Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-01-23
ECLI:NL:PHR:2026:109
Civiel recht
20,114 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:109 text/xml public 2026-01-29T10:50:25 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-01-23 24/03452 Conclusie NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:109 text/html public 2026-01-29T10:49:59 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:109 Parket bij de Hoge Raad , 23-01-2026 / 24/03452 Collectieve actie. Verklaring voor recht m.b.t. manipulatie van LIBOR rentebenchmark. Ontvankelijkheidseisen (art. 3:305a (oud) BW); bundelbaarheid van belangen en meerwaarde van collectieve actie boven individuele geschillenbeslechting. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03452 Zitting 23 januari 2026 CONCLUSIE F. Ibili In de zaak Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam, eiseres tot cassatie tegen Stichting Elco Foundation, gevestigd te Amsterdam, verweerster in cassatie Partijen worden hierna verkort aangeduid als Rabobank respectievelijk de Stichting. 1 Inleiding 1.1 In deze collectieve actie op grond van art. 3:305a (oud) BW vordert de Stichting verklaringen voor recht over onrechtmatige gedragingen van Rabobank en andere gedagvaarde partijen in verband met vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR rentebenchmark. De Stichting heeft hieraan ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat sprake is geweest van een samenwerking tussen Rabobank en andere gedagvaarde partijen in de vorm van een op grond van art. 101 VWEU verboden kartel waarin (pogingen tot) de ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR onderling werd(en) afgestemd. 1.2 In deze cassatieprocedure rijst de vraag of de Stichting op grond van art. 3:305a (oud) BW ontvankelijk is in deze collectieve actie. Daarbij komt vooral aan bod of is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste (bundelbaarheid van belangen) en of deze collectieve actie de belanghebbenden voor wie de Stichting opkomt meerwaarde biedt boven individuele geschillenbeslechting. 1.3 Deze zaak hangt samen met de zaken 24/03432, 24/03443, 24/03448 en 24/03449, die zich afspelen tussen de Stichting en een of meer andere door haar gedagvaarde partijen in verband met dezelfde vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR rentebenchmark. Ik concludeer heden ook in de samenhangende zaken. 2 Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie zijn de relevante feiten als volgt. 2.2 EURIBOR en LIBOR zijn verzamelnamen voor dagelijks gepubliceerde rentebenchmarks die worden gebruikt op de financiële markten. Op basis daarvan worden futures (termijncontracten), opties, swaps en andere derivaten die via de over-the-counter markten en andere beurzen worden verhandeld, afgewikkeld. Daarnaast worden EURIBOR en LIBOR als referentiekoers gebruikt voor rentedragende leningen. 2.3 De EURIBOR rentebenchmarks (voor verschillende looptijden) kwamen tot stand doordat Europese (panel)banken die zijn aangesloten bij de European Banking Federation iedere werkdag aan Thomson Reuters doorgaven tegen welk rentetarief zij dachten dat een hypothetische grootbank ongedekte leningen in euro’s met verschillende looptijden kon verstrekken of aantrekken. Na ontvangst van de tarieven van alle panelbanken werden de laagste en de hoogste weggestreept en vormde het gemiddelde van de overgebleven waarden de EURIBOR rentebenchmark voor de desbetreffende looptijd. 2.4 De verschillende LIBOR rentebenchmarks (voor verschillende valuta en verschillende looptijden) kwamen tot stand doordat een selectie van (panel)banken die zijn aangesloten bij de British Bankers’ Association elke werkdag aan Thomson Reuters doorgaven tegen welk rentetarief zij op dat moment op de interbancaire geldmarkt een lening verwachtten te kunnen aantrekken voor de verschillende looptijden. Elke LIBOR (valuta)rentebenchmark had een eigen samenstelling van panelbanken. Na ontvangst van de tarieven van alle panelbanken werden de laagste en de hoogste weggestreept en vormde het gemiddelde van de overgebleven waarden de LIBOR rentebenchmark voor de desbetreffende valuta en looptijd. 2.5 Het panel voor de JPY LIBOR bestond uit zestien banken, waaronder Rabobank, UBS AG (hierna: UBS Zwitserland) en Lloyds Bank plc (hierna: Lloyds). Rabobank was ook panelbank voor onder meer USD LIBOR, GBP LIBOR en EURIBOR. UBS Securities Japan Co. Ltd (hierna: UBS Japan) is rechtsopvolgster van UBS Securities Japan Ltd. Zij is actief op het gebied van investmentbanking en broker dealer operations. ICAP Europe Ltd. (hierna: ICAP) is een interdealer broker. Zij bemiddelt tussen financiële instellingen die opereren als handelaren in onder meer financiële instrumenten. Zij is zelf geen partij bij financiële transacties. 2.6 Vanaf medio 2008 hebben de Amerikaanse Commodity Futures Trading Commission (hierna: CFTC) en andere autoriteiten uit de Verenigde Staten en elders in de wereld (Europa en Azië) de indieningsprocessen van verschillende LIBOR en EURIBOR rentebenchmarks onderzocht. De CFTC heeft haar bevindingen neergelegd in verschillende Orders (hierna: CFTC-Order(s)). UBS Zwitserland, UBS Japan (hierna gezamenlijk: UBS c.s.), Lloyds en Rabobank hebben naar aanleiding hiervan met verschillende autoriteiten (schikkings)overeenkomsten gesloten. Daarbij zijn in een aantal gevallen Statements of Facts (hierna: SOF(‘s)) gevoegd met een door de desbetreffende bank onderschreven weergave van de voor de schikking relevante feiten. In Europa en de Verenigde Staten zijn verschillende bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en civiele (class action) procedures gevoerd en aanhangig in verband met vermeende beïnvloeding van rentebenchmarks. Rabobank, UBS c.s., Lloyds en ICAP (hierna gezamenlijk: Rabobank c.s.) zijn/waren in een aantal van deze procedures betrokken. 2.7 De statuten van de in juni 2016 opgerichte Stichting bepalen dat de Stichting onder meer tot doel heeft het behartigen van de belangen van de belanghebbenden die schade lijden, schade dreigen te lijden en/of schade hebben geleden ten gevolge van handelen of nalaten van de financiële instellingen dat aanleiding geeft tot een claim. De Stichting tracht dit doel te bereiken door onder meer het initiëren van gerechtelijke procedures in binnen- en buitenland, daaronder begrepen doch niet beperkt tot (in Nederland) het initiëren van procedures als bedoeld in art. 3:305a BW. 2.8 Belanghebbenden zijn in de statuten van de Stichting gedefinieerd als alle personen (daaronder begrepen rechtspersonen) die gedurende de relevante periode (van 1 januari 2001 t/m 30 juni 2011) woonachtig, gevestigd en/of kantoorhoudend (een nevenvestiging of branch daaronder begrepen) waren in de Europese Unie en die volgens het desbetreffende toepasselijke rechtstelsel kwalificeren als of daarmee gelijk te stellen zijn aan (a) beleggingsondernemingen, (b) kredietinstellingen, (c) verzekeringsondernemingen, (d) instellingen voor collectieve belegging in effecten en de beheermaatschappijen daarvan, (e) pensioenfondsen en de beheermaatschappijen daarvan, (f) (andere) krachtens communautaire wetgeving van de Europese Unie of het nationale recht van een lidstaat vergunninghoudende of gereglementeerde financiële instellingen, (g) een partij die in de uitoefening van beroep of bedrijf voor eigen rekening beleggingsactiviteiten verricht en/of (h) authorised investmentmanagers, en die direct of indirect (i) een of meer transacties hebben verricht in afgeleide of niet-afgeleide financiële instrumenten waarop rente is betaald die was gekoppeld aan of afgeleid was van – voor zover van belang – de JPY LIBOR, GPB LIBOR, USD LIBOR en de EURIBOR (hierna: de rentebenchmarks), (ii) op een lening rente hebben betaald die was gekoppeld aan of afgeleid was van de rentebenchmarks dan wel, (iii) een of meer transacties anders dan hiervoor vermeld hebben verricht in welk verband een vergoeding is betaald die gerelateerd was aan, verwees naar of anderszins verband hield met de rentebenchmarks, welke transacties en/of betalingen buiten de Verenigde Staten hebben plaatsgevonden gedurende de relevante periode.
