootschappen om te verhullen dat zij de begunstigde was van de rechtspersonen, naar eigen zeggen om te voorkomen dat ze “zou worden beschuldigd van corruptie”. Zo heeft [medeverdachte 2] haar 19-jarige dochter, [dochter medeverdachte 2] , als directeur van [betrokkene 6] aangesteld en haar werknemer, [betrokkene 14] , als directeur van [betrokkene 5] . Zowel [medeverdachte 2] als [dochter medeverdachte 2] en [betrokkene 14] hadden geen enkele kennis of ervaring met het ontwikkelen van projecten. Toen de rechtspersonen konden beschikken over het optierecht werden de aandelen zeer winstgevend verkocht aan derden. De verkoopprijs van de aandelen kwam hoofdzakelijk ten goede aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] , en dus niet de rechtspersonen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , heeft dus als aandeelhouder geprofiteerd van de waardestijging van de aandelen in de rechtspersonen als gevolg van het verkrijgen van optie-/erfpachtrechten. Zij heeft als natuurlijk persoon genoten van die winstgevende verkoop. Het Hof is van oordeel dat dit duidt op een schijnconstructie. [medeverdachte 2] heeft de rechtspersonen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] misbruikt om door middel van oplichting in aanmerking te komen voor optie- en uiteindelijk erfpachtrechten. In de bewijsoverwegingen die volgen wordt overwogen dat zij in het bezit is gekomen van de optierechten door in samenwerking met de minister een onjuiste voorstelling van zaken te geven. Zij heeft misleidend en frauduleus gehandeld en heeft de rechtspersonen gebruikt om zich daarachter te verschuilen. Dit maakt dat het Hof van oordeel is dat [medeverdachte 2] uitsluitend voor ogen had de rechtspersonen te gebruiken om haar frauduleuze handelen te verhullen en dat onder die omstandigheden het handelen van de rechtspersonen moet worden toegerekend aan degene die daar zeggenschap over had, in casu [medeverdachte 2] . Ten aanzien van de omkoping In samenhang bezien met hetgeen het Hof hierboven heeft overwogen, acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping in het zaakdossier [betrokkene 5] .
Volledig
Ook de kosten voor het verkrijgen van de optie en het erfpachtrecht zijn door [betrokkene 12] voldaan. Zaaksdossier [betrokkene 5] De rechtspersoon [J] is op 30 september 2015 opgericht door [medeverdachte 2] . Zij was bij de oprichting enig aandeelhouder en heeft haar werkneemster [betrokkene 14] aangesteld als directeur van [betrokkene 5] . Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] haar had gevraagd om directeur voor haar te zijn, en had gezegd dat het niet moeilijk was en dat zij alleen mee moest naar de notaris om te tekenen. [medeverdachte 3] meent zich te herinneren dat [betrokkene 14] een werkster is en hij herinnert zich aan [verdachte] te hebben gevraagd hoe het mogelijk was dat zij om een terrein kon vragen. Nog vóór de oprichting van [betrokkene 5] wordt namens [betrokkene 5] een aanvraag opgemaakt en ingediend voor een erfpachtrecht op een terrein te [locatie 1] . Deze brief is op 7 augustus 2015 rechtstreeks bij de minister ingekomen en op 14 augustus 2015 door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking”. Het Hof leidt uit deze gang van zaken af dat voorafgaand aan dit akkoord in ieder geval niet is onderzocht of de aanvragende partij wel bestond. Deze brief behelsde voorts slechts een verzoek om medewerking tot het verkrijgen van een commercieel terrein in de buurt van de airport tegenover de [K] , bestemd voor commerciële doeleinden, en de aankondiging dat te zijner tijd een gedetailleerd businessplan met schetsontwerp zal worden ingediend. Anders dan het beleid eiste, werden ook in dit geval niet de zeven in het beleid genoemde punten voor de pre-optiefase geadresseerd, welke fase volgens [getuige 1] belangrijk was om de serieuze van de niet serieuze aanvragers te onderscheiden. Nu deze punten niet werden geadresseerd, is ook de conclusie gerechtvaardigd dat [verdachte] zijn akkoord gaf, zonder enig onderzoek naar deze uit het beleid voortvloeiende voorwaarden. Door [medeverdachte 3] wordt op 30 oktober 2015 de concept MB ten behoeve van [betrokkene 5] naar de minister gestuurd. In de begeleidende brief schrijft [medeverdachte 3] dat [betrokkene 14] in een gesprek heeft aangegeven dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten. Hoewel er namens [betrokkene 5] geen stukken zijn ingediend waaruit enigszins de omvang van het project kan worden afgeleid, heeft [medeverdachte 3] in de brief geschreven dat er op instructie van de minister twee percelen in optie worden toegekend. De brief en de bijgevoegde concept MB zijn met spoed naar het bureau van de minister verzonden. Op diezelfde dag zijn deze stukken bij het bureau van de minister ingekomen en door de minister geaccordeerd. Art. I.3 van de MB vermeldt als te betalen optievergoeding het bedrag van Afl. 1.082,-, op grond van art. 25c van de LUE berekend naar 3% van de grondwaarde van Afl. 40,- per vierkante meter. Nadat de minister de MB heeft getekend, heeft [medeverdachte 2] op 11 november 2015 middels een SPA al haar aandelen in [betrokkene 5] verkocht aan [betrokkene 15] voor een bedrag van Awg. 356.000,-. Als bijlage bij de SPA was een kopie van de MB gevoegd, terwijl [betrokkene 5] op dat moment nog niet aan de betalingsplicht had voldaan. Het bedrag van Awg. 356.000,- is conform de afspraken in de SPA op verschillende momenten aan [medeverdachte 2] en [I] (de bemiddelaar) betaald. Uit de verklaringen van [getuige 4] , bemiddelaar bij de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] , alsmede uit de getuigenverklaring van één van de uiteindelijke kopers/nieuwe aandeelhouder van [betrokkene 5] , [betrokkene 16] , volgt dat [medeverdachte 2] al bezig was met het verkopen van het bedrijf/de optie vanaf juni/juli 2015, in ieder geval vóór het moment dat [betrokkene 5] het optierecht had verkregen. Volgens [getuige 4] ging het initiatief voor de verkoop van de aandelen uit van [medeverdachte 2] . Verder leidt het Hof uit de verklaring van [betrokkene 16] af dat [medeverdachte 2] geen businessplan had en dat het de nieuwe aandeelhouders van [betrokkene 5] zijn die aan alle optievoorwaarden hebben voldaan. Daarbij valt op dat de stukken die in de optieperiode namens [betrokkene 5] zijn ingediend, zien op het – conform de plannen van de koper van de aandelen – bouwen van een carwash, terwijl de aanvraag en de verleende optie zien op het ontwikkelen van luxe appartementen en winkelruimten. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat in dat geval niet is voldaan aan de voorwaarden, omdat de bestemming niet klopt. Desondanks wordt door [medeverdachte 3] op 24 maart 2016 een brief naar de minister gestuurd, waarin staat dat [betrokkene 5] heeft voldaan aan de optievoorwaarden. In de bijlage heeft hij de concept overeenkomst tot erfpacht gevoegd, waarin eveneens als bestemming het ontwikkelen van luxe appartementen en winkelruimten is opgenomen. Diezelfde dag is de brief bij het bureau van de minister ingekomen en door de minister geaccordeerd. De overeenkomst tot erfpacht is door [verdachte] en [betrokkene 14] op 1 april 2016 ondertekend. Het project is uiteindelijk volledig uitgevoerd en betaald door [betrokkene 15] . Ook de kosten voor het verkrijgen van de optie en het erfpachtrecht zijn door [betrokkene 15] voldaan. Vereenzelviging met rechtspersonen [medeverdachte 2] was ten tijde van het indienen van de aanvragen voor een commercieel erfpachtrecht 100% aandeelhouder van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] . Vanaf het moment dat deze vennootschappen zijn opgericht tot het moment waarop de aanvragen bij de minister zijn ingediend, waren beide rechtspersonen leeg: zij hadden geen bezittingen of liquide middelen. Met andere woorden: de rechtspersonen hadden ten tijde van de aanvragen geen enkele financiële waarde en dus ook geen mogelijkheid om projecten te ontwikkelen. De bedrijfsactiviteiten waren tot het moment van de verkoop van de aandelen uitsluitend gericht op het verkrijgen van een optie-/erfpachtrecht. Daarbij heeft [medeverdachte 2] anderen aangesteld als directeur van haar vennootschappen om te verhullen dat zij de begunstigde was van de rechtspersonen, naar eigen zeggen om te voorkomen dat ze “zou worden beschuldigd van corruptie”. Zo heeft [medeverdachte 2] haar 19-jarige dochter, [dochter medeverdachte 2] , als directeur van [betrokkene 6] aangesteld en haar werknemer, [betrokkene 14] , als directeur van [betrokkene 5] . Zowel [medeverdachte 2] als [dochter medeverdachte 2] en [betrokkene 14] hadden geen enkele kennis of ervaring met het ontwikkelen van projecten. Toen de rechtspersonen konden beschikken over het optierecht werden de aandelen zeer winstgevend verkocht aan derden. De verkoopprijs van de aandelen kwam hoofdzakelijk ten goede aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] , en dus niet de rechtspersonen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , heeft dus als aandeelhouder geprofiteerd van de waardestijging van de aandelen in de rechtspersonen als gevolg van het verkrijgen van optie-/erfpachtrechten. Zij heeft als natuurlijk persoon genoten van die winstgevende verkoop. Het Hof is van oordeel dat dit duidt op een schijnconstructie. [medeverdachte 2] heeft de rechtspersonen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] misbruikt om door middel van oplichting in aanmerking te komen voor optie- en uiteindelijk erfpachtrechten. In de bewijsoverwegingen die volgen wordt overwogen dat zij in het bezit is gekomen van de optierechten door in samenwerking met de minister een onjuiste voorstelling van zaken te geven. Zij heeft misleidend en frauduleus gehandeld en heeft de rechtspersonen gebruikt om zich daarachter te verschuilen. Dit maakt dat het Hof van oordeel is dat [medeverdachte 2] uitsluitend voor ogen had de rechtspersonen te gebruiken om haar frauduleuze handelen te verhullen en dat onder die omstandigheden het handelen van de rechtspersonen moet worden toegerekend aan degene die daar zeggenschap over had, in casu [medeverdachte 2] . Ten aanzien van de omkoping In samenhang bezien met hetgeen het Hof hierboven heeft overwogen, acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping in het zaakdossier [betrokkene 5] .
