Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2026-01-23
ECLI:NL:PHR:2026:106
Civiel recht
8,101 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:2026:106 text/xml public 2026-01-29T12:13:03 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-01-23 24/03432 Conclusie NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:106 text/html public 2026-01-29T12:12:56 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:106 Parket bij de Hoge Raad , 23-01-2026 / 24/03432 Collectieve actie. Verklaring voor recht m.b.t. manipulatie van JPY LIBOR rentebenchmark. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter (art. 8 sub 1 Brussel I-bis, art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag, art. 7 lid 1 Rv); eenzelfde situatie rechtens. Ontvankelijkheidseisen (art. 3:305a (oud) BW); meerwaarde van collectieve actie boven individuele geschillenbeslechting. Uitzondering op verbod van terugwijzing? PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/03432 Zitting 23 januari 2026 CONCLUSIE F. Ibili In de zaak Stichting Elco Foundation, gevestigd te Amsterdam, eiseres tot cassatie tegen 1. Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam, de rechtspersonen naar buitenlands recht: 2. Lloyds Bank plc, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, 3. UBS AG, gevestigd te Zürich, Zwitserland, 4. UBS Securities Japan Co. Ltd, gevestigd te Tokio, Japan, 5. ICAP Europe Ltd, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, verweersters in cassatie Partijen worden hierna verkort aangeduid als de Stichting respectievelijk Rabobank, Lloyds, UBS Zwitserland, UBS Japan en ICAP. Verweersters in cassatie worden tezamen aangeduid als Rabobank c.s. 1 Inleiding 1.1 In deze collectieve actie op grond van art. 3:305a (oud) BW vordert de Stichting verklaringen voor recht over onrechtmatige gedragingen van Rabobank c.s. in verband met vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR rentebenchmark. De Stichting heeft hieraan ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat sprake is geweest van een samenwerking tussen Rabobank c.s. in de vorm van een op grond van art. 101 VWEU verboden kartel waarin (pogingen tot) de ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR onderling werd(en) afgestemd. In deze cassatieprocedure komen de volgende vragen aan bod. 1.2 Allereerst rijst de vraag of de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de gevorderde verklaring voor recht op grond van groepsaansprakelijkheid van Lloyds, UBS Zwitserland, UBS Japan en ICAP. In het bijzonder komt aan bod of tussen de vorderingen uit hoofde van groepsaansprakelijkheid tegen de Nederlandse ankergedaagde Rabobank en de buitenlandse medegedaagden Lloyds, UBS Zwitserland, UBS Japan en ICAP een voldoende nauwe band rechtens bestaat die rechtvaardigt dat de vorderingen tegen alle gedaagden gezamenlijk worden behandeld door de Nederlandse rechter als het thuisforum van de ankergedaagde. 1.3 Vervolgens rijst de vraag of de Stichting op grond van art. 3:305a (oud) BW ontvankelijk is in deze collectieve actie. Daarbij komt in het bijzonder aan bod of voor de ontvankelijkheid van de Stichting als zelfstandige voorwaarde kan worden gesteld dat deze collectieve actie de belanghebbenden voor wie de Stichting opkomt meerwaarde biedt boven individuele geschillenbeslechting. 1.4 Anders dan de rechtbank heeft het hof de Stichting deels ontvankelijk verklaard in deze collectieve actie. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van de vorderingen. In cassatie rijst de vraag of het hof hiermee het verbod van terugwijzing heeft geschonden. 1.5 Ten slotte komt de vraag aan bod of het hof in het dictum van het eindarrest ten onrechte onvermeld heeft gelaten dat de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen ankergedaagde Rabobank. 1.6 Deze zaak hangt samen met de zaken 24/03443, 24/03448, 24/03449 en 24/03452, die zich afspelen tussen de Stichting en een of meer door haar gedagvaarde partijen in verband met dezelfde vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR rentebenchmark. Ik concludeer heden ook in de samenhangende zaken. 