Volledig
2.9 Claims zijn in de statuten van de Stichting gedefinieerd als klachten, aanspraken en vorderingen van belanghebbenden jegens een of meer financiële instellingen met betrekking tot (vermeende) verliezen of schade die geleden is of zal worden als direct of indirect gevolg van onder andere onrechtmatig handelen en/of wanprestatie, onder meer – maar daartoe niet beperkt – bestaande uit het op vermeend onwettige/onrechtmatige wijze, en al dan niet door samenspanning van financiële instellingen, manipuleren van de rentebenchmarks. 2.10 In deze procedure vordert de Stichting ten aanzien van Rabobank, voor zover van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Rabobank: (A) in de periode van 1 januari 2005 t/m 30 november 2010 (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig heeft gehandeld jegens belanghebbenden: (1) omdat zij haar interne (administratieve) organisatie en/of interne toezichtsapparaat zodanig had ingericht (een nalaten daaronder begrepen) dat het manipuleren van rentebenchmarks daardoor in de hand werd gewerkt, althans werd mogelijk gemaakt; en/of (2) doordat zij, althans haar werknemers, rentebenchmarks heeft/hebben gemanipuleerd, subsidiair dat heeft/hebben gedaan op de in paragraaf 10.1.20, 10.1.22 en 10.1.34 van de inleidende dagvaarding vermelde dagen; (3) doordat zij, althans haar werknemers, heeft/hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU, teneinde rentebenchmarks te manipuleren; (B) gelet op het onrechtmatig manipuleren van rentebenchmarks door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de rentebenchmarks met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW; (C) (op structurele en/of doorlopende basis) in de periode van 1 januari 2005 t/m 30 november 2010 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van belanghebbenden. 2.11 In deze procedure vordert de Stichting ten aanzien van Lloyds, UBS c.s. en ICAP (hierna gezamenlijk: Lloyds c.s.), voor zover van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Lloyds c.s.: (D) ieder voor zich, althans hun werknemers, in de periode van 1 januari 2006 t/m 31 juli 2009 (Lloyds), 1 januari 2001 t/m 30 juni 2010 (UBS c.s.) en 1 juli 2006 t/m 31 december 2010 (ICAP) (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig hebben gehandeld jegens belanghebbenden doordat zij, althans hun werknemers, hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU, teneinde de JPY LIBOR te manipuleren; (E) ieder voor zich, althans hun werknemers, gelet op het onrechtmatig manipuleren van de JPY LIBOR door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de JPY LIBOR met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW. 2.12 Bij vonnis in incident van 14 augustus 2019 heeft de rechtbank Amsterdam, voor zover van belang, als volgt beslist. De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C (rov. 5.1). Ook is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen D en E, voor zover het de JPY LIBOR betreft. Voor het overige (vorderingen anders dan onder A t/m E, die in hoger beroep en cassatie geen rol spelen) komt de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid toe. (rov. 7.1 t/m rov. 7.23) 2.13 Bij vonnis van 9 december 2020 heeft de rechtbank Amsterdam de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve actie. 2.14 Bij tussenarrest van 5 maart 2024 heeft het hof Amsterdam, voor zover van belang, als volgt beslist. De rechtbank heeft zich terecht bevoegd geacht ten aanzien van de vorderingen A, B en C (rov. 4.6). Ook is de rechtbank bevoegd ten aanzien van vordering D (rov. 4.8 t/m 4.12). Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe ten aanzien van vordering E (rov. 4.13). De rechtbank heeft de Stichting terecht niet-ontvankelijk verklaard wat betreft vordering C. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de Stichting wel ontvankelijk wat betreft de vorderingen A, B en D. (rov. 4.14 t/m 4.25) 2.15 Bij eindarrest van 11 juni 2024 heeft het hof Amsterdam de vonnissen van de rechtbank vernietigd (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) en, opnieuw rechtdoende, de Nederlandse rechter internationaal bevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering D, de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering E, de Stichting ontvankelijk verklaard wat betreft de vorderingen A, B en D, de Stichting niet-ontvankelijk verklaard wat betreft vordering C, en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam ter verdere afdoening. Ten slotte heeft het hof verlof verleend om cassatie in te stellen. 2.16 Rabobank heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het tussen- en eindarrest van het hof. De Stichting heeft verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bestrijdt het oordeel van het hof dat de Stichting ontvankelijk is in deze collectieve actie wat betreft de vorderingen A, B en D. Alvorens de klachten te bespreken, merk ik het volgende op. 3.2 In rov. 4.14 van het tussenarrest heeft het hof – onbestreden – tot uitgangspunt genomen dat de ontvankelijkheid van de Stichting in deze collectieve actie moet worden beoordeeld volgens art. 3:305a BW zoals dit artikel tot 1 januari 2020 gold (hierna: art. 3:305a (oud) BW). Dit overgangsrechtelijke uitgangspunt is juist, aangezien de vorderingen van de Stichting zijn ingesteld vóór 1 januari 2020. 3.3 Op grond van art. 3:305a lid 1 (oud) BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Aan het vereiste van gelijksoortigheid is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan immers in één gerechtelijke procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden. 3.4 De belangen tot bescherming waarvan de rechtsvordering strekt lenen zich niet voor bundeling wanneer deze belangen te divers, te veelsoortig zijn. Het is mogelijk dat weliswaar sprake is van een gemeenschappelijk geschilpunt, maar dat de bij dit geschilpunt betrokken rechtsvragen en feitelijke vragen per individuele belanghebbende verschillend beantwoord moeten worden. De belangen tot bescherming waarvan de rechtsvordering strekt lenen zich alleen voor bundeling wanneer de bij het geschilpunt betrokken rechtsvragen en feitelijke vragen voldoende gemeenschappelijk zijn. Zonder voldoende gelijksoortigheid hangt de beantwoording van deze vragen te veel af van de bijzondere omstandigheden van de individuele belanghebbenden; hiervoor is geen plaats in een collectieve actie. Er moet zodanig geabstraheerd kunnen worden van de bijzonderheden van individuele gevallen, dat de beoordeling (in principe) niet anders zou kunnen uitvallen dan in een individueel geval. Dit betekent niet dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt naar inhoud of omvang precies gelijk (identiek) dienen te zijn.
Volledig
Of de belangen tot bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 3.5 Wanneer in het kader van een collectieve actie in een verklaring voor recht een onrechtmatigheidsoordeel wordt gevraagd, is aan het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 (oud) BW voldaan, indien kan worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden van de individuele belanghebbenden die pas relevant zijn bij vragen met betrekking tot bijvoorbeeld (omvang van de) schade, causaal verband en eigen schuld. Bij de beoordeling of de gelijksoortigheid van de belangen van de belanghebbenden toereikend is, behoeft dan ook niet te worden betrokken of en in welke mate de aansprakelijk gestelde partij tegenover de individuele belanghebbenden eventueel tot schadevergoeding gehouden zou zijn. Kortom, van belang is of de in een collectieve actie aan de orde gestelde vragen zich in gebundelde vorm lenen voor beantwoording zonder daarbij de bijzondere omstandigheden van de individuele belanghebbenden te betrekken. 3.6 Volgens het hof is in deze zaak voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 (oud) BW. Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd: ‘4.16 Aan het uit lid 1 van artikel 3:305a (oud) BW voortvloeiende gelijksoortigheidsvereiste is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Zo kan immers in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden (HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756). 4.17 Het is niet noodzakelijk dat de Belanghebbenden waarvoor de Stichting in deze collectieve actie opkomt zich aantoonbaar bij de Stichting gemeld hebben of dat de Stichting op een andere manier de individuele leden behorend tot haar achterban identificeert. Hoewel de feitelijke en juridische posities van de Belanghebbenden verschillen, hebben zij voldoende gelijksoortig belang bij de onder A, B en D gevorderde verklaringen voor recht. Hierdoor lenen hun belangen zich voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming van de belanghebbenden kan worden bevorderd. De Belanghebbenden hebben blijkens de statuten van de Stichting namelijk gemeen dat zij in de Relevante Periode een (neven)vestiging of kantoor in de Europese Unie hadden en in die periode buiten de Verenigde Staten aan de rentebenchmarks gerelateerde transacties hebben verricht. Hoewel de gestelde beïnvloeding van de rentebenchmarks ook gunstig kan hebben uitgepakt voor Belanghebbenden, komt de Stichting blijkens haar statuten alleen op voor Belanghebbenden die een in de statuten omschreven ‘Claim’ stellen te hebben en dus nadelige gevolgen stellen te hebben ondervonden van de vermeende onrechtmatige beïnvloeding van de rentebenchmarks. De vraag of die gedragingen onrechtmatig zijn en tot schade kunnen hebben geleid bij (een deel van de) Belanghebbenden, kan worden beantwoord zonder daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele Belanghebbenden te betrekken. De individuele omstandigheden van de Belanghebbenden zijn pas relevant bij vragen omtrent bijvoorbeeld schade(omvang), causaal verband en voordeelstoerekening. Een andere opvatting zou toepassing van artikel 3:305a (oud) BW onaanvaardbaar beperken. Zie rov. 4.8.1 van HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162 en rov. 4.4 van HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399).’ 3.7 Art. 3:305a (oud) BW biedt de mogelijkheid om op een efficiënte en effectieve wijze rechtsbescherming te bieden tegen de aantasting van belangen die (grote) groepen individuen gezamenlijk raken. Daarin ligt de meerwaarde van een collectieve actie ten opzichte van het voeren van afzonderlijke procedures door de individuele belanghebbenden zelf. Als een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven het procederen op naam van de individuele belanghebbenden zelf, dan moet, zo is de gedachte, de voorkeur worden gegeven aan individuele geschillenbeslechting. 3.8 Volgens het hof biedt de collectieve actie in deze zaak de belanghebbenden voordelen boven individuele geschillenbeslechting, voor zover het gaat om de vorderingen A, B en D. Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd: ‘4.18 Zoals hiervoor is overwogen, biedt het collectief actierecht van artikel 3:305a (oud) BW de mogelijkheid om op een efficiënte en effectieve wijze rechtsbescherming te bieden tegen de aantasting van belangen die grote groepen burgers gezamenlijk raken. In de wetsgeschiedenis van artikel 3:305a (oud) BW is opgemerkt dat hierin de meerwaarde ligt van de collectieve actie ten opzichte van het voeren van individuele procedures door de belanghebbenden zelf. Daarbij is opgemerkt dat een collectieve actie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard indien een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven procederen op naam van de belanghebbenden zelf. Zie Kamerstukken I 1993-1994, 22 486, nr. 103b (MvA), p. 1 en Kamerstukken II 2011-2012, 33 126, nr. 3 (MvT), p. 6-7. 4.19 Deze collectieve actie gaat over de vraag of de aan de vorderingen A en D ten grondslag gelegde gedragingen onrechtmatig zijn en, wat vordering B betreft of is voldaan aan de vereisten van mede-aansprakelijkheid op de voet van artikel 6:166 BW, indien van toepassing. Aan de vorderingen A(3) en D is ten grondslag gelegd dat het Unierechtelijk kartelverbod is overtreden, dus dat sprake is van samenspanning door Rabobank c.s. met een onmiddellijk en wezenlijk effect binnen de Europese Unie. De vorderingen lenen zich daarom voor bundeling, ook al zal het recht dat van toepassing is op de onrechtmatige daad, mogelijk tot (verdere) beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van Rabobank c.s. naar verschillende rechtsstelsels leiden. Overeenkomstig de bedoeling van de Stichting bewerkstelligen deze vorderingen dat het daaraan ten grondslag gelegde onrechtmatig handelen van Rabobank (c.s.) waaronder de aan de vorderingen A(3) en D ten grondslag gelegde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod, die (nog) niet is vastgesteld in een beschikking van de Europese Commissie of een nationale mededingingsautoriteit in één keer in deze procedure kan worden beoordeeld, als opmaat voor het vorderen van schadevergoeding of het treffen van een schikking. 4.20 De onder A, B en D gevraagde verklaringen voor recht zijn niet zo algemeen geformuleerd dat deze collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven individuele vorderingen. Indien en voor zover deze vorderingen worden toegewezen, kunnen de individuele Belanghebbenden schadevorderingen instellen of trachten een minnelijke regeling te treffen. Het ligt in de rede dat de schadebegroting per Belanghebbende een nadere feitenvaststelling zal vergen met betrekking tot hun individuele transacties en mogelijk met betrekking tot (meer) concrete gevallen van beïnvloeding van de rentebenchmarks. Dat neemt niet weg dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Daarbij is van belang dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de groep daadwerkelijk benadeelde Belanghebbenden zo klein is dat de collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven door hen individueel in te stellen vorderingen. De Benadeelden hebben dus baat bij deze collectieve actie.’ Dit geldt volgens het hof niet voor vordering C: ‘4.21 Het met vordering C door de Stichting beoogde algemene oordeel dat aannemelijk is dat er Belanghebbenden zijn die zijn verarmd waarbij Rabobank zich heeft verrijkt (MvG 5.2) is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zo algemeen dat aannemelijk is dat de collectieve actie op dit punt geen voordeel biedt boven individuele vorderingen. De rechtbank heeft de collectieve actie van de Stichting voor zover betreffend vordering C terecht niet-ontvankelijk verklaard.’ 3.9 In rov.