Volledig
Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij in opdracht van [medeverdachte 2] een envelop met geld heeft gebracht naar de woning van [verdachte] om deze te overhandigen aan diens echtgenote, [echtgenote verdachte] . Dat was na de verkoop van het tweede terrein, waarmee zij het terrein van [betrokkene 5] bedoelt. Zij heeft niet in de envelop gekeken, maar zij omschrijft de envelop als lichtbruin, gevouwen en omwikkeld met elastiekjes. Hij was ongeveer zeven centimeter dik en had de lengte en breedte van een bankbiljet. Daarnaast rook hij naar nieuwe bankbiljetten. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 5] daarop aanvullend verklaard dat zij er zeker van is dat er geld in de envelop zat, omdat ze die ochtend geld aan het tellen waren. Verder heeft zij verklaard dat zij [medeverdachte 2] heeft gebeld toen ze in de straat van de woning van [verdachte] reed, omdat zij niet precies wist waar de woning was. Toen zij iemand in de woning zag lopen, maar er niemand naar buiten kwam toen zij toeterde, heeft zij aan [medeverdachte 2] gevraagd om die persoon op te bellen om te zeggen dat ze voor de woning stond. Vervolgens is de vrouw van [verdachte] naar buiten gekomen en heeft [getuige 5] de envelop aan haar overhandigd. De verdediging betwist het contact en de ontmoeting tussen [getuige 5] en de vrouw van [verdachte] niet, maar geeft een geheel andere lezing, namelijk dat [getuige 5] lootjes zou hebben opgehaald die de echtgenote van [verdachte] voor [medeverdachte 2] zou hebben meegenomen uit Miami. Het Hof acht de verklaringen van [getuige 5] betrouwbaar. Zij heeft een aantal jaren voor [medeverdachte 2] gewerkt als een soort ‘personal assistent’. Haar verklaringen zijn consistent en op tal van punten zo gedetailleerd dat dit bijdraagt aan de betrouwbaarheid. Blijkens haar uitgebreide verklaring bij de Landsrecherche was zij goed op de hoogte van de zakelijke contacten van [medeverdachte 2] met betrekking tot de verkoop van terreinen. Zij noemt de periode waarin [medeverdachte 2] zich bezighield met de verkoop van terreinen het ‘fiesta di tereno’. Zo heeft zij verklaard over het veelvuldige telefonische contact over terreinen tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 13] , de secretaresse van [verdachte] , hetgeen wordt ondersteund door hun telefoongegevens. Daarnaast heeft [getuige 5] verklaard over het contact dat [medeverdachte 2] had met [betrokkene 11] (de oprichter van [betrokkene 6] ) en was zij ervan op de hoogte wie de directeuren van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zijn. Verder heeft zij documenten die betrekking hadden op (het aanvragen van) erfpachtgronden ter ondertekening door de minister naar zijn bureau gebracht en opgehaald, welke documenten zij ook heeft gezien. Daarnaast vinden de verklaringen van [getuige 5] voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Zo wordt haar verklaring ondersteund door de telefoongegevens, waaruit blijkt dat [getuige 5] op 21 januari 2016 heeft gebeld met [medeverdachte 2] , die direct daarna de vrouw van [verdachte] heeft opgebeld. Dat [getuige 5] later in haar verhoor bij de Landsrecherche heeft verklaard dat zij twee keer naar [medeverdachte 2] heeft gebeld, doet daar niet aan af, temeer nu de vrouw van [verdachte] niet heeft ontkend dat [getuige 5] op enig moment bij haar aan de deur is geweest en wel na haar terugkeer uit Miami. Daar komt bij dat [getuige 5] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij dacht dat de vrouw van [verdachte] niet wist dat zij eraan kwam, omdat het heel lang duurde voordat de vrouw van [verdachte] naar buiten kwam, hetgeen overeenkomt met de duur van het gesprek tussen [medeverdachte 2] en de vrouw van [verdachte] . Uit de bevindingen van de Landsrecherche blijkt ook dat het tijdstip van het overhandigen van een envelop met geld aan (de vrouw van) [verdachte] goed past in de tijdlijn van de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] door [medeverdachte 2] . Op 11 november 2015 is er een ‘share purchase agreement’ gesloten met betrekking tot de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] door [medeverdachte 2] aan [betrokkene 15] . Uit de bevindingen van de bankrekeningen van [medeverdachte 2] is gebleken dat twee dagen later op de Amerikaanse bankrekening van [medeverdachte 2] een voorschot wordt betaald van $ 40.000,-. Vrijwel onmiddellijk na het storten van dit bedrag wordt een bedrag van $ 24.000,- contant opgenomen van deze rekening van [medeverdachte 2] . De contante geldopname van een fors bedrag in november 2015 en het twee maanden later (op 21 januari 2016) overhandigen van een envelop met geld, past daarmee goed in de tijdlijn. De verklaring van de vrouw van [verdachte] dat zij een envelop met lootjes aan [getuige 5] heeft meegegeven, is strijdig met de verklaring van [getuige 5] en past niet in deze tijdlijn. Als de vrouw van [verdachte] lootjes in Miami had gekocht voor [medeverdachte 2] , dan zou dat in november/begin december 2015 moeten zijn geweest, want op dat moment was zij volgens de radexgegevens in Miami. Het Hof acht het niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 2] op 21 januari 2016 [getuige 5] naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd om lootjes op te halen, die de vrouw van [verdachte] ongeveer twee maanden eerder – toen zij in Miami was – zou hebben meegenomen. Dit mede gelet op het feit dat [medeverdachte 2] noch de vrouw van [verdachte] een plausibele verklaring hebben gegeven voor dit tijdsverloop. Het Hof wordt bovendien in die overtuiging gesterkt doordat [medeverdachte 2] bij de Landsrecherche stellig heeft ontkend dat zij [getuige 5] ooit naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd, en [medeverdachte 2] pas ter terechtzitting – en dus ná de verklaring van de vrouw van [verdachte] dat [getuige 5] bij haar woning is geweest om lootjes op te halen – overeenkomstig heeft verklaard. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het Hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] [getuige 5] naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd, waar zij een envelop met geld aan de vrouw van [verdachte] heeft gegeven, die de envelop ook heeft aangenomen, en dat dit geldbedrag is gegeven in ruil voor het uitgeven van een optie-/erfpachtrecht aan [betrokkene 5] . Conclusie Op grond van al het bovenstaande concludeert het Hof dat [verdachte] en [medeverdachte 2] , in nauwe en bewuste samenwerking, een werkwijze hebben opgezet waarbij aan het Land een valse voorstelling van zaken werd gegeven, waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten aan partijen die, anders dan werd voorgespiegeld, niet uit waren op ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de te verkrijgen optierechten, dit met het doel om er zelf beter van te worden. [medeverdachte 2] , van wie ook [verdachte] wist dat zij geen ontwikkelaar was, deed zich met haar vennootschappen in strijd met de waarheid voor als zodanig. In werkelijkheid waren de aanvragende vennootschappen leeg en ontbraken ervaring, concrete plannen en mogelijkheden om de percelen in kwestie te ontwikkelen. Dat [medeverdachte 2] niet de bedoeling had om zelf de percelen in kwestie te (laten) ontwikkelen, maar er slechts op uit was om de optierechten te gelde te maken, blijkt onder meer uit het feit dat zij al voor de daadwerkelijke optieverleningen in gesprek was met potentiële kopers van de in optie te ontvangen percelen, aan wie zij zelfs de aanvragen met daarop het akkoord en de handtekening van [verdachte] kon laten zien. Het Hof leidt uit deze gang van zaken af dat [medeverdachte 2] al in een vroeg stadium van [verdachte] , wiens rol in dit proces cruciaal was, de verzekering, althans voldoende comfort, had gekregen dat de opties er wel zouden komen. [medeverdachte 2] beschikte door haar goede band met [verdachte] , van wiens partij zij een prominent lid was, over rechtstreekse toegang tot de minister, bij wie zij haar aanvragen dan ook rechtstreeks liet indienen. [verdachte] rol bestond erin dat hij deze aanvragen van zijn goede bekende en partijgenote, niettegenstaande de achterstanden in de afhandeling van optie-aanvragen, nog op dezelfde dag, c.q.
Volledig
Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij in opdracht van [medeverdachte 2] een envelop met geld heeft gebracht naar de woning van [verdachte] om deze te overhandigen aan diens echtgenote, [echtgenote verdachte] . Dat was na de verkoop van het tweede terrein, waarmee zij het terrein van [betrokkene 5] bedoelt. Zij heeft niet in de envelop gekeken, maar zij omschrijft de envelop als lichtbruin, gevouwen en omwikkeld met elastiekjes. Hij was ongeveer zeven centimeter dik en had de lengte en breedte van een bankbiljet. Daarnaast rook hij naar nieuwe bankbiljetten. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 5] daarop aanvullend verklaard dat zij er zeker van is dat er geld in de envelop zat, omdat ze die ochtend geld aan het tellen waren. Verder heeft zij verklaard dat zij [medeverdachte 2] heeft gebeld toen ze in de straat van de woning van [verdachte] reed, omdat zij niet precies wist waar de woning was. Toen zij iemand in de woning zag lopen, maar er niemand naar buiten kwam toen zij toeterde, heeft zij aan [medeverdachte 2] gevraagd om die persoon op te bellen om te zeggen dat ze voor de woning stond. Vervolgens is de vrouw van [verdachte] naar buiten gekomen en heeft [getuige 5] de envelop aan haar overhandigd. De verdediging betwist het contact en de ontmoeting tussen [getuige 5] en de vrouw van [verdachte] niet, maar geeft een geheel andere lezing, namelijk dat [getuige 5] lootjes zou hebben opgehaald die de echtgenote van [verdachte] voor [medeverdachte 2] zou hebben meegenomen uit Miami. Het Hof acht de verklaringen van [getuige 5] betrouwbaar. Zij heeft een aantal jaren voor [medeverdachte 2] gewerkt als een soort ‘personal assistent’. Haar verklaringen zijn consistent en op tal van punten zo gedetailleerd dat dit bijdraagt aan de betrouwbaarheid. Blijkens haar uitgebreide verklaring bij de Landsrecherche was zij goed op de hoogte van de zakelijke contacten van [medeverdachte 2] met betrekking tot de verkoop van terreinen. Zij noemt de periode waarin [medeverdachte 2] zich bezighield met de verkoop van terreinen het ‘fiesta di tereno’. Zo heeft zij verklaard over het veelvuldige telefonische contact over terreinen tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 13] , de secretaresse van [verdachte] , hetgeen wordt ondersteund door hun telefoongegevens. Daarnaast heeft [getuige 5] verklaard over het contact dat [medeverdachte 2] had met [betrokkene 11] (de oprichter van [betrokkene 6] ) en was zij ervan op de hoogte wie de directeuren van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zijn. Verder heeft zij documenten die betrekking hadden op (het aanvragen van) erfpachtgronden ter ondertekening door de minister naar zijn bureau gebracht en opgehaald, welke documenten zij ook heeft gezien. Daarnaast vinden de verklaringen van [getuige 5] voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Zo wordt haar verklaring ondersteund door de telefoongegevens, waaruit blijkt dat [getuige 5] op 21 januari 2016 heeft gebeld met [medeverdachte 2] , die direct daarna de vrouw van [verdachte] heeft opgebeld. Dat [getuige 5] later in haar verhoor bij de Landsrecherche heeft verklaard dat zij twee keer naar [medeverdachte 2] heeft gebeld, doet daar niet aan af, temeer nu de vrouw van [verdachte] niet heeft ontkend dat [getuige 5] op enig moment bij haar aan de deur is geweest en wel na haar terugkeer uit Miami. Daar komt bij dat [getuige 5] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij dacht dat de vrouw van [verdachte] niet wist dat zij eraan kwam, omdat het heel lang duurde voordat de vrouw van [verdachte] naar buiten kwam, hetgeen overeenkomt met de duur van het gesprek tussen [medeverdachte 2] en de vrouw van [verdachte] . Uit de bevindingen van de Landsrecherche blijkt ook dat het tijdstip van het overhandigen van een envelop met geld aan (de vrouw van) [verdachte] goed past in de tijdlijn van de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] door [medeverdachte 2] . Op 11 november 2015 is er een ‘share purchase agreement’ gesloten met betrekking tot de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] door [medeverdachte 2] aan [betrokkene 15] . Uit de bevindingen van de bankrekeningen van [medeverdachte 2] is gebleken dat twee dagen later op de Amerikaanse bankrekening van [medeverdachte 2] een voorschot wordt betaald van $ 40.000,-. Vrijwel onmiddellijk na het storten van dit bedrag wordt een bedrag van $ 24.000,- contant opgenomen van deze rekening van [medeverdachte 2] . De contante geldopname van een fors bedrag in november 2015 en het twee maanden later (op 21 januari 2016) overhandigen van een envelop met geld, past daarmee goed in de tijdlijn. De verklaring van de vrouw van [verdachte] dat zij een envelop met lootjes aan [getuige 5] heeft meegegeven, is strijdig met de verklaring van [getuige 5] en past niet in deze tijdlijn. Als de vrouw van [verdachte] lootjes in Miami had gekocht voor [medeverdachte 2] , dan zou dat in november/begin december 2015 moeten zijn geweest, want op dat moment was zij volgens de radexgegevens in Miami. Het Hof acht het niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 2] op 21 januari 2016 [getuige 5] naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd om lootjes op te halen, die de vrouw van [verdachte] ongeveer twee maanden eerder – toen zij in Miami was – zou hebben meegenomen. Dit mede gelet op het feit dat [medeverdachte 2] noch de vrouw van [verdachte] een plausibele verklaring hebben gegeven voor dit tijdsverloop. Het Hof wordt bovendien in die overtuiging gesterkt doordat [medeverdachte 2] bij de Landsrecherche stellig heeft ontkend dat zij [getuige 5] ooit naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd, en [medeverdachte 2] pas ter terechtzitting – en dus ná de verklaring van de vrouw van [verdachte] dat [getuige 5] bij haar woning is geweest om lootjes op te halen – overeenkomstig heeft verklaard. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het Hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] [getuige 5] naar de woning van [verdachte] heeft gestuurd, waar zij een envelop met geld aan de vrouw van [verdachte] heeft gegeven, die de envelop ook heeft aangenomen, en dat dit geldbedrag is gegeven in ruil voor het uitgeven van een optie-/erfpachtrecht aan [betrokkene 5] . Conclusie Op grond van al het bovenstaande concludeert het Hof dat [verdachte] en [medeverdachte 2] , in nauwe en bewuste samenwerking, een werkwijze hebben opgezet waarbij aan het Land een valse voorstelling van zaken werd gegeven, waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten aan partijen die, anders dan werd voorgespiegeld, niet uit waren op ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de te verkrijgen optierechten, dit met het doel om er zelf beter van te worden. [medeverdachte 2] , van wie ook [verdachte] wist dat zij geen ontwikkelaar was, deed zich met haar vennootschappen in strijd met de waarheid voor als zodanig. In werkelijkheid waren de aanvragende vennootschappen leeg en ontbraken ervaring, concrete plannen en mogelijkheden om de percelen in kwestie te ontwikkelen. Dat [medeverdachte 2] niet de bedoeling had om zelf de percelen in kwestie te (laten) ontwikkelen, maar er slechts op uit was om de optierechten te gelde te maken, blijkt onder meer uit het feit dat zij al voor de daadwerkelijke optieverleningen in gesprek was met potentiële kopers van de in optie te ontvangen percelen, aan wie zij zelfs de aanvragen met daarop het akkoord en de handtekening van [verdachte] kon laten zien. Het Hof leidt uit deze gang van zaken af dat [medeverdachte 2] al in een vroeg stadium van [verdachte] , wiens rol in dit proces cruciaal was, de verzekering, althans voldoende comfort, had gekregen dat de opties er wel zouden komen. [medeverdachte 2] beschikte door haar goede band met [verdachte] , van wiens partij zij een prominent lid was, over rechtstreekse toegang tot de minister, bij wie zij haar aanvragen dan ook rechtstreeks liet indienen. [verdachte] rol bestond erin dat hij deze aanvragen van zijn goede bekende en partijgenote, niettegenstaande de achterstanden in de afhandeling van optie-aanvragen, nog op dezelfde dag, c.q.