2 Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie zijn de relevante feiten als volgt. 2.2 EURIBOR en LIBOR zijn verzamelnamen voor dagelijks gepubliceerde rentebenchmarks die worden gebruikt op de financiële markten. Op basis daarvan worden futures (termijncontracten), opties, swaps en andere derivaten die via de over-the-counter markten en andere beurzen worden verhandeld, afgewikkeld. Daarnaast worden EURIBOR en LIBOR als referentiekoers gebruikt voor rentedragende leningen. 2.3 De EURIBOR rentebenchmarks (voor verschillende looptijden) kwamen tot stand doordat Europese (panel)banken die zijn aangesloten bij de European Banking Federation iedere werkdag aan Thomson Reuters doorgaven tegen welk rentetarief zij dachten dat een hypothetische grootbank ongedekte leningen in euro’s met verschillende looptijden kon verstrekken of aantrekken. Na ontvangst van de tarieven van alle panelbanken werden de laagste en de hoogste weggestreept en vormde het gemiddelde van de overgebleven waarden de EURIBOR rentebenchmark voor de desbetreffende looptijd. 2.4 De verschillende LIBOR rentebenchmarks (voor verschillende valuta en verschillende looptijden) kwamen tot stand doordat een selectie van (panel)banken die zijn aangesloten bij de British Bankers’ Association elke werkdag aan Thomson Reuters doorgaven tegen welk rentetarief zij op dat moment op de interbancaire geldmarkt een lening verwachtten te kunnen aantrekken voor de verschillende looptijden. Elke LIBOR (valuta)rentebenchmark had een eigen samenstelling van panelbanken. Na ontvangst van de tarieven van alle panelbanken werden de laagste en de hoogste weggestreept en vormde het gemiddelde van de overgebleven waarden de LIBOR rentebenchmark voor de desbetreffende valuta en looptijd. 2.5 Het panel voor de JPY LIBOR bestond uit zestien banken, waaronder Rabobank, UBS Zwitserland en Lloyds. Rabobank was ook panelbank voor onder meer USD LIBOR, GBP LIBOR en EURIBOR. UBS Japan is rechtsopvolgster van UBS Securities Japan Ltd. Zij is actief op het gebied van investmentbanking en broker dealer operations. ICAP is een interdealer broker. Zij bemiddelt tussen financiële instellingen die opereren als handelaren in onder meer financiële instrumenten. Zij is zelf geen partij bij financiële transacties. 2.6 Vanaf medio 2008 hebben de Amerikaanse Commodity Futures Trading Commission (hierna: CFTC) en andere autoriteiten uit de Verenigde Staten en elders in de wereld (Europa en Azië) de indieningsprocessen van verschillende LIBOR en EURIBOR rentebenchmarks onderzocht. De CFTC heeft haar bevindingen neergelegd in verschillende Orders (hierna: CFTC-Order(s)). UBS Zwitserland, UBS Japan (hierna gezamenlijk: UBS c.s.), Lloyds en Rabobank hebben naar aanleiding hiervan met verschillende autoriteiten (schikkings)overeenkomsten gesloten. Daarbij zijn in een aantal gevallen Statements of Facts (hierna: SOF(‘s)) gevoegd met een door de desbetreffende bank onderschreven weergave van de voor de schikking relevante feiten. In Europa en de Verenigde Staten zijn verschillende bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en civiele (class action) procedures gevoerd en aanhangig in verband met vermeende beïnvloeding van rentebenchmarks. Rabobank c.s. zijn/waren in een aantal van deze procedures betrokken. 2.7 De statuten van de in juni 2016 opgerichte Stichting bepalen dat de Stichting onder meer tot doel heeft het behartigen van de belangen van de belanghebbenden die schade lijden, schade dreigen te lijden en/of schade hebben geleden ten gevolge van handelen of nalaten van de financiële instellingen dat aanleiding geeft tot een claim. De Stichting tracht dit doel te bereiken door onder meer het initiëren van gerechtelijke procedures in binnen- en buitenland, daaronder begrepen doch niet beperkt tot (in Nederland) het initiëren van procedures als bedoeld in art. 3:305a BW.