Volledig
4.26 heeft het hof hier nog het volgende aan toegevoegd: ‘Als in een later stadium wordt geoordeeld dat niet alle aan de vorderingen A en D ten grondslag gelegde gedragingen zich hebben voorgedaan en/of als onrechtmatig zijn aan te merken dan wel tot schade hebben geleid of als zou blijken dat één of meer van de gedaagde partijen niet (geheel) aansprakelijk is/zijn, zal dat tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen A en D leiden. Hetzelfde geldt voor vordering B als de conclusie luidt dat niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 6:166 BW, indien van toepassing. In het oordeel over ontvankelijkheid van deze vorderingen is verdisconteerd dat, naar niet in geschil is, de (individuele) schadevaststelling een zeer complexe aangelegenheid zal zijn en voorts dat mogelijk zal blijken dat wel kan worden vastgesteld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat het zeer moeilijk is om de (individuele) schade van de Belanghebbenden te begroten.’ 3.10 Ik keer terug naar het middel. Onderdeel 1 komt met negen subonderdelen (a t/m i) op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.20 van het tussenarrest dat (i) de onder A, B en D gevorderde verklaringen voor recht niet zo algemeen zijn geformuleerd dat deze collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven individuele vorderingen, (ii) de beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming, en (iii) de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie. 3.11 Subonderdeel 1a voert aan dat op individuele basis geprocedeerd moet worden om te kunnen vaststellen of jegens een belanghebbende onrechtmatig is gehandeld. Zo zal ten aanzien van iedere belanghebbende het volgende moeten worden vastgesteld: (a) was sprake van blootstelling met betrekking tot een of meer fixings?; (b) waren deze fixings onjuist?; (c) wat was de richting van de afwijking in de onjuiste fixings (omhoog of omlaag) en wat was de grootte daarvan?; (d) heeft een belanghebbende van een onjuiste fixing nadeel of voordeel ondervonden en in welk mate?; (e) heeft een belanghebbende van alle onjuiste fixings waaraan hij is blootgesteld per saldo nadeel of voordeel ondervonden? Deze vragen komen niet aan bod in deze collectieve actie. De vorderingen A, B en D kunnen niet bijdragen aan het vorderen van schadevergoeding in individuele procedures van de belanghebbenden. Deze collectieve actie heeft geen toegevoegde waarde voor de belanghebbenden. Volgens de klacht heeft het hof in rov. 4.20, laatste volzin, dan ook ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie. 3.12 Naar mijn mening voert het middel wel heel stellig aan dat deze collectieve actie, bij toewijzing van (een of meer van) de vorderingen A, B en D, van generlei waarde zal zijn bij het bereiken van het doel van de belanghebbenden om schadeloos te worden gesteld voor het nadeel dat zij hebben geleden als gevolg van de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. Het lijkt mij dat de vorderingen A, B en D, indien en voor zover zij worden toegewezen, de belanghebbenden wel degelijk verder kunnen helpen bij, en daarmee kunnen bijdragen aan, het bereiken van hun doel tot vergoeding van de schade als gevolg van de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. De vorderingen A, B en D kunnen duidelijkheid verschaffen over (in ieder geval) de volgende vragen in verband met de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. in de relevante periode van 1 januari 2001 t/m 30 juni 2011: (vordering A) hoe zag de interne (administratieve) organisatie en/of het interne toezichtsapparaat van Rabobank eruit?; was deze zodanig ingericht (een nalaten daaronder begrepen) dat het manipuleren van de JPY LIBOR daardoor in de hand werkt gewerkt, althans mogelijk werd gemaakt?; heeft Rabobank, althans haar werknemers, de JPY LIBOR gemanipuleerd?; heeft Rabobank, althans haar werknemers, samengespannen met een of meer medegedaagden teneinde de JPY LIBOR te manipuleren?; heeft Rabobank hierdoor (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig gehandeld?; (vordering B) had Rabobank zich moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de JPY LIBOR met een of meer medegedaagden, zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW?; (vordering D) hebben Lloyds c.s. ieder voor zich, althans hun werknemers, samengespannen met een of meer medegedaagden teneinde de JPY LIBOR te manipuleren?; kwalificeert deze samenspanning als een overeenkomst, althans onderling afgestemde gedragingen in de zin van art. 101 VWEU?; hebben Lloyds c.s. ieder voor zich, althans hun werknemers, hierdoor (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig gehandeld? 3.13 Voor de beantwoording van de hiervoor vermelde vragen zal in deze collectieve actie in ieder geval vastgesteld moeten worden of in de relevante periode sprake is geweest van (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door (medewerkers van) Rabobank c.s. in de vorm van een onderlinge samenwerking waarbij directe en/of indirecte contacten werden onderhouden tussen (medewerkers van) Rabobank en (van) Lloyds c.s. (ieder voor zich) met de bedoeling om de opgaven van rentetarieven voor de vaststelling van de JPY LIBOR onderling af te stemmen. Indien vast zou komen te staan dat Rabobank c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan voormelde gedragingen, dan zal in deze collectieve actie vervolgens aan bod komen of deze gedragingen onrechtmatig zijn, al dan niet wegens een schending van het kartelverbod van art. 101 VWEU (vorderingen A en D), en of is voldaan aan de vereisten voor mede-aansprakelijkheid (vordering B). Kortom, deze collectieve actie zal duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag of de aan de vorderingen A, B en D ten grondslag gelegde gedragingen die Rabobank c.s. worden verweten in rechte kunnen worden vastgesteld en, zo ja, of deze gedragingen een onrechtmatige daad opleveren (vorderingen A en D) en/of voldoende grond bieden voor mede-aansprakelijkheid (vordering B). 3.14 Het lijkt mij moeilijk vol te houden dat bij toewijzing van (een of meer van) de vorderingen A, B en D de individuele belanghebbenden hiermee op geen enkele manier zullen zijn geholpen bij het bereiken van hun doel om (in of buiten rechte) de door hen gestelde schade te verhalen op Rabobank c.s. Bij toewijzing van (een of meer van) de vorderingen A, B en D zal immers vast komen te staan dat (medewerkers van) Rabobank c.s. in de relevante periode zich schuldig hebben gemaakt aan (pogingen tot) de ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR, waardoor zij onrechtmatig hebben gehandeld en daarmee aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade die als gevolg daarvan is veroorzaakt. De belanghebbenden zullen zich in individuele procedures of in het kader van pogingen tot een minnelijke oplossing op deze uitkomst van de collectieve actie kunnen beroepen. Het lijkt mij dat de belanghebbenden met deze uitkomst in de hand in een sterkere (onderhandelings)positie zullen komen te staan tegenover Rabobank c.s. Indien (een of meer van) de vorderingen A, B en D worden toegewezen, zal in vervolgprocedures (hierop voortbordurend) vastgesteld moeten worden of in de relevante periode een specifieke belanghebbende is getroffen door een specifieke fixing die aan Rabobank c.s. kan worden toegeschreven en of deze belanghebbende daardoor (per saldo) verlies heeft geleden. Het hof heeft hiervoor oog gehad door in rov. 4.20 te overwegen dat het in de rede ligt dat ‘de schadebegroting per Belanghebbende een nadere feitenvaststelling zal vergen met betrekking tot hun individuele transacties en mogelijk met betrekking tot (meer) concrete gevallen van beïnvloeding van de rentebenchmarks’. Dit neemt echter niet weg, zo voegt het hof hier terecht aan toe, dat ‘beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming’.