Volledig
kort na die indiening, voorzag van zijn akkoord conform en zijn handtekening. Dit zodat iedere inhoudelijke tussenkomst van de DIP en daarmee de toetsing van de aanvragen van [medeverdachte 2] aan het geldende beleid werd omzeild. Hiermee bereikte hij dat ieder onderzoek naar de vraag of deze aanvragers konden worden beschouwd als serieuze partijen achterwege bleef. In het vervolgtraject werden de concept MB’s die door [medeverdachte 3] waren opgesteld op instructie van [verdachte] met spoed naar zijn bureau gestuurd, waarna deze door hem werden ondertekend en [medeverdachte 2] in strijd met de regels een kopie MB in handen kreeg gespeeld, die zij kon gebruiken om haar kopers (verder) te overtuigen. Door dit alles werd [medeverdachte 2] in de gelegenheid gesteld om haar vennootschappen tussen de optie verlenende overheid en de serieuze ontwikkelaars te schuiven en te profiteren van een aanzienlijke waardestijging van de aandelen van haar vennootschappen. Zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] (via de betaling door [getuige 5] ) hebben hiervan financieel voordeel genoten. Door zo te handelen hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] het land opgelicht. Dat de vennootschappen in kwestie na verkoop van de aandelen aan serieuze ontwikkelaars en na het vertrek van [medeverdachte 2] de ontwikkeling van de percelen ter hand hebben genomen, doet aan het bedrieglijk handelen van de verdachten niet af. Land is een professionele partij De vraag is voorts of het Land als professionele partij de oplichting, voor zover daar sprake van zou zijn, had moeten doorzien. In zijn algemeenheid geldt, naar vaste rechtspraak, dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van oplichting mede van belang is of het slachtoffer de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid in acht heeft genomen (zie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279). Daarbij kan ook een rol spelen, zoals aangevoerd, de eigen gedragingen en kennis van zaken van het slachtoffer (zie: ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157) die ertoe had(den) moeten leiden dat het slachtoffer de gegeven onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het Hof overweegt dat het Land als professionele partij moet worden beschouwd en dat moet worden toegegeven dat het door het Land gecreëerde beleid ten aanzien van de uitgifte van erfpachtrechten en de uitvoering daarvan ernstig tekortschoot. Wat daarvan verder ook zij; er is in het onderhavige geval geen sprake van dat het Land gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het Land mag er immers op vertrouwen dat de minister integer handelt op grond van onder meer de ambtseed die hij heeft afgelegd. De verdachten hebben echter misbruik gemaakt van dat vertrouwen en op slinkse en listige wijze het Land opgelicht, zoals hiervoor is overwogen. Daarbij heeft [medeverdachte 2] andere personen gebruikt om als directeur van de vennootschappen te fungeren teneinde te verhullen dat zijzelf de aanvragen voor de erfpachtrechten indiende. Kortom, de verdachten hebben er naar het oordeel van het Hof alles aan gedaan om het Land te misleiden en, gelet op alle omstandigheden, kan niet worden gezegd dat het Land de oplichting had moeten doorzien. Het Land is niet benadeeld Ten aanzien van de benadeling van het Land wordt het volgende overwogen. De oplichtingsbepaling beschermt niet alleen het vermogen van degene die wordt opgelicht, maar ook het vertrouwen dat men mag en moet kunnen hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer en de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen (zie: HR ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157). Gelet hierop hoeft naar het oordeel van het Hof niet vast komen te staan dat het Land of een ander financieel nadeel heeft ondervonden als gevolg van de door verdachten gegeven onjuiste voorstelling van zaken. [medeverdachte 2] heeft in samenwerking met de minister op listige wijze een verkeerde voorstelling van zaken gegeven teneinde het Land te bewegen tot afgifte van een optie-/erfpachtrecht. Door aldus te handelen hebben de verdachten het vertrouwen dat men mag hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer geschaad. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak is hiermee het in de sleutel van de oplichtingsbepaling bedoelde “nadeel” gegeven.” De eerste deelklacht 2.6 De stellers van het middel betogen – kort gezegd – dat uit het vonnis volgt dat het Hof ten aanzien van de oplichting van oordeel is geweest dat de verdachte als vertegenwoordiger van het land Aruba is ‘bewogen tot afgifte’ als bedoeld in art. 2:305 SrA, zodat het onbegrijpelijk is dat hij tegelijkertijd met zijn medeplegers als pleger van de oplichting is aangemerkt. Iemand kan immers niet pleger en slachtoffer zijn, zo begrijp ik de stellers van het middel. 2.7 Voor een bewezenverklaring van oplichting is onder meer vereist dat het slachtoffer door een van de in art. 2:305 SrA (dat woordelijk overeenkomt met art. 326 Sr) genoemde oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van enig goed. Of daarvan sprake is, hangt af – zo blijkt uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad over oplichting – van enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting is niet aan de orde als het slachtoffer “– gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.” 2.8 Ook een rechtspersoon kan worden bewogen tot afgifte. Zulks volgt reeds uit een arrest van de Hoge Raad uit 1931. In die zaak had de verdachte na een brand in zijn huis opzettelijk in strijd met de waarheid aan de inspecteur van een verzekeringsmaatschappij een lijst met verloren gegane goederen aangeleverd. In de tenlastelegging stond dat hij de Directie der N.V. de Nederlanden van 1845 had getracht te bewegen tot afgifte. In cassatie werd geklaagd dat art. 326 Sr spreekt van “iemand bewegen tot afgifte” en dus natuurlijke personen op het oog heeft, terwijl de Directie van een N.V. niet een aanduiding is van een of meer natuurlijke personen, omdat de directie ook door een andere N.V. kan worden uitgeoefend. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog in dat verband dat “oplichting, zijnde een misdrijf tegen het vermogen, gepleegd kan worden tegen alle personen, die vermogensrechten bezitten, dus ook tegen rechtspersonen; dat in het laatste geval, – ook al zou het betreffen eene Naamlooze Vennootschap, waarvan de directie wederom bij eene andere Naamlooze Vennootschap berust, – daadwerkelijk als organen dier rechtspersonen handelen natuurlijke personen; dat derhalve door de uitdrukking „Directie", voldoende duidelijk is aangegeven dat het ook hier natuurlijke personen zijn, die daadwerkelijk tot de afgifte zijn bewogen”. 2.9 Wat betekent dit voor de onderhavige zaak? Deze wijkt af van het in het vorige randnummer genoemde arrest doordat in de onderhavige zaak een van de natuurlijke personen die de rechtspersoon vertegenwoordigde, namelijk de verdachte, heeft meegewerkt aan de oplichting en dus niet kan zijn bewogen tot afgifte van de (opties op) de erfpachtrechten. De stellers van het middel bouwen met hun klacht in feite voort op dit punt en concluderen dat het Hof van oordeel is geweest dat de verdachte zowel oplichter als degene die is bewogen tot afgifte is geweest, hetgeen onbegrijpelijk is. Deze conclusie berust echter op een verkeerde lezing van het vonnis en mist daarmee feitelijke grondslag.