Volledig
2.8 Belanghebbenden zijn in de statuten van de Stichting gedefinieerd als alle personen (daaronder begrepen rechtspersonen) die gedurende de relevante periode (van 1 januari 2001 t/m 30 juni 2011) woonachtig, gevestigd en/of kantoorhoudend (een nevenvestiging of branch daaronder begrepen) waren in de Europese Unie en die volgens het desbetreffende toepasselijke rechtstelsel kwalificeren als of daarmee gelijk te stellen zijn aan (a) beleggingsondernemingen, (b) kredietinstellingen, (c) verzekeringsondernemingen, (d) instellingen voor collectieve belegging in effecten en de beheermaatschappijen daarvan, (e) pensioenfondsen en de beheermaatschappijen daarvan, (f) (andere) krachtens communautaire wetgeving van de Europese Unie of het nationale recht van een lidstaat vergunninghoudende of gereglementeerde financiële instellingen, (g) een partij die in de uitoefening van beroep of bedrijf voor eigen rekening beleggingsactiviteiten verricht en/of (h) authorised investmentmanagers, en die direct of indirect (i) een of meer transacties hebben verricht in afgeleide of niet-afgeleide financiële instrumenten waarop rente is betaald die was gekoppeld aan of afgeleid was van – voor zover van belang – de JPY LIBOR, GPB LIBOR, USD LIBOR en de EURIBOR (hierna: de rentebenchmarks), (ii) op een lening rente hebben betaald die was gekoppeld aan of afgeleid was van de rentebenchmarks dan wel, (iii) een of meer transacties anders dan hiervoor vermeld hebben verricht in welk verband een vergoeding is betaald die gerelateerd was aan, verwees naar of anderszins verband hield met de rentebenchmarks, welke transacties en/of betalingen buiten de Verenigde Staten hebben plaatsgevonden gedurende de relevante periode. 2.9 Claims zijn in de statuten van de Stichting gedefinieerd als klachten, aanspraken en vorderingen van belanghebbenden jegens een of meer financiële instellingen met betrekking tot (vermeende) verliezen of schade die geleden is of zal worden als direct of indirect gevolg van onder andere onrechtmatig handelen en/of wanprestatie, onder meer – maar daartoe niet beperkt – bestaande uit het op vermeend onwettige/onrechtmatige wijze, en al dan niet door samenspanning van financiële instellingen, manipuleren van de rentebenchmarks. 2.10 In deze procedure vordert de Stichting ten aanzien van Rabobank, voor zover van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Rabobank: (A) in de periode van 1 januari 2005 t/m 30 november 2010 (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig heeft gehandeld jegens belanghebbenden: (1) omdat zij haar interne (administratieve) organisatie en/of interne toezichtsapparaat zodanig had ingericht (een nalaten daaronder begrepen) dat het manipuleren van rentebenchmarks daardoor in de hand werd gewerkt, althans werd mogelijk gemaakt; en/of (2) doordat zij, althans haar werknemers, rentebenchmarks heeft/hebben gemanipuleerd, subsidiair dat heeft/hebben gedaan op de in paragraaf 10.1.20, 10.1.22 en 10.1.34 van de inleidende dagvaarding vermelde dagen; (3) doordat zij, althans haar werknemers, heeft/hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU, teneinde rentebenchmarks te manipuleren; (B) gelet op het onrechtmatig manipuleren van rentebenchmarks door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de rentebenchmarks met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW; (C) (op structurele en/of doorlopende basis) in de periode van 1 januari 2005 t/m 30 november 2010 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van belanghebbenden. 2.11 In deze procedure vordert de Stichting ten aanzien van Lloyds, UBS c.s. en ICAP (hierna gezamenlijk: Lloyds c.s.), voor zover van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Lloyds c.s.: (D) ieder voor zich, althans hun werknemers, in de periode van 1 januari 2006 t/m 31 juli 2009 (Lloyds), 1 januari 2001 t/m 30 juni 2010 (UBS c.s.) en 1 juli 2006 t/m 31 december 2010 (ICAP) (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig hebben gehandeld jegens belanghebbenden doordat zij, althans hun werknemers, hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU, teneinde de JPY LIBOR te manipuleren; (E) ieder voor zich, althans hun werknemers, gelet op het onrechtmatig manipuleren van de JPY LIBOR door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de JPY LIBOR met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW. 2.12 Bij vonnis in incident van 14 augustus 2019 heeft de rechtbank Amsterdam, voor zover van belang, als volgt beslist. De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C (rov. 5.1). Ook is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen D en E, voor zover het JPY LIBOR betreft. Voor het overige (vorderingen anders dan onder A t/m E, die in hoger beroep en cassatie geen rol spelen) komt de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid toe. (rov. 7.1 t/m rov. 7.23) 2.13 Bij vonnis van 9 december 2020 heeft de rechtbank Amsterdam de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve actie. 