Volledig
Dit oordeel lijkt mij juist en ook begrijpelijk, nu in deze collectieve actie een generiek onrechtmatigheidsoordeel wordt gevraagd over de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s., zonder in te gaan op de bijzonderheden van individuele gevallen. De belanghebbenden zijn hiermee geholpen, omdat hun aanspraak op schadevergoeding afhankelijk zal zijn van de (in alle individuele gevallen aan de orde te stellen) vraag naar de aansprakelijkheid van Rabobank c.s. wegens de ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR op grond van de aan de vorderingen A, B en D ten grondslag gelegde gedragingen; die vraag vormt de inzet van deze collectieve actie. In deze collectieve actie kan op een efficiënte en effectieve manier worden vastgesteld of Rabobank c.s. onrechtmatig hebben gehandeld op grond van de aan de vorderingen A, B en D ten grondslag gelegde gedragingen. 3.15 Voor alle duidelijkheid merk ik op dat de Stichting met de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie niet heeft gevraagd om een verklaring voor recht dat Rabobank c.s. onrechtmatig hebben gehandeld tegenover alle belanghebbenden waarvoor de Stichting blijkens haar statuten opkomt. Met de vorderingen A, B en D beoogt de Stichting uitsluitend een (generieke) verklaring voor recht dat Rabobank c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door de JPY LIBOR in de relevante periode ongeoorloofd te beïnvloeden op grond van de hen verweten gedragingen. De vorderingen A, B en D zijn derhalve niet gekoppeld aan de specifieke rechtspositie van individuele belanghebbenden. Deze algemene strekking van de vorderingen A, B en D vormt geen beletsel voor de ontvankelijkheid op grond van art. 3:305a (oud) BW. Immers, voor de ontvankelijkheid van de Stichting is niet vereist dat deze collectieve actie duidelijkheid verschaft over de vraag jegens welke concrete (identificeerbare) belanghebbenden onrechtmatig is gehandeld door Rabobank c.s. Die vraag zal aan bod komen in individuele vervolgprocedures. 3.16 Op grond van het voorgaande meen ik dat subonderdeel 1a faalt. 3.17 Subonderdeel 1b voert het volgende aan. Indien een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven het procederen op naam van belanghebbenden zelf, dient voorkeur te worden gegeven aan individuele procedures. Dit subsidiaire karakter brengt mee dat het hof had moeten beoordelen of deze collectieve actie daadwerkelijk voordeel biedt boven individuele procedures. Het hof heeft dit miskend door slechts te oordelen dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de groep daadwerkelijk benadeelde belanghebbenden zo klein is dat de collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven door hen individueel in te stellen vorderingen. Daarmee is nog niet beoordeeld of deze collectieve actie voordeel of baat biedt boven individuele procedures. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel gebrekkig gemotiveerd omdat deze collectieve actie de belanghebbenden geen enkel voordeel biedt: individuele procedures zijn hoe dan ook noodzakelijk en geen van de belanghebbenden weet of zij als zodanig kwalificeren. 3.18 Ik stel het volgende voorop. De vraag is of het hof in rov. 4.18, ‘dat een collectieve actie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard indien een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven procederen op naam van de belanghebbenden zelf’, als afzonderlijke ontvankelijkheidseis heeft gesteld dat het instellen van een collectieve actie meerwaarde moet hebben boven individuele geschillenbeslechting. Hoewel het middel hierover geen klacht bevat, hecht ik eraan om op te merken dat, indien het hof een dergelijke eis heeft gesteld, het een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt namelijk dat de wetgever bewust ervan heeft afgezien om in art. 3:305a (oud) BW als afzonderlijke ontvankelijkheidseis op te nemen dat het instellen van een collectieve actie meerwaarde heeft boven individuele geschillenbeslechting. Aan een dergelijke eis bestaat geen behoefte, zo is de gedachte, omdat de meerwaarde van een collectieve actie boven individuele geschillenbeslechting, met het oog op het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming, (reeds) besloten ligt in het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 (oud) BW. 3.19 Aannemelijker is dat het hof het aspect van de meerwaarde van een collectieve actie boven individuele geschillenbeslechting heeft willen plaatsen in de sleutel van het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 (oud) BW. Volgens de parlementaire geschiedenis dient op grond van het waarborgvereiste onder meer te worden nagegaan ‘(…) in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen (…)’. Daarop zou de overweging van het hof in rov. 4.20, laatste volzin, kunnen slaan, ‘De Benadeelden hebben dus baat bij deze collectieve actie.’, nadat het hof in rov. 4.20, eerste volzin, heeft overwogen, ‘De onder A, B en D gevraagde verklaringen voor recht zijn niet zo algemeen geformuleerd dat deze collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven individuele vorderingen.’, en in rov. 4.20, vierde volzin, ‘Dat neemt niet weg dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming.’ Bij deze lezing van het tussenarrest heeft het hof in rov. 4.18, ‘dat een collectieve actie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard indien een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven procederen op naam van de belanghebbenden zelf’, geen onjuiste maatstaf aangelegd voor de beoordeling van de ontvankelijkheid. 3.20 Hoe dan ook, de vraag is of de behandeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan het met art. 3:305a (oud) BW beoogde doel van een efficiënte en effectieve rechtsbescherming voor de belanghebbenden. Dat is ook de toets die het hof uiteindelijk in rov. 4.20 heeft aangelegd (‘Dat neemt niet weg dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming.’). De hiertegen gerichte klachten falen. Ik leg dit als volgt uit. 3.21 In rov. 4.20 is het hof tot de conclusie gekomen ‘dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming’. In dat verband – ‘Daarbij’ – heeft het hof ‘van belang’ geacht ‘dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de groep daadwerkelijk benadeelde Belanghebbenden zo klein is dat de collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven door hen individueel in te stellen vorderingen’. Hiermee heeft het hof de omvang van de groep van daadwerkelijk benadeelde belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt, relevant maar niet doorslaggevend geacht voor de vraag of het instellen van een collectieve actie efficiënter en effectiever is dan het procederen op naam van de individuele belanghebbenden. Dit sluit aan bij de bedoelingen van de wetgever, waar het hof in rov. 4.18 ook naar verwijst. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat ‘(b)ij de vraag of het instellen van een collectieve actie (…) efficiënter is dan het procederen op naam van de belanghebbenden, (…) onder meer van belang (is) wat de omvang is van de groep van personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld.’ Is die groep van personen van een zodanige omvang dat het procederen op naam van de individuele belanghebbenden eenvoudig te realiseren is, dan is het instellen van een collectieve actie volgens de wetsgeschiedenis niet efficiënt en effectief. 3.22 Het middel mist feitelijk grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het oordeel van het hof dat deze collectieve actie van toegevoegde waarde is ten opzichte van individuele procedures, uitsluitend (‘door enkel te oordelen’) is gebaseerd op de overweging van het hof over de omvang van de groep van daadwerkelijk benadeelde belanghebbenden.