Volledig
kort na die indiening, voorzag van zijn akkoord conform en zijn handtekening. Dit zodat iedere inhoudelijke tussenkomst van de DIP en daarmee de toetsing van de aanvragen van [medeverdachte 2] aan het geldende beleid werd omzeild. Hiermee bereikte hij dat ieder onderzoek naar de vraag of deze aanvragers konden worden beschouwd als serieuze partijen achterwege bleef. In het vervolgtraject werden de concept MB’s die door [medeverdachte 3] waren opgesteld op instructie van [verdachte] met spoed naar zijn bureau gestuurd, waarna deze door hem werden ondertekend en [medeverdachte 2] in strijd met de regels een kopie MB in handen kreeg gespeeld, die zij kon gebruiken om haar kopers (verder) te overtuigen. Door dit alles werd [medeverdachte 2] in de gelegenheid gesteld om haar vennootschappen tussen de optie verlenende overheid en de serieuze ontwikkelaars te schuiven en te profiteren van een aanzienlijke waardestijging van de aandelen van haar vennootschappen. Zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] (via de betaling door [getuige 5] ) hebben hiervan financieel voordeel genoten. Door zo te handelen hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] het land opgelicht. Dat de vennootschappen in kwestie na verkoop van de aandelen aan serieuze ontwikkelaars en na het vertrek van [medeverdachte 2] de ontwikkeling van de percelen ter hand hebben genomen, doet aan het bedrieglijk handelen van de verdachten niet af. Land is een professionele partij De vraag is voorts of het Land als professionele partij de oplichting, voor zover daar sprake van zou zijn, had moeten doorzien. In zijn algemeenheid geldt, naar vaste rechtspraak, dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van oplichting mede van belang is of het slachtoffer de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid in acht heeft genomen (zie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279). Daarbij kan ook een rol spelen, zoals aangevoerd, de eigen gedragingen en kennis van zaken van het slachtoffer (zie: ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157) die ertoe had(den) moeten leiden dat het slachtoffer de gegeven onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het Hof overweegt dat het Land als professionele partij moet worden beschouwd en dat moet worden toegegeven dat het door het Land gecreëerde beleid ten aanzien van de uitgifte van erfpachtrechten en de uitvoering daarvan ernstig tekortschoot. Wat daarvan verder ook zij; er is in het onderhavige geval geen sprake van dat het Land gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het Land mag er immers op vertrouwen dat de minister integer handelt op grond van onder meer de ambtseed die hij heeft afgelegd. De verdachten hebben echter misbruik gemaakt van dat vertrouwen en op slinkse en listige wijze het Land opgelicht, zoals hiervoor is overwogen. Daarbij heeft [medeverdachte 2] andere personen gebruikt om als directeur van de vennootschappen te fungeren teneinde te verhullen dat zijzelf de aanvragen voor de erfpachtrechten indiende. Kortom, de verdachten hebben er naar het oordeel van het Hof alles aan gedaan om het Land te misleiden en, gelet op alle omstandigheden, kan niet worden gezegd dat het Land de oplichting had moeten doorzien. Het Land is niet benadeeld Ten aanzien van de benadeling van het Land wordt het volgende overwogen. De oplichtingsbepaling beschermt niet alleen het vermogen van degene die wordt opgelicht, maar ook het vertrouwen dat men mag en moet kunnen hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer en de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen (zie: HR ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157). Gelet hierop hoeft naar het oordeel van het Hof niet vast komen te staan dat het Land of een ander financieel nadeel heeft ondervonden als gevolg van de door verdachten gegeven onjuiste voorstelling van zaken. [medeverdachte 2] heeft in samenwerking met de minister op listige wijze een verkeerde voorstelling van zaken gegeven teneinde het Land te bewegen tot afgifte van een optie-/erfpachtrecht. Door aldus te handelen hebben de verdachten het vertrouwen dat men mag hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer geschaad. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak is hiermee het in de sleutel van de oplichtingsbepaling bedoelde “nadeel” gegeven.” De eerste deelklacht 2.6 De stellers van het middel betogen – kort gezegd – dat uit het vonnis volgt dat het Hof ten aanzien van de oplichting van oordeel is geweest dat de verdachte als vertegenwoordiger van het land Aruba is ‘bewogen tot afgifte’ als bedoeld in art. 2:305 SrA, zodat het onbegrijpelijk is dat hij tegelijkertijd met zijn medeplegers als pleger van de oplichting is aangemerkt. Iemand kan immers niet pleger en slachtoffer zijn, zo begrijp ik de stellers van het middel. 2.7 Voor een bewezenverklaring van oplichting is onder meer vereist dat het slachtoffer door een van de in art. 2:305 SrA (dat woordelijk overeenkomt met art. 326 Sr) genoemde oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van enig goed. Of daarvan sprake is, hangt af – zo blijkt uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad over oplichting – van enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting is niet aan de orde als het slachtoffer “– gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.” 2.8 Ook een rechtspersoon kan worden bewogen tot afgifte. Zulks volgt reeds uit een arrest van de Hoge Raad uit 1931. In die zaak had de verdachte na een brand in zijn huis opzettelijk in strijd met de waarheid aan de inspecteur van een verzekeringsmaatschappij een lijst met verloren gegane goederen aangeleverd. In de tenlastelegging stond dat hij de Directie der N.V. de Nederlanden van 1845 had getracht te bewegen tot afgifte. In cassatie werd geklaagd dat art. 326 Sr spreekt van “iemand bewegen tot afgifte” en dus natuurlijke personen op het oog heeft, terwijl de Directie van een N.V. niet een aanduiding is van een of meer natuurlijke personen, omdat de directie ook door een andere N.V. kan worden uitgeoefend. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog in dat verband dat “oplichting, zijnde een misdrijf tegen het vermogen, gepleegd kan worden tegen alle personen, die vermogensrechten bezitten, dus ook tegen rechtspersonen; dat in het laatste geval, – ook al zou het betreffen eene Naamlooze Vennootschap, waarvan de directie wederom bij eene andere Naamlooze Vennootschap berust, – daadwerkelijk als organen dier rechtspersonen handelen natuurlijke personen; dat derhalve door de uitdrukking „Directie", voldoende duidelijk is aangegeven dat het ook hier natuurlijke personen zijn, die daadwerkelijk tot de afgifte zijn bewogen”. 2.9 Wat betekent dit voor de onderhavige zaak? Deze wijkt af van het in het vorige randnummer genoemde arrest doordat in de onderhavige zaak een van de natuurlijke personen die de rechtspersoon vertegenwoordigde, namelijk de verdachte, heeft meegewerkt aan de oplichting en dus niet kan zijn bewogen tot afgifte van de (opties op) de erfpachtrechten. De stellers van het middel bouwen met hun klacht in feite voort op dit punt en concluderen dat het Hof van oordeel is geweest dat de verdachte zowel oplichter als degene die is bewogen tot afgifte is geweest, hetgeen onbegrijpelijk is. Deze conclusie berust echter op een verkeerde lezing van het vonnis en mist daarmee feitelijke grondslag.
Volledig
Het Hof heeft immers onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen het land Aruba heeft opgelicht en heeft in zijn bewijsoverwegingen geconcludeerd dat de verdachte en [medeverdachte 2] , “in nauwe en bewuste samenwerking, een werkwijze hebben opgezet waarbij aan het Land een valse voorstelling van zaken werd gegeven, waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten aan partijen die, anders dan werd voorgespiegeld, niet uit waren op ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de te verkrijgen optierechten, dit met het doel om er zelf beter van te worden”. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk gemeend dat andere personen die voor het Land Aruba werken, te weten medewerkers van DIP, door de verdachte en [medeverdachte 2] zijn bewogen tot afgifte van de optie- en erfpachtrechten en dat daarmee de publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba is bewogen tot afgifte. Deze benadering sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad, nu daaruit lijkt te volgen dat hoewel een rechtspersoon kan worden bewogen tot afgifte, hiervoor is vereist dat de natuurlijke personen die als organen van de rechtspersoon handelden daadwerkelijk tot afgifte zijn gedwongen. Ook het overzichtsarrest over oplichting wijst in die richting, nu de Hoge Raad daarin refereert aan de persoonlijkheid, leeftijd en verstandelijke vermogens van het slachtoffer, welke een rechtspersoon niet bezit. 2.10 Gezien het voorgaande faalt de klacht. De tweede deelklacht 2.11 De tweede klacht luidt dat het aangaan van een overeenkomst niet kan worden beschouwd als afgifte van enig goed. 2.12 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan het begrip ‘goed’ in dit verband een autonome strafrechtelijke betekenis toekomt. Ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken. 2.13 In de onderhavige zaak is onder 1 (kort gezegd) bewezenverklaard dat de verdachte het land Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen heeft bewogen tot afgifte van enig goed, te weten: i) de afgifte van Ministeriële Beschikkingen waarbij een optierecht wordt verleend en ii) het aangaan van overeenkomsten tot vestiging van erfpacht. 2.14 In zijn bewijsoverwegingen gaat het Hof ervan uit dat het Land door de verdachte tezamen en in vereniging met (in ieder geval) [medeverdachte 2] , en als gevolg van de door hen gebruikte schijnconstructies, is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten. De afgifte van optierechten is geschied door de afgifte van Ministeriële Beschikkingen. Vervolgens zijn door de verdachte, als vertegenwoordiger van het Land, met betrekking tot dezelfde percelen overeenkomsten tot vestiging van erfpachtrecht aangegaan op grond waarvan erfpachtrechten zijn verkregen. 2.15 Hoewel ik de stellers van het middel volg in hun standpunt dat ‘het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van een erfpachtrecht’ (zoals is bewezenverklaard) op zichzelf beschouwd niet kan worden aangemerkt als de afgifte van enig goed, kan dit volgens mij niet tot cassatie leiden, omdat de bewezenverklaring een kennelijke misslag bevat die door de Hoge Raad verbeterd kan worden gelezen. Ik ga ervan uit dat het Hof heeft verzuimd in de bewezenverklaring de woorden “het aangaan van” weg te strepen en heeft beoogd bewezen te verklaren dat sprake is van de afgifte van (aangegane) overeenkomsten tot vestiging van erfpacht. Daarbij heeft het Hof deze overeenkomsten terecht als ‘goed’ kunnen aanmerken. Steun voor de opvatting dat sprake is van een dergelijke misslag vind ik in het vonnis in de samenhangende zaak tegen [medeverdachte 2] , waarin de woorden “het aangaan van” in de bewezenverklaring van oplichting wél zijn weggestreept. De derde deelklacht 2.16 Deze deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van i) de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachte(n) en ii) de omstandigheid dat door [medeverdachte 3] en/of DIP niet werd onderzocht of de aanvragen voldeden aan de voorwaarden die daarvoor golden. 2.17 Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bewijsmiddelen van belang: “ 1.6 Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 22 januari 2014, overdracht aandelen in [betrokkene 6] aan verdachte [medeverdachte 2] : THE UNDERSIGNED: 1. [betrokkene 11] hereinafter referred to as the “Seller” 2. [L] ., hereinafter referred to as “Seller” AND 3. [medeverdachte 2] , born on [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] and hereinafter referred to as the "Purchaser". a) Pursuant to article incorporation of [M] VBA , the Company was incorporated on 2 May 2013 by the Sellers. b) Seller 1 is the owner and holder of 60 of the issued and outstanding shares, each at a nominal value of AWG 100,00 per share c) Seller 2 is the owner and holder of 40 of the issued and outstanding shares, each at a nominal value of AWG 100,00 per share d) Purchaser wishes to acquire 100% of the shares in the Company Company, numbered 1 up to 100 (the "Shares"); 1.1 The Sellers hereby sell the Shares to the Purchaser and the Purchaser hereby Purchases the Shares from the Sellers. 1.2 The transfer of the Shares is effected on 23 January 2014 ("the Closing Date"). Ondertekend op 22 januari 2014 door: [betrokkene 11] , [betrokkene 18] en [betrokkene 19] namens [L] en [medeverdachte 2] . (…) 1.12 Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 15 november 2014, namens [M] : [plaats] , 15 November, 2014 Aan Zijne Excellentie, Minister [verdachte] Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie Betreft: aanvraag commercieel terrein. Zijne Excellentie, Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein aan de Sazakiweg perceel nummer […] . Dit terrein is bestemd voor commerciële doeleinde gecombineerd met luxe appartementen. Te zijner tijd zal ondergetekende een gedetailleerde business plan indienen met een schetsontwerp. Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek. Met hoogachting, [dochter medeverdachte 2] Directeur [M] Ondertekend door [dochter medeverdachte 2] Met stempel: “Ing: 29 dec 2014 Verz.: 29 dec 2014 Volgnr IIR/” (met opschrift:) “4592-2014” Met opschrift: “Dir Dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” en “29-dec-2014”. Handtekening van (het Hof begrijpt: de minister ROII, [verdachte] ) [verdachte] . (…) 1.14 Geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 9] aan [medeverdachte 3] van 14 januari 2015: Aan de directie van Directie Infrastructuur en Planning t.a.v. [medeverdachte 3] MT DIP Ons kenmerk: IIR/4592-2014 [plaats] , 14 januari 2015 onderwerp: verzoek tot intrekking eerder verzonden documentatie en aanbieding uitvoering van wijziging met verzoek: intrekking van het eerder verzonden verzoek van [M] met akkoord ter uitvoering van de minister d.d. 29-12-2014, kenmerk nr. IIR/4592-2014, verzonden op 29-DEC-2014, en tevens de nieuwe brief en akkoord van de minister d.d. 14-JAN-2015 af te handelen, kenmerk nr. IIR/4592-2014. Ondertekend op 14 januari 2015 door [betrokkene 9] , Chieff of Staff van Bureau van de minister van ROII. 1.15 Geschrift, zijnde een brief van [medeverdachte 3] aan minister [verdachte] van 22 januari 2015: Met stempel: “SPOED” Met stempel: “Ing.: 23 jan 2015 Verz.: 27 jan 2015 Volgnr IIR/” (met opschrift:) “4592-2014” Aan: de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie Onderwerp: erfpachtsaanvraag t.n.v. [M] V.B.A. perceel gelegen te [locatie 2] . Datum: 22 januari, 2015 Excellentie, de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. ( [betrokkene 6] ) heeft middels een schrijven van 15 november 2014 en middels een erfpachtaanvraagformulier gedateerd 22 december 2014 een perceel domeingrond aan de [b-straat] of [locatie 3] in erfpacht aangevraagd voor commerciële doeleinden en luxe appartementen.