2.14 Bij tussenarrest van 5 maart 2024 heeft het hof Amsterdam, voor zover van belang, als volgt beslist. De rechtbank heeft zich terecht bevoegd geacht ten aanzien van de vorderingen A, B en C (rov. 4.6). Ook is de rechtbank bevoegd ten aanzien van vordering D (rov. 4.8 t/m 4.12). Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe ten aanzien van vordering E (rov. 4.13). De rechtbank heeft de Stichting terecht niet-ontvankelijk verklaard wat betreft vordering C. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de Stichting wel ontvankelijk wat betreft de vorderingen A, B en D. (rov. 4.14 t/m 4.25) 2.15 Bij eindarrest van 11 juni 2024 heeft het hof Amsterdam de vonnissen van de rechtbank vernietigd (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) en, opnieuw rechtdoende, de Nederlandse rechter internationaal bevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering D, de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering E, de Stichting ontvankelijk verklaard wat betreft de vorderingen A, B en D, de Stichting niet-ontvankelijk verklaard wat betreft vordering C, en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam ter verdere afdoening. Ten slotte heeft het hof verlof verleend om cassatie in te stellen. 2.16 De Stichting heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het tussen- en eindarrest van het hof. Rabobank c.s. hebben verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek. 3 Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. 3.2 Onderdeel 1 bestrijdt rov. 4.13 van het tussenarrest waarin het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van vordering E op Lloyds c.s. Alvorens de klachten tegen dit bevoegdheidsoordeel te bespreken, merk ik het volgende op. 3.3 De internationale bevoegdheid, ook wel rechtsmacht, van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting in deze collectieve actie moet worden beoordeeld volgens verschillende bronnen van internationaal privaatrecht. Hiervoor is het volgende van belang. De vorderingen A, B en C hebben betrekking op Rabobank en de vorderingen D en E hebben betrekking op Lloyds c.s. Voor zover het gaat om de vorderingen op Rabobank, geldt voor de beoordeling van de rechtsmacht de Verordening Brussel I-bis. Ingevolge art. 4 lid 1 jo. art.
Volledig
63 lid 1 sub a Brussel I-bis is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen A, B en C, omdat Rabobank statutair is gevestigd in Amsterdam. Dit is verder ook niet in geschil. Voor zover het gaat om de vorderingen op Lloyds en ICAP, moet de rechtsmacht eveneens worden beoordeeld volgens de Verordening Brussel I-bis. Beide vennootschappen zijn immers gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de onderhavige zaak is in temporele zin ingeleid vóór de Brexit. Voor zover het gaat om de vorderingen op UBS Zwitserland, geldt voor de beoordeling van de rechtsmacht het EVEX II-Verdrag (art. 64 lid 2 sub a EVEX II-Verdrag). Voor zover het gaat om de vorderingen op UBS Japan, geldt voor de beoordeling van de rechtsmacht (nu een verdrag tussen Japan en Nederland hierover ontbreekt) het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht (art. 1 t/m 14 Rv). In de onderhavige cassatieprocedure staat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot vordering E op Lloyds c.s. ter discussie. 3.4 In cassatie geldt als (onbestreden) uitgangspunt dat, naar het hof in rov. 4.6 van het tussenarrest heeft vastgesteld, art. 8 sub 1 Brussel I-bis, art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv de enige in aanmerking komende bevoegdheidsbepalingen zijn waarop de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd om kennis te nemen van vordering E op Lloyds c.s. Over deze bevoegdheidsbepalingen merk ik het volgende op. 3.5 De bevoegdheidsregels van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag komen met elkaar overeen. Art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag is ontleend aan (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis is daarom ook van belang voor de uitleg van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag. Bij het opstellen van de bevoegdheidsregel van art. 7 lid 1 Rv is aansluiting gezocht bij (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Bij de uitleg van art. 7 lid 1 Rv moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De samenhang tussen deze verschillende bevoegdheidsregels en de relevantie van de rechtspraak van het HvJ EU over art. 8 sub 1 Brussel I-bis voor de uitleg van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv, heeft het hof benoemd in rov. 4.7 van het tussenarrest. Over de uitleg van (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis bestaat de nodige rechtspraak van het HvJ EU. Dit verklaart waarom ik in