Volledig
De (voldoende grote) omvang van de groep van daadwerkelijk benadeelde belanghebbenden heeft het hof als een van de relevante omstandigheden in aanmerking genomen (‘Daarbij is van belang …’) voor zijn oordeel dat deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Voor dit oordeel heeft het hof verder van belang geacht, en naar ik meen zelfs meer gewicht toegekend, aan de overige in rov. 4.20 genoemde omstandigheden dat (i) de met de vorderingen A, B en D gevraagde verklaringen voor recht niet zo algemeen zijn geformuleerd dat deze collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven individuele vorderingen, (ii) indien en voor zover deze vorderingen worden toegewezen, de individuele belanghebbenden schadevergoedingen kunnen instellen of trachten een minnelijke regeling te treffen, (iii) een nadere feitenvaststelling met betrekking tot individuele transacties en (meer) concrete gevallen van beïnvloeding van de rentebenchmarks die nodig zullen zijn in vervolgprocedures van de individuele belanghebbenden niet wegneemt dat de beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. 3.23 Voor het overige lijkt het subonderdeel de klachten van het vorige subonderdeel te herhalen of daarop voort te bouwen. Hoe dan ook is het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat, indien en voor zover de vorderingen A, B en D worden toegewezen, de individuele belanghebbenden zich op de verklaringen voor recht kunnen beroepen in het kader van individuele vervolgprocedures jegens Rabobank c.s. of het treffen van een minnelijke regeling met Rabobank c.s., en dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie in zoverre voordeel biedt boven individuele geschilbeslechting, juist en niet onbegrijpelijk. Hoewel met de toewijzing van (een of meer van) de vorderingen A, B en D nog niet vaststaat of, en zo ja, in hoeverre de belanghebbenden recht hebben op schadevergoeding, zal een toewijzing van (een of meer van) deze vorderingen wel kunnen bijdragen aan het oplossen van het geschil tussen de individuele belanghebbenden en Rabobank c.s. Daarmee heeft deze collectieve actie voldoende toegevoegde waarde en draagt zij in zoverre bij aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. 3.24 Subonderdeel 1c bevat een motiveringsklacht tegen de overwegingen van het hof die hebben geleid tot het oordeel in rov. 4.20 dat de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie. Volgens de klacht kan dit oordeel niet worden gedragen door de overwegingen dat de met de vorderingen A, B en D gevraagde verklaringen voor recht niet zo algemeen zijn geformuleerd dat deze collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven individuele vorderingen, en dat, hoewel het in de rede ligt dat de schadebegroting per belanghebbende een andere feitenvaststelling zal vergen met betrekking tot hun individuele transacties en mogelijk met betrekking tot (meer) concrete gevallen van beïnvloeding van de rentebenchmarks, dit niet wegneemt dat de beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Het middel voert ook hier weer aan dat de belanghebbenden niets opschieten met een toewijzing van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie. 3.25 Deze motiveringsklacht is in wezen een herhaling van of bouwt voort op de klachten uit de voorgaande subonderdelen en deelt daarmee hetzelfde lot. 3.26 Subonderdeel 1d voert aan dat het hof bij de beoordeling of deze collectieve actie voordelen biedt boven individuele geschillenbeslechting in rov. 4.19 en 4.20 ten onrechte van belang heeft geacht dat toewijzing van de vorderingen A, B en D zou kunnen bijdragen aan het treffen van een schikking tussen de belanghebbenden en Rabobank c.s. Deze collectieve actie heeft geen toegevoegde waarde ten opzichte van individuele procedures. Zij biedt geen duidelijkheid over de rechtsverhouding tussen de belanghebbenden en Rabobank c.s. en kan daarom niet bijdragen aan een oplossing van het geschil (niet alleen in maar ook) buiten rechte. De enkele mogelijkheid dat een schikking kan worden getroffen maakt niet dat een collectieve actie voordelen biedt boven individuele geschillenbeslechting. Bovendien hebben Rabobank c.s. gemotiveerd betwist dat in deze zaak een minnelijke regeling kan worden getroffen, omdat onder meer duidelijk moet zijn om welke belanghebbenden het exact gaat terwijl dat met de generieke verklaringen voor recht op grond van de vorderingen A, B en D niet is vast te stellen. Het hof heeft dit ten onrechte niet in zijn beoordeling betrokken, aldus de klacht. 3.27 Het subonderdeel faalt. In rov. 4.19 en 4.20 heeft het hof uiteengezet waarom deze collectieve actie voordeel biedt boven individuele geschillenbeslechting. In dat verband merkt het hof in rov. 4.19 op dat de toewijzing van (een of meer van) de vorderingen kan worden gebruikt ‘als opmaat voor het vorderen van schadevergoeding of het treffen van een schikking’. In aansluiting hierop merkt het hof in rov. 4.20 op dat, ‘Indien en voor zover de vorderingen worden toegewezen, (…) de individuele Belanghebbenden schadevorderingen (kunnen) instellen of trachten een minnelijke regeling te treffen’. Het door het hof toegekende belang van de uitkomst van deze collectieve actie voor een eventuele schikking tussen de Stichting en/of de individuele belanghebbenden enerzijds en Rabobank c.s. anderzijds, is niet dragend voor het oordeel van het hof dat deze collectieve actie voordeel biedt boven individuele geschillenbeslechting. Afgezien hiervan geldt dat, ook als met Rabobank c.s. zou worden aangenomen dat een schikking, om welke reden dan ook, in dit geval geen reële optie is, zulks niet wegneemt dat de uitkomst van deze collectieve actie, zoals het hof ook aangeeft, van belang kan zijn in een vervolgprocedure van de Stichting jegens Rabobank c.s. of individuele procedures van de belanghebbenden jegens Rabobank c.s. Bovendien heeft het hof met zijn genoemde overwegingen in rov. 4.19 en 4.20 niet meer willen zeggen dan dat de uitkomst van deze collectieve actie kan bijdragen aan het treffen van een schikking. Het hof heeft geenszins tot uitdrukking gebracht of gesuggereerd dat Rabobank c.s. bij toewijzing van (een of meer van) de vorderingen A, B en D een schikking met de Stichting en/of de belanghebbenden zullen treffen of daartoe bereid zullen zijn. Hoe dan ook is het niet onbegrijpelijk dat het hof, in het kader van de vraag of deze collectieve actie meerwaarde biedt boven individuele geschillenbeslechting, rekening heeft gehouden met de mogelijkheid tot het treffen van een schikking bij toewijzing van (een of meer van) de gevorderde verklaringen voor recht. 3.28 Subonderdeel 1e bestrijdt de overweging van het hof in rov. 4.20 dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de groep daadwerkelijk benadeelde belanghebbenden zo klein is dat de collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven door hen individueel in te stellen vorderingen. Volgens de klacht kan deze overweging het oordeel van het hof dat de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie niet dragen. Uit het bestaan van daadwerkelijk benadeelde belanghebbenden en de omvang daarvan kan niet (zonder meer) worden geconcludeerd dat de belanghebbenden baat hebben bij deze collectieve actie. Het subonderdeel voert ook hier weer aan dat de behandeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van individuele procedures. 3.29 Het subonderdeel faalt in het spoor van subonderdeel 1b. 3.30 Subonderdeel 1f ziet op de overwegingen van het hof in rov. 4.19 (i) dat aan de vorderingen A(3) en D ten grondslag is gelegd dat het Unierechtelijk kartelverbod is overtreden, dus dat sprake is van samenspanning door Rabobank c.s. met een onmiddellijk en wezenlijk effect binnen de Europese Unie, (ii) dat de vorderingen zich daarom lenen voor bundeling, ook al zal het recht dat van toepassing is op de onrechtmatige daad mogelijk tot (verdere) beoordeling van de aansprakelijkheid van Rabobank c.s.
Volledig
naar verschillende rechtsstelsels leiden, en (iii) dat de vorderingen bewerkstelligen dat het daaraan ten grondslag gelegde onrechtmatig handelen van Rabobank c.s. – waaronder de aan de vorderingen A(3) en D ten grondslag gelegde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod, die (nog) niet is vastgesteld in een beschikking van de Europese Commissie of een nationale mededingingsautoriteit – in één keer in deze procedure kan worden beoordeeld. Voor zover het hof deze overwegingen ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de belanghebbenden zijn gebaat bij deze collectieve actie, kunnen zij dat oordeel volgens het middel niet dragen. De beoordeling van de vorderingen A(3) en D biedt geen uitsluitsel over de vraag of jegens een individuele belanghebbende onrechtmatig is gehandeld, zodat hoe dan ook op individuele basis moet worden geprocedeerd. Dit geldt te meer (i) indien de vordering van een belanghebbende in een individuele procedure moet worden beoordeeld aan de hand van een ander toepasselijk recht, en (ii) nu de enkele vaststelling van een schending van het Unierechtelijk kartelverbod niet (zonder meer) met zich brengt dat sprake is van onrechtmatigheid jegens de belanghebbenden. De vorderingen A(3) en D kunnen dan ook niet bijdragen aan het vorderen van schade in een individuele procedure. Aldus kan het beweerde onrechtmatig handelen ook niet (voor de vorderingen A(3) en D) in één keer in deze procedure worden vastgesteld, hetgeen het hof zou hebben miskend. 