Volledig
Het Hof heeft immers onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen het land Aruba heeft opgelicht en heeft in zijn bewijsoverwegingen geconcludeerd dat de verdachte en [medeverdachte 2] , “in nauwe en bewuste samenwerking, een werkwijze hebben opgezet waarbij aan het Land een valse voorstelling van zaken werd gegeven, waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten aan partijen die, anders dan werd voorgespiegeld, niet uit waren op ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de te verkrijgen optierechten, dit met het doel om er zelf beter van te worden”. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk gemeend dat andere personen die voor het Land Aruba werken, te weten medewerkers van DIP, door de verdachte en [medeverdachte 2] zijn bewogen tot afgifte van de optie- en erfpachtrechten en dat daarmee de publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba is bewogen tot afgifte. Deze benadering sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad, nu daaruit lijkt te volgen dat hoewel een rechtspersoon kan worden bewogen tot afgifte, hiervoor is vereist dat de natuurlijke personen die als organen van de rechtspersoon handelden daadwerkelijk tot afgifte zijn gedwongen. Ook het overzichtsarrest over oplichting wijst in die richting, nu de Hoge Raad daarin refereert aan de persoonlijkheid, leeftijd en verstandelijke vermogens van het slachtoffer, welke een rechtspersoon niet bezit. 2.10 Gezien het voorgaande faalt de klacht. De tweede deelklacht 2.11 De tweede klacht luidt dat het aangaan van een overeenkomst niet kan worden beschouwd als afgifte van enig goed. 2.12 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan het begrip ‘goed’ in dit verband een autonome strafrechtelijke betekenis toekomt. Ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken. 2.13 In de onderhavige zaak is onder 1 (kort gezegd) bewezenverklaard dat de verdachte het land Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen heeft bewogen tot afgifte van enig goed, te weten: i) de afgifte van Ministeriële Beschikkingen waarbij een optierecht wordt verleend en ii) het aangaan van overeenkomsten tot vestiging van erfpacht. 2.14 In zijn bewijsoverwegingen gaat het Hof ervan uit dat het Land door de verdachte tezamen en in vereniging met (in ieder geval) [medeverdachte 2] , en als gevolg van de door hen gebruikte schijnconstructies, is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten. De afgifte van optierechten is geschied door de afgifte van Ministeriële Beschikkingen. Vervolgens zijn door de verdachte, als vertegenwoordiger van het Land, met betrekking tot dezelfde percelen overeenkomsten tot vestiging van erfpachtrecht aangegaan op grond waarvan erfpachtrechten zijn verkregen. 2.15 Hoewel ik de stellers van het middel volg in hun standpunt dat ‘het aangaan van een overeenkomst tot vestiging van een erfpachtrecht’ (zoals is bewezenverklaard) op zichzelf beschouwd niet kan worden aangemerkt als de afgifte van enig goed, kan dit volgens mij niet tot cassatie leiden, omdat de bewezenverklaring een kennelijke misslag bevat die door de Hoge Raad verbeterd kan worden gelezen. Ik ga ervan uit dat het Hof heeft verzuimd in de bewezenverklaring de woorden “het aangaan van” weg te strepen en heeft beoogd bewezen te verklaren dat sprake is van de afgifte van (aangegane) overeenkomsten tot vestiging van erfpacht. Daarbij heeft het Hof deze overeenkomsten terecht als ‘goed’ kunnen aanmerken. Steun voor de opvatting dat sprake is van een dergelijke misslag vind ik in het vonnis in de samenhangende zaak tegen [medeverdachte 2] , waarin de woorden “het aangaan van” in de bewezenverklaring van oplichting wél zijn weggestreept. De derde deelklacht 2.16 Deze deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van i) de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachte(n) en ii) de omstandigheid dat door [medeverdachte 3] en/of DIP niet werd onderzocht of de aanvragen voldeden aan de voorwaarden die daarvoor golden. 2.17 Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bewijsmiddelen van belang: “ 1.6 Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 22 januari 2014, overdracht aandelen in [betrokkene 6] aan verdachte [medeverdachte 2] : THE UNDERSIGNED: 1. [betrokkene 11] hereinafter referred to as the “Seller” 2. [L] ., hereinafter referred to as “Seller” AND 3. [medeverdachte 2] , born on [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] and hereinafter referred to as the "Purchaser". a) Pursuant to article incorporation of [M] VBA , the Company was incorporated on 2 May 2013 by the Sellers. b) Seller 1 is the owner and holder of 60 of the issued and outstanding shares, each at a nominal value of AWG 100,00 per share c) Seller 2 is the owner and holder of 40 of the issued and outstanding shares, each at a nominal value of AWG 100,00 per share d) Purchaser wishes to acquire 100% of the shares in the Company Company, numbered 1 up to 100 (the "Shares"); 1.1 The Sellers hereby sell the Shares to the Purchaser and the Purchaser hereby Purchases the Shares from the Sellers. 1.2 The transfer of the Shares is effected on 23 January 2014 ("the Closing Date"). Ondertekend op 22 januari 2014 door: [betrokkene 11] , [betrokkene 18] en [betrokkene 19] namens [L] en [medeverdachte 2] . (…) 1.12 Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 15 november 2014, namens [M] : [plaats] , 15 November, 2014 Aan Zijne Excellentie, Minister [verdachte] Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie Betreft: aanvraag commercieel terrein. Zijne Excellentie, Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein aan de Sazakiweg perceel nummer […] . Dit terrein is bestemd voor commerciële doeleinde gecombineerd met luxe appartementen. Te zijner tijd zal ondergetekende een gedetailleerde business plan indienen met een schetsontwerp. Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek. Met hoogachting, [dochter medeverdachte 2] Directeur [M] Ondertekend door [dochter medeverdachte 2] Met stempel: “Ing: 29 dec 2014 Verz.: 29 dec 2014 Volgnr IIR/” (met opschrift:) “4592-2014” Met opschrift: “Dir Dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” en “29-dec-2014”. Handtekening van (het Hof begrijpt: de minister ROII, [verdachte] ) [verdachte] . (…) 1.14 Geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 9] aan [medeverdachte 3] van 14 januari 2015: Aan de directie van Directie Infrastructuur en Planning t.a.v. [medeverdachte 3] MT DIP Ons kenmerk: IIR/4592-2014 [plaats] , 14 januari 2015 onderwerp: verzoek tot intrekking eerder verzonden documentatie en aanbieding uitvoering van wijziging met verzoek: intrekking van het eerder verzonden verzoek van [M] met akkoord ter uitvoering van de minister d.d. 29-12-2014, kenmerk nr. IIR/4592-2014, verzonden op 29-DEC-2014, en tevens de nieuwe brief en akkoord van de minister d.d. 14-JAN-2015 af te handelen, kenmerk nr. IIR/4592-2014. Ondertekend op 14 januari 2015 door [betrokkene 9] , Chieff of Staff van Bureau van de minister van ROII. 1.15 Geschrift, zijnde een brief van [medeverdachte 3] aan minister [verdachte] van 22 januari 2015: Met stempel: “SPOED” Met stempel: “Ing.: 23 jan 2015 Verz.: 27 jan 2015 Volgnr IIR/” (met opschrift:) “4592-2014” Aan: de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie Onderwerp: erfpachtsaanvraag t.n.v. [M] V.B.A. perceel gelegen te [locatie 2] . Datum: 22 januari, 2015 Excellentie, de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. ( [betrokkene 6] ) heeft middels een schrijven van 15 november 2014 en middels een erfpachtaanvraagformulier gedateerd 22 december 2014 een perceel domeingrond aan de [b-straat] of [locatie 3] in erfpacht aangevraagd voor commerciële doeleinden en luxe appartementen.
Volledig
U hebt mij op 29 december 2014 geïnstrueerd [betrokkene 6] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op een perceel domeingrond gelegen aan de [b-straat] , kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K nummer […] . Middels dit schrijven doe ik u een concept-optiebeschikking t.n.v. [betrokkene 6] toekomen, betreffende het perceel domeingrond kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] , gelegen aan de [b-straat] te [locatie 2] . Anders dan door [betrokkene 6] verzocht, is de bestemming tot het moge bouwen van luxe appartementen op het bewuste perceel niet overgenomen. het Managementteam van de Directie Infrastructuur en Planning Met handtekening van [medeverdachte 3] . Opschrift: “Dir dip, akkoord […] ”, met handtekening van ( het Hof begrijpt: handtekening van de minister van ROII, dhr. [verdachte] ) [verdachte] op datum 27 januari 2015 1.16 Geschrift, zijnde een Ministerie Beschikking (optiebeschikking t.b.v. [betrokkene 6] ) d.d. 27 januari 2015: Gelezen: het verzoek van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. gedateerd 22 december 2014; het schrijven d.d. 15 november 2014 met het verzoek tot het verkrijgen van een perceel domeingrond kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] . Gelet op: De instructie van de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie, gedateerd 14 januari 2015., n.a.v. het schrijven d.d. 15 november 2014 [dochter medeverdachte 2] , handelende als directeur van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A.. HEEFT BESLOTEN: Aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. het recht van optie te verlenen op een perceel domeingrond gelegen te [locatie 2] aan de [b-straat] , Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] . Ondertekend door de minister van ROII (het Hof begrijpt: [verdachte] ) op 27 januari 2015. 1.17 Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 30 januari 2015, gesloten tussen verdachte [medeverdachte 2] als seller en [N] als purchaser en [I] als agent: The undersigned, 1. [medeverdachte 2] , "Seller” AND 2. [N] N.V. represented by its director and sole shareholder [betrokkene 12] ”Purchaser" AND 2. [O] N.V. "Agent" Whereas: a. [M] VBA , is company incorporated under the laws of Aruba hereinafter referred to as the (the "Company"). b. Seller is the owner and holder of all of the issued and outstanding shares each at a nominal value of AWG 100.- per share, numbered 1 up to 100 in the capital of the Company. c. The Company had acquired the option from the government of Aruba to obtain the right of a long lease (recht van erfpacht) on the property located at Sasaki. d. Purchaser wishes to acquiere 100% of the shares in the Company, numbered 1 up to 100. e. The Seller have offered the shares in the Company to Purchases who whishes to purchase them from the Seller. 1.1 The transfer of the shares is effected on 30 January 2015. 2.2 The Purchase Price in the amount of AWG 555.000,- shall be paid by Purchaser to the Seller in the following manner: - AWG. 10.000,- by means of a deposit into the [bank 1] account in the name of the Seller - AWG. 60.000,- in cash - AWG 485.000,- by means of a deposit on the bank account number 82353301 held at [bank 2] in the name of [medeverdachte 2] IN WITNESS WHEREOF the parties hereto have executed this Agreement in three copies in Aruba on 30 January 2015 Ondertekend door [medeverdachte 2] , [betrokkene 12] en [getuige 4] . 1.18 Geschrift, zijnde een overeenkomst van erfpacht (ongedateerd) gesloten tussen het Land Aruba en [betrokkene 6] VBA: 1. De publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba, ten deze vertegenwoordigd door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie en 2. De naamloze vennootschap [M] V.B.A komen overeen: Verlening en aanvaarding van de erfpacht 1. Land Aruba zal, met inachtneming van het verder in deze Overeenkomst bepaalde, aan Contractant, die dit zal aanvaarden, een recht van erfpacht verlenen. 2. Het recht van erfpacht wordt gevestigd op een perceel domeingrond, kadastraal bekend als Land Aruba, Eerste Afdeling, Sectie K, nummer […] , te [locatie 2] . Deze overeenkomst wordt geacht te zijn ingegaan op 1 december 2016. Ondertekend door [verdachte] namens het Land en [betrokkene 12] , namens [betrokkene 6] Met name ten aanzien van [betrokkene 5] 1.19 Geschrift, zijnde een akte van oprichting van de rechtspersoon [betrokkene 5] d.d. 30 september 2015: GEEFT MET VERSCHULDIGDE EERBIED TE KENNEN: [betrokkene 14] , HET VOLGENDE Bij akte op 30 september 2015 verleden voor [notaris] , notaris te Aruba, is door [medeverdachte 2] , opgericht een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, genaamd: “ [J] VBA”. Vervolgens verklaarde de comparante: - dat bij deze voor de eerste keer tot directeur der vennootschap wordt benoemd [betrokkene 14] , klerke, - dat eenhonderd (100) aandelen zijn geplaatst en zullen worden volgestort; en - dat in het geplaatste kapitaal wordt deelgenomen door [medeverdachte 2] voornoemd voor eenhonderd (100) aandelen. (…) 1.21 Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 20 augustus 2015 namens [J] : [plaats] ,20 Augustus, 2015 Aan Zijne Excellentie Minister [verdachte] Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling,Infrastructuur en Integratie. Betreft: aanvraag commercieel terrein tegenover [K] Zijne Excellentie, Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein in de buurt van de airport tegenover [K] . Dit terrein is bestemd voor commerciele doeleinde. Te zijner tijd zal ondergetekende een gedetailleerde businessplan indienen met een schetsontwerp. Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek. Met hoogachting, [betrokkene 14] Directeur [J] Ondertekend door [betrokkene 14] . Opschrift: “Dir dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” met handtekening ( het Hof begrijpt: minister van ROII, [verdachte] ” ) en datum 14 augustus 2015 Stempel van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie: Ing.: 7 AUG 2015 Verz.: 14 AUG 2015 Stempel van Dir. Infrastruct. & Planning Datum Ingek. AUG 18 2015 1.22 Geschrift, zijnde een brief van [medeverdachte 3] aan minister [verdachte] d.d. 30 oktober 2015: Team/Unit: MT/FFA Excellentie, middels deze doe ik u een concept-optiebeschikking ten name van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A. ( [betrokkene 5] ) voor het nodige toekomen. [J] V.BA heeft middels een schrijven van 20 augustus 2015 een perceel domeingrond in erfpacht aangevraagd voor de bouw van een commercieel project. In een gesprek met [betrokkene 14] is het verzoek nader gespecificeerd waarbij is gebleken dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten. U hebt ook in uw instructies ter zake twee percelen aangegeven welke in optie kan worden verleend. De betreffende percelen zijn kadastraal bekend als Land Aruba Sectie T nummer […] en […] . Indien u zich kunt verenigen met de bijgevoegde concept-beschikking, ware deze te formaliseren en aan mij voor de verdere afhandeling te doen toekomen. Ondertekend door (Het Hof begrijpt: [medeverdachte 3] , mede gelet op de vermelding in de brief van MT/FFA) [medeverdachte 3] . Opschrift: “Dir DIP, akkoord […] .” met handtekening van ( het Hof begrijpt minister van ROII: [verdachte] ) [verdachte] met datum 30 oktober 2015. Stempel: “SPOED” 1.23 Geschrift, zijnde een Ministeriële Beschikking van 30 oktober 2015, inhoudende een optiebeschikking ten behoeve van [betrokkene 5] VBA: MINISTERIELE BESCHIKKING VAN DE MINISTER VAN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, INFRASTRUCTUUR EN INTEGRATIE Gelezen: het schrijven d.d. 20 augustus 2015 van [betrokkene 14] , handelende namens de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A. HEEFT BESLOTEN: Aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A. het recht van optie te verlenen op twee percelen domeingrond ter hoogte van [locatie 1] , kadastraal bekend als Land Aruba, Eerste Afdeling, Sectie T nummer […] en […] . 1.