mijn conclusie vooral aandacht zal besteden aan de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis, hoewel deze verordening in de kwestie jegens UBS c.s. formeel niet van toepassing is. Wat ik in het vervolg van mijn conclusie vermeld over de uitleg van art. 8 sub 1 Brussel I-bis geldt eveneens voor de uitleg van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv. 3.6 De bevoegdheidsregel van art. 8 sub 1 Brussel I-bis komt terug in de voorlopers van de Verordening Brussel I-bis, te weten in art. 6 sub 1 Brussel I en art. 6 sub 1 EEX-Verdrag . Art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 6 sub 1 Brussel I komen woordelijk overeen. Dit geldt niet voor art. 6 sub 1 EEX-Verdrag, zij het dat de uitleg die het HvJ EU aan deze bepaling heeft gegeven inhoudelijk overeenstemt met art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 6 sub 1 Brussel I. Gelet op de inhoudelijke overeenstemming tussen deze elkaar opvolgende bevoegdheidsregelingen en het belang van continuïteit in de uitleg van deze regelingen, is de rechtspraak van het HvJ EU over art. 6 sub 1 Brussel I en art. 6 sub 1 EEX-Verdrag eveneens van belang voor de uitleg van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Dat verklaart waarom ik in mijn conclusie ook zal verwijzen naar rechtspraak van het HvJ EU over art. 6 sub 1 EEX-Verdrag en art. 6 sub 1 Brussel I, hoewel deze bepalingen in de onderhavige zaak in temporele zin niet van toepassing zijn. 3.7 Uitgangspunt in de Verordening Brussel I-bis is dat internationale bevoegdheid toekomt aan de gerechten van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft (art. 4 lid 1 Brussel I-bis). Op dit uitgangspunt worden verschillende uitzonderingen gemaakt, waaronder in art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Deze bepaling is van belang wanneer dezelfde eiser nauw met elkaar samenhangende vorderingen heeft tegen meerdere verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie. In plaats van afzonderlijke procedures te voeren bij de gerechten van de woonplaats van de verweerders in verschillende lidstaten (art. 4 lid 1 Brussel I-bis), kan de eiser ervoor kiezen om de behandeling van de vorderingen tegen alle verweerders te concentreren bij het bevoegde gerecht in de lidstaat van de woonplaats van één van hen. Met het oog hierop bepaalt art. 8 sub 1 Brussel I-bis dat een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook kan worden opgeroepen, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op de voorwaarde dat tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag bevat een identieke bevoegdheidsregel. Art. 7 lid 1 Rv is iets anders geformuleerd (‘mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen’), maar sluit, wat betreft de vereiste samenhang tussen de vorderingen, aan bij art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De gedaagde bij wiens woonplaats wordt aangeknoopt om rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis aan te kunnen nemen tegen de medegedaagden uit andere lidstaten, wordt ook wel de ankergedaagde genoemd. De vordering tegen deze gedaagde wordt ook wel de ankervordering genoemd. 3.8 Voor zover van belang komt de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis neer op het volgende. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis moet autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van de verordening. Aangezien art. 8 sub 1 Brussel I-bis afwijkt van de hoofdregel van rechtsmacht in art. 4 lid 1 Brussel I-bis, moet deze bijzondere bevoegdheidsregel strikt worden uitgelegd. Deze uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis beoogt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallelle procedures bij de gerechten in verschillende lidstaten zo veel mogelijk te beperken en te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken tegen de verschillende verweerders beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereist dat tussen de vorderingen die tegen de verschillende verweerders zijn ingesteld een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling. Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil (dat wil zeggen: de uitkomst van de procedure ). Daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Immers, alleen in situaties die feitelijk en rechtens hetzelfde zijn bestaat het risico dat bij een gefragmenteerde behandeling van nauw met elkaar samenhangende vorderingen door gerechten in verschillende lidstaten beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een procedure in een lidstaat haar weerslag kan hebben op de uitkomst van een procedure in een andere lidstaat, is onvoldoende om de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis te rechtvaardigen. Het artikel vereist niet dat de vorderingen tegen de verschillende verweerders dezelfde rechtsgrondslag hebben; dit kan echter wel een relevante omstandigheid zijn. Art.