3.31 Het subonderdeel faalt in het spoor van de subonderdelen 1a en 1b. Het middel miskent de strekking van rov. 4.19, gelezen in samenhang met rov. 4.18 en 4.20, die hierop neerkomt dat een beoordeling van (de gedragingen die ten grondslag zijn gelegd aan) de vorderingen A, B en D kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming, mede omdat in het kader van de vorderingen A(3) en D vastgesteld zal moeten worden of Rabobank c.s. het Unierechtelijke kartelverbod hebben overtreden. Hiervoor zal moeten worden beoordeeld of (medewerkers van) Rabobank c.s. onderling hebben samengespannen teneinde de JPY LIBOR ongeoorloofd te beïnvloeden. In dat verband zal aan bod komen de vraag of (medewerkers van) Rabobank c.s. submissions voor de JPY LIBOR onderling hebben afgestemd teneinde deze rentebenchmark ongeoorloofd te beïnvloeden. Een bevestigend antwoord zal zowel voor de Stichting als voor de individuele belanghebbenden van toegevoegde waarde zijn in het kader van de vervolgstappen tegen Rabobank c.s. (bij het vorderen van schadevergoeding in vervolgprocedures of in het kader van het treffen van een minnelijke regeling). Kortom, de vorderingen A(3) en D zijn, net als de overige vorderingen onder A en B, gericht op het verkrijgen van duidelijkheid over een grondslag voor aansprakelijkheid van Rabobank c.s. in verband met de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR. Anders dan het middel aanvoert, zie ik niet in dat de (mogelijke) toepassing van verschillende (door de regels van internationaal privaatrecht aangewezen) rechtsstelsels op de vorderingen A(3) en D eraan in de weg zou kunnen staan dat de behandeling van deze vorderingen in een collectieve actie voordeel biedt boven individuele geschilbeslechting. De toepassing van verschillende rechtsstelsels zal de beoordeling van de vorderingen A(3) en D hooguit ingewikkelder en daarmee tijdrovender kunnen maken, maar neemt niet weg dat het resultaat van de uiteindelijke beoordeling van deze vorderingen volgens het daarop toepasselijke rechtsstelsel van belang zal kunnen zijn voor de verdere afwikkeling van het geschil (in of buiten rechte) met Rabobank c.s. 3.32 Subonderdeel 1g voert aan dat, voor zover het hof zijn overwegingen in rov. 4.17 ook ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in rov. 4.20 dat de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie, dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk is. Deze overwegingen bieden geen (afdoende) weerlegging van het betoog in subonderdeel 1a dat deze collectieve actie de rechthebbenden geen enkel voordeel biedt boven individuele procedures. Deze overwegingen kunnen evenmin bijdragen aan het oordeel van het hof dat de belanghebbenden baat hebben bij de onderhavige collectieve actie, om de redenen genoemd in onderdeel 2. 3.33 De klacht faalt. In de eerste volzin van rov. 4.17 overweegt het hof dat het niet noodzakelijk is dat de belanghebbenden waarvoor de Stichting in deze collectieve actie opkomt zich aantoonbaar bij de Stichting hebben gemeld of dat de Stichting op een andere manier de individuele leden behorend tot haar achterban identificeert. Dat het hof deze overweging ten grondslag zou hebben gelegd aan zijn oordeel dat de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie, zoals het middel betoogt, lees ik niet terug in rov. 4.18 t/m 4.20 (waarin het hof beoordeelt of deze collectieve actie meerwaarde biedt boven individuele procedures) of elders in het tussenarrest. Vanaf de tweede volzin van rov. 4.17 gaat het hof in op de vraag of de belangen ter bescherming waarvan de vorderingen A, B en D strekken zich lenen voor bundeling en daarmee is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 (oud) BW. In rov. 4.17 concludeert het hof dat deze belangen zich voor bundeling lenen. Het hof herhaalt deze conclusie in rov. 4.19 (‘De vorderingen lenen zich daarom voor bundeling (…)’) specifiek met betrekking tot de vorderingen A(3) en D, en wel in het kader van de beoordeling (in rov. 4.18 t/m 4.21) of deze collectieve actie voordeel biedt boven individuele geschillenbeslechting. Aldus bezien, zou kunnen worden gezegd dat het hof de (met rov. 4.19 overeenstemmende) inhoud van rov. 4.17, tweede volzin e.v., (dat de met de vorderingen A, B en D (rov. 4.17) en specifiek de vorderingen A(3) en D (rov. 4.19) gemoeide belangen zich lenen voor bundeling) (ook) ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie. Anders dan het middel aanvoert, is dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. Of de (met de vorderingen gemoeide) belangen zich lenen voor bundeling in een collectieve actie is immers, zo is de gedachte van de wetgever, een aspect dat samenhangt met de vraag of de collectieve actie voordeel biedt boven individuele geschilbeslechting. Als de belangen zich lenen voor bundeling is aan het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 (oud) BW voldaan en wordt verondersteld dat de collectieve actie meerwaarde heeft boven individuele geschillenbeslechting. Voor het overige herhaalt het subonderdeel klachten uit de voorgaande subonderdelen of bouwt het daarop voort. Voor zover het subonderdeel is gebaseerd onderdeel 2, verwijs ik naar de bespreking daarvan in 3.39 e.v. van mijn conclusie. 3.34 Subonderdeel 1h ziet op de overweging in rov. 4.26, laatste volzin, dat in het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van de Stichting met betrekking tot de vorderingen A, B en D is verdisconteerd dat, naar niet in geschil is, de (individuele) schadevaststelling een zeer complexe aangelegenheid zal zijn en voorts dat mogelijk zal blijken dat wel kan worden vastgesteld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat het zeer moeilijk is om de (individuele) schade van de belanghebbenden te begroten. Volgens het middel kan (ook) deze overweging het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie niet dragen. Het hof zou hebben miskend dat het er niet om gaat of de individuele schadevaststelling complex zal zijn of niet. Waar het om gaat is of de belanghebbenden baat hebben bij de beoordeling van de gevorderde verklaringen voor recht. Hiervan is geen sprake, omdat op individuele basis moet worden geprocedeerd en de vorderingen A, B en D bij toewijzing niets kunnen bijdragen aan die individuele procedures. Voor zover het hof in rov.
Volledig
4.26, laatste volzin, heeft overwogen dat individuele vragen in de individuele vervolgprocedures aan de orde kunnen komen, miskent het hof, zo betoogt het middel, dat voor de vraag naar de aansprakelijkheid jegens een individuele belanghebbende een individuele beoordeling (van de onrechtmatigheid) nodig is waarvoor geen ruimte is in deze collectieve actie. 3.35 Anders dan het middel veronderstelt, heeft het hof de overweging in de laatste volzin van rov. 4.26 over het verdisconteren van de complexiteit van de individuele schadevaststelling in het oordeel over de ontvankelijkheid, niet ten grondslag gelegd aan zijn oordeel in rov. 4.20 dat deze collectieve actie de belanghebbenden voordeel biedt boven het voeren van individuele procedures. In rov. 4.26 heeft het hof slechts tot uitdrukking gebracht dat het bij zijn oordeel over de ontvankelijkheid rekening heeft gehouden met de complexiteit van de individuele schadevaststelling. Dat is op zichzelf genomen niet onjuist en bevestigt juist dat het hof het betoog van Rabobank c.s. over de relevantie van individuele omstandigheden van de belanghebbenden heeft betrokken in zijn oordeel over de ontvankelijkheid van de Stichting in deze collectieve actie. Anders dan het middel veronderstelt, kan de onrechtmatigheid van de gedragingen die Rabobank c.s. op grond van de vorderingen A, B en D worden verweten, in deze collectieve actie worden beoordeeld zonder daarbij de bijzondere omstandigheden van de individuele belanghebbenden te betrekken. Of Rabobank c.s. jegens individuele belanghebbenden onrechtmatig hebben gehandeld op grond van een specifieke fixing, valt buiten het bestek van deze collectieve actie. 3.36 Subonderdeel 1i voert aan dat de overige overwegingen in rov. 4.16 t/m 4.20 en 4.26, zelfstandig of in samenhang beschouwd, het voorgaande niet anders maken, om dezelfde redenen als genoemd in de subonderdelen 1a t/m 1h, en bieden volgens het middel geen steun aan het oordeel dat de belanghebbenden baat hebben bij deze collectieve actie. 3.37 Dit subonderdeel mist zelfstandig betekenis. 3.38 Geen van de klachten van onderdeel 1 slaagt. 3.39 Onderdeel 2 van het cassatiemiddel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.16 e.v. van het tussenarrest dat de belangen van de belanghebbenden voldoende gelijksoortig zijn en zich hierdoor lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Volgens het middel heeft het hof hetzij de maatstaf voor de beoordeling van gelijksoortige belangen miskend, hetzij onvoldoende gemotiveerd waarom aan dit vereiste zou zijn voldaan. De vorderingen A, B en D beantwoorden geen vragen die voor de individuele belanghebbenden van belang zijn. Bovendien zijn de belangen van de belanghebbenden niet gelijksoortig en niet bundelbaar, omdat zij tegenstrijdig zijn. Het onderdeel valt uiteen in zes subonderdelen (a t/m f). 3.40 Subonderdeel 2a voert het volgende aan. Het vaststellen van aansprakelijkheid jegens individuele belanghebbenden in verband met de verweten gedragingen van Rabobank c.s. leent zich niet voor een gebundelde aanpak, althans niet door middel van de vorderingen A, B en D. Met deze vorderingen kan, nu daarbij de individuele omstandigheden van de belanghebbenden niet worden betrokken, hooguit in abstracto – en dus geen rechtens relevant – antwoord worden gegeven op de vraag of die gedragingen onrechtmatig zijn, en dus niet op de vraag jegens wie die gedragingen onrechtmatig zijn. Eveneens kan, in abstracto, antwoord worden verkregen op de vraag of de verweten gedragingen tot schade kunnen hebben geleid bij (een deel van) de belanghebbenden, maar niet op de vraag of daadwerkelijk sprake is van schade, laat staan wie concreet schade zou kunnen hebben geleden. Hoe dan ook zal op individuele basis geprocedeerd moeten worden, waarbij de gevorderde verklaringen voor recht geen enkele meerwaarde bieden. In individuele procedures zullen de bijzondere omstandigheden van de belanghebbenden betrokken moeten worden. Bovendien zijn de belangen van de belanghebbenden tegenstrijdig, omdat een belanghebbende alleen schade heeft geleden als hij op al zijn (op de JPY LIBOR gebaseerde) transacties (per saldo) nadeel heeft geleden. De belangen van de belanghebbenden zijn derhalve niet gelijksoortig of bundelbaar en deze collectieve actie kan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ook niet bevorderen. Deze collectieve actie biedt geen enkel voordeel boven individuele geschillenbeslechting. Het andersluidende oordeel van het hof is rechtens onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd, aldus het middel. 