Volledig
U hebt mij op 29 december 2014 geïnstrueerd [betrokkene 6] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op een perceel domeingrond gelegen aan de [b-straat] , kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K nummer […] . Middels dit schrijven doe ik u een concept-optiebeschikking t.n.v. [betrokkene 6] toekomen, betreffende het perceel domeingrond kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] , gelegen aan de [b-straat] te [locatie 2] . Anders dan door [betrokkene 6] verzocht, is de bestemming tot het moge bouwen van luxe appartementen op het bewuste perceel niet overgenomen. het Managementteam van de Directie Infrastructuur en Planning Met handtekening van [medeverdachte 3] . Opschrift: “Dir dip, akkoord […] ”, met handtekening van ( het Hof begrijpt: handtekening van de minister van ROII, dhr. [verdachte] ) [verdachte] op datum 27 januari 2015 1.16 Geschrift, zijnde een Ministerie Beschikking (optiebeschikking t.b.v. [betrokkene 6] ) d.d. 27 januari 2015: Gelezen: het verzoek van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. gedateerd 22 december 2014; het schrijven d.d. 15 november 2014 met het verzoek tot het verkrijgen van een perceel domeingrond kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] . Gelet op: De instructie van de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie, gedateerd 14 januari 2015., n.a.v. het schrijven d.d. 15 november 2014 [dochter medeverdachte 2] , handelende als directeur van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A.. HEEFT BESLOTEN: Aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] V.B.A. het recht van optie te verlenen op een perceel domeingrond gelegen te [locatie 2] aan de [b-straat] , Aruba Eerste Afdeling Sectie K genummerd […] . Ondertekend door de minister van ROII (het Hof begrijpt: [verdachte] ) op 27 januari 2015. 1.17 Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 30 januari 2015, gesloten tussen verdachte [medeverdachte 2] als seller en [N] als purchaser en [I] als agent: The undersigned, 1. [medeverdachte 2] , "Seller” AND 2. [N] N.V. represented by its director and sole shareholder [betrokkene 12] ”Purchaser" AND 2. [O] N.V. "Agent" Whereas: a. [M] VBA , is company incorporated under the laws of Aruba hereinafter referred to as the (the "Company"). b. Seller is the owner and holder of all of the issued and outstanding shares each at a nominal value of AWG 100.- per share, numbered 1 up to 100 in the capital of the Company. c. The Company had acquired the option from the government of Aruba to obtain the right of a long lease (recht van erfpacht) on the property located at Sasaki. d. Purchaser wishes to acquiere 100% of the shares in the Company, numbered 1 up to 100. e. The Seller have offered the shares in the Company to Purchases who whishes to purchase them from the Seller. 1.1 The transfer of the shares is effected on 30 January 2015. 2.2 The Purchase Price in the amount of AWG 555.000,- shall be paid by Purchaser to the Seller in the following manner: - AWG. 10.000,- by means of a deposit into the [bank 1] account in the name of the Seller - AWG. 60.000,- in cash - AWG 485.000,- by means of a deposit on the bank account number 82353301 held at [bank 2] in the name of [medeverdachte 2] IN WITNESS WHEREOF the parties hereto have executed this Agreement in three copies in Aruba on 30 January 2015 Ondertekend door [medeverdachte 2] , [betrokkene 12] en [getuige 4] . 1.18 Geschrift, zijnde een overeenkomst van erfpacht (ongedateerd) gesloten tussen het Land Aruba en [betrokkene 6] VBA: 1. De publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba, ten deze vertegenwoordigd door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie en 2. De naamloze vennootschap [M] V.B.A komen overeen: Verlening en aanvaarding van de erfpacht 1. Land Aruba zal, met inachtneming van het verder in deze Overeenkomst bepaalde, aan Contractant, die dit zal aanvaarden, een recht van erfpacht verlenen. 2. Het recht van erfpacht wordt gevestigd op een perceel domeingrond, kadastraal bekend als Land Aruba, Eerste Afdeling, Sectie K, nummer […] , te [locatie 2] . Deze overeenkomst wordt geacht te zijn ingegaan op 1 december 2016. Ondertekend door [verdachte] namens het Land en [betrokkene 12] , namens [betrokkene 6] Met name ten aanzien van [betrokkene 5] 1.19 Geschrift, zijnde een akte van oprichting van de rechtspersoon [betrokkene 5] d.d. 30 september 2015: GEEFT MET VERSCHULDIGDE EERBIED TE KENNEN: [betrokkene 14] , HET VOLGENDE Bij akte op 30 september 2015 verleden voor [notaris] , notaris te Aruba, is door [medeverdachte 2] , opgericht een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, genaamd: “ [J] VBA”. Vervolgens verklaarde de comparante: - dat bij deze voor de eerste keer tot directeur der vennootschap wordt benoemd [betrokkene 14] , klerke, - dat eenhonderd (100) aandelen zijn geplaatst en zullen worden volgestort; en - dat in het geplaatste kapitaal wordt deelgenomen door [medeverdachte 2] voornoemd voor eenhonderd (100) aandelen. (…) 1.21 Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 20 augustus 2015 namens [J] : [plaats] ,20 Augustus, 2015 Aan Zijne Excellentie Minister [verdachte] Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling,Infrastructuur en Integratie. Betreft: aanvraag commercieel terrein tegenover [K] Zijne Excellentie, Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein in de buurt van de airport tegenover [K] . Dit terrein is bestemd voor commerciele doeleinde. Te zijner tijd zal ondergetekende een gedetailleerde businessplan indienen met een schetsontwerp. Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek. Met hoogachting, [betrokkene 14] Directeur [J] Ondertekend door [betrokkene 14] . Opschrift: “Dir dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” met handtekening ( het Hof begrijpt: minister van ROII, [verdachte] ” ) en datum 14 augustus 2015 Stempel van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie: Ing.: 7 AUG 2015 Verz.: 14 AUG 2015 Stempel van Dir. Infrastruct. & Planning Datum Ingek. AUG 18 2015 1.22 Geschrift, zijnde een brief van [medeverdachte 3] aan minister [verdachte] d.d. 30 oktober 2015: Team/Unit: MT/FFA Excellentie, middels deze doe ik u een concept-optiebeschikking ten name van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A. ( [betrokkene 5] ) voor het nodige toekomen. [J] V.BA heeft middels een schrijven van 20 augustus 2015 een perceel domeingrond in erfpacht aangevraagd voor de bouw van een commercieel project. In een gesprek met [betrokkene 14] is het verzoek nader gespecificeerd waarbij is gebleken dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten. U hebt ook in uw instructies ter zake twee percelen aangegeven welke in optie kan worden verleend. De betreffende percelen zijn kadastraal bekend als Land Aruba Sectie T nummer […] en […] . Indien u zich kunt verenigen met de bijgevoegde concept-beschikking, ware deze te formaliseren en aan mij voor de verdere afhandeling te doen toekomen. Ondertekend door (Het Hof begrijpt: [medeverdachte 3] , mede gelet op de vermelding in de brief van MT/FFA) [medeverdachte 3] . Opschrift: “Dir DIP, akkoord […] .” met handtekening van ( het Hof begrijpt minister van ROII: [verdachte] ) [verdachte] met datum 30 oktober 2015. Stempel: “SPOED” 1.23 Geschrift, zijnde een Ministeriële Beschikking van 30 oktober 2015, inhoudende een optiebeschikking ten behoeve van [betrokkene 5] VBA: MINISTERIELE BESCHIKKING VAN DE MINISTER VAN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, INFRASTRUCTUUR EN INTEGRATIE Gelezen: het schrijven d.d. 20 augustus 2015 van [betrokkene 14] , handelende namens de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A. HEEFT BESLOTEN: Aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [J] V.B.A. het recht van optie te verlenen op twee percelen domeingrond ter hoogte van [locatie 1] , kadastraal bekend als Land Aruba, Eerste Afdeling, Sectie T nummer […] en […] . 1.