Volledig
8 sub 1 Brussel I-bis verzet zich ertegen dat een eiser vorderingen tegen verweerders uit verschillende lidstaten instelt bij het bevoegde gerecht in de lidstaat van de woonplaats van de ankergedaagde, met als enig doel een van die verweerders te onttrekken aan de bevoegde gerechten in de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft. 3.9 De vraag of is voldaan aan het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens zoals bedoeld in (de rechtspraak van het HvJ EU over) art. 8 sub 1 Brussel I-bis, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Hierbij geldt dat het aangezochte gerecht in de fase van het onderzoek naar zijn rechtsmacht niet de ontvankelijkheid of de inhoudelijke gegrondheid van de vorderingen tegen de verschillende verweerders beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat (het land van het aangezochte gerecht) identificeert die zijn rechtsmacht kunnen rechtvaardigen. Het ligt primair op de weg van de eiser om de feiten te stellen die nodig zijn voor het bepalen van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Het aangezochte gerecht dient zich evenwel niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Wel geldt in dit verband de beperking dat, indien de verweerder de voor de rechtsmacht relevante stellingen van de eiser betwist, het aangezochte gerecht in het kader van het vaststellen van zijn rechtsmacht geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. Deze wijze van toetsing van de internationale bevoegdheid zal ik in het vervolg aanduiden als de prima facie beoordeling van de rechtsmacht. 3.10 Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De vorderingen B en E strekken ertoe om groepsaansprakelijkheid van Rabobank c.s. vast te stellen in verband met het vermeend onrechtmatig manipuleren van de JPY LIBOR. Aan de orde is de vraag of is voldaan aan (i) de voorwaarde op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis dat tussen vordering B op ankergedaagde Rabobank en vordering E op medegedaagden Lloyds en ICAP een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven, (ii) de voorwaarde op grond van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag dat tussen vordering B op ankergedaagde Rabobank en vordering E op medegedaagde UBS Zwitserland een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven, en (iii) de voorwaarde op grond van art. 7 lid 1 Rv dat tussen vordering B op ankergedaagde Rabobank en vordering E op medegedaagde UBS Japan een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Anders gezegd: bestaat tussen ankervordering B en vordering E een zodanig nauwe band dat een goede rechtsbedeling rechtvaardigt dat deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld door de Nederlandse rechter (het thuisforum van ankergedaagde Rabobank), om te voorkomen dat bij afzonderlijke behandeling van deze vorderingen bij de bevoegde fora van de woonplaats van ieder van de gedaagden (in Nederland (Rabobank), het Verenigd Koninkrijk (Lloyds en ICAP), Zwitserland (UBS Zwitserland) en Japan (UBS Japan)) beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn? 3.11 Volgens het tussenarrest komt de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid toe om kennis te nemen van vordering E op Lloyds c.s. Na vooropstelling in de rov. 4.4 t/m 4.8 van de kaders waarbinnen de rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet worden getoetst en de vermelding in rov. 4.7 dat hetgeen in het arrest wordt overwogen over art. 8 sub 1 Brussel I-bis (Lloyds en ICAP) ook geldt voor art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag (UBS Zwitserland) en art. 7 lid 1 Rv (UBS Japan), heeft het hof in rov. 4.13 geoordeeld dat de vorderingen B en E niet dezelfde situatie rechtens betreffen in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis (en daarmee dus ook van art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag en art. 7 lid 1 Rv). Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd: ‘ Vordering E 4.13 Vordering E strekt ertoe groepsaansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:166 BW vast te stellen. Niet aannemelijk is dat de vorderingen tegen alle geïntimeerden worden beheerst door Nederlands recht. Evenmin is voldoende aannemelijk dat de mogelijk toepasselijk rechtsstelsels een regeling kennen met eenzelfde inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leidt als artikel 6:166 BW. Dat betekent dat niet is voldaan aan de voor toepassing van artikel 8 lid 1 Verordening Brussel-bis gestelde eis van eenzelfde situatie rechtens. Anders dan de rechtbank concludeert het hof dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft ten aanzien van vordering E.’ 3.12 Onderdeel 1 keert zich tegen dit bevoegdheidsoordeel. Het onderdeel bestaat uit vijf subonderdelen. Subonderdeel 1.1 bevat geen klacht. 3.13 Subonderdeel 1.2 betoogt dat het hof in rov. 4.13 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereist niet dat de vorderingen tegen alle verweerders worden beheerst door hetzelfde rechtsstelsel, dan wel dat de mogelijk toepasselijke rechtsstelsels regelingen kennen met een gelijke inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leiden. De (enkele) omstandigheid dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (mogelijk) verschillende rechtsstelsels van toepassing zullen zijn, waarvan de inhoud, de strekking of het resultaat (mogelijk) ongelijk is, kan volgens de klacht (op zichzelf) niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. 3.14 Om eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis aan te kunnen nemen is het niet noodzakelijk dat de vorderingen tegen de verschillende gedaagden (bij de behandeling van die vorderingen door de bevoegde fora van de woonplaats van die gedaagden) door hetzelfde materiële recht worden beheerst. Voldoende is dat de (op grond van het internationaal privaatrecht van de bevoegde fora van de woonplaats van de gedaagden) toepasselijke rechtsstelsels (in hoofdzaak) hetzelfde rechtskader bevatten voor de beoordeling van de vorderingen tegen de verschillende gedaagden, althans dat de toepasselijke rechtsstelsels ertoe strekken (in hoofdzaak) dezelfde rechtsgevolgen te bewerkstelligen. Het oordeel van het hof in rov. 4.13 sluit hierbij aan. Ik leg dit als volgt uit. 3.15 In rov. 4.13 heeft het hof beoordeeld of ten aanzien van ankervordering B op Rabobank en vordering E op Lloyds c.s. (‘de vorderingen tegen alle geïntimeerden’) sprake is van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Allereerst heeft het hof erop gewezen dat het niet aannemelijk is dat de vorderingen B en E (bij de behandeling van die vorderingen door de bevoegde fora van de woonplaats van de gedaagden) worden beheerst door Nederlands recht (rov. 4.13, tweede volzin). Als dit wel het geval zou zijn, dan zouden beide vorderingen beoordeeld moeten worden volgens dezelfde maatstaf van art. 6:166 BW. Hiermee zou sprake zijn van eenzelfde situatie rechtens in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, nu de vorderingen B en E op dezelfde rechtsgrondslag zijn gebaseerd. Dit geldt ook wanneer de vorderingen (bij de behandeling daarvan door de bevoegde fora van de woonplaats van de gedaagden) worden beheerst door verschillende rechtsstelsels die (in hoofdzaak) hetzelfde rechtskader bevatten ten aanzien van het vestigen van groepsaansprakelijkheid, althans deze rechtsstelsels (in hoofdzaak) hetzelfde rechtsgevolg beogen te bewerkstelligen. Materieel zouden beide vorderingen, die op dezelfde rechtsgrondslag zijn gebaseerd, in dat geval worden beheerst door (in hoofdzaak) dezelfde rechtsnormen. Naar het oordeel van het hof is dit laatste evenmin het geval (rov. 4.13, derde volzin).