3.41 Voor zover het middel betoogt dat deze collectieve actie geen toegevoegde waarde heeft boven individuele procedures, zijn klachten van dezelfde strekking reeds behandeld en verworpen in het kader van onderdeel 1. Voor zover het middel aanvoert dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de gelijksoortigheidseis is voldaan, geldt het volgende. Naar mijn mening heeft het hof terecht en op grond van een begrijpelijke motivering geoordeeld dat de belanghebbenden voldoende gelijksoortig belang hebben bij de vorderingen A, B en D. Ik leg dit als volgt uit. 3.42 Ik heb hiervoor (3.12 van mijn conclusie) uiteengezet welke vragen in deze collectieve actie kunnen worden behandeld en opgehelderd over de vermeende betrokkenheid van (medewerkers van) Rabobank c.s. bij de (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR in de relevante periode van 1 januari 2001 t/m 30 juni 2011. In deze collectieve actie kan antwoord worden gegeven op de vraag (vordering A) in hoeverre de interne (administratieve) organisatie en/of het interne toezichtsapparaat van Rabobank heeft bijgedragen aan de vermeende manipulatie van de JPY LIBOR, of (medewerkers van) Rabobank de JPY LIBOR (hebben/) heeft gemanipuleerd, althans (hebben/) heeft samengespannen met een of meer medegedaagden om de JPY LIBOR te manipuleren, en of Rabobank hierdoor (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig heeft gehandeld, de vraag (vordering B) of Rabobank zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de JPY LIBOR, en de vraag (vordering D) of (medewerkers van) Lloyds c.s. ieder voor zich hebben samengespannen met een of meer medegedaagden teneinde de JPY LIBOR te manipuleren, of sprake is van overtreding van het kartelverbod van art. 101 VWEU, en of Lloyds c.s. hierdoor (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig hebben gehandeld. Dit zijn algemene, van de bijzondere omstandigheden in individuele gevallen geabstraheerde, vragen die voldoende gemeenschappelijk en relevant zijn voor alle belanghebbenden die stellen gedupeerd te zijn door de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. Het antwoord op deze vragen zal van belang zijn voor de rechtspositie van de individuele belanghebbenden in verband met hun aanspraak op schadevergoeding. Bij de beoordeling van de vordering tot schadevergoeding van de individuele belanghebbenden in vervolgprocedures zullen dezelfde vragen aan bod komen, maar dan toegespitst op de concrete omstandigheden van het geval. In individuele gevallen zal, bij toewijzing van (een of meer van) de vorderingen A, B en D, (hierop voortbordurend) vastgesteld moeten worden of in de relevante periode een specifieke belanghebbende is getroffen door een specifieke fixing die aan Rabobank c.s. kan worden toegeschreven en of deze belanghebbende daardoor (per saldo) verlies heeft geleden. De belangen tot bescherming waarvan de vorderingen A, B en D strekken, zijn niet te divers of veelsoortig en lenen zich voor bundeling. De beantwoording van de aan de orde gestelde – algemene, voldoende gemeenschappelijke en in vervolgprocedures relevante – vragen in een collectieve actie in plaats van in individuele procedures, bevordert dan ook een efficiënte en effectieve rechtsbescherming van de belanghebbenden. 3.43 Deze collectieve actie betreft uitsluitend de vraag of de Rabobank c.s.
Volledig
verweten gedragingen (de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR) in rechte kunnen worden vastgesteld en, zo ja, of deze gedragingen onrechtmatig zijn, al dan niet wegens een schending van het kartelverbod van art. 101 VWEU (vorderingen A en D), en of is voldaan aan de vereisten voor mede-aansprakelijkheid (vordering B). Bij de beantwoording van deze generieke vragen kan worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden van de individuele belanghebbenden. De vraag of, en zo ja, in hoeverre Rabobank c.s. jegens individuele belanghebbenden tot schadevergoeding zijn gehouden voor de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR, behoeft niet te worden betrokken in het kader van de beoordeling van de onrechtmatigheid van de gedragingen die Rabobank c.s. worden verweten. De door Rabobank c.s. benoemde individuele verschillen (in de feitelijke en juridische posities) tussen de belanghebbenden zijn relevant voor de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, maar kunnen niet afdoen aan het gelijksoortige belang van de belanghebbenden bij de gevorderde verklaringen voor recht. De vorderingen van de Stichting vragen om een generieke beoordeling van de gestelde onrechtmatigheid op grond van de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. De behandeling van deze vorderingen en de beantwoording van de – algemene en voldoende gemeenschappelijke – vragen die daarin besloten liggen, vereisen in deze collectieve actie geen analyse van de individuele omstandigheden van de belanghebbenden. De Stichting vraagt namelijk niet om een oordeel dat tegenover elk van de belanghebbenden onrechtmatig is gehandeld, maar slechts om een algemeen onrechtmatigheidsoordeel. Tegen deze achtergrond heeft het hof kunnen oordelen dat de belanghebbenden (een zich voor bundeling lenend) voldoende gelijksoortig belang hebben bij de vorderingen A, B en D. Aldus kan in één procedure geoordeeld worden over de door de Stichting aan de orde gestelde geschilpunten in het kader van de vorderingen A, B en D. 3.44 Voor het vaststellen van de schade, waar het hof in rov. 4.17 aan memoreert, geldt in wezen hetzelfde. Het hof heeft in rov. 4.17 overwogen dat de vraag of de gedragingen die Rabobank c.s. worden verweten tot schade kunnen hebben geleid bij (een deel van de) belanghebbenden, kan worden beantwoord zonder daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden te betrekken. Deze overweging zou kunnen slaan op (uitsluitend) vordering B, die is gestoeld op groepsaansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat, indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. De vraag naar de kans op het toebrengen van schade, in de hiervoor bedoelde – algemene – zin, kan daarmee relevant zijn voor de beoordeling van vordering B. Bij deze lezing van rov. 4.17 heeft het hof de met vordering B gemoeide belangen van de belanghebbenden terecht gelijksoortig geacht, omdat voor de beoordeling van vordering B de individuele schade niet vastgesteld behoeft te worden. Dat geldt echter ook wanneer rov. 4.17 zo zou moeten worden gelezen, dat het hof heeft gedoeld op de schade die de belanghebbenden stellen te hebben geleden op grond van de vorderingen A en D. Ook bij die lezing schort er niets aan het oordeel van het hof over de bundelbaarheid van de belangen. Immers, de vorderingen van de Stichting vragen niet om een oordeel dat tegenover elk van de belanghebbenden onrechtmatig is gehandeld met schade tot gevolg, maar slechts om een algemeen oordeel dat Rabobank c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, bedoeld als opmaat voor het vorderen van schadevergoeding. De schadevaststelling van de individuele belanghebbenden valt derhalve buiten het bestek van deze collectieve actie. Dat het hof hiervoor oog heeft gehad, blijkt uit rov. 4.19, laatste volzin (‘als opmaat voor het vorderen van schadevergoeding’), rov. 4.20, derde volzin (‘Het ligt in de rede dat de schadebegroting per Belanghebbende een nadere feitenvaststelling zal vergen …’), en rov. 4.26, laatste volzin (‘maar niet in geschil is, [dat] de (individuele) schadevaststelling een zeer complexe aangelegenheid zal zijn en voorts dat mogelijk zal blijken dat wel kan worden vastgesteld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat het zeer moeilijk is om de (individuele) schade van de Belanghebbenden te begroten’). 3.45 Waar het middel stelt dat de belangen van de belanghebbenden tegenstrijdig zijn, omdat een belanghebbende alleen schade heeft geleden als hij op al zijn (op de JPY LIBOR gebaseerde) transacties (per saldo) nadeel heeft geleden, geldt het volgende. In rov. 4.17 overweegt het hof dat de gestelde beïnvloeding van de rentebenchmarks ook gunstig kan hebben uitgepakt voor de (individuele) belanghebbenden. Afhankelijk van zijn positie bij een aan de JPY LIBOR gekoppelde transactie, kan een belanghebbende nadeel maar ook voordeel hebben ondervonden van een fixing. Een fixing zou dus tegelijkertijd voordeel voor sommige belanghebbenden en nadeel voor andere belanghebbenden hebben kunnen opgeleverd. Dit zou inderdaad tot tegenstrijdige belangen van de belanghebbenden kunnen leiden, ware het niet – het hof wijst daar ook op in rov. 4.17 – dat de Stichting blijkens haar (in rov. 3.4 genoemde) statuten alleen opkomt voor belanghebbenden die een in de statuten omschreven claim stellen te hebben en dus nadelige gevolgen stellen te hebben ondervonden van de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van (voor zover relevant) de JPY LIBOR. De groep van belanghebbenden is daarmee (voldoende) afgebakend: de Stichting komt alleen op voor belanghebbenden die (netto) nadelige consequenties (stellen te) hebben ondervonden van de ongeoorloofde beïnvloeding van (in dit geval) de JPY LIBOR. De belanghebbenden die een (netto) voordeel hebben genoten van de gestelde ongeoorloofde beïnvloeding hebben geen baat bij deze collectieve actie. Of een belanghebbende daadwerkelijk (per saldo) verlies of winst heeft geleden als gevolg van de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s., zal in individuele vervolgprocedures aan de orde moeten komen. Anders gezegd, deze collectieve actie is uitsluitend bedoeld om een algemeen onrechtmatigheidsoordeel te krijgen over de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. Die beoordeling kan plaatsvinden zonder in te gaan op de voordelige of nadelige gevolgen van specifieke fixings voor de individuele belanghebbenden. Dit laatste zal in individuele vervolgprocedures aan bod moeten komen. Aldus beschouwd, bestaat in deze collectieve actie geen gevaar op uiteenlopende belangen van de belanghebbenden voor wie de Stichting opkomt. In individuele vervolgprocedures zullen de belanghebbenden die (per saldo) nadeel hebben ondervonden geholpen zijn met een algemeen onrechtmatigheidsoordeel over de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. Dat is nu juist de inzet van deze collectieve actie. De gelijksoortige belangen van de belanghebbenden die zijn gemoeid met een algemeen onrechtmatigheidsoordeel over de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s., lenen zich dan ook voor bundeling in deze collectieve actie. Tegen deze achtergrond kan niet worden volgehouden dat de belanghebbenden een tegenstrijdig belang hebben dat in de weg staat aan de bundelbaarheid van hun, met de gevorderde verklaringen voor recht gemoeide belangen. 3.46 Subonderdeel 2b voert het volgende aan. Een eiser moet op grond van art. 3:302 BW niet-ontvankelijk worden verklaard indien de gevorderde verklaring voor recht geen betrekking heeft op een bepaalde rechtsverhouding tussen de procespartijen en onvoldoende duidelijk is welk rechtsgevolg aan de gevorderde verklaring voor recht kan worden verbonden.