Volledig
Het recht van optie wordt verleend tot het verkrijgen van het recht van erfpacht op vermelde percelen domeingrond met het doel het bouwen en hebben van appartementengebouw annex winkels. 3.Voor het hebben van het recht van optie is een bedrag van Afl. 1.082 verschuldigd, te voldoen binnen één maand na dagtekening van de beschikking. Ondertekend op 30 oktober 2015 door ( het Hof begrijpt: minister van ROII, [verdachte] ” ) [verdachte] . 1.24 Geschrift, zijnde een share purchase agreement d.d. 11 november 2015 betreffende de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] VBA, gesloten tussen [medeverdachte 2] (verkoper) en [betrokkene 15] (koper): SHARE PURCHASE AGREEMENT The undersigned, 1. [medeverdachte 2] , hereinafter referred to as "Seller"; and 1. [betrokkene 15] , hereinafter referred to as the "Purchaser". WHEREAS: a. [J] (the "Company); b. Seller is the owner and holder of the issued and outstanding shares, numbered 1 up to Including 100 in the capital of the Company, each at a nominal value of AWG 1,00 share ("Shares"). The Shares, represent 100% of the issued outstanding shares in the Company; c. The Company has acquired the option from the government of Aruba to obtain the right of a long lease (recht van erfpacht) on the property located at [locatie 1] (the "option") d. The Seller wishes to sell and transfer the Shares to the Purchaser and the Purchaser wishes to purchase and to accept ownership of the Shares. Artikel 2 Purchase Price commission and mannser of payment 2.1 The purchase price for the Shares, which constitutes 100% of the shares in the Company, shall be a sum of AWG 356.000,00 ("the Purchase Price"). 2.2 The Purchase Price shall be paid to the Seller by means of transfer to the following account (the "Account") (except for the payment of AWG 84.000,00 (US$ 47,191,00) mentioned at 2.4,1); Bank: [bank 3] Beneficiary: [medeverdachte 2] Account no.: [rekeningnummer 1] 2.3 Of the Purchase Price AWG 71.200,00 (US$ 40.000,00) shall be on the Account mentioned in article 2.2 upon execution of this agreement ('Purchase Price A”). Purchase Price A shall be made available to the Seller upon the execution here of and once the transfer has been perfected in accordance to article 9 of this agreement. Upon payment of Purchase Price A, 100% of the shares will be transferred to the Purchaser. 2.4.1 The remainder of the Purchase Price AWG 284.800,00 (US$ 160,000,00) ("the Purchase Price B") shall be partly paid on the account of the Seller mentioned in article 2.2. hereabove being AWG 200.800,00 (US$ 112.809,00) and the other part being AWG 84.000,00 (US$ 47,191,00) on the bankaccount of [I] when the Company obtains the right of long lease (recht van erfpacht) on the property located at [locatie 1] . 3.2 The Seller will make every effort through her contacts with the government and/or the Minister Involved to assist and collaborate with obtaining the necessary permits such as the building permit and (if necessary) an extension of the option right. 9. Effective date of the Transfer of the Shares The transfer of the Shares will be effective as of the date of acknowledgement by the Company. Ondertekend op 11 november 2015 door “seller” [medeverdachte 2] , title: sole shareholder en “purchaser” [betrokkene 15] . Bijlage: de ministeriële beschikking van 30 oktober 2015, ondertekend door ( het Hof begrijpt: minister van ROII, verdachte [verdachte] ” ) [verdachte] . (…) 4 Verklaringen getuigen 4.1 Proces-verbaal 1ste verhoor [getuige 1] : A: Ik ben bij de DIP begonnen in 2001 als beleidsadviseur. V: Waarom bent u bij de DIP vertrokken? A: Ik heb met verschillende ministers gewerkt, ik weet hoe zij denken en wat zij proberen te doen. Met minister [verdachte] had ik het gevoel dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. Door de jaren heen zag ik telkens dat we echter alleen zijn mensen moesten helpen. Ik was vanaf 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen. Op een gegeven moment heb ik aangegeven dat ik niet kon werken op de manier dat [medeverdachte 3] wilde. Op een gegeven moment kreeg ik het gevoel dat het niet goed ging. Ik ben toen gaan klagen. Ik moest bijvoorbeeld ook een advies schrijven terwijl ik de stukken niet had ingezien. Ik kreeg toen geen projecten meer en werd in de hoek gezet. Als ik weigerde een positief advies uit te geven, kon [medeverdachte 3] dit zelf ook doen, want hij wist ook hoe het moest. [medeverdachte 3] zei mij dan, stuur mij alle stukken en dan zou hij het zelf wel doen. In het algemeen stelde [medeverdachte 3] dan een positief advies op als ik het niet wilde doen. Hij was de enige persoon die dit kon doen, naast mij. Ik heb nooit positieve adviezen opgesteld als de zaken niet klopten, maar [medeverdachte 3] wel. Soms zag ik ook adviezen die alleen [medeverdachte 3] tekende, dat snapte ik dan niet. De adviezen moesten eigenlijk getekend worden door het gehele managementteam. Soms vroeg ik bijvoorbeeld ook aan [betrokkene 20] over een zaak en dan zei zij dat zij er niets vanaf wist en dat ik [medeverdachte 3] moest vragen. [medeverdachte 3] werkte dus ook soms apart van het managementteam. O: Aan de getuige werd een brochure van de DIP getoond (D-325), voor de uitgifte van een optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden. V: Wat kunt u hierover vertellen? A: Dit is een korte versie van het beleid dat gold toen ik bij de DIP werkte. De aanvrager moet die zeven genoemde punten indienen. We kijken dan of het past binnen het overheidsbeleid en binnen het ROP qua locatie. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpachten moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering zou krijgen. We wilden grondspeculatie voorkomen, daarom had ik dit beleid ook opgesteld. V: Hoe was de relatie tussen [medeverdachte 3] en minister [verdachte] ? A: [medeverdachte 3] bepaalde alles binnen het DIP gebeurde. Ik weet wel dat zij een goede afstemming hadden. Ik kan bijvoorbeeld de conclusie trekken over snelheid van de toestemming van de minister. Normaal gesproken, bij een positief advies, duurde het minimaal een week om de toestemming van de minister te krijgen. Bij [medeverdachte 3] gebeurde dit echter nog op dezelfde dag soms binnen een paar uur. Daarvoor moest [medeverdachte 3] wel close zijn met de minister en weten hoe zijn schema was, want ministers zijn erg druk. 4.2 Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 1] : V: In hoeverre waren er vergaderingen omtrent aanvragen of projecten met betrekking tot commerciële terreinen tussen de DIP en [verdachte] ? A: Er waren vergaderingen, maar ik als teamcoördinator was daar niet bij, Er waren vergaderingen tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] . [medeverdachte 3] was een liaison tussen het bureau van de minister en de DIP. [medeverdachte 3] was heer en meester bij de DIP, alles moest via hem. Af en toe waren er ook vergaderingen tussen de minister en het managementteam, maar meestal alleen met [medeverdachte 3] . Deze vergaderingen vonden plaats op het bureau van de minister. Het duurt normaal gesproken lang om het akkoord van de minister te krijgen. Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen. Maar een minister is erg druk, dus je hebt niet zomaar een afspraak met de minister. Soms schreef [verdachte] echter aan het DIP "gaarne advies", dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Hierop staat echter al dat de minister akkoord geeft, dus hij wilde hier geen advies over. 4.3 Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] : De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. Als er niet “akkoord conform” zou staan zouden we negatief adviseren gezien het gebrek aan informatie. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst.
Volledig
Het recht van optie wordt verleend tot het verkrijgen van het recht van erfpacht op vermelde percelen domeingrond met het doel het bouwen en hebben van appartementengebouw annex winkels. 3.Voor het hebben van het recht van optie is een bedrag van Afl. 1.082 verschuldigd, te voldoen binnen één maand na dagtekening van de beschikking. Ondertekend op 30 oktober 2015 door ( het Hof begrijpt: minister van ROII, [verdachte] ” ) [verdachte] . 1.24 Geschrift, zijnde een share purchase agreement d.d. 11 november 2015 betreffende de verkoop van de aandelen in [betrokkene 5] VBA, gesloten tussen [medeverdachte 2] (verkoper) en [betrokkene 15] (koper): SHARE PURCHASE AGREEMENT The undersigned, 1. [medeverdachte 2] , hereinafter referred to as "Seller"; and 1. [betrokkene 15] , hereinafter referred to as the "Purchaser". WHEREAS: a. [J] (the "Company); b. Seller is the owner and holder of the issued and outstanding shares, numbered 1 up to Including 100 in the capital of the Company, each at a nominal value of AWG 1,00 share ("Shares"). The Shares, represent 100% of the issued outstanding shares in the Company; c. The Company has acquired the option from the government of Aruba to obtain the right of a long lease (recht van erfpacht) on the property located at [locatie 1] (the "option") d. The Seller wishes to sell and transfer the Shares to the Purchaser and the Purchaser wishes to purchase and to accept ownership of the Shares. Artikel 2 Purchase Price commission and mannser of payment 2.1 The purchase price for the Shares, which constitutes 100% of the shares in the Company, shall be a sum of AWG 356.000,00 ("the Purchase Price"). 2.2 The Purchase Price shall be paid to the Seller by means of transfer to the following account (the "Account") (except for the payment of AWG 84.000,00 (US$ 47,191,00) mentioned at 2.4,1); Bank: [bank 3] Beneficiary: [medeverdachte 2] Account no.: [rekeningnummer 1] 2.3 Of the Purchase Price AWG 71.200,00 (US$ 40.000,00) shall be on the Account mentioned in article 2.2 upon execution of this agreement ('Purchase Price A”). Purchase Price A shall be made available to the Seller upon the execution here of and once the transfer has been perfected in accordance to article 9 of this agreement. Upon payment of Purchase Price A, 100% of the shares will be transferred to the Purchaser. 2.4.1 The remainder of the Purchase Price AWG 284.800,00 (US$ 160,000,00) ("the Purchase Price B") shall be partly paid on the account of the Seller mentioned in article 2.2. hereabove being AWG 200.800,00 (US$ 112.809,00) and the other part being AWG 84.000,00 (US$ 47,191,00) on the bankaccount of [I] when the Company obtains the right of long lease (recht van erfpacht) on the property located at [locatie 1] . 3.2 The Seller will make every effort through her contacts with the government and/or the Minister Involved to assist and collaborate with obtaining the necessary permits such as the building permit and (if necessary) an extension of the option right. 9. Effective date of the Transfer of the Shares The transfer of the Shares will be effective as of the date of acknowledgement by the Company. Ondertekend op 11 november 2015 door “seller” [medeverdachte 2] , title: sole shareholder en “purchaser” [betrokkene 15] . Bijlage: de ministeriële beschikking van 30 oktober 2015, ondertekend door ( het Hof begrijpt: minister van ROII, verdachte [verdachte] ” ) [verdachte] . (…) 4 Verklaringen getuigen 4.1 Proces-verbaal 1ste verhoor [getuige 1] : A: Ik ben bij de DIP begonnen in 2001 als beleidsadviseur. V: Waarom bent u bij de DIP vertrokken? A: Ik heb met verschillende ministers gewerkt, ik weet hoe zij denken en wat zij proberen te doen. Met minister [verdachte] had ik het gevoel dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. Door de jaren heen zag ik telkens dat we echter alleen zijn mensen moesten helpen. Ik was vanaf 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen. Op een gegeven moment heb ik aangegeven dat ik niet kon werken op de manier dat [medeverdachte 3] wilde. Op een gegeven moment kreeg ik het gevoel dat het niet goed ging. Ik ben toen gaan klagen. Ik moest bijvoorbeeld ook een advies schrijven terwijl ik de stukken niet had ingezien. Ik kreeg toen geen projecten meer en werd in de hoek gezet. Als ik weigerde een positief advies uit te geven, kon [medeverdachte 3] dit zelf ook doen, want hij wist ook hoe het moest. [medeverdachte 3] zei mij dan, stuur mij alle stukken en dan zou hij het zelf wel doen. In het algemeen stelde [medeverdachte 3] dan een positief advies op als ik het niet wilde doen. Hij was de enige persoon die dit kon doen, naast mij. Ik heb nooit positieve adviezen opgesteld als de zaken niet klopten, maar [medeverdachte 3] wel. Soms zag ik ook adviezen die alleen [medeverdachte 3] tekende, dat snapte ik dan niet. De adviezen moesten eigenlijk getekend worden door het gehele managementteam. Soms vroeg ik bijvoorbeeld ook aan [betrokkene 20] over een zaak en dan zei zij dat zij er niets vanaf wist en dat ik [medeverdachte 3] moest vragen. [medeverdachte 3] werkte dus ook soms apart van het managementteam. O: Aan de getuige werd een brochure van de DIP getoond (D-325), voor de uitgifte van een optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden. V: Wat kunt u hierover vertellen? A: Dit is een korte versie van het beleid dat gold toen ik bij de DIP werkte. De aanvrager moet die zeven genoemde punten indienen. We kijken dan of het past binnen het overheidsbeleid en binnen het ROP qua locatie. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpachten moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering zou krijgen. We wilden grondspeculatie voorkomen, daarom had ik dit beleid ook opgesteld. V: Hoe was de relatie tussen [medeverdachte 3] en minister [verdachte] ? A: [medeverdachte 3] bepaalde alles binnen het DIP gebeurde. Ik weet wel dat zij een goede afstemming hadden. Ik kan bijvoorbeeld de conclusie trekken over snelheid van de toestemming van de minister. Normaal gesproken, bij een positief advies, duurde het minimaal een week om de toestemming van de minister te krijgen. Bij [medeverdachte 3] gebeurde dit echter nog op dezelfde dag soms binnen een paar uur. Daarvoor moest [medeverdachte 3] wel close zijn met de minister en weten hoe zijn schema was, want ministers zijn erg druk. 4.2 Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 1] : V: In hoeverre waren er vergaderingen omtrent aanvragen of projecten met betrekking tot commerciële terreinen tussen de DIP en [verdachte] ? A: Er waren vergaderingen, maar ik als teamcoördinator was daar niet bij, Er waren vergaderingen tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] . [medeverdachte 3] was een liaison tussen het bureau van de minister en de DIP. [medeverdachte 3] was heer en meester bij de DIP, alles moest via hem. Af en toe waren er ook vergaderingen tussen de minister en het managementteam, maar meestal alleen met [medeverdachte 3] . Deze vergaderingen vonden plaats op het bureau van de minister. Het duurt normaal gesproken lang om het akkoord van de minister te krijgen. Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen. Maar een minister is erg druk, dus je hebt niet zomaar een afspraak met de minister. Soms schreef [verdachte] echter aan het DIP "gaarne advies", dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Hierop staat echter al dat de minister akkoord geeft, dus hij wilde hier geen advies over. 4.3 Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] : De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. Als er niet “akkoord conform” zou staan zouden we negatief adviseren gezien het gebrek aan informatie. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst.