Volledig
Het hof heeft ten onrechte niet (ambtshalve) aan dit vereiste getoetst. In deze zaak wordt door de generieke verklaringen voor recht niet duidelijk waar dat de belanghebbenden brengt: van een rechtens relevante onrechtmatigheid kan pas sprake zijn als antwoord wordt gegeven op de vraag in hoeverre een belanghebbende is getroffen door een bepaalde fixing en de individuele omstandigheden van de belanghebbenden worden beoordeeld. Dit gebeurt in deze collectieve actie niet. Onduidelijk is op welke rechtsverhouding en daarbij onmiddellijk betrokken personen de verklaringen voor recht zien. De gevorderde verklaringen voor recht kunnen niet tot een rechtsgevolg leiden. Dit vereiste geldt ook bij een collectieve actie: bij een collectieve vordering die niet kan resulteren in een vaststelling van een rechtsverhouding met personen voor wie de belangenbehartiger zegt op te komen, kan ook niet duidelijk zijn welke belangen worden behartigd, of die belangen voldoende bundelbaar en gelijksoortig zijn, en of een efficiënte en effectieve rechtsbescherming kan worden bevorderd. Dit alles heeft het hof miskend, althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van het betoog dat de individuele omstandigheden wel moeten, maar met de generieke verklaringen voor recht niet kunnen worden betrokken. 3.47 De klacht faalt. De vorderingen A, B en D hebben betrekking op een beweerdelijke rechtsverhouding bestaande uit een onrechtmatige daad (ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR) gepleegd door Rabobank c.s. tegenover de belanghebbenden. Zoals hiervoor bij de bespreking van subonderdeel 2a aan de orde kwam, is de vaststelling van de vermeende onrechtmatige daad voor de belanghebbenden rechtens relevant en leent de algemene onrechtmatigheidsvraag zich voor beoordeling in deze collectieve actie. Het doel van deze collectieve actie is dat individuele belanghebbenden bij toewijzing van (een of meer van) de gevorderde verklaringen voor recht zich hierop kunnen beroepen – rechtsgevolg daaraan kunnen verbinden – in vervolgprocedures of in het kader van schikkingsonderhandelingen. Bovendien is voldoende duidelijk voor welke (afgebakende groep van) belanghebbenden de Stichting blijkens haar statuten opkomt. Verder volg ik het middel niet waar het betoogt dat niet is voldaan aan art. 3:302 BW omdat onvoldoende duidelijk is tot welk rechtsgevolg de gevorderde verklaringen voor recht kunnen leiden. Met de gevorderde verklaringen voor recht beoogt de Stichting een vaststelling in rechte dat Rabobank c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan (pogingen tot) de ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR en zij hiervoor aansprakelijk kunnen worden gehouden. Dat met deze verklaringen voor recht het uiteindelijke doel van de belanghebbenden tot vergoeding van hun schade nog niet is bereikt, neemt niet weg dat deze verklaringen voor recht wel kunnen worden gebruikt in individuele vervolgprocedures of in het kader van schikkingsonderhandelingen. Daarin ligt het belang van de gevorderde verklaringen voor recht voor de belanghebbenden. 3.48 Subonderdeel 2c voert aan dat de overwegingen uit rov. 4.17 onjuist en onbegrijpelijk zijn en het oordeel van het hof over het gelijksoortigheidsvereiste niet kunnen dragen. Het middel werkt dit uit in verschillende klachten onder (i) t/m (v). 3.49 De klachten falen omdat zij in de kern een herhaling zijn van of voortbouwen op klachten die reeds zijn besproken en verworpen in de subonderdelen 2a en 2b. De klachten behoeven geen afzonderlijke bespreking. 3.50 Subonderdeel 2d keert zich tegen verschillende overwegingen uit rov. 4.19. Volgens de klacht zijn deze overwegingen onjuist en onbegrijpelijk en kunnen zij daarom niet het oordeel van het hof over het gelijksoortigheidsvereiste dragen. Het subonderdeel werkt dit verder uit onder (i) t/m (iii). 3.51 Onder (i) betoogt het middel als volgt. Het oordeel van het hof dat aan de vorderingen A(3) en D ten grondslag is gelegd dat het Unierechtelijk kartelverbod is overtreden, dus dat sprake is van samenspanning door Rabobank c.s. met een onmiddellijk en wezenlijk effect binnen de Europese Unie, en de vorderingen zich daarom lenen voor bundeling, is onjuist althans onbegrijpelijk. Een relevant gezichtspunt bij de beoordeling van de gelijksoortigheidseis is of de belangen (en niet de vorderingen) van de belanghebbenden zich lenen voor bundeling. Uit de omstandigheid dat vorderingen zich zouden kunnen lenen voor bundeling volgt niet (zonder meer) dat ook belangen zich lenen voor bundeling. Dat de vorderingen A(3) en D allebei zien op de vraag of het Unierechtelijk kartelverbod is geschonden, maakt dit niet anders. De omstandigheid dat de rechtsgrond van deze vorderingen gelijk is (althans afhankelijk van het toepasselijk recht gelijk kan zijn), maakt niet (zonder meer) dat ook de belangen van de belanghebbenden bundelbaar zijn. De belangen van de personen namens wie een beroep op dezelfde rechtsgrond wordt gedaan, kunnen wel degelijk verschillen, hetgeen in de onderhavige zaak ook het geval is. Het oordeel van het hof in rov. 4.19 weerlegt in ieder geval niet, althans onvoldoende, het betoog van Rabobank c.s. dat de belangen van de beweerde belanghebbenden niet bundelbaar en zelfs tegenstrijdig zijn. 3.52 Bij de behandeling van het baatvereiste besteedt het hof in rov. 4.19 aandacht aan wat de Stichting met de vorderingen A, B en D beoogt en wat zij aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd. In dat verband merkt het hof op dat aan de vorderingen A(3) en D ten grondslag is gelegd dat het Unierechtelijke kartelverbod is overtreden, dus dat sprake is van samenspanning door Rabobank c.s. met een onmiddellijk en wezenlijk effect binnen de Europese Unie, en dat de vorderingen zich daarom lenen voor bundeling, ook al zal het recht dat van toepassing is op de onrechtmatige daad mogelijk tot (verdere) beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van Rabobank c.s. naar verschillende rechtsstelsels leiden. Nog daargelaten dat deze overwegingen betrekking hebben op het baatvereiste, geldt dat het aangevallen oordeel in rov. 4.19, derde volzin, dat de vorderingen A(3) en D zich voor bundeling lenen, zelfstandig wordt gedragen door de (in de voorgaande subonderdelen tevergeefs bestreden) overwegingen van het hof in rov. 4.17 dat de belanghebbenden voldoende gelijksoortig belang hebben bij de vorderingen A, B en D, de belangen van de belanghebbenden zich hierdoor lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming van de belanghebbenden kan worden bevorderd. 3.53 Onder (ii) betoogt het middel als volgt. Onjuist althans onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 4.19, derde volzin, dat de vorderingen zich lenen voor bundeling, ook al zal het recht dat van toepassing is op de gestelde onrechtmatige daad mogelijk tot (verdere) beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van Rabobank c.s. naar verschillende rechtsstelsels leiden. Het recht dat van toepassing is op de vorderingen van de Stichting moet per belanghebbende, per vordering en per aangesproken partij worden vastgesteld. Dit kan leiden tot toepassing van een veelheid van rechtsstelsels, waaronder mogelijk het recht van een derde staat (waar het VWEU toepassing mist). Het hof heeft miskend dat ook dit aan de bundelbaarheid in de weg staat. Dit is in feitelijke instanties aangevoerd en het hof heeft hier ten onrechte niet op gerespondeerd. Deze stellingname is essentieel omdat de vraag naar het toepasselijk recht van belang is bij de beoordeling of onrechtmatig jegens een belanghebbende is gehandeld en daarmee ook bij de beoordeling of sprake is van bundelbare/gelijksoortige belangen. 3.54 Anders dan het middel betoogt, zie ik niet in waarom de mogelijke toepassing van verschillende (op grond van de regels van internationaal privaatrecht aangewezen) rechtsstelsels op de gevorderde verklaringen voor recht in de weg zou staan aan de bundelbaarheid van belangen. De (aard van de) vragen die met de vorderingen van de Stichting aan de orde worden gesteld, die in de kern erop neerkomen of Rabobank c.s.