Volledig
V: Zijn er voorwaarden verbonden om een positief advies/Ministeriele Beschikking met karakter van 'SPOED' te kunnen uitgegeven? A: Op zich niet, maar als we wisten dat de minister het op dat moment wou doet onze administratie de stempel van SPOED erop. Maar nogmaals, snel voor ons is een week. Dezelfde dag is ook met SPOED niet normaal. V: Dus zo'n SPOED stempel komt op instructie van de minister? A: Ja hij is de enige die dat aan ons kon vragen. (…) 4.6 Proces-verbaal 1ste verhoor getuige [betrokkene 8] : Op 1 december 2018 ben ik directeur geworden bij de DIP. Ik wil het over commerciële erfpacht hebben. Toen ik binnen kwam bij de DIP in 2018 ben ik gaan inventariseren. Ik kreeg een lijst met gevallen waarmee wij bezig zijn om terreinen in te trekken. Ik vroeg mij af waarom men terreinen wilde intrekken. Men vertelde mij dat veel van de terreinen niet op de juiste wijze waren gegeven aan personen. De terreinen waren leeg en er werd niet gebouwd. Dat heet 'het speculeren van terreinen'. Men wil het hebben om door te verkopen. Bij de DIP vertelden ze mij dus dat het plat was en de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie ze het wilden geven. Het ging allemaal om geld. Opvallend is dat er steeds bepaalde namen terugkomen. Dan heb ik het over de familie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Vroeger kon je een briefje sturen naar de minister. Op diezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. In het verleden werd niet aan de optievoorwaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen. O: In een folder van het DIP met de naam 'optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden' staat het volgende over de optieverlening: Verzoeker dient allereerst een verzoek te richten aan de minister van Onderwijs, Sociale zaken en Infrastructuur door tussenkomst van de directeur van de Directie Infrastructuur en Planning ter verkrijging van het recht van erfpacht. V: Kunt u eens uitleggen wat hiermee bedoeld wordt en hoe dit gaat? A: Klopt. Het verzoek, de aanvraagbrief, voor een terrein moet naar de minister van Infrastructuur. De directeur van de DIP krijgt ook de aanvraagbrief. Met tussenkomst bedoelen ze dat als ik (het Hof begrijpt: als directeur van de DIP) een aanvrager gesproken heb, ik diegene doorverwijs naar de minister. Zodat diegene daar zijn aanvraagbrief inlevert. Wat ze er ook mee bedoelen is dat de minister mijn advies vraagt. De aanvraag wordt ook bij de DIP geregistreerd. Dat is de reguliere procedure. Bij de vorige minister (het Hof begrijpt: [verdachte] ) werd er direct een akkoord gegeven. Dat is wat ik gezien heb op brieven. Er werd geen advies gevraagd. Dat kan niet. Tenminste, niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur. 4.7 Proces-verbaal 2e verhoor getuige [betrokkene 8] : Het valt mij op dat op dit formulier door de minister handgeschreven staat dat hij akkoord is. De minister weet niet of alles is ingeleverd, want hij krijgt alleen het aanvraagformulier. Normaal zou je zeggen "gaarne advies", want je weet nog niet of alles klopt wat wordt of is aangeleverd en of het wel klopt met het ROP. Hij kon niet akkoord geven want hij wist de details niet. Er had moeten staan, gaarne advies. (…) 4.21 Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 4] : V: Wie had u gecontacteerd/benaderd om als consultant/agent te fungeren voor [medeverdachte 2] ? A: [medeverdachte 2] zelf. Zij zei tegen mij dat zij een terrein te [locatie 1] had dat zij wilde verkopen. V: Wanneer precies begon u met [betrokkene 15] en/of [betrokkene 16] te onderhandelen voor de verkoop van de aandelen van [medeverdachte 2] in [betrokkene 5] ? A: Al vóór juni 2015 was ik hiermee begonnen. V: Vraag aan u of u hierop blijft volharden dat u al in juni 2015 opzoek ging naar een koper. A: Ik kan me herinneren dat ik door [medeverdachte 2] al in juni/juli 2015 werd benaderd en zij tegen mij zei dat zij een optie op een terrein had. Zij zei tegen mij dat dit terrein te [locatie 1] ligt. (…) 4.24 Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] : In de MB staat appartementencomplex met winkels maar in de brief van de architect wordt gesproken over een carwash. Dat is niet de bestemming waarvoor de optie is uitgegeven. Dat zou een probleem zijn. Een carwash is geen appartementencomplex en de bestemming is heel belangrijk. De bouwtekening moet dus gaan om een appartementencomplex met winkels. Dit zou niet worden goedgekeurd. Het bedrijf heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden omdat de bestemming niet klopt. (…) 5 Verklaringen van (mede)verdachten (…) 5.5 Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [medeverdachte 3] : A: Ik ben gaan werken als lid van het managementteam van de DIP. Ik weet niet meer precies wanneer dit was, misschien in 2012. Ik had wekelijks contact met [verdachte] , indien dit nodig was, over commerciële erfpachtterreinen. Ik schreef hier documenten over die [verdachte] ontving, en we hadden ook persoonlijk contact hierover. Als de aanvraag bij de DIP kwam, moest gekeken worden of er een terrein beschikbaar was. Er lagen echter veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank. V: Dus er was een achterstand bij de erfpachtuitgifte voor commerciële terreinen? A: Ja. V: Was er een bepaalde procedure voor het oppakken van deze verzoeken, bijvoorbeeld first in en first out? A: Nee, voor de overheid was het van belang dat de private sector projecten ging uitvoeren. O: Op dit formulier staat dat naast dit formulier ook een verzoekschrift aan de minister moet worden gericht, door tussenkomst van de DIP, waarin verschillende gegevens dienen te worden aangeleverd, zoals de wijze van financiering. V: Is dit aangeleverd in het geval van [betrokkene 21] ? A: Nee. Als de minister zijn akkoord heeft gegeven, zoals is gebeurd zoals u ziet op D-330 (Het Hof begrijpt: Het aanvraagformulier bij de DIP van [betrokkene 21] d.d. 10 december 2014), dan wordt de aanvraag gewoon in behandeling genomen. Na de optie dient de aanvrager namelijk ook al aan al deze voorwaarden te voldoen, dus dan komt dat gewoon later. Deze vereisten staan hier alleen op om alleen serieuze aanvragen te ontvangen. O: Minister [verdachte] accordeerde de brief met de volgende handgeschre
Volledig
V: Zijn er voorwaarden verbonden om een positief advies/Ministeriele Beschikking met karakter van 'SPOED' te kunnen uitgegeven? A: Op zich niet, maar als we wisten dat de minister het op dat moment wou doet onze administratie de stempel van SPOED erop. Maar nogmaals, snel voor ons is een week. Dezelfde dag is ook met SPOED niet normaal. V: Dus zo'n SPOED stempel komt op instructie van de minister? A: Ja hij is de enige die dat aan ons kon vragen. (…) 4.6 Proces-verbaal 1ste verhoor getuige [betrokkene 8] : Op 1 december 2018 ben ik directeur geworden bij de DIP. Ik wil het over commerciële erfpacht hebben. Toen ik binnen kwam bij de DIP in 2018 ben ik gaan inventariseren. Ik kreeg een lijst met gevallen waarmee wij bezig zijn om terreinen in te trekken. Ik vroeg mij af waarom men terreinen wilde intrekken. Men vertelde mij dat veel van de terreinen niet op de juiste wijze waren gegeven aan personen. De terreinen waren leeg en er werd niet gebouwd. Dat heet 'het speculeren van terreinen'. Men wil het hebben om door te verkopen. Bij de DIP vertelden ze mij dus dat het plat was en de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie ze het wilden geven. Het ging allemaal om geld. Opvallend is dat er steeds bepaalde namen terugkomen. Dan heb ik het over de familie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Vroeger kon je een briefje sturen naar de minister. Op diezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. In het verleden werd niet aan de optievoorwaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen. O: In een folder van het DIP met de naam 'optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden' staat het volgende over de optieverlening: Verzoeker dient allereerst een verzoek te richten aan de minister van Onderwijs, Sociale zaken en Infrastructuur door tussenkomst van de directeur van de Directie Infrastructuur en Planning ter verkrijging van het recht van erfpacht. V: Kunt u eens uitleggen wat hiermee bedoeld wordt en hoe dit gaat? A: Klopt. Het verzoek, de aanvraagbrief, voor een terrein moet naar de minister van Infrastructuur. De directeur van de DIP krijgt ook de aanvraagbrief. Met tussenkomst bedoelen ze dat als ik (het Hof begrijpt: als directeur van de DIP) een aanvrager gesproken heb, ik diegene doorverwijs naar de minister. Zodat diegene daar zijn aanvraagbrief inlevert. Wat ze er ook mee bedoelen is dat de minister mijn advies vraagt. De aanvraag wordt ook bij de DIP geregistreerd. Dat is de reguliere procedure. Bij de vorige minister (het Hof begrijpt: [verdachte] ) werd er direct een akkoord gegeven. Dat is wat ik gezien heb op brieven. Er werd geen advies gevraagd. Dat kan niet. Tenminste, niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur. 4.7 Proces-verbaal 2e verhoor getuige [betrokkene 8] : Het valt mij op dat op dit formulier door de minister handgeschreven staat dat hij akkoord is. De minister weet niet of alles is ingeleverd, want hij krijgt alleen het aanvraagformulier. Normaal zou je zeggen "gaarne advies", want je weet nog niet of alles klopt wat wordt of is aangeleverd en of het wel klopt met het ROP. Hij kon niet akkoord geven want hij wist de details niet. Er had moeten staan, gaarne advies. (…) 4.21 Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 4] : V: Wie had u gecontacteerd/benaderd om als consultant/agent te fungeren voor [medeverdachte 2] ? A: [medeverdachte 2] zelf. Zij zei tegen mij dat zij een terrein te [locatie 1] had dat zij wilde verkopen. V: Wanneer precies begon u met [betrokkene 15] en/of [betrokkene 16] te onderhandelen voor de verkoop van de aandelen van [medeverdachte 2] in [betrokkene 5] ? A: Al vóór juni 2015 was ik hiermee begonnen. V: Vraag aan u of u hierop blijft volharden dat u al in juni 2015 opzoek ging naar een koper. A: Ik kan me herinneren dat ik door [medeverdachte 2] al in juni/juli 2015 werd benaderd en zij tegen mij zei dat zij een optie op een terrein had. Zij zei tegen mij dat dit terrein te [locatie 1] ligt. (…) 4.24 Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] : In de MB staat appartementencomplex met winkels maar in de brief van de architect wordt gesproken over een carwash. Dat is niet de bestemming waarvoor de optie is uitgegeven. Dat zou een probleem zijn. Een carwash is geen appartementencomplex en de bestemming is heel belangrijk. De bouwtekening moet dus gaan om een appartementencomplex met winkels. Dit zou niet worden goedgekeurd. Het bedrijf heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden omdat de bestemming niet klopt. (…) 5 Verklaringen van (mede)verdachten (…) 5.5 Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [medeverdachte 3] : A: Ik ben gaan werken als lid van het managementteam van de DIP. Ik weet niet meer precies wanneer dit was, misschien in 2012. Ik had wekelijks contact met [verdachte] , indien dit nodig was, over commerciële erfpachtterreinen. Ik schreef hier documenten over die [verdachte] ontving, en we hadden ook persoonlijk contact hierover. Als de aanvraag bij de DIP kwam, moest gekeken worden of er een terrein beschikbaar was. Er lagen echter veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank. V: Dus er was een achterstand bij de erfpachtuitgifte voor commerciële terreinen? A: Ja. V: Was er een bepaalde procedure voor het oppakken van deze verzoeken, bijvoorbeeld first in en first out? A: Nee, voor de overheid was het van belang dat de private sector projecten ging uitvoeren. O: Op dit formulier staat dat naast dit formulier ook een verzoekschrift aan de minister moet worden gericht, door tussenkomst van de DIP, waarin verschillende gegevens dienen te worden aangeleverd, zoals de wijze van financiering. V: Is dit aangeleverd in het geval van [betrokkene 21] ? A: Nee. Als de minister zijn akkoord heeft gegeven, zoals is gebeurd zoals u ziet op D-330 (Het Hof begrijpt: Het aanvraagformulier bij de DIP van [betrokkene 21] d.d. 10 december 2014), dan wordt de aanvraag gewoon in behandeling genomen. Na de optie dient de aanvrager namelijk ook al aan al deze voorwaarden te voldoen, dus dan komt dat gewoon later. Deze vereisten staan hier alleen op om alleen serieuze aanvragen te ontvangen. O: Minister [verdachte] accordeerde de brief met de volgende handgeschre